Zoeken

Oude bomen verplant men niet

1 Jeanne van Overschelde was een hardwerkende vrouw met het hart op de juiste plaats. Haar hele leven stond in het teken van anderen: haar man, haar vijf kinderen, de minder gestelde boeren die tijdens koude oorlogswinters dreigden te ver­hongeren en de patiënten die ze met meer dan beroepsmatige zorg omringde in het hospitaal waar ze aan de slag ging nadat de boerderij van haar echtgenoot was opgeslokt door een gigantische melkveefabriek. Haar man, verslagen door een onbereikbare concurrent, zocht zijn toevlucht tot de drank, die gewillig zijn gevoelens wegspoelde. Hij maakte Jeanne echter met harde hand duidelijk dat hij niet langer de kostwinner, maar nog steeds de baas in huis was. Toch bleef Jeanne hem steunen. Eens getrouwd, altijd getrouwd. In goede en in slechte tijden. Ze werd er har­der door, maar niet minder behulpzaam. Wie Jeanne om hulp vroeg, kreeg hulp. Ondertussen was ze met pensioen. Haar man was uiteindelijk bezweken aan de levercirrose die hij dertig jaar lang opbouwde. Haar kinderen hadden nu zelf een gezin om voor te zorgen. Zelfs haar kleinkinderen, waarvan de oudste al met haar vriend samenwoonde, hadden haar niet meer nodig. Natuurlijk kwamen ze nog weleens op bezoek en brachten dan steevast een ruiker opzichtige bloemen of een doos likeurpralines mee, maar dat was eerder een soort liefdadigheid geworden dan een dringende behoefte aan haar hulp of aanwezigheid. Als Jeanne morgen zou sterven, zouden ze een tijdje verdrietig zijn. Dat verdriet zou na enkele weken al overgaan in een bitterzoete herinnering. Maar niemand, niet haar drie dochters, niet haar twee zonen, niet de zeven kleinkinderen die enkele jaren geleden nog hielpen bij het plukken van tomaten en bonen in Jeannes moestuintje, zou­den haar echt missen. Naarmate Jeanne ouder werd, werd ze kleiner. Daarbij krompen niet enkel haar beenderen, maar ook haar invloed op de levens van anderen. Met voorzichtige passen liep Jeanne die ochtend over het tuinpad. De bouwvakkers waren al volop in de weer. Ze had de vrachtwagens over het grasveld achter haar huis horen denderen toen ze een ketel water op het gasfornuis in de bijkeuken zette. Felle lichten scheurden de mistige schemering aan stukken. Jeanne rilde en trok haar vest dichter om zich heen. De glazen deur van de serre protesteerde even, maar gaf zich dan toch gewonnen. Jarenlang had haar man op die verdomde rotdeur gevloekt. Jeanne vloekte niet. De serredeur klemde al zolang ze zich kon herinneren. Het hoorde bij het huis. Haar huis. De kinderen van haar vorig jaar overleden huisbaas wilden het huis, dat Jeanne altijd voor een appel en ei gehuurd had, slopen, net zoals ze met de huizen op het perceel achter Jeannes huis hadden gedaan. Die bewoners, twee jonge gezinnen, hadden zich gemakkelijk laten verjagen. Jeanne niet. ‘Oude bomen verplant men niet,’ had ze gezegd. Ze konden het niet vatten, die jonge mensen met hun ambities en drang naar mate­riële rijkdom. Ze hadden haar extra tijd gegeven. Die was nu bijna op, maar Jeanne wilde niet vertrekken. Ze was heus niet van plan om de resterende jaren van haar leven in een bejaar­dentehuis te spenderen. Zoveel vrien­den en kennissen had ze zien uitdoven van zodra ze uit hun vertrouwde omgeving werden weggerukt. Kranige vrouwen, die decennialang met verweerde handen in de aarde hadden gewroet, vodden uitgewrongen en groenten ingemaakt in weckpotten, die zich plots niet meer konden wassen zonder hulp. Sterke bomen, wier wortels zo gewend waren aan de vertrouwde grond waarin ze waren opgegroeid, dat ze gedoemd waren om uit te dro­gen van zodra ze verplant werden. Het was een korte weg van het rusthuis naar het graf. Een weg die Jeanne niet wilde afleggen. Niet op die manier. Jeanne plukte enkele kerstomaatjes. Een bouwvakker liep achter haar tuin door. Ze keek de jongeman zo indringend aan dat hij zijn ogen neersloeg en zijn hand, die hij al half had opgeheven om haar te begroeten, haastig in een broekzak moffelde. Nijdig stopte Jeanne de to­maten in een zak van haar vest. De jongeman deed ook maar zijn werk. Dat wist ze wel.De deurbel ging, nauwelijks hoorbaar boven de vrachtwagens en betonmolens. Jeanne slofte op haar pantoffels naar binnen. In de bijkeuken draaide ze het gasvuur onder de fluitende ketel uit. ‘Goedemorgen, Jeanneke!’ riep Wendy op haar eeuwig enthousiaste toon. Ze maakte aanstalten om haar schoenen uit te trekken.‘Laat maar kindje, ik moet toch nog schoonmaken,’ zei Jeanne automatisch. Terwijl ze het zei, drong het met een pijnlijk besef tot haar door dat dat niet waar was. Ze zou deze keuken nooit meer schoonmaken.‘Fris weertje,’ rilde de verpleegster.Jeanne knikte enkel. Ze vroeg zich af waarom jonge mensen zich altijd net iets lich­ter kleedden dan het seizoen toeliet. Ze ging Wendy voor naar de keuken. De vertrouwde pijnscheut in haar schouder diende zich aan.   2 ‘Pijn in je schouder?’ Wendy nam de hand van de oude vrouw in de hare. De verharde huid met eeltplekken voelde ruw aan.‘Niet meer dan anders,’ antwoordde Jeanne met de schijnbaar luchtige verbetenheid van iemand voor wie pijn vanzelfsprekend is geworden.Wendy prikte in Jeannes vinger om haar suiker te meten. ‘165. Wat heb je als ontbijt gehad?’‘Suikervrije confituur.’‘Maar wel met goede boter, of niet soms?’Jeanne staarde nukkig naar het tafelblad. ‘Enkel de pastoor zondigt nooit, kindje.’ Wendy wist dat het geen zin had om er verder op in te gaan en spoot de vrouw in met insuline. Een vrachtwagen denderde langs het huis. ‘Wat een lawaai weer,’ zei ze om maar iets te zeggen. ‘En zo vroeg op de dag al.’‘Ze zijn al bezig sinds zeven uur. De huizen hebben ze al platgegooid, nu volgen de bomen. Gisterenmiddag hebben ze de eik omgehakt.’ De oude vrouw keek niet op, zodat het leek alsof ze tegen zichzelf praatte. ‘In deze perio­de van het jaar gingen we altijd kastanjes rapen in het bosje dat vroeger aan onze tuin grensde. En dennenappels, om de open haard aan te maken.’ Het was niet de eerste keer dat ze dit verhaal vertelde. Toch deed de verpleegster alsof ze aandachtig luisterde terwijl ze Jeannes voet op haar been legde en bestudeer­de. Wendy wist dat wonden van diabetici moeilijk genezen, maar in Jeannes geval leek er helemaal geen verbetering op te treden. ‘Rust je wel genoeg?’‘Rust roest.’ Er viel een stilte. Wendy was nooit goed geweest in afscheid nemen. Het viel haar op dat er nog niets ingepakt was. Ze nam een slok van de koffie die Jeanne zoals altijd voor haar had klaargezet. Een half klontje suiker, een wolkje melk en een Madelei­ne‑cakeje. Deze tafel, deze koffie, deze keuken, dit wat onderkomen huisje met moestuin, het was de natuurlijke habitat van dit vrouwtje. Wendy kon zich de vrouw niet in een andere omgeving voorstellen. Het was Jeanne die de stilte doorbrak. ‘Nu zitten we hier nog gezellig aan de koffie. Straks komen mijn dochters alles in­pakken, terwijl mijn zonen de kasten uit elkaar schroeven.’‘Wat gebeurt er met je spullen?’‘Een deel neem ik mee naar het rusthuis. Het grootste deel gaat naar de kringloop­winkel en ik hoorde mijn schoonzoon over het containerpark praten.’ Ze sprak het woord containerpark uit alsof het een vreselijke plek was. De staande klok in de hoek gaf aan dat de verpleegster al naar de volgende patiënt had moeten vertrekken. Maar geen van beide vrouwen maakte aanstalten om op te staan.‘Ik kom je bezoeken in het rusthuis. Dat vind je toch goed?’ Tot haar verbazing schudde Jeanne het hoofd. Er leek iets te breken in het magere vrouwtje. Een traan rolde over haar wang. Ze veegde hem ongeduldig weg. De ver­pleegster aarzelde nog even, maar boog zich toen naar Jeanne toe en sloot haar in de armen, alsof ze een kind was dat getroost moest worden. Haar rechterhand rustte teder op Jeannes knokige ruggengraat.   3 De voordeur maakte een schurend geluid. Jeanne bukte zich om de post, die zich de afgelopen weken had opgestapeld, op te rapen. Ze legde de reclamebundel en enveloppen ongeopend op het aanrecht. Ze hadden de elektriciteit reeds afgesloten. Door het keukenraam viel wat zwak maanlicht naar binnen, maar Jeanne had geen licht nodig om haar weg te vinden in het huis waar ze vijf kinderen had grootgebracht. Met langzame maar zekere passen liep ze door de kamers. Het had vreemd moeten aanvoelen, zo zonder haar vertrouwde meubelen, maar dat was niet zo. Integendeel: het leek wel alsof ze het huis nog beter aanvoelde nu er geen tafels, voorraadkasten een kamerplanten met de aandacht gingen lopen. In de woonkamer bleef ze abrupt staan. Een angstig ogenblik lang dacht ze dat er iemand in de kamer stond. Toen besefte ze dat het haar spiegelbeeld was. Ze waren de lange spiegel, die altijd in de hoek had gestaan, vergeten. Behoedzaam kwam Jeanne dichterbij. Het was te donker om haar spiegelbeeld goed te kunnen zien. Jeanne was slechts een vage schim. Een afdruk van de vrouw die ze ooit was geweest. Ze streelde over haar gerimpelde huid. Jeannes gezicht was een kaart van haar leven. De rimpels op haar voorhoofd ontstonden tijdens koude nachten waarop ze lag te wachten tot haar man dronken de trap op strompelde. De kraaienpootjes om haar ogen waren stille getuigen van het feit dat ze haar kinderen alles had willen meegeven wat ze zelf nooit had gehad. De rimpels om haar mond herinnerden aan de zeldzame maar intense momenten waarop Jeanne zich oprecht gelukkig had gevoeld. Haar huid had haar glans verloren, die enkel nog op oude foto’s werd herdacht. Haar eens zo volle lippen waren uitgedroogd. De sierlijke hals waar haar man lang geleden, toen ze pas verkeerden en de drank nog niet alle passie had gedoofd, steeds weer met bevende vingers over streelde, leek nu eerder op een oude dweil dan een hals. Jeanne voelde zich een wezen uit een ander tijdperk, iets dat dapper streed om een laatste beetje bestaansrecht. En toch. Toen Jeanne van Overschelde op die kille novembernacht in het schaarse licht van de volle maan die in de lege kamer naar binnen viel, naar haar spiegelbeeld keek, zag ze nog iets van haar oude glans. Een twinkeling, een lichtpuntje. De jonge, sterke vrouw van vroeger zat nog in haar, ergens onder haar oude knoken en rim­pelige huid. En die vrouw wilde niet in een stoel voor een venster met zicht op het park zitten wachten tot de dood zijn kille hand op haar schouder legde. Jeanne danste. Ze had het eerst niet eens in de gaten. Haar voeten leken als vanzelf te bewegen, en haar armen volgden, in golvende bewegingen. Haar spiegelbeeld danste sierlijk met haar mee. Niet in de oude, grijze vest die ze droeg, maar in een prachtige jurk. Jeanne kende die jurk maar al te goed: ze had hem gekregen voor haar zestiende verjaardag en droeg hem zo vaak als de gelegenheid dat toeliet: op feestjes, in de kerk op zondag, bij zomerse familiebezoekjes. Toen schopte Jeanne haar schoenen uit, en danste verder op blote voeten. Ze voelde zich licht worden. Het leek wel alsof ze zweefde. Met een verrimpelde vinger streelde ze over het houtwerk aan het raam. Haast onopgemerkt vielen de plooien van haar huid samen met de nerven van het hout.

Leen Raats
2 1

Allesbehalve super

Het was geen pretparkbezoek. De supermarkt, twee dagen voor Kerstmis. Het begon al bij het vinden van een parkeerplaats. Het was zoeken naar een vegetariër in een vleesrestaurant. Ik zag een vrije plaats en stapte uit terwijl de auto nog bolde. Gelukkig was ik niet de chauffeur. Ik spurtte naar een vrijgekomen plaats en ging in het midden staan met mijn armen overeen. Nooit gedacht dat ik zoiets zou doen. Eindelijk binnen. Daar was het zo mogelijk nog erger. Mensen stopten bij proevertjes en maakten praatjes met elkaar. Gezellig toch? Nee, hoegenaamd niet. Met al die stilstaande winkelkarren moest ik slalommen zoals een volleerd skiër op de grote prijs van Garmisch-Partenkirchen. "Ook aan het winkelen?", hoorde ik iemand zeggen. "Nee, aan het skiën.” In de groenteafdeling trof ik oorlogstoestanden aan. Er stonden meer karren dan wettelijk toelaatbaar. De brandweer zou het nooit goedkeuren. Een mevrouw sprak haar man aan. "Ludo, hier blijven staan". Hij stond net voor de tomaten. Een wezenlijk onderdeel van de verse tomatensoep die ik meende te bereiden.  "Ludo, zou je even aan de kant kunnen, want ik moet tomaten hebben", vroeg ik vriendelijk. Hij bewoog geen millimeter. Hij keek me aan met een blik van “de sergeant heeft gezegd dat ik hier moet staan en ik blijf hier staan”. Ik kon niet wachten, want de man achter mij had al drie keer op mijn enkels gereden. Opzettelijk. Terwijl ik verder sjokte zag ik dat Ludo zijn plaats bij de tomaten verliet en trots naar zijn vrouw keek. “Moeten we hier eigenlijk zijn, in de groenteafdeling?”, hoorde ik een man tegen zijn vrouw zeggen. “Nee, eigenlijk niet”, antwoordde ze. Ook dat nog. Ramptoeristen. Ik was ondertussen zo opgejaagd en heetgebakerd dat ik tussen de pizza’s in de diepvriezer had willen afkoelen. Omdat ik niet alles gevonden had en andere zaken vergeten, zoals mijn tomaten, reden we nog naar een andere supermarkt. Daar moest je bij het verlaten van de parking een nummer ingeven zodat de slagboom omhoog ging. Een vrouw stapte uit de auto voor ons en tekende met haar wijsvingers een vierkant in de lucht. “Ze roept er de VAR bij”, zei ik. Zoals in het voetbal. Ze had het papiertje vergeten af te geven aan de kassa. Ik sloeg een zucht, zo luid dat de chauffeur in de vierde auto achter ons ervan schrok. Ik wil maar zeggen, tijdens de eindejaarsperiode naar de supermarkt gaan is allesbehalve super. Nee Ludo, volgend jaar bestel ik mijn tomaten op het internet.

Rudi Lavreysen
39 0

De Orde van de Pad

Terwijl Antonio over de donkere snelweg naar huis reed, brandde het vuur nog in zijn lijf. Hij zat rechtop in de lederen stoel van zijn BMW, beide handen om het stuur geklemd. In gedachten stond hij nog steeds achter de katheder en keek hij de overdekte arena in. Hij zag de kolossale spots, de zwaaiende vlaggen, de mensen met hun verhitte gezichten. Het was een massa die woelde en deinde en helemaal van hem was. Hij had ze opgehitst met zinnen als zweepslagen, waarvan hij elk laatste woord liet knallen door de microfoon. Hij had wetten verworpen, grenzen gesloten, andere politici ervan langs gegeven: de lafaards, de bedriegers, de verraders. Na elke uithaal had hij, met zijn vuisten bonzend op het spreekgestoelte, teruggegrepen naar het vaderland van vroeger, een plaats en een tijd die hij gekend noch beleefd had, maar waaraan hij karakteristieken had toegekend die zijn publiek hadden doen juichen van ingebeelde herkenning. Hij had altijd geweten dat hij onweerstaanbaar was, maar vanavond, terwijl hij zijn publiek met de cocktail van zijn uitstraling, zijn woorden en zijn keiharde boodschap had opgetild tot een gezamenlijke extase, had hij zich voor het eerst in zijn leven onoverwinnelijk gevoeld.   Aangekomen bij de portiersloge stopte hij voor de neergelaten slagboom. Antonio had het altijd ironisch gevonden dat de portier die de toegang tot de residentiële wijk bewaakte een zwarte was. "Dat zullen zijn vrienden wel leuk vinden," had hij tegen Sofía gezegd. "Één voetafdruk op mijn patio, en ik zorg ervoor dat hij de bak indraait." "Jouw patio?" "Onze patio." De slagboom bleef neer. Antonio liet het zijraampje zakken, leunde naar buiten en tuurde het portiershok in. Daar zag hij de onbezette stoel van de portier in het licht van een bureaulamp. Hij claxonneerde twee keer kort na elkaar. Toen nam hij zijn gsm en belde Sofía. Die nam niet op. Antonio gooide het mobieltje op de passagierszetel, legde zijn handen weer op het stuur, en tokkelde nerveus met zijn vingers op de lederen stuurbekleding. Hij keek op zijn horloge. "Hijo de..." Weer duwde hij op de claxon, lang en hard ditmaal. Het voelde alsof iemand de stop uit zijn overwinningsbad getrokken had; de euforie gorgelde weg door de afvoerbuizen. Nog steeds geen spoor van de portier. Antonio stapte uit en liep om de wagen heen. Opeens zat hij in een houdgreep: twee zware armen hielden de zijne achter zijn rug geklemd, en een hand met een doek bewoog naar zijn gezicht. Een prikkelende geur in zijn neus. Alles werd zwart.   Toen Antonio weer bijkwam, zat hij vastgebonden op een stoel, met een vochtige prop in zijn mond. Zijn hele lichaam deed pijn, zijn hoofd tolde. Hij bevond zich in wat een kelderruimte leek: slordig bepleisterde muren zonder ramen, een schamel peertje aan het plafond. Er hing een vochtige, ondergrondse geur. Wat er zich achter hem bevond, kon hij niet zien.   Plots ging het licht uit. Van achter zijn rug klonk het gezoem van een opstartend apparaat, en op de muur tegenover hem verscheen de projectie van een computerscherm. Alsof hij gewoon thuis voor de computer zat, zag Antonio op de blauw oplichtende muur een cursor bewegen. Het pijltje gleed naar een map met de naam Sapo. De map werd opengeklikt, en de cursor bewoog naar het enige document in de map, een video met de naam antes del ritual. Het woord ritual deed Antonio´s nekhaar overeind komen. Als een bezetene probeerde hij zijn handen vrij te trekken, maar de kabelbanden om zijn polsen zaten muurvast. Hij gilde in de mondprop, zette zijn voeten op de grond, viel met stoel en al voorover. Meteen werd hij weer overeind getild en op zijn plaats gezet. Er stond nu iemand achter hem; twee ruwe handpalmen drukten op Antonio´s wangen en richtten zijn gezicht naar het beeld op de muur. "Geen paniek," zei een zware stem. "Gewoon even het filmpje bekijken." Met tranen in de ogen keek Antonio naar de muur voor zich, waar een onzichtbare hand de video aanklikte. Op het scherm verscheen een bruine pad in een regenplas, en op de achtergrond klonk een rustige mannenstem met een Catalaans accent. "De Bufo Alvarius is een paddensoort die voornamelijk voorkomt in Mexico. Net zoals haar aanverwanten heeft zij gifklieren aan de zijkant van het hoofd." Verward staarde Antonio naar het vuile dier in de modder. Zat hij nu naar een fucking natuurdocumentaire te kijken? "Het bijzondere aan de Bufo Alvarius is dat het gif dat zij afscheidt, gebruikt kan worden als medicijn," ging de stem verder. Op het scherm had de pad ondertussen plaats gemaakt voor de afbeelding van een chemische molecule. "De stof 5-MeO-DMT die zich in de afscheiding van de Bufo Alvarius bevindt, is qua structuur chemisch verwant aan serotonine. Daarom kan zij zich probleemloos binden op de serotonine-receptoren in onze hersenen..." Antonio sloot zijn ogen. Hij was ontvoerd door een stel amateurs. Antonio had een bloedhekel aan amateurs.       "... waardoor onze hersenen tijdelijk bevrijd worden van de controlerende werking van serotonine. Daardoor worden onder de invloed van 5-MeO-DMT andere hersengebieden aangesproken, en andere combinaties van hersengebieden geactiveerd." Als ik de idioten in mijn handen krijg die hierachter zitten, dacht Antonio. Ze zouden zich de dag beklagen waarop ze zich met hem hadden ingelaten, hem de stuipen op het lijf hadden gejaagd, hem van zijn kostbare tijd hadden beroofd. Ze wisten niet met wie ze te maken hadden, zoveel was duidelijk. Zodra hij uit dit circus kon ontsnappen... Het zoemen van de projector stopte. Het licht ging weer aan. Antonio zag een grote man met een wilde baard op zich afkomen. De man had een doek in zijn handen die hij onder Antonio´s neus duwde. Zie je wel: amateurs, dacht Antonio, en verloor opnieuw het bewustzijn.   Hij lag op zijn rug in het zand. Zijn armen en voeten waren vrij. De prop in zijn mond was verdwenen. Langzaam ging Antonio overeind zitten, steunend op zijn ellebogen. Hij zat op een strand en zag de zon rood boven de zeespiegel hangen. Ging ze op of onder? Waar was hij in godsnaam? Oostkust of westkust? Op een paar meter van hem vandaan stonden vier mannen en twee vrouwen. Ze keken op hem neer. Zou hij weglopen? Zijn benen waren te zwaar. Concentreren op die zon. Ze ging onder. Niet? Ja, ze ging onder. Westkust. Mallorca? Ibiza? Hijos de puta. Waar hadden ze hem heengebracht? Portugal?   Opeens kwam er een vijfde man van achter het groepje op hem toelopen. Hij was kleiner en ouder dan de anderen en gekleed in wat een traditioneel kostuum leek. Iets Centraal-Amerikaans: veel parels en felle kleuren. Op zijn hoofd droeg hij een verweerde cowboyhoed. Joder. Ze hadden hem toch niet naar Mexico gevlogen?   Uit het groepje maakten zich twee mannen los die het oudje vervoegden en met zijn drieën stapten ze op Antonio af. Ze gebaarden hem op te staan, namen voorzichtig zijn armen vast. Antonio liet zich gewillig overeind trekken. Het oude mannetje begon te zingen. Indianenklanken. Toen kwam een van de vrouwen erbij staan. Ze droeg een glazen kolf met een tuit. Er wolkte rook in de kolf. "Inademen," gebaarde een van de mannen hem. Antonio schudde zijn hoofd. Het oude mannetje bleef zingen. De vrouw lachte. De mannen grepen hem vast, handpalmen op zijn wangen. Hij sloot zijn mond. Het mannetje zong, de vrouw lachte. "¡Venga, guapo!" riep ze. "Het zal je goed doen! La medicina del sapo, je hebt het nodig!" Hij kon zich niet verroeren. Ze knepen zijn neus dicht; hij stikte. Glas tussen zijn tanden. Hij ademde de wolk in.   Antonio explodeerde. In miljarden schitterende splinters spatte hij uit elkaar, en elke splinter schoot het heelal in. Hij was het heelal. En het heelal was liefde. Liefde, liefde, liefde. Alles was verbonden en alles was liefde. Antonio was er niet meer. Antonio was alles en iedereen. En alles was liefde.   Toen Antonio weer bijkwam, lag hij naast zijn auto. Hij lag op zijn rug, met zijn armen naast zich, alsof hij een engel wou maken op het asfalt. De hemel boven hem was licht en helder. "¿Señor?" In zijn blikveld verscheen het zwarte gezicht van de portier. "¿Qué le ha pasado, señor? " Antonio keek de portier aan met ogen zacht van herkenning. "Hermano..." zuchtte hij. En met zijn armen uitgestrekt naar de man die hij zonet broer had genoemd, herhaalde hij dat woord en proefde het en vroeg zich af of dat misschien het mooiste woord was dat ooit over zijn lippen was gekomen.  

Kathleen Verbiest
176 1

Wat je doet voor vriendschap (en wanneer je moet stoppen)

Als er iemand was die mij zo kon doen schrikken was het wel mijn beste vriend Clay. Ik ben echter nog nooit zo hard van hem geschrokken als nu. Zijn botten zijn hier en daar zichtbaar en als ik zou willen zou ik zijn lieve hart er zo uit kunnen nemen. Dat doe ik natuurlijk niet. Een van zijn armen is gebroken en ergens mis ik een van zijn zachte vingers. Een van zijn benen eindigt bij zijn knie en hij ligt in een plas bloed, waarschijnlijk zijn eigen bloed. Hij mist een heel deel van zijn haar en zijn overgebleven voet is vermorzeld. Wie of wat zou er iemand nu zo iets kunnen aandoen? Mijn beste vriend Clay dan nog wel. Ik zal het te weten komen, of ik sterf in mijn poging om diegene te vermoorden. Dit is nu een week geleden en ik ben geen stap verder gekomen met mijn onderzoek. Ik weet alleen dat het geen maffia was, want daar was Clay niet mee gemoeid. Dan heb ik nog een kleine aanwijzing, en dat is dat er geen aanwijzingen zijn en dat is zo zelden voorkomend dat het wel iets magisch moet zijn. Clay was een van de mensen die ze kon zien. Hij zal wel zo stom zijn geweest om een overeenkomst met ze te sluiten zonder het te merken. Jammer genoeg vergeet Clay altijd alles, dus is hij die afspraak waarschijnlijk ook vergeten. Ik ben ook een ziener, aangezien zieners altijd ergens in een steegje in een plasje bloed eindigen was ik, noch de rest van de wereld verbaast over Clay's dood. Maar als een ziener kon ik ook als een van de enige de echte dader vinden. Dus aangezien het niemand van de normale wereld was, zat er voor mij niets anders op dan af te dalen naar het land van de magische. Tenminste als het inderdaad ergens onder de onze ligt.

Zoë
20 0

Maar Michel toch

Mijn krant ging onmiddellijk naar beneden. Had hij dat echt gezegd? Ik keek met grote ogen naar het tv-toestel. Van het schrikken. Zoiets zeg je toch niet? Ik heb zelfs luid “Maar Michel toch” geroepen. “Naar wie zit je te roepen?”, vroeg mijn vrouw. Maar wacht, laat me eerst de plaats van het gebeuren meegeven. Er was een veldrit op de tv. Die dag eentje voor vrouwen. Een passieve activiteit die ik combineer met het actief lezen van de krant of een boek. Kwestie van me niet schuldig te voelen voor het complete nietsdoen terwijl de wielrenners zich het zweet uit het fietspak koersen. De Michel naar wie ik riep, is de vaste wielercommentator bij het veld- en wegwielrennen. Hij had het wel degelijk gezegd. In exact deze bewoording: "Maar kijk eens naar dat gat nu weer." Zelfs de co-commentator reageerde niet. Er was echter geen wielrenster te bespeuren. Ook niet in achteraanzicht, wat je zou verwachten bij een dergelijke uitspraak. Alleen een beeld uit de lucht van een modderige vlakte. De ‘weer’ in zijn uitspraak duidde erop dat hij nog een achterwerk gezien had. Net op het moment dat ik de terugspoelknop meende te gebruiken, zag ik het ‘gat’. Alsof iemand het licht aanknipte in het donker. Het 'gat' waarvan sprake was het gat of de ruimte tussen een aantal wielrensters. Hij kan toch ook vragen om naar de voorsprong te kijken? Afijn, dat krijg je natuurlijk als je ogen op de krant en niet naar de tv gericht zijn. “De krant lezen en tegelijk tv kijken gaat duidelijk niet”, zei ik. Ik zweeg over mijn misinterpretatie van het gat van Michel. Al had mijn echtgenote, die weet hoe ze als vrouw twee zaken tegelijk kan doen, meteen een oplossing. “Maak dan een gat in uw krant”, zei ze.  

Rudi Lavreysen
69 0

Sanguis

‘Honderdvijfentwintigduizend euro wil ik,’ zei een koelbloedige stem ‘niet minder’ Ik dacht na maar wist dat ik niet zomaar honderdvijfentwintigduizend euro kon weggeven en verkrijgen. ‘Als ik het geld niet deze week verkrijg, dan stopt het niet bij je vrouw. Dan maak ik je hele familie kapot tot jij als laatste overblijft, capiche?’ Hij zette mij verdomme onder druk. Mijn handen trilden terwijl ik de telefoon vasthield. Ik zei niets want woorden schoten tekort. Hoe moest ik aan zoveel geld geraken? ‘Begrepen’ antwoordde ik uiteindelijk zo rustig mogelijk. De stem had opgehangen, ik hoorde alleen nog maar de piepgeluiden van de telefoon. Het was inmiddels het einde van de week. Ik had mij al voorbereid om mijn vrouw nooit meer terug te zien. Ik zou nooit aan zoveel geld geraken, onmogelijk. Ik opende mijn laptop terwijl ik aan mijn bureau zat. Mijn hart begon sneller te kloppen toen ik zag dat ik een mail had ontvangen. Zou het van de gijzelaar zijn? Ik klikte de mail open. Er was geen onderwerp alleen een filmpje dat er als bijlage was bij toegevoegd. Ik opende het filmpje, het speelde meteen af. Ik zag mijn vrouw met een doek in haar mond gepropt. Een man met een bivakmuts kwam in beeld met een kettingzaag in zijn hand. Wou ik nog verder kijken? Ik moest wel, ik keek hoe mijn vrouw volledig was vastgebonden aan een stoel. De kettingzaag maakte een luid lawaai. Het bevond zich steeds dichter bij haar handen. Nee nee, dit moest een nachtmerrie geweest zijn. Het moest verdomme een slechte droom geweest zijn. De man met de bivakmuts hield nog steeds stevig de zaag vast, die zich enkele centimeters van mijn vrouw haar vingers bevond. Ketchup, dat was het. Het was ketchup. De saus dat men eet bij de frieten, toch? Nee nee, het was geen ketchup. Dat mag ik je verzekeren. Het bloed spatte uit de vinger. Ik wou niet meer verder kijken, toch was er iets in mij dat me dwong. Haar vinger was op de grond gevallen. De gijzelaar leek niet genoeg voldoening te hebben. Het welgekende geluid van de kettingzaag klonk weer. Vinger twee was aan de beurt. Ik zag hoe mijn vrouw probeerde te schreeuwen, alleen met weinig resultaat door het doek dat nog steeds in haar mond was gepropt. ‘Welke psychopaat doet zoiets?!’ had ik gedacht. Ik was machteloos. Ik kon enkel toekijken hoe de man steeds meer vingers van mijn vrouw afzaagde. Inmiddels was alles wazig voor mij. Ik had al dertien minuten gekeken hoe de gijzelnemer zorgvuldig ledematen van mijn vrouw afhakte. Er werd hard geklopt op mijn deur. Het geluid zoog me weer in de realiteit. Ik had geen energie om op te staan, ik kon het niet. Uiteindelijk hoorde ik een hard geluid alsof mijn huis werd binnengestormd. Ik draaide mij om, een man met een zwart uniform, een kogelvrije vest en een zwaar wapen in zijn hand stond in het deurgat. ‘U staat onder arrest, meneer’ had de man in het uniform gezegd.

Nova
18 0

Langteen en Schommelbuik

"Ik zeg het. Ze moeten Jef Nys een standbeeld geven." De man onder ons spreekt het uit als 'Jef Naas'. Het is volop zomer en we zitten op een Antwerps terras. Bij het basketpleintje aan het Sint-Jansvliet. We zitten voor het raam op barkrukken en kijken over het terras. Als een stel schippers die over de boeg van het schip turen. Het viertallige gezelschap lijkt niet naar huis te gaan vooraleer ze de klimaatzaak opgelost hebben. "In de jaren '60 bracht hij het stripverhaal De Straalvogel uit. Over een vliegtuig dat op waterstof vliegt. En begin jaren '70 De Grasmobiel. Over een auto die op gras rijdt. Zeg nu zelf.” "Ja Eddy", zegt zijn buurman terwijl het bierschuim van zijn lippen veegt, "maar dat is pure fantasie. Die toestellen werken niet.” "Elke uitvinder heeft zijn dromen Roger", gaat hij verder. "Nys was een visionair. Ik zal zelfs meer zeggen. Lang voor de computers heeft hij de sociale media voorspeld, zoals Facebook en Instagram. Het was een figuurtje dat maar twee zinnen kende. Ik meen dat het “Dat vind ik leuk” en “Dat vind ik niet leuk” was. Geef toe, meer doen we op sociale media toch niet.” De anderen zijn onder de indruk. “En wanneer heeft hij dat voorspeld?” “Begin jaren zestig. Nog voor Jommeke, in de albums van Langteen en Schommelbuik. Dat waren kabouters. ”De andere drie komen niet bij van het lachen. “Kijk, ik ben ook Schommelbuik”, lacht de meest corpulente van het gezelschap terwijl hij zijn buik vastneemt. Ze schudden van het lachen. Ik besluit om me niet te moeien. Maar Jef Nys heeft inderdaad die reeks gemaakt. Ik moet nog een exemplaar hebben. Thuis ga ik op zoek. Inderdaad, kabouter Knaagtand zegt alleen maar “Ja, dat zie ik graag” en “Nee, dat zie ik niet graag”. Geef toe.

Rudi Lavreysen
628 1
Tip

Simulatio

Ik rende, harder dan ik ooit had gedaan. Ik hijgde, kom op het is niet ver meer. Ik keek regelmatig achter me maar herinnerde me niet meer waarom ik dat steeds deed. Ik moet verder, hou vol zei ik tegen mezelf om m'n moed te behouden. De straten waren donker, het voelde zeer grimmig aan. Hier en daar was er een lantaarnpaal die oplichtte. Ik rende verder terwijl mijn ademhaling langzaamaan weer op normale gang begon te gaan. 'Gehaast?' zei een stem achter mijn rug. Ik verschoot en viel op de grond. Wat deed een man zo laat op straat? Toen besefte ik dat hij me hetzelfde kon vragen. Ik keek de man aan. Een deel van zijn gezicht was verborgen in de duisternis. 'W-w-wie bent u?' vroeg ik stotterend. De man keek me met een moordende grijns aan. 'Doet dat er toe?' had hij gezegd. Ik wou weg, de man gaf mij een angstig gevoel. Ik besloot om rechtop te gaan staan en maakte aanstalten om weg te lopen van de vreemde man. Hij hield mij tegen. Zijn gezicht was nu volledig zichtbaar door het licht van de straatlantaarns. De ene helft van de man zijn gezicht was bedekt met brandwonden, door de andere helft liep een groot litteken. Ik wist dat ik in gevaar was, de man was in geen enkel geval te vertrouwen. 'Zou hij tot hen behoren?' dacht ik terwijl ik de grijns van de man aankeek. 'Ik moet eigenlijk uhmm... Naar huis' besloot ik te zeggen. Hij keek me nog steeds aan met die moordende lach. Ik moest iets doen, de man zou mij niet zomaar weg laten gaan. De straat was leeg, we waren de enige. Kom op, er moet een manier zijn... Schoppen in de ballen misschien? Hoofdstoot? Ik deed niets, de man leek iets te grijpen uit zijn jeansbroek. Het was een mes. Verdomme, hij had een mes en ik kon me op geen enkele manier verdedigen. Hij keek me aan en zwaaide met het mes in zijn vingers. 'Kom met me mee' sprak hij. Shit, ik moet wel met hem mee. Ik had het gevoel dat hij me anders hier ter plekke zou neersteken. 'Volg mij' zei de man koeltjes. Ik wist dat ik niet anders kon dus volgde ik hem door de donkere straten. Ik durfde de man niet meer aan te kijken. Er was nog steeds niemand op straat, het voelde alsof mijn dood steeds dichter kwam. We sloegen een steegje in. Het liep al snel op een dood einde. We stopten net voor het einde aan een deur waarop een kruis in het rood gemarkeerd was. De man nam een bos sleutels uit zijn zak en opende de deur, mijn hart begon harder te slaan. Hij toonde met zijn arm dat ik als eerste binnen moest gaan. Voor even had ik gedacht dat hij een ober was in een 5-sterren restaurant. Ik liep naar binnen met weinig aarzeling. Het was er ook pikdonker. Er was enkel een trap die neer beneden ging naar een soort kelder. De man was nu ook naar binnen gelopen en ik hoorde hoe hij de deur dichtsloeg en sloot met de zijn sleutels. Ik was in de val en kon nergens meer geen. Hij nam mijn schouder vast en begeleidde mij naar beneden terwijl hij zijn aansteker nam om de gang te verlichten. Nadat we langzaam de trap waren afgegaan, waren we in een gang beland die zeer goed in een oorlogsbunker zou passen. Links en rechts waren vele deuren te zien, de deuren waren voornamelijk gemaakt van massief staal. Verwonderd vroeg ik me af wat er zich achter die deuren bevond. De man begeleidde mij naar een van die deuren, mijn hart begon nog sneller te kloppen. Wat was hij van plan? Ik durfde de man niets te vragen, ik wist dat hij geen goede bedoelingen met mij had. Hij opende de deur en we liepen een lege kamer in. Er stond enkel een stoel in het midden en een UV-lamp zorgde voor licht. De man ging in de stoel zitten en keek me bloedserieus aan. Hij haalde het mes, waarmee hij voordien mee had gezwaaid, weer uit zijn zak. 'Steek me neer' zei hij koelbloedig terwijl hij het mes aan mij wou geven. Ik voelde een brok in m'n keel, waarom moest ik hem neersteken? 'Doe het of ik steek jou neer' zei hij met een dreigende toon. Ik had geen keus, ik besloot om met mes te nemen uit zijn hand. Mijn hand begon te zweten bij de gedachte ik op het punt stond iemand te vermoorden. Zover ik wist, had ik nog nooit zo'n gruwelijke daad verricht. 'DOE HET' riep de man. Het leek alsof hij zo snel mogelijk dood wou zijn. Ik moest het doen. Ik hield het mes stevig vast in m'n linkerhand, klaar om de man neer te steken. 'SNEL' schreeuwde de man 'IK HEB NIET DE HELE DAG'. Ik moest het doen, het was hem of ik. Ik sloot mijn ogen terwijl er zweet over mijn voorhoofd liep. Mijn hand maakte een rechte beweging naar het hart van de man. Bloed vloeide over mijn hand terwijl ik mijn ogen opende. De man was dood, ik had hem koelbloedig vermoord. Ik had verdomme iemand neergestoken. Ik kon er niet tegen, ik voelde me kotsmisselijk. Ik nam de sleutels van de man en sprintte uit de kamer. Ik keek achter me en zag een zwarte gedaante langzaam mijn kant op komen. Uit paniek liep ik de trap op en opende ik de deur, die nog steeds gemarkeerd was met het rode kruis. De wereld rond mij vervaagde terwijl ik het steegje uit liep. Ik rende, harder dan ik ooit had gedaan. Ik hijgde. Ik verschoot terwijl een man achter me sprak. 'Gehaast?' had de man gevraagd. 

Nova
182 3