Zoeken

Obariyon

De hele omgeving was op een paar dagen tijd volledig tot een waar herfstspektakel omgetoverd. De grond lag bezaaid met duizenden, gedroogde bladeren. Degene die nog steeds volhardend aan de bomen bleven hangen, dreigden elk moment hun strijd te moeten opgeven. Een spoor van kleine, witte wolkjes rees op vanuit de schoorsteen. Gedurende de wintermaanden kon het hier best koud worden. De enige verwarming in zijn hut was een oude houtkachel. Buiten een paar roestplekken werkte deze nog goed. Het deed waarvoor het moest dienen, meer moest niet voor hem. Als Kaito het warm wou hebben, moest hij gewapend met een bijl, diep het bos ingaan om hout bijeen te sprokkelen. Vond hij niet genoeg, dan zocht hij speciaal achter een oude, zieke boom om neer te vellen. Ook al duurde het zo soms uren om genoeg hout te vinden, hij wou de jonge bomen een kans op leven geven. Wederzijds respect noemde hij het. Tenslotte zouden bomen de mens wel kunnen overleven. Hetzelfde met zijn eten, hij doodde enkel hetgeen dat hij volledig zou opeten en gebruiken.   Kaito had deze hut met zijn eigen bloed, zweet en tranen gebouwd, samen met zijn broer. Het was misschien niet zo groot, maar meer had hij niet nodig. Hij had afstand gedaan van al het materiële, geen afleidingen meer. Doorheen de jaren was er een zekere afkeer voor de maatschappij in hem gegroeid. Hij kon het niet langer uitstaan om hier nog langer deel van uit te maken. Het werd zelfs zo erg dat hij andere mensen begon te mijden. “Ze zouden je alleen maar doen lijden,” dacht hij bij zichzelf. Kaito zat er niet ver naast. Heel zijn leven was hij in dienst geweest bij hetzelfde bedrijf. Op een gegeven moment stond hij zelfs aan het hoofd van zijn eigen afdeling, leidinggevende over een tiental mensen. Toen het echter slechter begon te gaan met het bedrijf, aarzelde ze niet om hem als eerste te laten gaan, omwille van zijn leeftijd zogezegd. Geld was voor hen het allerbelangrijkste. Dat ze zijn leen verwoestten was voor hen niet belangrijk.Gezien zijn leeftijd was er geen enkel bedrijf dat stond te popelen om hem nog in dienst te nemen. Gedurende enkele jaren was Kaito werkloos, maar af en toe kon hij nog ergens een tijdelijke job strikken. Wanneer één van zijn beste vrienden met een lucratief voorstel afkwam, aarzelde hij geen seconde. Zijn laatste spaargeld investeerde hij in het bedrijf van zijn vriend, met de belofte dat hij zijn geld verdubbeld zou terugkrijgen. Wanneer ook dit bedrijf ten onder ging door de economische crisis, was zijn vriend echter met de noorderzon vertrokken, inclusief met Kaito zijn laatste spaargeld. Geld dat hij nooit nog zou terug zien. Op dat moment besefte Kaito dat hij niemand echt kon vertrouwen, zelfs zijn beste vrienden niet. Niet veel later verbrak hij dan ook al het contact met iedereen die hem voordien nauw aan het hart lagen. Geld was de regesten ziekte die de mensheid kende, de oorzaak van alle miserie op aarde. Iets wat ervoor had gezorgd dat we een beschaving konden uitwerken, zou uiteindelijk ook zijn eigen ondergang worden. Toen uiteindelijk ook het moment kwam dat Kaito zijn huis moest verkopen om alle rekeningen te kunnen betalen, was voor hem de maat vol. Hij liet alles achter en nam zijn toevlucht tot de hut die hij samen met Yuuto, zijn oudere broer, had gebouwd toen hij 26 jaar oud was. Ze hadden dit gebouwd om een soort clubhuis te hebben waar ze de drukte van Shizuoka* konden ontvluchten. Een plaats waar ze in alle stilte konden gokken, drinken en alle andere activiteiten die het daglicht beter niet zagen. Geregeld kwam Yuuto hier ook met vrouwelijk gezelschap voor een romantisch weekendje, zoals hij het graag noemde.   Wanneer er enkele wandelaars spoorloos waren verdwenen op een week tijd, staken er verschillende geruchten de kop op. Van een zelfmoordpact, wat wel vaker gebeurde in de regio rond Mt. Fuji, tot zelfs een seriemoordenaar. Toen ze een tijdje later enkele van hen hadden gevonden, of wat er nog van overbleef, kwam er snel de de legende van een Obariyon* ter sprake. Een Obariyon wachtte in de bossen op nietsvermoedende reizigers, om dan op hun rug te springen. Als de reiziger hem meedroeg op zijn rug, werd het monster zwaarder en zwaarder. Tegelijkertijd knauwde het op de schedel van de reiziger, om hem nog meer pijn te bezorgen, tot hij uiteindelijk zou bezwijken onder zijn gewicht. In meeste gevallen was een ontmoeting met één van deze Yokai* niet dodelijk, en gaf het enkel rugklachten, maar toch wezen de bewijzen op zijn aanwezigheid. Yuuto was altijd al bijgelovig geweest, en toen hij hoorde van een Obariyon die zogezegd in de buurt zou rondhangen, is hij nooit meer in de hut geweest. “Je kan daar beter wegblijven,” zei hij nog tegen zijn jongere broer. Maar Kaito was een realist. Hij geloofde helemaal niet in dingen die hij niet met zijn eigen ogen had gezien, dus hij bleef nog wel geregeld de hut bezoeken. Tot het moment er kwam dat het menselijke egoïsme hem ertoe had genoodzaakt om er permanent zijn woning van te maken. Het was een grauwe dag in oktober. Wolkenvelden verhinderden elke poging van de zon om door te breken. Kaito had beter een ander seizoen gekozen om te verhuizen, maar als hij het in deze condities kon overleven, zou het altijd wel lukken. Hij was op zijn dagelijkse zoektocht naar brandhout toen hij zijn mening over Yokai moest herzien.   Een felle regenbui had een uur voordien het hele landschap omgetoverd tot een ware modderpoel. Droog hout vinden in deze omstandigheden zou een heuse onderneming worden. Bij elke stap zonken zijn voeten keer op keer diep in de modder weg. Een krachtstrijd tegen de natuur die de hele dag zou duren en hem uiteindelijk uitgeput zou achter laten. Het zag er naar uit dat Kaito het die avond niet warm zou hebben. Hij werd genoodzaakt om met lege handen huiswaarts te keren. Wanneer zijn voet voor de miljoenste keer vast kwam te zitten in de diepe, bruine smurrie, hoorde hij een stem in de verte. “Tasukete*!” Het klonk als een kinderstem. Het hulpgeroep van een kind drong door tot diep in zijn ziel. Met moeite trok hij zijn been los, alsof de kreet om hulp hem net dat beetje meer kracht gaf. De kreet leek uit het oosten te komen, de tegenovergestelde richting van zijn hut. Toch kon hij zich niet weerhouden om te gaan kijken. Ook al had hij een afkeer van mensen, hij kon geen kind in nood achter laten. Met zijn bijl in hand, baande hij zich een weg naar het oosten. “Tasukete!” Het kwam steeds dichterbij. Hij was duidelijk in de juiste richting aan het lopen. In eerste instantie dacht hij dat er een kind, net zoals hij, vast kwam te zitten in de modder. Maar toen hij eindelijk bij de oorsprong van de hulpkreet was aangekomen, was er niemand te bespeuren. Geen kind, geen modderpoel die groot genoeg was om in vast te komen zitten. Kaito krabde in zijn haar en vroeg zich af wat er in godsnaam aan de hand was. Had zijn eenzame afzondering eindelijk zijn tol geëist? “Obusaritei*!” klonk het opeens boven hem. Verschrikt richtte hij zijn aandacht op de boomkruinen. “Wie klimt er nu met dit weer in een boom,” dacht hij bij zichzelf, “en dan nog op zo’n afgelegen plaats?” Hij bleef rondkijken, in de hoop de kleine jongen te spotten, maar er was niemand te bespeuren. Kaito dacht dat hij gek aan het worden was, tot opeens de stem weerklonk in de dichte vertakkingen boven hem. “Obusaritei!” “Waar zit je dan?” vroeg Kaito. Wederom kwam er geen antwoord. Zijn ogen kamde de hele omgeving uit, maar nog steeds kon hij niemand vinden. “Obusaritei!” “Ik wil wel, maar dan moet ik eerst…” Voor hij zijn zin kon afmaken, viel er een zware last op zijn schouders. Door het gewicht zakte hij op zijn knieën in de modder. Zijn handen liet hij vallen op een paar platgestampte bladeren.   Minutenlang probeerde Kaito recht te komen, maar hij was uitgeput. Het gewicht duwde hem steeds terug de modder in. Hij greep zijn laatste wilskracht bijeen en uiteindelijk lukte het hem om recht te komen. Met bibberende knieën probeerde hij zicht stap voor stap richting zijn hut te begeven. Eénmaal hij recht was gekomen leek het gewicht wel mee te vallen. Het had hem gewoon verrast, dat is al. Alleszins dat probeerde Kaito zich toch wijs te maken. Met elke stap die hij nam, werd het gewicht zwaarder en zwaarder. Steeds verdwenen zijn voeten dieper in de modder. In de verte zag hij hoe zijn laatste brandhout, klein witte wolkjes door de schoorsteen joeg. Hij besefte maar al te goed dat de laatste warmte zich een weg door de spleten in de muur naar buiten baande. Na een uitputtende trektocht, door het nu moeras geworden gebied, bereikte hij uiteindelijk zijn vertrouwde hut. Eénmaal toen hij binnen was, greep hij met beide handen naar zijn schouders, in een allerlaatste poging om het gewicht van zijn rug te gooien. Hij zakte bijna ineen in deze poging, maar uiteindelijk lukte het hem om zich te bevrijden van de zware last. Terwijl hij de last op de grond had gegooid, was hij echter verbaasd dat er geen mens of geen Yokai lag. In de plaats lag er een groot aardewerk voor zijn voeten, tot op de rond gevuld met goudklompjes. Meeste reizigers zouden de kreet van een Obariyon negeren, maar diegene die zo vriendelijk waren om de last te dragen zouden rijkelijk beloond worden. Het gebrek aan egoïsme had ervoor gezorgd dat Kaito in alle weelde van zijn laatste dagen kon genieten.     Shizuoka: Shizuoka is de hoofdstad van de prefectuur Shizuoka in Japan. Obariyon: een mensachtig wezen dat in bossen leeft. Het wil enkel een lift op de rug van reizigers, wat resulteert in hevige rugpijn. Yokai: bovennatuurlijke wezens uit Japanse mythologie en folklore. Obusaritei: Ik wil een ritje op de rug.  

Nick Van Loy
0 0

Een koud kunstje

  “Godver!” roep ik terwijl ik mijn handen in een reflex omhoog gooi. Bijna was ik uitgegleden! De sneeuw, gisteren nog een bondgenoot in de instagramwedren, is vannacht veranderd in een verraderlijke ijsvijand. Wanneer ik weer bekomen ben, schuifel ik voetje voor voetje verder. Een visioen van hoe mijn oude dag er zal uitzien dringt zich op. Na nog enkele zenuwslopende meters, die in deze koude aanvoelen als kilometers, bereik ik eindelijk het begin van mijn oprit, waar mijn auto staat. Een zielige jammerklacht ontsnapt uit mijn keel wanneer ik merk dat het portier vast gevroren is. Deze ochtend heb ik een meeting, het is belangrijk dat ik op tijd op kantoor ben! Ik zou de ramen al ijsvrij kunnen maken, ware het niet dat de ijskrabber in de auto ligt. “Problemen?” vraagt een bekende stem achter me. Ik huiver. Wanneer ik me langzaam omdraai zie ik Cynthia staan, naast haar fiets. Mijn buurvrouw is altijd net zoals het weer vandaag; ijskoud en op geen enkel moment boven het vriespunt. Haar toon klonk had bezorgd geklonken, maar ik weet wel beter. Haar ogen fonkelen en rond haar mond zie ik een spoor van een grijns. “Tsja, mijn auto is volledig bevrozen. Ik geraak er niet in,” besluit ik haar spelletje mee te spelen. Mijn blik niet loslatend rommelt ze in haar handtas, op zoek naar haar handschoenen. “Doe zoals ik en neem de fiets. Beter voor het milieu….” haar ogen glijden spottend over mijn lichaam “En voor jezelf.” Witheet van woede probeer ik krampachtig een gevatte repliek te bedenken. Pas wanneer ik haar de hoek om zie fietsen geef ik aan mezelf toe dat zij deze slag gewonnen heeft. Het is jammer dat woede niet te meten valt met warmte. Mijn auto zou op slag ontdooid zijn. Ik kijk op mijn horloge en besef dat de tijd begint te dringen. Tegen beter weten in probeer ik de portieren van mijn wagen nog eens te openen. Zoals verwacht zitten ze nog steeds muurvast. Ik neem mijn gsm in mijn ijskoude handen en ontdek op Google dat warm water de snelste oplossing is voor mijn probleem. Wanneer ik me omdraai, om in huis water op te warmen, zie ik uit mijn ooghoek op de oprit van het ijskoude kreng iets glinsteren. Cynthia’s huissleutel! Deze moet uit haar tas gevallen zijn, toen ze op zoek was naar haar handschoenen. In eerste instantie ben ik meteen bezorgd. Wanneer ze vanavond moe thuiskomt van haar werk zal ze ontdekken dat ze in deze vrieskou buitengesloten is. Ik kan er echt niets aan doen dat ik toch een beetje begin te grinniken.   Even later manoeuvreer ik mijn niet-meer-zo-bevroren-maar-toch-nog-steeds-heel-koud-aanvoelende auto voorzichtig langs de brievenbussen, de baan op. Het zou heel makkelijk geweest zijn om Cynthia’s sleutel achter te houden, ze zou gedacht hebben dat ze hem elders verloren had. Ik ben best trots op mezelf dat ik me niet verlaagd heb tot haar niveau. Cynthia kan haar sleutel zo vinden als ze wil. Maar dan moet ze er wel aan denken om onder de reclame in haar brievenbus te kijken. Ik rijd de straat uit en glimlach.

MiMa
0 0

Warhoofdstuk 48896A

Mijn ogen tranen nog voor ik ze openkrijg. Ik moet ze ook niet openen. Ik zie toch niet veel door een donderwolk heen. Ik blijf liggen. Geen enkele zenuw in mijn lichaam werkt nu waarschijnlijk. Mijn moeder is dood en daar kan je niets aan veranderen. Het is gek. Hoe kan een deel van iemand nu verder leven zonder zijn oorzaak? Dan denk ik aan het kalfje in de wei. Hij heeft het ook gehaald. Geen mama koe meer om hem te voeden. Hij is er ook nog. Ik wil ook het kalfje zijn. Maar dat gaat niet. Ik ben wel verloren. Mijn moeder stierf en ik keek ernaar.  Ik durf mijn ogen niet te openen. Ik durf deze dag niet instappen. Mijn bed niet uitstappen. Niet weer met het verkeerde been… Luidkeels pakt Rilo me bij mijn haar. Hij trekt mijn ogen open en lacht heel diep. “Vandaag RILODAG! We doen alles wat ik leuk vind!” Ik versteen. Ik wil niet met Rilo mee. Niet nu mijn mama me niet kan helpen. Niet meer kan helpen. “Ik ga mezelf broodroosteren ” piep ik tegen Rilo en vlucht naar beneden. Ik wil geen Rilo meer zien. Mijn hand wil de klink nemen om de deur te openen. Maar ik zie het nut er niet van in. “Gewoon openduwen” giechelt Rilo. “Niet veel moeite doen vandaag!” Ik neem mijn voet en plaats die hard tegen de deur. Ik heb geen zin om tegen te spreken, geen zin om deuren te openen, geen zin in vandaag. De bonk klink als een ontploffing in het huis. Ik denk aan mijn hoofd. Mijn hoofd is ook een beetje een huis met ontploffingen. “Kan het wat stiller!” schreeuwt moeder. Ik zie ze als een bol wol voor mijn kattenogen zweven. Ze is er. Ze staat er. Geen dode mama op deze dag. Ik had moeten weten dat ze uit de dood kon ontsnappen. “Goedemorgen?” vraagt moeder me. Ze knijpt een oog toe en kijkt me met een schuin hoofd vragend aan. Ik ga aan tafel zitten. Ik begrijp het niet. Oma is nooit uit de dood teruggekeerd. Ze zit nog altijd vast. Mama kijkt me bezorgd aan en zucht. Ze begrijpt dat het Rilodag is. Mijn mama begrijpt altijd alles. Ik heb geen zin in school. Daar zitten stoute roddelende mensen die je vriendinnen noemt. En stomme kwajongens waar je verliefd op moet worden. Ik hoop dat Rilo niet meegaat. Dat is het enige wat ik nog hoop op deze sombere dag.

Isolde Tak
0 0

Tik. Tik. Tik.

Sommige dagen zijn goed. En ’t zou een leugen zijn om te claimen dat deze dagen niet durven uitlopen tot weekends of zelfs volledige weken. Nooit maanden, welteverstaan. Zo werkt dat niet, ten huize Dupont. Neen.   Want wanneer gezapige rust zich nestelt in de stoffige hoeken van het krakende appartement, wanneer woorden hun scherpe bijklank bijna vergeten zijn en er af en toe zelfs een vage lucht van plezier in de lucht hangt, dan knapt er iets in het hoofd van Anita. Dan ligt de rotversleten parket boordevol oud en opgestapeld hartzeer, tot de slordig geschilderde muren bijna barsten van bulderend verdriet. Een huis boordevol valstrikken, die liggen te hunkeren om beroerd te worden.   “Mama, ik ben klaar om te gaa-haan!” Ik stuiter enthousiast mijn kamer uit, stuif de leefkamer binnen en wip verwachtingsvol van voet naar voet. Vandaag is het ein-de-lijk zo ver, vandaag is het de dag die Mama aan mij beloofd heeft als beloning omdat ik ‘eindelijk toonde toch eens een goei kind te kunnen zijn’.   “Mama?”, vraag ik een klein beetje verward. Mama zit nog gewoon in de zetel, in haar pluizige badjas. Die badjas waar ik soms mijn gezicht in begraaf omdat die helemaal naar mijn Mama ruikt en dat vind ik fijn. Ik kijk een beetje beduusd naar de klok op de muur: tien uur, zoals beloofd. Ik weet niet wat er aan de hand is, maar de doodse stilte in de leefkamer laat mijn tenen krullen. De klok, de klok die ik zo haat omdat ze met haar luidruchtig gehamer te veel aandacht opeist, tikt onheilspellend.   Tik. Tik.   “Mama?”, vraag ik met een hoopvolle glimlach.   Tik.   “… Mama?”, aarzelend, dit keer. Met een lichte daver in de laatste klinker.   “Gaat ge nu godverdomme ook nog het arrogante lef hebben om mij te vragen waarom ik geen godganse dag met u op stap wil gaan, Lize?!”, spuwt Mama uit het niets. Vlijmscherpe woorden die nauwkeurig hun doelwitten bereiken. Haar vergif raakt mij onverwachts in mijn middenrif en ik knipper verbouwereerd vier keer met mijn ogen.   “Oei, mama, maar, sorry, maar ik wist echt niet dat gij boos op mij waart ik dacht dat ik-”   – “STOP-T met die schijnheilige excuses, Lize.”   Exact zo zegt ze dat, trouwens. Ze spuwt de ‘p’ uit, laat die even doelloos in de lucht ronddansen – en kleeft er vervolgens nog een ‘t’ achteraan. “Stopt ermee”, herhaalt ze vervolgens op een zachtere toon, terwijl op haar gezicht de teleurstelling van de wereld af te lezen valt.   Ik zwijg. Ik kijk beteuterd naar mijn voeten, die enkele minuten geleden nog verwoed dartelend deze ijzig koude atmosfeer instormden. Ik denk hard na over wat ik misschien gedaan kan hebben om Mama wééral zo hard teleur te stellen.   “Wat is er, Lize? Tong ingeslikt?”, de kille stem van Mama onderbreekt mijn gedachten. Ik probeer de krop in mijn keel weg te slikken, maar er zit een nog grotere prop angst in de weg. Mijn ogen vullen zich met lastige tranen, die ervoor zorgen dat Mama dreigend heen en weer deint – en soms zelfs verdubbelt.   “Hè?”, klinkt het vervolgens dreigend, met een stem die schrikbarend schel de hoogte ingaat. “Wat is ‘t? Is ’t zelfs teveel gevraagd om uw eigen moeder recht in de ogen te kijken?!” Ik durf niet te kijken, maar ik weet dat het moet. Dus ik sla mijn ogen op. Daardoor vallen er twee verraderlijke tranen op mijn wangen. Ik stel me voor dat ze geluid maken.   Links-rechts. Pling-plonk.   Ik kijk naar haar en zij kijkt naar mij. Groenblauw zoekt aarzelend toenadering tot zwartblauw, maar wordt spottend de deur gewezen. “Oohoohoh. Oooh, nee”, sputtert Mama verontwaardigd. Ik voel mijn ogen wijd opengaan van schrik, ik denk dat ik weer iets verkeerd heb gedaan, maar ik weet niet wat. Ik blijf Mama aankijken en ik voel mijn wenkbrauwen vragend omhoog krullen.   “Gaat ge het zo spelen, Lize?”, zegt ze vervaarlijk, met lage stem. “Gaat GIJ”, wijzend naar mij, “nu echt bleiten, terwijl de enige dat hier zou moeten beginnen bleiten… de mama is?!” Die laatste zin versterkt ze door naar zichzelf te wijzen. De Mama.   “Sorry, mama”, fluister ik stilletjes. “Wablieft?”, treiterend nu. “Ik versta u niet, Lize.”   Stilte.   “Hmm? Voor een kind dat normaal geen twee seconden haar mond kan houden, vind ik dit toch wel teleurstellend”, spot ze venijnig. “Sorry, mama”, herhaal ik, luider dit keer. “Waarvoor?” “Huh?” “Waarvan. Hebt. Ge. Spijt”, verduidelijkt ze, waarbij ze van elk woord een aparte zin maakt. “Dat ik Mama weer teleurgesteld heb?”, probeer ik dapper. “Goed geprobeerd, Dupont”, snijdt ze terug. “Goed geprobeerd om weeral te liegen tegen de mama. Gij denkt echt dat ik een debiel ben, hé? Denkt gij echt dat ik zo dom ben, of wat?” “Maar mama, maar nee, dat denk ik toch helemaal niet, ik wil gewoon sor-” “GE-LIEGT-TEGEN-MIJ-LIZE”, brult Mama plots. Haar woorden volgen mekaar razendsnel op – in één ademhaling, zodat het lijkt alsof ze maar één woord gezegd heeft. “GE WEET GODVERDOMME NIET EENS WAT GE VERKEERD HEBT GEDAAN”, raast ze hysterisch verder.   Ik kijk terug naar beneden. Mijn tranen blijven heet komen en werken zich gestaag een brandende weg naar buiten. Eerst op mijn wangen. Pling-Plongk. Om vervolgens een duizelingwekkende val te maken, tot recht op het parket tussen mijn voeten. Ik durf niet meer op te kijken en focus me op de kleine plasjes verdriet die zich langzaam maar zeker vervoegen bij de schaduw van hun voorgangers. Mijn hoofd gonst van blinde paniek en mijn mond is droog. De tranen blijven komen. Mijn gedachten struikelen over elkaar terwijl mijn lippen koppig gesloten blijven. Ik weet het niet. Ik weet het echt niet.   De plotse stilte in huis, gevuld met geluidloze echo’s van Mama’s koude woorden, drukt schreeuwend op mijn trommelvliezen.   Tik. Tik. Tik.   “Ga weg.” “Maar ma-” “Bol het af, Lize. Echt. Soms weet ik niet hoe ik het uithou met een kind gelijk gij.” Ik blijf staan, want ik denk dat mama dat eigenlijk wil. Ik hoop dat dat is wat ze eigenlijk wil. Ik blijf een beetje dralen, maak halfslachtig aanstalten om te vertrekken, maar dwing mijn voeten om stevig te blijven staan – ook al schreeuwt mijn lijf om weg te rennen.   Naar boven kijken, dat durf ik nog niet zo goed. Dus ik blijf staren naar mijn schoenen, die aan de tippen een beetje versleten zijn.   De televisie springt aan. De lederen zetel kraakt een beetje wanneer Mama zich comfortabel in haar hoekje nestelt. Buiten blaft een hond. Mijn voeten beginnen te zeuren omdat ze al zo lang, zo stil staan. Mijn hoofd lijkt te ontploffen en mijn lichaam weigert te bewegen en ik wil weggaan maar ik denk écht dat ik moet blijven staan en-   “Lize. Als ik u godverdomme nog één keer moet zeggen dat ik wil dat ge weggaat, dan gaat ge niet weten wat er gebeurt.” IJzig kalm, zo zegt ze dat. “Ge moogt beschikken”, vervolgt ze. “Weet ge wat dat betekent?” Ik schud aarzelend van ‘neen’. “Dat betekent, dochterlief, dat ge niet meer gewenst zijt.”   * * * “En, en, eeeeeen?!”, vraagt Anna enthousiast. “Hoe was je superdate met je mamaa-haah-aa?”, zingt ze er goedgezind achterna. Ik glimlach.   “Het was écht zalig. Ik heb alles gekregen wat ik wou hebben.” Anna glundert.  

Britt Libot
0 0
Tip

De slechtste dingen in het leven zijn gratis - Rookwolken

Het verbergen van mijn rookgewoonte, is één van de lastigste dingen ooit te verbergen voor mijn vader. Zeker wanneer dat niet het enigste is wat ik verberg. Ik verberg veel dingen. Daar kom je later nog wel achter. Ik absorbeer geheimen. Niet enkel de mijne, maar die van iedereen rond me. Van de krassen op Luna’s arm, tot de verstopte alcohol flessen van mijn moeder.   En ik sluit ze allemaal op, die geheimen. Ik stop ze in een doos, of beter gezegd een kamer. Want een doos zou te klein zijn. Dus ik stop ze in een kamer en doe de deur op slot. Soms s’nachts als ik me alleen voel ga ik er eens binnen en rook een sigaretje of drie. Dan ben ik alleen met al die geheimen, weetjes die niemand anders weet behalve ik en hun scheppers. En terwijl ik de laatste peuk uitdruk, denk ik aan hoe graag ik zou willen dat ik nog een sigaret had. Nog een laatste nicotineshot voor ik weer binnenstap in een wereld waar ik niet echt wil zijn. Ik bedoel, dit leven valt nog wel mee hoor...Het is gewoon niets voor mij, en dat is het ook nooit geweest. En zal het nooit zijn, denk ik. Maar goed, ik adem, ik eet, ik wandel, ik ga naar de wc. Kortom ik leef, en ik zal het maar moeten doorstaan. Want veel kan ik er niet aan doen, oké zelfmoord is een idee. Maar geen optie. Zo ben ik niet, zo ver zou ik niet gaan.   Na dat ik de deur weer op slot draai, bevindt ik me weer op mijn zolderkamer. Als ik rond me kijk zie ik drie houten gelamineerde muren en één opvallende neongroene muur. Bij de groene muur hoort een vierkant raam. Er staat een krukje voor. Op dat krukje, zit ik. Rustig starend naar buiten. Ik kijk toe hoe de volle maan ons kleine tuintje verlicht en hoe de schommels meewiegen met de wind. Ik beeld me in hoe het vroeger was om te schommelen. Om de wind door mijn haren te voelen strijken, en zo hoog te schommelen dat ik de wolken bijna kon proeven. En dan realiseer ik me dat ik me nooit meer zo gelukkig zou kunnen voelen als jaren geleden. Toen zorgen, pijn en verdriet nog onbekend voor me waren. Toen de wereld nog van mij was.   Ik sta op en loop naar de badkamer om wat water op mijn gezicht te spetteren. Dagdromen over vroeger heeft helemaal geen zin. Het leidt enkel tot teleurstelling. Teleurstellingen die ik had kunnen vermijden... Het koele water verheldert mijn warrige hoofd voor even. Ik kijk op, in de spiegel, en zie een lijkbleek meisje terug staren. Haar make-up helemaal uitgelopen. Ik kijk hoe het water van haar gezicht afdruipt. Mijn gezicht. Mijn eens zo heldergroene ogen, zijn vervaagd tot een wazig onherkenbaar groen. Ik denk wel dat je kan zeggen dat ik zelf ook onherkenbaar ben geworden. Het wit van mijn ogen ziet vuurrood, het lijkt ontstoken.  Ik buig mijn hoofd zachtjes naar links en maak een dotje in mijn haar. Mijn sleutelbenen steken uit. Ben ik afgevallen? Het lijkt wel zo. Ik open het kastje rechts van me en neem er wat de-make up watjes uit. Na dat ik het laatste beetje zwart afveeg lijk ik niet meer op een mislukte wasbeer. Ik lijk meer op een geest. Nee dat ook niet. Ik lijk op niets. Ik lijk onzichtbaar.   Langzaam aan keer ik terug naar mijn kamer. Het enigste geluid in huis is het gesnurk van mijn vader en de gierende wind van buiten. Eenmaal op mijn kamer kijk ik op de klok. Het is half vier s’ochtends. Tijd om te gaan slapen. Ik steek mijn gsm in zijn lader en ga liggen. Ik sluit mijn ogen en hoop dat ik morgen nog kan doorstaan. Dat moet wel.

Lana Salamone
71 1

Boodschappen

Het duurt even voor ze gevonden heeft waarvoor ze naar de supermarkt gekomen is. Aan de kassa spreken jongeren in een vreemd taaltje tegen haar. Ze verstaat ze niet, nerveus wordt ze er wel van. Willen die iets van haar, of  heb ik iets fout gedaan? Met twee volgestouwde tassen verlaat deze dame op leeftijd de supermarkt. Regelmatig moet ze deze neerzetten om even uit te blazen, zodat ze de mensen in de omgeving kan bekijken.      De jongeren van aan de kassa komen nu naar buiten en hebben haar schijnbaar gezien, want ze komen haar richting uit. Verschrikt neemt ze haar last terug op en zo snel ze kan stapt ze verder. Vanaf nu kijkt ze bezorgd om zich heen. Bepaalde mensen blijft ze langer aanstaren. Wanneer dezen terugkijken, versnelt ze haar stap. Meer en meer begint ze de voorbijgangers te begluren. Verborgen onder haar hoedje observeert ze iedereen. Aan het eerste kruispunt zet ze met een zucht de te zware zakken neer.      Aan de overkant zijn een paar donkerder jongens veel lawaai aan het maken. Ze moet deze passeren, met die zware tassen kan ze geen omweg maken. Toch blijft ze langer wachten, twijfelend of ze wel langs die jongens zal lopen. Voor alle zekerheid kijkt ze achterom of daar ook al geen donkerder personen zijn die haar aan het achtervolgen zijn.      Toch niet, ze pakt haar tassen en zo snel ze kan steekt ze over. Uit voorzorg neemt ze de zijkant van het voetpad, zo ver ze kan van die amokmakers verwijderd. Gelukkig zeggen of doen ze niets. Toch versnelt ze haar pas nogmaals. Ze durft niet meer om te kijken en loopt zo snel mogelijk naar de volgende hoek, waar ze iets verder woont. Als daar maar weer geen onbetrouwbare mannen rondhangen.      Hijgend kijkt ze toch achterom en ziet rechts van haar een struise donkere man afkomen. Die lacht zijn tanden helemaal bloot, wat is die van plan? Ze wendt haar gezicht geschrokken af en steekt de straat onverhoeds over. Die man achtervolgt haar , sneller kan ze echter niet meer. Ze struikelt bijna over de opstap en moet even blijven staan om haar evenwicht te herstellen.      "Mevrouw Willemse!" – hoort ze achter zich zeggen – "mevrouw Willemse."      Geschrokken en met een bang kloppend hart kijkt ze om. Daar staat die man, hoe kent hij haar naam?      "Mevrouw Willemse, wil ik even uw zakken tot thuis dragen. Ze zijn duidelijk te zwaar voor u."      Wat bedoelt hij daar nu mee? Hoe weet hij waar ik woon? En kan ik dat zomaar vertrouwen? Je hoort en leest er meer dan voldoende over de laatste tijd.      Ze neemt haar tassen snel op en probeert terug te vertrekken. Die man heeft echter reeds een tas gegrepen , waardoor die uit haar hand schiet.      "Kom geef de andere tas ook maar, zo kan jij je sleutel al nemen voor je appartement.      Verbouwereerd kijkt de dame nogmaals naar die man. Ze voelt zich hulpeloos met de afgenomen zakken. Toch volgt ze hem zo snel mogelijk, ze wil haar boodschappen terug. De man heeft de deur van het appartementsgebouw geopend en komt nu terug naar haar toe. Hij reikt haar een arm en zegt:      "Kom, steun even op mij tot thuis. Ik maak je direct een lekkere tas thee, zoals ik de laatste keer gemaakt heb."    

Luc Van Roosbroeck
0 0

Eerste persoon meervoud

  Het is ongewoon stoffig in de hoek van de turnzaal. Bij het boenen van de springbok voel ik in mijn achterhoofd een kleine snok, een elektrische stroomstoot. Zo’n pijnscheut die je krijgt als je je hoofd bruusk een kwartslag naar rechts of links draait. Ik wrijf de tinteling met mijn hand in de nek weg. Een scherpe toon suist een paar tellen na in mijn beide oren.   Twaalf jaar al werk ik dagelijks mijn stofronde secuur af. In de voormiddag de gangen en de refter, in de namiddag de turnzaal en de klassen. Klusjesman, conciërge, poetsploeg, in het college ben ik het allemaal. Het is niet zo dat ik mijn job niet graag doe of dat ik ermee aan het maximum van mijn capaciteiten zit. Neen, gewoon, ik maakte mijn school niet af. Dit is het alternatief.   Als ik na mijn ronde mijn werkplunje uittrek, loopt het goed mis. Een intense toon doet me een paar seconden het bewustzijn verliezen. Thuis verzwijg ik de uitval wijselijk en surf ik er in het wilde weg wat op los, op zoek naar een verklaring. Vergeefs. Morgen in alle stilte naar de huisarts dan maar.   De wachtzaal zit propvol. Fijn, denk ik terwijl ik wat onderuitzak, in een consultatie van hoogstens tien minuten zal ik een voorschrift op zak hebben. Wat pijnstillers of relaxatieoefeningen, meer hoef ik niet.   Mijn arts luistert amper als ik mijn symptomen beschrijf, ze vult gejaagd mijn elektronisch patiëntendossier aan. Naarmate ik meer details geef, stopt ze abrupt en vraagt me ietwat opgejaagd: “Wat is uw beroep ook weer, meneer Novak? Zou u kunnen zeggen dat u dagelijks veel van uw brein vraagt?” Ik antwoord oprecht neen en heb er meteen spijt van. Ze is op haar hoede. De volgende vraag stelt ze achteloos maar ik zie dat ze het antwoord belangrijk zal gaan vinden. “U hebt onlangs een ongewone, indringende toon gehoord?” Ik knik. “Een kleine schok gekregen?” Ik knik. Opnieuw.   “Geen reden tot ongerustheid, Dennis.” Ze gebruikt met klem mijn voornaam. “Maar ik denk dat we even je”- ze tutoyeert me – “breinprofiel en biostatistieken moeten uitlezen. Plaats je even deze chip achter je linkeroor? Druk maar hard aan. Zo. Het afgelopen jaar staarde je exact 2313 keer zonder noemenswaardige gedachten in de verte. Je aantal inactieve breinuren is zienderogen opgelopen. Dat kan maar één ding betekenen, Dennis. Je bent op dit moment deel van een globaal, neuraal netwerk. In mijn praktijk de eerste.“ voegt ze er fijntjes aan toe.   “Wie het geluid oppikt” gaat ze zonder verpinken verder “beschikt over een gezond brein, maar eentje, laten we het maar uitdrukkelijk zeggen met onbenutte capaciteit. Het Brain4all project benut ongebruikte synapsen – dit zegt ze echt! – en brengt ze samen in een krachtige, humanoïde supercomputer. Na de eerste toonwaarneming verlopen er exact 24u voor je integraal deel bent van een gigantisch, neurologisch netwerk van individuele breinen.” Ze sluit het scherm met een klap dicht.   “Fantastisch toch! De mensheid vergroot zo zijn rekenkracht én redeneercapaciteit. Aanzienlijk. Een logische stap in de evolutie. Stel het je voor, Dennis, als een vlucht spreeuwen die samen in de lucht immens mooie figuren maken, waarbij nu eens de een dan weer de ander de leider is. Je synapsen zijn,” ze checkt het uur, “over exact 90 minuten jouw gift aan de mensheid.” Ze besluit koel: “Je hebt daarnet trouwens zelf achter je linkeroor een kleine sensor aangebracht, daarmee monitoren we continu je biologische processen.”   Ik, Dennis Novak, voel me onwezenlijk. Nog 90 minuten puur mezelf, daarna één met de breinmassa. Wat zei ze weer? Over de vlucht spreeuwen, nu eens de een dan weer de ander de leider. Een leider zijn, iemand die het voortouw neemt. Ik deed het nooit. Was dat verkeerd? Elke mens denkt elke dag zo’n 50.000 gedachten. Zit de essentie van mijn zijn in die gedachten? Ben ik die gedachten? Mijn eerste persoon is zo meteen een eerste persoon meervoud. De plek achter mijn linkeroor jeukt. Is dit een zinvolle gedachte?

Hilde Devoghel
0 1

Beproeving

  De beproeving, zei je nog. Een inderdaad, het is zondag ochtend en ik kom tot de conclusie dat het een beproeving voor mij is. Ja, dat ook. Niet voor jou of voor jullie, maar voor MIJ. Nooit gedacht dat stilte zo moeilijk te verwerken is, waar ik anders toch van rust hou. Ik wil dat je geniet, en denk dat jou dat aardig lukt. Meer als aardig zelfs…………ik zie je al schrijven: het was erg leuk, ik ben verliefd. Zij is het…………….Ik reken ermee! En ik wil dat ook jij liefde hebt in je leven…………maar waarom doet het zo een pijn?   Hoe komt dat toch? Ik heb mijn handen vol, heb mijn agenda druk geplant zodat mijn gedachten niet kunnen gaan wandelen. En toch, ik heb een ding over het hoofd gezien: de nacht. Als uit de stilte, doodstilte wordt en mijn hersenen beginnen te werken. Als iedereen om me heen slaap, zelfs jij, langs haar………ergens duizenden kilometers van mij vandaan. Zelfs dat geeft me onrust. 3 nachten al slapeloos. Het zijn geen honderden kilometers meer maar duizenden. En dan denk ik: is ook dat een teken? Scheiden ons nu al duizenden kilometers. Waar alles in grote aantallen anders zo leuk was. Bijvoorbeeld meer als 11000 reacties, woorden, emoties en hunkeringen. Sehnsucht grijpt me. Ik kan geen slaap vatten. “Laat het los” zeg ik me zelf. Ik zie jouw woorden voor me: kwel je niet zelf, dat is voor niets nodig en dan ook: ik hou oprecht van jou. Ik glimlach op mijn kussen en tranen rollen over mijn gezicht.   Een triest gevoel bekruipt me. April komt wellicht nooit. Wellicht wijst jouw beproeving uit, dat je me niet mist en dat je in die 6 dagen hebt gevonden waar je naar op zoek was. En ja; ik zou er dankbaar en gelukkig voor jou moeten zijn. Maar hoe werkt dat? Hoe kan ik dat, als het tegelijk betekent dat het los laten is? Opgeven is. Pijn.   Vrienden, dat zou mooi zijn……….vrienden voor altijd. Maar het zou voor mij betekenen dat ik sterker moet worden, misschien moet ik de muur terug optrekken………de muur die jij gedurende maanden steen per steen hebt kunnen doorbreken. Ik voel me kwetsbaar.   Ik loop op dingen vooruit en moet dat laten. Ik zoek verstrooiing. Het is mooi weer!   En dan nog, wat wil ik eigenlijk? Alles wat ik wil, kan niet………..en wat is het eigenlijk wat ik wil. Is het niet zo dat ik alles heb wat men zou kunnen willen?    

Sonja Blondé
7 0

Carla en Dirk

Zou je schrikken wanneer ik zeg het niet leuk te vinden je terug te zien? Euh, wat? Wat bedoel je? Is dit een bedreiging of zo? Meen je het echt? Ach schat, het bewijst dat je me nog steeds graag ziet. Je schrok duidelijk. Je zou voor minder. Waarom stelde je die vraag eigenlijk? … Ik … Hoe zomaar? Ik was bijna kwaad geworden. Hoe durf je zulke botte vragen te stellen? Het was heel kwetsend, weet je! Oh sorry. Je zegt dat je bijna kwaad geworden bent. Zou je het woordje ‘bijna’ niet even laten vallen? Echt, het was niet bedoeld om je boos te krijgen, zeker niet. Wat heb ik daaraan. Ruzie maken of niet meer spreken, geen van beide reacties zou leuk zijn. En ik wilde deze fijne avond zeker niet vergallen. En toch is het je gelukt. Ik hoor hier liever prettiger dingen dan zo’n vreemde vraag. Schatje, schatje. Mag ik vragen om dit te vergeten. Ik ben er volledig van overtuigd dat je mij nog steeds graag ziet. Het was zeer dom van mij om het op deze manier uit te testen. Het was voor niets nodig. Ik wist het gewoon.   Ondertussen is het niet alleen Carla die naar Dirk kijkt. De twee oudere dames die een rijstdessert aan de tafel naast hen aan het eten zijn, kijken afwisselend naar Dirk, Carla en de vriendin aan de overzijde. Bij de laatste verschijnt een lachje om de lippen wanneer de ogen elkaar ontmoeten. Carla en Dirk merken dit ook en kijken elkaar nu ook even in de ogen. Bij beide krullen de mondhoeken zachtjes naar boven. Plots begint Carla luidop te gieren, onmiddellijk bijgestaan door Dirk. Nu kunnen ze elkaar niet meer aankijken of ze proesten het nog erger uit. Gelukkig heeft de ober net de borden van het hoofdgerecht afgeruimd of ze hadden mogelijk brokken gemaakt. En ook gelukkig dat ze het beide vandaag bij water hielden, die glazen staan stabieler op de tafel. Carla zit te dicht en haar buikbeweging brengt het tafelblad aan het trillen. Wijnglazen zouden gesneuveld zijn bij deze schuddende beweging.             De twee dames kijken nogmaals naar elkaar. De oudste, zo lijkt het toch, trekt haar schouders even op. De ander verroert, bijna bewegingloos, haar hoofd. Duidelijk dat ze reeds lang met elkaar optrekken, ze hebben niet veel nodig om elkaar te begrijpen. Bij het zoveelste lachsalvo verschijnt toch een glimlach bij de jongste. Ze buigt zich voorover om iets te fezelen tegen de ander. Toch blijkt ze onvoorzichtig. Een glas cava twijfelt op het voetje, een kleine slok verspreidt zich op het tafeltje.             Dirk merkt dit en verslikt zich bij het lachen. Een hoestbui neemt meesterschap zodat hij de concentratie helemaal kwijt is. Ook zijn sterkere glas kan zich niet rechthouden wanneer hij met een bruuske beweging zijn rechterarm naar de mond brengt en het even aanraakt. Het klettert op de grond.             Carla smoort het hoesten op een fluweelzachte manier door met ietwat geopende lippen deze van Dirk te beroeren.   Scherven brengen geluk.  

Luc Van Roosbroeck
0 0

Zondagmiddagvlaai-mensen

Het groepje dat de kerk uitkwam was godvruchtig, hardwerkend en keurig gekleed. Burgerlijk. Hun wekelijks half uurtje godsvrucht zat erop. De dames, wiens haren stijf in de krul zaten bogen lichtjes voorover en reikten hun halzen naar voren om de laatste roddels op te vangen. Wie was er recent gestorven en met wie zwierf de bakkersvrouw in haar vrije uren door de velden? De heren schuifelden onrustig heen en weer, verlangend naar hun pint. Hun zondagse pakken stonken naar mottenballen. Als moeder de vrouw veelbetekenend in hun richting knikte, mochten ze los. Op naar ‘t café, terwijl het vrouwvolk zich huiswaarts repte om de schorten van noeste vlijt om te knopen. Konijn op z’n Vlaams, met patatten, sla en appelmoes. Een warme noen die de zondagse ledigheid zou vullen met vettigheid en slaap.   Elke zondag kwamen de kinderen op bezoek. Zo ging dat, in de vorige eeuw… De dochters aan de afwas met ma, terwijl de mannen de tuin inspecteerden. Onder de blauwe rook van een sigaar en goede raad over slaplanten en bakstenen metselen, trad pa op als raadsman der praktische aangelegenheden.   ‘le moment suprème’: de vlaai werd geserveerd. Een grote thermoskan waterige koffie werd met krachtige hand op tafel gezet. Voor de kinderen was er limonade. Het zondagsgevoel bereikte nu haar hoogtepunt.Pa had ondertussen de antenne gericht om samen met de jongens koers te kijken, terwijl de kinderen buiten verstoppertje speelden.    Tegen vijf uur keerde de rust weer. Het huis was stil en het klokje tikte de avond in. Het was een zondag zoals zo vele. Volgende week zouden ze weer komen.De vrouwentongen op de vensterbank streelden zachtjes de glasgordijnen die het avondlicht filterden…  

Heidi Schoefs
14 0

Princekoeken

Je loopt tussen de rayons als een model op de catwalk. Je draagt rode stiletto’s met matching lippenstift en een zwarte trenchcoat. De zonnebril op je hoofd doet dienst als diadeem. Je wordt aangestaard door ontbijtgranen, droge beschuiten, een beveiligingscamera en mezelf. Ik zou nochtans liever niet naar je kijken. Want dat is net wat je wil, wat je verwacht. En je bent mijn type niet eens. Je houdt halt bij de koekjes. Kijk eens aan. Hand in de zij en de poep naar achter. Je speurt de schappen af van boven naar onder tot je in een hoek van negentig graden voorovergebogen staat. Je weet dat ik naar je kijk, is het niet? Ook al probeer ik de illusie te wekken dat ik alleen oog heb voor beschuiten. Ik bestudeer een pak meergranen Cracottes alsof ik de achterflap van een boek lees. Jij neemt Princekoeken met witte vulling van het schap en loopt dan met je winkelmandje heupwiegend mijn richting uit. Zal ik even vriendelijk knikken als we elkaar kruisen? Dat doe ik altijd tussen de rayons. Ik hoef mijn gedrag niet aan te passen omdat ik denk dat jij ervan uitgaat dat ik je beloer. Ga je oogcontact zoeken op het moment dat je me passeert? Ja, en dat doe je langer dan gebruikelijk is tussen vreemden. Je lacht zelfs je gebleekte tanden bloot. Wat een stoute blik! Ik lach verlegen terug en kijk je achterna terwijl je van me weg flaneert. Je vastberaden tred lijkt gestuwd door een drang om bekeken te worden. Of is dit gewoon wie jij écht bent? Een vrouw die trots is op haar schoonheid. Een vrouw die ervan overtuigd is dat het probleem ligt bij mannen zoals ik. Maar ik ben niet zo’n man. Het is niet je schoonheid maar je verpletterend zelfvertrouwen dat mij intrigeert. Ik zet de beschuiten terug, neem een rol Princekoeken met chocoladevulling en reken af aan de kassa. Ik wandel naar mijn volgende bestemming: de slager. Het is er druk. Ik kijk naar binnen en ik zie hoe levend vlees happig wijst naar dood vlees. Hier wordt gehakt gemaakt van vegetarische voornemens. In de weerspiegeling van het raam zie ik ook twee roze vlekjes. Ik beweeg mijn hoofd en de vlekjes bewegen mee. Instinctief grijp ik verschrikt naar mijn haren. Het zijn de roze speldjes van mijn dochter. Die was ik thuis blijkbaar vergeten uit te doen. Nu weet ik het wel zeker. Je keek niet stout of uitdagend. Je keek spottend, met de gebleekte tanden op elkaar geklemd om de hilariteit binnensmonds te houden. En ik kan je geen ongelijk geven.

Antony Samson
0 0

De neurochirurg

De deur zwaait open. Daar staat de neurochirurg. Hij geeft ons een hand terwijl hij zegt "Ik heb uw dossier al uitgebreid bekeken." We zetten ons neer op de stoeltjes aan zijn bureau. Nog voor hij gaat zitten, kijkt hij ons aan en zegt: "ik vrees dat we niet anders kunnen dan opereren." Weg vliegt het laatste beetje (valse) hoop.   Hij begint opnieuw, zoals alle dokters, over hoe uitzonderlijk dit is op mijn leeftijd. Vreemd hoe je tijdens je puberteit niets anders wilt dan opvallen en gezien worden. Om dan eens je volwassen(er) bent net het tegenovergestelde te hopen. Ik zou liever geen uitzonderlijke nek hebben. Hij begint met een reeks mogelijke oorzaken op te sommen: een ongeval?, gevallen?, whiplash?, roker?, eerdere operatie?,... Ik moet op iedere vraag 'nee' antwoorden. Ik heb flink gestudeerd, werk ijverig, zorg voor mijn gezin, hou van mijn familie, doe geen extreme sporten, ben gelovig, heb nooit drugs gebruikt,... Het wringt een beetje en de vraag "waarom ik" duikt vaak op in mijn hoofd. Ik had misschien beter wel wat extremere sporten gedaan, wie weet. Maar ik heb hoogtevrees.   Hij toont de tussenwervels die ze zullen plaatsen. Het zijn synthetische exemplaren die door sommige verzekeringen worden terugbetaald. Als dat niet het geval is, kost het ongeveer 200 euro. Ik denk aan de vakanties waar we dit jaar gingen voor sparen. We gingen onszelf voorop zetten en geen verbouwingen of andere zaken doen. "Een goedkopere optie is om bot te nemen van de heupen en dat in de plaats te gebruiken maar op uw leeft...". Mijn man en ik kijken naar elkaar en zeggen bijna simultaan "neen, de eerste optie." De chirurg beantwoordt netjes al onze vragen. In totaal zullen ze 2 of 3 tussenwervels vervangen via een kleine incisie in mijn nek.   Na 20 minuutjes staan we opnieuw buiten met een infomapje en de operatiedatum. Iedereen heeft het over hoe goed het is dat we vooruitgang maken. Over hoe ik moet vooruit kijken en positief zijn. Het einde van de pijn is in zicht. Terwijl ik met een naar gevoel blijf lopen en het optimisme voorlopig niet deel. Ik zou willen huilen maar ik kan niet. Nu ik hier vandaag alleen zit, lijkt alles me te overspoelen.   Het gevoel van oneerlijkheid. De angst voor de operatie. De boosheid om alle voorbije ingrepen en doktersbezoeken die niets uithaalden. Alle vragen over 'wat na de operatie': hoe goed zal ik mijn nek nog kunnen bewegen?, hoe zal het voelen?, zal het litteken niet te groot en opvallend zijn?. Het wanhopige gevoel dat ik ondanks alle moeite in het worst-case scenario ben terecht gekomen. De frustratie over 'op jouw leeftijd zien we dit niet veel'. Het onvermogen dat ik voel om hierover op een correcte manier met de kinderen te praten Het gevoel dat ik bijna een half jaar van mijn leven 'kwijt' ben.   Ik moet het nog een plaats geven. Ik moet nog de zin vinden in de komende maanden. Ik moet opnieuw wat hoop en positiviteit bij elkaar schrapen. Ik kan het alleen nu even nog niet. Ik heb tijd nodig.  

Alice Bremt
0 1