Zoeken

Cécile

Hoofdstuk 1   Ik hoor de voordeur opengaan. "Liefje, we zijn thuis!" Ik hoor de woorden van mijn moeder nog nagalmen als ik de trap naar beneden loop. "Hoe was jullie avond?" vraag ik terwijl ik voorbij de veel te felle kelderdeur loop. Als kind had ik mij altijd afgevraagd waarom mijn ouders de kelderdeur felgeel hadden geverfd. Alsof de kelder opeens veel minder eng wordt omdat de deur een leuk kleurtje heeft. "Geweldig, je had er bij moeten zijn! Ik voel me weer helemaal relaxt." Mijn moeder gaat elke vrijdagavond naar de yoga om te ontspannen en haar stress van een zeer vermoeiende week te vergeten. Heel saai als je het mij vraagt en dat vindt mijn vader ook. Hij moet elke keer, flink tegen zijn zin, mee. "Geweldig zou ik het nu niet echt noemen. Al die nonsens over je echte zelf tegenkomen op je reis naar eenheid tussen hart en ziel komt me de oren uit!" roept mijn vader terwijl hij zijn sleutels in het mandje naast de kapstok gooit. "Cécile, zou je even naar de zolder om mijn reistas willen gaan, alsjeblieft? We moeten binnen twee uur al vertrekken en ik heb nog niks ingepakt!" "Rustig mam, je bent net terug van de yoga en je bent nu al terug aan het stressen. Daarbij, je hebt al je kleren al uitgekozen en op je bed gelegd!" roep ik nog net voordat ik de trap naar de zolder oploop. Ik open de deur en doe het licht aan. Na een paar seconden springt de lamp aan en baadt de kamer in een aangenaam licht waardoor mijn favoriete plekje in huis zichtbaar wordt. Instinctief loop ik naar de linkerhoek achterin de kamer, even blijf ik staan in het schijnsel van het maanlicht dat door het enigste raam op de zolder net voor mijn berg van kussens en boeken valt. Nog ongeveer een uurtje en dan zal de maan de duizenden levens die ik leid in mijn boeken verlichten. "Cécile!" De schelle stem van mijn vader laat me opschrikken uit mijn gedachtes. Ik draai me om en neem de tas van mijn moeder op terwijl ik terug naar de realiteit wandel. Voetje voor voetje komt mijn lichaam terug naar het heden en woord voor woord komt mijn geest net een beetje later aan. In een vloeiende beweging glijdt mijn hand over de lichtschakelaar en sluit het vervolgens de deur achter mij, terwijl mijn voeten nog steeds hun dagelijkse pad terug naar de gang volgen.   Hoofdstuk 2   "En als er iets is, dan ga je..." "Ja mam, dan ga ik naar de buurvrouw." Onze buurvrouw was vroeger mijn oppas, maar nu ik volgens mijn ouders de geschikte leeftijd heb gekregen om alleen thuis te blijven, hangt haar nummer op een geel post-itje op de koelkast. Mijn ouders geven me een knuffel, stappen in de auto en starten de motor. Net voordat ze de hoek om rijden, roept mijn moeder nog: "Tot overmorgen, Cécile, wees voorzichtig!" Met gesloten ogen blijf ik nog even nagenieten van de koele avondbries en de stilte tussen de sterren. Langzaam wandelt mijn lichaam naar dat ene plekje op de zolder in tegenstelling tot mijn gedachten die al tussen de stapels boeken het perfecte verhaal voor een ongestoord moment zoeken. Ik voel mijn voeten niet meer bewegen, het waas trekt weg voor mijn ogen en stilletjes aan komt het besef dat ik voor de felgele kelderdeur sta. Een blauwe post-it springt me direct in het oog. Al snel herken ik het krullerige geschrift van mijn moeder. In een paar slagen van mijn wimpers, heb ik het bericht gelezen. Ik hoor mijn mama het bericht zo opzeggen: "Er staat een bord lasagne in de koelkast, gewoon even opwarmen in de microgolfoven! Kusjes, mama." Al zittend op het aanrecht, wachtend op het geluidje van de microgolfoven dat mij verteld wanneer de lasagne klaar is, kom ik tot de constatatie dat het karakter van mijn moeder zeer goed overeenkomt met haar geschrift. Ze is heel levendig en zit vol met enthousiasme en net als haar geschrift neemt ze alle mogelijke krullen en bochten in haar leven zoveel als ze maar kan. Mijn concentratie wordt bruusk naar het raam getrokken. Heel even dacht ik een man met een gele regenjas te zien. Mijn handen begonnen te trillen en ik ga als in een automatisme naar de linkerhoek van de keuken, naast de koelkast. In mijn hoofd stellen zich de ergste scenario’s op, precies zoals ik er al dozijnen heb gelezen. Ik dwing mijn hoofd om op te kijken en met een bange blik kijk ik terug naar de realiteit. Alle slechte scenario’s stop ik onder mijn hart weg. Waarschijnlijk is het een spinsel van mijn fantasie, mijn onderbewustzijn die snakt dat naar een nieuw verhaal. Ik hoor een piepgeluid in mijn oren, het blijft nazinderen terwijl ik mijn lasagne uit de microgolfoven haal, mijn bestek neem en mijn tocht begin om mijn onderbewustzijn te sussen. Aan de achterdeur stop ik met lopen en kijk even na of de deur wel goed op slot zit. Ik durf niet naar buiten te kijken, draai me met een ruk om en zet mijn gedachten op het maanlicht dat straks de inkt op het vergeelde papier zal verlichten.   Hoofdstuk 3   Mijn ogen gaan als een sneltrein over de met inkt geschreven letters, maar ze worden moe en ik voel dat mijn lichaam meer en meer verlangt naar de middernachtsblauwe zone waar de slaap heerst. Mijn hoofd wordt zwaarder en valt naar rechts, al snel volgt de rest van mijn lichaam en lig ik op mijn rechter zijkant. Door het snelle verlies van het maanlicht moeten mijn ogen nog even aanpassen. Ik knipper een paar keer en voor een paar seconden dacht ik dat ik Peter Pan voor mijn raam zag zweven, maar al snel wordt duidelijk dat het iets anders is, iets met een lichtere, opvallerende kleur. Sloom hef ik mijn ledematen op en wandel naar het raam. Ik til mijn hoofd op. Mijn lichaam schokt wakker en loopt terug naar de hoek waar het met zijn rug naar het raam ga zitten. Een gele regenjas, dat kan toch niet. Hoe is het daar in hemelsnaam geraakt? Mijn ademhaling wordt sneller en mijn handen beven, er vormt zich een mist in mijn hoofd. Ik moet naar de buurvrouw gaan, maar wat als er echt iemand rond mijn huis dwaalt of wat als hij al binnen is? Verlamt door angst blijf ik zitten. Plots komt er een beeld in mij op. Het is een beeld van een paar uur geleden waarop te zien is hoe ik de deur van de zolder op slot draai en de oude sleutel in mijn broekzak stop. Bibberend vindt mijn hand de weg naar mijn zak waar zich inderdaad de sleutel bevindt. Mijn klamme hand houdt de sleutel vast alsof het mijn laatste connectie is met het leven. Nadat mijn ademhaling terug regelmatig is, merk ik pas het koude scherm van mijn gsm dat duwt tegen de achterkant van mijn hand op. Voorzichtig laten mijn vingers de sleutel los en halen de nieuwe levenskans uit mijn zak. Ik scrol door mijn contactenlijst en kom tot het besef dat het nummer van de buurvrouw er niet tussen staat, het hangt nog op de koelkast, zorgvuldig opgeschreven op een geel post-itje. Mijn blikt focust terug op het schermpje. Ik ben gestopt met scrollen precies op het nummer van mijn beste vriendin Zoë. Zonder nog verder na te denken druk ik op haar nummer, hou het toestel aan mijn oor en wacht tot ik haar stem zal horen. 'Hallo, met Zoë. Waarom bel je me nog zo laat op?' 'Zoë, een man met een gele regenjas, jas op mijn raam. De deur vast, bang dat hij binnen zal komen.' Het blijft een paar seconden stil aan de andere kant van de lijn. 'Ik heb niet echt verstaan wat je zei, maar ik ken je al lang genoeg om te weten dat je echt doodsbang bent. Ik kom er nu meteen aan! Waar ligt de huissleutel?' 'Nee, ik kan niet zeggen, hij horen en binnenkomen.' 'Cécile als je het mij niet vertelt dan zal je zelf de deur moeten komen opendoen.' Die zin wekt me op. 'Nee! Hij ligt onder de mat onder de bovenste linkerhoek. Haast je!' 'Ik ben daar binnen vijf minuten, blijf waar je bent!' Ik blijf in dezelfde positie zitten zelfs nog lang nadat de stem van Zoë al is weggestorven. Ik hoor iemand kloppen op de muur, het geluid komt dichter en dichter. Het zit vlak onder mij aan de voorkant van mijn huis. Ik maak mezelf zo klein mogelijk en wil mijn handen over mijn oren leggen als ik opeens de voordeur hoor opengaan...  

Mart Baert
0 0

Mien de slet

(aquarel van Paula Aerts - zie www.paulaquarel.blogspot.com)   2008. De zaken gingen al geruime tijd niet goed meer ten huize Marylou. De bankencrisis had uitbreiding genomen en nu kreeg haar core-business er ook flink van langs. Ze kreeg almaar minder volk over de vloer. En als er dan al eens een man  langskwam dan vond ie het te duur of moest er aan verlaagd tarief iets afgehaspeld worden. Dat was ook geen leven. Dus dacht Marylou na. Ze dacht lang na want ze had veel tijd om na te denken. Maar ze vond niet direct een antwoord. Wie had kunnen vermoeden dat de oplossing voor haar probleem vanuit een totaal onverwacht hoekje kwam opduiken.   Op een dag kreeg Marylou een nieuwe buurvrouw want het aangrenzende herenhuis verwelkomde een kersverse bewoner. Een pas afgestudeerde seksuologe kwam naast Marylou wonen en opende een praktijk op het gelijkvloers. Haar privé lag op de eerste verdieping en die deelde ze met Fred, haar gecastreerde kater.   Een uitnodiging voor een house-warming-party had Marylou niet ontvangen, dus trok ze op een middag haar stoute schoenen aan. Als welkomstgeschenk had ze twee éclairs meegenomen en een tompoes voor Fred. Ze zag het naamplaatje van de jonge vrouw, Lien De Smet, en belde aan. Een vriendelijke stem klonk door de parlofoon en nodigde haar uit om binnen te komen. ‘Waarmee kan ik u helpen?’ vroeg Lien onmiddellijk. ‘Aan mij mankeert er niks,’ zei Marylou, ‘Begrijp me niet verkeerd. Ik kom enkel kennismaken zoals een goede gebuur betaamt en ik heb een cadeautje bij’. Dat vond Lien wel erg charmant en ze schaamde zich een beetje omdat ze zelf het initiatief niet had genomen om haar buur uit te nodigen. Ze zette een potje koffie, heet en sterk, honderd procent arabica. Binnen de kortste tijd werd Lien ingewijd in Marylou’s onzekere maar wondere wereld en vernam ze de specifieke problemen waarmee haar buurvrouw te kampen had.   ‘Ik moet je eerst bekennen,’ had Lien gezegd, ‘hoezeer ik jouw functie in de maatschappij respecteer. Zouden jij en je collega’s er niet zijn, dan zouden er vele, erge dingen gebeuren.’ Met deze woorden lag Lien onmiddellijk in Marylou’s bovenste schuif en schrok deze laatste er ook niet voor terug om de achteruitgang van haar éénvrouwsbedrijfje uit de doeken te doen. Ze vertelde dat ze, reeds voor de crisis een echte aanvang had genomen, had gemerkt dat het aantal bezoekjes van mannen-in-nood stelselmatig afnam. In het begin was ze al eens op een voormiddag werkloos en de week erna kon dat op een namiddag zijn, maar na verloop van tijd waren er zelfs avonden dat ze rustig televisie kon kijken zonder gestoord te worden. Ze was zelfs gestopt om Temptation Island op haar digibox te programmeren. Ze keek gewoon live omdat ze er donder op kon zeggen dat die avond hooguit een verdwaalde poes aan haar vensterraam kwam postvatten. Zodoende had Marylou op die betreffende namiddag een enige gelegenheid om een specialiste om raad te vragen. Lien moest wel toegeven dat ze een dergelijk probleem niet had voorgeschoteld gekregen tijdens haar studies aan de universiteit - praktijklessen bestonden niet - maar ze wilde toch graag haar nieuwbakken vriendin ter hulp schieten. Ze dacht na. Ze dacht diep na en toen ze aan haar livingraam naar buiten keek en haar blik aan de overzijde van de straat het volkscafé ontwaarde moest ze denken aan haar opa en het gezelschapsspel dat hem zoveel plezier had bezorgd toen hij in het bejaardentehuis verbleef. ‘Dat is het,’ zei ze, ‘een pietjesbak. Je moet klanten lokken met een pietjesbak. Destijds heb ik zo’n exemplaar aan mijn grootvader voor zijn tachtigste verjaardag geschonken en toen hij overleden is heb ik de bak als dierbare herinnering aan hem naar huis meegenomen. Hij moet hier ergens op zolder aanbeland zijn. Je mag hem gerust een tijdje van mij lenen. Zo doe ik ook een duit in het zakje of noem het maar het pietjesbakje’. Op één, twee, drie had ze een strategie klaar en een uurtje later kon Marylou op haar werkdivan een uitgebreider strijdplan bedisselen.   Een nieuw concept dus ook een nieuwe naam, was het eerste wat Marylou te binnen schoot. Ze moest niet lang nadenken en ze kreeg al binnenpretjes, die ze hoopte in de naaste toekomst nog meer te voelen: haar behulpzame buurvrouw heette Lien De Smet, dus zou Marylou’s nieuwe alter-ego Mien de slet zijn. Een slogan in het plaatselijk advertentiekrantje had ze ook al klaar:  ‘Bij Mien de slet, altijd pret. De teerlingen in de bak besparen je een smak’. Die laatste zin tezamen met een afbeelding van drie dobbelstenen liet ze door een bevriende kunstenaar op haar vitrine schilderen. Nu moest ze even geduldig zijn en hopen dat het nieuws als een lopend vuurtje zou rondgaan en de eerste nieuwsgierigen hun kop omhoog zouden steken. In de tussentijd kon ze haar nieuwe manier van werken wat finetunen. Buurvrouw Lien had haar al goed op weg geholpen maar er waren nog enkele punten die haar aandacht verdienden. Telkens weer als ze alles zorgvuldig overliep ontdekte ze een nieuwigheidje en bij elke nieuwe vondst ontsnapte haar een gilletje. Die avond, na alweer geen klanten te hebben gezien, ging ze moe maar ongelooflijk voldaan slapen en legde ze haar éne been over het andere …   Enkele dagen gingen voorbij. Marylou had zich zelfs wat verlof gegund - op het bordje dat aan de deur hing had ze met enige zin voor humor ‘enkele dagen platte rust’ geschreven - en ze spendeerde die welgekomen vrije tijd en wat geld aan het opsmukken van het interieur van haar werkplek. De gordijnen met pantervellenopdruk verdwenen naar het containerpark en werden verruild voor state-of-the-art-jaloezieën. De muren kregen een kakelvers behangpapier aangemeten met een terloopse verwijzing naar het dobbelspel waarvan ze in haar diepe binnenste verhoopte dat het haar geluk zou brengen.   Het werd weer vrijdagavond. Dit zou, normaal gesproken, haar drukste werkdag moeten worden. Marylou stond in haar vernieuwde etalage te popelen van ongeduld. Ze had een nieuwe lampenslinger aangestoken en ze had zichzelf gehuld in een luchtig niemendalletje. Frivoler kon het niet en dat zou effect ressorteren. Er liep wel wat volk rond die avond en het was haar opgevallen dat een drietal heren meerdere keren, geïnteresseerd maar onrustig kijkend, aan haar venster waren gepasseerd. Uiteindelijk ging de deurschel en kwam een oud mannetje haastig binnengestapt. Marylou zag dadelijk dat hij zich niet op zijn gemak voelde dus besloot ze daar dadelijk aan te verhelpen. Ze was tenslotte een kei in haar vak. ‘Doe maar rustig,’ zei ze, terwijl ze de deur sloot en ze haar tanden bloot lachte, ‘ik doe je geen pijn hoor’. Het ventje keek haar gerustgesteld aan. ‘Wil je een drankje? Die trakteer ik jou omdat je mijn eerste klant bent sinds ik alles gerenoveerd heb. Alles is nieuw, behalve ik natuurlijk, of wat dacht je?’ Hij lachte wat ongemakkelijk. ‘Doe maar een biertje,’ zei hij. ‘Dan neem ik een Virgin Mojito,’ giechelde Mien. ‘Misschien heb je geluk en word ik opnieuw maagd’. Hij kon de inside-joke wel smaken en nam een slok van zijn pintje. ‘Ondertussen hebben we even tijd om de nieuwe gang van zaken wat toe te lichten,’ klonk ze professioneel. ‘Zie je daar dat bord. Daarop staat te lezen hoe je wat kunt besparen door met de dobbelstenen te gooien.’ Het mannetje keek met halfdicht geknepen ogen wat er te lezen stond en zei: ‘Dat wil ik wel eens uitproberen. Ik ben altijd graag uit op een gokje.’ Mien haalde de pietjesbak en de dobbelstenen te voorschijn. ‘Omdat ik je zo sympathiek vind laat ik je al eens een keer gooien. Is het resultaat niet goed, dan mag je nog eens een keer met de teerlingen werpen. Ok?’ ‘Prima,’ zei hij en hij gooide verwoed de dobbelstenen in de bak. 2 - 2 - 3. ‘Oei, dat is 7, de laagste score,’ lachte Mien, ‘als mijn volgende klant dit zou gooien, dan zou hij voor zijn verzorgingsbeurt 70 ipv 50 euro moeten betalen. Gooi nog maar eens. Toe.’ Deze keer nam het mannetje de stenen voorzichtig vast en gooide al even behoedzaam. 2 - 2 - 2. ‘Oei, dat is 6. Dat is nog lager,’ reageerde hij beteuterd. ‘Maar nee jongen,’ troostte Mien, ‘je hebt zand van 2 gesmeten. Zo noemt men dat. Dat is goed. Zeer goed zelfs. Zie je het daar op het bord staan: zand van twee betekent 20 % korting als je binnen de twee weken mij opnieuw een bezoekje brengt. Dan hoef je dus slechts 40 in plaats van 50 euro te betalen. Hier, ik geef je een tegoedbon en ik schrijf het in mijn schrift. Zoals je ziet is het boekje nog maagdelijk wit. Op welke naam mag ik het zetten? Gebruik gerust een schuilnaam, als je dat wilt.’ ‘Zet dan maar Schuitje. Zo noemde mijn overleden vrouw mij altijd. We zaten immers méér dan veertig jaar in hetzelfde trouwschuitje. Ze is twee jaar geleden heengegaan en dit is de eerste keer dat ik bij iemand zoals jij …’. Hij wist niet goed hoe hij dit moest uitleggen. ‘Ik snap maar al te goed hoe jij je voelt Schuitje. Kom we beginnen eraan. Heel voorzichtig en we zien wel hoe het verder gaat,’ stelde Mien hem gerust. Een half uur later nam Mien afscheid van haar eerste gast. Ze gaf hem een kuis kusje op zijn wang want ze voelde dat ze net iets heel moois had meegemaakt.  Er ging geen kwartier voorbij alvorens een volgende klant zich aanmeldde. Ze herkende de man als één van de geïnteresseerde voorbijgangers van een uur geleden. Hij was een pak jonger dan de vorige en hij keek wat onwennig rond. ‘De eerste keer?’ informeerde Mien. ‘Ja, en ik weet niet heel zeker of ik dit wel wil,’ zei de midveertiger. ‘Dat begrijp ik,’ antwoordde Mien heel gedecideerd, ‘laat ons er even over praten. Hoe heb je me gevonden?’ ‘Via jouw advertentie eigenlijk,’ vertelde de man heel openlijk, ‘die viel me op, zo met die dobbelstenen weet je wel en daarom vond ik het toch wel interessant om eens kennis te maken.’ Mien vond het prima en legde de spelregels van haar pietjesspel haarfijn uit. ‘Daar is over nagedacht,’ zei hij, ‘kom geef die teerlingen maar. Drie eentjes, de aapjes dus, en ik mag gratis voor niets met jou naar …’. Hij kon zijn zin niet eens afmaken want Mien repliceerde meteen: ‘Zo zit dat’. Haar tweede bezoeker hield de dobbelstenen in zijn twee handen, maakte er een bolletje van en blies tussen zijn twee duimen. ‘Vooruit aapjes,’ riep hij en hij gooide met forse kracht de stenen in de bak. 1 - 1 - 6. ‘Oei, dat was dichtbij,’ jammerde hij, ‘hoeveel heb ik nu eigenlijk?’ ‘Dat is 260, het hoogste wat je kan gooien, buiten die speciale getallen dan, dus dat heb je goed gedaan maar hier heb je er geen prijs mee. Je mag wel gratis opnieuw gooien met deze score en dat is toch ook niet slecht hé,’ moedigde Mien hem aan. De klant wreef in zijn handen en herhaalde zijn vorige handeling maar dit keer wat minzamer. 4 - 4 - 4. ‘Sjonge, sjonge, er wordt flink gegooid vandaag. Maar dat is niet erg. We doen tenslotte alles voor onze business,’ zei Mien. Ze had er eigenlijk wel schik in. ‘Je hebt zand van 4 geworpen. Dat wil zeggen dat je 40 % korting krijgt als je binnen 4 weken mij nog eens komt opzoeken. Dat is toch een schone geste hé. Kom geef me nu maar 50 euro. Je weet dat het binnen de maand maar 30 euro zal zijn. Ok? Ik schrijf je even een waardebonnetje. Op welke naam mag ik het zetten?’ Mien voelde zich echt in haar element. ‘Tarzan,’ lachte hij, ‘dat zal je dadelijk wel ondervinden.’ ‘Ik verheug er mij al op,’ kirde Mien. Hij scheen haar te geloven.   Haar eerste twee bezoekers zaten erop en je kon het ontegensprekelijk een groot succes noemen. De dobbelstenen hadden weliswaar in het voordeel van haar klanten gerold maar tezelfdertijd bracht deze uitkomst flink wat cliëntenbinding teweeg. Dat het gooien van 260 een extra werpbeurt met zich meebracht had ze op datzelfde moment verzonnen, maar ze was zeker van plan dit zo te houden. Dus moest ze dit getal ook op het bord noteren. Daardoor kwam ze zelfs op het idee om aan iedereen die geen ‘prijs’ gooide voor te stellen een nieuwe gok te wagen voor een inbreng van slechts 5 euro. En in de dagen die daarna verstreken bleek deze strategie ook vruchten af te werpen. Lukte het niet dan was ze telkens 5 euro rijker. Kwam er toch een prijs uit de bus vallen, dan kon ze weer rekenen op klantenbinding. Mientje, Mientje, dacht ze bij zichzelf, je bent goed bezig, heel goed bezig.   De zandjes van 2, 3, 4, 5 of 6 kwamen af en toe eens uit en de mannen straalden dan zoals jongens die een nieuw speeltje hadden gekregen. De respectievelijke kortingen nam Mien er met de glimlach bij. Na 3 weken was er zelfs een gelukzak die de aapjes gooide en Mien trakteerde hem, buiten een gratis stoeibeurt, zelfs op een glaasje bubbels.  Nog een week later was het een lang opgeschoten verlegen jongeman die 4 - 5 - 6 wierp. ‘Soixante-neuf,’ had Mien toen luid uitgeroepen en de kerel dacht even dat hij iets verkeerd had gedaan. ‘Maar nee,’ had Mien hem dadelijk gerust gesteld, ‘je mag, als je dat wil, me even ondersteboven bewonderen en dat kost je geen cent méér.’ ‘Ik heb wel wiskunde gestudeerd en ik ken een beetje Frans maar dit heeft mijn mama mij nooit geleerd,’ zei de jongen met een duidelijke blos op zijn wangen. ‘Het is zo eens iets anders dan die vervelende missionarishouding, vind je niet,’ fluisterde Mien, maar deze opmerking deed geen belletje rinkelen in de seksuele fantasiewereld van de kerel. Ze giechelde even en toen begon ze er maar aan. Toen hij een halfuur later naar buiten ging was er al veel van zijn schroom verdwenen en hij verzekerde Mien dat hij beslist nog eens zou terugkomen ‘omdat zij hem nog veel te leren had’.   En terugkomen deden ze haast allemaal en dat had drie redenen. Ten eerste kende Mien haar job als geen ander. Ten tweede liep ze er altijd vrolijk bij en werd er al eens flink gelachen en ten derde was er altijd dat tikkeltje spanning. Wat zouden de dobbelstenen dit keer in petto hebben?   Op een late morgen, nadat Mien haar gebruikelijk croissantje had opgepeuzeld en  haar onmisbare latte macchiato had opgedronken, kreeg ze onverwachts bezoek. Buurvrouw Lien kwam eens informeren hoe de zaken liepen en ze had een bavarois meegebracht, gemaakt van passievrucht met crèmeux met daaronder een biscuit van chocolade en een krokante bodem.  ’De patissier vertelde me dat dit een ‘passionata’ heet en ik vond dit wel een gepast gebakje voor jou. Zeg maar vertel eens, hebben die pietjes je geluk gebracht,’ vroeg ze nieuwsgierig. ‘Lientje, Lientje, geluk? Een ongelooflijk schot in de roos was het’, vertelde de vroeger genoemde Marylou. ‘Sinds ik mijn naam veranderde in Mien en ik het pietjesspel introduceerde kan ik met moeite al mijn klanten bedienen. Als dat zo verder gaat moet ik een bijkomende werkkracht aannemen. Die pietjesbak was echt een geweldige vondst en de spelregels kan je daar op dat krijtbord terugvinden.’ Mien wees trots naar haar prijzenuitstalling en ze gaf er een woordje uitleg bij. Lien moest er flink om lachen. ‘Fantastisch,’ zei ze, ‘dan hebben opa’s dobbelstenen toch iemand gelukkig gemaakt. Hij zal het vanaf zijn wolk hierboven wel goed in de gaten houden. Hij krijgt er misschien rode oortjes van.’ De twee vriendinnen konden hun pret niet op.   Nu zijn we goed tien jaar verder. Mien heeft België al en tijdje voorgoed vaarwel gezegd. Nadat ze enkele jaren furore had gemaakt in haar business, kon het niet anders dan dat ze haar succes wilde uitproberen in een ander stukje van de wereld. Gokhoofdstad Las Vegas moest er aan geloven. Nu baat ze daar triomfantelijk haar club ‘The hot slot’ uit. De pietjesbak is ingeruild voor vijf ‘meer in het kraam passende’ slotmachines. Geen dobbelstenen maar de vroeger betitelde éénarmige bandieten beslissen of de klanten een prijsje verdienen. Vijf mooie dames hebben haar vroegere beroep overgenomen en ze doen dit natuurlijk onder het motto: ‘what happens in Vegas stays in Vegas’.   Lien heeft Marylou vorige week nog in Vegas bezocht. Het was een vermakelijk weerzien in de woestijn van Nevada. En inderdaad, Mien liet zich ondertussen weer Marylou noemen. Dat klonk wat Amerikaanser en ze betrapte zich er op dat ze de bekende Ricky Nelson-hit, genoemd naar haar voornaam, regelmatig mee neuriede als ze over de befaamde strip liep. Beide dames gingen op een avond naar het casino van Caesars Palace en ze gokten aan de roulettetafel op nummer 1. En wat dacht je? Number 1 it was. Driemaal na elkaar ! Kijk, daar waren de aapjes weer.

Marc M. Aerts
0 0

Pimpelmees van de foor.

Hoewel ik haar blik wou vermijden, ontmoetten onze ogen elkaar halverwege het gejoel, ergens tussen het schietkraam en de autoscooter, al heette die attractie in die tijd gewoon nog de botsauto’s. Zij keek snel verlegen weg en ik deed hetzelfde. Indien ik haar was blijven aankijken zou het me zeker zijn opgevallen dat ze lichtjes bloosde en dat ze met de tong voorzichtig haar bovenlip beroerde maar ik was nog veel te groen achter de oren om dat op te merken, dus keek ik ook snel achteloos weg, naar de prijzen die één kapotgeschoten pijpje in het schietkraam zouden kunnen opleveren. Zij kon onmogelijk weten dat ik heel veel moeite had gedaan om haar preutse oogopslag te vangen want telkens ze mij in de gaten kreeg, keek ze schaapachtig weg. Ik zal ook wel gebloosd hebben en mijn ogen zullen wel geblonken hebben maar dat was haar ook niet opgevallen. Mocht ik haar nu tegen het lijf lopen, ik zou haar garderobe goedkoop en een beetje vulgair vinden, maar toen gaven de zwarte plak-netkousen die ze onder haar grijze plooirokje droeg met daarboven een rode wollen jas met veel te brede schoudervulling haar iets mysterieus en onbereikbaar. Voor mij was ze de diva van de foor. ‘For your eyes only’, Sheena Easton zong door luidsprekers in woorden die ik maar half verstond omdat de BBC alleen aan de kust in het zenderpakket zat en we thuis dus alleen maar keken naar Nederlands gesproken uitzendingen van BRT één, BRT twee en Holland één. Ik had vijftig frank, drie jetons voor de botsauto’s en twee kaartjes voor de rups in mijn broekzak. Die zouden die bewuste namiddag nog goed besteed worden op het dorpsplein van Muizen waar de kermiskaravaan voor het lange weekend was neergestreken. In zaal Rerum Novarum vond op dat moment naar jaarlijkse gewoonte tijdens de grote kermis ook de vogelshow plaats. Een paar lokale duivenmelkers toonden hun prijsduiven en een handvol parkietenkwekers en kanarieliefhebbers gaven met evenveel lawaai als de vogels die ze tentoonstelden commentaar op hun favoriete gepluimde vrienden. Toevallig of niet maar zij paradeerde daar ook. Ze laveerde er tussen kooien en keven die overvol zaten met kippen en hanen en tussen volières waar exotische paradijsvogels en Chinese nachtegalen in rondfladderden. ‘Wist je dat de pimpelmees de trouwste zangvogel is en dat de rest van de mannetjesvogels al vreemd gaat vanaf het ogenblik dat de eieren gelegd zijn’, vroeg ik haar stompzinnig omdat ik geen andere veilige openingszin kon verzinnen. Toen ik haar met die wetenschap overviel zal ik zeker zo rood zijn aangelopen als de pioenen die bij mijn grootmoeder een paar straten verder in de voortuin bloeiden. ‘En wat voor vogel zijt gij dan wel? Een pimpelmees, een straatmus of een papegaai want ge kwettert wel nogal.’ Haar brutale antwoord stond me wel aan want ik antwoordde met heel slecht geacteerd zelfvertrouwen, dat ik haar dat wel in haar oor zou fluisteren in de rups. ‘Binnen vijf jaar dan toch’, bitste ze terug,  ‘wanneer ge uit uw korte broek gegroeid zijt’, en er verscheen een soort van glimlach op haar veel te rood gestifte lippen zodat het een grijns leek. Na twee zinnen stond ze al voor op punten en dat was slecht nieuws voor mijn gespeelde zelfverzekerdheid maar ik liet me er net als de vogels niet door uit mijn kot lokken. ‘Ziet ge die eend daar in die keef?’ en ik wees naar een mannetjeseend met een groene kop die wat verderop in een rieten mand nerveus rond trappelde. ‘Die is er veel slechter aan toe dan wij want als die gaat, waggelt zijn gat zo hard dat het lijkt alsof hij de ganse dag heeft paardgereden. Nu ziet ge dat niet maar als die stapt krijgt die zij poten niet meer toe.’ Ze probeerde ongeïnteresseerd haar ogen te rollen maar omdat zij een veel slechtere actrice was dan ik proestte ze het na twee seconden toch uit. ‘Gij zijt een grappig baazeke met uw korte broek en uwe grote mond, van waar zijt ge want ik heb u hier nog niet gezien?’ ‘Van over de stationsberg, van aan den overkant van de Steenweg. Zeg, zijt gij die vogels ook niet een beetje moe? Gaat ge met mij niet mee in de rups, ik heb al kaartjes.’ ‘Ja, om mij proberen binnen te doen zeker? Vergeet het maar, daarvoor is uw broek nog veel te kort. Betaal mij liever ne gesponnen suiker, als ge centen hebt tenminste, daarbij ge hebt me nog niet eens gezegd of ge nu een pimpelmees zijt of niet.’ Door die twee gesponnen suikers en die twee appels op een stokje was mijn kermisbudget een uur later al met een vijfde gesloken. Ik zat precies met een dure vogel op mijn dak bedacht ik en ik moest met mijn resterende veertig frank en met mijn drie jetons nog twee dagen toekomen. ‘Moogt gij karekollen?’ vroeg ik haar goed wetende dat haast geen enkel meisje van vijftien karrekollen lust. ‘Beikes!’, was dan ook zoals te verwachten haar antwoord omdat meiskes van standing in die tijd nog niet ‘ieuw’ zeiden. ‘Dat ga ik nooit van mijn leven eten, dat zijn precies dikke snottebellen uit de zee’, zei ze met een gezicht alsof ze die ooit al eens gegeten had. ‘Ik denk ook niet dat gij dat durft’, zei ik heel zelfzeker omdat ik wist dat ik met dat doordacht manoevre een lijn uit smeet ik waarmee ik in het Vrijbroekpark al dikkere karpers had bovengehaald. ‘Wat krijg ik als… , en ik zeg wel als ik dat toch doe?’ En ze liet die als klinken alsof de beloning er niet mee toe deed maar wel alsof ze tegenover een brutale snaak in korte broek geen gezichtsverlies wou leiden. ‘Ge moet met mij niet durven of doen spelen als ge dat niet wilt he, ik zou het niet op mijn geweten willen hebben dat ge straks ziek wordt …’ Ik kreeg de kans niet om mijn zin met ‘..in de rups’ af te maken want ze onderbrak me met een vastberadenheid alsof ik al haar dapperheid en pit met mijn opmerking in vraag had gesteld.  ‘Peisde echt dat ik dat niet durf, zeg het maar he, wat krijg ik of durft gij niet meer misschien?’ Ik toonde haar mijn jetons van de botsauto’s en de kaartjes voor de rups en zei, ‘als ge dat wilt kan ik u vandaag vrijhouden, ge moogt overal mee in waar ik in ga en ik wil er zelfs nog een kaartje van het spookhuis bijdoen, maar dan moet ge wel op die slakken bijten en ze niet zo maar doorslikken.’ De karrekollen kraakten tussen haar kiezen zoals zand dat doet wanneer je slecht gewassen mosselen proeft. Door het speels geplaag was de romantische spanning de hele middag naar een climax opgevoerd dus wisten we geen van beiden wie de weddenschap nu gewonnen had en wie ze verloren had. Toen in de krakende houten rups, tijdens het vierde rondje dat achterwaarts gereden werd de groene kap dicht viel en ze in mijn oor fluisterde dat ze hoopte dat ik een pimpelmees was, had ik nog veertien frank en vijfentwintig centiemen.

jan pultau
0 0

zijdemaalzijde

Zo was het ooit geschapen. Deze wereld. Deze Aarde. Als een kubusvormig geheel op een verlaten kosmologisch kruispunt. Waarop enkele grootse Goden petanque speelden en hun onmetelijke krachten van elkander zaten af te toetsen, als echte mannen met baarden. Stoer, wulps en onbegrijpelijk. Zo waren Goden op hun best, zo moesten Goden zijn… onbegrijpelijk en een beetje stoer.   Waarom? Waarom toch zijn dié Goden zo autistisch? Afgelikt? Alles wat aangeraakt werd door hun aandacht was afgelijnd. Repeterend. Als een schilderij van Mondriaan. Ze creëren niets minder dan schilderijtjes. Bijna op elk kruispunt wankelt er wel ene, begeerd door liefde en gecontroleerd door deze bovennatuurlijke monstertjes met pacifistische maskers op. Alsof het daarboven carnaval was. En toch zijn ze gewapend. Met onzichtbare dogma’s, verslindende kruisbogen en sikkels zo groot als groteske zomerse tuinen vol tulpen. Die zelfs bloeien in jarenlange, koude winters. Wat zijn dié Goden toch zo in de wereld? Op ongestelde vragen boetseren ze antwoorden op onuitstaanbare verlangens. Ze scheppen automatisch schoonheid. Alsof het voor hen geen moeite kost. Ze schreeuwen het. Alsof het voor hen geen stem kost.   Hun vele profeten –volmaakt gemaakt, uiteraard- trachtten op de dag des oordeel alle figuren te onderwerpen aan een volmaakbaarheidscontrole. Het was hun opdracht. Hiervoor zouden ze sterven als dienaars in de glinsterende, vlakke nacht.     Ergens op een wereld, op een aarde, maar vooral op een volmaakt kruispunt. In lokaal vierentwintigduizend achtenveertig zat een melig figuurtje. Het had een driehoekig voorkomen met twee ongelijke benen. Zijn bedrading was stuk en zijn batterij stilaan koperarm. Ze hadden hét zo gemaakt. Niet hem of haar, maar hét. Goden maken niets zijdig, maar alles onzijdig. Ze zijn nu eenmaal goddelijk eerlijk, fatsoenlijk met hun objectieve dassen zoekend naar rechtvaardigheid. Het lokaal had een figuur van een vierkant, omringd door muren, arm van kleuren en muf. Er waren duizenden soorten gelijke lokalen, maar allemaal anders. Als hun lichaam, hemels. De muren waren ongenaakbaar, alsof ze net geboren waren uit het handpalmpje van dé grote meesters. In het midden stond een antieken houten stoel met daarboven een ongeopend luikje. Het mechanisme bleek ongerept te zijn. En zo begon een dag zoals een ander, maar dan nu met oordeels.   Omtrent de onmetelijke perfectie van schoonheid. Een eerste offer gleed via het luikje naar beneden. Een gevangen visje, in een klein, aangepast dwangbuisje. Een sardientje in eigen nat. Een metalen grijparm kwam uit het luikje tevoorschijn en plaatste het visje recht en fatsoeneerde de bretellen zodat er een vorm van voortreffelijkheid in de houding aanwezig was. Alsof het ter plaatse opnieuw geschapen werd. Schoonheid is voornamelijk herschapen. De vetvin werd gekamd en door een extra sterke wax naar achteren gelegd. Enkel zo kon het doorheen de controle komen. ‘Naam?’ vroeg de driehoek54 braaf. Zijn ongelijke benen bewogen in een misvormde hoek van negentig graden zodat zijn hoekpuntje zichtbaar kwam te liggen. Hoekpuntjes waren niet specifiek verboden volgens de axioma’s, maar sociaal niet aanvaard. ‘Bernard’, antwoordde het sardientje terwijl het over zijn schijnende schubben wreef met zijn miezerig vinnetje. Op de metalen tafel lag een schamel bordje vierkantswortels, de geparfumeerde soort. Bernard stonk. Dit merkte driehoek54 meteen met zijn scherpe blik op. Niet stinken was volgens de axioma’s niet verboden, maar werd sociaal niet aanvaard. Bernard moest stinken, zo was hij geschapen. Zijn schoonheid moest stinken, zo werd hij gedefinieerd. ‘Een strafblad’, merkte driehoek54 sceptisch op. Bernard zwom vorig jaar tijdelijk tegen de stroom in. In een verloren cirkelvormig hemellichaam was hij verdwaald geraakt tussen de verloren sardienen. Tegen de stroom in zwemmen en verloren zijn was niet specifiek verboden volgens de axioma’s, maar werd sociaal niet aanvaard. ‘Wat is er mis met mijn vierde schub, is deze zo anders?’ ‘Is dat net niet mijn onmetelijke schoonheid?’, sloot Bernard zijn rebellerend pleidooi af. Driehoek54 werd overdonderd door onwetendheid. Hij bekeek de checklist dogmatisch. ‘Ik weet het niet. Ik zal de vraag moeten doorgeven’, fluisterde driehoek54, alsof hij zichzelf niet geloofde. Bernard schrok zich een schub. ‘Doorgeven?’ Driehoek54 drukte aarzelend dé blauwe knop in en een deur schoof in het midden van de kale muur open. Trapezium839 kwam tevoorschijn. ‘Toch niet Trapezium839’, dacht driehoek54 belust. Ze was oogverblindend. Trapezium839 had alle hoeken en tussenliggende punten die men nodig had om schoonheid te definiëren. Trapezium839 kwam slenterend op driehoek54 af en zette zich schuin naast hem neer. ‘Dié vraag mag niet doorgegeven worden’, fluisterde ze. Op haar linker lijnstuk kwam de tekst ‘Fout in axioma 717’. Beiden wisten meteen wat dit betekende. Behalve Bernard, die stond wat verward met de ogen te draaien zodat ze waterig bleven. ‘Waarom ben je mij komen verwittigen?’ vroeg driehoek54 aan trapezium839. Het was strafbaar om te waar-schuwen. Dit was zo vastgelegd in de axioma’s. Het was algemeen geweten dat alles boven axioma 647 automatisch gemeld werd aan de B.R.G. De Brigade van de (R)echte Geometrie was een onafhankelijk controleorgaan, geschapen om de perfectie gelijnd te houden en de vraag naar de ware schoonheid te vermijden. Ze zagen eruit als dikke prisma’s met elk een stoere kuif en een snorretje die hun autoriteitsgezag versterkte. Zij waren de profeten van de axioma’s. Op hun brede zijvlakken stonden in grote, bedrukte letters “Axioma’s zijn te allen tijde waar en kunnen door perfecte schepping onmogelijk in vraag gesteld worden. Axioma’s vormen een kruispunt, ze vormen ons.”            ‘We kunnen via het luik ontsnappen’, stelde Sardientje voor. ‘Dan zijn we voorgoed verloren voor het vaderland’, zei Trapezium839 berustend tegen Driehoek54. ‘Als je blijft dan weet je dat ze je gaan spiegelen en draaien aan axioma 117’, ging Trapezium839 verder. ‘En jij ook, Tr.839’, vervolledigde Driehoek54 de situatie terecht. Inmiddels had Sardientje het luik opengedaan. ‘We moeten zo snel mogelijk naar het Ongerepte Licht, daar waar de controle het minst is en het licht van de Goden ons meer schaduw geven’, sprak Tr.839, alsof ze heel dit gebeuren reeds had uitgedokterd. ‘Wat was ze slim’, dacht Driehoek54. Zijn blik ging richting de volmaakte vlakken van Tr.839. ‘En haar nummer. Haar nummer is prachtig. Volmaakt. Iedereen wou een negen hebben. Ik had geen negen. Trapezium wel. Ze had een negen en een acht’, dacht Driekhoek54 dromerig verder. De B.R.G. stormde lokaal vierentwintigduizend achtenveertig binnen. De ruimte was vlak- en lijnvrij. ‘We zitten met een “Fout in axioma 45”’, melde het dikste prisma tegen het kleine schuifdeurtje die op zijn rechtervlak openging. Zijn zijvlakje kleurde donkerrood. Daar waar het vluchtende trio het Ongerepte Licht in de verte zagen loeren durfde Sardientje dé vraag opnieuw stellen: ‘Nu weet je toch wat de onmetelijke perfectie van schoonheid is?’ Tr.839 en Dr.54 keken elkaar onwetend aan. ‘Kunnen kiezen. Dat is perfecte schoonheid.’ Beiden knikten zonder te begrijpen.   Omtrent de onmetelijke kracht van kennis. Het Ongerepte Licht is een samenkomst van relatief vrije punten op een noordelijke vlakte van een buitenste lijnstuk op kruispunt142. Het Ongerepte Licht is het meest vrije deel van een kruispunt. Daar waar de Goden hun ogen minder snel op richten, daar waar bijna alles kan en sommige zaken naast de perfectie durven wandelen. Slenteren, met ontgonnen vlaktes, berustend met en bij verloren hoeken. Sommigen met de hoop gezien en vergeven te worden. Tr.839, Dr.54 en Sardientje kwamen uit de zwaarbewaakte zone. ‘Het wemelt hier van de prisma’s’, merkte Sardientje op. ‘Houd je bek vis’, spoog Tr.839 grof richting Sardientje. ‘Vis? Ik ben allesbehalve een vis’, schrok Sardientje zich een schub. ‘Ik ben een Sardien. De enigste resterende soort uit categorie 3B. Een unicum hier op dit kruispunt!’ sloot Sardientje zijn pleidooi af, alsof hij een lofrede voerde. Dr.54 excuseerde zich flauw in naam van Tr.839. Ze was in de war. Zij waren samen in de war. Verdwaald en plots in de schaduw van het Ongerepte Licht stonden ze hier nu, als drie grote gevaren voor het kruispunt. Alsof ze behoren tot de Vrije Figuren. De verstotelingen onder ieder en allen. ‘Van dit kruispunt?’ herhaalde Tr.839 terwijl ze scheef begon te lopen van ongeloof. ‘Er is slechts één kruispunt, vis’, gooide ze grofweg indoctrinerend richting Sardientje. ‘Toch…?’ vroeg Dr.54 vanachter Tr.839 haar linker lijnstuk. Uit een duister hoekje trok iets door middel van gefluister Sardientjes aandacht. Het silhouet was niet goed duidelijk door de duistere zone. De zijkanten van het Ongerepte Licht waren gigantische buizen, die uiteindelijk uitmonden bij het Grote Vergeten Meer, waar men alles dumpt en hoopt dat de God van de Recyclage af en toe het meer komt reinigen. Met diens fenomenale, natte mop zou het in één trek alles weg kunnen halen. Kunnen. Een God kan vooral. De gigantische berg vol restjes kwam sinds enkele graden boven meter boven het Grote Vergeten Meer piepen. “Een procedurefout”, argumenteerden de Goden.            ‘Een kegel’, fluistert Dr.54 tegen Tr.839 aan. Alsof het onderwerp verboden was om over te fluisteren. Over een kegel spreken –laat staan aanspreken- was niet specifiek verboden volgens de Axioma’s, maar werd sociaal niet aanvaard. Een felgeel gekleurde kegel, die deels afgestompt was, keek het trio wat scheel aan. Kegels waren sinds kort welkom op het kruispunt. Ze waren verantwoordelijk voor de hygiëne. Deze kegel was ontzettend lelijk. Het kind dat naast hem stond was nog een trap lelijker. Ze droegen dezelfde zijlijn. De kous was af, ze waren sinds kort sociaal geaccepteerd. Het is volgens sommige axioma’s nog steeds niet toegestaan om in bepaalde vormen van communicatie met hen in vlakte te komen, maar daar is veel onduidelijkheid over. ‘Jullie vluchten voor prisma’s? Ik kan helpen’, sprak hij verward en al trillend. Hij bood ons enkele vierkantswortels aan, om het vertrouwen wat aan te dikken. Ze waren zacht en kneedbaar. ‘Een échte kegel’, zuchtte Dr.54 verbluft. Alsof hij zichzelf in vraag stelde. ‘Sorry, waar zijn mijn manieren. Ik ben Kegel74D en mijn zoon heet Kegel74DE’, sprak het onwaarschijnlijk figuurtje. Sardientje gaf meteen een vin. Tr.839 en Dr.54 bleven verbaasd kijken. ‘De onderkant is veel boller dan wat we geleerd hebben uit de boeken.’ ’En deze lijkt me een stuk kleiner dan gemiddeld’, keken ze beiden gebiologeerd Kegel74D aan’, vulde Dr.54 aan. ‘De kegel heeft zelfs een cijfer. Bijzonder’, gingen beiden vol ongeloof verder. Kegels waren volgens de Oude Axioma’s verboden om cijfers te dragen. ‘Ik moet jullie teleurstellen’, begon Kegel74D. ‘Ik heb wel degelijk een cijfer. Jullie beschikken over een vorm van onjuiste informatie’, waagde Kegel74D zich verder, op glad ijs. ‘Onjuiste informatie? Er bestaat geen onjuiste informatie. Er bestaat informatie en die is altijd juist’, beargumenteerde Tr.839, als ridder tegen het onjuiste gemekker. ‘Er is maar één kennis; en die is omvat in de verschillende axioma’s. We dragen deze in en door onze lijnen en vlaktes’, ging Tr.839 –mits een kleine vertwijfeling- verdedigend verder. ‘Kijk rond je. Hier, boven het levende, dwarrelt het voor jullie ongeziene onjuiste’, wees Kegel74D naar enkele andere rondhangende –al dan niet afgestompte- vlakke en hoeken. Hij rekte zijn hand naar voor en ging traag van de ene naar de andere kant, alsof hij ze allemaal overliep en voorstelde volgens hun definitie.            In elke blik van Tr.839 en Dr.54 was er een onjuiste vaststelling. Een constante botsing met het Oude en zelfs het Nieuwe Axioma. ‘Hoe kan men zo leven onder een ander leven? Hoe kan iets onjuist zo gerijmd leven. Alsof er leven boven leven is…Alsof de legende van de Vrije Figuren waar is’ Dr.54 zakte door zijn lijnstuk en ging plat op diens vlakte. ‘Zijn wij misleid in onze kennis over het onjuiste?’ vroeg hij tegenover Tr.839. ‘Is er nog meer dan dit onjuiste? Is het kruispunt nog meer belast met tegenstrijdigheden van het Oude en Nieuwe Axioma?’ vroeg Tr.839 terwijl ze de tranen niet meer kon stoppen en Sardientje uit compassie een schub als steun verleende. ‘Meer dan wat juist is’, verhelderde Kegel74D. ‘Er zijn hier zelfs scholen’, piepte het kleine kegeltje vanachter zijn vader trots. Alsof het echt graag school liep. ‘In het Ongerepte Licht zijn we meer dan Vrije Figuren. We zijn wie we willen zijn. Dat is meer dan Vrije Figuren kunnen zijn’, ging Kegel74D verder. Ondertussen was het trio reeds doorgeseind door de lokale B.R.G. Het zou niet lang meer duren of het Ongerepte Licht zou overspoeld worden met geïndoctrineerde prisma’s. ‘Jullie moeten hier weg. Via het Grote Vergeten Meer kan je het kruispunt ongezien verlaten. Daar worden lijnstukken en vlaktes niet gescand’, informeerde Kegel74D het trio terwijl hij hen met zijn grote lijnen naar de juiste kant wees. Dr.54 en Tr.839 liepen mee. Verdoofd door ongeloof, sceptisch en vooral hun mening opgeschort, daar waar het tussentijdse sprakeloos volgt. ‘Laat hen maar even gerust’, zei Sardientje tegen Kegel74D. ‘Ik begrijp het. Het is de onmetelijke kracht van kennis die hen treft’ ‘En wat is die onmetelijke kracht van kennis dan?’, vroeg Sardientje al hijgend, terwijl zijn ene vin zwaar lag te slapen. ‘Weten dat alles ooit onjuist was’, antwoordde Kegel74D terwijl hij zijn zoon op zijn vlakte droeg.      Alles hervalt in een repeterend getal. Het felblauwe licht dat de grens tussen het Ongerepte Licht en het moerassig Grote Vergeten Meer afscheidde, kleurde groen. Asymmetrische figuren stonden paraat om de verstoring te analyseren en de schade op te meten. Velen stonden in contact met hun intercom, op hun rechterzijde of vlakte. Het Grote Vergeten Meer werd omringd door een licht doorschijnende mistbank, die het ongeloofwaardig tafereel zuiverde. Aan de vele oevers stonden figuren te bedelen, anderen te vissen en nog een andere groep leek eerder als een controlegroep. Aan de andere kant van het Grote Vergeten Meer stonden complexe formules, als offers voor de afvalgoden die sinds het Begin Der Kruispunten nog steeds hun lange, krachtige armen niet gebruikt hebben om de afvalberg te verkleinen. ‘Zo ging een bekende kruispuntsage’, begon de kleine Kegel74DE terwijl het met zijn kleine, fragiele lijnstukje naar de afvalberg wees. ‘Het stond zo geschreven dat er een dag komt -wanneer de controle ten einde loopt, en de Vrije Figuren hun onjuiste inzien- dat enkele afvalgoden in één vloeiende beweging het met roze besmeurde hemeldeken open zouden breken en zo met diens volmaakte, porseleinen armen het kruispunt ging zuiveren van afval’, sprak het kleintje verder. ‘Heb je dat weer staan luistervinken bij de naïeve formules?’ vroeg Kegel74D sceptisch, zoals een vader dat zou moeten doen. Op het einde van het Grote Vergeten Meer vormde zich een gigantisch hunebed, die omringd werd met enkele boze –sommige onder hen verwaarloosde- formules. De opening van het geheel was nauw en gaf een claustrofobisch gevoel. De capsule was niet veel groter dan de kamer waar alles begon, het was enkel langwerpiger. ‘Bedankt voor alles en het onjuiste’, zeiden het trio tegenover Kegel74D terwijl ze het ding omlijnden. Wanneer de kracht toenam, werd de capsule weggeduwd van het kruispunt, dat allesbehalve een centrale ligging had in de Geometrisch Tuin. Een klein vlinderachtig wezentje kwam op het raam van de capsule zitten toen het trio wakker werd. Uit zijn aarsje kwam een steeltje dat in verschillende kleuren onderverdeeld was. Het krulde en kwam tegen de voorruit leunen. Een klein pinachtig boortje kwam uit het steeltje en begon te boren. Het kopje van het pinnetje –die als een oog heen en weer bewoog- sproeide een vloeistof in de ruimte. Alles werd wazig en uiteindelijk zwart. Het trio viel gerangschikt over elkaar.   Vastgekneveld met onrustige complexe gehele getalen lag het trio naast elkaar in een donkeren buis. Tegen elkander gedrukt, alsof de muren om de vier seconden naar elkander toe kwamen. Met hun boze ogen knipogend. Ze zat met boeien vastgebonden. Sardientje verloor enkele keren het bewustzijn. Zijn ene vinnetje zat slap en enkele schubben waren onwetend naar de andere kant gedraaid. Hét was nog steeds onvolmaakt, zoals enkel een schepper dit kon maken. ‘Er gaat iets open’, fluistert Tr.839. Het mechanisme van het luikje ging open. Sardientje kwam bij bewustzijn en zag een blik in de ogen van Tr.839 en Dr.54 die hij al eens had gezien toen ze de onmetelijke perfectie van schoonheid en de onmetelijke kracht van kennis ontdekten. Ze hoorden alle drie een monotoon, mechanische stem weergalmen. Dr.54 en Tr.839 keken elkander beangstigend aan en Sardientje plooide een glimlach op zijn gezicht. ‘Here we go again’, sprak hij alsof hét als een doordachte complotdenker een alleswetende was, die in diens eigen nat knipoogde naar de goden.     In lokaal achtentwintigduizend tweehonderdendertien zaten drie melige figuurtjes…  

Niels Lievens
51 0

Madame Cézanne

‘Is dat een Cézanne?’ Michel draait zich verstoord om in de wirwar van witte, beslapen lakens. Wanneer hij slechts een vage vlek in de deuropening ziet, zoekt hij naar zijn bril. Maar de vaste plek, onder de linkerkant van het bed, is leeg. ‘Op het nachtkastje! Hij lag op de grond.’ Geïrriteerd tast hij het nachtkastje af. Zijn bril, aangeraakt en verlegd door haar handen, voelt al bijna niet meer als de zijne. Door zijn ontvreemde bril, koud op zijn neus, tuurt hij naar de deuropening, waar ze staat met het schilderij in haar handen. Het is, inderdaad en verontrustend, Madame Cézanne. Niet te geloven. Natuurlijk had ze die eruit gepikt. Had hij het schilderij maar niet zo slordig naast de strijkplank gezet. Zevenentwintig jaar en twee maanden had het tegenover hun bed gehangen. Zevenentwintig jaar lang had hij daar niets op tegen gehad. ‘Andere vrouwen willen een ring, ik wil een Cézanne!’ had Marie ooit gezegd. Ze hadden erom gelachen. Maar de laatste twee maanden, zo alleen in bed, had de starende blik van de schildersvrouw, strak in het rood, hem steeds meer gestoord. ‘Zet die onmiddellijk terug!’ snauwt hij haar toe. Haar glimlachende mond plooit zich in een treurige streep. Als een geslagen hondje trippelt ze in niets meer dan een fijn, wit onderbroekje terug naar de andere kamer. Hij zucht. ‘Monique, zo bedoelde ik het niet. Kom je terug?’ Alsof er niets is gebeurd, komt ze vrolijk de kamer binnen en springt terug bij hem in bed. Wat een kabaal toch, die jeugd van tegenwoordig, denkt hij wanneer ze zich energiek in zijn armen nestelt. Eén van haar hoekige armen port onbedoeld in zijn zij. Het nichtje van Jean is sinds twee dagen aangekomen in Parijs. Ze begint aan een opleiding filosofie. Of ze een paar dagen bij hem kon overnachten, terwijl ze op zoek was naar een studentenresidentie? ‘En ondertussen kunnen jullie toch gezellig praten over Sartre, nee? Het is win-win voor iedereen!’ Hij kende Jean al jaren en had de zenuwachtigheid gehoord in zijn stem aan de telefoon. Sinds de ouders van het meisje vorig jaar begonnen waren aan een vechtscheiding, even passioneel als hun voormalige relatie, was Jean zo'n beetje aangewezen als haar informele voogd. Die taak leek zijn vriend meer met angst te vervullen dan met plaatsvervangende vaderliefde. Hij had in een bui van nihilisme toegestemd – het was tien uur ’s avonds en de kat sliep zoals steeds vaker de laatste tijd, bij de buren. En nu ligt ze hier. Monique. Naakt in zijn armen. Op geen enkele manier gemotiveerd om een verblijfplaats te zoeken, of zelfs maar een stap uit de deur te zetten. De halfvolle verhuisdozen rond het bed geven hem een moedeloos gevoel. Over drie weken vertrekt hij. De nieuwe functie aan Cambridge ziet er met elke ingepakte doos steeds minder aantrekkelijk uit. Maar de keuze is nu eenmaal gemaakt. Marie is weg. Zonder haar heeft het toch geen zin. Zijn blik blijft nog even rusten op een stapel kleren, halfslachtig in een verhuisdoos gepropt. Een morrelend geluid doorbreekt de stilte van het appartement. Monique houdt als betrapt haar handen voor haar buik: ‘Mijn buik rommelt soms,’ zegt ze met rode wangen. Hij kijkt naar haar. Met dat korte, zwarte haar en die slungelige, magere ledematen. Dat kleine gezichtje met die grote, donkere ogen. En overal blauwe plekken. Ze is ook zo onhandig, te hoekig en te hevig. Hij begrijpt dat ze geen vadergevoelens oproept in Jean. Ze lijkt wel een versleten lappenpop. Misschien wat te houterig, wat te scherp, maar ook weerbarstig aandoenlijk. Kwetsbaar, maar misschien ook onsterfelijk. Iets om in het rond te smijten, iets om door plassen met modder te halen – en dan te knuffelen. ‘Kom uit dat bed,’ zegt hij.   Parijs is vandaag mooier dan ooit, wat een afscheidsgeschenk. De Eiffeltoren rijst op uit de frisse dauw, terwijl de kasseien langzaam opwarmen in de gloed van een sluimerende ochtendzon. Hij propt een stokbrood in haar mond, eet zelf een halve croissant, slurpt zijn veel te zwarte koffie, en troont haar mee naar alle kleine plekjes, alle vroegere tijden, alle vergeten momenten met Marie. ‘En daar, aan Montmartre…’, ‘en daar, in de Rue de Thermopyles…’, ‘en hier, op dit bankje, in deze straat, bij dit fontein en deze boom!’ En Monique is weergaloos. Het lange, zwarte kleed zwiert om haar benen. Ze knipoogt van onder een grote, rode hoed. De hoed van Marie. Terwijl hij het bordje in de keuken met kattenvoer vulde, had hij haar betrapt voor de spiegel in de hal. Langzaam had ze haar lichaam gedraaid, terwijl ze haar eigen gestalte keurde. Het hoofddeksel, scheef op haar hoofd. Blik gefixeerd op de spiegel had ze, met een onbeschaamd voyeurisme van een meisje nog nieuw in haar eigen lichaam, met haar heupen gewiegd en een kleine pirouette gemaakt. Ondanks zichzelf moest hij glimlachen. In een opwelling had hij gevraagd: ‘En, wat zegt de spiegel?’ Zij was opgesprongen, verschoten van zijn plotse mannenstem in de stille hal. Ze bloosde. In het begin is het toch een beetje vreemd, de rode hoed, zo, op dat jonge hoofd. Maar wanneer de wind waait en Monique hem lachend toezwaait met één hand, de andere op de rode stof, de randen vrolijk wapperend – denkt hij: God, ze staat er beter mee. Hij laat toe dat ze zich vastklampt wanneer hij haar meetrekt over de kasseien. Hij vertelt haar honderduit, en alles door elkaar. Hij trakteert haar op rode wijn. Zegt dat ze niet mag morsen, morst dan zelf. Zij lacht, waarop hij lacht. Waarop hij zin heeft de hele wijnfles om te stoten. Al was het maar uit spontane uitbundigheid, verraste melancholie.  Zij volgt hem met dezelfde grote glimlach van  vanochtend, giet de wijn naar binnen, struikelt over kasseien, klampt zich vast, begroet bakkers, tuinmannen, oude vrouwtjes in de schaduw. Kijkt in tegen de felle zon en lacht, en houdt zijn hand vast in het park. Het kwartier van Saint-Victor kijkt hen na. Hij voelt het. De oude man en zijn lappenpop. Allemaal kenden ze Marie. De stad weet dat ze weg is. De stad weet dat Monique kijkt naar een soort kerkhof. ‘Wat een prachtig kerkhof. Vind je niet Monique?’ Monique knikt en ze geeft hem een kus.   Het is middag en ze zitten op een houten bank in het midden van een grote, witte kamer. Slechts één schilderij siert de muur voor hen. ‘Uncle Dominique,’ leest het plakaatje links onder. Het portret toont een man van rond de veertig, ingepakt in een kostuum dat even zwart is als zijn dikke baard, zijn borstelige wenkbrauwen en zijn strak naar achter gekamde hoofdhaar. Met zwarte ogen staart hij naar een punt voorbij de schilder. Bijna alsof hij zich erbij heeft neergelegd, denkt hij. Het leven. De eenzaamheid. Zijn stramme schouders.    ‘Hoe vielen jullie in slaap?’ fluistert Monique. Zijn blik blijft hangen op de wang van de man. Een roze veeg lijkt bijna een traan. -‘Marie kon nooit slapen,’ fluistert hij terug. ‘Steeds wanneer mijn ogen toevielen, begon ze te wriemelen. “Niet in slaap vallen, ik wil de eerste zijn!” zei ze, en ze bleef aan mijn oor trekken tot ik reageerde.’ Hij glimlacht, maar heel even. ‘Nu ben ik degene die niet kan slapen.’ -‘Tenzij de kat bij je in bed kruipt.’ Hij kijkt op. Monique kijkt nog steeds naar het schilderij. Zonder om te kijken zegt ze: ‘Mijn vader is net zo.’   Pas tegen negen vinden ze een plek om te eten. Hij had haar eerst meegenomen naar zijn vaste plek, Chez René, zichzelf alvast verkneukelend over de coque au vin. Maar bij Chez René stond oreo-ijs niet op de dessertkaart. In het begin had hij het grappig gevonden, vertederend bijna. Hoe ze van restaurant naar restaurant liepen. Hoe de obers haar hadden aangestaard: ‘Oreo? Nee, madame.’ Hij houdt het slappe stukje pizza tussen zijn duim en wijsvinger. Hun tafeltje wiebelt op de ongelijke tegels van het trottoir. Een auto rijdt luid toeterend voorbij.   ‘Te bedenken dat we vanavond hadden kunnen genieten van – ’ -‘Heerlijke coque au vin, ja.’ ‘Ik had niet de indruk dat je iets tekort kwam vandaag.’ Langzaam steekt ze een sigaret op, en houdt haar blik strak gericht op de muur achter hem. ‘Je hebt niets toe te voegen?’ Eerst ontwijkt ze zijn blik, maar wanneer hij haar blijft aanstaren, valt ze plots uit: ‘Nee, ik heb niets toe te voegen! Niets! En ik kom niets tekort. Niets!’ Haar stem klinkt hees. Op de achtergrond vallen een paar glazen kletterend op de grond. ‘Helemaal niets. Ik heb niets toe te voegen en ik kom niets tekort,’ zegt ze nu rustiger. De sigaret trilt in haar hand. Haar nagels zijn afgebeten. Wanneer ze zijn blik opmerkt, trekt ze de mouwen van haar vestje over haar handen. Wat zou Marie hiervan denken, vraagt hij zich af. Ze zou waarschijnlijk met hem lachen: ‘Lieve, waar ben je nu weer mee bezig?’ - ‘Ik weet niet wat me bezielt. Het enige dat ik weet, is dat ik nu, hier, bij jou wil zijn,’ zegt ze. ‘Je kunt toch moeilijk nu al verliefd zijn,’ zegt hij. Ze antwoordt niet, maar laat zijn vraag hangen in het geroezemoes rondom hen. - ‘Nee, ik ben niet verliefd,’ zegt ze tenslotte. Haar blik volgt de rug van een voorbijganger. Het is een bejaard vrouwtje met een magere, kromme rug. In haar handen draagt ze twee zware, plastieken zakken. Moeizaam waggelt ze verder, de ene voet na de andere. - ‘Soms voel ik me zo oud,’ zegt ze. ‘Maar vandaag – vandaag niet.’ Ze kijkt hem aan en glimlacht. Haar ogen zijn vochtig. Hij nipt van de wijn. Bedenkt zich hoe het zou zijn. Hoe hij haar eindeloze dagen lang op sleeptouw zo nemen in de smalle straten van Parijs. Hoe hij haar met grote gebaren zou vertellen over Degas, Monet, Manet, Racin, Balzac, Baudelaire, Zola, de gebroeders Goncourt. Hoe zij hun namen niet uiteen zou kunnen houden, en ze zou blijven vragen naar Zola. Hoe zij hem zou vertellen: ‘Zonder jou ga ik dood.’ Hoe hij haar gezicht zou strelen met de tederheid van een oude man die weet dat dat niet waar kan zijn. Hoe hij op een dag zou sterven, en zij met de afscheidsbrief in haar hand zou kijken naar de gang vol schilderijen in bubbeltjespapier, aan haar geadresseerd op zijn expliciet verzoek. Hoe hij een afwezigheid zou zijn daarna, een verhaal waarover ze niet zou kunnen praten, een verhaal dat zou blijven kleven aan haar muren. De vereeuwigde voorganger van elke volgende man in haar leven. Haar eenzame mentor. Haar beste vriend, achteraf gezien dan. Ze kijkt naar hem. Vraagt ze zich af wat hij denkt? Haar blik dwaalt terug af. Ze wenkt een ober en vraagt om een cola. Misschien zou het triestig zijn. Misschien zouden ze jarenlang ongelukkig zijn, elkaar het leven zuur maken omdat ze niet meer zonder elkaar, maar ook niet met elkaar zouden kunnen leven. Zij, wrokkig omwille van de tijd die hij haar had ontnomen toen ze zelf nog te naïef was om te beseffen dat ze die had gehad. Hij, verbitterd om haar plotse uitvallen, haar kinderlijkheid die al snel al zijn charme had verloren en vervormd was tot een schelle achterlijkheid. Of zou ze te slim voor hem zijn? Reeds na een maand of twee verveeld gapen wanneer hij iets vertelde, en hem in de rede vallen: ‘Bedoelde je niet de Beauvoir?’ Hem verlaten voor een magere jonge kerel met donkere krullen en rode lippen – haar mannelijke spiegelbeeld. Zodat hij, wanneer ze elkaar per ongeluk op de markt tegen het lijf zouden lopen, zich niet alleen gebroken zou voelen bij het zicht van haar hand in de zijne, maar ook misselijk zou worden van dat bevreemdend gevoel getuige te zijn van iets dat even naïef als incestueus leek. - ‘Denk je dat ze elkaar ooit zijn tegengekomen?’ ‘Wie?’ -‘Madame Cézanne en Uncle Dominique.’ ‘Dat kan toch bijna niet anders.’ - ‘Denk je dat ze elkaar konden uitstaan?’ ‘Waarschijnlijk niet.’ - ‘Hoezo?’ ‘Madame Cézanne was niet meer dan een randfiguur. Niet opmerkelijk anders, dan dat ze uren poseerde voor haar man. Over wat zou ze het hebben, zomaar, op een zonnige namiddag? Laat staan met Uncle Dominique. Die in zichzelf gekeerde man, zwetend in dat zwarte pak, met de zon erop. Een triestige namiddag, zou ik zo denken.’ - ‘Zou Cézanne met hen gepraat hebben toen hij hen schilderde? Of gaf hij daar niet om?’ Hij haalt zijn schouders op, alsof hij zich wil verontschuldigen in de naam van de schilder. - ‘Hoe kan je uren bij iemand zijn, zo diep in iemands’ ogen staren om toch maar die tint blauwgroen, de tristesse, te vatten op een doek – zonder ook maar iets te willen weten over wat hen daar, zo stil en triestig, bracht?’  ‘Ik weet het niet, Monique. Ik weet ook niet alles.’ Plots voelt hij zich moe. - ‘Ik stel domme vragen, niet?’ Voor een moment wou hij dat ze niet zo breekbaar leek. ‘Ik heb jarenlang gekeken naar dat schilderij,’ zegt hij. ‘Telkens wanneer ik wakker werd, was ze het eerste dat ik zag. Haar harde ogen. Die lichtelijk neerbuigende, opgetrokken wenkbrauw. Haar handen, lijdzaam in haar schoot. Nooit heb ik me daarbij vragen gesteld. Ik bewonderde zijn spel van kleuren, de manier waarop hij haar handen niet had afgemaakt. Maar nu besef ik net dat ik haar nooit echt gezien heb. Dat ik niets over haar weet.’ - ‘Ze kijkt je nochtans recht aan,’ zegt ze, terwijl ze een nieuwe sigaret probeert aan te steken. ‘Geef dat aan mij,’ zegt hij wanneer de wind het vlammetje blijft uitdoven. Hij pakt de aansteker van haar over. Terwijl hij met zijn ene hand de aansteker ontvlamt, schermt hij met de andere hand de wind af van het puntje van de sigaret. Met haar handen maakt ze een kommetje over zijn hand. Het gebaar ontroert hem. - ‘Gelukkig heb ik jou,’ zegt ze, terwijl ze glimlachend een haal neemt. Ja, gelukkig, denkt hij.   De lichtjes aan de Seine weerkaatsen in het water. Monique laat haar benen bengelen over de rand. Ze rookt een sigaret en staart voor zich uit. Een jongeman spreekt haar aan: ‘Hebt u een vuurtje?’ De twee roken en praten, hij voegt zijn benen bij de hare. Hij zit wat verder. Zijn benen zijn stijf van het wandelen en het buigzame hout zit beter dan de harde grond. Hij bekijkt haar van op een afstand. Monique zal een mooie vrouw worden. En wat is ze jong. En hoe is ze lief. Voor hem, voor die onbenullige jongen, voor de wereld. Daar zit ze nu, met die onnozelaar, haar hele leven nog voor zich. En daar zat hij, toen, kijkend naar Marie, op blote voeten. De avond, het begin voor altijd. Nu, als een slechte grap misschien, wreedaardig gedupliceerd – maar even tijdloos glinsterend in de Seine. Monique laat de jongen alleen achter en komt naast hem zitten. Ze legt haar hoofd op zijn schokkende schouder. Fluistert woorden die hij maar half verstaat. Een slaaplied, of het einde van een sprookje misschien. Het helpt. Haar adem, warm tegen zijn oor. Een troostende jongemeisjesstem.  ‘Hoe doe je het toch?’ vraagt hij. Ze haalt haar schouders op. Haar make-up is wat uitgelopen rond haar ogen. Ze neemt nog een trek van haar sigaret en blaast langzaam, met licht getuite lippen, de rook naar de hemel. Samen kijken ze naar de nacht.

ianthe cooreman
127 0

Sokkels

We openen onze ogen, trillend en loom het lichaam verzwaard van de nacht. De pupil die te snel verkleind na wijdopen dromen. Het gewoel van de slaap loopt over in het gewoel van het leven, het gevoel van het leven, het gewoel van gevoel. Als een naaldenprik in ons zijn, is ons zijn. Prik, het licht in de ooglens. Prik, de eerste spier die samentrekt. Prik, de gedachte aan wat moet en wat mag. Prik, de volle blaas die smeekt. Prik, die eerste gedachte. Het is de vraag die sloom ligt te hunkeren op het achterste van onze tong, onze keel dichtknijpt en de lucht ontneemt of de mond openspert en inhaleert. We lachen onze tanden bloot om al wat we niet weten, een grimas en een schreeuw, want de grens is klein tussen plezier en pijn. Goedemorgen.  We duwen ons recht uit de warmte van de slaap en plaatsen ons voor de twee sokkels van iedere dag. Kiezen we voor het hoofd, of voor het hart. Hoofd, of hart. Niemand kan beslissen met zijn hoofd op de foute plek en het is snel grijpen naar dat wat klopt. Maar de bloederige pomp verdwijnt soms onder vingerafdrukken, uitgeput na al die jaren van ritme houden, ritme houden, ritme houden. Hoofd of hart. En ergens daartussenin zit het lichaam. Het wakende leven is vaak onbewuster dan het slapende, en zonder stil te staan grijpen we het eerste het beste. Als een stel sleutels dat op de kast ligt te wachten op vertrek, oeps, bijna vertrokken zonder. En wat ben je in het leven zonder sleutels, de mens heeft een akelige gewoonten van sloten. Zoals alles is het een kwestie van gewoonte, en na een tijd is het snel gekozen voor datgene dat niet onder het stof is verdwenen.    Hij grijpt het hoofd, plaatst het recht op de ruggengraat en vertrekt.    Zij twijfelt, voelt, en neemt voorzichtig het hart.    Hij doet wat moet, praktisch en volgens de regels van de logica. In deze maatschappij moet je je hoofd gebruiken. De grijze massa is ons besturingssysteem, met de radars van de logica afgestemd op de sensaties. Een consequente consistentie, een consistente consequentie - als het ongestoord doet wat hoort. Verstand komt voor op alles, zonder hersenen die de juiste prikkels geven zouden de spieren onze ruggengraat niet recht houden, zouden onze voeten geen stap vooruit zetten. En vooruit is de richting, beweging is de sleutel. Mensen hebben de akelige gewoonte overal sloten op te plaatsen, het is het verstand dat de sleutels aanreikt. Gezond verstand ordent de wereld - als het ongestoord doet wat hoort. What you see is what you get, eerst zien en dan geloven want de perceptie toont de waarheid en ons verstand is de sleutelbos. Weggegrist van de sokkel maar uiterst efficiënt. Dat laagje stof op het hart is niet relevant, het heeft geen nut maar schaadt ook niet. Hij functioneert. Logisch. Druk op start en ga rechtdoor. Registreer en analyseer volgens de logische redenatie van de probleemoplossende functies. Dorst: drinken. Volle blaas: plassen. Honger: eten. Interacties: reageer, consequent en volgens aangeleerde algoritmes - het doen en laten van de maatschappij. Ook wel zoiets als normen en waarden. Dat is het leven, dat is het zijn. Het zijne.  Zij legt het hart in haar ribbenkas. Hij is reeds gaan lopen met haar verstand, maar de kamers van haar hart bevatten leven en plaats voor beiden. Haar maag knort, maar is reeds gevuld met gedachten aan hem. Haar dorst is niet meer te stillen met water alleen. De gevulde blaas wordt niet geregistreerd. In plek daarvan kijkt ze naar haar vingertoppen, en herinnert hoe de zachtheid van zijn huid aanvoelt, de hardheid van de onderliggende spieren. Haar longen vullen zich met zuurstof en de geur van zijn lichaam vult het hare. Lucht, het houdt het hart licht. Het leeft en doet leven, vult ons en omarmt ons. Overal in, op, onder, door, tussen. Het druipt uit onze poriën en vult de aarde met onszelf. Ze grijpt naar het ongrijpbare, en lacht voor het onvatbare. Het is het gebaar dat telt. Met haar ogen gesloten legt ze het hand op het hart, voelt hoe de kamers zich vullen met bloed en gevoel. Een gedachte fluistert zacht vanuit het hoofd dat hij beheerst. „Je zou moeten…” „Nee’, breekt ze de gedachte,’ Ik voel, en dat is meer dan genoeg.” En ze blijft zitten met haar hand op haar hart, de blik gericht op de lege sokkels voor haar. Ik voel. Ik voel. Ik voel. De kamers blijven zich vullen. Zijn lach. Hoe haar lach voelt bij zijn lach. Zijn ogen. Hoe haar blik voelt bij zijn blik. Zijn huid. Wat haar huid voelt bij zijn huid. Zijn warmte. Hoe haar warmte leeft bij zijn warmte. Zijn lucht. Hoe haar lucht verdwijnt bij zijn vertrek.    De sokkels beginnen te daveren. De rest van de kamer, van haar kamers, vervallen in stilte. De sokkels daveren, steeds harder en harder. De ene sokkel kantelt naar de andere. In de nanoseconde dat ze elkaar raken, versplintert alles. Scherven zweven in de lucht, en beginnen aan een neerwaartse beweging. Ze voelt duizenden spelden vallen in de doodse stilte. Haar hart verzakt. Hij staat voor de deur, met een zwaar hoofd en de sleutel in zijn hand, en hoort het oorverdovende lawaai. De straat davert, de stad davert, de wereld lijkt te imploderen. Geluid, registreren, analyseren, reageren. Spieren, benen, links, rechts, links, rechts, links, rechts, ademhaling versnellen om de kracht te compenseren, deur, openen, hand op klink, spieren gebruiken, klink naar beneden, deur openduwen, haar zien zitten met haar hand op haar hart, de splinters als een laag stof over de vloer, het bed, haar haar, haar hart. Registreren. Analyseren. Reageren. Reageren. Reageer dan. Haar huid, haar blik, haar hart. „Reageer”, zucht ze fluisterend. Hij kijkt en analyseert. Keert zich op zijn hielen en verdwijnt uit de kamer. Na enkele tellen komt hij terug met een stoffer in de ene hand, een vuilzak in de andere. Stilzwijgend maar doelgericht veegt hij de splinters bij elkaar. Beginnende in de linkerhoek, naar de deur toe werkend. Hij veegt de splinters van de vloer, het bed, plukt alle splinters zorgvuldig uit haar haar, veegt ze voorzichtig van haar schouders, haar armen, haar benen. Veegt ze van haar neus, lippen en oogleden. Elke splinter wordt weggehaald van het oppervlak. Hij neemt de zak, doet nog een snelle controle, en verlaat de kamer. „Reageer”, zucht ze fluisterend, met haar hand op haar hart. De splinters zijn weg. Alles is weg. Probleemoplossend denken. Dorst. Drinken. Hij verzamelt hout, nagels, een hamer. Geconcentreerd en praktisch timmert hij twee gloednieuwe sokkels in elkaar. Glazend. Zonder stof. Hij plaatst ze opnieuw in de kamer, naast het bed waar zij op zit, met haar hand op het hart. Op de plek waar haar blik naar gericht is. Moe, slapen. De splinters zijn weg, de sokkels hersteld. Probleem, oplossing. Hij neemt het hoofd van de ruggengraat, plaatst het op de sokkel, loopt om het bed heen, slaat het laken open, legt zich neer op zijn rug, ontspant de spieren en slaapt. Zij zit, met het hand op het hart. „Reageer”, fluistert ze. Hij slaapt. Zij zucht. Lucht. Ze neemt het hart van tussen haar ribben, plaatst het op de nieuwe sokkel. Een splinter blinkt. Haar huid zoekt zijn huid. Haar warmte zoekt zijn warmte. Haar lucht zoekt zijn lucht.  Het is het gebaar dat telt.

SanneNadineF
0 0

Eén en ander - storm

"Er woedt een storm", zegt de één. De ander kijkt op, ziet de blauwe lucht en werpt een vragende blik. "Nee, niet daar," zegt de één. "Hier", en wijst naar hoofd en hart. De ander sluit de ogen en zoekt naar de storm in hoofd en hart, maar vindt enkel blauwe lucht en een vredige, witte wolk. En de één kijkt terug en opent zich. Uit de ogen komen tranen als regendruppels. Ze lopen langs het gezicht, langs het hart en stromen naar de grond waar de ander op staat. Handen en vingers trillen, de borstkas schokt op en neer. Uit de mond van de één klinkt de wind, met lange uithalen en diep gehuil, tot de trommelvliezen van de ander trillen.  Het water stroomt tot de lippen van de ander. Het gehuil trilt tot het hart van de ander. De vingers van de ander daveren. De handen beven. Het gehuil wordt oorverdovend en er klinkt een schreeuw. Uit de mond van de ander klinkt de wind. Uit de ogen van de ander vallen tranen als regendruppels. "Er woedt een storm," zegt de ander.   Een derde kijkt op, ziet de blauwe lucht en werpt een vragende blik.        Appendix   Een derde kijkt op, ziet de blauwe lucht en werpt een vragende blik. Eén en ander regenen. De derde haalt hout uit de grond en timmert een boot, laat zich varen met droge voeten. Eén en ander daveren. De derde voelt hoe het water de schokken dempt. Eén en ander joelen. De derde neuriet mee met de melodie. "Er woedt een storm", jammeren de een en de ander. "Er woedt een storm rondom", zingt de derde. 

SanneNadineF
3 0

Draaien maar

‘Ja, hij demarreert! Al lange tijd hangt hij aan het elastiek, maar hij herpakt zich! Die trapt toch in de boter, zo’n souplesse, zo’n jus in de benen, Van der Wolk doet het fantastisch!’ Geconcentreerd en op de grote molen kachelt hij door, en danseuse de Paterberg op. Zweet drupt langs zijn slapen naar beneden. Een waterval baant zich een weg langs zijn ruggengraat. Maar dat gat, dat zal hij koste wat het kost dichtrijden. ‘Komt Van der Wolk terug? Hij nadert het peloton dat al de hele tijd in een waaier fietst. Nog 10 seconden en hij hangt er weer aan. Het zal lukken, ongelooflijk!’ Daarnet dachten ze dat hij zou opgeven, vergeet het maar. Die testosteron-boost heeft wonderen gedaan. Hevig malend weet hij al dat hij het peloton zal inhalen, meer nog, hij zal naar de kop fietsen! Als hij dat zweet maar eens kon afvegen. Emmertjes rond zijn fiets hangen is niet zo praktisch. Een verbeten glimlach om dit grappige beeld tovert zich om z’n lippen. O ja, zijn kracht kent geen grenzen! ‘Hij haalt het peloton in! Meer nog, Van der Wolk maalt richting het groepje dat begin de wedstrijd ontsnapte en al de hele wedstrijd chasse patate rijdt. Deze Ronde is ongelooflijk spannend! De kijkers thuis worden weer op fantastische televisie getrakteerd! Een waar genot voor de fans die al 2 dagen met hun caravan aan het bivakkeren zijn voor het beste plekje langs de weg!’ Super geconcentreerd bijt hij door, daar komt het groepje ontsnapte renners al in zicht. Nog even en hij zal zelfs bij de koprijder raken. O ja, wees maar zeker dat het zal lukken. Hij, in wie niemand geloofde, hij is de beste renner van het land! ‘Mensen, dit is nooit gezien, wat een prestatie! Goh, goh, dit is smullen! Van der Wolk heeft het groepje ingehaald, ongelooflijk! Hij speelt het slim, hij zet zich in de zetel tot het momentum komt om het gat dicht te rijden. Zal hij het doen? Zal hij het wagen richting kopman, die al zo lang eenzaam en alleen de hele koers trekt?’ Even wieltjeszuigen om op adem te komen. Zijn hart bonkt als een hele fanfare trommelaars. Die adrenaline kan hem nog lang verder drijven. Zijn oortje heeft hij al lang in de berm gegooid, hij kan dit perfect in z’n uppie. Als hij de tweede keer op de Paterberg komt, zal hij alles losgooien, dan is het alleen nog aan hem. Hij alleen is de koning van de Ronde! ‘We naderen de Paterberg voor de tweede keer. De koprijder krijgt de man met de hamer, je ziet bijna de pap in zijn benen. Die zal nog moeten lossen. De Paterberg met zijn verraderlijke neep van maar liefst 20%, dat is geen walk in the park!’ Nu is het zijn moment, no sweat no glory, hij begint als een gek te stampen, soepel uiteraard, verbeten draait hij op weg naar de roem. ‘En ja, Van der Wolk demarreert nog maar eens een keer, wat had je gedacht, natuurlijk doet hij het! Dit wordt zijn gloriemoment. De finale richting eindstreep is ingezet. De kopman heeft het definitief opgegeven, hij draait vierkant, dit is een verloren zaak. Maar Van der Wolk, om van te smullen! Hij maalt en maalt en maalt met een nooit geziene souplesse richting overwinning! De kampioen, de winnaar van de Ronde!’   Gutsend van het zweet stapt Patrick van zijn rollen in de woonkamer en doet de televisie uit. Dat heeft deugd gedaan, zijn jaarlijkse innerlijke gloriemoment terwijl hij naar de Ronde kijkt.  

Linde Verlat
5 1

HET NIEUWE PASEN

Misschien hield God zelf het vuurtje aan het dak van zijn Notre- Dame?  Gewoon..Eventjes kijken welke reactie zijn achterban zou hebben. Hij had in zijn Bijbelse verleden al meer zulke sadistische spelletjes gespeeld, gewoon om bevestiging te krijgen hoeveel vertrouwen zijn volgelingen wel in hem hadden, dus…Stond hij eventjes perplex toen die superrijken de geldomhaling op gang brachten? Als een lopend vuurtje verwittigden ze elkaar. Hoe die rijke stinkerds sneller dan het licht de knip van hun Louis Vuitton, Gucci en l’Oréal portefeuilles openden en er miljoenen euro’s, als per opbod, uit toverden. Diezelfde  fiscusontduikers die hij enkele jaren voordien Frankrijk met koffers vol geld over de grens zag rennen, om zeker geen belastingen te moeten betalen. Waren die nu hun schuldgevoel aan het witwassen? Dachten ze dat ze met zulke giften recht hadden, om eenmaal als ze boven aan de hemelpoort zouden komen, ze zonder discussie met Petrus in een speciale VIP-lane ontvangen zouden worden? Of bedachten ze alleen maar dat ze deze giften bij hun volgende belastingsbrief als onkosten mochten aftrekken?  God stond ook versteld om te zien hoe de Parijzenaars op 1 nacht een benefietconcert uit de grond stampten. Hoe minder bescheiden giften bij het volk rond gehaald werden. God zag dat het goed was. Zat hij daarboven op zijn wolk, op de leuning van zijn hemeltroon mee te trommelen of op de muziek op en neer te wippen? Deed hij met Petrus en Jezus een polonaise en riep hij: “waar zijn die handjes?” toen hij de rollende rrrr van Mireille Matieu over de Place des Invalides hoorde tuimelen. Had hij daarom geen tijd om zich met de Christelijke paasvierders aan de andere kant van de wereld bezig te houden? Hij wordt toch verondersteld ‘alwetend en almachtig’ te zijn! Waarom wist hij dan niet dat er in Sri Lanka enkelen van dat andere ‘ware geloof’ luxe hotels en zijn kerken zouden binnenknallen? Eventjes een onoplettendheid en 359 doden en meer dan 400 gewonden. Wat vond hij het ergst? Hele families die met een exploderende moslimbom uit elkaar gerukt werden of zijn brandende kathedraaldak? Of bedacht hij dat Petrus het nu wel ineens ontzettend druk zou krijgen aan zijn hemelpoort? Die zou overuren moeten kloppen en zeker geen tijd hebben om mee naar die andere Gods vertegenwoordiger op aarde de luisteren. Die langejurkenman die als een carnavaleske rockster van op een balkon, op dat Vaticaanplein, elk jaar diezelfde woordjes prevelde en kruisjes uitdeelde aan die duizend naïevelingen die naar hem opkeken. God zag dat het goed was…ga en vermenigvuldig U! Zijn lucratief religieus handeltje zou nog eeuwen blijven draaien. God tikte zijn zoon op de schouder en fluisterde dat het sprookje van zijn herrijzenis er bij de gelovigen in gegaan was als zoete koek. Prima gedaan! God zat alleen nog met één dilemma.. wat was er nu waar van Jezus zijn chocolade eieren?   Sim  diep bedroefd over al die religieuze onzin  21/4/2019

Sim
32 0

Leven onder zeeniveau

Verdriet is iets wat anderen overkomt. Anderen ver weg, en hopelijk ook de buurvrouw, want statistisch gezien mij dan niet meer. Mijn ongelukje ligt op de sofa, over te geven. Ik wens het de buurvrouw ook toe, maar toen ze vorig weekend de zandzakken in de voortuin aanvulde, roddelde ze nog over Ella-June van hierboven. De generatie met lelijke namen is groot geworden, en ongewenst zwanger. Niet genoeg punten, ge kent dat, zei de buurvrouw samenzweerderig, die nam elke week het vliegtuig, dan moogt ge niet meer he. Nee, dan moogt ge niet meer. De wereld is er enkel nog voor kinderen van ouders die een klimaarneutraal leven lijden - die braaf de zandzakken vernieuwen en weten waarom soja eten alweer erger is dan een kotelet.  Ik had er bijna voldoende bij elkaar gespaard, en toen dronk ik een fles wijn. Gerecylcleerd glas, maar het kind kon niet hergebruikt worden, dus mijn totale saldo werd toch nog negatief. En nu ligt het resultaat over te geven op de sofa, in lakens die al drie jaar stinken, want extra lakens aan de waslijn kunnen alleen maar voor argwaan zorgen.  Ik staar door ramen die net vuil genoeg zijn, maar wel de blauwe flikkerlichten nog reflecteren. Ze stoppen voor het flatgebouw. Ons flatgebouw.   Later, als het kind in de kast zit en ik de pillen al bijna doorgeslikt heb, wordt er niet bij ons aangeklopt, maar bij de buurvrouw. Ze huilt als ze naar de combi geleid wordt - dat ze van haar af moeten blijven, dat ze het recht niet hebben. Een politieman hoont. Alweer een lijf voor hergebruik. Ik haal het kind uit de kast, wieg het tegen me aan. Verdriet is iets wat de buurvrouw overkomt, die haar kind verkoopt aan Ella June maar zichzelf verraadt met een oogopslag tijdens het ophangen van de was. God verdrinkt daarbuiten, maar ik bedank hem toch. Wij zijn veilig.  

Anke Vandoolaeghe
26 0

Meedogenloos

Kevin keek door het keukenraam, ademde zijn buik bol en zuchtte alle lucht naar buiten. Met de top van de linkerwijsvinger vormde hij zijn initialen in de mistig geworden ruit. Blies dan zijn laatste zwarte gedachte uit en deed daarmee de zonet gevormde letters weer verdwijnen.   Vandaag was de Dag, niemand kon hem stoppen.   Keurige Kevin, het haar strak naar achter, hemd in de broek. De accidentele veeg schoenpoets stond hem goed. Zo ging hij de deur uit. Bestemming: dienst bevolking, loket 2.   “Volgende.” Een kleine vrouw met grote bril leunde over de toonbank. Haar ogen gingen twee verschillende richtingen uit waardoor Kevin even twijfelde. “Jongeman, ik heb niet de hele dag tijd.” "Kevin de Kleine, goe... goedendag. Ik ben hier voor…” “de Kleine… Hm, uw naam staat niet op de lijst. Zonder afspraak, geen behandeling van uw dossier. Ga naar huis, regel een afspraak en kom dan nog eens terug, manneke. Volgende!”   Teleurgesteld droop Kevin af... maar wacht eens. Dit klopte niet. Het scenario kreeg een wending die hij niet begreep. Normaal zou hij het gemeentehuis fier verlaten als Ludo De Grote. Kevin de Kleine was op dat moment al dood. De sterfscène succesvol voltrokken bij de overhandiging van de nieuwe identiteitskaart, terwijl de brilvrouw met ontzag “Proficiat, mijnheer De Grote” had uitgebracht.   Gedreven door een plotse razernij draaide Kevin zich om, schuimbekte “Ik… ben… geen… manneke!” waarop hij een balpen uit een van de houders greep en die met volle kracht in het montuur van de ambtenaar priemde.   De vrouw viel voorover op de toonbank – “Oh-ah” – en nam door het gebroken glas twee schimmen waar.   Haar linkeroog zag Kevin uitgestrekt op de grond liggen.   Haar rechteroog aanschouwde in een waas hoe Ludo triomfantelijk het pand verliet.

mme evil
30 1

De Aanpassing

Ze zat voor het aanrecht op de grond bij het raam en wachtte. Het licht van de keuken was uit en de lamellen van het luxaflexgordijn stonden schuin naar boven gericht. Hij zou haar dus niet zien. Het wachten was zoals een spin op haar slachtoffer. Een vlieg misschien die nu nog onbekommerd rondzoemde en die haar, de spin, door de onschuldige onwetendheid van haar naderend einde, tot een godin verhief. Een kracht die naar eigen goeddunken over leven en dood besliste. Het web, minutieus gesponnen, was nog leeg maar zou snel gevuld worden. En ze voelde zich dodelijk, tot alles in staat. Dit gevoel was zalig. Bevrijdend! Dat was het juiste woord.   Maar het was ooit wel anders geweest. In het begin, toen de angst langzaam haar leven binnensloop, voelde ze zich dag na dag een beetje meer sterven. Toen was ze zelf zoals een minuscuul insect, vastgelijmd op de harige blaadjes van een zonnedauwplantje, dat langzaam de zon ziet verdwijnen. De angst wurgde haar en het leven werd elke dag grijzer en onaangenamer. Misschien zou ze op een ochtend gewoon niet meer wakker worden.   Sterven van angst, zou het mogelijk zijn, vroeg ze zich af. Natuurlijk wel. Er zouden vast en zeker dagelijks mensen sterven van angst. Waarom was de taal anders zo rijk aan angstwoorden? Ze had ze opgezocht en het waren er ongelooflijk veel. Van een lichte beklemming tot panisch met alle denkbare en ondenkbare variaties en gradaties. Er waren meer uitdrukkingen om angstgevoelens te beschrijven dan ze onthouden kon. Ze had ze allemaal opgeschreven, van het minst bang naar het meest om ze daarna dagelijks na te lezen. Elke dag had ze een woord of uitdrukking gekozen waardoor haar eigen gemoedstoestand het best omschreven werd. Haar angstdagboek was van bedremmeld en schuw al snel naar huiverig en benauwd overgegaan. Na sidderen en gruwelen waren kippenvel en het koude zweet aan de beurt. Ze dacht dat duizend doden sterven misschien het einde zou inluiden.   Maar niet voor haar! Hier in het donker wachtend op haar prooi en de overwinning bedacht ze licht huiverend van opwinding dat die duizend doden sterven niet haar eigen lot was. Zover was het uiteindelijk toch niet gekomen. Juist op tijd was daar die kentering, en duivels kon je uitdrijven, bedacht ze. Dat zou ze vanavond bewijzen.   Na de dood van haar ouders had ze een tijdje bij een oudere tante ingewoond en toen ze daarna hier in dit flatgebouw was komen wonen, had ze zoveel plannen gehad. Eindelijk op haar eigen benen. In drie dagen herschilderde ze al zingend de kamers. In de huurovereenkomst stond wel dat alle muren en deuren wit moesten blijven, maar daar had ze lak aan gehad. Dat waren zorgen voor over een paar jaar. Wie weet, als ze dit flatje in een eigen knus nest had omgetoverd, bleef ze hier wel wonen, had ze toen gedacht. Ze had interieurtijdschriften aangeschaft en een paar gedurfde kleurencombinaties afgekeken. Haar eigen kleurige biotoop, en het werden drie fantastische dagen waarin ze leefde op wijn en chips. Het slapen op de grond in een vrijwel lege flat had haar zich helemaal vrij doen voelen. Eindelijk!   Wat was ze naïef geweest. Die drie dagen schilderen bleken de enige probleemloze dagen, want daarna was de terreur begonnen. De morgen van haar inhuizing was het meteen raak, al had ze dat toen niet zo begrepen. De flat was op de benedenverdieping gelegen, wat de verhuis veel simpeler zou moeten gemaakt hebben. De aan de achterkant van het gebouw gelegen keuken, grensde aan een grote binnenplaats waarlangs de garages lagen. Het keukenraam was eigenlijk een deur, zodat als de verhuiswagen op de koer parkeerde, al haar spullen makkelijk door de keukendeur binnengehaald konden worden. Ze had heel de verhuizing nauwkeurig en grondig voorbereid. De inhoud van alle dozen was afgestemd op de kamer waar ze naartoe moesten en alles was gedetailleerd gemarkeerd en gemerkt. In theorie dus. In de praktijk bleek er ’s morgens een grote pick-up met de bak helemaal tegen haar keukendeur geparkeerd te staan, zodat er zelfs geen doos door naar binnen gedragen kon worden. Laat staan groter materiaal zoals kasten.   Zoeken naar een alternatief dus. Langs het raam vooraan was geen optie. Dat was in zo kleine compartimenten verdeeld dat er niks door naar binnen gehaald kon worden, tenzij enkele lichte dozen. Voor de zwaardere dozen was de onderkant van het raam te hoog. Langs de hal dan maar. Omdat die van buitendeur tot aan haar voordeur lang en smal was, betekende dit echter veel meer werk. Binnendraaien zonder de muren te beschadigen bleek een echt huzarenstukje. De door haar strak geplande verhuis liep in het honderd. Mannen die betaald worden om te sleuren en te slepen, doen dat ook. Alleen kwamen de meubels en dozen nu door alles wat deur en raam was en geen enkel ding bleek achteraf op de voorziene plaats te staan. Ze haatte chaos.   De pick-up was van de bovenbuurman. Daar kwam ze later achter maar toen was het al te laat om haar goed voorbereide verhuizing, die in een ramp veranderd was, nog te redden.   Elke flat had een aparte elektriciteitsmeter. Deze stond in de gemeenschappelijke kelder, zodat de meteropnemer er gemakkelijk bij kon. Praktisch! Alleen stond de hoofdschakelaar van elke flat dus ook in die gemeenschappelijke kelder, de kelder waar iedereen erbij kon. De tweede avond zat ze plots in het donker. Tegen de tijd dat ze de hoofdschakelaar voor de vierde keer opgezet had, was ze doodsbang. De rest van de avond bracht ze met een boterham bij kaarslicht door.   Op een dag belde de huisbaas. Hij meldde haar dat het verboden was om vuil te storten op de binnenplaats. Hij bleek in het bezit van foto’s die bewezen dat zij buiten haar keukenraam een heleboel rotzooi stockeerde. Op de foto’s leek het wel een vuilnisbelt. Hij wees haar op de clausule ‘onderhoud’ in de huurovereenkomst en vermeldde dat bij overtreding de huurtermijn niet verlengd zou worden. Het hielp niet dat ze volhield dat het haar spullen niet waren. De foto’s waren duidelijk achter haar appartement genomen maar dat moest dan gebeurd zijn op een moment dat zij niet thuis was.   Later kreeg ze een brief van de verhuurder met daarbij ingesloten de huurovereenkomst. De clausule ‘onderhoud’ was met fluostift aangeduid. Er was echter nog een tweede in geel gemarkeerd gedeelte: ‘De huurder verbindt zich ertoe om de muren en deuren in de originele staat, wit geschilderd, te laten.’ Erbij zaten foto’s die duidelijk van buitenaf door elk raam van haar appartement genomen waren en aantoonden dat zij de voorschriften overtrad. Ze voelde zich bekeken en betrapt. Begluurd in haar eigen omgeving. Dat wat veilig en van haar had moeten zijn, was bezoedeld. De gordijnen bleven voortaan ook overdag dicht.   Toen ze een paar dagen later thuiskwam, stond de bovenbuurman in de inkomhal en blokkeerde zo de doorgang naar haar voordeur. Ze schatte zijn leeftijd op midden veertig maar zeker was ze daar niet van. Wat haar betreft kon hij met zijn norse houding net zo goed ouder zijn. Hij verroerde zich niet en ging niet opzij. Aarzelend overwoog ze haar mogelijkheden. Ze had de keuze tussen zich smal te maken en met haar rug tegen de muur langs hem door te schuifelen of terug naar buiten te gaan en te wachten tot hij de hal verliet. Zenuwachtig wordend onder zijn starende blik voelde ze dat haar oksels nat werden van het koude zweet. Zijn linkermondhoek krulde licht omhoog, deed zijn linkeroog samenknijpen en vormde zo een gemene grimas op zijn gezicht. “Marginaal wicht”, grauwde hij tussen zijn tanden door, ”ga terug naar de steen waar je onderuit gekropen bent. Dit is een appartement voor fatsoenlijke mensen.” Ze koos voor de laatste optie en stapte achterwaarts terug naar buiten. Later op de avond glipte ze stiekem haar flat binnen.   Vanaf die dag was er telkens wel iets. Ze probeerde hulp te zoeken want wat kon zij in haar eentje doen tegen zoveel onrecht? Maar niemand geloofde haar of nam haar ernstig. De weinigen die haar geloofden hadden lachend gezegd dat hij, de bovenbuurman, misschien haar aandacht zocht. En anders moest ze hem maar eens goed de waarheid zeggen, kreeg ze als advies.   Ze had het dus opgegeven. Zou het met haar naam te maken hebben dat ze zo een makkelijk prooidier was? Haar ouders zaliger hadden getwijfeld tussen Claudia en Cynthia, had haar moeder haar vroeger verteld. Papa vond Claudia mooier en zo was ze Claudia geworden. Ze had het opgezocht. Claudia betekende: kreupel, hinkend, lam. Geen ontkomen aan. Een kreupele kon zich niet verdedigen. En ze had zich in haar rol geschikt, ze werd slachtoffer. Ze zweeg, verliet haar appartement pas wanneer ze zeker was dat de hal leeg was en probeerde elke confrontatie met haar kwelgeest uit de weg te gaan. Gelaten onderging ze haar lot en vulde haar angstdagboek met steeds krachtigere termen die haar wereld verengden en deprimeerden.   Maar op een dag kwam de kentering. Ze kon exact vertellen wanneer de transformatie begonnen was. Eerder toevallig eigenlijk. Op een zondagavond was ze moe en hongerig thuisgekomen. Vrijdags was ze bij een vriendin blijven slapen. Zogezegd om een glaasje te kunnen drinken en dan niet meer naar huis te moeten rijden met de auto. Eigenlijk was het om een rustige onbezorgde nacht te hebben, zodat ze eindelijk nog eens in kon slapen zonder tegen de angst te moeten vechten dat haar bovenbuurman ’s nachts terwijl ze sliep een gemene streek zou uithalen. Ze was er gebleven tot zondagavond. Langer kon niet meer want de volgende ochtend moesten ze beiden gaan werken. Bij het binnenkomen van haar appartement merkte ze dat de lichtknop het weeral niet deed. Geen elektriciteit dus. Maar vanaf wanneer? Ze was twee dagen weggeweest. Ze zag dat de keukenvloer nat was en controleerde vlug de ijskast. Waarschijnlijk was de hoofdschakelaar uit van vrijdagavond en dat betekende dat alles ontdooid en bedorven was, ook in de koelkast.   Het werd haar teveel. Tranen gleden over haar wangen naar beneden toen ze op de vloer ineendook. Radeloos huilend zat ze op de grond in de plas smeltwater. Toen ze geen tranen meer leek te hebben en haar gierende ademhaling overgegaan was in lichte hikjes, voelde ze hoe het smerige water haar kleren doorweekt had. Hoelang ze daar zat, wist ze niet maar opeens was haar blik op de doos met eieren in de open koelkast gevallen. Als gefixeerd had ze daar een tijd naar gestaard om toen bruusk de eieren uit de koelkast te grabbelen, de keukendeur open te rukken en naar buiten te stormen. Met kreten van woede had ze de eieren één voor één naar de schotelantenne op het balkon boven haar gegooid. Toen ze de kapotte dooiers langzaam naar beneden zag glijden ontsnapte haar een hysterisch giecheltje. Wat had ze gedáán? Terug binnen had ze een fles rode wijn uit de kast gerukt, onhandig ontkurkt en die glas na glas helemaal leeggedronken. Bij het laatste glas kwam ineens in haar verwarde hoofd de gedachte bovendrijven dat er eigenlijk niks aan de hand was want de relatie met haar bovenbuurman kon toch niet erger. Hij haatte haar om een of andere reden, maar hij zou haar niet erger kunnen pesten dan hij nu al deed. En wat kon hij bewijzen? In het beste geval zouden de eieren storing geven aan de ontvangst. Er zou vast wel niks kapot zijn.   Nog later kwam ze opeens tot de conclusie dat het eigenlijk best een goed gevoel gaf. Misschien kon ze zijn leven ook wel verpesten? Neen, beter nog, tot een hel maken. Een koekje van eigen deeg, heette zoiets. Dat was ze meteen gaan opzoeken, hier waren ook wel wat uitdrukkingen voor. Wraak was het juiste woord. Wreken, wraakzuchtig, wraakactie, wraakengel, wraakgodin,…Wie een kuil graaft voor een ander … Wie de bal kaatst … Vanaf die dag veranderde het angstdagboek drastisch van koers. In plaats van een moodboard van een verslagen ziel werd het een verslag van adaptatie, een weergave van perfecte assimilatie: wat gezaaid werd zal geoogst worden. De wraakgodin was geboren, weliswaar nog een prille baby maar die zou in snel tempo opgroeien.   Het uitdenken van de eerste actie had even moeite gekost, ze was tenslotte een aardig meisje, maar bleek achteraf een schot in de roos. In de Kringloopwinkel kocht ze een paar herenschoenen in een grote maat en in het park verzamelde ze de andere ingrediënten. Dat sommige hondeneigenaars zo laks waren met het opruimen van de drollen van hun misbakseltjes, kwam haar goed van pas. Ze haalde de schoenzolen door de uitwerpsels en maakte een voetstapspoor van buiten het appartement, door de hal, langs de trap naar boven tot aan zijn voordeur. Daar liet ze het ophouden. Het stonk verschrikkelijk. Tegen het uur dat iedereen thuiskwam van het werk, geurde de volledige hal naar hondenstront. De reactie kwam snel en was bevredigend. De commotie in de hal was enorm. De andere bewoners begrepen niet hoe je zo stom kon zijn om niet te merken wat eraan je schoenen hing en hoe je vervolgens het lef kon hebben om de hal in die toestand te laten. Wat hij erover zei maakte niet uit, het bewijs liep en geurde immers tot zijn voordeur.   Ze keek genietend door het spionnetje van haar eigen voordeur terwijl hij de hal poetste. Het gevoel dat haar die avond doorstroomde was helemaal nieuw maar uitermate verslavend, ze voelde zich slim en machtig. Al surfend op het internet diende zich de volgende ochtend een nieuw idee aan. Eerst maakte ze een valse alias aan met een e-mailadres waar een stukje van zijn naam in voorkwam. Daarna bestelde ze in verschillende onlinewinkels goederen op zijn naam en koos voor levering binnen de 24 uur. Als leveringsadres tikte ze de krantenwinkel verderop in. De eigenaar leek redelijk bevriend met haar bovenbuur, dus hij zou waarschijnlijk de pakjes niet weigeren. Het effect was minder goed te volgen maar vanuit haar raam dacht ze een discussie tussen hem en de winkeleigenaar te zien. Ze keken beiden boos en maakten een heleboel gebaren. Even later stond er een berg pakketten in de hal van het flatgebouw. Wat er daarna mee gebeurde wist ze niet, maar feit was dat de bovenbuurman er een heel aantal dagen nog chagrijniger dan anders uitzag. Hij stond nooit meer in de krantenwinkel.   Nieuwe daden bedenken bleek een fluitje van een cent, ze was er een creatieve meester in. Op een keer had ze een catalogus besteld bij een bedrijf voor erotische artikelen. Onder zijn naam uiteraard, maar met het busnummer van de grootste roddeltante in het appartement. Een tijdje later ving ze toevallig een gesprek op tussen een paar buren. Ze hoorde dat ‘hij’ toch eigenlijk wel een vieze kerel was en ‘dat ze het altijd wel vermoed hadden.’ Kon het nog mooier? Eindelijk erkenning voor hem, eindelijk zagen de andere mensen hem zoals hij echt was! Daarna was het alleen nog maar beter gegaan, elke actie voelde zelfs als een goede daad aan. Zij liet de wereld immers zien wat hij werkelijk was, een vieze slechte man.   Ze zat nog steeds in de keuken op de grond bij het raam en wachtte. Dit zou de kers op de taart zijn, haar ‘chef d’oeuvre’. Ze keek tussen de lamellen door naar buiten. Nog niks te zien. Ze had het helemaal gepland. Vanuit haar keukenraam kon ze de garages prima in de gaten houden. Ze wist precies van wie elke garage was, welke auto bij welke bewoner hoorde én ongeveer wanneer elke autobezitter vertrok of thuiskwam. Zo was ze er op een keer achter gekomen dat de pick-up niet zijn enige auto was. Hij had er nóg een. Een BMW 325i cabrio uit 1986 die hij met zoveel zorg omringde dat het belachelijk was. De affectie, die hij tentoonspreidde voor zo’n lelijke auto, maakte hem in haar ogen nog enger. Dagenlang lag hij op de grond aan dat ding te sleutelen. De oldtimer werd volledig gerestaureerd en het moest hem heel wat geld gekost hebben. Ze had het opgezocht.   Enkel in het weekend reed hij af en toe met de BMW. Die stond op een van de staanplaatsen tegenover de garage, want op die dagen zette hij de pick-up binnen. Ze wachtte. Op de achtergrond hoorde ze in de verte het geluid van een ziekenwagen. Of was het een brandweerauto? Verder was het stil. Langs haar stond een lege bus remolie.   Ze voelde zich machtig. Van slachtoffer naar jager, niet slecht, bedacht ze. Ze wachtte nu al een hele poos, maar het zou het waard zijn, want ze zou zijn gezicht zien vanuit haar schuilplaats als hij ontdekte wat remolie met autolak deed. Ze was helemaal rond de auto gelopen, ondertussen het goedje uitgietend. Zoiets simpel en verkrijgbaar in elke autospeciaalzaak.   Ze wachtte en hoorde het geluid van de ambulance dichterbij komen en toen plots verstommen. De hele verdere nacht had ze gewacht maar hij was niet gekomen. De BMW was blijven staan op de parking en ’s morgens hoorde ze dat een van de buren, die de beschadigde auto opgemerkt had, hem daarvan op de hoogte had gebracht. Het had hem geraakt, zij had hem geraakt. Hoewel de MUG er snel bij was geweest, had reanimatie niet geholpen. Een hartaanval had hem geveld, de duivel was uitgedreven.   Ze zou haar naam veranderen, vanaf nu wilde ze Cynthia heten. Het was de bijnaam van Artemis, de Griekse godin van de jacht en tweelingzuster van Apollo. Passend vond ze. Ze had het opgezocht.

Kris Roef
0 0

Midday in Paris

 We zijn in Parijs. Gisteren aangekomen in een klein gelijkvloers appartementje. De meisjes vonden het top, ik vond het top, alleen mijn wederhelft vond het middelmatig. Lichtjes teleurgesteld. Anderzijds kon ik enkel blij zijn met het feit dat we in Parijs zijn. Op één of andere manier heeft Parijs voor mij een magie die met niets te vergelijken is.   En ja, ondanks dat ik een hekel heb aan luchtvervuiling en ik het niet zo op heb met drukte en toeristen, voor Parijs doe ik consessies. De romantiek, de sfeer van lang vervlogen tijden waar de lucht bezwangerd was van de geur van gepoederde pruiken, kunst en decadentie. In de eenentwintigste eeuw noemen we dit cultuur en lopen we met grote belangstelling en intellect langs schilderijen die ons schaamteloos vertellen over toen. Toen, toen rijk wreed en arrogant heerste over arm. Toen het gewone volk het spuugzat was geconfronteerd te worden met de excessieve uitbarstingen van voedselverspilling en de opstand groot werd door een tergende hongersnood. De tijd dat de stegen nog stonken naar uitwerpselen en de Seine nog proper was. Deze geschiedenis gaan we vandaag bekijken. In het Louvre en in Versailles. In de hoop dat we er iets uit leren. Dat we onszelf een beetje bijschaven en verfijnen om niet opnieuw dezelfde fouten te maken. Dat we niet opnieuw rijk over arm laten heersen en dat we niet opnieuw vervallen in dezelfde decadentie. Dat we niet opnieuw een revolutie veroorzaken en opnieuw geen oog hebben voor de minder bedeelden.   Of is er eigenlijk niets veranderd in de loop der jaren? Onze vervuiling van nu vertolkt zich in CO2 en de gegoeden dineren nog steeds in dure etablissementen terwijl zwervers zich als hongerige honden voor de deur verzamelen. Nog steeds springen we liever veilig in een taxi dan door gure buurten te lopen waar de haat naar weelde en voorspoed broeierig in de lucht hangt en waar zwerfvuil struikelblokken vormen en stank zich verspreidt.   Gaan we dit verteren vandaag? Of gaan we met de stroom mee? De toerist uithangen en genieten van het feit dat wij niet bij de minderbedeelden horen? De geschiedenis leert ons misschien iets vandaag…

Heidi Schoefs
17 0