Zoeken

Tip

De slechtste dingen in het leven zijn gratis

“Wanneer zijn de dromen begonnen, herinnert u zich dat nog?” vraagt dokter Martens. “Een jaar geleden.” Lieg ik. De dromen zijn er al vanaf zo lang ik het me herinner. Maar dat kan ik hem natuurlijk niet vertellen, dan houden ze me hier nog langer vast. De sanseveria die de verpleegster enkele weken geleden in mijn kamer heeft gezet, om de boel wat op te fleuren hangt er slap bij.   Rechts naast de verwelkte kamerplant staat mijn bed dat nog niet is opgemaakt.  Ik ben mijn kracht om basistaken uit te voeren verloren en de huisverpleegster is nog niet langs geweest om het voor me te doen. Aan de andere kant van de kamer staat een typisch ziekenhuistafeltje met twee oncomfortabele plastieke stoelen. Op de geelgekleurde stoel met  wiebelende poot, zit ik. Recht tegenover dokter Martens, die een poging tot het gesprek verder te zetten heeft gestaakt wegens mijn concentratiegebrek.   Ik glimlach flauwtjes naar hem, niet in staat hem in zijn ogen aan te kijken. Ik kan niemand meer recht in de ogen kijken. Niet sinds ik de zijne heb gezien. “Astrid, het heeft geen zin meer voor mij om nog langer te blijven als je niet antwoord.” Zegt hij. Ik knik en hij zucht. Hij neemt zijn bruine lederen tas waar hij mijn dossier in stopt, en vertrekt naar zijn volgende patiënt. Ik zucht opgelucht.  Zo gaat het als sinds ik ben opgenomen, tijdens therapiën hou ik me stil. Enkel tijdens bezigheidstherapie geef ik ze iets waarmee ze kunnen werken. Een simpele quote van een liedje. Ons liedje. Ik glimlach. Hij heeft me sinds mijn opname niet meer bezocht. Misschien komt het door de zware medicijnen, of hij wilt natuurlijk dat ik zo snel mogelijk thuiskom. Dat ik weer bij hem kan zijn, ongestoord en zonder vooroordelen. Enkel hij en ik in onze eigen wereld. De wereld die hij voor me geschapen heeft. Of ik voor hem, ik kan het moeilijk uitleggen.   Ik hijs me uit de stoel en zet koers richting mijn ziekenhuisbed. Boven het bed hangt een  rood knopje, de ‘alarmknop’ zoals ze het hier noemen. Een soort van oproepknop voor noodgevallen zeg maar. Ik heb al talloze keren op die knop gedrukt in de waan dat ik hem zag. En ook juist omdat ik hem niet zag.  Ik moet hem zien. Sommigen zeggen dat hij een waanbeeld is, en anderen denken dat ik lieg over wat me overkomen is. Maar ik ben er zeker van, hij bestaat. De dag dat ik en hij besloten dat ik zou springen om voor eeuwig bij hem te zijn, stond hij beneden voor me klaar. Hij zou me opvangen, zoals hij dat iedere keer in mijn leven opnieuw had gedaan.

Lana Salamone
66 2

In vergetelheid vergeten

Vandaag lig ik in een poel van mijn eigen zweet te baden. Het is 36°graden en ik zit in mijn bed naar een documentaire te kijken van hoe Pablo Escobar Colombia in een drugsoorlog heeft verwikkeld. Het interesseert me niet veel maar het herinnert me dat ik pietluttig ben in deze wereld en wat ik vandaag zal doen, zal niet veel uitmaken in het universum. Pablo heeft honderden mensen gemarteld en vermoord. Hij heeft families uit elkaar getrokken en haalde het ergste uit mensen. Vandaag hebben zijn beslissingen nog altijd veel effect op het land. Ik, ik heb geen effect. Op niets en op niemand. Hier geloof ik met heel mijn hart in. Vanochtend is de miserie begonnen. Mijn T-shirts zijn allemaal maar echt allemaal in de was. Het gevolg is dus dat ik een lang shirt moet aandoen. En dit op een van de warmste dagen van het jaar. Dit is duidelijk het universum dat zegt dat ik moet binnen blijven. Zodat ik me kan voorbereiden op het einde van de wereld. Naast mijn verslaving aan documentaires, ben ik een einde van de wereld believer. Urenlang kan ik op het internet surfen over hoe ik me moet voorbereiden op de ondergang van de wereld. Daarom heb ik vorige maand voor mijn 17de verjaardag vier gasmaskers gevraagd. Omdat mijn ouders wisten dat ze met niets anders me tevreden zou stellen, hadden ze mijn wens ingelast. Alleen hadden ze er maar één gekocht. Dit verpestte alles! één gasmasker voor heel ons gezin? Moet ik alleen achterblijven ofzo? Mijn moeder zei als het einde van de wereld komt, dan mag ik het nemen. Natuurlijk zou ik dit niet doen, als ik een klein broertje heb van 3 jaar. Finn is niet mijn favoriete persoon op aarde maar mijn kleine broer laten doodgaan in een vreselijk martelend gas? Dat gaat me een hele brug te ver. Dit had gezorgd voor een vreselijke sfeer waarbij ik men hele taart alleen op de wc heb opgegeten. Om daarna heel de nacht op te blijven om heel mijn maaginhoud te legen in de wc. Diezelfde nacht had ik de kracht van hypnose ondervonden. De draaikolken die tevoorschijn kwamen nadat ik de wc had doorgespoeld waren prachtige wervelvinden die me gezelschap gaven in die donkere nacht. Spijtig genoeg hebben ze niet geholpen bij de geur van men zure taartsap. Die dag heeft me geholpen om de conclusie te trekken dat mijn familie en ik niet in de nieuwe wereld samen zullen zijn.  Over de jaren heen heb ik een hele verzameling van overlevingsspullen. Mijn trots is mijn Swiss army knife met wel twaalf verschillende functies. Ik wou dat één van die functies me kan laten verdwijnen.      Hij heeft me doorzien, niemand heeft ooit iets gezien. Behalve hij. Mijn leerkracht van geschiedenis. Ik wist niet eens dat hij me in de gaten hield. Niemand let ooit op mij. Dat dacht ik toch. Ik weet dat hij antwoorden wilt. Ik wil het hem zo graag geven. Maar iets houdt me tegen. De zwaarte die aan mijn lichaam hangt. Het is zo zwaar, dat ik sommige dagen alleen maar kan slapen.  “Ali...Vertel me wat je denkt. Alsjeblieft.” Hij pakt mijn hand heel teder vast. Ik heb nog nooit zoveel intimiteit gevoeld als nu. Mijn lichaam reageert hier dorstig op. Een zacht briesje komt aangewaaid.  “De wind is iets wonderbaarlijk, vind je niet?” “Hoe bedoel je?” vraagt hij “Je kan het niet zien. Dan denk je dat hij er niet is.  Je zou het niet eens weten als hij naast je stond”  Hij kijkt me vragend aan.        De spin kroop op mijn linkerbeen. Hij begroette me als mijn vriend. Voor mij was dat het teken dat het tijd was om te gaan. Eerst ruimde ik mijn kamer want ik had gehoord dat sommige ouders alles intact willen houden. Ik zou niet willen dat ze mijn vieze was op de grond zouden laten liggen. Stel je voor als er iemand anders mijn kamer binnenkwam. Ik had vooral stress dat de riem mij niet ging kunnen houden met mijn gewicht. Maar het hield wel en mijn kleerkast was ook niet ineen gevallen. Mijn buurvrouw Ella heeft mijn levenloze lichaam ontdekt. Ik was vergeten mijn gordijn dicht te doen aan de kant van de weg. Toen ze terugkwam van de winkel en alles van haar boodschappen zorgvuldig had weggezet, ging ze haar auto vastdoen. Toen zag ze mij. Een figuur dat ze eerst niet kon onderscheiden. Dat kwam waarschijnlijk door dat ik het licht had uitgedaan. Ik wou me met het donker één voelen. Ze gilde en liep naar mijn voordeur. Ze bonkte heel hard terwijl ze hysterisch aan het wenen was. Niemand was thuis. Ze waren allemaal weg. Naar waar weet ik niet meer. Ik weet wel nog dat ik helemaal alleen op de wereld voelde. Ik hoop dat mijn ouders één van mijn gedichten kiest voor op mijn doodskaartje. Ook heb ik verschillende keren gezegd dat Coldplay mijn favoriete band was. 

Nell De Mayer
0 0

Een wenssprookje

Er was eens een meisje dat thuis even was weg gegaan om te gaan wandelen. Ze moest even bezinnen over de laatste dagen, weken, maanden en misschien ook wel de jaren. Ze volgde de weg, al had ze het gevoel die kwijt te zijn. Toch bleef ze doorgaan, omdat ze het gevoel had dat het zo hoorde. Ze ging verder en verder op zoek naar een nieuwe uitdaging, op zoek naar een weg die haar beter bij zichzelf zou brengen. Ze liep verder het duister in en kwam terecht op een open veld. Een groot grasveld dat overdag diende als vliegveld. Nu de avond viel was er niemand meer en weerklonk de stilte en de rust. Ze liep naar het midden en ging in het droge gras liggen. Ze keek omhoog naar de hemel op zoek naar antwoorden. Op zoek naar zichzelf keek ze naar het wolkendek boven haar. Langzaam gleden de wolken voorbij. Hier en daar zag ze een opening naar de rest van de hemel. De wolken hadden haar beschermd van de immensiteit, maar nu kon ze glimpen opvangen van de rest van het bestaan. Ze bleef gespannen liggen om steeds meer te kunnen zien. Tevergeefs, want het wolkendek werd weer dikker waardoor de immensiteit verdween. Ze verloor het zicht op hetgeen haar het gevoel van vrijheid was. De wolken zorgden er echter voor dat haar zicht op deze immensiteit werd vertroebeld. Ze voelde zich weer gevangen in het kleine deel van de wereld die ze bewoonde. Ze zocht haar hele leven al naar datgene dat haar kon bevrijden van de prachtige, kleurrijke, maar toch klein stukje wereld. Ze bleef naar boven kijken in de hoop nog een glimp op te vangen van de vrijheid die ze wenste. Heel even zag ze weer een poort naar deze plaats, maar toch verdween deze snel weer in het wolkendek. Ze sloot haar ogen om zich voor te stellen wat er zich achter deze wolken bevond. Een verborgen wereld van een oneindige grootte, een weerspiegeling van haar wereld, maar anders. Anders, als een wereld zonder grenzen i.p.v. het stukje wereld afgescheiden van alles door de rotsen en zeeën. Ze zocht steeds naar openingen die verborgen waren door duister, licht of zelfs magie. Tot vandaag had ze deze opening naar vrijheid niet gevonden in haar eigen leefwereld. Nu had ze het gevoel dat ze er even was uitgestapt in deze wandeling. Een wandeling die nu al een hele avond had ingenomen met enkel tijd voor zichzelf. Nu ze even alles van een afstand kon bekijken zag ze dat de waas even was verdwenen. De waas die ervoor zorgde dat ze de realiteit niet kon zien zoals ze was. Nu zag ze alles van een heel ander perspectief. De waas was opgeklaard. Ze keek omhoog en zag de wolken die de waas waren vóór haar immensiteit, vóór haar vrijheid. Ze steeg op en vloog omhoog. Ze vloog naar de wolken, ze vloog door de wolken, zo vloog naar de vrijheid. Ze genoot van de duisternis die oneindig was. De gehele duisternis was echter gevuld met allemaal lichtpuntjes die de duisternis opklaarde. Zo was het leven nu éénmaal, duister zonder die lichtpuntjes in ons leven. Door de waas over haar leven had ze de lichtpuntjes al even niet meer gezien, maar nu zag ze hen weer. Haar leven was helemaal niet zo duister als ze dacht. Ze moest voorbij de waas kijken om zo de lichtpuntjes te kunnen laten schijnen. Van zodra ze deze lichtpuntjes zou toelaten kon ze het geluk vinden in zichzelf. Zo kon ze de zon worden die de wolken zou doen verdwijnen. Ze opende haar ogen en besefte dat ze haar eigen waas gecreëerd had en dat ze zelf kon kiezen om deze op te klaren. Ze stond op en ging naar huis. Ze nam afscheid van de dingen die haar wolken creëerden en ging verder in de helderheid van de lichtpuntjes om zo het geluk in zichzelf te ontdekken. Zo begon Nathalie aan een heel nieuw avontuur.

S.P. Steyl
0 0

Utopisch visioen

Schotland, achttiende eeuw   De zonsondergang begon vroeg in de avond. Het donker verdreef het laatste restje warmte, dat die middag met de zon was binnengestroomd. Het vuur laaide hoog op in de haard. Samen met de kaarsen verlichtte het de slaapkamer. Lisa McBrady lag op adem te komen. Robyn McBrady zat naast haar, haar hand in de zijne. Ze had hem fijn geknepen, maar het deerde hem niets.    Na vier maanden had Lisa besloten dat ze thuis wilde bevallen. Te veel vrouwen in de ziekenboeg in het dorp overleden aan kraamkoorts. ‘De vrouwen bevielen eeuwen geleden ook zonder hooggeëerde dokter,’ argumenteerde ze toen Robyn zijn twijfel uitsprak.    Na Lisa urenlang in pijn te zien, sloeg de twijfel echter weer toe. Had hij er verkeerd aan gedaan haar wens in te willigen? Ze had donkere kringen onder haar ogen, het zweet stond op haar voorhoofd. Op sommige momenten overstemde haar uitputting alles.    ‘Waar blijft die vroedvrouw dan toch?’ Robyn veegde de haren uit het gezicht van zijn vrouw. De laatste wee had nieuwe plooien in haar gezicht getekend. Ze was zo sterk, maar hij was bang. Hij hield van haar. Hij zou alles voor haar doen; hij zei het nooit, maar hij hoopte dat zij dit wist.   Lisa glimlachte naar hem. ‘Heethoofd,’ zei ze en ze streelde zijn wang.   ‘Ja, ze had hier al lang moeten zijn!’ Robyn schudde zijn hoofd.   ‘Het past bij je rode haren.’ Ze pakte een rode krul tussen duim en wijsvinger en zei: ‘Ik hoop dat zij jouw haren krijgt.’   In haar dromen zag ze hen soms, met zijn drieën op de klif, vlakbij hun huisje. Ze voelde de wind door haar haren waaien en hoorde de zee tegen de klif slaan. Hun dochter tussen hen in. Over de wind en de zee hoorde je haar gegiechel, ze danste met onschuldig plezier. De blik in Robyns ogen als hij naar zijn dochter keek, versterkte haar liefde voor hem, haar verlangen naar haar.   Robyn ontwaakte uit een sluimer door gebons op de deur.   ‘De vroedvrouw.’ Lisa gaf hem een bemoedigende kneep in de hand.   Robyn haastte naar de deur.   ‘Het spijt mij, meneer, mevrouw, dat ik zo laat ben,’ zei Blaire, ‘de jonge Evangeline Douglas is bevallen van haar zoontje. Hij wilde niet huilen.’ Aan de frons op het gezicht van de vrouw te zien was dat niet goed. ‘Gelukkig ben ik nog niet te laat. Nu, laat mij eens even kijken.’    Ze knielde naast het bed en liet haar handen onder de dekens glijden. Lisa huiverde bij de aanraking. Hij liet zich aan de andere kant van het bed op zijn knieën zakken en pakte Lisa’s hand. Met zijn andere hand streelde hij voorzichtig haar bruine haren, haar zachte betraande wangen en hij murmelde nietszeggende woorden in de hoop dat het haar zou geruststellen.    Nu Blaire er was ging het snel, alsof Lisa zich had overgegeven. Het lichaam van zijn vrouw kromp ineen bij de volgende wee, haar gezicht vertrokken tot een pijnlijke frons. Robyn schoof zijn hand rond haar nek. Hij was koud van de spanning; hij hoopte dat het haar wat verlichting bracht.   Blaire sloeg het deken terug, ‘Bij de volgende verkramping moet u persen, mevrouw.’ Haar handen verdwenen weer onder het witte laken dat over Lisa’s onderlichaam lag.   Lisa kermde, kneep in Robyns hand tot hij dacht dat zijn vingers zouden breken en toen hij ervan overtuigd was dat ze niet langer kon, bewees ze opnieuw haar kracht. Hij zag de spanning in haar kaken. Haar gezicht was rood aangelopen en het laken dat over haar heen lag, trilde mee met haar benen. Robyn moedigde haar aan; streelde de haren van haar voorhoofd, fluisterde. Vertelde haar over de eerste keer dat zij met hun dochtertje naar de zee zouden gaan.   Ze schreeuwde. Een paar tellen later zakte ze happend naar adem terug op het bed. Het geluid van een huilende baby klonk vanuit de armen van Blair.   ‘Een gezond meisje, meneer, mevrouw.’ Ze legde het mensje voorzichtig op de borst van Lisa en dekte moeder en dochter toe met een laken en wollen deken.    Robyn kon zijn blik niet van zijn vrouw houden. Haar ogen straalden in het licht van de kaarsen. De tranen op haar wangen leken te glimmen als zilver. Ze aaide met haar wijsvinger over het wangetje van hun dochter en toen ze hem aankeek was haar blik zo intens dat zijn hart pijnlijk samenkneep.   Blaire scharrelde rond in de kamer. Ze laaide het vuur in de haard hoog op en kookte water. Voor Robyn haalde ze een glas cognac. ‘Dat heb je verdient, vader,’ zei ze met een glimlach.   Voorzichtig zette Robyn het lege glas weg en boog zich over Lisa. Haar witte gezichtje stak fel af tegen de donkere kringen onder haar ogen. Door halfgesloten oogleden staarde ze naar de baby in haar armen. Hij gaf het meisje een kus en daarna zijn mooie vrouw. Ze lachte naar hem. Met een diepe zucht sloot ze haar ogen.   Hun dochter lag al warm toegedekt in haar houten wieg, toen Lisa onrustig werd. Ze trilde, kreunde en schudde wild met haar hoofd heen en weer. Blaire, die aan de andere kant van de kamer bezig was geweest, liep met een frons op haar gezicht naar het bed.   ‘Ze is erg wit,’ zei Robyn.   De frons verdiepte.   ‘Haar vingers worden maar niet warm.’ Robyns handen waren na de bevalling weer opgewarmd en hij had de hele tijd dat Lisa sliep, de hare vastgehouden.   Blaire knielde bij het voeteneind en liet haar handen onder de dekens glijden.‘Meneer McBrady,’ fluisterde Blaire, ‘als ik u vraag de kamer te verlaten, doet u dit dan?’   Robyn bestudeerde het gezicht van de vroedvrouw. ‘Absoluut niet, wat is er met mijn vrouw aan de hand?’   Blaire was al opgestaan en sloeg de dekens omhoog. Scherp ademde ze in en keek met grote ogen neer op het bed.    Robyn werd duizelig toen hij de hoeveelheid bloed zag. Dat kon niet goed zijn. Hij keek terug naar het gezicht van zijn vrouw. Haar mooie gelaatstrekken waren samengetrokken in pijn. ‘Doe iets!’ bulderde hij toen Blaire verstijfd bleef staan. Hij kon zijn vrouw niet verliezen. Hun dochter had haar nodig. Híj had haar nodig.   Uit de linnenkast, die Robyn haar wees, haalde Blaire alle schone lakens die er lagen. Ze knielde opnieuw bij het bed, zei: ‘Ze moet stoppen met bloeden,’ en ging aan het werk.   Even later zei ze: ‘Haalt u water uit de put. Het zou koud genoeg moeten zijn om de koorts te laten zakken.’   Robyn kuste Lisa’s hand en haastte zich naar buiten. Blaire stond al met het laatste laken paraat toen hij de houten emmer, op haar aanwijzingen, naast het bed zette. Tussen de benen van zijn vrouw lagen de lakens opgepropt. Zou het genoeg zijn? Blaire doopte een deel van het laken in het steenkoude water en begon zijn vrouw te wassen.   Een paar uur voor zonsopgang stopte het ijlen. Lisa’s ademhaling bleef oppervlakkig, maar de frons was van haar gezicht verdwenen. Robyn zat naast haar, zijn dochter in zijn armen, toen ze haar oogleden opende en het eerste licht in haar ogen weerkaatste. Haar blik was dof en haar gezicht had een grauwe kleur.   ‘Geef me May?’   Robyn glimlachte bij het horen van de stem van zijn vrouw. Ook al kraakte ze, het was nog steeds de mooiste stem die hij ooit had gehoord. Voorzichtig kuste hij Lisa en legde May in haar armen. ‘Een mooie naam, May.’   Lisa streelde met haar vingertop over het gezichtje van May. Haar bolle wangetjes, de wat gezwollen oogleden, de getuite lipjes en het wipneusje. Een stille traan gleed uit haar ooghoek, over haar wang. ‘Beloof me … dat je met May … naar de klif gaat, haar … de wind laat voelen … en het ruisen van de zee laat horen,’ zei Lisa met tussenpozen.   Er kwam een verstikt geluid uit Robyns keel.   Lisa hief haar hand en streelde haar duim over zijn natte wang.   Hij greep haar pols en kneep zijn ogen dicht. ‘Ik hou van je,’ fluisterde hij. Hij opende zijn ogen, keek haar aan en zei haar: ‘Ik hou zoveel van je.’   Acht jaar later   Robyn ademde diep in. De koude zeelucht stroomde naar binnen, raakte zijn hart.   ‘Vader, kan moeder ons zien vanuit de hemel?’   Robyns hart kneep samen bij Mays gefluisterde woorden. ‘Ik denk het wel lieverd.’ Hij keek omlaag toen haar kleine handje in de zijne gleed.   ‘De zonsopgang heeft de kleur van onze haren, vader,’ zei May. Geconcentreerd staarde ze naar waar de zee de horizon raakte.   ‘Ja,’ zei Robyn, ‘dat is zo.’

schaapschrijft
0 0

Over jagen

Haar huid voelde zacht als zijde en terwijl ze daar lag, welde er diep in mijn binnenste medelijden op. Ik was een bloeddorstige jager en zij niets meer dan mijn prooi. Om het gevoel van medelijden te onderdrukken, dacht ik altijd aan roofdieren, die genadeloos met hun slachtoffer spelen alvorens hen te doden. De medogenloosheid die dieren konden vertonen, bracht mij altijd weer in het hier en nu. Niet dat ik een moordenaar was, maar een roofdier zeker wel. In deze stad waren er wel meerdere zoals ik maar niemand zo fijn geslepen, niemand zo uitgerekend.   Terwijl mijn huid de hare raakt, schrikt ze op:   “Wat heb jij het koud.” en ze glimlacht naar me, een glimlach die de meeste mannen in vuur en vlam zou zetten. Blonde krullen, een satijnen huid en donkergroene ogen. Mannen stonden in rijen aan te schuiven om haar het hof te maken. Ze wou graag actrice worden maar zoals haar waren er duizenden.   “Het is mijn bloed” antwoord ik kil.    “Je bloed?” er verschijnt een kronkel op haar daarvoorheen gladde voorhoofd. Het was niet het antwoord waar ze op had gehoopt.   Ik tover een lach op mijn gezicht die haar meteen terug gerust stelt. Ze lacht, kijkt me aan en het spel gaat weer verder.   “Koud bloed? Wat voor roofdier bent u dan?”   “Het meest gevaarlijke dat hier op aarde rondloopt.”   “Oh ja?”   Ik laat het gesprek achter me en wandel richting het balkon om een sigaret te roken. In de straat spelen wat jongeren voetbal met een platgedrukt blikje frisdrank. Luid en met hun arme zwaaiend telkens de lichte van een auto opdoemt. Om daarna, wanneer de auto voorbij rijdt, het spel weer te hervatten. Ik nam en laatste teug van de sigaret en keerde terug naar haar bed. Ze sliep reeds en toen ik haar daar zag liggen, borrelde het medelijden weer in me op. Hier kon ik de rest van de nacht niet spenderen, dacht ik bij mezelf. Een teveel aan gevoelens schrikt me af. Na al mijn spullen te verzamelen, slenterde ik de trap af richting de voordeur. Buiten was het nu veel rustiger, de spelende kinderen waren allemaal naar binnen, enkel het blikje lag nog op straat. Met een heuse aanloop en enorme trap probeer ik het blikje weg te stampen. Mijn voet blijft echter steken achter een grote kassei en ik val op een auto die aan de zijkant van de straat geparkeerd stond. “Gevaarlijkste roofdier” dacht ik en een glimlach verscheen op mijn gezicht.

Prins Vogelvrij
1 0

9 to 5

Negen uur. Hij komt binnen. Ik kan er mijn klok op gelijkstellen. Hij loopt in één keer door naar het koffieapparaat. Koffie met melk, geen suiker. Eén euro vijftig. Werktuiglijk kiepert hij de hete boel naar binnen terwijl zijn ogen schijnbaar zoekend langsheen de rijen boeken gaan. Niemand. Uiteraard. Vóór half elf hoef ik hier niemand te verwachten. Lui draai ik rond op de hoge kruk die ik strategisch heb opgesteld voor de ventilator. Vijf over negen en nu al een broeikas. Daar gaat hij. Ik heb ooit eens zijn dagelijks traject afgetaped. Geen centimeter wijkt hij ervan af. Nadien vroegen andere bezoekers me wat die gele lijn te betekenen had. Was het een wegwijzer naar een bepaalde boekenafdeling, zoals de gekleurde lijnen in een ziekenhuis? 's Avonds heb ik de tape alweer weggehaald. Het was gewoon een grapje voor mezelf. Mijn baan in de bibliotheek vraagt al eens wat creativiteit. Overigens, tape is niet eens nodig, het volstaat zijn geurspoor te volgen. En deze hittegolf doet er geen goed aan. Hoe fijn zou het zijn mochten de bezoekers bij het binnenkomen niet alleen langs de detector maar ook langs een geurscan en, indien nodig, douchekabine moeten passeren. Ik opperde het eens grappend op een vergadering en werd subtiel genegeerd. Maar goed, daar gaat hij dus. Naar het computereiland. PC 4. Steevast. En dan begint hij aan zijn zoektocht doorheen de krochten en katakomben van het net. Supraventriculaire tachycardie, facioscapulohumerale dystrofie, fenylketonurie, hepatische encefalopathie, ... Onbewogen zoekt, bladert, browst, leest, herleest hij alle mogelijke defecten van het menselijk apparaat. Hij print alles uit en stopt het zorgvuldig weg in een dikke zwarte map. Vandaag doe ik iets waarmee ik mezelf verbaas: ik loop naar hem toe en vraag waarom. Waarom dit...werk? "Kind", zegt hij. "Je kan je niet voorstellen wat een ongelooflijk gelukzalig gevoel het geeft om 's avonds in mijn bed te stappen met de heldere zekerheid dat ik wéér een dag heb overleefd. Maar laat me jou één goede raad geven. Mensen zijn te hygiënisch geworden en bacteriën worden resistent. Één keer per dag onder de douche is echt niet nodig. Je ondermijnt je gezondheid." Ik glimlach knikkend en loop naar mijn bureau terwijl ik de ingehouden lucht langzaam laat ontsnappen.

Vanessa Daniëls
0 0
Tip

Voddenvader

Tijdens de scheiding ging het naast de verdeling van het meubilair vooral over de verdeling van ons kind. Omdat je een meisje van elf niet als een bed in tweeën kunt zagen, stelde mijn ex-vrouw een pro-Deoadvocaat aan. Die dwong co-ouderschap af tot mijn dochter de leeftijd van twaalf zou bereiken; de wettelijke leeftijd om zelf een keuze te maken. Alsof je ooit klaar kán zijn om te kiezen tussen een vader en een moeder. Mijn ficus verloor prompt drie bladeren toen ik het mailtje met deze beslissing voorlas —stilzwijgend protest in mijn plaats. Zelf bezit ik geen talent om in discussie te gaan.      Het kwam er dus vooral op aan om punten te scoren. Letterlijk, want Ella had van haar moeder een schriftje gekregen met twee kolommen, getiteld mama en papa. Daaronder twintig centimeter niemandsland waar ze pro’s en contra’s moest noteren. De kolommen bleven leeg. Ella wilde niemand kwetsen. Na vier weken begroef ik het schrift onder een hoop groenafval. Om Ella te sussen beloofde ik dat ze nu eindelijk een huisdier mocht kiezen. ze slaakte een vreugdegilletje en sprong in mijn armen. Mijn ex had een hekel aan harige dingen. De kat van de buren had ze steevast ‘bacterie-op-poten’ genoemd. In de laatste maand van ons leven samen joeg ze het beest met een langgerekte kreet en een bezemsteel de tuin uit. Ik had geprotesteerd, haar proberen te kalmeren. Zij harpoeneerde de bezemsteel erachteraan. Na die aanslag streek ze haar kapsel weer in de plooi en zei ze: ‘Soms is een harde aanpak nodig om duidelijk te maken dat iemand niet meer welkom is.’ Haar blik was ondertussen op mijn harige armen gericht.          Konijn en Co verkocht naast vissen en vogels ook cavia’s, katten, konijnen en puppy’s. Pluizige beestjes waarvan vacht aan broeken en truien bleef kleven en die elke week bewijs zouden leveren dat ik nu mijn eigen beslissingen nam, maar nee: Ella spurtte naar de visafdeling en bombardeerde een clownvis tot haar best friend forever.      ‘Je moet een groot aquarium kopen,’ beval ze. ‘Little Nemo’s hebben een goed geheugen heeft de juf verteld. Hij mag zich niet vervelen.’      ‘Zou hij niet liever een vriendje hebben?’ Ze viel stil en keek langs me heen naar een onbestemd punt. ‘Nee. Soms blijf je beter alleen.’      Ik wist niet meteen iets te zeggen, concentreerde me dan maar op het gebroebel van de waterpompen, op de neprotsen en plastic palmbomen in de aquaria, maar vond niets om haar woorden onder weg te moffelen.      Ze nam mijn hand en trok me mee naar een verkoper, lachte me bemoedigend toe.      Ik kocht een kingsize aquarium waarin een dolfijn paste. Er was een karretje nodig om het gevaarte naar mijn auto te rijden. Tijdens de drie kilometer lange rit naar huis staarde Nemo me vanuit zijn zakje met water onafgebroken aan. Vissen hebben geen oogleden. Ik beeldde me in hoe het zou zijn om dag en nacht de wereld te moeten aanschouwen en huiverde. Er waren veel dingen waarvoor ik mijn ogen sloot. Voor dode beesten langs de weg bijvoorbeeld. Voor de hoofdschuddende blik van mijn ex telkens ze Ella bracht. De beginnende vetkwabben aan de onderkant van mijn bovenarmen. Mijn kalende kruin. Het ophopende vuil in de hoeken van mijn huis. De afgebeten nagelvelletjes achter mijn zetel. Ik was blij dat ik geen vis was.      ‘Het aquarium is supergroot,’ zei Ella tegen Nemo. ‘Als er een hittegolf komt, kunnen we samen zwemmen.’      Ik verjoeg de gedachte van mezelf met een vissenkop door hard op het gaspedaal te trappen. Het zakje water en Nemo klotsten mee met de storm van mijn gedachten.     Die avond las Ella voor uit Harry Potter. Elke reactie van Nemo interpreteerde ze als een teken van begrip. ‘Zie je, hij vindt het ook spannend!’ riep ze meermaals in vijf minuten. Vlak voor het slapen gaan liet ze drie schaars geklede barbiepoppen in het water zakken en zei ze: ‘Ik ben zo blij, papa. Nemo begrijpt me. Hij is mijn beste vriend.’      Mijn hart had bij die woorden triomfantelijk geroffeld.      Toen ze in haar bed lag, nam ik een foto van Nemo en postte die op Facebook. Onze nieuwe aanwinst in sexy gezelschap. Ik vroeg me af hoelang het zou duren vooraleer mijn ex het bericht te zien kreeg. Nog voor die gedachte koud was trilde mijn smartphone zich een hersenschudding. Een record. Mijn smartphone lichtte kort op en doofde uit. De oplader kon ik niet vinden. Misschien was dat nog het beste.      Ik moest gaan slapen. Traag schikte ik mijn kleren over de stoel naast mijn bed, me intussen afvragend waar de oplader was.      Het doet er niet toe, zei ik tegen mezelf. Wat daar in die mailbox zit is oud nieuws, nog meer van hetzelfde. Gezaag en gezaag in het kwadraat. Nu moet je slapen, morgen weer vroeg op. Ik stak mijn wijsvinger in de lucht, speelde een schooljuffrouw die een stoute jongen waarschuwt. Gehoorzaam ging ik op mijn rechterzij liggen, één arm onder mijn kussen, de andere uit gewoonte op mijn helft van de matras. Verdomme, zei ik en ik ging dwars liggen, claimde het volledige bed, dat nu van mij alleen was. Denk aan iets leuks, dacht ik en ik dacht aan iets leuks. Het hielp niet. Mijn gedachten waren niet van plan om te gaan slapen. Ik herinnerde me waar ik de oplader had gelaten (op de koelkast) en kroop uit mijn bed.     Mijn ex had niet gereageerd, althans niet op het internet. Ze had haar woede gebundeld tot een sms die zo lang was dat hij me bereikte in zeven delen. Op Facebook had een zekere Cindy008 (blonde single op zoek naar een alleenstaande vader) een reactie onder mijn bericht gepost. Beste dierenbeul, je thermometer geeft maar 12 graden aan! Clownvissen hebben warm zout water nodig!!!!!!! Daarna een arsenaal aan duivelsgezichtjes en treurende smileys om haar gelijk te bevestigen.      Mijn hart struikelde in mijn borst. Vloekend denderde ik de trap af, maar ik wist dat het te laat was. En inderdaad. Nemo dreef zieltogend op zijn zij. Hij keek me treurig aan, nog met één vin in het leven.      Shit, stuurde ik naar Cindy008.      Ze was nog wakker. Zijn de ogen troebel?      Ja dus.      Het beest gaat dood. Stop hem in een bakje water en doe dat in de diepvries. Dat is de humaanste manier om hem te doen inslapen.      Ik zette een stap achteruit. Snel wiste ik Cindy008 uit mijn schatlijst. Vrouwen die zo vlotjes over zulke informatie beschikten deden me te veel aan mijn ex denken.      Toch wandelde ik richting keuken. In het donker van mijn gang bleef ik staan. Verderop haperde het neonlicht boven het fornuis. Alle kleuren zogen zich uit het huis. Wat nu? vroeg ik hardop aan mezelf. In mijn verbeelding echode mijn stem tegen de tegelmuur van een mortuarium dat ooit mijn keuken was.      Ik hervond mijn adem. Gewapend met het kleinste keukenvergiet haastte ik me terug naar de woonkamer. Ik schepte Nemo uit het aquarium. Stilletjes lag hij op zijn rug, zijn lippen op elkaar geperst. Na een paar seconden knipoogde hij. Ik interpreteerde dat als een bewijs dat ik goed bezig was, liet hem in een met warm water gevulde voorraaddoos van Ikea glijden en goot er twee handen zout bij. Er kwam geen verbetering in zijn toestand. ‘Idioot’, zei ik. Of dat tegen Nemo of mezelf was wist ik niet zeker. Vijf minuten later maakte ik een doodsbed op tussen een diepgevroren pizza Hawaï en een pot kiwi-ijs. Dat was hopelijk tropisch genoeg om zonder stress uit het leven te glijden. Het neonlicht haperde weer, feller nu, een morsecode vol verwijt. In de spiegel naast de koelkast stond ik oog in oog met een lijkbidder. *     Ella zat op het tapijtje voor de televisie. Gebiologeerd staarde ze naar het scherm. De vallende plastic steentjes werden becommentarieerd door een presentator wiens overdreven opgewonden verslaggeving deed vermoeden dat hij de rest van het jaar van keukentafel tot voordeur had geleefd om krachten te sparen voor deze heuglijke dag. De jeugdige bouwers op wie de camera zo nu en dan inzoomde vielen elkaar huilend in de armen toen een cirkel met dominostenen openwaaiende tot een lotusbloem. Ik haatte Domino Day even hard als ik mijn ex haatte — beiden deden zich belangrijker voor dan ze waren.      Ella schoot recht en wees naar het televisiescherm. ‘Kijk!’ Een hoge muur dominosteentjes brokkelde af en onthulde en aquarium vol koikarpers.      Onbewust keek ik richting keuken. Daar staarde Nemo me vanachter de diepvriesdeur meewarig aan. Ik veegde over mijn voorhoofd en trachtte mijn gedachten te ordenen. Drie meter verder zwom Nemo II tussen de barbiepoppen. Die ochtend, nog voor de straat wakker werd, had ik aan de deur van Konijn & Co staan wachten tot het rolluik omhoogging en de lichten aanfloepten. Mijn dochter alleen thuis, slapend nog, in de nabijheid van een leeg aquarium waarin het water opwarmde tot tropische temperaturen. Ik was een voddenvader.      Nemo II was iets levendiger dan zijn voorganger, maar dat had Ella nog niet opgemerkt. Nóg niet… Ik trok snel een familiezak Bugles Chips open en zette die voor haar neus.      Domino Day bereikte een hoogtepunt. De presentator kondigde aan dat het belangrijke moment aangebroken was. ‘Meer dan vier miljoen stenen zijn gevallen!’ schreeuwde hij met een rood aangelopen kop. ‘Dames en heren, het wereldrecord kan elk moment verpulverd worden.’      Ella sprong in de sofa van opwinding. Ze was hyper. Bedtijd was inmiddels ruimschoots overschreden. Geen van ons beiden stoorde zich daaraan. Life is short, break the rules, zei Mark Twain en ik gaf hem gelijk, want kijk: op dat gezichtje oprechte vreugde. Haar armen en benen wisten duidelijk nog niet dat er beperkingen waren aan de menselijke souplesse. Er zat vuur in dat kind. In alles was ze de tegenpool van mijn ex, en dat deed me plezier. Glimlachend ging ik naast haar zitten, tot de laatste dominosteen tegen de grond ging. Tegen die tijd was Ella in slaap gesukkeld. Haar dromen op mijn schouder. Zo dicht dat ik ze bijna kon horen. Het was ons ritueel: ik droeg haar naar boven en zij veinsde dat ze niet wakker werd. Ik stopte haar in, stak haar nachtlampje aan en kuste haar goedenacht. Ik was geen bacterie-op-poten. Dat wilden beiden uit alle macht bewijzen.     Om half een die nacht strooide ik een handjevol voedselvlokken in het aquarium. Nemo II trok een pruillip, alsof ik hem stront gaf in plaats van samengekoekte meelwormen.      ‘Komaan, hop hop. Eet iets!’ zei ik aanmoedigend. Het licht van de straatlantaarn voor de deur haalde mijn voeten aan. Ik rukte de gordijnen beter dicht en draaide het lijstje boven de televisie met de fotokant naar de muur. Hier hadden mijn ouders niets mee te maken.      Nemo II kwam tot leven. En hoe. In de vijfde versnelling schoot hij naar de blonde Barbie om een vlok op haar neus te pakken te krijgen. Althans, zo leek het toch eerst. Na tien keiharde stoten tegen haar voorhoofd begon ik hem te verdenken van vrouwenhaat. Zelfs toen de blonde breed glimlachend achteroverviel, hield hij niet op. Hij blééf stompen. Toen hij zag dat ze hem lag uit te lachen, richtte hij zich op haar bikini. Met getuite lippen rukte hij het stukje textiel naar de vernieling. Het zag er allemaal erg fout uit. Ik keek over mijn schouder. Er waren geen getuigen.      De knul in de dierenwinkel had er toch iets over gezegd. Iets over agressie en overdreven territoriale neigingen. Ik had er smakelijk om gelachen.      Nemo II kwam op adem. Roerloos zweefde hij naar het midden van het aquarium. Ik drukte mijn neus tegen het glas. Gedwee zwom hij naar me toe. We speelden tien seconden neuzeneuze. Kort zwiepte hij met zijn staart, als een schoothondje dat blij was om zijn baasje te zien, of dat dacht ik toch. Vervolgens schoot hij weer achteruit. Een duikboot die zich terugtrok uit vijandige wateren. Nog één keer met de lippen tuiten, een laatste teug zuurstof, een laatste staartzwiep en hij katapulteerde voorwaarts, stortte zich op kamikazeachtige wijze te pletter tegen het glas dat tussen ons in stond. Een licht tikje en een paar golfjes, meer stelde zijn dood niet voor. Nemo II maakte slagzij en dreef naar het midden. De voorkant van zijn kop ingedrukt. In de weerspiegeling van het aquarium zag ik opnieuw een lijkbidder.      Mijn dochter had gelijk. Soms blijf je beter alleen.

Femke Vindevogel
34 0

33 GRADEN WEG VAN MEKKA

Als er nu één plaats ter wereld is, waar een gelovige denkt dat hij volkomen veilig is, dan is dat toch in een kerk, een moskee of in een synagoge. Als je om de zoveel uren, alle dagen of minstens één keer per week gaat bidden om je tweede leven in het hiernamaals veilig te stellen, dan is dat toch de plaats waar je veronderstelt dat de goden een oogje in het zeil zouden houden. Niet dus. Een geschifte Jodenhater kon in Pittsburgh ongestoord 11 mensen neerschieten en geen God die deze dolle schutter tegenhield. Eventjes een onoplettendheidje van het opperwezen en je was sneller in de hemel dan verwacht.  Nu, zelf zou ik niet meer zo gerust zijn in mijn persoonlijke Jahweh, als je weet wat hij allemaal tijdens de wereldoorlog met het Joodse volk liet gebeuren. Hij zag toch maar mooi de andere kant op toen er zo’n zes miljoen van je voorvaderen uitgehongerd, vergast en iets te snel gecremeerd werden. Raar dat zo’n geïndoctrineerde gelovige mensen er dan nog steeds op vertrouwen dat die hemelbewoner almachtig is, alles ziet en hoort en dat die wel één van de dagen de nieuwe Messias naar beneden gaat sturen. Maar blijven hopen natuurlijk.. Wat ging er door die Turkse hoofden heen, toen ze vernamen dat ze al zo’n kleine 40 jaar in de verkeerde richting zaten te bidden? Een moskee in het Turkse stadje Sugoren staat niet richting Mekka! Hebben ze daar nu schrik dat hun gesmeek niet in de Mekkahemel aangekomen is?  Een roedel religiedeskundigen breekt zijn hoofd nu over het feit of al die gebeden nu ongeldig zijn. Zit je daar al 37 jaar, vijf keer per dag, dat is met de schrikkeljaren erbij zo’n kleine 13550 keer, met het zicht op de kont van je buurman, gebeden te prevelen en dan komt zo’n nieuw aangestelde 24 jarige snotneusimam je plots vertellen dat Mekka een 33 graden de andere kant opligt. Hebben ze ondertussen al uitgevogeld welke God er op die verkeerde plaats in dat stukje hemel bivakkeert? Denk niet dat die zich bezighoudt met het doorsturen van al die smeekbedes. Eigenlijk ben ik er bijna van overtuigd dat de God van de getuigen van Jehova daar zijn stekje heeft. Vandaag zag ik die muffe straatschuimers weer ineens, twee aan twee, richting de sociale woningen stappen. Misschien dat hun Jehova wel gezegd heeft, dat hij door de jaren heen zoveel leuke gebedjes vanuit de moskee ontvangen heeft, dat hij denkt dat daar zijn achterban nog wel wat zieltjes zouden kunnen overtuigen.  Maar een docent islamstudie gooit roet in het religieuze eten, de Koran staat plots een bidrichting- afwijkingsfoutmarge van 45 graden naar Mekka toe.  Ja voor alles is een uitleg… Bij ons mag een Kerstmarkt,  plots geen Kerstmarkt meer heten om andere geloofsovertuigingen niet te schofferen. Het moet nu wintermarkt zijn. Hebben onze kinderen wegens de neutraliteit dan ook ineens geen kerstvakantie meer?  Moet dit dan niet de wintersveertiendaagse worden?  Nu ben ik zelf een atheïst en ze mogen van mij alle religieuze namen en tekens verbannen. Ik heb daar totaal geen probleem mee. Maar dan ook consequent alle religie tekens. Geen Christelijke kruisen in openbare gebouwen, scholen, banken en bij de bakker naast de kerktoren. En om de atheïsten onder ons niet te schofferen geen tulbanden, keppels, hoofddoeken en alles wat maar enigszins naar het geloof verwijst uit het straatbeeld elimineren en tenslotte iedereen voor zijn eigen religie flink laten betalen . En dan moet de VTM kokkin Dumont, als ze op televisie kookt, ook haar Katholieke kruisjes-oorbellen eventjes uitdoen.   Sim, 30 oktober 2019

Sim
0 0

IEDER ZIJN HOBBY

Moesten jullie ook zo lachen toen dat koddige voetbalmakelaarsadvocaatje kwam vertellen dat zijn cliënt een vurige verzamelaar was van luxe uurwerkverpakkingen?  Geestig hé? Nu verwacht je inderdaad niet van zo’n maffiamakelaartje dat hij postzegels verzamelt, maar je vermoedt dat er minstens een collectie Porches, Ferrari’s of Lamborghini’s in zijn garage zouden staan. Dat zo’n spelersmakelaar een verzameling lege doosjes zou bezitten,waar voorheen voor zo’n kleine 8 miljoen euro aan super de luxe uurwerken zouden ingezeten hebben, dat gelooft toch niemand. Natuurlijk ieder zijn hobby, maar toch… Is er iemand in dit voetbalschandaal al aan de pols gevoeld? Gaan ze de omkoopuurwerken uit de scheidsmouwen schudden? Loert het supportersvolkje vanaf nu naar de polsen van voetballers, scheidsrechters en clubmanagers, kortom naar iedereen die zich met transfers bezighoudt? Of roepen ze vanaf nu, bij elke mogelijk verloren partij, dat de wedstrijd getrukeerd werd?  Operatie Propere Handen ging van start en een aantal witwas-, fraude- en matchfixing- corruptiefiguren werden voor ondervraging opgepakt. Nog diezelfde avond kwam dezelfde roedel ‘rijke- criminele- mensen- verdedigingsadvocaten’ weer met hun aan aandacht verslaafde kop op de televisie blaten dat hun cliënten onschuldig waren. Dat ze alleen maar een beetje zwart geld met Dixan hadden wit gewassen of ze links of rechts misschien vergeten hadden een centje aan de fiscus door te geven. Enfin dat ganse miljoenentransferzaakje gelijkt meer en meer op een corrupte winstgevende mensenhandel.   Gepetto begrijpt het helemaal niet meer. Hoe kon zijn houten pop zijn leugen-dna nog zo kwistig aan advocaten en politici ronddelen? Hebben jullie je ook zo geërgerd aan al die politieke pulp en beleidsbagger? In allerlei kakelprogramma’s lulden alle politici de afgelopen weken elkaar de verdoemenis in. Leuk om te horen dat sommige draaikonten plots aan een soort chronische dementie leden als er met de vinger gewezen werd naar de tijd dat ze het zelf voor het zeggen hadden. Gaan we na de verkiezingen nu eindelijk gezonde, frisse en propere lucht krijgen of blijft het allemaal bij gebakken lucht? Links, rechts kattenvitesse, voetbal en politici in de tutterfles… Ik ben al lang blij dat al die lijsttrekkersdebatten nu eindelijk voorbij zijn, dan kunnen we nu eindelijk opnieuw over belangrijker dingen, zoals Zwarte Piet beginnen kwekken…   Sim, Edegem 17 oktober 2019

Sim
0 0

Goochelaar

Uit wraak omdat ze zijn liefde niet beantwoordde, hakte de goochelaar zijn assistente deze keer echt in twee. Ze had meteen dood moeten zijn. Ontelbare keren had ze in foetushouding in de kist liggen wachten op het moment suprême van de goocheltruc. Ze was nooit bang geweest, tot nu. Nu lag ze languit in de kist. Ze staarde naar het asgrauwe deksel en was doodsbenauwd. Hij had haar opgesloten. Ze hoorde hoe hij zijn zaag optilde en in één vloeiende beweging liet neerkomen in de dunne spleet in het midden van de kist. Ze voelde het koude metaal door de huid van haar buik glijden en haar lijf doormidden klieven. Met geslotenogen wachtte ze tot de helse pijn zou intreden. Maar ze voelde niets, helemaal niets.  Terwijl de goochelaar de twee helften van de kist met een kwaadaardige bulderlach uit elkaar schoof, merkte ze dat ze haar voeten en haar tenen nog kon bewegen.  Het deed haar denken aan de kip van haar grootvader die na haar onthoofding nog enkele meters rondrende. Misschien had haar lijf ook enkele ogenblikken nodig om te begrijpen dat ze eigenlijk pardoes dood moest vallen? Nee, het was niet te vergelijken. Al voor haar decapitatie hadden de hersenen van de kip aan haar poten doorgegeven dat ze moesten rennen. Het rennen van de onthoofde kip is een laatste stuiptrekking van een wezen dat al dood is. Maar zij was niet dood. Zij kon nu, nadat ze in tweeën was gesplitst, nog haar tenen bewegen. Er was een draadloze verbinding tussen haar onder- en haar bovenlichaam tot stand gekomen.  De goochelaar zette de halve kist met haar benen op zolder. De halve kist met haar romp, armen en hoofd zette hij in de kelder. Hij deed niet de moeite om de kist te openen en te peilen naar de schade die hij had aangericht. Eén ding was zeker: hij zou terugkeren. Als hij te weten kwam dat ze nog leefde, was ze een vogel voor de kat. Ze twijfelde soms aan zijn intelligentie, maar een neus voor zaken had hij wel. Als hij haar geheim ontdekte, zou zijn interesse voor haar niet langer romantisch maar commercieel van aard zijn. Hij was immers al jaren op zoek naar die ene goocheltruc die de hele business op zijn kop zou zetten. Het circus was vergane glorie. Mensen keken al lang niet meer op van goochelarijen. Het schouwspel van het wijde web, daar kon geen goochelaar tegenop. Maar dit, dit  was het gat in de markt. Eén vrouw in twee delen. Ze was een soort van wereldwonder. Zij zou mensen weer naar het circus kunnen lokken.  Ze moest vluchten. Naar waar wist ze nog niet. Met een lange jas zou ze haar geheim kunnen verstoppen. Maar eerst moest ze twee halve lijven bij elkaar krijgen. Haar benen waren sterk genoeg om het deksel van de kist met enkele rake trappen uit het slot te doen breken. Alleen, probeer maar eens uit een kist te klimmen zonder armen om je mee af te duwen. Met veel wilskracht lukte het toch. Nu moest ze alleen nog de trap afdalen. Zonder gevaar was dat niet. Ze kon niet zien waar ze liep, maar had ook geen handen om op de tast te gaan. Met aarzelende stapjes bereikte ze de kelder. Terwijl ze op zoek ging naar de halve kist met haar bovenlichaam, viel bovenaan de trap de kelderdeur in het slot. Ze wist nochtans zeker dat ze hem wijd open had laten staan. Ze hoopte tegen beter weten in dat het de wind was die door alle kieren van het verlaten landhuis naar binnen kwam.  Ze voelde zich in het nauw gedreven, nog meer dan toen haar lichaam over verschillende verdiepingen verspreid lag. Als de goochelaar op zolder de lege kist aantrof, zou het niet lang duren voor hij haar geheim ontdekte. Er was geen tijd meer om als een vrouw uit één stuk actie te ondernemen. Haar benen moesten haar uit deze benarde situatie redden. Er zat niets anders op dan te wachten tot de goochelaar naar beneden kwam, en hem dan met een welgemikte trap in zijn nek uit te schakelen. Dat zou haar voldoende tijd geven om haar bovenlichaam te zoeken en te vluchten. Zachtjes sloop ze naar de kelderdeur. Het duurde niet lang voor ze haastige voetstappen dichterbij hoorde komen. Ze kon zijn woede bijna voelen, door de deur heen. ‘Niet weer, het kan niet weer gebeurd zijn’, brulde hij, vlak voordat hij de deur opengooide. ‘Waar ben je, strontwijf?’ kon hij er nog net aan toevoegen, voordat ze de puntige hak van haar rechterschoen in zijn maag boorde. Hij zeeg neer op de grond. Bloed borrelde op langs zijn lippen. Met zijn laatste kracht bracht hij uit: ‘Petra’. Toen was hij morsdood.

Sofie Strubbe
10 2

De fles die eeuwig leven wou

Ik voel een dender terwijl ik door de straat ga. Rustig op en neer schuddend over het asfaltdek. Gehavende grond is niets waard voor dit monster. Ik stel me voor dat goed schudden voor openen zo aanvoelt. Het wegdek moet ondergaan. Ik ben er nog. Meerdere keren vreesde ik te breken. Minstens een barstje te vertonen. Mijn elegante vorm voor eeuwig misvormd. Elk geschud doet mij opschrikken. Zonder inhoud komt alles harder binnen. Dender, dunder, dander. Door de Nationalestraat met het ochtenddauw nog op de stenen voor het Modemuseum. Schud, schud. De café’s en boetieken komen tot leven. Rolluiken schieten wakker zonder te snoozen. De dag begint. Met hen wordt ook de stad wakker. Her en der openen vermoeide ogen. Ze willen niet, maar moeten. Denk ik dan.   Jef en Jos springen van de afvaltruck. Slenterend richting de voetpaden, cirkelen ze hun palmen rond de afvalzakken op de stoepen. In één vloeiende beweging, werpen ze deze netjes in de poep van de afvaltruck. Dat vinden ze grappig, knorrend dat zij het zo graag heeft. Ze spreken over lastige familieleden en imaginaire maîtresses. Geen van beiden erkent de pietluttige armoede van hun fantasie. Het is een in stilte gesloten pact. Ik breng jou niet tot de realiteit en jij mij niet. Samen uit, samen thuis. Jef en Jos slenteren richting de stoep. Hun half kapotte schoenen willen ze niet wegdoen. Ze doen het nog prima. Kakelend over wijven op TV en klojo’s op het cinemascherm, zagen ze zich een weg door de werkuren.   Ik, trillend, lig angstig binnen. Jef en Jos slenterden ietwat geleden mij in één vloeiende beweging van de stoep naar hier. Ik botste naar beneden, mijn verbrijzeling tegemoet. Geheel toevallig, raakte ik geklemd in de hoek. Net boven de graaiende kaken. Jef en Jos zagen me daar niet liggen. Ze dropten meer en meer, zonder mij op te merken. Alles snelde aan me voorbij, maar ik bleef genesteld in de hoek. Ik bleef wachten op een moment. Het moment van mijn val naar boven.   Altijd als ik het wou wagen. Stond Jef of Jos er weer. Was het te gevaarlijk. Waren de graaiende kaken extra hongerig. Ik bleef wachten, nog niet goed durvend. Er komt iets langs. Een andere zoals de monstertruck. Kleiner. Het ding neemt zijn tijd. Zijn moddervette kop geplonsd voor de afvaltruck. Haar kont rekt zich net iets meer open, flirtend met het compacte ding. Ik val spetterpoep-gewijs uit de afvaltruck. De open lucht tegemoet. Vrij. Ik rol verder, in de straat, op de stoep. Verder, de hoek om, met een brede bocht. Ik kan geen dunne bochten nemen. Toch niet iets als ik. Gevormd als een voluptueuze vrouw. Waarom? Dat weet ik ook niet. Iets met vruchtbaarheid, zeker. Is het dat niet altijd. En dan de hoek om.   Laten we even terugdraaien. Terug naar de rust van een glinstering op mijn vorm bij zonsondergang. Waarom viel ik? Wat had het voor nut? Elk ding eindigt in het containerpark, toch? Ik viel omdat ik iets zag. Een foto langs de weg. Een foto van dingen als ik. In een huis, een witte mastodont voor het water. Dacht ik toch, met zwarte accenten. Over dingen die zich na jaren werken ophieven tot kunst. Daar zal ik veilig zijn, bestudeerd door grote, floue figuren. Ze lijken op Jef en Jos, maar toch anders. Ik wil daar zijn. Eeuwig bestaand voor de floue figuren. Ik ga naar de mastodont voor het water.     “Jef?” “Ja, Jos?” “We moeten verder, kaerel.” “Me ni afjoagen, e manneke. Tis ni om ter eerste.” “Lapsjoar.” “Micropenis.” “Wa?’ “Ge het me wel verstoan.” “Was da?” “Was wa? “Daar rolt ne fles over t stroat.” “Stapt dan af en smet diene derin e. Met a gezoag altij.” “Seg, doar wor ek ni voor betoald.”   Ik rol de hoek om. Knullig, val ik in een openstaand gat in de weg. Ik drijf in het water onder de wegen. Soms kom ik langs de plaats voor het afval, de zwart-witte mastodont. Zo dichtbij. Dan drijf ik weer weg met het water. Jef en Jos zijn geen vrienden meer. Jos sliep met de vrouw van Jef. Daar wordt hij niet voor betaald.

Jeroen Meylemans
7 1

De gedachten zijn vrij

Eén boekje heb ik gehouden. Het is niet groter dan mijn hand. De kaft is even oud als mijn grootmoeder was toen ze stierf. Gerimpeld en afgeleefd, de tekenen van vele jaren wijsheid en traditie. Die nu verloren gaat. Het boekje past perfect in de verborgen plooi van mijn handtas. Daar wacht het geduldig in het duister, eeuwig aan mijn zijde. Tot mijn voorzichtige vingers het in stilte openen, een pagina kiezen en het even snel weer wegsteken. Enkel mijn ogen zien wat er geschreven staat, enkel mijn geest registreert de woorden ‘God’, ‘Jezus’ en ‘de heilige maagd Maria’. Ik durf er met niemand meer over spreken. Mijn kokoshouten kruisje heb ik verbrand, zoals de enorme stapel bijbels op de Vrijdagmarkt vorige zomer… In de verte klinkt het gezang vanaf de nieuwe minaret van Gent-Centraal. In het appartement boven mij hoor ik gestommel. Getrouw was ik mijn hoofd en handen, neem ik mijn matje en buig naar de grond. Duidelijk zichtbaar bij het raam, voor de eeuwig spiekende camera’s. Buren die je verraden en controleurs zijn overbodig geworden. Big brother Ali is ever watching. Ik buig me naar de grond en fezel het verplichte gebed. In mijn hart lach ik. Er is maar één God en ik bid tot Hem om de vrijheid van vroeger. Arabisch of Nederlands, gebed blijft gebed. De camera’s leggen mijn bewegingen vast, maar in mijn hart kunnen ze niet zien dat ik de woorden uit mijn grootmoeders Zielebalsem bid.   Lyne Uytterhoeven

Lyne Uytterhoeven
14 0

Huiswerk

‘Come on let it go-oooo, just let it be-eeee, why don’t you be you-uuuu and I’ll be me …’ Hardop zing ik de woorden mee. Ik staar naar het scherm van mijn laptop. Het Word-bestand is één grote grijze massa en als zelfs de oude Griekse beschaving om elf uur ’s avonds niet meer inspireert …Ik kijk op bij de tik op mijn schouder en trek de koptelefoon van mijn hoofd.‘Hé idioot, wat zit jij depri mee te jengelen.’‘Hou je kop, Daan!’‘Ga je mee naar Lucia’s? Rik en Tony zijn er al.’Ik schud mijn hoofd en kijk opnieuw naar mijn beeldscherm. ‘Dit moet voor twaalf uur naar Starings Postvak IN. Je weet hoe hij is.’Ik grinnik als Daans gezicht betrekt. Een zware hand valt op mijn schouder en vol medelijden zegt hij: ‘Man, succes. Maar je komt na de tijd nog wel een biertje doen?’‘Ja misschien, ik heb wat hoofdpijn. Ik laat het nog wel weten.’Daan haalt zijn schouders op. ‘Later, man!’ De deur valt achter hem dicht.Ik zet Shape Of You van Ed Sheeran op minimaal volume en lees wat ik tot nu toe heb geschreven.Als historisch figuur heb ik koning Leonidas I van Sparta gekozen, maar verder dan zijn connectie met de Slag bij Thermopylae en de film 300, ben ik nog niet gekomen. Wie was deze koning? Hoe leefde hij in Sparta? Leefde hij anders dan zijn onderdanen? Wat is de voorgeschiedenis van de slag? Ja, ik heb nog wat werk te doen en ondertussen nog drie kwartier de tijd.   Het is drie minuten voor twaalf als ik mijn bestand upload en naar Staring verzend. Opgelucht droog ik de binnenkant van mijn handen aan mijn spijkerbroek. Niet mijn beste werk, maar ik heb het toch maar weer gered. Om van mijn opgejaagde gevoel af te komen scrol ik wat door Facebook. Er staan verschillende foto’s op van mijn vrienden bij Lucia’s. Ik besluit gauw een douche te nemen en dan ook te gaan.Het warme water is heerlijk. Mijn ledematen worden zwaar en ik gaap. Ik poets mijn tanden en droog mij af. In de spiegel zie ik de wallen onder mijn ogen. Snel stuur ik Daan een berichtje en dan trek ik een schone pyjamabroek en T-shirt aan. Een avondje Netflixen is ook helemaal niet verkeerd, denk ik bij mijzelf. Ik installeer mij met een glas Cola op de bank en start de eerste aflevering van de American Horror Story.   Na een tijdje hoor ik de deur open- en dichtgaan. Ik steek mijn arm in een zwaai boven de bank uit en zeg, ‘Deze serie is echt geweldig Daan, heb jij ‘m al gezien?’Daan geeft geen antwoord.Ik duw mijzelf overeind en reik naar de afstandsbediening voor de pauzeknop. Ruw wordt er iets over mijn hoofd geschoven. Het is pikkedonker. Het materiaal ruikt muf. Hardhandig word ik op mijn buik op de bank gedraaid. Voor ik kan reageren zijn mijn handen bij elkaar gebonden en hoe ik ook mijn best doe, mijn enkels zijn daarna aan de beurt.‘Daan, ben jij dat? Hou op man, dit is echt niet grappig!’Ik hoor schoenen op de houten vloer, maar verder is er geen enkel geluid.Handen grijpen me onder mijn oksels en bij de enkels. Ze tillen mij op. Wild kronkel ik heen en weer, maar het helpt niets. De deur gaat open en dicht achter mij.‘Help! Help, ik word ontvoerd!’ schreeuw ik.Het duurt maar even voordat ik wind op mijn blote armen voel. Opnieuw gaat er een deur open. Onzacht beland ik op een metalen ondergrond, de deur sluit achter mij. Even later start een motor en komt het voertuig, een busje denk ik, in beweging.Wie zijn dit? Wat willen ze van me? Het is niet alsof ik geld heb. Of mijn ouders. En waarom hebben ze mij? Wat heb ik gedaan? Ik doe niet aan drugs, ik drink bijna nooit, ik steel niet, doe niet aan internetcriminaliteit, heb nog nooit iemand vermoord; zelfs nog nooit publiekelijk ruzie gemaakt! Mijn gedachten schieten van hot naar her en ineens denk ik aan Daan.Hij gebruikt wel eens drugs. En hij heeft ook wel eens wiet verkocht. Is hij geld schuldig? Denken ze dat ik Daan ben? Of ben ik onderpand? O, God, waar ben ik in terecht gekomen …Ik haal met diepe teugen adem; in door mijn neus, uit door mijn mond.Ik leef en ondanks dat we al een poosje rijden zijn we volgens mij nog in de bewoonde wereld. De bossen rondom de stad zullen we niet komen. Toch?‘Gaan jullie me vermoorden?’ vraag ik met een onherkenbare piepstem.Na een paar minuten komt het busje tot stilstand. De achterdeuren gaan open.‘Help! Help me dan toch! Ik word ontvoerd! Hoort iemand mij?’Er opent een deur. Een tel later voel ik de hitte op mijn armen. Ik hoor muziek en mensen lachen.Onzacht val ik op mijn kont. De blinddoek verdwijnt en ik sluit mijn ogen tegen het plotselinge felle licht.‘Je zei dat je niet meer kwam.’ Ik open mijn ogen en kijk naar Rik.‘En daar waren wij het niet mee eens,’ zegt Tony naast hem.‘Dus besloten we je maar op te halen,’ sluit Daan af.‘Biertje?’ vragen ze tegelijk.

schaapschrijft
0 0

Bank

‘A zo ne joekel Frans, da kunde gij nie geloven…’ ‘Meent ge dat Gerard?’ ‘Ja, ze zeiden dat ze zoiets nog nooit hadden gezien.’ ‘Echt?’ ‘Echtig en echtig.’Gerard overdreef meestal royaal en zonder verpinken, en bracht alles op zo’n manier dat je niet anders kon dan het geloven. En zeker Frans, die was er altijd mee weg, een simpele goedzak die van al die sappige verhalen hield. Het deed er niet toe of het waar was of niet, verhalen uit de mond van Gerard waren een feest. ‘Normaal geven ze het mee in een plastic potteke om thuis op de kast te zetten.’ ‘Ja da’s juist’ zei Frans. ‘Wij hebben van ons Germaine ook ergens nog zoiets staan.’ ‘En Frans, ge gaat het misschien nie geloven’ en hij stak zijn vinger als een uitroepteken omhoog, ‘maar die van mij hebben ze in een curverbox moeten steken.’ ‘Ga weg Gerard, dat kan toch niet!’ ‘Nee, echt ! Op het hoofd van mijn kinderen.’ ‘Gij zijt toch niet te schatten gij hé.’ ‘Ze dachten daar dat ik schedels of zoiets verzamelde als ze mij met die doos zagen.’ ‘Serieus? Dachten ze da van die galsteen?’ ‘Ik was wel opgelucht dat die smeerlap d’r uit was. Ik was gelijk zeven maand ver.’  zei Gerard, en leidde ondertussen zijn volgende triomftocht in. ‘En afgezien!’ deed hij er met schepje bovenop. ‘De dokter zei dat hij nog nooit zo ne moedigen mens gezien had.’ ‘Ja Gerard, gij zij wel ne sterke mens hé’  zei Frans bewonderend. ‘En Frans, echt, zeker acht man rond mij in die operatiezaal, en alleen voor mij. Die annestiest zat naast mij maar de rest liep gedurig rond.’ ‘En wat deden die allemaal dan?’ vroeg Frans. Gerard ging er niet op in. ‘Ik wou eerst geen verdoving, het zal wel gaan zei ik, geen probleem, maar ze wilden dan toch iets geven, omdat ze zo met mij inzaten. Sympathiek hé?’ ‘Ja, die mannen zijn da gewoon hé Gerard, die doen nie anders.’ zei Frans een beetje naast de kwestie. ‘Maar wat is, Frans, ik zal nu wel een andere manier moeten zoeken om mijn gal te spuwen’ zei Gerard, en hij lachte om zijn eigen grap die hij al voor de vierde keer die week had rondverteld. Zijn vriend glimlachte dunnetjes mee, maar hij begreep het niet echt. Frans was niet zo’n groot licht, eerder een lampje van tien watt. ‘Hoe bedoelt ge Gerard?’ ‘Wel ja hé Frans. Gal, galstenen, de gal is er nu uit, verstaat ge?’ Gerard helde plots over naar links en liet een kanjer van een scheet. ‘Né, die moest er uit’ zei hij voldaan. Frans lette nauwelijks nog op die vettigheden, hij was het ondertussen gewoon. Rochelen, vlak naast naast hem op de grond spuwen waarbij soms iets op Frans’ schoenen terechtkwam, neuspeuteren, gatkrabben, kruisnijpen, hij zag het al niet meer. Frans stond op het punt nog iets te zeggen, maar alweer kapseisde Gerard en liet een tweede harde scheet. ‘Vlieg maar uit schatje, ’t zal je deugd doen. Mij alleszins wel.’ zei hij. Frans zag de ruïnes van Gerards’ voorste tanden terwijl hij zichzelf weer grappig vond, en hij dacht aan wat Germaine als avondeten ging klaarmaken.  

Lode Van Wabeke
39 0

Perfectie.

Het perfecte huis met de perfecte man, de perfecte baan, de perfecte vrienden, de perfecte avond uit. Allemaal in de perfecte stad. Het perfect dagje uit. De perfecte vakantie. Het perfecte popje. A sorta fairytale.   The perfect ABBA-song. De perfecte maaltijd. De perfecte stilte. De perfecte aankoop. De perfecte vrouw. That perfect dress. The perfect perfume. De perfecte kleur. De perfecte vriend. De perfecte snijboon. De perfecte pint. De perfecte lijn. De perfecte jeans. De perfecte huid. The perfect deal. De perfecte kandidaat. Het perfecte kapsel. The perfect lover. Un plan parfait. Un amour parfait. The perfect dream. Une taille parfaite. L’âge parfait. De perfecte prefect. De perfecte perverse prefect. Het puntje op de “i”. When push comes to shove. Al bij al. « Et alors ? » Het perfecte boek. De perfecte toon. Het perfecte licht. Het perfecte uur. Parfaitement à l’heure. Le moment parfait. Het perfecte misverstand. Een perfect alibi.   De perfide minnaar.   “Tu m’as parfaitement compris”, dit-elle les yeux enragés, « tu sais parfaitement ce que je veux dire ». D’un seul mouvement de la main, elle brisa la fenêtre qui donne sur le boulevard. L’air frais de Paris remplissa ses poumons. Elle ressentait que la maison se libérait de ses angoisses, comme l’air qui s’échappe d’un ballon. Devant une telle rage, il ne pouvait que l’aimer. Elle avait retrouvé sa liberté. Elle avait tué son âme. Elle était belle. Elle était libre.                                                            Rien n’est parfait. La réponse serait-elle dans le passé, le plus que parfait ? A Paris on a la réponse parfaite pour tout.                                                                                        « Viens… on rentre ». Il mit ses bras protecteurs et musclés autour de lui. Il commença à pleuvoir. Il commença à pleurer. Dans cet instant parfait, il l’aimait. Il se sentit protégé et réconforté. Cette nuit-là, pour la première fois depuis longtemps, dans les pleurs de ses yeux, il retrouva le repos tant recherché.

Erwin Abbeloos
0 0