Zoeken

Warhoofdstuk 48896A

Mijn ogen tranen nog voor ik ze openkrijg. Ik moet ze ook niet openen. Ik zie toch niet veel door een donderwolk heen. Ik blijf liggen. Geen enkele zenuw in mijn lichaam werkt nu waarschijnlijk. Mijn moeder is dood en daar kan je niets aan veranderen. Het is gek. Hoe kan een deel van iemand nu verder leven zonder zijn oorzaak? Dan denk ik aan het kalfje in de wei. Hij heeft het ook gehaald. Geen mama koe meer om hem te voeden. Hij is er ook nog. Ik wil ook het kalfje zijn. Maar dat gaat niet. Ik ben wel verloren. Mijn moeder stierf en ik keek ernaar.  Ik durf mijn ogen niet te openen. Ik durf deze dag niet instappen. Mijn bed niet uitstappen. Niet weer met het verkeerde been… Luidkeels pakt Rilo me bij mijn haar. Hij trekt mijn ogen open en lacht heel diep. “Vandaag RILODAG! We doen alles wat ik leuk vind!” Ik versteen. Ik wil niet met Rilo mee. Niet nu mijn mama me niet kan helpen. Niet meer kan helpen. “Ik ga mezelf broodroosteren ” piep ik tegen Rilo en vlucht naar beneden. Ik wil geen Rilo meer zien. Mijn hand wil de klink nemen om de deur te openen. Maar ik zie het nut er niet van in. “Gewoon openduwen” giechelt Rilo. “Niet veel moeite doen vandaag!” Ik neem mijn voet en plaats die hard tegen de deur. Ik heb geen zin om tegen te spreken, geen zin om deuren te openen, geen zin in vandaag. De bonk klink als een ontploffing in het huis. Ik denk aan mijn hoofd. Mijn hoofd is ook een beetje een huis met ontploffingen. “Kan het wat stiller!” schreeuwt moeder. Ik zie ze als een bol wol voor mijn kattenogen zweven. Ze is er. Ze staat er. Geen dode mama op deze dag. Ik had moeten weten dat ze uit de dood kon ontsnappen. “Goedemorgen?” vraagt moeder me. Ze knijpt een oog toe en kijkt me met een schuin hoofd vragend aan. Ik ga aan tafel zitten. Ik begrijp het niet. Oma is nooit uit de dood teruggekeerd. Ze zit nog altijd vast. Mama kijkt me bezorgd aan en zucht. Ze begrijpt dat het Rilodag is. Mijn mama begrijpt altijd alles. Ik heb geen zin in school. Daar zitten stoute roddelende mensen die je vriendinnen noemt. En stomme kwajongens waar je verliefd op moet worden. Ik hoop dat Rilo niet meegaat. Dat is het enige wat ik nog hoop op deze sombere dag.

Isolde Tak
0 0

Tik. Tik. Tik.

Sommige dagen zijn goed. En ’t zou een leugen zijn om te claimen dat deze dagen niet durven uitlopen tot weekends of zelfs volledige weken. Nooit maanden, welteverstaan. Zo werkt dat niet, ten huize Dupont. Neen.   Want wanneer gezapige rust zich nestelt in de stoffige hoeken van het krakende appartement, wanneer woorden hun scherpe bijklank bijna vergeten zijn en er af en toe zelfs een vage lucht van plezier in de lucht hangt, dan knapt er iets in het hoofd van Anita. Dan ligt de rotversleten parket boordevol oud en opgestapeld hartzeer, tot de slordig geschilderde muren bijna barsten van bulderend verdriet. Een huis boordevol valstrikken, die liggen te hunkeren om beroerd te worden.   “Mama, ik ben klaar om te gaa-haan!” Ik stuiter enthousiast mijn kamer uit, stuif de leefkamer binnen en wip verwachtingsvol van voet naar voet. Vandaag is het ein-de-lijk zo ver, vandaag is het de dag die Mama aan mij beloofd heeft als beloning omdat ik ‘eindelijk toonde toch eens een goei kind te kunnen zijn’.   “Mama?”, vraag ik een klein beetje verward. Mama zit nog gewoon in de zetel, in haar pluizige badjas. Die badjas waar ik soms mijn gezicht in begraaf omdat die helemaal naar mijn Mama ruikt en dat vind ik fijn. Ik kijk een beetje beduusd naar de klok op de muur: tien uur, zoals beloofd. Ik weet niet wat er aan de hand is, maar de doodse stilte in de leefkamer laat mijn tenen krullen. De klok, de klok die ik zo haat omdat ze met haar luidruchtig gehamer te veel aandacht opeist, tikt onheilspellend.   Tik. Tik.   “Mama?”, vraag ik met een hoopvolle glimlach.   Tik.   “… Mama?”, aarzelend, dit keer. Met een lichte daver in de laatste klinker.   “Gaat ge nu godverdomme ook nog het arrogante lef hebben om mij te vragen waarom ik geen godganse dag met u op stap wil gaan, Lize?!”, spuwt Mama uit het niets. Vlijmscherpe woorden die nauwkeurig hun doelwitten bereiken. Haar vergif raakt mij onverwachts in mijn middenrif en ik knipper verbouwereerd vier keer met mijn ogen.   “Oei, mama, maar, sorry, maar ik wist echt niet dat gij boos op mij waart ik dacht dat ik-”   – “STOP-T met die schijnheilige excuses, Lize.”   Exact zo zegt ze dat, trouwens. Ze spuwt de ‘p’ uit, laat die even doelloos in de lucht ronddansen – en kleeft er vervolgens nog een ‘t’ achteraan. “Stopt ermee”, herhaalt ze vervolgens op een zachtere toon, terwijl op haar gezicht de teleurstelling van de wereld af te lezen valt.   Ik zwijg. Ik kijk beteuterd naar mijn voeten, die enkele minuten geleden nog verwoed dartelend deze ijzig koude atmosfeer instormden. Ik denk hard na over wat ik misschien gedaan kan hebben om Mama wééral zo hard teleur te stellen.   “Wat is er, Lize? Tong ingeslikt?”, de kille stem van Mama onderbreekt mijn gedachten. Ik probeer de krop in mijn keel weg te slikken, maar er zit een nog grotere prop angst in de weg. Mijn ogen vullen zich met lastige tranen, die ervoor zorgen dat Mama dreigend heen en weer deint – en soms zelfs verdubbelt.   “Hè?”, klinkt het vervolgens dreigend, met een stem die schrikbarend schel de hoogte ingaat. “Wat is ‘t? Is ’t zelfs teveel gevraagd om uw eigen moeder recht in de ogen te kijken?!” Ik durf niet te kijken, maar ik weet dat het moet. Dus ik sla mijn ogen op. Daardoor vallen er twee verraderlijke tranen op mijn wangen. Ik stel me voor dat ze geluid maken.   Links-rechts. Pling-plonk.   Ik kijk naar haar en zij kijkt naar mij. Groenblauw zoekt aarzelend toenadering tot zwartblauw, maar wordt spottend de deur gewezen. “Oohoohoh. Oooh, nee”, sputtert Mama verontwaardigd. Ik voel mijn ogen wijd opengaan van schrik, ik denk dat ik weer iets verkeerd heb gedaan, maar ik weet niet wat. Ik blijf Mama aankijken en ik voel mijn wenkbrauwen vragend omhoog krullen.   “Gaat ge het zo spelen, Lize?”, zegt ze vervaarlijk, met lage stem. “Gaat GIJ”, wijzend naar mij, “nu echt bleiten, terwijl de enige dat hier zou moeten beginnen bleiten… de mama is?!” Die laatste zin versterkt ze door naar zichzelf te wijzen. De Mama.   “Sorry, mama”, fluister ik stilletjes. “Wablieft?”, treiterend nu. “Ik versta u niet, Lize.”   Stilte.   “Hmm? Voor een kind dat normaal geen twee seconden haar mond kan houden, vind ik dit toch wel teleurstellend”, spot ze venijnig. “Sorry, mama”, herhaal ik, luider dit keer. “Waarvoor?” “Huh?” “Waarvan. Hebt. Ge. Spijt”, verduidelijkt ze, waarbij ze van elk woord een aparte zin maakt. “Dat ik Mama weer teleurgesteld heb?”, probeer ik dapper. “Goed geprobeerd, Dupont”, snijdt ze terug. “Goed geprobeerd om weeral te liegen tegen de mama. Gij denkt echt dat ik een debiel ben, hé? Denkt gij echt dat ik zo dom ben, of wat?” “Maar mama, maar nee, dat denk ik toch helemaal niet, ik wil gewoon sor-” “GE-LIEGT-TEGEN-MIJ-LIZE”, brult Mama plots. Haar woorden volgen mekaar razendsnel op – in één ademhaling, zodat het lijkt alsof ze maar één woord gezegd heeft. “GE WEET GODVERDOMME NIET EENS WAT GE VERKEERD HEBT GEDAAN”, raast ze hysterisch verder.   Ik kijk terug naar beneden. Mijn tranen blijven heet komen en werken zich gestaag een brandende weg naar buiten. Eerst op mijn wangen. Pling-Plongk. Om vervolgens een duizelingwekkende val te maken, tot recht op het parket tussen mijn voeten. Ik durf niet meer op te kijken en focus me op de kleine plasjes verdriet die zich langzaam maar zeker vervoegen bij de schaduw van hun voorgangers. Mijn hoofd gonst van blinde paniek en mijn mond is droog. De tranen blijven komen. Mijn gedachten struikelen over elkaar terwijl mijn lippen koppig gesloten blijven. Ik weet het niet. Ik weet het echt niet.   De plotse stilte in huis, gevuld met geluidloze echo’s van Mama’s koude woorden, drukt schreeuwend op mijn trommelvliezen.   Tik. Tik. Tik.   “Ga weg.” “Maar ma-” “Bol het af, Lize. Echt. Soms weet ik niet hoe ik het uithou met een kind gelijk gij.” Ik blijf staan, want ik denk dat mama dat eigenlijk wil. Ik hoop dat dat is wat ze eigenlijk wil. Ik blijf een beetje dralen, maak halfslachtig aanstalten om te vertrekken, maar dwing mijn voeten om stevig te blijven staan – ook al schreeuwt mijn lijf om weg te rennen.   Naar boven kijken, dat durf ik nog niet zo goed. Dus ik blijf staren naar mijn schoenen, die aan de tippen een beetje versleten zijn.   De televisie springt aan. De lederen zetel kraakt een beetje wanneer Mama zich comfortabel in haar hoekje nestelt. Buiten blaft een hond. Mijn voeten beginnen te zeuren omdat ze al zo lang, zo stil staan. Mijn hoofd lijkt te ontploffen en mijn lichaam weigert te bewegen en ik wil weggaan maar ik denk écht dat ik moet blijven staan en-   “Lize. Als ik u godverdomme nog één keer moet zeggen dat ik wil dat ge weggaat, dan gaat ge niet weten wat er gebeurt.” IJzig kalm, zo zegt ze dat. “Ge moogt beschikken”, vervolgt ze. “Weet ge wat dat betekent?” Ik schud aarzelend van ‘neen’. “Dat betekent, dochterlief, dat ge niet meer gewenst zijt.”   * * * “En, en, eeeeeen?!”, vraagt Anna enthousiast. “Hoe was je superdate met je mamaa-haah-aa?”, zingt ze er goedgezind achterna. Ik glimlach.   “Het was écht zalig. Ik heb alles gekregen wat ik wou hebben.” Anna glundert.  

Britt Libot
0 0
Tip

De slechtste dingen in het leven zijn gratis - Rookwolken

Het verbergen van mijn rookgewoonte, is één van de lastigste dingen ooit te verbergen voor mijn vader. Zeker wanneer dat niet het enigste is wat ik verberg. Ik verberg veel dingen. Daar kom je later nog wel achter. Ik absorbeer geheimen. Niet enkel de mijne, maar die van iedereen rond me. Van de krassen op Luna’s arm, tot de verstopte alcohol flessen van mijn moeder.   En ik sluit ze allemaal op, die geheimen. Ik stop ze in een doos, of beter gezegd een kamer. Want een doos zou te klein zijn. Dus ik stop ze in een kamer en doe de deur op slot. Soms s’nachts als ik me alleen voel ga ik er eens binnen en rook een sigaretje of drie. Dan ben ik alleen met al die geheimen, weetjes die niemand anders weet behalve ik en hun scheppers. En terwijl ik de laatste peuk uitdruk, denk ik aan hoe graag ik zou willen dat ik nog een sigaret had. Nog een laatste nicotineshot voor ik weer binnenstap in een wereld waar ik niet echt wil zijn. Ik bedoel, dit leven valt nog wel mee hoor...Het is gewoon niets voor mij, en dat is het ook nooit geweest. En zal het nooit zijn, denk ik. Maar goed, ik adem, ik eet, ik wandel, ik ga naar de wc. Kortom ik leef, en ik zal het maar moeten doorstaan. Want veel kan ik er niet aan doen, oké zelfmoord is een idee. Maar geen optie. Zo ben ik niet, zo ver zou ik niet gaan.   Na dat ik de deur weer op slot draai, bevindt ik me weer op mijn zolderkamer. Als ik rond me kijk zie ik drie houten gelamineerde muren en één opvallende neongroene muur. Bij de groene muur hoort een vierkant raam. Er staat een krukje voor. Op dat krukje, zit ik. Rustig starend naar buiten. Ik kijk toe hoe de volle maan ons kleine tuintje verlicht en hoe de schommels meewiegen met de wind. Ik beeld me in hoe het vroeger was om te schommelen. Om de wind door mijn haren te voelen strijken, en zo hoog te schommelen dat ik de wolken bijna kon proeven. En dan realiseer ik me dat ik me nooit meer zo gelukkig zou kunnen voelen als jaren geleden. Toen zorgen, pijn en verdriet nog onbekend voor me waren. Toen de wereld nog van mij was.   Ik sta op en loop naar de badkamer om wat water op mijn gezicht te spetteren. Dagdromen over vroeger heeft helemaal geen zin. Het leidt enkel tot teleurstelling. Teleurstellingen die ik had kunnen vermijden... Het koele water verheldert mijn warrige hoofd voor even. Ik kijk op, in de spiegel, en zie een lijkbleek meisje terug staren. Haar make-up helemaal uitgelopen. Ik kijk hoe het water van haar gezicht afdruipt. Mijn gezicht. Mijn eens zo heldergroene ogen, zijn vervaagd tot een wazig onherkenbaar groen. Ik denk wel dat je kan zeggen dat ik zelf ook onherkenbaar ben geworden. Het wit van mijn ogen ziet vuurrood, het lijkt ontstoken.  Ik buig mijn hoofd zachtjes naar links en maak een dotje in mijn haar. Mijn sleutelbenen steken uit. Ben ik afgevallen? Het lijkt wel zo. Ik open het kastje rechts van me en neem er wat de-make up watjes uit. Na dat ik het laatste beetje zwart afveeg lijk ik niet meer op een mislukte wasbeer. Ik lijk meer op een geest. Nee dat ook niet. Ik lijk op niets. Ik lijk onzichtbaar.   Langzaam aan keer ik terug naar mijn kamer. Het enigste geluid in huis is het gesnurk van mijn vader en de gierende wind van buiten. Eenmaal op mijn kamer kijk ik op de klok. Het is half vier s’ochtends. Tijd om te gaan slapen. Ik steek mijn gsm in zijn lader en ga liggen. Ik sluit mijn ogen en hoop dat ik morgen nog kan doorstaan. Dat moet wel.

Lana Salamone
71 1

Boodschappen

Het duurt even voor ze gevonden heeft waarvoor ze naar de supermarkt gekomen is. Aan de kassa spreken jongeren in een vreemd taaltje tegen haar. Ze verstaat ze niet, nerveus wordt ze er wel van. Willen die iets van haar, of  heb ik iets fout gedaan? Met twee volgestouwde tassen verlaat deze dame op leeftijd de supermarkt. Regelmatig moet ze deze neerzetten om even uit te blazen, zodat ze de mensen in de omgeving kan bekijken.      De jongeren van aan de kassa komen nu naar buiten en hebben haar schijnbaar gezien, want ze komen haar richting uit. Verschrikt neemt ze haar last terug op en zo snel ze kan stapt ze verder. Vanaf nu kijkt ze bezorgd om zich heen. Bepaalde mensen blijft ze langer aanstaren. Wanneer dezen terugkijken, versnelt ze haar stap. Meer en meer begint ze de voorbijgangers te begluren. Verborgen onder haar hoedje observeert ze iedereen. Aan het eerste kruispunt zet ze met een zucht de te zware zakken neer.      Aan de overkant zijn een paar donkerder jongens veel lawaai aan het maken. Ze moet deze passeren, met die zware tassen kan ze geen omweg maken. Toch blijft ze langer wachten, twijfelend of ze wel langs die jongens zal lopen. Voor alle zekerheid kijkt ze achterom of daar ook al geen donkerder personen zijn die haar aan het achtervolgen zijn.      Toch niet, ze pakt haar tassen en zo snel ze kan steekt ze over. Uit voorzorg neemt ze de zijkant van het voetpad, zo ver ze kan van die amokmakers verwijderd. Gelukkig zeggen of doen ze niets. Toch versnelt ze haar pas nogmaals. Ze durft niet meer om te kijken en loopt zo snel mogelijk naar de volgende hoek, waar ze iets verder woont. Als daar maar weer geen onbetrouwbare mannen rondhangen.      Hijgend kijkt ze toch achterom en ziet rechts van haar een struise donkere man afkomen. Die lacht zijn tanden helemaal bloot, wat is die van plan? Ze wendt haar gezicht geschrokken af en steekt de straat onverhoeds over. Die man achtervolgt haar , sneller kan ze echter niet meer. Ze struikelt bijna over de opstap en moet even blijven staan om haar evenwicht te herstellen.      "Mevrouw Willemse!" – hoort ze achter zich zeggen – "mevrouw Willemse."      Geschrokken en met een bang kloppend hart kijkt ze om. Daar staat die man, hoe kent hij haar naam?      "Mevrouw Willemse, wil ik even uw zakken tot thuis dragen. Ze zijn duidelijk te zwaar voor u."      Wat bedoelt hij daar nu mee? Hoe weet hij waar ik woon? En kan ik dat zomaar vertrouwen? Je hoort en leest er meer dan voldoende over de laatste tijd.      Ze neemt haar tassen snel op en probeert terug te vertrekken. Die man heeft echter reeds een tas gegrepen , waardoor die uit haar hand schiet.      "Kom geef de andere tas ook maar, zo kan jij je sleutel al nemen voor je appartement.      Verbouwereerd kijkt de dame nogmaals naar die man. Ze voelt zich hulpeloos met de afgenomen zakken. Toch volgt ze hem zo snel mogelijk, ze wil haar boodschappen terug. De man heeft de deur van het appartementsgebouw geopend en komt nu terug naar haar toe. Hij reikt haar een arm en zegt:      "Kom, steun even op mij tot thuis. Ik maak je direct een lekkere tas thee, zoals ik de laatste keer gemaakt heb."    

Luc Van Roosbroeck
0 0

Eerste persoon meervoud

  Het is ongewoon stoffig in de hoek van de turnzaal. Bij het boenen van de springbok voel ik in mijn achterhoofd een kleine snok, een elektrische stroomstoot. Zo’n pijnscheut die je krijgt als je je hoofd bruusk een kwartslag naar rechts of links draait. Ik wrijf de tinteling met mijn hand in de nek weg. Een scherpe toon suist een paar tellen na in mijn beide oren.   Twaalf jaar al werk ik dagelijks mijn stofronde secuur af. In de voormiddag de gangen en de refter, in de namiddag de turnzaal en de klassen. Klusjesman, conciërge, poetsploeg, in het college ben ik het allemaal. Het is niet zo dat ik mijn job niet graag doe of dat ik ermee aan het maximum van mijn capaciteiten zit. Neen, gewoon, ik maakte mijn school niet af. Dit is het alternatief.   Als ik na mijn ronde mijn werkplunje uittrek, loopt het goed mis. Een intense toon doet me een paar seconden het bewustzijn verliezen. Thuis verzwijg ik de uitval wijselijk en surf ik er in het wilde weg wat op los, op zoek naar een verklaring. Vergeefs. Morgen in alle stilte naar de huisarts dan maar.   De wachtzaal zit propvol. Fijn, denk ik terwijl ik wat onderuitzak, in een consultatie van hoogstens tien minuten zal ik een voorschrift op zak hebben. Wat pijnstillers of relaxatieoefeningen, meer hoef ik niet.   Mijn arts luistert amper als ik mijn symptomen beschrijf, ze vult gejaagd mijn elektronisch patiëntendossier aan. Naarmate ik meer details geef, stopt ze abrupt en vraagt me ietwat opgejaagd: “Wat is uw beroep ook weer, meneer Novak? Zou u kunnen zeggen dat u dagelijks veel van uw brein vraagt?” Ik antwoord oprecht neen en heb er meteen spijt van. Ze is op haar hoede. De volgende vraag stelt ze achteloos maar ik zie dat ze het antwoord belangrijk zal gaan vinden. “U hebt onlangs een ongewone, indringende toon gehoord?” Ik knik. “Een kleine schok gekregen?” Ik knik. Opnieuw.   “Geen reden tot ongerustheid, Dennis.” Ze gebruikt met klem mijn voornaam. “Maar ik denk dat we even je”- ze tutoyeert me – “breinprofiel en biostatistieken moeten uitlezen. Plaats je even deze chip achter je linkeroor? Druk maar hard aan. Zo. Het afgelopen jaar staarde je exact 2313 keer zonder noemenswaardige gedachten in de verte. Je aantal inactieve breinuren is zienderogen opgelopen. Dat kan maar één ding betekenen, Dennis. Je bent op dit moment deel van een globaal, neuraal netwerk. In mijn praktijk de eerste.“ voegt ze er fijntjes aan toe.   “Wie het geluid oppikt” gaat ze zonder verpinken verder “beschikt over een gezond brein, maar eentje, laten we het maar uitdrukkelijk zeggen met onbenutte capaciteit. Het Brain4all project benut ongebruikte synapsen – dit zegt ze echt! – en brengt ze samen in een krachtige, humanoïde supercomputer. Na de eerste toonwaarneming verlopen er exact 24u voor je integraal deel bent van een gigantisch, neurologisch netwerk van individuele breinen.” Ze sluit het scherm met een klap dicht.   “Fantastisch toch! De mensheid vergroot zo zijn rekenkracht én redeneercapaciteit. Aanzienlijk. Een logische stap in de evolutie. Stel het je voor, Dennis, als een vlucht spreeuwen die samen in de lucht immens mooie figuren maken, waarbij nu eens de een dan weer de ander de leider is. Je synapsen zijn,” ze checkt het uur, “over exact 90 minuten jouw gift aan de mensheid.” Ze besluit koel: “Je hebt daarnet trouwens zelf achter je linkeroor een kleine sensor aangebracht, daarmee monitoren we continu je biologische processen.”   Ik, Dennis Novak, voel me onwezenlijk. Nog 90 minuten puur mezelf, daarna één met de breinmassa. Wat zei ze weer? Over de vlucht spreeuwen, nu eens de een dan weer de ander de leider. Een leider zijn, iemand die het voortouw neemt. Ik deed het nooit. Was dat verkeerd? Elke mens denkt elke dag zo’n 50.000 gedachten. Zit de essentie van mijn zijn in die gedachten? Ben ik die gedachten? Mijn eerste persoon is zo meteen een eerste persoon meervoud. De plek achter mijn linkeroor jeukt. Is dit een zinvolle gedachte?

Hilde Devoghel
0 1

Beproeving

  De beproeving, zei je nog. Een inderdaad, het is zondag ochtend en ik kom tot de conclusie dat het een beproeving voor mij is. Ja, dat ook. Niet voor jou of voor jullie, maar voor MIJ. Nooit gedacht dat stilte zo moeilijk te verwerken is, waar ik anders toch van rust hou. Ik wil dat je geniet, en denk dat jou dat aardig lukt. Meer als aardig zelfs…………ik zie je al schrijven: het was erg leuk, ik ben verliefd. Zij is het…………….Ik reken ermee! En ik wil dat ook jij liefde hebt in je leven…………maar waarom doet het zo een pijn?   Hoe komt dat toch? Ik heb mijn handen vol, heb mijn agenda druk geplant zodat mijn gedachten niet kunnen gaan wandelen. En toch, ik heb een ding over het hoofd gezien: de nacht. Als uit de stilte, doodstilte wordt en mijn hersenen beginnen te werken. Als iedereen om me heen slaap, zelfs jij, langs haar………ergens duizenden kilometers van mij vandaan. Zelfs dat geeft me onrust. 3 nachten al slapeloos. Het zijn geen honderden kilometers meer maar duizenden. En dan denk ik: is ook dat een teken? Scheiden ons nu al duizenden kilometers. Waar alles in grote aantallen anders zo leuk was. Bijvoorbeeld meer als 11000 reacties, woorden, emoties en hunkeringen. Sehnsucht grijpt me. Ik kan geen slaap vatten. “Laat het los” zeg ik me zelf. Ik zie jouw woorden voor me: kwel je niet zelf, dat is voor niets nodig en dan ook: ik hou oprecht van jou. Ik glimlach op mijn kussen en tranen rollen over mijn gezicht.   Een triest gevoel bekruipt me. April komt wellicht nooit. Wellicht wijst jouw beproeving uit, dat je me niet mist en dat je in die 6 dagen hebt gevonden waar je naar op zoek was. En ja; ik zou er dankbaar en gelukkig voor jou moeten zijn. Maar hoe werkt dat? Hoe kan ik dat, als het tegelijk betekent dat het los laten is? Opgeven is. Pijn.   Vrienden, dat zou mooi zijn……….vrienden voor altijd. Maar het zou voor mij betekenen dat ik sterker moet worden, misschien moet ik de muur terug optrekken………de muur die jij gedurende maanden steen per steen hebt kunnen doorbreken. Ik voel me kwetsbaar.   Ik loop op dingen vooruit en moet dat laten. Ik zoek verstrooiing. Het is mooi weer!   En dan nog, wat wil ik eigenlijk? Alles wat ik wil, kan niet………..en wat is het eigenlijk wat ik wil. Is het niet zo dat ik alles heb wat men zou kunnen willen?    

Sonja Blondé
7 0

Carla en Dirk

Zou je schrikken wanneer ik zeg het niet leuk te vinden je terug te zien? Euh, wat? Wat bedoel je? Is dit een bedreiging of zo? Meen je het echt? Ach schat, het bewijst dat je me nog steeds graag ziet. Je schrok duidelijk. Je zou voor minder. Waarom stelde je die vraag eigenlijk? … Ik … Hoe zomaar? Ik was bijna kwaad geworden. Hoe durf je zulke botte vragen te stellen? Het was heel kwetsend, weet je! Oh sorry. Je zegt dat je bijna kwaad geworden bent. Zou je het woordje ‘bijna’ niet even laten vallen? Echt, het was niet bedoeld om je boos te krijgen, zeker niet. Wat heb ik daaraan. Ruzie maken of niet meer spreken, geen van beide reacties zou leuk zijn. En ik wilde deze fijne avond zeker niet vergallen. En toch is het je gelukt. Ik hoor hier liever prettiger dingen dan zo’n vreemde vraag. Schatje, schatje. Mag ik vragen om dit te vergeten. Ik ben er volledig van overtuigd dat je mij nog steeds graag ziet. Het was zeer dom van mij om het op deze manier uit te testen. Het was voor niets nodig. Ik wist het gewoon.   Ondertussen is het niet alleen Carla die naar Dirk kijkt. De twee oudere dames die een rijstdessert aan de tafel naast hen aan het eten zijn, kijken afwisselend naar Dirk, Carla en de vriendin aan de overzijde. Bij de laatste verschijnt een lachje om de lippen wanneer de ogen elkaar ontmoeten. Carla en Dirk merken dit ook en kijken elkaar nu ook even in de ogen. Bij beide krullen de mondhoeken zachtjes naar boven. Plots begint Carla luidop te gieren, onmiddellijk bijgestaan door Dirk. Nu kunnen ze elkaar niet meer aankijken of ze proesten het nog erger uit. Gelukkig heeft de ober net de borden van het hoofdgerecht afgeruimd of ze hadden mogelijk brokken gemaakt. En ook gelukkig dat ze het beide vandaag bij water hielden, die glazen staan stabieler op de tafel. Carla zit te dicht en haar buikbeweging brengt het tafelblad aan het trillen. Wijnglazen zouden gesneuveld zijn bij deze schuddende beweging.             De twee dames kijken nogmaals naar elkaar. De oudste, zo lijkt het toch, trekt haar schouders even op. De ander verroert, bijna bewegingloos, haar hoofd. Duidelijk dat ze reeds lang met elkaar optrekken, ze hebben niet veel nodig om elkaar te begrijpen. Bij het zoveelste lachsalvo verschijnt toch een glimlach bij de jongste. Ze buigt zich voorover om iets te fezelen tegen de ander. Toch blijkt ze onvoorzichtig. Een glas cava twijfelt op het voetje, een kleine slok verspreidt zich op het tafeltje.             Dirk merkt dit en verslikt zich bij het lachen. Een hoestbui neemt meesterschap zodat hij de concentratie helemaal kwijt is. Ook zijn sterkere glas kan zich niet rechthouden wanneer hij met een bruuske beweging zijn rechterarm naar de mond brengt en het even aanraakt. Het klettert op de grond.             Carla smoort het hoesten op een fluweelzachte manier door met ietwat geopende lippen deze van Dirk te beroeren.   Scherven brengen geluk.  

Luc Van Roosbroeck
0 0

Zondagmiddagvlaai-mensen

Het groepje dat de kerk uitkwam was godvruchtig, hardwerkend en keurig gekleed. Burgerlijk. Hun wekelijks half uurtje godsvrucht zat erop. De dames, wiens haren stijf in de krul zaten bogen lichtjes voorover en reikten hun halzen naar voren om de laatste roddels op te vangen. Wie was er recent gestorven en met wie zwierf de bakkersvrouw in haar vrije uren door de velden? De heren schuifelden onrustig heen en weer, verlangend naar hun pint. Hun zondagse pakken stonken naar mottenballen. Als moeder de vrouw veelbetekenend in hun richting knikte, mochten ze los. Op naar ‘t café, terwijl het vrouwvolk zich huiswaarts repte om de schorten van noeste vlijt om te knopen. Konijn op z’n Vlaams, met patatten, sla en appelmoes. Een warme noen die de zondagse ledigheid zou vullen met vettigheid en slaap.   Elke zondag kwamen de kinderen op bezoek. Zo ging dat, in de vorige eeuw… De dochters aan de afwas met ma, terwijl de mannen de tuin inspecteerden. Onder de blauwe rook van een sigaar en goede raad over slaplanten en bakstenen metselen, trad pa op als raadsman der praktische aangelegenheden.   ‘le moment suprème’: de vlaai werd geserveerd. Een grote thermoskan waterige koffie werd met krachtige hand op tafel gezet. Voor de kinderen was er limonade. Het zondagsgevoel bereikte nu haar hoogtepunt.Pa had ondertussen de antenne gericht om samen met de jongens koers te kijken, terwijl de kinderen buiten verstoppertje speelden.    Tegen vijf uur keerde de rust weer. Het huis was stil en het klokje tikte de avond in. Het was een zondag zoals zo vele. Volgende week zouden ze weer komen.De vrouwentongen op de vensterbank streelden zachtjes de glasgordijnen die het avondlicht filterden…  

Heidi Schoefs
14 0

Princekoeken

Je loopt tussen de rayons als een model op de catwalk. Je draagt rode stiletto’s met matching lippenstift en een zwarte trenchcoat. De zonnebril op je hoofd doet dienst als diadeem. Je wordt aangestaard door ontbijtgranen, droge beschuiten, een beveiligingscamera en mezelf. Ik zou nochtans liever niet naar je kijken. Want dat is net wat je wil, wat je verwacht. En je bent mijn type niet eens. Je houdt halt bij de koekjes. Kijk eens aan. Hand in de zij en de poep naar achter. Je speurt de schappen af van boven naar onder tot je in een hoek van negentig graden voorovergebogen staat. Je weet dat ik naar je kijk, is het niet? Ook al probeer ik de illusie te wekken dat ik alleen oog heb voor beschuiten. Ik bestudeer een pak meergranen Cracottes alsof ik de achterflap van een boek lees. Jij neemt Princekoeken met witte vulling van het schap en loopt dan met je winkelmandje heupwiegend mijn richting uit. Zal ik even vriendelijk knikken als we elkaar kruisen? Dat doe ik altijd tussen de rayons. Ik hoef mijn gedrag niet aan te passen omdat ik denk dat jij ervan uitgaat dat ik je beloer. Ga je oogcontact zoeken op het moment dat je me passeert? Ja, en dat doe je langer dan gebruikelijk is tussen vreemden. Je lacht zelfs je gebleekte tanden bloot. Wat een stoute blik! Ik lach verlegen terug en kijk je achterna terwijl je van me weg flaneert. Je vastberaden tred lijkt gestuwd door een drang om bekeken te worden. Of is dit gewoon wie jij écht bent? Een vrouw die trots is op haar schoonheid. Een vrouw die ervan overtuigd is dat het probleem ligt bij mannen zoals ik. Maar ik ben niet zo’n man. Het is niet je schoonheid maar je verpletterend zelfvertrouwen dat mij intrigeert. Ik zet de beschuiten terug, neem een rol Princekoeken met chocoladevulling en reken af aan de kassa. Ik wandel naar mijn volgende bestemming: de slager. Het is er druk. Ik kijk naar binnen en ik zie hoe levend vlees happig wijst naar dood vlees. Hier wordt gehakt gemaakt van vegetarische voornemens. In de weerspiegeling van het raam zie ik ook twee roze vlekjes. Ik beweeg mijn hoofd en de vlekjes bewegen mee. Instinctief grijp ik verschrikt naar mijn haren. Het zijn de roze speldjes van mijn dochter. Die was ik thuis blijkbaar vergeten uit te doen. Nu weet ik het wel zeker. Je keek niet stout of uitdagend. Je keek spottend, met de gebleekte tanden op elkaar geklemd om de hilariteit binnensmonds te houden. En ik kan je geen ongelijk geven.

Antony Samson
0 0

De neurochirurg

De deur zwaait open. Daar staat de neurochirurg. Hij geeft ons een hand terwijl hij zegt "Ik heb uw dossier al uitgebreid bekeken." We zetten ons neer op de stoeltjes aan zijn bureau. Nog voor hij gaat zitten, kijkt hij ons aan en zegt: "ik vrees dat we niet anders kunnen dan opereren." Weg vliegt het laatste beetje (valse) hoop.   Hij begint opnieuw, zoals alle dokters, over hoe uitzonderlijk dit is op mijn leeftijd. Vreemd hoe je tijdens je puberteit niets anders wilt dan opvallen en gezien worden. Om dan eens je volwassen(er) bent net het tegenovergestelde te hopen. Ik zou liever geen uitzonderlijke nek hebben. Hij begint met een reeks mogelijke oorzaken op te sommen: een ongeval?, gevallen?, whiplash?, roker?, eerdere operatie?,... Ik moet op iedere vraag 'nee' antwoorden. Ik heb flink gestudeerd, werk ijverig, zorg voor mijn gezin, hou van mijn familie, doe geen extreme sporten, ben gelovig, heb nooit drugs gebruikt,... Het wringt een beetje en de vraag "waarom ik" duikt vaak op in mijn hoofd. Ik had misschien beter wel wat extremere sporten gedaan, wie weet. Maar ik heb hoogtevrees.   Hij toont de tussenwervels die ze zullen plaatsen. Het zijn synthetische exemplaren die door sommige verzekeringen worden terugbetaald. Als dat niet het geval is, kost het ongeveer 200 euro. Ik denk aan de vakanties waar we dit jaar gingen voor sparen. We gingen onszelf voorop zetten en geen verbouwingen of andere zaken doen. "Een goedkopere optie is om bot te nemen van de heupen en dat in de plaats te gebruiken maar op uw leeft...". Mijn man en ik kijken naar elkaar en zeggen bijna simultaan "neen, de eerste optie." De chirurg beantwoordt netjes al onze vragen. In totaal zullen ze 2 of 3 tussenwervels vervangen via een kleine incisie in mijn nek.   Na 20 minuutjes staan we opnieuw buiten met een infomapje en de operatiedatum. Iedereen heeft het over hoe goed het is dat we vooruitgang maken. Over hoe ik moet vooruit kijken en positief zijn. Het einde van de pijn is in zicht. Terwijl ik met een naar gevoel blijf lopen en het optimisme voorlopig niet deel. Ik zou willen huilen maar ik kan niet. Nu ik hier vandaag alleen zit, lijkt alles me te overspoelen.   Het gevoel van oneerlijkheid. De angst voor de operatie. De boosheid om alle voorbije ingrepen en doktersbezoeken die niets uithaalden. Alle vragen over 'wat na de operatie': hoe goed zal ik mijn nek nog kunnen bewegen?, hoe zal het voelen?, zal het litteken niet te groot en opvallend zijn?. Het wanhopige gevoel dat ik ondanks alle moeite in het worst-case scenario ben terecht gekomen. De frustratie over 'op jouw leeftijd zien we dit niet veel'. Het onvermogen dat ik voel om hierover op een correcte manier met de kinderen te praten Het gevoel dat ik bijna een half jaar van mijn leven 'kwijt' ben.   Ik moet het nog een plaats geven. Ik moet nog de zin vinden in de komende maanden. Ik moet opnieuw wat hoop en positiviteit bij elkaar schrapen. Ik kan het alleen nu even nog niet. Ik heb tijd nodig.  

Alice Bremt
0 1

Alleen wij samen

Hier sta ik dan met ontbloot bovenlijf… En hangende borsten. Twee verlepte stukken huid, ontdaan van vrouwelijke trots. Verloren speelsheid… Niet dat Gerard er ooit iets van zegt. Uiteindelijk is niks nog wat het ooit was. Is alles anders. Ook zijn handen. Naar mijn gezicht kijk ik niet. De spiegel zou niets verbergen. Ik weet wat er te zien is. Elke rimpel, elk litteken, elk vlekje vertelt dat ik geleefd heb. Lang geleefd. Lang genoeg om de vergane glorie te aanvaarden. Of zoals hij zegt om terug te reizen naar mijn meisjesjaren.   Ik zucht. Wat doe ik hier ook alweer? Met bevende hand pak ik de waslap van de lavabo. Ik wrijf traag over mijn gezicht. De droge stof schuurt. Er ontbreekt iets. Aarzelend glijden mijn ogen over de dingen onder de spiegel. Er staan maar weinig spulletjes. Wat moet ik nu? Dat blauwe flesje, dat is toch wat Gerard altijd gebruikt? Waar blijft hij trouwens? We doen toch gewoonlijk alles samen? Sinds kort ook het wassen. Mijn Gerard draagt sindsdien weer zijn slagersschort, maar nu onberispelijk schoon, zonder vlekken van de geslachte beesten. Het staat hem zo charmant. Zo knap met zijn donkere haren en zijn groene ogen. Weifelend pak ik het flesje, haal het dopje eraf en spuit een toef zeep op mijn hand. Net als ik het schuim wil opbrengen, wordt de deur geopend. Een koude rilling trekt over mijn rug. De jonge vrouw glimlacht. “Martha, lukt het? Oh, neen! Dat is scheerschuim! Wie heeft er die fles op jouw kamer gezet? Hoe stom kunnen ze zijn?” Ik begrijp er niks van. Wat moet die vrouw hier? En wat doet zij met Gerards slagersschort aan? Waar blijft Gerard verdomme? Waarom grijpt die meid mijn arm vast? Wat denkt ze wel? “Kom Martha, dat maken we snel even in orde.” Oh, neen, dat maken we niet in orde. Ik wil Gerard. Als die meid denkt zich met mij te bemoeien… Met wat moeite veeg ik het schuim op haar arm. Probeer me dan uit haar greep te bevrijden. “Toe Martha, wees eens lief. Ik wil je alleen maar helpen…” “Ik hoef je hulp niet! Ik wil Gerard! … Gerard! Gerard! Help mij, Gerard!” Ik schreeuw de longen uit mijn borstkas. Hij moet me horen nu. Een ogenblik later staat hij er. In hetzelfde slagersschort als de vrouw. Is zij een hulpje misschien? Dat wist ik niet. “Dag Martha, ik ben er.” “Ze denkt dat je haar echtgenoot bent, niet?” zegt het hulpje. Gerard glimlacht en knipoogt. “We hebben het samen altijd goed kunnen vinden, Martha en ik. We kennen elkaar al een poosje… laat ons maar begaan…” Zie je wel, echt mijn Gerard. Twee zinnen uit zijn mond en de jonge vrouw druipt het af.   Vol vertrouwen laat ik het waslapje over mijn gezicht glijden, over mijn armen, over mijn slappe borsten. Ik ben gelukkig met Gerard, alleen wij samen…

R Ryckoort
40 1

(N)iemand (500 woorden verhaal)

Ik schrik op en vraag of er iemand aan de deur heeft gebeld? Niemand antwoordt. Het kan ook niet want er is niemand.  Niemand meer om te zeggen of er iemand gebeld heeft.Zal ik dan zelf maar gaan kijken?  Ik moet wel, want er is niemand anders.Ik kom recht uit mijn zetel en besef dat het geen zin heeft naar de deur te gaan.  Er zal niemand zijn, net zoals hier niemand is.  Ik heb het mij vast ingebeeld.Van zodra ik mij terug neerzet, hoor ik weer dat geklingel.  Is het wel de deurbel?  Het is net of er iemand in mijn hoofd zit met een klok in de hand.Vroeger klonk die deurbel toch anders? In feite weet ik het niet meer zo goed. Ik moet op zijn Vlaams tot mijn scha en schande bekennen dat ik niet zo op het geluid van dat ding gelet heb in de tijd dat er nog iemand was die ging opendoen als er iemand aanbelde.Er zit nu niets anders op dan weer recht te staan en mij naar de deur te begeven.  Die is trouwens niet zo ver verwijderd van de plek waar mijn zetel staat.  Ik sta zo in de smalle gang die naar de voordeur leidt en waar ook de steile trap naar de bovenverdieping zich bevindt. Ik weet niet meer waarom ik vroeger nooit de deur opende als er iemand aanbelde.  Ik zou er altijd als eerste kunnen geweest  zijn.  Als er iemand naar de deur liep kwam die vaak van de trap naar beneden gedonderd of uit de achterkeuken aangesneld.Maar nooit heb ik beseft dat die bel zo een leven maakte. Wie zou er trouwens aan die klok hangen?  De postbode vast niet.  Als die al iets voor mij heeft stopt hij het wel in de brievenbus.  Die bus is meer dan honderd meter van het huis verwijderd. De klep van de brievenbus is in het muurtje ingebouwd waaraan het tuinhek is bevestigd.  Het tuinhek staat altijd open.  Achteraan het muurtje is er een deurtje dat ook nooit op slot zit. Daarin zou iemand grote omslagen of zelfs kleine pakjes kunnen deponeren. Neen, de postbode komt heus niet tot aan het huis als het niet hoogdringend nodig is.Ruime tijd geleden waagde hij het om rond Kerst en Nieuwjaar tot aan de voordeur te komen in de hoop een borreltje te versieren of een fooi te krijgen.  Dat heeft geduurd tot hij de krenterigheid door had van de bewoners van deze plek.De voordeur klemt een beetje.  Wanneer  ik ze openruk,  merk ik dat het gesneeuwd heeft.  In deze tijd van het jaar? Dan zie ik de voetstappen in de sneeuw.  In de verte stapt iemand naar het tuinhek. Het is iemand in een rood pak met een rode muts met witte boord.  Hij heeft een zware koebel in de hand. Voor het hek staat een slee met twee rendieren. Hoezo? Is het dan al Kerstmis? Is er (n)iemand die dit weet?  

Vic de Bourg
31 1

De vlecht

Al jaren kom ik in dit kapsalon. Het kapsalon geurt naar brandend wierrook en de houten deur is half vermolmd door het vocht en de schimmel. De barsten van de ruiten zijn beplakt met stukjes tape. En toch siert dit kapsalon van alle huizen het meest de straat. Iedereen komt hier ook graag. Gekwelde huisvrouwen, patsers, straatboksers, jonge boefje, vrijpostige jonge dames, botterikken en werklui. Vroeger kwam er een jongen op zijn bakfiets rijst verkopen. De kappers gaven hem een fooi voor de boodschappen en zoals altijd wat grammen tabak voor in zijn pijp. Het kind was te jong voor te roken. Het was een broodmager schepsel dat elke dag door weer en wind moest fietsen. Uiteindelijk stierf hij aan de koorts in een kartonnen doos in de grijze schaduw van een container. Maar zoiets is hier geen nieuws meer. Hoewel er toch tranen gevloeid zijn.   In het kapsalon is een jong meisje mijn haar aan het wassen. Ze is zo'n jaar of zestien, ruikt naar alles wat in deze tubes en flesjes zit, haar handen zijn bleker geworden van de producten en ze draagt een kruisje om haar hals. Erg jeugdig ziet ze er niet uit. Van het harde werken is ze veel te vroeg rijp geworden. Ik zie het aan haar ogen, de eelt op haar handen en haar verhard gelaat. Alsof het uit graniet was gehouwen.    Ik wil niet zoals dat meisje worden. Ik wil niet zoals die jongen van de rijst eindigen. Ik ben even oud als hen maar heb het geluk dat ik niet van deze straat kom. Niet van deze buurt, waar het me verboden is te komen van mijn voogd. Want overal is het hier plakkerig en de plak houd je vast als de zuignap van een inktvis.   Het meisje brengt me naar de kaptafel en doet me een inktzwarte schort aan. Opeens besef ik dat, als iedereen op internaat mijn geknipte haren ziet, ze weten dat ik weggelopen ben. Mijn voogd zal me dan niet meer "beschermen". Ik ben maar een stuk bezit in haar ogen. Mijn haar is daar een van. Ze dreigt me kaal te scheren als ik ongehoorzaam ben.   'Wat kan ik voor u doen?' vraagt het meisje. 'Maak van mijn haren één vlecht en knip die af. Scheer de rest weg.' 'Meent u dat?' Het meisje kijkt haar ogen uit, net als iedereen die achter mij zit te wachten op een knipbeurt. Maar ze begint. "Zo'n mooi haar'. mompelt ze. Er gaat een warme gloed door me heen, alsof ik nu echt leef.   'Wilt u ook mijn vlecht in een plastiek zakje doen?' En ik geef haar de fooi. Ze pakt het langzaam aan. Haar ogen staan wijd open als dat van een dier. Als ik de deur achter mij toe klap komt er een glimlach op mijn mond. Er ging een gloeiende elektrische lading door me heen en nog meer door het meisje. Het meisje heeft een kind gezien dat niet alleen een einde maakte aan haar lange haren, maar zo ook van haar meesteres.    Door de lange straten van de stad die geurt naar zwarte magie en wierrook, wandel je nooit veilig. Daarom ben ik hiervan weggehaald, en daarom hebben ze mij, in een internaat voor wezen of moeilijk opvoedbare meisjes gestoken.   Eenmaal ik aankom bij de poort van het internaat, begin ik onder het hek te kruipen zoals op de heenweg. Het oude gebouw met zijn witgekalkte muren, lange ramen met gemonteerde spijlen en een kast van een deur. Ik klop tweemaal op de deur. Mijn meesteres doet open en half slaperig kijkt ze mij aan. Ik smijt het plastieken zakje naar haar en zeg: 'het wordt tijd dat je leert dat ik nooit je werktuig ben geweest, en de andere meisjes ook niet. En daarom zal ik voorgoed weggaan.' Mijn meesteres geeft mij een rake klap. 'Jij ondankbaar schepsel! Na alles wat ik voor je deed. Ik heb je gevoed, jij vrat me op.' siste ze. 'Neen,' antwoorde ik. 'Ik was slechts een meid.' Ik keerde haar de rug toe en loop richting de poort, de vrijheid en wreedheid tegemoet die ik zowel bemin als vrees.

Andrea Derese
9 0