Zoeken

Wereldloper

Gefascineerd staarde Edie naar de rozige, zachte armen en lange, dunne vingers die vanaf nu de hare zouden zijn. Pas toen ze voorbij de douane waren, hadden haar bewakers haar handboeien af gedaan. Afscheid nemen van het zuurstofmasker was daarentegen voorlopig nog niet aan de orde. Langzaam pompte het ding gelijkmatige hoeveelheden zuurstof in Edie’s nieuwe longen. Edie wreef over haar polsen en wierp de bewakers een vuile blik toe: twee stuks, elk van een identieke hoogte, gehuld in hetzelfde grijsgroene uniform. De ene hield zijn badge voor de scanner tot de machine met een piepgeluid aankondigde dat ze mochten doorlopen. De andere klikte de handboeien weer in zijn broeksriem, nam Edie bij de bovenarm en loodste haar door het poortje. Met één vinger duwde ze voorzichtig op de rode plekken die op de plaats van de metalen ringen waren ontstaan. De pijnlijke sensatie die ze ervoer was er eentje die compleet nieuw was voor haar. Eén van de vele ongemakken die bij dit vreemde lichaam kwamen kijken. De gedachte aan haar eerste toiletbezoek enkele dagen geleden deed de haren op haar arm nog steeds overeind komen.“Aardemensen doen wàt met dit ding?” had ze vol walging en ongeloof gevraagd toen ze haar naar het kleine kamertje met de witte marmeren stoel hadden gebracht.“Het went wel.” had de bewaker schouderophalend geantwoord, alvorens hij haar genadeloos een kwartier had opgesloten. Je behoefte doen. Een pitstop houden. Geen wonder dat aardemensen er zo veel eufemismen voor bedacht hadden, dacht Edie huiverend.Geflankeerd door haar begeleiders, gleed Edie langs een eindeloze roltrap naar boven. Een gigantische glazen ruimte kwam langzaam in beeld. Roltrappen kruisten elkaar in alle richtingen, zo ver naar boven als ze kon zien, een kluwen glanzende stalen draden in een oneindig spinnenweb.Langs alle kanten stroomden wezens van allerlei werelden, al dan niet vergezeld van groene uniformpjes, de ruimte binnen. Van sommige soorten had Edie al eens gehoord, andere herkende ze totaal niet. Het harige bruine geval dat op zijn achterpoten een steile roltrap afdaalde tegenover hen, was een lychantroop, wist ze. Ze herinnerde zich het plaatje in haar schoolboek, maar de details over zijn soort, zijn dieet, zijn thuiswereld, waren al lang vervlogen. Het was nog maar enkele eeuwen geleden sinds Edie’s tijd op de schoolbanken, maar het leek nu plots veel langer. Een vorig leven.“Welkom in het Geantropisch Integratiecentrum.” kondigde een warme vrouwenstem aan. “Het zuurstofgehalte is 12 procent. De temperatuur is 21 graden Celsius. We wensen u een aangenaam verblijf.”Haar bewakers brachten haar een gang door, een trap af, een andere trap weer op. Aan het eind van een volgende gang doemde een massieve dubbele deur op. ‘Examinatieruimte’ prijkte er op een metalen plaatje. Edie slikte. De bewaker aan haar linkerarm stak zijn badge uit naar het uniformpje dat post had gevat bij de deur. “Geantroop?” vroeg de opzichter met een knik in Edie’s richting.De bewaker schudde zijn hoofd. “Veroordeelde in geantropische vermomming.”Met zijn beide handen tastte de opzichter over Edie’s armen en benen. Alsof ze het in haar hoofd zou halen om iets te proberen, nu ze al zo ver gekomen was. Hij knikte en deed een stap opzij. De deuren werden geopend met een druk op de knop. Een duwtje in de rug deed Edie een stap naar binnen zetten. De deuren sloten zich meteen weer achter haar.De ruimte was zo helder dat Edie’s ogen zich vanzelf een beetje dicht knepen. Witte muren. Witte tegels op de vloer. Ze weerkaatsten het licht dat binnenviel door de hoge ramen. De zon, besefte Edie. Ze had erover gelezen, maar nog nooit had ze haar in het echt gezien. Ze voelde haar op de huid die als een nauwsluitende jas over haar ziel was geritst. Dit was de aardewereld. De magieloze gevangenis waar ze de rest van haar dagen zou slijten. Toch leken die paar ogenblikken in de zon haar magischer dan alles wat ze al ooit had gezien.“De examinator komt zo bij u.” Edie draaide zich om en zag een vrouw in een wit pakje verschijnen door een kleine deur in de hoek. Ze was geen aardemens, maar ze deed aardig haar best. Groenige huid, gele ogen. Soms wilde de transformatie gewoon niet lukken. Mensen zoals zij kregen netjes een baantje in het integratiecentrum. Het was even goed gevangenschap.De vrouw glimlachte vriendelijk en gebaarde naar de rij plastic stoeltjes tegen de muur. Dan draaide ze zich om en verdween.Edie zakte neer op een stoeltje en liet haar blik door de ruimte glijden. Enkele vergeelde posters aan de muur en folders op het tafeltje toonden informatieve boodschappen als ‘Relaties met aardemensen: gevaarlijk experiment of het begin van uw romantisch interwereldlijk avontuur?’ of ‘Aardewereldalcohol: alles wat u wilde weten over de effecten op uw ras!’ Wellicht moesten ze de ruimte minder klinisch doen lijken, maar tevergeefs. Edie wilde net een foldertje over tewerkstelling bestuderen, toen haar oog viel op het aardemeisje in het midden van de tegenoverliggende muur, omlijst door een sierlijke gouden kader. Boven haar hoofd dezelfde vergeelde posters, de letters vervormd en onleesbaar in spiegelschrift. Edie stond op, wandelde naar haar toe en bleef pal voor haar staan, zonder haar blik ook maar een tel van haar af te halen. Lange, koperkleurige krullen vielen in dikke lokken over haar smalle schouders. Geen marmeren huid maar een rozige teint. Weg waren de schubben op haar armen en wangen. Sproeten. Geen spitse snuit, maar een idioot wipneusje. Geen hoorns. Onwillekeurig zocht Edie’s hand op haar hoofd naar wat er niet meer was. Het vond alleen haar. Dik, ros, lelijk aardemensenhaar. Het enige wat van haar was overgebleven waren haar donkergroene ogen. Het zou nog even duren voor het niet meer vreemd zou voelen, had haar transitiebegeleider tijdens één van hun eerste sessies gezegd. Dat was zacht uitgedrukt. Edie had nog nooit gehuild.

S.E.T.
0 0

Dat land met die mensen.

Toen ze aankwam hing de kip er al. Aan het spit boven een vuur in de buitenkeuken die niets meer was dan een hoop stenen, een verwijzing naar. Het weer was mild genoeg voor haar blote armen en te warm voor de sjaal die ze omhad. Toen het gezin in de ochtend had voorgesteld een dagje in het zomerhuis te spenderen, wist ze niet goed waar ze zich aan moest verwachten. Nu zaten de moeder en dochter naast haar, tegenover het vuur, terwijl de vader het spit draaiende hield. Er werd weinig gezegd. Of eerder weinig gesproken. Want iedere blik verhaalde van overweldigende dankbaarheid. Voor het eten, het gezelschap, de rust. Ze peuzelden samen van de kip. Vette vingers en smakkende geluiden. Het familierecept smaakte even verrukkelijk als beloofd, zelfs met haar licht verbrande tong. Slechts twee dagen eerder leerde ze de ouders kennen. De dochter beschouwde ondertussen, een maand na de eerste ontmoeting, als goede vriendin. Hoe komt het, vroeg ze zich af, dat ze zich hier onmiddellijk thuis had gevoeld? Dat het vreemde bed waarin ze deze ochtend ontwaakte al zo vertrouwd leek?  Dat ze woorden meenden te begrijpen uit hun harde onverstaanbare taal? Ze wist nu al dat het afscheid haar zwaar zou vallen.   Of ze zin had om naar het meer te wandelen? De dochter stelde de vraag heel stil, nog steeds onzeker over haar accent. Ze stemde onmiddellijk in. Het meer bleek een kleine vijver, een vertalingsfout. Ze namen plaats in het gras en praatten over de eenden die voor hen op het water dreven. Over hoe die er in België anders uitzien. Over die week samen, daar in België en nu hier. Over de toekomst, het verleden en hun dromen. Over alles en niets.   Toen ze, eergisteren net na haar aankomst, een flesje Duvel uit haar koffer tevoorschijn haalde, vertelde de vader dat er in dit deel van het land meer wijn dan bier gedronken wordt. Had ze hun wijngaard al gezien? Ze werd rondgeleid in de tuin die, verspreid over verschillende niveaus, groter bleek dan verwacht. De hond, nog heel klein, dartelde hen vrolijk achterna terwijl de vader met enorme trots iedere bloem en plant uitlichtte. De wijngaard bevond zich op het laagste punt van de tuin. Zonder woorden maar met dezelfde fierheid als haar man lichte de moeder haar het bereidingsproces van hun wijn toe. Ze openden een fles. Toost op het gezelschap.   De hangmat hing in een streepje licht. Vanaf dit punt keek ze uit over het volledige stuk grond. De hond genoot iets verderop van de zon die ook daar het gebladerte wist te doorbreken. Ze nam een slok van haar water en keek geïntrigeerd naar een kolonie mieren die ijverig te werk was. Met haar ogen dicht en armen lam naast haar luisterde ze naar de complete stilte. Niet veel later werd ze zacht gewekt. De moeder, warm gezicht, probeerde haar gebarend iets duidelijk te maken. Ze lachten beiden zachtjes om hun gedeelde onbeholpenheid.   Mens erger je niet op de te kleine tuintafel. Het was laat in de namiddag, op het mooiste uur van de dag. Het spel ging rustig vooruit en pretlichtjes waren goed vertegenwoordigd. Wachtend op haar beurt keek ze naar het huis, opgebouwd uit brede houten balken. Dit land, deze mensen. Volledig onbewust besloot ze zich nooit meer zo gelukkig als hier te voelen.  

parallellepipedum
0 0

Schrijftaal ? spreektaal ? dialect ? ( ge meugt gerust zen )

Hedde tal gehoord? Verleden dinsdag zat ik bij Chantal int café. Ineens loept daar een grote rat de frituur van dikke Guy langs achter buiten recht het café binnen. Dat was daar een gekweek en gedoe. Een geroep en een getier. De Laenen zat er me nen borstel achteraan. Chantal die wier zot. Ze dacht da speelt dieje nooit kleer. Het succes was novenant. Aloïs begon al lelijk te doen. Die zijn keers was bijna uit. Tripel van Westmalle die kunnen daar niet tegen. Zuiver voor de commerce. In café ‘in de Volksvriend’ daar worden ze opgedaan. Da was geen aardigheid in diejen tijd.             Ge meugt gerust zijn. Lachen dat die dee. Da’s iet aarig ze, een rat. Goe zat allemaal. Dieje is er afgevallen. Da was t’een en t’ander. Just op tijd. Gustje was ze weer aant plagen. Da gezaag zal sebiet wel gedaan zen, zei ze. Toen wast vat af. Genne De Keuninck nie meer. Chantal belde naar Louis van café ‘ De Pelikaan’ Wulle met dat leeg vat naar den overkant. Rolt er nie mee of ge ga wa voorhebben zei Louis. Dieje loempe van de vakbond van z’n kloten maken Veul te zwaar. Dieje is dan ook geboren op 1 april. Alleman zat. Den dag van heden mag da allemaal. Op ne werkdag lopen ze al van t’een café naar tander, oep ne werkdag hè. Goe gelachen wel.             Iet anders. Ik heb ne nieve caravan. Als k het kraantje in da keukentje openzette begon toilet te lopen.. Da darmpke zal verkeerd. Iet later stond de schuif onder de poempbak, met bestek, ge weet wel, helemaal vol water. Vloeken jongen, vloeken. Na zat er een ander darmpke los. Veel gezever mee gehad. Dieje verkoper stamp ik onder zenne put da de ballen in’t rond vliegen. Da’s veel beter dan een Rapido plooicaravanneke. Na moet ik wel naar de keuring want de nieve is meer dan 700 kilogram. Chance da we in Hühnerscheid genne regen hemme gehad. Da’s Luxemburg nie ver van Bastogne. Kelly had voor niks greppeltjes gegraven. Hoe loemp kunde zen? Veurige keer hadde we regenweer. Niks dan modder. Klote weer en problemen met gasvuur. Een steekvlam van zeker drei meter. Da darmpke zat geplooid. Bekan heel de voortent weg. Da’s nylon, hè da zeil. Nog nooit zoveul sigaretten meegebracht. Die camions konden allemaal aan de kant. Met ne caravan konde gewoon door. Den Opel Vectra is wel aant verslijten. Di van ons zegt dat geld op is.             Ik hem gehoord dat de Léon bekan met visbak en al de vort ingeduikelt is. Voorover, recht erin, bekan. Die kan nie vissen met den haak. Neen, neen ne meerval. Genne snoek. Verkeerd aas. Hoe loemp kunde na zen. De miserie van een ander daar zijn we nie mee gediend. Da maakte mij nie wijs. Ja, ja, café Arizona was om drei uur nog open. Ge meugt gerust zijn.

Hubert Grimmelt
0 0

Een vreemde reflex

De professor keert zich naar zijn studenten. In een poging om zijn bordschema te verduidelijken opent hij zijn mond. En dan gebeurt het. Een indringer pakt het strotklepje op snelheid. De man hapt naar adem. De haartjes in zijn luchtpijp krijsen het uit bij het vaststellen van de ongenode gast. Elektrische impulsen flitsen door zijn zenuwvezels, worden chemisch doorgegeven van synaps naar synaps, van insnoering naar insnoering om dan weer elektrisch  op weg te gaan naar het centrale zenuwstelsel. De reflexboog staat gespannen, zijn nekspieren ook. Aan zijn slapen verschijnen wild pulserende aders. Achter het nalatige kraakbeenklepje klappen zijn stembanden spastisch open en dicht. “Hukh, ukh, kh” brengt hij uit. Een traan rolt over zijn wang.   De hoest is een reflexmatige explosieve uitademing die ontstaat bij prikkeling van de luchtwegen en deze reinigt van slijm en vreemde voorwerpen. In tegenstelling tot bijvoorbeeld de enkelvoudige kniereflex is de hoestreflex complex van aard. Bij de receptie van een sensorische impuls –de prikkeling van het slijmvlies in de luchtwegen - wordt een signaal doorgegeven via afferente zenuwvezels naar het ganglion, een bundel zenuwcellen naast het ruggenmerg. Van daaruit worden twee soorten efferente zenuwvezels aangestuurd die de reflex in gang zetten. Complexe reflexen zijn langzamer dan enkelvoudige, er ontstaat een korte tijdspanne tussen receptie en reflex. Zij worden derhalve ook wel vreemde reflexen genoemd.   Wat volgt is een briesende luchtstoot die zich met een kracht van jewelste en een vlaag van kleverig slijm de ruimte in stort. De professor kijkt beduusd naar het snot op de tafels van zijn studenten op de eerste rij. In het midden plakt een zwart schepseltje met poten. “Excuseer” herpakt hij zich. “Er zat een vlieg in mijn keel. Ze is eruit nu.”

Fien
46 1
Tip

Herder

Wouter had haar aangeraden het huis te verlaten op een moment dat er niemand thuis zou zijn. Daaruit had ze afgeleid dat haar eigen aanwezigheid in het huis reeds niet meer als thuis zijn beschouwd werd. Nu stond ze naast de auto en steunde met één hand op de klep van de laadruimte, waaronder haar reiskoffer en een paar draagtassen gepropt zaten. Op de achterbank stonden verhuisdozen en op de passagierszetel vooraan stond haar paspop met de afgeschroefde poot ernaast.   Ze keek naar het huis. Telkens ze ergens wegging, keek ze achterom. Het was een gewoonte die ze zichzelf had aangeleerd nadat ze in haar studententijd een geliefd jasje op de trein was kwijtgeraakt en had gezworen dat zoiets niet meer zou gebeuren. Een verlies was niet iets dat je overkwam, daar was ze sindsdien van overtuigd geweest. Het was het gevolg van nalatigheid, een gebrek aan karakter.   Tot haar ergernis zag ze dat ze vergeten was de voordeur te sluiten. Haar hand greep in haar broekzak naar de sleutel, maar in haar benen kwam geen beweging. Waar had ze ook weer gehoord dat vergeten een vorm van onbewust beslissen was? Terwijl ze de sleutel doorheen de stof van haar jeans in haar been duwde, klonk vanuit de hal plots het voorzichtige tikken van hondenpoten. Het was de oude Border Collie, die in de deuropening ging zitten en haar aankeek.   Plotseling kwam haar een vroege ochtend in de lente voor de geest, jaren geleden, waarop ze de meisjes te voet naar school had gebracht terwijl de hond vrolijke cirkels om hen heen rende. Wouter was naast hen komen lopen met een vuilzak in zijn hand. Halverwege de woonwijk was hij de straat overgestoken om de zak in een container te gooien.  De hond was hem meteen gealarmeerd achterna gerend, en had alle trucs van een herdershond gebruikt om Wouter weer te doen omkeren. “Zie je dat?” had ze de meisjes gezegd. “Dat is wat collies doen. Die houden de kudde bij elkaar.”   Ondertussen was de hond gaan liggen, met zijn kop op zijn poten, zijn blik nog steeds onafgebroken op haar gericht. Ze hoorde hem zachtjes janken. “Het spijt me, ouwe jongen,” zei ze. Met trillende handen maande ze de hond weer naar binnen en sloot de deur.      

Kathleen Verbiest
68 0

Krijsen in de knop.

  Dit is niet het verhaal van foute momenten. Dit is het verhaal tussen de regels. Het speelt zich af ergens in een onbestemde tijd, waar niets is wat het lijkt en de hoofdrolspelers niet weten dat ze hoofdrolspelers zijn, in een blijspel, waar drama en lach elkaar in sneltempo de das om doen. Jij was jij en ik was ik. Dachten we. Ik leerde je kennen op een moment waarop de kosmos zich gedroeg als een balsturig en onwillig kind. Eén dat snoep uit de kast wil en dan toch maar een appel eet, gewoon om zijn ouders te horen zeggen: “Je weet niet wat je wil.” Het kind weet het altijd. Het kind wil kunnen kiezen, op het moment dat de keuze voor zijn neus staat. Dat is wat het kind altijd doet. Kind zijn. Zonder daar veel zwaarte aan te hangen. Kiezen. Niet kiezen. Geen honger hebben en toch eten. Goesting om te proeven van wat er voor zijn neus staat. De kosmos laat zich niet vangen aan wetten. De kosmos doet wat de kosmos doet. Zorgen voor entropie en chaos in de kop. Dat is waar de kosmos is uit ontstaan. Botsing. Een harde kraak op het wezen van de tijd. Het moment, en dan weer verder. De man en de vrouw botsen. As it will ever be.   Ik leerde je kennen. Ik leerde je kennen op een moment dat mijn leven even een aaneenrijging was van gebroken harten, op een moment waarop de dagelijkse routine bestond uit ontwaken, koffie, eten, dut, koffie, eten, met daartussen wat vrolijk getik en gestolen momenten van waardeloos niksen. In stilte en gewauwel. Wat jij toen uitvrat en welke hoogtes en laagtes je doorging, daar heb ik geen flauw idee van. Je sprong en viel, racete en knalde, brak harten en koos voor schaamhaar. Je koos voor trage groei. Je koos voor tegen-de-natuur-in. Je koos voor het moment waarop de man in je leven kwam. Die man zou alles veranderen. Maar je wist het nog niet. Hij kuste je, tegen zijn normaledoen in, en daar begon het. Het verhaal.   Ik leerde je kennen. Ik leerde je kennen als snelle denker en spiritueel vat. Ik leerde je kennen in je gulle lach en via de zachte zee in je ogen. Ik leerde je te zien, door de drukte heen. Ik leerde niets wat ik nog niet wist of gezien had. Ik zag je staan. Het waren momenten van stille ontroering, momenten van herkenning en vreugde in de knop. Dit is niet het verhaal van verloren momenten. Dit is niet het verhaal van sneller en traag. Dit is het verhaal waarop alles anders wordt. Dit is het verhaal waarin ik je zie, hoor. Waarin ik je hoor en voel. Hoor vragen en zie goochelen met hekserige wijsheid. Het verhaal waarin de rollen even omgekeerd zijn.   De man luistert. De man luistert goed, maar hoort niet alles. Hij hoort vragen, luistert naar besognes van het hart. Hij keert terug naar de stilte van zijn hol, om doorheen de talloze woorden en de drukte van de dag het verhaal te ontwaren. Waar is de vrouw mee bezig? Wat houdt haar werkelijk bezig en wat wil ze doen? Hij hoort haar zeggen dat ze snel gaat, dat ze voortdurend luistert naar wat de maan haar opdraagt, dat ze als een raket leeft, dat ze dit en dat ze dat. Dat ze als honderd honden wil racen tot de meet nog voor het konijn vertrokken is. Over de trouw aan haar vader. Over dat alles nu moet, want morgen kan het gedaan zijn. De man luistert, steeds met grote oren, naar het boeiende verhaal. Hij slaat haar gade, die vrouw met kind. Het kind dreint en wil een ijsje. Het kind dreint en wil een ijsje. Het kind dreint en wil een ijsje. Maar ze krijgt het niet. Niet dat, maar wel een ander. Ijsjes zijn ijsjes. Mijsjes altijd mijsjes. De vrouw is het kind. Het kind is de vrouw. De oude wijze dame zit te lachen aan tafel.   Wie ben jij? Is de vraag die de vrouw vaak stelt. De man gedraagt zich speels, en is wispelturig. Hij wentelt zich in nieuwe aandacht en krijgt zijn hart niet opgestart. Zet twee stappen en één terug. De man heeft paden bewandeld. Het slijkt hangt aan zijn broek. Ze vindt de man erg leuk, maar de man is niet helemaal mee. De man vindt de vrouw aantrekkelijk, grappig, slim en mooi. Ze zegt vaak rake dingen, maar misschien ook soms zomaar wat. Wat wil ze dan? Slapen. Hangen. Liggen. Vrijen. Sexen. Lachen. Koken. Niet drinken. Nooit drinken. Eten. Gulzig zijn. Inkten. Maken. Spelen. Huilen. Ontroeren. Tussen de tik van de wijzers door.   Dit is het verhaal van de vrouw die wou. Het verhaal van de vrouw die wou springen, vanaf het eerste moment. Het is het verhaal van de vrouw die altijd doet en nimmer omziet. Het is het verhaal van de vrouw die de bakens uitzet en zegt wat er gebeurt. Dit is het verhaal van de vrouw die niet gelooft in niet volgen. Die gelooft in dat ene kansmoment. Waarop ze zegt dat het nu is en niet morgen. Dat ze vraagt waar gaan we heen. Dat ze kiest om snel te delen, niet te talmen en te doen. Dat is waar, zegt de man. Maar de man zegt meer. Dat het gaat om verstilling en geen controle, meegaan op zijn flow. Dat de angst voor iets anders niet leidt tot hartzeer. Dat eerst willen vertragen met de groei van pubishaar, niet rijmt met kiezen voor veiligheid omdat traag rauw aanvoelt. Dat situatie en controle niet echt hoeven, en bescherming evenmin. Omdat de man echt heeft gekozen. Dit is het verhaal van de vrouw die haar hart op slot deed, omdat de man haar niet wou volgen. Dit is het verhaal van de man die zijn hart opende, omdat de vrouw hem wel kon volgen. Dit is het verhaal van de vrouw die moest helen, traag omdat de tijd het vroeg. Dit is het verhaal van de man die mee wou helen, omdat zij het vroeg. Dit is het verhaal waarin de aanzet werd geschreven, met bloed tegen de muur. Het verhaal van overgave, van kwetsen en tinctuur. Dit is een verhaal zonder einde, een parabel in de knop, over hoe andere paden – en paarden in galop – niet ho zeggen en zeker ook geen stop. Een verhaal van open geesten, en niet weten wat gedaan. Over iets anders, nu. En dat zie je er ook aan.

Adelin Perdu
0 1

MISS CAMPING LA FLORIDE

Wij lazen in de krant dat een voormalige tv omroepster een boek had geschreven waarin ze aankondigde dat ze al meer dan 25 lentes was, vooraleer ze haar eerste orgasme kreeg en sindsdien masturbeert ze dagelijks. Ze schrok van de negatieve reactie op haar ontboezemingen en reageerde geschokt met de vraag “hoe preuts we eigenlijk geworden waren”! Preuts? Wie zit er nu op zo’n informatie te wachten, wie wil weten waar en hoeveel keer Eva gevingerd heeft? Zulke verklaringen horen toch niet in de krant thuis, maar in een weekblaadje voor overgangdames en roddeltantes! Bij een Brugs firmaatje kan je kuisvrouwen en -mannen inhuren om half naakt je tapijten te komen stofzuigen. Voor enkele euro’s meer gaat er wat meer lingerie uit en komen de poetshulpen met hun gat omhoog je plinten afstoffen. Binnen een jaar of vijf gaat de #metoo beweging hier weer een vette kluif aanhebben! Nu ben ik zelf een kind van de zestiger jaren, iemand die mee als eerste haar bh over de haag zwierde en met de pil, de condoomloze seksuele revolutie inluidde,  maar ik vraag me nu meer en meer af, wanneer is de mensheid zo plat en ongegeneerd geworden. Verschieten wij dan, dat de Midden Oosten nieuwkomers in Europa, schrikken van al dat ombeschaamd etaleren van bloot vlees en onze totale ongeremde seksuele omgangstaal? Vinden wij het nog gek dat zij opteren voor hoofddoekjes, sluiers, boerka’s en Sharia- wetjes? Ook hier op het strand  ligt er zo’n overjarige pépé te zonnen terwijl hij zijn zwembroek onder zijn kont getrokken  heeft. Soms loopt hij langs de vloedlijn te paraderen, in zijn blote poepert en zijn zwembroek die als een omega letter over zijn flierefluiter hangt te bungelen. Soms voel ik de neiging hem toe te roepen: “Trek die boel nu maar naar omhoog, want niemand wordt nog heet van zo’n twee oude gerimpelde chocolade bruine platte kadetten!” Ik vraag me ook af voor wie hij dit toneeltje dagelijks opvoert. Toch niet voor zijn madame, die naast hem ligt te zonnen en die er uit ziet alsof er een airbag veel te snel in haar badpak afgegaan is. Misschien wou hij wel naar de nudistencamping, maar stelde de mevrouw haar veto, omdat ze zich niet meer zo lekker zou voelen, om met al haar vergaarde overgangsvet, tussen die zonnende naakte lijven rond te denderen. Het koppel is, volgens de nummerplaat op de camper van de regio Parijs en misschien zit er daar in één of ander arrondissement wel een snol nagelbijtend op meneer zijn  terugkeer te wachten. Wat een rentree kan hij dan maken als hij haar dan kan vragen het witte stukje vlees te zoeken! Het is eind september en op de camping zitten er alleen nog oudere seniorentypes. Soms stel ik mij de vraag, wanneer sommige spiegelloze oudere seniorendames zouden inzien, dat het voor iedereen appetijtelijker zou zijn als ze hun lichamen in een strak badpak zouden steken. Laat toch een beetje aan de verbeelding over in plaats van royaal met die blubber- cellulitis- buiken over je bikinibroek rond te zwaaien en met je pompoentoeters of muggenbeettietjes ongegeneerd topless zwierend over het strand te flaneren. Wanneer besef je dat je dit niet meer moet doen? Het is eind september en een nieuwe soort kampeerders komt de camping opgedraaid. De campergeneratie, die met hun één, twee of zelfs drie honden niet meer welkom is in de hotels. Daarom huren of kopen ze een megagrote camper en zetten daarnaast een tentje op voor de roedel keffers. Hun fietsen worden vooraan en achteraan uitgerust met een hondenmand met daarover een soort gevangenistraliewerk zodat ze de blaffers ongestoord mee kunnen nemen op hun fietstochten. Soms hangt er achteraan zo’n  kinderfietskar, waar ze zo’n twee piepende poedels in meesleuren. Vermits ze met hun gigantische campers bijna niet in en uit hun kampeerplaatsjes kunnen rijden en ze op hun fietsen geen plaats overhouden om per fiets boodschappen te doen, huren ze dan ter plaatse nog een auto om naar de supermarkt te rijden. Mensen waar zijn jullie mee bezig??Waar is de oer tentenkampeerder en de kleine caravantoerist gebleven?  Het paadje dat doorheen de camping richting strand loopt wordt stilaan de hondenwandelboulevard. Elke hond wil wel een praatje maken met Lassie, Boomer, Beethoven of Rintintin  of de tweeling platsmoelhondjes van de andere kampeerders en dat ontaard soms in een oeverloos irriterend gegrom en geblaf. Het gelukkigst zijn de baasjes, als hun schijtertje een drol kan leggen op een lege campingplaats en als ze dan toch betrapt worden door alerte kampeerders dan zie je die schijtmadammen en koude kakmeneren nadien enigszins verveeld met hun stronttrofee richting vuilbakken slenteren. Alhoewel het zo laat op het seizoen is, is er nog steeds animatie op de camping. Niet dat we er last van hebben want het is werkelijk helemaal aan de andere kant van het domein. Eenmaal geprikkeld door onze nieuwsgierigheid zijn we een kijkje gaan nemen. Staan er daar, op een scène, in een oorverdovend lawaai, voor drie man en een paardenkop, zo’n zes Folies Bergèretypetjes met pluimen op hun kop en in hun gat wat op een Moulin Rougetempo rond te draaien. Aan de wekelijkse Miss Camping La Floride verkiezing werd al eind augustus, toen het jonge geweld terug naar huis was, een einde gemaakt. Maar manlief is nog steeds in de running voor de beker van de enige ongetatoeëerde hetero op de camping. Maar misschien wordt hij met een witte penislengte geklopt door de mokkabruine Parijzenaar.   Sim, Camping Le Floride et l’Embouchure, Le Barcarès.  22/9/2018           

Sim
350 0

DE KOGEL IS DOOR DE KATEDRAAL

Oké, de kogel is door de kerk. Volgend jaar in mei gaan we niet meer met de caravan rondtoeren, maar gaan we eerst onze eigen “to do and to see” citytrips vervolledigen. Geen Rome, Barcelona, Lissabon of Parijs meer, maar de tocht zal nu zonder nog verder uitstel naar het onvolprezen Salisbury gaan. Op de televisie zagen wij het Russische komische zenuwgasduo Alexander Petrov en Ruslan Bosjirov deze toeristische wereldstad  aanprijzen. Volgens een googleverhaaltje en zonder blikken of blozen vertelde dit novisjokkoppel op de Russische tv hoe geïmponeerd ze wel waren toen ze de 123 m hoge toren van de in 1220 gebouwde kathedraal zagen. En dat alle langs de andere kantmannen zeker een tocht langs de bewierookte Salisbury homobars moesten houden, want dat was de reden dat deze twee testosteronbonken voor een nachtje vanuit Rusland naar Groot Brittannië overgevlogen waren. Zelfs Poetin hoorde dit wikipedia- Skripalfabeltje met een grijns op zijn gezicht aan. Denken die Russen nu werkelijk dat wij in het westen van die onderontwikkelde goedgelovige idioten zijn? Soms kan ik deze redenering wel een beetje volgen. Soms denk ik ook dat het menselijk ras volledig aan het desintegreren is als je verhalen hoort van massa-pedo-priesters, van jeugdeikeltjes die met pasgeboren katjes voetbal spelen of het grote zootje drugsverslaafden die zonder hun dagelijkse wiet, pil of shot het leven niet meer aankunnen. Je moet op een zomerse dag eens in de Efteling rondwandelen. Zelfs mijn kinderen en kleinkinderen geloofden hun ogen niet. Of in juni over de wandeldijk op Tenerife tussen de jonge Britse lillende alcohol gemarineerde vleesmassa’s met hun bête koppen, doorlaveren! Of video’s bekijken van die comazuipende neukende Britten op Mallorca, die van hun hotelterras proberen in het zwembad te duiken, ja dan kan ik er inkomen dat die Russische nep-homo-toeristen zo’n stukje televisietoneel bij elkaar fantaseren. Zelfs heel Rusland maakt nu grappen over die twee gifacteurs. Misschien moet Fabre deze pseudo homoheren onder contract nemen. Ze zouden zeker een culturele meerwaarde geven als hij ze tussen zijn naaktdansers zou laten optreden. Zijn pornoballet zou meteen een schot in de roos zijn bij alle nog rond dwarrelde exhibitionisten. Misschien dat de #metoo verhalen dan niet meer van de ballerina’s, die het choreograaf- regisseursbed moesten delen, zouden komen,  maar van de blote penisdansers, die dan meer dan ongemakkelijk hun billen stijf bij elkaar zouden moeten houden tijdens de grand écart? Dus volgend jaar met zijn allen naar Salisbury, de nummer één op de Russische citytrip-lijst en zeker de kathedraal bezoeken.   Sim, 17 september 2018  Le Barcarès Frankrijk

Sim
55 0

De vrouw en het kind in de supermarkt. In Brussel.

« Ah, de kleine Dylan ! » hoor ik de man zeggen tegen een klein jongetje dat er wat verloren en goedkoop gekleed bij loopt. “Hoe gaat het met je? Aan het winkelen?” Het is niet al te druk in de supermarkt. “Waar is je mama?” vraagt de man. De kleine Dylan kijkt de man niet aan. Zijn blikken zijn gericht op wat in de rekken staat. Cornflakes. “Ik mag van mama niet tegen jou praten want jij bent een vuile janet”. Zo, dat was gezegd.   “Dylan, kom hier. We gaan naar de kassa”. Een vrouw van rond de dertig trekt aan de arm van het kind. “Ah, ja, een vuile janet”, zegt de man. De vrouw kijkt de man niet aan en zegt tegen het kind dat het moet doorlopen. “Dus, jij wordt zo’n etterke van een kind”. Het kind kijkt verward naar de man. Dan richt hij zich tot de vrouw. “Mooi is dat. Ik kan er mee leven dat een kind tegen me zegt dat ik een vuile janet ben, hoewel ik Dylan er toch op wil wijzen, janet, ok, tot daartoe, daar heeft hij gelijk in maar vuil klopt niet; ik heb me gewassen. Dat doe ik elke dag, ’s morgens en ‘s avonds”. De vrouw maakt aanstalten om door te lopen maar de man houdt haar met scherpe woorden tegen. “Mooi om te zien dat jouw zoon binnen pakweg tien jaar zijn diploma niet zal afmaken, op zijn 16de achter de vuilkar zal lopen, de straten veegt met zo’n stofzuiger van de stad en in zijn vrije tijd wat experimenteert met cannabis en goedkope speed”. De vrouw snuift. “Hoe durf je!” Ze kijkt de man met vurig venijn in de ogen. “Jij moet me niet komen vertellen hoe de toekomst van mijn kind eruit ziet. Jij moet mij en mijn kind met rust laten”. Haat spuwt uit haar mond; de man blijft opvallend kalm. “Ach kind toch”, en loopt rustig verder.  

Erwin Abbeloos
16 0

Wespensteken

Als een zoemende zwerm opdringerige wespen zweefden de oordelen door de lucht.   Het oordeel van haar moeder voelde aan als een scherpe prik met een wrange nasleep. Toen haar mama haar huisje binnen was gekomen, voelde Marthe de onuitgesproken verwijten als een donkere sluier in de ruimte hangen: ‘Ik ging verdorie voltijds werken en voedde daarnaast ook nog 2 kinderen op. En jij hebt niet eens kinderen. En je hebt veel meer vakantie dan ik ooit gehad heb.’ Alsof ze zich in moest houden, zo veronderstelde Marthe, had haar moeder deze woorden ingeslikt toen ze op bezoek was gekomen. Ze had rond gekeken en met haar hoofd geschud. Ze was als een bezetene beginnen opruimen want hoe kon Marthe nu beter worden als haar hele huis vol met rommel lag? Het was natuurlijk goed bedoeld geweest. En Marthe wist ook wel dat ze niet anders kon dan dankbaar zijn voor al die goede zorgen, voor de zelfopoffering.   Vroeger zei haar vader vaak dat hij en mama het eten uit hun mond spaarden voor hun kinderen. Haar ouders gingen er prat op ouders te zijn die desnoods met nog grommende magen van tafel gingen om toch maar de laatste restjes van het scherp afgemeten voedsel aan hun twee dochters te kunnen geven. Jaren later pas was Marthe tot het besef gekomen dat die strategie haar ouders een flinke spaarpot hadden opgeleverd en dat ze nu, na jaren zwoegen, de villa hadden kunnen bouwen waarvan ze altijd gedroomd hadden.   Marthe wist dat het alleraardigst was van haar mama om wat vers bereid voedsel voor haar mee te brengen. Mama Greta vermeldde erbij dat ze die extra vitamientjes vast wel kon gebruiken. Ze was zelfs zo vriendelijk geweest rekening te houden met het vegetarisme van Marthe hoewel ze haar ongezouten mening – dat het ongezond was - daarover al vaak te kennen had gegeven. Niet alleen waren haar ouders zeer opofferingsgezind, ze waren ook heel goed in het oplossen van alle mogelijke problemen of kenden altijd wel iemand die dat in hun plaats kon doen. Zo sprak mama Greta over een dokter in het Leuvense die iédereen kon genezen. ‘Doe ermee wat je wilt, hier heb je alvast zijn kaartje’, had ze gezegd. En ze wou ook een datum vast leggen om te gaan shoppen want, zo zei ze, nieuwe kleren in de kast zouden Marthe’s energieniveau vast ook wel een boost geven.   Marthe had haar moeder aangestaard terwijl haar hart wild tekeer ging. Aan de grond genageld was ze er tegelijkertijd wel en ook niet. Ze had gezien hoe haar moeder haar blauwe schoenen had uitgedaan toen ze was komen aanwaaien; blauwe schoenen die perfect combineerden met de donkerblauwe broek en de lichtblauwe blouse. Gouden oorbelletjes en een gouden fijn bewerkt halssnoer completeerden het geheel. Marthe had zich ongemakkelijk gevoeld toen haar mama haar van kop tot teen met een diepe frons, vernauwde ogen en naar beneden gekrulde mondhoeken had gekeurd. Ze voelde zich klein in haar bijzijn en stond daar maar wat te staan in haar eenvoudige jeans en onopvallende trui. Ze had er te laat aan gedacht haar blauwe sokken met rode sterren in neutralere pantoffels te verbergen. Het nodige kappersbezoek had ze al een hele tijd uitgesteld. Het laatste waar ze de afgelopen periode mee bezig was geweest, was de snit van haar haar; tot op dit moment, oog in oog met de perfect geföhnde haardos van haar moeder.   Ze hoopte angstvallig dat haar moeder niet ín haar kasten zou kijken. In háar kleerkast was alles niet netjes op kleur geordend zoals dat in de kleerkast van haar ouders wel het geval was. De potten en pannen in haar keukenkast stonden schots en scheef op elkaar gestapeld, haar boekenkast puilde uit en de kussens die normaal gezien in de sofa thuishoorden, lagen her en der verspreid. Van de eerste schok bekomen door dit onverwachte bezoek, lachte ze alvast wat onzeker en hoopte tevergeefs op een goedkeurende blik terwijl ze vervolgens de kussens voorzichtig terug op hun plaats legde. Ze durfde haar mama niet aan te kijken toen ze haar vroeg of ze misschien even iets wou drinken. Het was een vraag die ze zichzelf verplichtte te stellen ook al kende ze het antwoord al. Marthe wist dat samen gezellig wat bijkletsen er niet in zat op dit moment. Voor haar mama vereiste een gezellige babbel immers een mooi decor, een perfect uitgedoste gastvrouw en een dienblad waarop alles mooi gepresenteerd was.   Een slons, dat was ze. Een slons die gefaald had. Ze wou zo graag stralen en aan haar mama vertellen dat ze de ideale man tegen het lijf was gelopen, dat ze hem toevallig ontmoet had toen hij zijn grijze BMW achter haar blauwe Dacia had geparkeerd. Ze wou dat ze haar moeder kon vertellen over een geslaagd uitje met haar gracieuze vriendinnen, over een zwempartijtje in het privézwembad van een collega en over driegangenmenu’s in dure restaurants. Dat wou ze. Het zou haar leven eenvoudiger maken en de band met haar moeder hechter.   Maar sluimerend aanwezig in haar was er ook het diepe verlangen om neuskeutels uit haar neus te halen en onder de rand van de tafel te kleven in haar moeders bijzijn. Er was het verlangen om te pronken met haar nonchalante kapsel en slonzige trui. Er was de drang om slordiger te zijn dan ze  werkelijk was, overdreven uitgesproken meningen te verkondigen die niet strookten met die van haar mama, het schijnwereldje van haar moeder aan de kaak te stellen en het onrechtvaardige lijden van bedelaars en vluchtelingen voor haar moeders voeten te werpen.   Het luisterend oor waar Marthe naar verlangd had, was uitgebleven. Ze had willen vertellen over het onrecht dat haar was aangedaan, over hoe hard ze haar best had gedaan, over hoeveel weekends ze had opgeofferd om van haar lessen iets speciaals en boeiends te maken, over moeilijke leerlingen en moeilijke collega’s, over vriendinnen die altijd vonden dat zij niet te klagen had met zoveel vakantie, over haar pogingen leermethodes uit haar lerarenopleiding in de praktijk om te zetten, over haar goede intenties, … Ze had de kans niet gekregen en was op haar honger blijven zitten. ‘Misschien moet ik inderdaad maar eens naar die dokter in Leuven gaan,’ dacht ze. ‘Of misschien zullen wat nieuwe kleren in mijn kast me inderdaad goed doen.’   Ze herinnerde zich hoe ze jaren geleden, toen ze zelf nog middelbare scholier was, eens een erg slechte dag had. Ze voelde zich verdrietig, was in de zetel in elkaar gezakt en had gemompeld ‘niemand ziet me graag’. Ze had toen verlangd naar een troostende arm om haar schouders, een paar liefdevolle woorden, een paar woorden van hoop en vertrouwen. Ze had zo hard gesnakt naar een beetje goedkeuring, naar een pleister op de wonde. Hoofdschuddend en met haar ogen draaiend had haar moeder geantwoord: ‘Hoe loopt ge er nu ook bij? Het kan niet missen dat niemand u graag ziet als gij met een gezicht tot op uw hielen rondloopt. Om van uw troosteloze kledij nog maar te zwijgen.’ Zout in de wonde. De duimschroeven nog wat extra aangespannen.    Hoewel het luisterend oor was uitgebleven en hoewel Marthe harde oordelen bij haar moeder vermoedde, deed het haar wel deugd dat haar huisje er nu weer netjes bij lag en dat ze niet hoefde te koken want daar had ze de energie niet voor. Ze bedankte haar moeder honderduit via berichtjes want zo hoorde het.   De tweede persoon die zijn angel op haar richtte, was de gepensioneerde buurman van Marthe. Hij sprak over een modeverschijnsel. ‘In mijn tijd bestond dat niet, een burn-out. Wij deden gewoon door en stelden ons daar geen vragen bij. En ’s avonds en in het weekend rustten wij een beetje uit.’ En ze voelde hem denken dat er toch wel iets grondig mis moest zijn met haar. Eigenlijk had ze het hem liever niet verteld. Maar toen hij vroeg waarom ze zo vaak thuis was, had ze het met een klein stemmetje toch maar verteld. ‘Oud worden, dat is pas wat hoor’, had hij gezegd waardoor ze zich extra schuldig voelde. Hij was oud en had allerlei klachten en zij zat gewoon thuis met een modeverschijnsel.   Ze kon wel door de grond zakken van schaamte. Wanneer ze wou uitleggen wat haar aandoening juist inhield, had hij plots last van hardhorigheid. Ze had voordien al vaker gemerkt dat hij hardhorig werd als ze vertelde over iets dat fout was gelopen op school. Hij hoorde plots ook niet meer goed toen ze verdrietig was na haar breuk met Thijs. Wanneer zij naar hem luisterde en hém bemoedigend aansprak, verstond hij haar altijd wel. ‘Mijn buurman is selectief doof’, had ze ooit tegen Jochen gegrapt. Marthe had altijd regelmatig wat soep naar de buurman gebracht of al eens een boodschap voor hem gedaan. Ze voelde zich er schuldig over dat ze dat op dit moment niet meer kon doen. Ze wist dat hij niet snapte dat ze nu zo vaak thuis was en toch minder voor hem deed. Steeds vaker begon ze hem te ontwijken.   Vriendin Lies zoemde rusteloos en hardnekkig om Marthe's oren. Marthe had de grootste moeite om te ontsnappen aan een nieuwe steek. Ze voelde hoe Lies, voltijds manager bij een groot bedrijf, vergeefse pogingen deed om te begrijpen dat iemand die in het onderwijs stond en zó veel verlof had een burn-out kon krijgen. Marthe hoorde haar zoemen en zoemen en steeds maar weer over zichzelf beginnen, over hoeveel stress zíj had en hoe weinig vakantie zíj had om te recupereren. Het deed Marthe's maag ineen krimpen. Met ingehouden adem hoorde Marthe Lies vertellen dat een ‘saunake’ haar altijd wel goed deed, dat ze de stress dan zó van zich af voelde glijden. Ze liet daarbij haar armen van aan haar hoofd naar beneden zakken en deed alsof ze alle stress wegblies. ‘Misschien moeten we nog eens samen naar de sauna, jij en ik‘ had ze voorgesteld. ‘Het zal je goed doen.’  Marthe had geaarzeld en drufde niet zeggen dat ze hoofdpijn kreeg van de sauna. Lies bleef maar dreigend zoemen en bracht Marhte in de war toen ze zich luidop afvroeg of het niet beter was om zo snel mogelijk terug aan de slag te gaan want ‘ Van zo thuis te zitten, begin je toch alleen maar meer te piekeren. Allé, ik zou dat toch hebben als ik thuis zou zitten. Dan zou ik piekeren en me vervelen. Ik zou het niet lang kunnen volhouden hoor.’   Het luisterend oor waar Marthe zo naar snakte, had ze nog niet gevonden. En ze gaf zichzelf op de kop: ‘Waarom kan je nu niet eens je huis opruimen of een beetje koken? Waarom kan je nu niet gewoon terug gaan lesgeven? Verman jezelf nu toch eens.’   Misschien kwamen de pijnlijkste wespensteken wel van zichzelf.

Aline
0 0

Vexations

De waanzin had toegeslagen. De mensen spraken allang niet meer. De Vexations voor piano van Satie waren alomtegenwoordig. De mensen stonden voor hun ramen geplakt in absolute onwezenlijkheid. De wrakende eindigheid had zijn werk gedaan. De eindigheid had ook de genade in zich en belichaamde daarmee ook de oneindigheid. Zij was het alles en het niets en met haar visionaire krachten had ze de mensheid bevroren en haar voor de ramen gepostuleerd. Echter hun geesten, hun gezamenlijke geesteskracht ging door en door in eindeloze aanschouwing. Ramen, helder als nooit tevoren, kaderden de mensen als bevroren silhouetten. Tralies zouden alleen een overbodige luxe zijn. Satie, steeds weer en weer, het kwam uit de hemelen, alles overstemmend. De luchten raakten er drachtig van en zij keerden zich binnenstebuiten in een zuurstofrijke droogte. Gekmakend impressionistisch was licht en geluid, in onophoudelijke melodie, zonder begin zonder eind. Vraag en antwoord in de rusten tussen de noten, altijd weer naar de climax van de onopgeloste melodie, zonder soulaas in de noten. Het thema een gapende krater. Er was iets geknakt in de memen van de mensheid, definitief onomkeerbaar. De huisdieren hadden het dagelijkse leven van de mensen overgenomen, om de steden en straten in hun waarde te laten. Alfa en Omega, de één vormende entiteit, had enkel haar invloed op abstracte breinen. Honden en katten waren haar zorg niet. De parkieten en de papegaaien waren gaan vliegen. De honden hadden de straten ingenomen. De mensen zeiden allang niets meer met hun uitdrukkingloze gezichten als een passe-partout. Voldoening gevende honger en dorst was niet meer. Voor hun ramen kwam ook de verlossende slaap niet meer. Uit de hemelen; De tonen van Satie steeds dissonanter met langgerekter noten, maar het drong niet meer door, ze hoorden allang niets meer. Ze zagen enkel. Het absurde tafereel op de straten aanschouwend. Ze keken zolang totdat de werkelijkheid ook niet meer te zien was. De hemelen waren fluor blauw, de straten en gebouwen in schakeringen van fluor roze en paars, de dieren in fluor geel. Het interieur in de huizen hadden geen nut meer. Het meubilair onaangeraakt. Er was enkel nog de periferie op de contouren van de buitenmuren; Van binnen naar buiten met de onmogelijkheid als een immanente dode metafoor. Binnen straalde een wit licht, zo fel dat je er niet in kijken kon, maar door de ramen heen verlichtten de huizen de straten. Zij, onbeweeglijk voor hun ramen, konden alleen de straten inkijken. De reptielen en knaagdieren hadden het allang begrepen en waren hun riolen ingevlucht. De honden beten alle katten dood en zij, zij zeiden allang niets meer. De evolutie had haar werk gedaan in haar finaliteit en de bakstenen bouwen waren het pronkstuk om statig te wezen voor de oneindigheid. En zij was traag schertsend gelukkig.    

Manuel Van den Fonteyne
1 0

Vakantiefoto / Center Parcs 1998

Ik ben het kleedhokje nog niet uit of de weeë geur van chloor en frieten draait mijn maag al in een knoop. Ik slik de koffiekoek van vanochtend weer door en wankel me een weg over de glibberige zwembadtegels. Het geroffel van de regen op het glazen dak zwelt aan in een  verwoede poging de kinderstemmen daaronder te smoren. Tevergeefs. De natuur delft wel vaker het onderspit in parken als deze. De bruine bladeren van de tropische planten zijn daar stil getuige van, hun wortels onder de tegelvloer gekneld als Chinese vrouwenvoetjes.   Naarstig nippen mama en papa al aan een moezelwijn bij de bar. Het afval op tafel verraadt de reeds verorberde kaaskroketten.  Voedsel is een mooie uitvlucht om geen woorden in de mond te moeten nemen. Moezelwijnen om wat niet gezegd wordt door te spoelen. Ik plof neer op een van de witte strandstoelen die ze bezet houden. Ilse zit naast me, mokkend ingeduffeld in twee strandlakens. Ze wou eigenlijk al niet mee gaan zwemmen. De buik was te groot en de bikini te klein. Mijn verwoede pogingen om haar van dat idee af te brengen bleven onbeantwoord. Ook de jongste was met haar kinderkleren het spreken ontgroeid.   Ik zak onderuit en maak oogcontact met de clown in het plonsbad. Er spuit water uit zijn oren en een troep kinderen hangt  huilerig aan de glijbaan die zijn buik met de bodem van het badje verbindt. Zijn belachelijk brede grijns trekt de knoop in mijn maag wat strakker. Ik wend mijn blik af. Ondertussen komt ook Daan aangelopen, enthousiast gesticulerend dat de golven in het grote bad weer begonnen zijn. Ik hoor nu pas de sirene galmen die hen aankondigt. “Eerst nog een familiefoto” oppert vader. Zuchtend komt Daan naast mama staan. Papa houdt de camera omgekeerd voor zich uit en telt af.  Op de achtergrond grijnst de clown meewarig mee.    

Fien
39 0

Ontspoord

Nacht. Een treinstation. Stilte. Enkel het geluid van een kapotte tl-lamp die aan en uit flikkert als een leven dat niet vooruit kan gaan. Vier personen wachten op een trein. Onbekend voor elkaar. Een student markeert in zijn cursus. Hij probeert de nota’s rond Ecce homo van Friedrich Nietzsche te vatten. Geeuwend draait hij de pagina’s om. Sluiks kijkt hij naar een jonge vrouw, overdreven geschminkt, zeer kort gekleed. Haar borsten nauwelijks bedekt. Haar benen overeen geslagen wiebelt zij constant met haar rechtervoet op de maat van haar kauwende mond. Een hoertje, amper negentien, ontvangt de blik van de student, die onmiddellijk terug in zijn cursus duikt. Op haar gezicht verschijnt een glimlach. Een man met de gebroken neus mijmert voor zich uit, denkend aan vroegere overwinningen in de boksring. Nu verlaten door vriend en vijand, ouder geworden, maar nog krachtig, hopend op een comeback. Hij tuurt in de verte zonder echt iets te zien, alleen met zijn gedachten. Wat afgezonderd zit een ontslagen directeur, met zijn handen om zijn hoofd, voorovergebogen. Hij haalt de ontslagbrief uit zijn aktentas en leest nogmaals tekst alsof hij het niet wil geloven. Na een geslaagde carrière van vijfentwintig jaar heeft een drankprobleem hem de das omgedaan. Aan de basis hiervan ligt zijn vrouw, die eruit getrokken is met een jonge minnaar. De student, het hoertje, de ex-bokser en de directeur wachten elk in hun eigen wereldje op de trein. Geen van hen heeft zin om een gesprek aan te knopen. Plots buldert een stem in de verte. “Eindelijk heb ik je gevonden!” Het hoertje krimpt ineen. De stem komt dichterbij. “Wat dacht je? Ik kan in stilte vertrekken. Verdomme, ik heb nog geld van jou te goed.” Het hoertje, starend naar de grond, beschermt zich tegen haar pooier met de armen gekruist. Deze is echter zo kwaad dat hij haar bij de haren vastgrijpt en haar hoofd naar zich toe draait. Hij heft zijn andere hand op en wil haar in het gezicht slaan. De toegesnelde student probeert dit te verhinderen. De pooier keert zich nu tegen de student. Een rake vuistslag legt de jongen tegen de grond. “Sukkel,” tiert de pooier. Nu is het de beurt aan de directeur die met zijn aktentas het hoofd probeert te raken. Een zijdelingse trap van de pooier op de borst is het antwoord. De directeur valt achterover op de grond. De pooier heeft het hoertje bij de keel. “Vuile hoer! Niemand ontsnapt bij mij! Je blijft je lichaam verkopen. Ik ga je plaatsen in een keet waar de klanten iets extremer willen.” Hij sleurt haar recht en sleept haar mee. De ex-bokser verspert hem de weg. “Wat is er, ouwe? Stoer doen?”, tiert de pooier. De ex-bokser haalt uit met zijn linkse, recht op de kin. De pooier laat het meisje los en wankelt. Na een nieuwe vuistslag op zijn rechterwang valt hij met zijn hoofd tegen de betonnen bank. Nog een stuiptrekking en de pooier is dood. De student, de directeur, de ex-bokser en het hoertje kijken elkaar aan. De directeur neemt als eerste het woord: “We moeten het lichaam laten verdwijnen.” “We kunnen hem daar leggen,” roept de student en wijst naar het spoor. Met zijn vieren nemen zij het lijk op en gooien het op de rails, in de nacht onzichtbaar voor de machinisten. In stilte gaan ze terug op hun plaatsen zitten. De tijd verstrijkt en ze horen in de verte de trein naderen. Als de trein stilstaat, stappen de vier personen op, elk naar hun bestemming. Onbekend voor elkaar, maar met een gezamenlijk verleden.

Ludo Herwijn
60 0

Geest, bent u daar?

In de zomermaanden mochten Rob en Jozefien kamperen in een tent die de ouders van het meisje met de sproetjes in hun tuin voor hen opstelden. Met het geluid van de krekels op de achtergrond wrongen ze zich in hun kleine slaapzakjes. Ze maakten er een spelletje van het tentzeil met een zaklantaarn te beschijnen en op die manier figuren te vormen. De ene moest dan raden wat de andere al lichtend had getekend. Soms probeerden ze om samen in één slaapzak te kruipen, maar al snel gaven ze er toch weer de voorkeur aan voldoende ruimte rond hun lichaam te hebben.   Jozefien klom graag in bomen. Ze had het voorrecht dat er een paar grote exemplaren in haar tuin stonden. De takken van de bomen wenkten haar meermaals in hun richting. Vooral de grote wilg riep regelmatig haar naam op het ritme van de wind. Hij vroeg haar zich te nestelen hoog in zijn kruin zodat hij haar kon wiegen en haar lieve woordjes toe kon fluisteren. Lenig als een kat beklom ze zijn takken. Lieflijk als een elfje praatte ze met haar grote vriend en ze fluisterde hem al haar geheimen toe.   Ze waren twee handen op één buik, Jozefien en Rob. Zij met haar vrolijke oogjes en rustige uitstraling, hij met zijn rond brilletje en spierwitte krulletjes. Wanneer ze elkaar een paar dagen niet zagen, voelden ze zich rusteloos, opgelaten, en hadden ze een enorme behoefte om elkaar weer te zien.   Wanneer er andere kinderen uit de buurt meespeelden, hielden ze ervan geesten op te roepen. Een groot blad papier met daarop in een cirkel alle letters van het alfabet werd op een tafel gelegd. In het midden werd een omgekeerd glas geplaatst en twee papiertjes met daarop ‘ja’ en ‘nee’. Iedereen legde de wijsvinger op het glas. Vervolgens werden de geesten aangeroepen door iemand: ‘Geest, bent u daar? Als u daar bent, ga dan naar ja.’ Soms moest deze vraag een aantal keren herhaald worden vooraleer er enige reactie kwam. Iedereen moest zich erg hard concentreren en lachen was uit den boze. Met geesten diende immers niet gesold te worden. Na enige tijd bewoog het glas zich langzaam richting ‘ja’. ‘Bent u een goede geest?’ Indien het glas zich dan naar ‘nee’ bewoog, werd de verbinding abrupt verbroken. Indien het glas zich naar ‘ja’ bewoog en het een goede geest betrof, kon elk kind een vraag stellen aan de geest waarop de geest kon antwoorden door het glas van letter naar letter te bewegen. Om te verhinderen dat één van de kinderen stiekem voor geest speelde en het glas moedwillig in een bepaalde richting stuurde, moest iedereen om de beurt zijn vinger even van het glas halen. Als de geest dan nog steeds antwoord gaf op de vragen, hadden de kinderen te maken met een echte geest. Indien het glas plots stopte met bewegen nadat één kind zijn vinger ervan had gehaald, werd dat kind ontmaskerd als valse geest en saboteur en werd het door Jozefien, die dit alles erg serieus nam, de les gespeld.   Toen ze op een keer Rob ontmaskerde als valsspeler, was Jozefien erg ontgoocheld en sprak ze gedurende een week niet meer tegen hem. Het duurde tot Rob zijn welgemeende excuses aanbood en haar beloofde vanaf dan nooit meer zo’n ongehoord gedrag te stellen. Toen één van de geesten op een keer ‘ja’ had geantwoord op de vraag ‘Kan je door onze kleren heen kijken?’, ze vervolgens een nieuwe beter gemanierde geest hadden opgeroepen en deze telkens opnieuw het woord ‘dood’ vormde, hadden een aantal kinderen de schrik zo hevig te pakken gekregen dat de pogingen van Jozefien om na dat incident nog opnieuw geesten op te roepen allemaal tevergeefs waren. De kinderen uit de buurt kozen voortaan voor andere spelletjes, zoals ‘één twee drie piano’ of ‘schipper mag ik overvaren’, omdat deze veiliger en minder griezelig waren. Ook de twee oudere buurmeisjes die vaak de spelletjes leidden op het grasveld op de hoek van de straat waren gekant tegen het oproepen van geesten. Niet omdat het griezelig en onveilig was, maar omdat het heidens was. De twee oudere buurmeisjes waren immers erg gelovig. Ze geloofden in de leer van Jezus Christus en geloofden dat er maar één Heilige Geest bestond. Die Heilige Geest kon niet opgeroepen worden. Je kon Hem enkel indachtig zijn in je gebeden.

Aline
27 0

Luister eens naar deze oude knar

Herfstbladeren vallen niet, ze wiegen de zomer in slaap. Als ge zo oud zijt als ik kijkt ge nu eenmaal anders naar het leven. Ik heb dan ook tijd om over die dingen na te denken. Ik ga nergens naartoe, alleen mijn gedachten hebben de luxe af te dwalen. Ze komen en gaan zoals de reigers. Ge moet weten dat het hier serieus veranderd is sinds Jan en alleman het domein mag betreden. Het was ineens gedaan met de rust. En oké, kabaal en geschreeuw vervliegt. Ge geraakt er met de tijd aan gewend. Maar waarom vinden jullie, mensen, het nodig om hartjes en namen in mijn huid te kerven? Dat ge dat op een muur doet kan ik nog begrijpen. Een muur leeft niet. Maar op een boom! Los van het feit dat het pijn doet, is het ook levensgevaarlijk. En ge moet daar niet mee lachen. Als gij in mij snijdt en de verkeerde bacterie nestelt zich in de sleuf, dan wordt die snede een gaatje. Dat gat wordt groter en voor ge het weet … Enfin, ge zult het niet weten want tegen dan ligt gij al lang onder de grond. Zelfs uw kleinkinderen zullen het nooit weten. Maar voor ge het weet ben ik dus helemaal uitgehold vanbinnen. Dan is het wachten op een rukwind die mij uit mijn lijden zal verlossen. Gij snijdt toch ook geen levende dieren? Mocht ge mij meer als dier beschouwen, ge zoudt tenminste moeite doen om rekening te houden met mijn gevoelens. Niet dat ge boomknuffelaar moet worden, laat dat duidelijk zijn, maar wij bomen doen meer dan bladeren van ons afschudden en nieuwe scheuten krijgen. Wist ge bijvoorbeeld dat wij kunnen communiceren met insecten? Als ik last heb van een ambetante parasiet, laat ik van mij ruiken. Dan trek ik insecten aan die dol zijn op die parasiet. En als de wind mijn geur meevoert, worden mijn familieleden verwittigd van het naderende onheil. En dan zwijg ik nog over onze wortels die ingenieus met elkaar verbonden zijn. Wij zorgen voor en spreken met elkaar, beste mens. Gij kunt dat alleen niet horen. En als ik even mag terugkomen op de vergelijking met dieren: het onderscheid tussen fauna en flora is ook maar uitgevonden door een mens hé. Het is máár een categorisering. Uiteindelijk leven we allemaal. Ook wij eten, drinken, communiceren, planten ons voort – wat ik trouwens geheel terzijde etymologisch een mooie uitdrukking vind – en passen ons aan de seizoenen aan. Maar omdat wij bijvoorbeeld op een andere manier eten en drinken, zijn we voor u geen dieren. Gij kunt ook onze emoties niet lezen. We staan erbij zoals een lantaarnpaal, is het niet? We lijken onverschillig neer te kijken op ons lot. Misschien is dat wel de reden waarom gij niet naar ons omkijkt. Soit, ik ben er nog. En ik zal hier nog wel een tijdje blijven staan, in het Rivierenhof. En al die tijd heb ik een prachtig zicht op Onze-Lieve-Vrouwekathedraal. Ik wuif geregeld naar haar. En als de wind goed staat, hoor ik haar stem die na al die jaren nog even helder klinkt. Toch iets waar jullie mensen goed in zijn.

Antony Samson
0 0

HET JETLAGUURTJE

Met stomme verbazing hoorde ik Junker, die Eurojandoedel verkondigen dat men een enquête gehouden had bij de Europese burgers en dat men met de uitslag hiervan rekening zou houden. Ik voelde me echt opgelucht nu de Europese burger eindelijk gehoord zou worden. Waarover die peiling ging? Over dat jetlaguurtje tussen het zomer- en het winteruur. Waarschijnlijk hadden de Europarlementariërs hier zelf enorm veel last van en zaten ze bij elke verschuiving tussen die tijd, telkens een paar weken te slapen en te geeuwen. Op dat ritme versliepen ze de meest belangrijke zaken die op de agenda stonden. Nu ze de uitslag van het burgerresultaat weten, kunnen ze hier weer een paar jaartjes over palaveren, discussiëren, onderhandelen en ouwehoeren. Had Junker weer een paar glaasjes teveel op? Waarom nu ineens wel de opinie van de Europese burgers vragen? Zijn er geen belangrijker zaken waar die ivoren torenpolitici met hun riante salarissen en dito pensioenen zich mee moeten bezighouden? Waarom houden ze niet eens een peiling hoe de doorsnee burger denkt over die zwartemannekesexodus en hoe Europa die onmiddellijk zouden moeten stoppen? En hoe de Europese burger erover denkt dat die Europa parlementariërs hierover reeds meer dan tien jaar lullen, leuteren en discussiëren terwijl ondertussen half Afrika in de Middellandse zee verdrinkt. Waarom hebben wij geen duidelijke buitengrenzen? Wat hebben die lulhannesen tot hiertoe al bereikt?  Eén Europese munteenheid met een Verenigd Koninkrijkuitzonderingetje en open grenzen. Poorten die wagenwijd opengezet werden naar landen die nog helemaal niet op Europees niveau zaten. Onze volledige bouw- en transportsector naar de Filistijnen.  Mooi cadeautje voor het Oostblok. Jullie kunnen nu je huisje voor minder dan de helft investering door Poolse arbeiders laten renoveren,  je dak voor een derde van de prijs door Bulgaren laten isoleren, terwijl een Tsjechische vrouw je keuken zwabbert en dit zonder dienstencheques. De Europese autostrades  worden overbumperd door Oostblok- truckcowboys, die voor minder geld dubbel zo lang in de file willen staan. Vindt Europa het niet raar dat wij door een religieus verkleedvolkje overspoeld worden, dat hun Middeleeuwse gedachtegoed aan ons wil opdringen? Vroeg Europa onze mening over deze belangrijke zaken? Waarom nu ineens wel over zo’n jetlaguurtje? Krijgen die Europese hotemetoten ineens schrik dat de Europese burger stilaan doorheeft hoe ons belastinggeld verkwanseld wordt en hoe ze alleen maar aan zichzelf gedacht hebben, toen de prijzen uitgereikt werden? Misschien als ze straks alleen het zomer- of het winteruur doordrukken, ze eindelijk alert genoeg blijven om gewichtigere aangelegenheden aan te pakken. Willen ze niet, of durven ze niet? In Rome stortte het dak van een kerk in. Heeft men de pastoor, die er dagelijks staat te bidden en te mompelen, zijn doopceel al eens gelicht? Misschien zat hij ook met zijn tengels aan de misdienaartjes. Ik vind het best een heel goede oplossing, dat telkens er zo’n pastoor, priester, kardinaal of hoe dit langejurkenzootje ook mag heten, met zijn klauwen aan een kind komt, er ergens ten velde een kapel, kerk of klooster inzakt. Zuid Amerika zou dan ondertussen één grote kerkelijke ruïne zijn. Hoe kunnen zo’n pedo-geestelijken nog in een God of het hiernamaals geloven, hoe gelovig kunnen die nog zijn als ze met hun poten niet van de kinderen kunnen afblijven. Laat die homobrigade toch de hand aan elkaar slaan, laat ze met hun huishoudster trouwen, maar vooral gooi ze met hun kindergeknuffel toch met hun sjokkedijzen uit de katholieke kerk! De opperchef in het vaticaan veroordeelde het nog maar pas, maar alles bleef zoals het was. In Brussel zakte een deel van het dak van het justitiepaleis naar beneden. Teken aan de wand! Benieuwd wat daaronder allemaal aan de hand was?   Sim, 6 september Le Barcarès https://cornelissimone.blogspot.be  

Sim
0 0

Sucadelapjes in de hemel

Elke keer verrast het me hoe helder kinderen kunnen denken. Op de grote vraagstukken van het leven geven ze met flair antwoord. Zoals een slager zijn plakje vlees vanonder de toonbank pakt, het op de weegschaal legt en als hij het zwaar genoeg vindt, zegt: ‘Een heerlijk stukje mals vlees. Maar een paar minuutjes bakken in de pan, hoor. Met een klontje boter. Dat is het lekkerst.’ Zoals dat stukje vlees ligt het antwoord klaar op de tong van een kind.   Op een dag bracht ik mijn kleindochter naar school. Ze reed voor me uit op haar fiets met zijwieltjes. Ik was met de benenwagen. Mijn wandelstok die mij behoedt voor het vallen, was thuis gebleven, als een jaloerse vriendin. Als ik op stap was met mijn ‘grote’ vriendin zoals ik mijn kleindochter noemde, voelde ik me tien jaar jonger. Dan liep mijn stokoude vriendin ons alleen maar voor de voeten.     Bij het kruispunt zei ik streng: Oppassen voor de auto’s! Mijn kleindochter volgde mijn aanwijzingen op als een soldaat de bevelen van zijn kolonel. Ze bleef stokstijf staan voor het rode licht. ‘Ja, oppassen voor de auto’s, anders ben ik dood,’ zei ze gelaten. ‘Aska weg, mama weg, papa weg, oom Michel weg, tante Veerle weg, opa weg, oma weg.’ Het was alsof ze allemaal langs marcheerden. De doden.     Toen sprong het licht op groen. We staken over en bereikten veilig de andere kant van de weg. Alsof we succesvol de styx waren overgevaren. Op school leverde ik haar keurig af in de klas. Als een pakketje. Zonder het kleinste deukje. De juf bedankte drie keer. Ik glom van trots.   In diep gepeins liep ik naar huis. Ik dacht na over wat mijn kleindochter had gezegd. Over hoe ze dood zou gaan. Wat bedoelde ze precies als ze zei dat iedereen weg was als ze dood was? Alsof ze kon toveren. Toen het rood op licht sprong, schoot ik wakker uit mijn gepeins. Ik wachtte geduldig tot het rode mannetje zou worden afgelost door het groene mannetje. Zijn dienst zat er bijna op. De hele dag wisselden de mannetjes elkaar af. Altijd op hetzelfde moment. Zonder klagen. Dankzij hun was de wereld een stukje veiliger.    Net als de op het eerste gezicht knullige mannetjes, begreep mijn dochter dat het leven geen spel was. Net zo min als de dood. Ze lieten niet met zich sollen. Voor haar leeftijd was mijn kleindochter heel volwassen. Het groene mannetje sprong op groen. Ineens begreep ik wat ze bedoelde.   Als je niet oplet in het verkeer en je gaat dood,  dan gaan de mensen die belangrijk voor je zijn ook dood. Want als je dood bent, kan je ze niet meer zien. Dus zijn ze ook dood. Eigenlijk was het heel simpel. Zelf had ik het niet bedacht.   Ik had niet meer lang te leven. Ook al paste ik heel goed op in het verkeer. ‘Opa is stokoud,’ zei mijn kleindochter zonder blikken of blozen. Alsof ik een stokbrood was die je na een dag in de oven doet. Zodat hij weer knapperig wordt. Straks, als ik in de oven ga, neem ik wel lekker iedereen met me mee, grinnikte ik tegen mezelf. Om in de woorden van mijn kleindochter te praten. Doodgaan leek me ineens een stuk gezelliger. Ik zag ons allemaal samen zitten, niet bij, maar in het haardvuur. Zelfs mijn grootste vijanden zouden met mij branden.   Ik naderde het winkelcentrum. De geur van de bakker kwam me tegemoet. Alsof de vrouw van de bakker me persoonlijk een warme hand gaf. ‘Oh ja, ik moet nog langs de slager,’ bedacht ik me ineens. Ik was het bijna vergeten! ‘Oma vroeg of ik twee sucadelapjes voor vanavond wilde halen,’ mompelde ik. Mijn geheugen werkte steeds slechter. Opa was niet alleen een stokbrood. Opa had ook de hersenen van een gatenkaas. Straks dronken ze opa’s wijn nog! Du pain, du vin, Boursin!   Ik liep snel naar de slager voordat ik het weer was vergeten. In de hele wereld bestond er niets lekkerder dan de sucadelapjes van oma. Hoe kon ik ze vergeten? Met aardappeltjes en rozemarijn in de oven. Ik watertandde. ‘Zouden ze in de hemel ook sucadelapjes in de oven hebben?’ Vast wel.                           

Margaretha Juta
0 0