Zoeken

Belle

Ik zet de muziek nog wat luider terwijl ik luidkeels meezing met “Just the way you are”. 'Cause girl you're amazing, just the way you are!' Ik wijs naar Belle, die aan het stuur zit en al even luid meezingt, maar minder enthousiast meebeweegt. Vanzelfsprekend, je kan niet dansen en rijden tegelijkertijd. We zijn onderweg naar Griekenland, waar we een week gaan kamperen. Jep, kamperen in Griekenland. Dat klinkt misschien raar, maar we houden van kamperen en warm weer, dus eigenlijk is het zo gek nog niet. ‘Wat denk je Tinne? Tijd voor een plaspauze?’ vraagt Belle als ze langs de kant van de weg een bord ziet staan dat aankondigt dat er over één kilometer een tankstation en wegrestaurant zijn. ‘Is goed!’ Niet veel later rijdt Belle de parking op. We stappen uit en wandelen richting het tankstation. Terwijl Belle op de wc zit, slenter ik door de winkel en haal allerlei verschillende soorten ongezond eten uit de rekken. Met mijn armen vol zakken chips, koekjes, snoep en twee flesjes cola sta ik aan de kassa. Ik betaal het bedrag van €23,67 (serieus, waarom is eten in tankstations langs de weg zo duur?), neem mijn zakje en ga aan de wc’s wachten tot Belle weer verschijnt. ‘My god, Tinne! Wat is dat allemaal?!’ roept Belle uit als ze me ziet staan. Ze neemt de zak over en kijkt verschrikt naar al het eten. ‘Heb jij een leger dat je eten moet geven of zo?’ lacht ze. ‘De soldaten in mijn buik hebben honger,’ reageer ik met een hand op mijn buik. ‘Ik heb ook aan jou gedacht hoor.’ Glunderend haal ik Belles favoriete koekjes en één van de twee flesjes cola uit de zak. ‘Gelukkig maar, ik was al bang dat alles voor jou was!’ Lachend keren we terug naar de auto, waar we nog even gewoon blijven zitten om een beetje te rusten voor we weer vertrekken. Ik trek een zak chips open, waar Belle gretig van mee-eet. Als de chips op zijn en we nog even een korte wandeling rond het parkeerterrein hebben gemaakt op zoek naar een vuilbak, kruipen we weer in de auto en zetten onze weg naar Griekenland verder. Deze keer zit ik aan het stuur, zodat Belle niet de hele rit hoeft te focussen.   Na nog vele uren rijden komen we eindelijk aan in Griekenland. We hebben een kleine camping niet ver van een minder populair strand uitgekozen. Ik parkeer de auto en stap uit. We beginnen met het uitladen van de belangrijkste spullen: onze tent, het extra grondzeil, de opblaasbare tweepersoonsmatras, een hamer en de voetpomp. Ik vouw het extra grondzeil open en pin het vast in de grond met piketten zodat het niet wegwaait. ‘Ik de tent en jij de luchtmatras?’ stel ik voor. Belle knikt en begint meteen de matras open te leggen op het grondzeil. Terwijl ze ijverig begint te pompen, rits ik de zak waar de tent in zit open. Ik schud alles uit de zak en bestudeer vervolgens de handleiding. Niet dat ik de tent nog nooit heb opgezet, maar het is alweer even geleden en ik wil liever niet halverwege opnieuw moeten beginnen. Eén voor één voer ik de stapjes uit. Als ik de flexibele tentpalen door het zeil moet steken, roep ik even de hulp van Belle in. Na een klein uurtje staat de tent recht en kunnen we alles beginnen uitladen. Eerst leggen we de luchtmatras in de binnentent. Belle is bekaf van het vele pompen. ‘Beloof me dat we tegen volgende keer dat we samen gaan kamperen een automatische pomp kopen. Ik voel mijn been niet meer!’ ‘Ik vond je verschillende manieren van pompen anders wel origineel,’ lach ik. Belle heeft niet alleen afwisselend haar beide benen gebruikt, maar ook haar handen (om haar benen een rustpauze te gunnen) en haar achterwerk (om haar armen te kunnen laten uitrusten). Vraag me trouwens niet hoe je een voetpomp kan laten werken met je kont, dat kan alleen Belle. Als alles uitgeladen is en in de tent een plaats heeft gekregen, stel ik voor om nog even naar het strand te gaan en daarna in het dorpje een hapje te gaan eten. ‘Ja, topidee! Ik doe even mijn bikini aan.’ ‘Ooh ja, goed idee! Daar had ik nog niet aan gedacht. Ik wacht wel even hier en daarna kan ik mijne ook aandoen.’ ‘Je kan toch ook ineens meekomen? Ik bedoel, we kennen elkaar al zeven jaar en zijn al die tijd al beste vriendinnen. Bovendien is het niet zo dat we nog nooit een naakte vrouw hebben gezien.’ Ik begin te blozen en hoop uit de grond van mijn hart dat Belle het niet merkt. Beste vriendinnen ja... Als ze zou weten dat ik al een jaar verliefd op haar ben, zou ze wel anders reageren. ‘Je hebt gelijk, ik kan me net zo goed samen met jou omkleden,’ zeg ik toch maar. We draaien ons wel met onze ruggen naar elkaar toe, zodat we toch nog een beetje privacy hebben. Als we onze bikini’s onder onze kleren hebben aangedaan, vertrekken we naar het strand. Er zijn niet zoveel mensen, wat ik absoluut niet erg vind. Ik krijg het benauwd van te veel mensen om me heen. Belle legt meteen haar handdoek open en neemt de zonnecrème. ‘Je bent nog niet ingesmeerd hè Tinne?’ ‘Nee klopt, gelukkig denk jij daar nog aan,’ antwoord ik terwijl ik ook mijn handdoek neem en erop ga zitten. ‘Kom hier, ik zal het even doen.’ Belle komt voor me zitten en smeert mijn gezicht in. ‘Belle, dat kan ik zelf ook wel hoor, alleen mijn rug niet.’ ‘Ik ben nu toch al bezig. Doe je ogen eens even dicht.’ Ze smeert de rest van mijn gezicht in. ‘Ze mogen weer open hoor Tinne,’ lacht Belle als ik mijn ogen niet meteen weer open doe. Ik zie haar geamuseerd naar me kijken. Ze ziet er zo leuk uit, en zo dichtbij. Ik zou haar kunnen kussen... Ik verplicht mezelf om die gedachte opzij te zetten. Op dat moment neem ik me voor dat ik deze vakantie mijn gevoelens voor haar opbiecht. Belle verplaatst zich naar achter mij. Ik doe mijn T-shirt uit zodat ze mijn rug kan insmeren. Als ze klaar is, smeer ik haar rug nog in en daarna lopen we samen naar de zee. We zwemmen, spetteren elkaar nat en duwen elkaar kopje onder. Als we moe zijn van het zwemmen, waden we lachend weer terug naar het strand. Als we elkaars rug nog een keertje hebben ingesmeerd, leggen we ons allebei languit op onze handdoeken om nog even te zonnen.   Nadat we in het dorpje iets zijn gaan eten, gaan we terug naar het strand om naar de zonsondergang te kijken. Belle en ik zitten op een handdoek en genieten van het prachtige uitzicht. Belle legt haar arm om me heen en haar hoofd op mijn schouder. Ik besluit dat dit een goed moment is. ‘Belle? Ik moet je wat vertellen.’ ‘Dat rijmt,’ lacht ze. Als ze merkt dat ik niet lach, wordt ze weer serieus en kijkt me vragend aan. Wat daarnet nog een vanzelfsprekend plan leek, lijkt nu iets heel stoms. Ik klap toe en ontwijk Belles blik. ‘Laat maar,’ fluister ik. ‘Ben je zeker? Ik zie aan je dat je er mee zit Tinne. Als je het niet wil zeggen hoeft het niet natuurlijk, maar ik ben er voor je hè.’ ‘Dat is lief,’ weet ik uit te brengen. ‘Wil je het vertellen?’ Ik zwijg en weeg de voordelen tegen de nadelen af. Als ik tot de conclusie kom dat er geen nadelen zijn, bereid ik me mentaal voor om het toch te vertellen. ‘Wel... Het zit zo,’ breng ik haperend uit. Belle wrijft geruststellend over mijn rug en geeft aan dat ik alle tijd moet nemen die ik nodig heb. ‘Ik... ik heb al een jaar lang gevoelens voor je,’ zeg ik uiteindelijk. Meteen heb ik spijt van wat ik gezegd heb. Belle zet zich recht en kijkt me aan met een blik die ik niet kan thuisbrengen. Verrast? Afkeurend? Eén enkele seconde meen ik blijheid of enthousiasme te zien, maar ik zie het meteen weer plaatsmaken voor een neutrale blik. Ik heb het me vast ingebeeld. ‘Ik ben blij dat je me dat verteld hebt.’ Er valt een gênante stilte, tot Belle haar hoofd weer op mijn schouder legt en van onderwerp verandert. ‘Wat is het hier toch mooi hè...’   's Avonds liggen we nog wat te praten in de tent. ‘Zouden we niet gaan slapen? Het is al bijna twee uur 's nachts...’ stel ik voor. ‘Misschien wel ja, alhoewel we eigenlijk nergens op tijd voor moeten opstaan morgen.’ ‘Klopt, maar ik ben moe.’ ‘Dan moeten we gaan slapen inderdaad.’ Belle kruipt in haar slaapzak dichterbij mij. Ik wil haar een knuffel geven, maar voor ik de kans krijg, voel ik Belles lippen die de mijne zoeken. Ik verlies me helemaal in de kus. Als mensen zeiden dat ze vlinders voelen vond ik dat altijd overdreven, maar deze kus zorgt ervoor dat ik me overgeef aan het cliché. Niets voelde ooit zo goed. ‘Belle-‘ Ze breekt mijn zin af, nog voor hij goed en wel begonnen was, door haar lippen nog een keer op die van mij te drukken. ‘Ik hou ook van jou Tinne,’ zegt ze daarna. ‘Misschien nog niet zo lang als jij van mij, maar ik was zo blij dat je me het daarstraks vertelde.’ ‘Maar waarom zei je dan niets? Nadat ik het vertelde bedoel ik. Ik snap maar al te goed waarom je het daarvoor niet even zomaar ging vertellen.’ ‘Ik wilde het niet meteen met de wereld delen. Misschien waren er maar tien mensen op het strand, toch moest dit moment iets van ons alleen zijn. Sorry dat ik zomaar over iets anders begon, maar ik wist echt niet wat ik moest doen.’ ‘Je hebt echt geen idee hoe blij je me maakt Belle.’ ‘Kom eens mee.’ Belle trekt me aan mijn arm mee de tent uit. Als we op onze blote voeten in het gras buiten staan, staar ik Belle verbaasd aan. ‘Waarom staan we buiten?’ ‘Kijk eens omhoog. Al die sterren. Ik vind ze prachtig! Ken je iets van sterrenbeelden?’ ‘Ik ken alleen de Grote en de Kleine Beer...’ ‘Kan je ze vinden?’ Ik wijs naar boven. ‘Daar is de Grote Beer, het steelpannetje.’ ‘En de kleine?’ ‘Daar, aan de Poolster.’ Ik wijs naar de felste ster aan de hemel. Belle wijst enthousiast de andere sterrenbeelden die ze kent aan. Orion is haar favoriet zegt ze. We liggen nog een hele tijd buiten voor de tent naar de sterren te kijken, nog zo’n cliché waar ik me nu met plezier aan overgeef.   De volgende dag ben ik als eerste wakker. Ik rits de tent open en rek me buiten even uit. Als ik weer naar binnen ga, zie ik dat Belle ook wakker is. Ze knijpt haar ogen dicht tegen het felle zonlicht dat in de tent valt. In dit licht is het duidelijk dat ze hetzelfde prachtige blauw zijn als de zee. ‘Weet je waar ik zin in heb Tinne?’ ‘Ja. Ik ga voor jou op koffiejacht,’ antwoord ik zacht en ik geef haar een kus op haar hoofd. ‘Hoe raad je het hè...’ Met de bidon in mijn hand loop ik naar het dichtstbijzijnde kraantje met drinkwater. Ik vul hem en giet even later een deel van het water over in de waterkoker. Kamperen is altijd een beetje behelpen, ook wat koffiezetten betreft. Het moet op de ouderwetse manier, met een filter en kokend water dus. Ik dek de picknicktafel voor het ontbijt en als de koffie klaar is, roep ik Belle. We ontbijten, gaan douchen en trekken daarna het stadje in om een beetje de toerist uit te hangen.    De week vliegt voorbij en voor we het weten moeten we weer naar huis. ‘Kunnen we echt niet nog wat langer blijven?’ vraag ik terwijl ik een zielig gezichtje trek naar Belle. ‘Ik zou wel willen, maar helaas...’ Ze gooit de laatste spullen nog in de auto en stapt dan in. Ik ga op de passagierszetel zitten en dan start Belle de auto. ‘Doei camping, we zullen je missen,’ zeg ik treurig als we wegrijden.   Na een flink stuk rijden stoppen we om te wisselen van chauffeur en om te eten. Belle rijdt een parking langs de autostrade op en parkeert de auto vlak naast een paar picknicktafels. Ik stap uit om het eten te nemen. Belle komt achter me staan en geeft me een knuffel. ‘Heb ik je vandaag al gezegd hoeveel ik van je hou?’ vraagt ze. ‘Hmmm... Nog maar 2000 keer, maar je mag het altijd nog een keer zeggen,’ antwoord ik, en ik kus haar. ‘Kom mee, we gaan eten!’ Belle loopt het stukje parking tussen onze auto en de tafels nog over, maar kijkt niet en ziet daardoor de auto niet komen. ‘BELLE! PAS OP!’ Maar het is al te laat. De auto probeert nog te remmen, maar tevergeefs. Belle, die net nog zo vrolijk en lief bij me stond, ligt nu op het warme asfalt voor de auto. Rond haar lichaam verschijnt een plasje bloed, dat steeds groter wordt. Ik ren naar haar toe, tranen stromen over mijn wangen.  ‘BELLE!’   Ze reageert niet. Voorzichtig neem ik haar arm op en voel aan haar pols. Niks meer. Op slag dood.

Seriewoordenaar
0 0

Inkopen doen

Met grommende maag staat ze voor een hele rayon chips. Dit overleeft ze niet. Zeventien verschillende soorten, van ultradik tot extra geribbeld tot ovengebakken.. Het wordt zo ondertussen een ritueel, telkens wanneer de jongens bij hun vader zijn en ze de week alleen moet doorbrengen. Ze schuifelt ongemakkelijk heen en weer, van de ene kant van het rek naar de andere. Rechts van haar komt een man kordaat naar haar toe gewandeld. Ze deinst geschrokken opzij. Even zoekt hij haar blik en kijkt haar vragend aan. Dan neemt hij een pak peper en zout Kettle’s uit het rek en legt die in zijn winkelmandje, terwijl zijn blik op haar blijft rusten.             ‘Laat die chips maar zitten,’ denkt ze, ‘ik maak me hopeloos belachelijk.’ Sla is het volgende item op haar lijstje. Deze keer is de keuze makkelijker: een pakje veldsla voor één persoon. Wanneer ze bij de wijn aankomt, steekt de keuzestress de kop weer op. Haar ogen glijden minutenlang over de etiketten, terwijl mensen naast haar vastberaden een fles uit het rek nemen. Ze voelt hun blikken in haar rug branden en ziet hun scheve blikken. Ze laat de wijn voor wat hij is, versnelt haar pas en loopt door.  Haar ademhaling gaat tegen haar wil omhoog. Ze snelwandelt koortsig door de winkel. Nadenken gaat niet meer. Een vrouw met een overvolle kar komt in de tegenovergestelde richting naar haar toe gewandeld, maar in blinde paniek heeft ze haar te laat gezien. Ze botsen tegen elkaar op,  er valt een pak kalfskoteletten uit de kar op de grond. De vrouw kijkt haar verontwaardigd aan.             ‘Sorry, ik had u niet gezien.’, mompelt ze binnenmonds. Ze loopt door voor de vrouw kan antwoorden. Aan haar arm bungelt een rood winkelmandje met alleen een pakje veldsla. Na vierendertig minuten in deze winkel is dit haar schamele buit. Ze moet hier weg. Haar ademhaling is intussen zo snel en hoog dat ze er licht van in het hoofd is geworden. Haar denkvermogen wordt overmeesterd door een constante zachte suis in haar oren. Ze kan niet meer. Paniek en afschuw maken zich van haar meester. In een gejaagde opwelling zet ze haar winkelmandje op de grond, loopt met onzekere tred naar de kassa, naar de uitgang van de winkel. Wanneer ze terug in haar wagen zit is ze nog zo verward dat ze is vergeten hoe ze het ding moet besturen. Ze zet de wagen in achteruit, gaat veel te hard op het gaspedaal staan en stuurt de achterkant van de wagen uit onmacht hard tegen de muur van de parking. De bumper kraakt luid. Tien minuten later komt ze met lege handen thuis, haar maag gromt nog steeds.

Annelies Leysen
4 0

Hoe vertel je een kind dat de dierentuin een leeuwin heeft doodgeschoten?

Zoals je weet werd er gisteren een leeuwin in de dierentuin doodgeschoten. Ze was uit haar kooi ontsnapt. Gewoon naar buiten gewandeld eigenlijk. Iemand van de verzorgers had de deur laten openstaan. Verstrooid zijn heet dat en dat kan iedereen overkomen. Een leeuwin is de mama leeuw. Maar deze leeuwin was pas twee jaar, dus nog niet echt mama. Om zelf welpjes te hebben moet je iets ouder zijn. Welpjes dat zijn de kleintjes van een leeuw en leeuwin, zoals in de Lion King. Iedereen in de dierentuin heeft geprobeerd om de ontsnapte leeuwin te vangen. Maar Rani, zo heette ze, was veel te snel en kon zich telkens verstoppen achter een boom. Je moet altijd voorzichtig zijn met een leeuwin, je kan niet zomaar op haar afstappen, een leeuwin is een groot en sterk dier. Soms helpt fluisteren of op een rustige manier vragen of ze terug naar haar kooi wil gaan, maar Rani was een dove leeuwin, dus hoorde ze niet wat er werd gevraagd. Daarom heeft de dierentuin een dierenarts gebeld. Die is zo snel hij kon gekomen. Iets te snel want hij was de batterijtjes voor het hoorapparaat van Rani thuis vergeten. Gelukkig had hij wel pijltjes mee om haar te verdoven. Zo'n pijltje steek je in een lange buis waar je dan zo hard als je kan op blaast. Pfffffffffffff tsjaka tsjaka. Twee keer heeft de dierenarts geblazen, maar de pijltjes vlogen de verkeerde kant op. Bijna in het oog van een baby in een kinderwagen en net naast de billen van een jongen met een truitje van de Rode Duivels. Ondertussen had Rani een treinwagon zien staan. Ze werd nieuwsgierig en wilde eens gaan kijken of die wagon ook kon rijden. Wat niet zo was. Het was er eentje zonder machinist, zoals in Harry Potter. Uiteindelijk is de politie erbij gekomen omdat er paniek in de dierentuin was ontstaan. Rani had 's morgens geen ontbijt gekregen en iedereen dacht dat ze de mensen in de trein wilde opeten. En toen heeft een agent gedaan wat hij moest doen. Driemaal geschoten. Wat er in het hoofd van Rani omging op de laatste seconde van haar leven weet niemand. Maar volgens een getuige had ze een Hakuna matata-blik in haar ogen.   RIP Rani 21 juni 2018          

Sascha Beernaert
0 0
Tip

Een man

Ik heb een man leren kennen. Iedere ochtend brengt hij zijn dochter naar school. Een melkchocolade meisje met donkere ogen en dreadlocks met kleurige kralen doorheen geweven. Ze wandelen hand in hand met rustige tred richting schoolpoort. Daar knielt hij neer tot zijn lichtjes glimmende, kale hoofd laag genoeg is om het meisje een kus op haar voorhoofd te geven. Zij geeft hem een knuffel, hij aait over haar kralen en krullen en wandelt met dezelfde, rustige tred weer weg. Iedere ochtend, stipt om kwart over acht, hetzelfde tafereel. Soms ben ik er niet om kwart over acht. Dan heeft Ada weer een schriftje ergens verkeerd gelegd, duurt het ellendig lang voor ze weet wat ze op haar boterham wil om vervolgens toch weer te kiezen voor kruidenkaas en kippenwit, of heeft haar jasje niet de juiste kleur. “Zo kan ik toch niet naar buiten!” Hoe doen andere ouders dat, om iedere ochtend stipt om kwart over acht aan de schoolpoort te staan? Vaak moeten we rennen omdat we om de hoek al de schoolbel horen. Heel soms hebben we alle tijd, en kunnen we rustig pratend de wandeling naar school maken. Een lang afscheid voor de schoolpoort zit er niet meer in, daar voelt ze zich ondertussen ietsje te groot voor. Ik haast me uit de voeten, en als het nog geen kwart over acht is, ga ik op het bankje in het park schuin tegenover de school even wachten, om te kijken hoe de rijzige zwarte man rustig komt aangewandeld, zijn dochter kust en weer weg wandelt in de richting waar ze vandaan kwamen. Ik voel me een voyeur, maar niet schuldig. Ik word zelf ook rustig van het tafereel. Op een ochtend komt de man naast mij zitten op het bankje, op veilige afstand. Ik voel me betrapt. Maar hij laat niets merken. Hij draagt dezelfde hoodie als altijd, een zwarte met opschrift Amsterdam en daaronder het bekende wapenschild van de stad met de drie kruisjes en de slogan heldhaftig-vastberaden-barmhartig, het soort trui dat je kan vinden in de schreeuwerige souvenirwinkels op het Damrak. Daaronder een afgesleten blauwe spijkerbroek en sneakers die duidelijk een stukje van de wereld hebben gezien. De man slaat zijn benen over elkaar, leunt achterover en haalt een pakje sigaretten uit de kangoeroebuidel van zijn trui. Een of ander onbestemd merk, uit de Aldi of een andere goedkope supermarkt, gok ik. De man buigt lichtjes mijn richting uit en biedt me met een knikje een sigaret aan. Ik ben al enkele jaren gestopt met roken maar zonder na te denken knik ik terug en neem de sigaret aan. Ik lach het lachje waarvan vriendinnen zeggen dat het me er een beetje dom doet uitzien. Lief, dat wel, maar dom. Het lachje wordt nog eens herhaald als de man mij een vuurtje aanbiedt, en ik me voorover moet buigen om met mijn sigaret bij de vlam te komen. Met mijn hand bescherm ik het vuur tegen het zachte lentebriesje en raak ik even zijn hand aan. Die voelt als schuurpapier met een fijne korrel. Ik trek mijn hand snel terug, wil niet dat de man zich ongemakkelijk gaat voelen. Of dat ik als te vrijpostig word gezien, wie weet wat deze man al allemaal te horen heeft gekregen over Nederland en zijn feministes. Ik inhaleer voorzichtig en moet toch even kuchen. De man glimlacht. Kucht ook even. Ik zoek naar woorden maar zeg niks. De man rookt genietend, alsof zijn allerlaatste wens net in vervulling is gegaan. Als zijn sigaret is opgerookt, knikt hij even en wandelt weg. Ik knik terug, probeer niet te dom te lachen, doof mijn sigaret en beslis nog even van de vroege zon te genieten voor ik terug naar huis wandel.   Ik ben het gewoon om aangesproken te worden door vreemde mannen. Doorgaans begint hun zin met “ben jij niet… “ en dan weet ik al wat er volgt: dat grietje dat ooit meespeelde in een populaire soap en vervolgens trouwde met en snel weer scheidde van de grootste eikel van het land en nu halsstarrig haar best doet om serieus te worden genomen door het meer belezen deel van de natie, al zijn de meesten zo beleefd om dat laatste deel achterwege te laten. En dan knik ik en zet ik dat domme lachje op, want mensen zien hun vooroordelen niet graag weersproken. Ik lach om hun grapjes, ook als ze niet leuk zijn, probeer het aantal opmerkingen te beperken. In het begin probeer ik me te concentreren op mooi en stil te wezen, de rest kan later nog altijd. Indien. Als. Met deze man is het anders. Ik voel dat ik het initiatief moet nemen. Dat hij wacht tot ik iets zeg. Maar wat zeg je ook alweer tegen iemand die je niet kent? Waarom worden daar nooit eens zelfhulpboeken over geschreven? “Lekker weertje, hé”, zeg ik, enkele dagen later als de man weer op veilige afstand van mij op het bankje komt zitten. Ik heb er dagen over kunnen nadenken, en dan is dit waar ik mee op de proppen kom! Ik word bijna rood van verlegenheid om zoveel domheid. Maar anderzijds: het is zo vroeg op de ochtend ook al gewoon mooi weer, en hoeveel kinderen zouden er niet zijn voortgekomen uit stomende romances die zijn begonnen met een banale opmerking over de klimatologische omstandigheden? “Ja, lekker weer”, zegt de man, met rustige stem en een accent dat ik moeilijk kan thuisbrengen, al doet het vermoeden dat hij nog niet lang Nederlands spreekt. Ik zou willen dat hij doorgaat, dat hij vertelt dat waar hij vandaan komt het alle dagen zonnig is, dat de zon er de aarde en de huiden verschroeit, in het land dat hij moest ontvluchten wegens honger of oorlog of allebei, maar hij gaat tevreden achteroverleunen terwijl hij een sliert rook uitademt. Hij sluit zijn ogen en murmelt iets wat klinkt als “lekker weer” maar helemaal zeker ben ik niet. Ik weet niet of het beleefd is om vragen te stellen aan een man die net zijn ogen heeft gesloten. Of de man daar überhaupt zin in heeft. Maar dat kan misschien later nog. Indien. Als. Zo gaat het sinds een week of twee bijna iedere ochtend. Ik maak Ada vroeg genoeg wakker om zeker te zijn van de ontmoeting met de man. We spreken haast niet. We knikken, zitten en roken. Ik lach mijn verleidelijkste lach, ik schuif wat dichter bij, ik zeg wel eens dingen als “dat was een heftig onweer  gisteravond” of “leuk meisje, jouw dochter?”, en dan zegt de man “ja, heftig onweer” of “ja, dochter” en leunt weer achterover om van zijn sigaret te genieten. Ik heb geen idee waar hij vandaan komt of wat hij de rest van de dag doet. Ik heb geen idee of hij meer wil dan gewoon op een bankje zitten en roken. En ik heb geen idee wat ik wil, ik weet alleen dat ik op een rustige manier vrolijk word van deze man. Of op een vrolijke manier rustig. Als ik ‘s ochtends zeven minuten kan doorbrengen op mijn bankje, de tijd van een slechte sigaret, dan weet ik dat de rest van de dag ook goed zal verlopen. Ik heb mijn man niet verteld dat ik een man heb leren kennen. Hij vraagt ook niet waarom ik tegenwoordig langer wegblijf als ik Ada naar school breng. Soms denk ik, straks ruikt hij de geur van goedkope sigaretten en dan moet ik een smoes klaar hebben, maar zo attent is hij al lang niet meer, en de Wilhelmina pepermunt verdoezelt veel. Ik mag blij zijn als ik een hallo terugkrijg als ik ons huis binnenstap. De iPad is op dat moment interessanter, maar ik maal er al lang niet meer om. Zelf ben ik dezer dagen ook niet de meest attente vrouw die een man zich kan wensen. Ik vind de zeven minuten bank iedere ochtend soms spannender dan het echtelijke bed. “Ik heb vrouw nodig”, zegt de man op een ochtend na het eerste trekje. Ik schrik en lach mijn lachje. Ik stamel een “waarom?”. Ik krijg een vragende, haast smekende blik als antwoord. Ik kan me voorstellen wat een man alleen met een prepuberende dochter moet denken. Hoe moet dat straks, met de eerste maandstonden en het eerste behaatje en, godverdomme, een eerste vriendje. Ik schiet zelf al in de stress als ik denk dat een of andere puistenkop straks zijn zinnen heeft gezet op dat heerlijke warhoofdje van me. Ik weet wat foute vriendjes met naïeve meisjes kunnen doen, geloof me. Ik krijg geen duidelijk antwoord van de man. Ik hoor hem nog iets stamelen, maar de man spreekt toch vooral tegen zichzelf. Hij kijkt me nog eens vragend aan maar zegt niets. Ik kijk vragend terug en zeg niets. Ik probeer nog eens mijn liefste lachje en krijg een frons terug. De volgende ochtenden is hij er niet. Ik blijf eenzaam op mijn bankje achter, zonder man, zonder sigaret. Zonder zijn de ochtenden niet hetzelfde. Ik begin me zorgen te maken. Maar hoe vertel je aan je man dat je je zorgen maakt om een man waarmee je enkele ochtenden een sigaret hebt zitten roken en zitten zwijgen op een bankje tot hij plots zei “ik heb vrouw nodig” en verdween, zonder over te komen als een hysterisch wicht. Ook hier schieten de zelfhulpboeken weer grandioos tekort. Misschien weet Ada raad. Misschien weet zij wel wie het meisje met de dreadlocks en de kralen was, heeft zij iets opgevangen op het schoolplein. Ik moet het zo nonchalant mogen proberen te brengen, want met de leeftijd en de lengte is ook haar achterdocht toegenomen. Dat heeft ze uiteraard van haar vader, al die jaren in de journalistiek hebben zijn cynisme alleen maar aangewakkerd. Mijn God, ik hoop maar dat ze uiteindelijk niet al te veel op hem gaat lijken, al zijn de kansen natuurlijk fiftyfifty. Wat dacht ik toch, toen ik op die cocktailparty dertien jaar geleden zo nodig over het weer moest beginnen tegen de poenigste hoofdredacteur van het land. “Oh, Yejide”, zegt Ada, als ik haar tijdens de wandeling naar school zo terloops mogelijk vraag wat er is gebeurd met het Afrikaanse meisje dat we ooit wel eens aan de schoolpoort zagen. “Die is al een paar dagen niet meer gekomen”, zegt ze op een toon waaruit niet blijkt dat ze het erg of spannend vindt. Ik zeg niets en verlang naar een sigaret.  

Dirk Vandenberghe
9 1

Slechte koffie

Hij bleef stilstaan voor het raam van de chocoladebar, stak een sigaret op en inhaleerde diep. Camel, een lekker sigaretje. Ook al rookte hij vroeger Marlboro, hij vond smaak thans belangrijker dan imago. Op de Marlboro cowboy zou hij toch nooit lijken. Hij vertrappelde de peuk en wierp een vluchtige blik op zijn horloge zonder het uur te registreren, ritste zijn jas open en stapte de bar binnen. De prikkels van de geur van krachtig chocoladebitter, het beeld van de schaal versgebakken brownies op de toog, van de grote groene vintagehanglamp boven de zithoek met de bordeaux lederen noppensofa en de klap waarmee een vlaag februari-wind de deur achter zijn rug deed dichtslaan, bereikten allemaal tegelijk zijn zintuigen, waardoor hij vergat de vrouw te groeten die één van de tafels met een schotelvod schoon veegde. De plaats aan het glazen tafeltje bij het raam bood een uitstekend zicht op de straat en de straathoek. Hij stootte zijn knie aan het smeedijzeren onderstel van de tafel. Altijd verraderlijk art-deco. Hij bestelde koffie. Het espressoapparaat klikte aan met een kracht als van een hydraulische pomp, siste zichzelf stomend wakker alvorens het een miserabel straaltje donkerbruin vocht afscheidde in een kopje. De vrouw met de schotelvod, die hem de koffie bracht, wilde dat hij meteen afrekende. Hij vroeg zich af wat het was aan hem dat haar achterdocht had gewekt. “Leuke zaak,” zei hij nog om het goed te maken en bedankte haar voor de koffie, maar ze haastte zich in rechte lijn terug naar haar plekje achter de bar, waar een tijdschrift met felgekleurde foto’s en koppen typografische gruwel opengeslagen lag. Het kopje had een diameter gelijk aan de lengte van de helft van zijn pink. Hij keek door het raam naar het pand aan de overkant van de straat, naar het kleine portaal, naar de stenen van de stoep op de plek waar het experiment dat hij uitvoerde een aanvang had genomen. Hij nipte van zijn minuscule kopje, slikte de zurige smaak weg en probeerde de aandacht van de vrouw te trekken.“Kent u toevallig…” begon hij, een beetje met krakend stemgeluid vanwege het vroege uur. Hij schraapte zijn keel, de koffie was vreselijk.De jonge barvrouw keek op van haar lectuur. Hij zag dat ze kauwde op een stukje gom. “Weet u wie er in dat huis daar woont?” vroeg hij, iets luider en helderder nu, maar op een slecht gekozen moment want de telefoon rinkelde. De vrouw stak haar rechter wijsvinger omhoog en nam op.“Chocoladebar Moelleux” klonk het, een beetje zangerig, scherp en allerminst smakelijk.“Nee,” zei ze. “Mevrouw is er niet. Ik ben het hulpje… Haar nicht… Nee, vandaag en morgen uitzonderlijk niet… Jazeker… Nee, ze is aan zee bij haar broer… Nee, morgen ook… Oké. Ik geef het door. Sabine, zegt u? … In orde… Dag … Mevrouw.” De geblondeerde barvrouw was duidelijk te jong, haar kapsel verbazend hoog. Was Dolly Parton-haar weer in de mode? Hij had er geen idee van. In elk geval had ze teveel mascara op en teveel kohl rond de ogen om een witte onderbroek te dragen. En, wat was dat? Een piercing in haar oor? Nee. Hipsters droegen geen witte onderbroeken. Maar mevrouw? Mevrouw, haar tante? Mevrouw misschien. Het zou kunnen. Stond er vorige week op Valentijn een strakke wind? Hij wist het niet meer. Kon een witte onderbroek die boven Chocoladebar Moelleux uit het raam viel of werd geworpen tot aan de overkant van de straat zijn gewaaid? Dat kon. “U zegt?” vroeg de barvrouw meteen nadat ze opgehangen had.“Nog een espresso graag” zei hij. “Een dubbele deze keer.” Ze bracht hem koffie met een grotere diameter en verdween achter de deur die waarschijnlijk naar de keuken leidde want de zwaai van de deur deed de cacaogeur opleven. De bar was klein en opvallend smal. Het was weinig waarschijnlijk dat er boven de bar nog een woonruimte was. Mevrouw van de chocoladebar woonde vast elders. Misschien zelfs in het huis aan de overkant.Het bood perspectief. Het was iets langer dan een week geleden dat hij aan de overkant van de straat voorbij het huis was gewandeld dat hij nu in de gaten hield. Op 14 februari laatstleden ontdekte hij op die plek een witte onderbroek. Hagelwit. Robijnfris. Het model net iets te functioneel om sexy te zijn.Toch had hij het als een voorteken aanzien en thuis had hij de onderbroek ingepakt in gewoon wit printpapier. Op de wikkel had hij een gedicht geschreven. Nu droeg hij het pakje bij zich. Hij was van plan geweest om het in het portaaltje voor de deur neer te leggen. Maar dan had hij getwijfeld. Hij moest haar eerst zien. Hij had een sigaret gerookt, een beetje gedraald en nu zat hij hier, achter een dubbele espresso die zelfs dubbel zo vies smaakte als een gewone. Hij moest dringend stoppen met roken. Zowel van koffie als van sigaretten ging je adem vreselijk stinken. En dat wilde hij niet. Niet nu. Niet nu hij vastbesloten was om weer romantiek in zijn leven toe te laten. Tot nog toe was zijn leven daarvoor veel te druk geweest. Althans dat maakte hij zichzelf wijs.Het was romantiek waar hij op uit was. De mensheid maakte zich daar doorgaans vrolijk over. Maar nu leek dat hem net wat hij nodig had, op dit punt in zijn leven aangekomen, zelfs broodnodig. In tijden van online daten was een ouderwets postpakket rond Valentijn misschien wat vrouwen wilden. Of toch de vrouw die op hém wachtte, want aan online daten deed hij niet, wilde hij niet doen. Maar hij wilde haar zien. Hij wilde haar ogen zien, een kleine glimp van haar ziel opvangen, al was het maar door te kijken naar hoe ze straks van achter de hoek de straat in zou komen gewandeld. Haar manier van bewegen. Ze zou halt houden voor het huis, het kleine portaal binnen stappen en terwijl ze haar sleutel uit haar tas vist, zou hij toekijken. Misschien blaast de wind in haar nek, zet ze de kraag van haar jas rechtop. Hij zou naar haar handen kijken, naar hoe ze het mutsje op haar hoofd iets meer naar achteren schuift. Hoe ze met haar ogen knippert omdat er stof in het portaal opwaait. Hij zou haar lippen lezen als ze tegen de kat praat die tegen haar benen aan komt kopjes geven, ongeduldig als ze is om mee het huis binnen te gaan. Net als hij. Hij haalde het pakje uit de binnenzak van zijn jas en legde het voor zich neer op het glazen tafeltje, stootte zijn knie nog maar een keer aan het smeedijzer. Hij las zijn gedicht door, voelde de spanning buitelen in zijn borst. Hij zou de hele dag blijven waken, in de chocoladebar blijven zitten tot ze ofwel thuiskwam, ofwel het huis uit ging. Hij zou zich van de vragende en nieuwsgierige blik van Dolly Parton niets aantrekken. Desnoods een brownie eten, de chocolademelk ‘Moeilleux’ proberen. Want het was er slechte koffie.

Julia Carax
0 0
Tip

Het idool

Na drie maanden elke dag rond te slenteren op diezelfde plek, werd mijn geduld eindelijk beloond en liep ik hem tegen het lijf.   Of misschien moet ik Hem schrijven, met een hoofdletter. Voor een artiest van Zijn allooi is dat wel gepast. Als de bliksem diepte ik een sigaret op uit de zak van mijn leren jasje, stak die op en snelde op Hem af.   De fascinatie was jaren geleden al begonnen. Ik kende Hem wel van Zijn veelvuldige media-optredens, maar had me nooit zeer diepgaand in Zijn oeuvre verdiept. Tot mijn blik viel op één van de columns die Hij voor een weekblad schreef. Daarin las ik dat Hij gestopt was met drinken op de dag dat ik geboren ben, wat een periode waarin Hij dagelijks een fles porto, een fles whiskey en tien pinten consumeerde abrupt tot een einde bracht. Dat, op de dag waarop ik het levenslicht zag. Dit historisch feit bezorgt ons een bijzondere spirituele connectie, een verbondenheid die ik ongetwijfeld met geen enkele andere schrijver zou kunnen bereiken. Meteen wist ik waar mijn toekomst lag: in de letteren, en nergens anders. Nu Zijn haren stilaan zilver begonnen te kleuren, kon ik een gooi doen naar die gouden plak als Jonge Oppergod der Vlaamse Letteren.   Schrijven werd toen mijn nachtelijks ritueel. Daarmee bedoel ik: ik sloeg één van Zijn boeken open op een willekeurige pagina, nam er een stapel papieren en een balpen bij en pende alles letter per letter over. Af en toe aarzelde ik of ik een zin anders zou neerschrijven of een woord zou aanpassen. Gelukkig verdween die twijfel snel uit mijn hoofd. Als Hij het zo geschreven had, moest ik daar niet aan twijfelen. Zijn werk herschrijf je niet. Toen ik besloot dat ik mijn pen voldoende gescherpt had door Zijn voorbeeld te volgen en een volwaardige stap richting meesterschap kon zetten, begon ik aan mijn eigen schrijfsels. Aanvankelijk waren deze zeer autobiografisch geïnspireerd, doch na maanden noest gewroet wist ik dat beschrijvende niveau te ontstijgen en doorwrochte fictie voort te brengen, uiteraard volledig in Zijn onmiskenbare stijl en woordenschat.   Maar om Zijn troon op te eisen, moest ik verder durven te reiken. Er volledig uitzien als Hij, bijvoorbeeld. Het rafelige leren jasje vond ik redelijk snel in de kringloopwinkel. Ook al was mijn zicht perfecter dan dat van een steenarend, toch bestelde ik een bril bij een gedegen opticien. Met vensterglazen, weliswaar, maar met een gelijkaardig montuur als datgene wat op Zijn neus prijkt.   Het kapsel was een ander paar mouwen. Mijn haar woekert redelijk dik op mijn kruin, waardoor de wilde manen die Hem kenschetsen moeilijk te imiteren zijn. Elke dag moet ik mijn haren grondig wassen en regelmatig vraag ik de kapper om de puntjes bij te knippen, anders zou ik er gaan uitzien als een klaploper zonder toekomst.   Uiterlijk is echter niet alles: Zijn volledige levensstijl moest ik de mijne maken. Het nieuws dat Hij plotsklaps een jongedame die vijfendertig lentes minder telde dan Hijzelf Zijn vriendin mocht noemen, sloeg in als een bom. Dat maakte een liefdesleven voor mij volkomen onmogelijk. Mijn muze zou nu dan immers min elf moeten zijn, wat betekent dat zij pas binnen meer dan een decennium geboren wordt en ik dan alsnog, gezien enkele grondwettelijke en strafrechtelijke details, bijna twee decennia zal moeten wachten voor ik me tegen haar aan zal kunnen vleien. Dat maakt de anekdotes over minnekozerij en geslachtsgemeenschap in al haar verschijningen die Zijn oeuvre zo kenmerken, compleet onbereikbaar voor mij. Hij had mij schaakmat gezet. Bijgevolg moest ik kiezen tussen een langdurig celibatair leven, wat compleet andere pennevruchten zou opleveren dan de Zijne, of zondigen tegen Zijn levensloop, en daarmee het risico lopen niet te worden zoals Hij. Uit bittere noodzaak koos ik uiteindelijk voor het compromis: actief ging ik achter het andere geslacht aan, daarbij gebruikmakend van literaire vleierijen van de bovenste plank, maar onbegrijpelijkerwijs tot op heden zonder enig aantoonbaar succes.   De zwaarste dobber bleek echter Zijn voedingspatroon. Ik rekende uit dat Hij op mijn geboortedag zesendertig was geweest. Dat geeft mij op dit moment nog twaalf jaar de verplichting om te drinken. Aan Zijn tempo, uiteraard. Elke ochtend sjok ik braafjes naar de drankenspeciaalzaak om de hoek voor mijn fles porto en mijn fles whiskey, die ik vervolgens in vaste intervals soldaat maak. De tien pinten die het alcoholdieet vervolledigen, sla ik traditiegetrouw in de kroeg aan de overkant van de straat achterover. Elke avond tegen negenen, om precies te zijn. Dan kom ik binnen en heeft de barman mijn eerste horde al klaargezet. Die is uiteraard het moeilijkst, maar daarna ligt de weg open voor een zegetocht die me met elke slok dichter bij Zijn eenzame hoogten brengt. De eeuwige uitspraken van topsporters dat enkel door ijzeren discipline het niveau van hun helden te bereiken valt, gaan dus ook op voor de meest verheven sport van allemaal: de schrijverij. Ook de sigaretten nam ik er dan graag bij. Eeuwige roem is mij meer waard dan mijn gezondheid, en eeuwige roem is immers waarvoor ik geboren ben.   Dit alles had me voorbereid op de ultieme confrontatie: de ontmoeting met Hem. Uit betrouwbare bronnen had ik vernomen dat Hij, mensenschuw als Hij is, of juist te intelligent om contact met stervelingen vrijwillig op te zoeken, één keer gezien was in de centrale winkelstraat van de stad. Dag na dag rookte ik vervolgens mijn sigaretten terwijl ik als de bewaker van kroonjuwelen de straat op en af marcheerde, mijn blik niet gericht op de kleurrijke etalages van de winkelpanden of de historische gebouwen waarin zij gehuisvest zijn, maar op de gezichten van de passanten, voorbereid op het signaleren van Zijn gelaatstrekken.   En dan had ik eindelijk beet. Zonder een woord te zeggen dook ik op voor Hem en keek ik Hem recht in de ogen, niet bevreesd om mijn illustere voorbeeld te ontmoeten. Ik had verwacht dat Hij verbaasd zou zijn, maar integendeel, Hij gaf geen kik. Al wat Hij deed was mij aankijken van top tot teen, een eindeloze seconde lang.   Toen schoot Hij pas in actie. In één vloeiende beweging griste Hij met Zijn linkerhand de sigaret uit mijn mondhoek en vertrappelde die onder Zijn rechtervoet, terwijl Hij met Zijn rechterhand mijn bril afnam en die aan gruzelementen trapte met Zijn linkervoet. Daarna rukte Hij het leren jasje van mijn lijf en hield mijn lange haren samen boven mijn hoofd, als een koppensneller die op het punt stond mij te scalperen. Ik bleef echter onbeweeglijk. Enkel Hij kon oordelen over mijn lot.   Na een volle zwijgzame minuut liet Hij me los en wandelde ervandoor. Even draaide Hij zich nog lichtjes om, om me over Zijn schouder gedag te wuiven.   Ik leid uit dat teken af dat ik nog niet goed genoeg ben. Mijn poging Hem te evenaren zat vol beginnersfouten. Ik heb nu een nieuwe bril besteld, met exact hetzelfde montuur als de Zijne. Ook het jasje krijgt een tweede kans: nu zal ik er één dragen dat zelfs kreuken heeft op dezelfde plaatsen als dat van Hem. En de sigaretten die ik rookte bleken van het verkeerde merk te zijn, net als de whiskey en de porto. Eens ik al die dingen heb rechtgezet, zijn er geen grenzen meer. Op een dag zal ik er staan.   Zijn wegen zijn ondoorgrondelijk.

Felix Sandon
53 0

Gulden Treingedachten

Veel verschil was er niet ten opzichte van andere dagen. De ochtend liep grotendeels zoals gewoonlijk. Thuis maakte hij zijn lunchpakket voor s’ middags, at hij heel snel nog een boterham om niet nuchter naar buiten te moeten gaan en, eens aan het perron, was hij zoals altijd net op tijd om zijn trein te halen. Toen Albrecht eenmaal aan boord ging kon hij zijn ogen niet geloven. De trein had namelijk het interieur van een oude trein, ingedeeld in coupés met een deurtje aan, waardoor het leek alsof elke coupé een eigen kamertje leek te zijn. Albrecht zette zich neer, sloot de deur en nam zoals gewoonlijk een leesboek uit zijn tas. De treinrit naar zijn werk en terug waren de momenten waardoor hij toch nog iets of wat kon opschieten in de vele boeken die hij wou lezen. Maar het leek erop alsof zijn hoofd het hem niet toeliet om te lezen. De hele tijd dwaalde hij af naar buiten, door het raam van de trein. Alsof zijn ogen hem verplichtte om te genieten van de treinrit en de rijzende zon. En prachtig dat die was! Een opkomende winterse zon die de donkerblauwe schemerende hemel geleidelijk aan rood kleurde. Wat het nog meer ontspannen maakte was het feit dat de trein heel traag reed, wat Albrecht helemaal niet erg vond. Hij kwam toch altijd meer dan te vroeg aan en had dus tijd zat. “Heerlijk!” Dacht hij bij zichzelf. En dat was het zéér zeker. De ochtend beginnen met zo’n fantastisch spectakel terwijl de trein op het gepaste ritme met de juiste snelheid reed, doorheen een moment waar genoeg tijd aanwezig was, ingekleurd door het winterse morgenrood van de zonsopgang. Dat soort momenten zijn zeldzaam tot zelfs uniek, en dat wist hij goed genoeg. Het besef daarvan , van de kostbaarheid van tijd, achtervolgde hem dagelijks doorheen zijn drukke leven. Hij werkte veel te veel, veel te veel om  te kunnen genieten van dat soort momenten. Zoveel dat het hem angst aanjoeg om te verzeilen in een periode dat hij niet voldoende tijd meer had voor dat soort vormen van genot en dat hij het grootste deel van de tijd die hij door had gebracht had weggesmeten in het zwarte gat waarmee onze verplichtingen dag in dag uit het grootste deel van onze levens mee absorbeert. Hoe meer Albrecht daarover nadacht, hoe klaarder het werd buiten. De roodkleurige gloed  van het zonlicht werd lichter van kleur, des te hoger de zon rees, waardoor het kleurenpallet aan de lucht werd geleid door een oranjekleurig spektakel van zonnestralen en wolken die er als een gordijn rond hingen. Plots stond de trein stil midden in een weiland. Even leek hij te denken ‘waar zijn we ergens?’ maar die gedachte werd gauw weg gefilterd als hij doorhad dat hij daar dagelijks voorbijreed. Het zag er alleen anders uit, een andere plek. Verdwaald was hij niet. De trein moest waarschijnlijk gewoon een andere trein doorlaten. “Maar toch zo anders…” bleef Albrecht verwonderd. Was het de stand van de zon, of het feit dat de bomen daar op het weiland kaal waren, of de combinatie van de twee, hij wist het niet. Hij wou het ook niet bepaald weten. Albrecht wou alleen dat hij dat beeld van hoe het weiland er op dat moment uitzag kon hebben. Niet hoe het er op andere dagen hetzelfde uitzag, maar hoe het er op dat moment anders uitzag. En als het mogelijk was, op andere momenten, als het er hetzelfde uitzag, dat wou hij dan ook hebben. Datzelfde beeld, maar dan op het hoogtepunt van zijn pracht in alle mogelijke delen van de dag, de tijd en de seizoenen. Maar het was niet puur de schoonheid van de beelden die hem dat deden verlangen en dat werd al snel duidelijk toen de trein stilletjes aan begon verder te rijden. Toen de trein dichter bij de volgende halte kwam werd het uitzicht ineens sterieler. Ontdaan van de glorie die Albrecht er niet lang daarvoor nog in vond. De gebouwen die de bomen vervingen en de meerdere passagiers die hij zag opstappen maakte een eind aan de vrede. Er was een zekere warmte rond het eigenlijke heen gesluierd. Dat had hij door toen het ineens kouder begon te lijken. Men had kunnen zeggen dat het kwam doordat de lucht klaarder aan het worden was, maar dat was het niet. Het was niet louter een gevoel of iets visueels. Albrecht realiseerde zich dat wat hij nog niet lang daarvoor allemaal verlangde, voornamelijk werd veroorzaakt door vergangkelijkheid. Diezelfde drang waardoor fotografen de nood hebben om momenten vast te leggen. De angst om dat moment kwijt te raken. Al dat mooie van voordien lag allemaal te ontbinden in de dieptes van zijn geweten waardoor de details die het zo volledig maakte verdwenen in het proces en enkel de gevoelens, gemoedstoestand en gedachten die hij toen, in dat heden had, de kern van de herinnering eraan vormde. Het was weg. Het was verdwenen en het kon nooit meer terug komen. Ook al waren de plekken waar hij langs voorbij reed op dat moment ook mooi, toch deden ze hem niets. Albrecht was bijna aan zijn halte en had het gevoel alsof dat hij iets verloren had gedurende de treinrit. Dat gevoel was zijn grootste angst, de angst die gepaard ging met dat constante besef van hoe kostbaar tijd wel niet was en hoe weinig hij zijn tijd wel niet kon vullen met pracht in plaats van verplichtingen. Het vreugdevolle dat zijn gemoedelijkheid versierde leek verdorven te zijn en Albrecht stapte, eens aangekomen aan zijn halte, af met een leeg en teleurgesteld gevoel.     Hij was niet kwaad toen hij naar zijn werk stapte. Het was eerder een kwestie van de nostalgie te weten opvatten. De dageraad had al eventjes de toon gezet waardoor het een prachtige, zonnige winterdag leek te worden. “Moest het niet zo zonnig zijn…” dacht Albrecht “…en in plaats daarvan grijs, dan zou ik me vast ellendig gevoeld hebben.” En dat klopte, want het door de zon overgoten dak die boven hem hing was dan ook de ruggengraad van zijn humeur. Hierdoor kon zijn geest de duisternis die hij iets daarvoor aanschouwde gelukkig niet voldoende visualiseren. Want het was die duisternis die dat prachtige heden, toen hij vertrok op de trein, helemaal vernietigde en ervoor zorgde dat hij de schoonheid ervan niet voldoende wist te voelen omdat de angst van de sterfelijkheid ervan groter was en had geprevaleerd over de kern die het kneedde tot wat toen enkel nog maar een herinnering was.    

IL. Martius
0 0

Toen roken nog heel normaal was

‘Ga je dat eten?’ vraagt het meisje.  ’Nee, hoor. Ik rol een sjekkie.’  De oude man is bijna klaar. Hij likt met zijn tong het vloeitje dicht. ‘Doe je dat in je koffie?’ ‘Het is geen suiker!’  De oude man steekt zijn sigaret op. Hij neemt een trek.  Hij zuigt zijn wangen naar binnen.  Alsof er een stofzuiger in zijn mond zit.  Net als bij de knuffels van het meisje wordt zijn gezicht vacuüm gezogen. ‘Jij hebt de kleinste koffie.’ Het meisje wijst naar zijn kopje en schoteltje.  ‘En hij heeft de grootste koffie.’  Nu wijst ze naar de medewerker van de snackbar. Hij drinkt zijn koffie uit een mok. ‘Hij heeft een grote mond!’ klaagt de oude man.  ‘En hij draagt een rok!’ grinnikt het meisje. De medewerker draagt een schort met het logo van de snackbar. De oude man lacht. ‘Hoe heet je?’  ’Jaap. En jij?’ ‘Yoshino.’ ‘Jordijn?’ ‘Nee, Yoshi-no.’  ‘Joshi-mo?’ ‘Nee. Yoshi-no.  NO.’  De oude man shudt met zijn hoofd. Wat een moeilijke naam. Hij heeft geen Engels geleerd op school. ‘Meisje, eet eerst je mond leeg.’ Het meisje neemt een lik van haar ijsje. Ze morst op haar nieuwe T-shirt. De moeder veegt de plek weg met een servet. ‘Hoe oud ben je meisje?’ ‘Ik ben drie. Ik word vier. Dan ga ik naar de basisschool, he mam?’ De moeder knikt. ‘En wat wil je later worden?’ ‘Niks.’ ‘Dat is het beste!’ zegt de oude man. ‘Eet nou maar snel je ijsje op voordat je helemaal onder zit!’ zucht de moeder. Het meisje likt alsof haar leven er van af hangt. De oude man neemt nog een trek van zijn sigaret.  ‘Straks heeft hij geen lucht meer in zijn longen,’ denkt de moeder bezorgd. 

Margaretha Juta
30 0
Tip

Stalkster

Verlies de controle. Omarm hem met heel je zijn. Google zijn naam. Daar verschijnt zijn foto. Klik. Zijn oprechte lach, alleen voor jou. Zijn ruwe krullen, waarvan de aanraking nog nazindert op je wang, uit de tijd dat je nog keuze had. Alsof je die ooit had. Zijn wit linnen hemd onder zijn beige linnen kostuum, dat een gesofisticeerde authenticiteit uitstraalt zoals alleen hij die heeft. Het is een stijl waar niemand mee weg komt, behalve hij. Alsof het uitmaakt wat hij draagt.   Klik. Hij doceert in Antwerpen, Leuven, Brussel, Amsterdam, Parijs. Parijs, waar hij gedichten schreef in Boulevard Jourdan. Alsof je wist dat ik die las. Parijs, waar jij jezelf verloor in Musée d’Orsay. Toen er nog te ontdekken viel.   Zijn thuisbasis blijft Gent. Gent, waar alle opties nog open lagen. Waar je naar hem verlangde in je kamertje. Waar je jezelf overwon en naar hem toe stapte. Hem sprak, minutenlang. Op de trappen van Blandynberg. Op de harde houten stoelen in de Universiteitsstraat. In de met mozaïeken betegelde gangen van Ledeganck. Aan de schuifdeuren van de supermarkt in Overpoort.   Gent, waar hij zijn arm om je sloeg, een minuut lang. Waar zijn lippen een seconde bereikbaar leken. Waar hij naar je zwaaide vanaf de overkant van de straat. Waar je jezelf geen houding wist te geven. Je hoofd draaide. Waar hij je geruststelde. Zei dat je je niet hoefde te schamen.   Maar de schaamte bleef. Was sterker dan jezelf. Overheerste je. Overmande je. “Hier scheiden onze wegen,” zei je gekscherend. Maar ik interpreteerde het letterlijk. Zelfs nadat je me opbelde, met een smoes over de titel van je thesis. Zelfs nadat je mijn naam riep aan Dampoort station.   Klik. Verlies de controle. Omarm hem met heel je zijn. Google zijn naam. Daar verschijnt zijn foto. Klik. Zijn oprechte lach, alleen voor jou. Druk zijn beeltenis af, bewaar ze in je portemonnee. Alsof hij altijd bij je is. Alsof het ooit anders zou uitdraaien.

het stille meisje
57 4

Claustrofobie

‘Ben je zeker dat het hier is?’, vraagt Pieter aarzelend. ‘Ja hoor. Ga maar naar binnen.’ Haar geruststellende lach kan hem niet volledig overtuigen. Twijfelend stapt hij de verduisterde kamer binnen. ‘Ik zie geen hand voor..’ Met een klap slaat Claudia de deur dicht en doet ze op slot. ‘Hey,’ roept Pieter stomverbaasd, ‘wat doe je? Dit is niet grappig!’ Tastend vindt hij de deur. Hij wringt de deurknop wild op en neer. ‘Komaan Claudia, doe open.’ Geen antwoord. Paniek vult zijn hoofd. Zweetdruppels parelen aan zijn voorhoofd. Verdorie, ze weet toch dat ik bang ben in kleine ruimtes. Hij zoekt een lichtschakelaar. Niets. Mijn gsm, denkt hij, ik kan de zaklampfunctie van mijn mobiele telefoon gebruiken. Het licht schijnt op de stenen muren. Ongeduldig richt hij zijn telefoon op alle hoeken van de ruimte. Een afgedankte zetel. Een open kast met oude boeken. Aan de muur hangt een poster van Kate Bush. In haar open mond een sleutel, die ze met een kus wil doorgeven aan een man. Op de muur er tegenover dezelfde foto. Moet ik een sleutel vinden, vraagt hij zich angstig af. Nerveus begint hij te zoeken. In de zetel. Eronder. In de kast. Niets. In de hoek van de kamer ziet hij een pop. ‘Ja,’ roept hij opgelucht wanneer hij de sleutel in haar mond vindt. Bevend zoekt hij het sleutelgat.  Opluchting wanneer hij de deur opent. Met een knal vliegt de kurk uit de champagne fles. ‘Surprise! Gelukkige verjaardag, Pieter!’, roepen zijn vrienden in koor.

Johnny
0 0

Brief aan mijn baasje

Liefste baasje,   Met dit briefje wil ik je laten weten dat ik je ontzettend dankbaar ben omdat je me adopteerde. Je bent het liefste baasje van de wereld. Hoe mijn vorig baasje in Spanje eruit zag, ben ik vergeten.  Ik herinner me nog wel de laatste dag dat ik hem zag. We gingen wandelen in een bos en hij bond me vast aan een boom. Hij zei dat hij er spijt van had en dat ik daar moest blijven. Ik dacht dat het een spelletje was, dus ben ik braaf op hem blijven wachten. Maar het werd donker en hij kwam niet terug. Ik denk dat hij me vergeten was. Ik werd bang en begon te janken. Gelukkig had een mevrouw me gehoord. Ze zei wel mijn naam verkeerd want ze noemde mij ‘arm dier’. Ik was opgelucht want ze maakte me los en ik mocht met haar mee. Ik vroeg haar of ze me naar mijn baasje wilde brengen maar dat deed ze niet. Ik was er zeker van dat hem iets was overkomen. Ik kan me niet voorstellen dat iemand zijn trouwe hondje alleen achterlaat. De lieve mevrouw bracht me naar een plaats waar nog andere honden zaten, die ook hun baasje niet meer terugvonden. Niettegenstaande dat de verzorgers heel lief voor me waren, wilde ik toch naar huis. Ik weet niet hoelang ik in het asiel, zoals ze het noemden, ben gebleven maar op een dag vertelden ze me dat ik geluk had. Dat ik naar een nieuw baasje mocht gaan. Ze hebben me samen met mijn speeltje in een kooi gezet. Ze brachten me naar een grote ijzeren vogel. Zijn buik ging open en hij liet me met hem meevliegen. Toen ik uit de vogel kwam, stond je te wachten en je nam me mee naar mijn nieuwe huis. Ik was blij want ik zag meteen aan je ogen dat jij mij nooit in een bos zou achterlaten.   Jouw hondje, Phoebe

Johnny
268 0

De ninja mag mee

Donderdagnacht De bondscoach neuriet een triomfantelijke melodie terwijl hij in zijn tricolore cabriolet over de donkere snelweg rijdt. Vannacht hebben de hoge heren van de voetbalbond zijn contract met twee jaar verlengd tijdens een copieuze maaltijd in het duurste restaurant van het land. Het is een onverwacht teken van vertrouwen en geeft hem de ruggensteun die hij nodig zal hebben wanneer hij over een paar dagen zijn selectie voor het levensbelangrijke toernooi in Rusland zal bekend maken. Hij zweet een beetje en er komt een ongemakkelijk gevoel op in zijn buik. Die Coupe Brésilienne als afsluiter van het diner was een overmoedige keuze. Terwijl de zoetigheid pruttelend begint te gisten in zijn maag, komen ook in zijn hoofd de zorgen bovendrijven. Hij mag dan wel blij zijn met zijn nieuwe contract. Door een groot en luidruchtig gedeelte van de publieke opinie zal het nieuws minder enthousiast onthaald worden. Als Spanjaard is hij nooit populair geweest bij de supporters van de Rode Duivels. De Belgen zijn van nature achterdochtig tegenover elkaar, maar meer nog tegenover buitenlanders. Van zijn vrouw mag hij de commentaren op sociale media niet lezen, maar hij doet het toch. Elke trainer doet dat, gelooft hij. Het is één aspect van het martelaarschap dat bij de job hoort. Het is je plicht de vlaag op te vangen. Je offert je persoonlijke rust op voor de glorie van je club. Of je land. Of, zoals in zijn geval, een ander land dat wil betalen. Daar zullen morgen weer honderden giftige reacties op alluderen: op dat betalen. Dat het toch ongehoord is, één miljoen. Voor een Spaanse toerist die er niets van bakt. Dat de man in de straat het voor een honderdste van dat bedrag twee keer zo goed zou doen. De bondscoach huivert al bij de gedachte aan de verwensingen die hij een paar dagen later ongetwijfeld over zich heen zal krijgen wanneer hij de selectie bekendmaakt. Dan zal hij de man in de straat pas echt op de lange tenen trappen. Hij heeft immers beslist dat de ninja niet meegaat. De ninja is de populairste speler onder de fans. Het is geen slechte voetballer, maar de bondscoach kan hem niet luchten en daar heeft hij goede redenen voor. De ninja komt steevast te laat aan op training, werd al verschillende keren betrapt toen hij in een verborgen hoek van het stadium stiekem stond te roken en heeft de vervelende gewoonte om elke zin die hij uitspreekt met een knallende wind te besluiten. Een gestampte boer. Daar houdt de bondscoach niet van en daarom gaat hij niet mee naar Rusland. De fans zullen woest zijn en hij zou veel krediet winnen door hem wel mee te nemen, maar zijn besluit staat vast. De bondscoach wil geen flatulentie in het team.   Een slokje water en de koele wind over zijn kale schedel verdrijven de misselijkheid. Op de radio begint een nummer van The Clash dat herinneringen oproept aan zijn tijd in Engeland. De bondscoach draait het volume luider. Go straight to hell, boy lipt hij dromerig mee tijdens het refrein. De muziek brengt hem in een meditatieve toestand waaruit hij bruusk wordt weggerukt door het naderende geluid van sirenes. Een combi scheert langs zijn linkerflank. Aan de andere kant wordt hij bijna geramd door een slingerende bestelwagen. Er klinkt een schot. De kogel zoeft net voor zijn neus en boort zich door het raam van de bestelwagen. De coach gaat vol in de remmen. Tientallen dolle politiewagens razen met gierende banden langs weerszijden van zijn gedeukte sportwagen voorbij en rijden zich even verder tegen elkaar te pletter. De bondscoach haalt adem. Hij is ongedeerd. 'There ain't no asylum here. King Solomon, he never lived around here. Go straight to hell boy.' klinkt het net voor hij de contactsleutel omdraait en verbouwereerd uit de wagen stapt.De agent die op hem afkomt trekt grote ogen wanneer hij ziet wie hij voor zich heeft. In Jommekesspaans verontschuldigt hij zich voor de situatie waarin de trainer van de nationale voetbalploeg is terechtgekomen en hij gaat verder in het Vlaams. 'Stel je voor: Frank had je bijna neergeknald. Het scheelde geen haar, maar hij heeft niets geraakt. Dat was ook niet de bedoeling, zegt hij. Het ging per ongeluk. De kogel is zoek. Verdwaald als het ware.' De man is helemaal van de kaart, net als zijn collega's die over de breedte van de rijbaan verspreid staan. Enkele van hen halen een groepje mensen uit de bestelwagen. Het zijn vluchtelingen uit het Midden-Oosten. Plots ontstaat er commotie. Er wordt geroepen en gevochten. Een gepijnigde oerkreet maakt iedereen stil. De bondscoach kijkt naar de bestelwagen en ziet een jonge vrouw met een bloedend kind in de armen. Ze schreeuwt haar onmacht uit. Een agent neemt het kind af. Een andere houdt de huilende vrouw op afstand. De vluchtelingen worden geboeid naar een bestelwagen van de politie overgebracht. In trance gaat de bondscoach dichterbij. De wild om zich heen slaande moeder wordt als laatste in de combi geduwd. Hij ziet nog hoe ze beide armen uitstrekt en hem smekend aankijkt voor de deur met een brutale klap wordt dichtgegooid en de wagen met loeiende sirenes vertrekt. De agent die het kind in de armen houdt, weet zich geen raad meer. Hij geeft het kleine, slappe lijfje door aan de bondscoach. 'Hou jij dit even vast? Ik kan maar beter een ambulance oproepen. Miserie, miserie.' Het is een meisje. Haar kleedje is besmeurd met bloed. De helft van haar gezicht is aan flarden geschoten. Ze maakt geen geluid. Ze ademt niet. De bondscoach omhelst het dode lichaam, drukt het met al zijn kracht tegen zijn borst en laat zich op de knieën vallen. Hij laat zijn tranen de vrije loop, wil schreeuwen, maar er komt geen geluid. Wanneer de ambulance het lijkje komt ophalen is de bondscoach een andere man geworden. Zijn plannen zijn gewijzigd. Zijn missie is bijgesteld.     Maandagmiddag De persconferentie begint met het geruststellen van de journalisten: de ninja gaat mee. Een zucht van opluchting gaat door de kamer. Maar wanneer de bondscoach de andere tweeëntwintig namen opsomt reageert de zaal onthutst. Het zijn een voor een namen die ze nog nooit gehoord hebben. 'Wie? Waar speelt die?' Er ontstaat onrust in de zaal. De journalisten begrijpen er geen snars van, maar dan legt de bondscoach het uit: 'Dit zijn niet de namen van professionele voetballers, maar van mannen die hun land ontvlucht zijn en in het asielcentrum bang wachten op nieuws. Geen van deze spelers heeft op dit moment de Belgische nationaliteit, maar de minister heeft me beloofd dit zo snel mogelijk in orde te brengen, zodat ze samen met jullie geliefde ninja de eer van ons land kunnen verdedigen op het wereldkampioenschap. Ik weet het. Er zullen jongens teleurgesteld zijn. Ik kon kiezen uit honderden fitte gasten die hopen op een kans. De volgende keer neem ik tweeëntwintig andere jongens mee. De ninja zal er dan uiteraard ook weer bij zijn. Die kan ik niet laten vallen. Dames en heren van de pers: ik dank u.' Met een korte knik neemt de bondscoach afscheid. Zonder omkijken verlaat hij de perszaal. De stortvloed aan vragen klinkt als een ver en onbelangrijk geruis.   24-27/05/'18    

tijl
0 0

Fatal Error: Call to undefined function: hateProgrammers();

Mensen hebben een hekel aan programmeurs. ‘Programmeurs’, vraag je misschien, wat zijn dat? Programmeurs zijn degenen die bandjes en toneelgezelschappen boeken door ze op het ‘programma’ te zetten. Er zijn ook programmeurs die computers vertellen wat ze moeten doen; ze maken ‘software’. Over die tweede categorie wil ik het hebben.   De softwareprogrammeur is een variant van de menselijke soort die rond de jaren vijftig ontstond, decennia niet werd opgemerkt en nauwelijks enige status had, maar sinds de intrede van de personal computer in ons dagelijks leven en de komst van internet enorm belangrijk is geworden. Wat een langdradige zin, denk je. Inderdaad, ik moet me verontschuldigen. Word niet meteen boos vanuit de verwachting dat dit een verhaal wordt over iemand met wie je je niet kan identificeren. Dit is juist het punt dat ik onder de aandacht breng, de programmeur roept een afwerende reactie op. Maar oppervlakkig beschouwd is daar geen reden voor. Kom je in het voorbijgaan op straat een software programmeur tegen, of zit er een naast je in een wachtkamer, dan is er niets aan de hand. Fysiek zijn programmeurs ongevaarlijk. Meestal zijn ze niet indrukwekkend; ze zijn klein, mager of juist dik. Ze krijgen onmiddellijk een verklaring van goed gedrag. Programmeurs met een strafblad zijn zeldzaam, en als ze dat al hebben, zijn ze de bak in gedraaid vanwege een hack bij een bank, en zeker niet vanwege een roofmoord. Ook op feestjes zal de software programmeur geen ergernis opwekken. In tegendeel, hij vormt een welkom contrast met de extraverte alfa-mannetjes. Omdat programmeurs geen succes bij de vrouwen hebben, zoeken ze elkaar op om over het nieuwste software framework te praten, of de voor- en nadelen van de ene computertaal met de andere te vergelijken. Mocht een programmeur wel een vriendin hebben, dan is hij daar zo opgelucht over dat hij niet met andere vrouwen flirt, uit angst zijn kostbare schat voor het hoofd te stoten. De programmeur schittert in zijn bijdrage aan de economische groei. Als er één soort mens is dat zijn arbeidsloon dubbel en dwars terugverdient, is hij het wel. De programmeur maakt hordes werknemers overbodig, zodat het bespaarde salaris van de uitgestotenen weer ten goede komt aan het bedrijf waarvoor hij zijn kunsten verricht. Nu komen we dan toch bij het heikele punt waar ik op aanstuur. Mensen hebben een hekel aan programmeurs. Ik herhaal het nog maar even. Dan weet je zeker dat je het goed hebt gelezen. Aan wie heb jij een hekel? Waarschijnlijk haat je de politieagent die je bekeurt omdat je verkeerd geparkeerd staat en die niet luistert naar je tegenwerping dat er nergens in deze wijk voldoende parkeerruimte is, dat de gemeente rekening moet houden met de bewoners, dat… enz. Nee, niks mee te maken, de agent geeft je een bon en wenst je daarna nog een prettige dag. Vooral dat laatste; om uit je vel te springen. Wat denkt zo’n kerel. Dat je dag nog prettig kan zijn? Om dezelfde reden hebben mensen een hekel aan software programmeurs. Niet hun fysieke gestalte is daarvan de oorzaak, niet hun gedrag in het dagelijks leven of op feestjes, nee, het is de macht die de programmeur via zijn kunsten uitoefent, en die jou, normaal mens, je onvermogen doet beseffen. Zodra je op je werk komt en je de computer aanzet, begint de ellende. Het is alsof je door een doolhof van benauwde straatjes met rare hoekjes en doodlopende steegjes ploegt, door een netwerk van mijngangen en kloven dat de programmeurs voor je hebben bedacht. Elke zoveel minuten zoek je naar de volgende afslag, moet je je weer terug-klikken op je schreden of rondvragen op Google, hopend op antwoord van een andere, tijdelijk verlichte, medegebruiker. De vorige keer kwam je er nog, en nu wil dat ene weggetje, die ene combinatie die de deur opent, je niet meer te binnenschieten. Ondertussen draait je horloge door. Elke dag begeef je je opnieuw in dat digitale doolhof en de dood komt steeds dichterbij. Het zandlopertje dat je vertelt dat de computer het moeilijk heeft, omdat de programmeur hem teveel werk geeft, benadrukt dat nog eens. Telkens raak je stukjes van je leven kwijt die anders besteed veel zinvoller waren geweest. En opeens zijn dan onverhoeds de schermen veranderd, omdat een of andere programmeur aan de andere kant van de wereld het tijd vond voor een ‘update’. Zodra die update de computers bereikt, verliest de wereld tienduizenden mensuren aan gezoek naar de knop om een woord cursief te maken. De computer zuigt je leven op. Neem dat maar letterlijk.   De software programmeurs hebben zich de afgelopen jaren als insecten vermenigvuldigd, en vormen inmiddels een plaag die de samenleving van binnenuit leegvreet. Straks hebben alleen programmeurs nog een baan, en staan de niet-programmeurs toe te kijken hoe de programmeurs de maatschappij overnemen. De haat is wederzijds; de programmeur heeft ook aan zijn prooi, de gebruiker, een hekel, maar dan vaak onbewust. Van jongs af aan als sukkelige nerd genegeerd door meisjes, in wandrek en klimtouwen door gymleraren gemarteld en altijd als laatste gekozen bij teamsporten, neemt de programmeur nu wraak. Geen wraak wordt zo koud gegeten, en zo langdurig genoten als de wraak van de nerd. Er zijn films over gemaakt die uitgebreid uit de doeken doen hoe het lelijke eendje in een zwaan verandert. De nerd trekt heden ten dage aan het langste eind, omdat hij een nieuw stadium in de evolutie vormt; de afronding van het Darwinistische project; de complete overwinning van het intellect op de spierkracht. Toch heeft de ‘broeifase’, zo noemen we het maar even, – de ellendige periode tussen kindertijd en volwassenheid -, onze nerd zo onzeker gemaakt dat dit motief zijn verdere leven volledig beheerst. Eenmaal tot programmeur verpopt, is de oorspronkelijke nerdlarve nog volop aanwezig. Inmiddels gepanserd met een ondoordringbare maliënkolder van variabelen, classes, multidimensionale arrays, booleans, if-elsen, while-loops, for-loops en encapsulated strings, injecteert de programmeur zijn slachtoffers met een verlammend gif, genaamd: ‘onbegrip’. Zijn slachtoffers – de directe slachtoffers noemt de programmeur ‘klanten’ -, hakkelen tegen de programmeur hun ideeën. Hij komt mondjesmaat tegemoet aan die wensen die hij ‘user stories’ noemt, want gewoon Nederlands verstaat en schrijft de programmeur nog slechts met moeite. Onderwijl spint hij de klant in in een web van programmeercode waaruit niet meer te ontsnappen valt. Hij is uiteindelijk de enige die de software begrijpt waar de klant volledig van afhankelijk is. Tot het uiterste getergd zoekt de klant soms zijn heil bij een concurrerende programmeur. Die doet het werk van zijn concurrent onmiddellijk af als rotzooi, en dwingt de klant opnieuw te beginnen met een systeem dat zo mogelijk uit nog meer spaghetti bestaat dan dat van zijn voorganger. Tijdens dit uitmelkproces is de programmeur zelf niet onkwetsbaar. Ook wespen die hun eieren in een spin leggen komen er niet vanaf zonder vleugelscheuren. Soms laat de programmeur een steek vallen. Een geniepig regeltje code gaat dwarsliggen en opeens is er een complete database in het niets opgelost, liggen er duizenden privégegevens voor het grijpen, kan niemand meer inloggen of wordt er een miljoen op willekeurige bankrekeningen gestort. Op zo’n moment heeft de programmeur hartkloppingen en staat de doodsangst op zijn gezicht. Zodra hij zijn fout in de gaten krijgt, begint hij met het verzinnen van een alibi. Omdat niemand anders begrijpt wat het probleem heeft veroorzaakt, komt de programmeur er eenvoudig mee weg. Dagenlang ligt een bedrijfsnetwerk plat door een foute doorverwijzing, een raket ontploft omdat een nul eigenlijk een één had moeten zijn, maar niemand sleept de programmeur voor de rechter. Een bankmedewerker die miljoenen verliest staat een wreder lot te wachten dan de programmeur die gelijke schade veroorzaakt.   Je zal gemerkt hebben dat ik tot nog toe over de programmeur in de ‘hij’-vorm heb gesproken. Maar er zijn toch ook vrouwelijke programmeurs, merk je op. In zo’n geëmancipeerde samenleving als de onze kan het niet anders dan dat ook veel vrouwen dit ‘eerzame’ beroep uitoefenen. Ik moet je helaas teleurstellen. Vrouwen voelen zich niet aangetrokken tot dit vak. Het oplossen van logische problemen ervaart de mannelijke programmeur als de ultieme uitdaging, maar fascinatie met logica is niet het ding van vrouwen; misschien bestaat dit idee zelfs niet voor hen. Ga eens op een afdeling met programmeurs kijken, en je hoort enkel het geklak van toetsenborden. Maar steek je hoofd om de hoek van de kamer ernaast, waar de secretaresses zich ophouden; het gekwetter van een volière valt erbij vergeleken in het niet. Over groepsgedrag gesproken; ik wekte de indruk dat de programmeur een individualist is die altijd solitair zijn ding doet. Dat geldt voor de oudere programmeurs, maar niet voor de jonkies. Veel bedrijven houden er nesten jonge programmeurs op na, die zoet worden gehouden met bedrijfslunches, laptops van de zaak, leaseauto’s en veel schermen op hun bureau. De sfeer van een cultus wordt zorgvuldig gekoesterd (‘hier werken wij met de coolste nieuwe technieken’), zodat de programmeurs worden bevestigd in het idee dat ze helemaal hip en stoer zijn. Dankzij deze hersenspoeling is hun geest volledig bedrijfsbezit en wordt met hun software flinke winst gemaakt. Is de programmeur uiteindelijk, na een lang uitgerekte adolescentiefase, toch volwassen geworden (rond het 45ste levensjaar), dan past hij niet meer in dit soort nesten. De programmeur heeft het niet meer kunnen bijhouden, al die coole nieuwe technieken, en wordt dagelijks bedreigd door jonge mannetjes die zijn alfa-positie als ‘senior’ proberen weg te snaaien. Net als oude gorilla’s verlaat hij zijn roedel om de rest van zijn leven als free-lancer solitair zwervend door te brengen. Het samenleven is onmogelijk geworden met de jonge honden die op de meest kinderachtige manieren naar de nesten werden gelokt middels vacatures als: Dagelijks verzorgde rijk uitgeruste gezamenlijke lunch met vers brood, beleg en diverse salades. Sportieve buitenactiviteiten en een wekelijkse borrel! Onze in-huis BierBot zorgt dat we dit nooit vergeten! Is coderen jouw middle name? Heb jij een passie voor innovatie? Wij zijn op zoek naar een Absolute ontwikkel eindbaas! Wil jij hier deel van uitmaken? Grijp nu je kans! De hoeveelheid uitroeptekens in programmeur-vacatures spreekt boekdelen. Daar wil jij ook bijhoren!   Ja, bijzonder zijn ze, die software-programmeurs. Als een geruisloze invasie van buitenaardse wezens, zo hebben ze zich onder ons begeven, en ontplooien ze nu hun schimmige activiteiten, met als doel de wereld voor de aardbewoners permanent onbewoonbaar te maken.

Vincent Baumgart
33 0

Rusthuis 'Welverdiend'

In rusthuis ‘Welverdiend’ heeft men van die dagen. Met zijn allen aan tafel, lusteloos in slappe koffie een lepeltje draaien, iets mompelen tegen de muren. ‘Waar is de suiker?’ Windstilte. Men moet besparen. Tijdens vergaderingen in bureelcontainers gebeurt nèt hetzelfde. Alleen schuift daar de dood mee aan.   Iemand tikt met een pen op tafel. Men gaat het hier eens gaan zeggen. Er wordt over en weer geschuifeld met stoelen, een slaafje raast rond met een dienblad, posities worden ingenomen en na wat schikken krijg je zoiets als ‘de Kruisdraging’ van Jheronimus Bosch. Er scheelt iets met de vrouw die tegenover mij zit. Haar mond trekt scheef, ze tokkelt zenuwachtig op tafel, zoekend naar een plaats in het schilderij. Het bleke licht aanwezig in de container bevalt haar niet. Het is wringen en wurmen. Men moét en zal de suggestie oproepen midden in de compositie te staan. Ik ken iemand die een volledig gezin heeft uitgemoord, om zo op de voorpagina van een de krant te belanden. Hij kreeg slechts een voetnoot. De krant belandde in de kattenbak.   Uiteindelijk neemt iemand het woord en de suiker. Het is die vrouw. Het is me een raadsel met welke gigantisch vermogen iemand kan raaskallen, maar het kan, want daar staat ze, klontjes plettend in de koffie. Ik vertrouw geen mensen die het woord nemen, uit de verpakking rukken en ermee smakken. Dat staat niet. Met het woord dien je voorzichtig om te gaan. Draai het eerbiedig uit het papiertje. Behandel het zoals nederige diensters  de Engelse kroonjuwelen in the Tower opblinken. Kniel. Kruip in het stof. Zij begint te kraaien. Ze gaat het hier eens gaan zeggen. Ik zet me schrap. Gewikkeld in een toga orakelt ze over het bezitten van gewichtige informatie ‘want ik heb een directe lijn met de onderzoeksrechter en die is àltijd vriendelijk tegen mij’. Ik dacht: ‘Hij zou beter je hoofd afslaan. Zou niet misstaan op een Bosch-schilderij.’   Ik verliet murw en plat geslagen de vergadering waar ik als oud-legionair was op uitgenodigd. Màànden eerder had ik, met respect voor het woord, gewichtige informatie op dezelfde tafel gegooid. Ik ben slechts een versleten soldaat. Men had alleen oog voor het slaafje en de koffiekoeken die ze aanbood. Het woord kwam onder tafel terecht en iemand schopte het in een hoek. Nadien is de poetsvrouw langs geweest.   Dat woord werd me halsreikend toegestopt door de kleine Sunny. Hij kan als geen ander praten en ik luisterde. Ik luisterde héél aandachtig. ‘Ik ben zo bang voor wat komen gaat, meester.’ Ik hakte zijn woord erin, als een slagzwaard. Het ketste af op de pantsers. Sinds negen april is de kleine Sunny verdwenen. Vanaf die dag heb ik mijn oud uniform van het Negende Legioen weer opgediept. Het knelt, snijdt in mijn adem en drukt op mijn stijve knoken en dat al tweeënveertig dagen lang. Ik ben niet om aan te zien, mijn plaats is in rusthuis ‘Welverdiend’. Maar, het Negende geeft zich nooit over en sterft staande. Ik zal een kaartje sturen van op het slagveld.   River 20 mei 2018

River
0 0

Oma denkt dat ik doof ben

  Inzending wedstrijd met opdracht : maak van een 6-woord een 500-woord verhaal.   Uitbundig vieren wij  haar verjaardag.   Vijfentachtig wordt ze.  De jonge dokter, die ze consulteert omdat hij ‘een zo knappe kerel is’, taxeert haar conditie op ruim vijftien jaar jonger.   Oma Lidy is nog een prompte dame.  Aan vrienden toonde ik haar jeugdfoto’s  bewerend dat zij mijn vriendin was. Dat is niet gelogen, want wij hebben  een zeer vriendschappelijke band.  Ze staat er op dat ik haar tutoyeer. In een boek over een adellijke familie las ze ooit dat grootouders zich in die kringen altijd met de voornaam laten aanspreken.  Zij gebruikt steevast  het troetelnaampje dat ze voor mij bedacht toen ik baby was: ‘Bobolino’.  Inmiddels bebaard met een nochtans zwarte kinbegroeiing  begroet ze mij steeds  met: ‘Bobolino amore, mio Barbarossa!’   Destijds rookte ze, niet voor het roken zelf, maar om te pronken met haar lange sigarethouder,  zoals Hepburn  in ‘Breakfast at Tiffany’fs’.   Net als Audrey  bezit Lidy die geïncarneerde elegantie. Ze is altijd welgezind, wat haar jeugdig voorkomen extra in de verf zet.   Glanzend hagelwit geworden zijn haar naar sprookjes refererende  ravenzwarte haren van weleer, voor deze gelegenheid opgestoken door een kapster: ‘je kan ook niet voor alles op jonge goden een beroep doen’.   Het kapsel past perfect bij de wijnrode fluwelen outfit die ze zich voor haar 85 lentes  heeft  aangeschaft.   “Het staat je beeldig, Lidy”, zeg ik. “De prix neggens voor begemmen ”, antwoordt ze. “Wat zei je nu?” vraag ik. “De prix neggens voor begemmen”, zegt ze opnieuw. “Oma, ik versta er echt niets van”, zeg ik. “Oh, gaan we het zo spelen.  Ben ik nu plots jouw oma omdat jij doof begint te worden”, zegt ze verbijsterd. “Sorry Lidy, maar ik versta je niet”, antwoord ik beteuterd. “Laat maar Bobolino , haal nog een drankje.”   Ik druip af op zoek naar een glaasje ‘ premier cru brut ’ die ze in de  supermarkt op de kop heeft getikt.  Met hangende oortjes overhandig ik haar de bubbels. “Echt, schat, je moet jouw oren laten nakijken”, zegt ze bezorgd. Dan ziet ze mijn bedrukt gezicht, heft haar glas en vraagt:  “Hoe vind je mijn nieuwe ontdekking? Du Champagne Veuve Hémard!” “Lekker”,  stamel ik. “En ken je de voornaam van de man zaliger van die weduwe?” vraagt Lidy. “Neen”, zeg ik. “Jean!  -  J’en ai marre!” schatert ze. Wij proesten het  uit en klinken samen op onze vriendschap.   Later doe ik in een hoorcentrum  mijn verhaal over een familielid dat mij aanraadde langs te komen. De test verloopt prima.  “Alles perfect,”  zegt de arts :  “ik stuur jouw huisarts een bericht. “ Toevallig doet een van mijn nichtjes haar doktersstage bij mijn huisarts.  Zij bezorgde mij het voorschrift en krijgt zo het resultaat te lezen van de test.   Wegens  beroepsgeheim delen dokters hun patiënten wel resultaten mee, maar nooit de commentaren.  Mijn nichtje kan  zich echter niet weerhouden voor te lezen:  ‘Patiënt zegt dat familielid beweert dat zijn gehoor slecht is. Naar mijn mening moet dat familielid zelf even bij ons langs komen!’  

Vic de Bourg
57 0