Zoeken

Wat zal ik vandaag weer aantrekken?

Van zolang ik me dat kan herinneren, heb ik daar elke dag moeite mee. Als je gaat werken, dan moet je iedere dag iets anders aan doen of je wordt scheef bekeken door je collega's. Vandaar dat ik uniformen een fantastisch idee vind. Je hoeft je niet af te vragen: wat zal ik nu weer dragen? Je pakt gewoon je uniform uit de kleerkast en hup, weg ben je. Niet vergeten te wassen en te strijken anders word je ook scheef bekeken, natuurlijk.    Vooral als je een kilo of 5 teveel hebt, dan wil je dat verstoppen zodat niemand je overtollige vet kan zien. Dat lukt jammer genoeg niet altijd (heb ik net gemerkt als ik in de spiegel keek) dus je hebt je hoofd gebroken over wat te dragen maar dat is allemaal voor niks geweest omdat je nog steeds dat overtollig vet ziet. Zoals alles heeft het goede leven zowel voor- als nadelen. In feite zou ik gewoon moeten vermageren maar daar heb ik nu geen zin in.    Maar zelfs toen ik een stuk magerder was, had ik problemen met niet weten wat aan te doen. Ik zou het liefst van al een shopping coach willen die me iedere ochtend zegt hoe ik me aankleed. Daarvoor is geld nodig (zowel voor die shopping coach als voor de nieuwe kleren die ik dan allemaal zou kopen). Dus, ik hoop te winnen met de lotto vandaag - ik heb gespeeld voor 2,50 euro - ik zou dat geld zo goed kunnen gebruiken. Ik zou bv. niet meer gaan werken voor een werkgever, da's nummer 1, en een shopping coach tewerkstellen, da's nummer 2 en mij alleen maar bezig houden met de dingen die ik wil doen, niet met de dingen die andere mensen me zeggen te doen.    Het zou zo fantastisch zijn: just me myself and I. Mezelf ontwikkelen op mijn manier, bijleren en wat ik bijleer schriftelijk delen met de mensheid. Cursussen volgen, ideeën uitwisselen, researchen op internet over van alles en nog wat, lezen lezen en lezen en daarbij schrijven schrijven en nog eens schrijven. Hmm, en dit alles misschien ergens in Zuid-Europa waar de zon bijna altijd schijnt en waar de (meeste) mensen zoveel vriendelijker zijn (ik kan het weten, ik heb er gewoond).    Dan zou ik me zeker geen zorgen meer maken. Mij niet meer afvragen wat ik vandaag weer zal aandoen. Nooit meer, never again, plus jamais!    Dan is er nog iets anders. Vorige week was het super warm en vandaag is het zeker 20 graden minder. Het is koud, het regent, geen zonnestraaltje te voelen of te zien. Ik vertrok deze morgen zonder aandacht te schenken aan het weer. Ik kwam buiten en het was aan het regenen. Ik was veel te licht gekleed - het is tenslotte zomer, niet waar? Ik was natuurlijk mijn paraplu vergeten en mijn bril zat snel vol met waterdruppels. Brillenwissers (zoals ruitenwissers maar dan voor brillen) heeft men nog niet uitgevonden, zou wel gemakkelijk zijn.    We kunnen hier niet wennen aan het weer. Te heet, te koud, regen, zon, onweer en bliksem. Ik vraag me af of dit steeds het geval is geweest in dit landje en hoe dat dan mogelijk is dat het weer zo wisselvallig is. Neem daar nog eens bij dat de meeste Belgen een goed stukste kunnen zagen, vooral als ze het hebben over het weer. In feite ben ik er nu ook over aan het zagen, zal u denken, maar dat is niet zo. Ik zaag niet, ik zeg gewoon hoe het is. Het weer is slecht vandaag en vorige week was het ondraaglijk, en daarmee uit! ...    Wanneer zal het nu eens terug simpelweg goed weer zijn? Jammer genoeg heeft niemand daar een antwoord op en daarmee is de kous af. Laten we hopen dat het morgen beter is dan vandaag en overmorgen beter dan morgen. En dat betreft niet alleen het weer hé. 

Inge Lanneau
28 0

Het Groot Dictee Heruitgevonden 2018 – Gesprek met een filosoof

‘Schrijven wil zeggen dat er stapje voor stapje een ik buiten jezelf ontstaat, die je vertelt wat je bedoelt.’ Vik kijkt Mona door zijn johnlennonbrilletje aan. ‘Rutger Kopland’ zegt hij en snuift lawaaiig. Mona knikt en glimlacht. Ze vraagt zich af waarom ze zich door Imke heeft laten overhalen tot een ontmoeting met deze man. ‘Vik is eindredacteur van een literair magazine,’ had Imke geopperd. ‘Een heel boeiende man. Jullie hebben vast tig gemeenschappelijke interesses. Hij heeft oosterse filosofie gestudeerd en hij is nog hups ook. Mocht het toch niet klikken, dan heb je tenminste een namiddag naar een seduisante man gekeken.’Mona had ten slotte toegegeven. Baat het niet dan schaadt het niet. En zo was ze met deze wijsgeer in de koffiebar van de bibliotheek beland. Toen ze aankwam, sloeg Vik een roman dicht, die hij net scheen te hebben uitgelezen. ‘De Idioot’ van Dostojevski, een voorbode van wat de rest van de namiddag zou brengen. Na het citaat van Kopland, blijft Vik Mona met grote ogen aanstaren. Zij doet een poging om iets ad rems te verzinnen, maar slaat daarbij helaas volledig tilt. ‘Lekker chocoladecakeje,’ merkt ze dus maar op. Intussen wijst ze als een imbeciel naar het gebak dat voor haar op tafel staat.‘Een moelleux,’ zegt Vik. Hij roert in zijn muntthee en kucht licht geïrriteerd.‘O ja, zo heet dat,’ mompelt Mona. Ze neemt een hap en kijkt snel even rond in het etablissement.‘Schrijf je al lang?’ Vik legt zijn hand op zijn lijvige boek dat nog steeds op de tafel ligt. Zijn duim aait bijna liefkozend de kaft.‘Best wel eigenlijk, ik kan me niet herinneren dat ik het niet deed,’ antwoordt Mona.‘Al veel gepubliceerd?’ ‘Ik heb een blog en ik neem hier en daar weleens deel aan een wedstrijd waar ik occasioneel iets win. Ik heb ook een boek uitgegeven.’ Mona’s stem klinkt een beetje weifelend.‘Mooi, een boek,’ zegt Vik. ‘Heb je veel verkocht?’‘Niet echt, ik had er meer van verwacht. Ik was eigenlijk best teleurgesteld toen ik de verkoopcijfers te zien kreeg.’Vik gnuift: ‘Het is zoals Nietzsche zei: het schrijven als een vast beroep beschouwen, moet gezien worden als een vorm van waanzin.’Mona weet niet meer goed waar ze het heeft. ‘Best jammer eigenlijk. Het blijft toch ergens de droom van elke auteur om met schrijven de kost te verdienen,’ stamelt ze.Vik slaat zijn ogen naar het plafond en zucht: ‘Ah, de poging om de hemel op aarde te verwezenlijken, brengt steeds de hel voort.’‘Dostojevski?’ probeert Mona en wijst met haar kin in de richting van het boek dat nog steeds door Viks hand wordt gestreeld. Hij schudt zijn hoofd: ‘Mis, dat was Popper.’ Mona knikt schlemielig. Dit wordt met de minuut gênanter. Vik haalt zijn hand van zijn boek en duwt het in de richting van Mona. ‘Heb je het gelezen?’Mona neemt nerveus nog een hap van haar gebak. ‘Neen, met mijn sociaal leven vind ik nooit de tijd om mij in zulke dikke boeken te verdiepen en na een lange werkdag kijk ik ook graag eens gewoon televisie.’ Vik gniffelt pedant. ‘Televisie? Ik lees liever een fascinerend boek. Gandhi zei ooit: ‘Wie smaak vindt in het lezen van goede boeken, is bij machte om de eenzaamheid te dragen, waar dan ook en met groot gemak.’Nu heeft Mona er genoeg van. ‘Luister eens hier wijsneus: talent ontwikkelt zich in eenzaamheid, karakter in de stroom van het leven, Johann Wolfgang von Goethe.’ Vik kijkt haar onthutst aan, maar Mona is onvermurwbaar. ‘En nu ga ik naar huis, lekker triviaal televisiekijken. Om gelukkig te zijn moet je doen waar je gelukkig van wordt.’ ‘Aurelius?’ poogt Vik nog.‘Neen,’ zegt Mona gedecideerd: ‘Johan Cruijff.’ Ze neemt haar handtas en loopt de zaak uit. Deze tekst werd vrijdagavond 7 december gelijktijdig voorgelezen in Het Groot Dictee Heruitgevonden in 60 Vlaamse en Brusselse bibliotheken.Met veel dank aan de bib van Mechelen voor de kans die zij mij gaven en de super fijne avond die het op 7 december werd.

Ans DB
16 0

HET GELE HESJES GOEDE DOEL

Eind november daverde het sportpaleis in Antwerpen tijdens de slotshow van Rode Neuzendag van het gigantische applaus. Na weken intensief vrijwilligerswerk had de actie 4.269.073 euro opgebracht. Ondertussen aan de andere kant van de wereld stond daar zo’n Belgische minister op een Zuid Afrikaans festivalpodium, voor een enthousiaste 60.000 koppige menigte, als een rockster te juichen. Hij doneerde, in Johannesburg,  uit naam van België zo’n luttele 43 miljoen euro om ginds de gendergelijkheid te promoten. Voor diegenen die niet helemaal mee zijn, zal ik het nogmaals herhalen: Die Belgische bwana kitoko schonk aan de Zuid Afrikanen 43 miljoen euro  Belgisch belastinggeld om duurzame ontwikkeling en gendergelijkheid te promoten. Zuid Afrika is één van de meest ontwikkelde landen van het Afrikaans continent en ik kan, en niet alleen ginds, wel een paar andere en meer dringendere doelen bedenken om onze eigen belastingscenten in te steken. Wijzelf zijn euforisch als we 4 miljoen euro en een klets kunnen bijeenschooien, terwijl 47 miljoen euro van onze centen ergens anders rondgestrooid wordt! Diezelfde dag vertelde men op de radio en kopte men in allerlei kranten dat 1 op 5 kinderen in ons eigen land in armoede opgroeien. We hebben een berg staatsschuld of noem je dit een gigantische put! We zijn het land van de hoogste belastingdruk en de laagste pensioenen. Nieuwkomers ontvangen meer dan wat we aan onze eigen invaliden uitbetalen. Nog nooit stonden er zoveel mensen in rijen aan de voedselbanken aan te schuiven. Mindervaliden worden bij bejaarden in rusthuizen gestoken omdat er ergens anders geen plaats voor ze gecreëerd wordt. Minderjarige criminelen laten we meestal lopen omdat er nergens plek is om ze herop te voeden. In andere landen van Afrika sterft men van ondervoeding of ebola. Karavanen hongerzwarten sjokken door woestijnen richting zee om daar, als ze het al overleven, op een luchtmatras de grote oversteek te wagen naar het land van die geld rondstrooiende Europeanen. En nog maar net hebben we met zijn allen die rode neus weer voor een jaartje weggeborgen, of vrijwilligers zetten zich opnieuw in voor de Warmste Week. In december moeten wij allemaal met Music for Life het kerstgevoel ondergaan. Sneller dan dat wij onze portemonnee kunnen opendoen, ploppen de nieuwste goede doelen als paddenstoelen uit de grond. Allemaal heel hartverwarmend, maar een druppel op een hete plaat, zolang onze eigen regering onze zuurverdiende belastingcenten aan de andere kant van de wereldbol laat verdampen.  Geen journalist die er een bedenking bij maakte ..alleen een foto van een “she’s equal” roepende ‘geld verstrooiing minister’ voor een 60.000 koppige  joelende Zuid Afrikaanse menigte. Tegelijkertijd kwamen in ons eigen land, op de vooravond van de klimaattop in Polen, in Brussel zo’n 60.000 man betogen omdat volgens hen de regering veel te weinig doet tegen de klimaatopwarming. En wie wandelde er rustig mee in deze betoging? Onze minister van energie en leefmilieu…Toen een journalist haar erop attent maakte dat ze eigenlijk in een betoging meeliep die tegen haar eigen beleid was, antwoordde zij zonder blikken of blozen dat het niet de Belgische regering, maar het Vlaamse bestuur was dat de klimaatdoelstellingen tegenhield..Zij heeft blijkbaar een probleem om haar hand in eigen boezem te steken en er het handje van weg om alle verantwoordelijkheid steeds opnieuw bij de anderen te leggen. Ook draaide zij er haar hand niet voor om ‘s anderdaags met het regeringsvliegtuig eventjes over en weer naar de klimaattop in het Poolse Katowice te vliegen.  Weer geen journalist die reageerde en er haar iets over vroeg!  CO2 uitstoot? C’est quoi ça? Mais non, c’est pour les autres… En ondertussen worden wij in allerlei kakelprogramma’s met het Marrakech immigratiepact om de oren geslagen. To Marrakech or not to Marrakech…that’s the question. De ene regeringspartij ziet het migratiepact felroze, bij de andere partij kleurt de tekst diepzwart. De regering heeft ondertussen meer dan een fluitspelende slangenbezweerder, op het Djemaa el Fna plein, nodig om als een slang rechtop uit de mand te komen. Van al dat geklungel zou een mens spontaan een geel hesje aantrekken!   Sim, 6 december 2018            

Sim
0 0

Dromenland

Mocht er een wereldrecord rugje wrijven bestaan, had ik het verbroken. Al zou geen deurwaarder mijn prestatie officieel bevestigen, want dan zou die elke avond meermaals uit zijn warme zetel of bed moeten kruipen om te tellen en te timen. Hij, strak rechtop in het pak met een tikkende chronometer in zijn hand. Ik, naakt voorovergebogen over het ergonomisch onverantwoorde kinderbed van mijn 22 maanden oude zoon.   Wrijvend. Met liefdevolle handen die alleen rond hem draaien. Wachtend. Tot hij zich laat glijden in de zachte zakken onder zijn ogen. Weifelend. Hoe lang we nog blijven draaien in deze vicieuze cirkels. Wanhopend. Wanneer hij ons wakker weent voor ronde vier en wij hem knock-out tussen ons inleggen. Wenend. Vooral hij, soms ook wij. En verwonderd. Hoe diep je kan blijven scheppen in die bron van liefde. Al laten die nachtelijke wrijvingen wel hun sporen na.   Ouders van moeilijke slapers hebben weinig vangnet om op terug te vallen. Hun wekker piept even meedogenloos als die van werkmensen die ’s nachts doorslapen. Ze moeten mee met de maatschappij, met dezelfde snelheid en energie als hun kwieke collega’s. Doelen en deadlines halen, zonder snoozen. Ging er maar eens een maatschappelijke wekker af voor ploetermoeders en -vaders die te veel balletjes tegelijk in de lucht moeten houden: een huis, een gezin, een ‘carrière’ en graag ook nog iets dat op een privéleven lijkt – en dat in combinatie met die nachtelijke wrijfrecords.   Waren huizen maar meer dan een nummer in de straat. Dan konden buren over hun getalgrenzen heen de handen in elkaar slaan. Oud en jong zouden de beste vrienden zijn. Want achter de ene gevel tikken eenzame zielen de tijd weg met breinaalden of wandelstokken, terwijl andere huishoudens de wirwar aan to-do’s niet aan elkaar weten te haken. Samenleven blijkt niet zo evident in onze samenleving. We geraken moeilijk over de drempel van een vreemde deur.   ‘Nochtans zouden Yvonne en Marie-Jeanne hun deur graag openzwaaien’, denk ik dan al wrijvend. Zij wonen een beetje verder in de straat en hebben zelfs tijd om hun riool proper te vegen. Dat doen ze langzaam en grondig in de hoop dat er af en toe iemand voorbijkomt om naar te staren of, in het beste geval, naar te zwaaien. ‘Misschien moeten we eens aanbellen met een voorstel?’, fladderen mijn gedachten. Maar te vaak ontpopt mijn denken zich niet tot doen. Dus ploeteren we verder in onze cocon. Zo’n heerlijk bordje slow meme-kost zou nochtans wel smaken, net als het warme gevoel dat uit gedeelde kookpotten opstijgt.   Een zachte zucht. Hij slaapt. Nu is het aan mij om een weg naar dromenland te banen.  

Rien Mertens
0 2

Het Roodkopvolk

In het bos achter die dode boom is de ingang van de onderwereld. Ga 233 treden, nou ja treetjes naar beneden en je bereikt een grote open plek tussen de wortels van eeuwenoude bomen. In deze wereld leeft een minivolkje, de roodkoppen. Niet groter dan een lucifer en net als een lucifer hebben ze allemaal een rood hoofd. De zuurstof komt door allerlei openingen in het bos maar een paar weken geleden veranderden echt alles voor dit vreedzame volkje. Op een afschuwelijke maandagmorgen dreunde en beefde de grond. De roodkopjes zijn echte langslapers maar nu sprongen ze verschrikt hun bedjes uit. Wat gebeurt hier? Een zelfgemaakte periscoop werd naar boven geschoven en koning Dorpok keek zelf wat er boven hem gebeurde. Zijn hoofd werd nog roder dan het al was en zijn kleine lichaam beefde van top tot teen. Een legertje grote mensen was bezig bomen te kappen en met grote machines werd een geasfalteerde parkeerplaats aangelegd. Twee weken en 89 gekapte bomen later was daar aan de rand van de weg een stenen gedrocht in het bos neergelegd. Als het daarbij was gebleven was het nog te pruimen maar er stopten steeds met veel kabaal van die grote koekblikken op wielen. Er stapten mensen uit die de bosjes indoken. Mannen haalden een slang(etje) uit hun broek waar dan een soort waterval uitkwam en vrouwen trokken hun broek omlaag, gingen op hun hurken zitten en ook daar kletterde het vocht flink op de grond. Dan kwam er een witte lap waarmee gepoetst werd en die werd meestal neergegooid op de grond. De lucht binnen bij het roodkopvolk vervuilde sterk en door de penetrante lucht kregen vooral de kinderen last met ademhalen. Die achtergelaten lappen, wij noemen het papier lagen her en der op de luchtopeningen. De koning was het zat en riep zijn volk bij elkaar voor spoedoverleg . Er moet iets gebeuren, dit kan niet langer. Pokidor, de tovenaar zag de bui al hangen. Zoals gewoonlijk was hij weer de klos om het op te lossen. Hij stond wat achteraan om niet op te vallen maar al snel scandeerde men zijn naam. Pokidor, jij bent de enige die hier wat aan kan doen. Ga naar de mensenwereld en zorg dat het weer net als vroeger wordt. Oké, ik ben net een toverdrank aan het brouwen en als die klaar is en het is volle maan zal ik de 233 treden naar boven gaan. Na acht dagen is het zover, het is volle maan en Pokidor kan er niet meer onderuit. Lieve roodkopjes, ik ga naar boven en probeer een nieuwe drank. Als ik die drink word ik net zo groot als de mensen. Ik moet voor middernacht hier weer terug zijn bij de boom anders moet ik tot de volgende volle maan wachten om weer klein te worden en af te dalen naar onze onderwereld en of ik dat zal overleven weet ik niet. Wens mij sterkte. Met het flesje toverdrank in zijn rugzak bestijgt Pokidor de lange trap. Hijgend komt hij boven. Hij staat achter de boom en ziet een koekblik op wielen aankomen. Er stapt een vrouw met rood krullend haar uit en zij doet net aan de andere kant van de boom haar broek naar beneden, gaat gehurkt zitten en doet hetzelfde als al zoveel voor haar hebben gedaan. Het papier gooit ze weg, trekt haar broek weer omhoog en wil weg lopen. Intussen heeft Pokidor zijn flesje leeggedronken en in een paar seconden is hij nog groter dan de roodharige vrouw. Waarom gooi jij die lap zomaar op de grond, kijk eens wat een troep hier ligt. De vrouw schrikt zich een hoedje. Waar kom jij zo snel vandaan, ik had je helemaal niet gezien. Dat kon je ook niet, het is een heel verhaal, dat komt nog wel eens. Wat vind je nu van al die troep die hier zomaar in het bos ligt. Dat kan toch helemaal niet. Sorry, ik heet Pokidor. O ja ik heet Tessa en je hebt wel een beetje gelijk. Zo een mooie natuur en zo een vervuiling. Ze kijkt hem nu pas eens goed aan, best een leuke vent denkt ze maar wat een vreemde kleur hoofd heeft hij. Wat een rood hoofd heb je, zegt ze. Zo ben ik geboren. Zullen we er wat aan doen, niet aan mijn rode hoofd hoor maar aan die troep. Als wij het opruimen blijft het misschien wel schoon. Heb jij misschien iets in dat koekblik om het in te doen? Koekblik? dat is een mini cooper, een te gekke auto. Auto heet zo’n geval? Neem je mij nu in de maling? Je lijkt wel niet van deze wereld. Misschien is dat ook wel zo. Wat doe je? Help je mij met opruimen? Okay, ik heb nog wel even tijd. Over een uur moet ik bij de Sinterklaas intocht zijn. Dat ken ik ook al niet, nooit van gehoord. Je bent een rare vogel maar dat vind ik eigenlijk wel leuk.Ik help je en dan ga je met mij mee naar Sinterklaas. Tien minuten later hadden ze drie vuilniszakken vol troep, alles was schoon. Toen had Pokidor eigenlijk afscheid moeten nemen en weer de 233 treden naar beneden moeten nemen maar hij koos ervoor om met Tessa mee te gaan. (Wordt vervolgd)

Bassam Camino
0 0

Dertig seconden onschuld

Angstig keek ik voor me uit. Mijn lichaam beefde. Het zweet dat over mijn gezicht stroomde en de tranen in mijn ogen spraken voor zichzelf. Ik staarde naar datgene wat me al zoveel pijn had gedaan en voor die ene keer was ik degene die kon genieten. Ik had dat bezeten ding al ergens opgeborgen, samen met de schaamte die ik al die tijd al voel…   Voor de zoveelste keer zat ik verscholen in dat hoekje. Ik liet het licht uit en ik maakte me zo klein mogelijk, alsof dat nog iets uitmaakte… Het zou me vinden en als het me vond, dan had ik het weer voor. Ik hield mijn adem in en telde de seconden. ‘Eén seconde, twee seconden, drie seconden…’. Als ik de getalletjes in mijn hoofd zou herhalen en onthouden, dan wist ik op zijn minst al hoe lang het heeft geduurd. Ik hoorde lawaai. Mijn hart zat ondertussen vast in mijn keel. Een krakend geluid aan de deur. Mijn hoofd begon te tollen. De deur ging open. Het was stil.   Het was donker, ik kon niet zien wie er stond, maar het gestalte en de stem verraadden hem. Door het kleine lichtstraaltje van buiten keek ik recht in zijn ogen. Die donkerbruine ogen, zo donker als de nacht. Elke keer als ik mijn ogen sloot zag ik die ogen, bezeten door het kwaad. Elke keer opnieuw, ik wist perfect wat hij ging doen en wat ik zou moeten doen. Hij stroop zijn mouwen op en blies vervolgens twee keer in elk hand. Hij zette vervolgens een stap dichterbij en strekte zijn hand naar me uit. Ik dook weg en weigerde elke vorm van lichamelijk contact. Daarna sleurde hij me recht en legde me op het bed. Ik bleef verstijfd liggen en bleef doorgaan met tellen. ‘Tien seconden, elf seconden, twaalf seconden…’. Hij ging weer naar de deur en sloot hem, hij pakte iets uit zijn zak en begon te prullen aan de deur. Klik. Dat geluid betekende gevaar. Vervolgens kwam hij weer dichterbij, hij zei iets. Mijn hoofd was verborgen in mijn eigen lichaam. Mijn hersenen waren geblokkeerd en mijn lichaam reageerde niet meer. Ik liet het gebeuren.   Pijn. De duizelingwekkende hoeveelheid pijn die door mijn lichaam ging. Het maakte niet uit wat hij deed, emoties liet ik niet zien. Slagen. Ontelbaar veel slagen. Ik was het gewend, die druk op mijn lichaam deed me niets meer. ‘Twintig seconden, éénentwintig seconden, tweeëntwintig seconden…’. Hij gooide me van het bed en zette me weer naast het bed. Hij bleef even staan en keek recht in mijn ogen. Die kille, gevaarlijke en dodelijke blik. Ik zag tanden, hij lachte. Er knapte iets. Iets in mij ontplofte en nam heel mijn geest en lichaam over. Ik ging naar het bed en viste iets uit de dons. ‘Vijfentwintig seconden, zesentwintig seconden, zevenentwintig seconden…’. Ik stond op en vloog op hem af. Hij zakte neer, vlak voor mijn voeten. Die blik verdween niet en die lach, die bleef stralen als de sterren.   Bloed. De gevallen engel op de grond was omringd door bloed, heel veel bloed. Ik trilde en huilde. Ik keek hem aan en telde verder. ‘Achtentwintig seconden, negenentwintig seconden, dertig seconden’. Dertig. Ik draaide me om en keek voor me uit, wachtend op de zon die komen zou.

Quinten Samison
21 0

DE FEESTDAGEN STAAN WEER VOOR DE DEUR

Deze ochtend zei manlief zo tussen neus en lippen:” Lap, ’t is weeral december, en de feestdagen staan weeral voor de deur.”  Ik denderde de trap af en trok de voordeur open juist op het moment dat een witgehandschoende hand, met rode robijnring, de vinger op de bel wou zetten. Daar stond hij dan, Sinterklaas met naast hem een op en neer wippende Zwarte Piet. Het leek of hij heel dringend moest plassen. De Sint wees met opgetrokken wenkbrauwen naar zijn witte schimmel, die hij aan onze brievenbus vastgemaakt had. “Of ze misschien gewoon langs de voordeur tot aan de schouw mochten gaan?” Toen ik hem naar het waarom vroeg, antwoordde hij dat het voor hen al lang geen pretje meer was om via de daken naar al die brave kindertjes te gaan. Ten eerste waren al die daken in Vlaanderen in een avonturenparcours veranderd. Overal lagen er bergen isolatiemateriaal op Poolse dakwerkers te wachten of  waren de daken met zonnepanelen versierd. Geen enkel paard dat nog zonder ongelukjes tot aan de schouw zou kunnen trappen. En dan hij, die goede brave Sint, die massa’s geld uitgaf om het kleine grut te belonen, met een zware verzekeringsclaim terug naar Spanje zeker! Ook had hij al een tijdje in het oog dat men op dit adres vlijtig een houtvoorraad door de schouw aan het jagen was. “Wat was daar de bedoeling van?” “Wel Sint, sorry hoor, maar wij hadden nog zo’n stapel openhaardhout in ons keldertje liggen en die willen we eventjes snel opbranden alvorens die tjevenminister een nieuw openhaard- en houtkachelbelasting uitvindt. Vroeger keken we dromerig in de houtvlammen en lagen we er romantisch op een lamsvelletje voor, maar we zijn al een beetje veel op de seniorenleeftijd en moesten we dit nu nog doen, dan kwamen we niet meer recht!” “Oké, oké, zei de Sint, maar is Zwarte Piet bij jullie nog steeds welkom, want verdorie ’t is me wat met al die herrie! Piet is mijn beste vriend en zelfs dat gunnen die herriemakers de kindjes niet meer. Kom uit de weg. Piet heb je de cadeautjes bij, want straks komen hier twee kleinkindjes die wel wat lekkers verwachten. Terwijl Sinterklaas en Zwarte Piet de trap ophollen, proberen twee feestdagen tegelijk door de deur te drammen. “Helaba, jullie twee, wat is hier de bedoeling van? Awel ik ben jouw verjaardag en die opdonder die zo tegen mij aanschurkt is Valentina’s verjaardagsfeest”.  Het was die ongeduldige oplawaai bijna gelukt om dezelfde dag ter wereld te komen. Ik heb er alles aan gedaan om, terwijl je schoondochtertje lag te persen, de boel tot na middernacht terug naar boven te duwen, zodat jullie twee verjaardagspartijtjes zouden hebben, maar ja, duidelijk mislukt, want nu vieren ze alsnog samen…grrr! Ze  proberen mij voor de deur weg te drukken. “Is het nu gedaan, roep ik, jullie moeten nog zo’n twee weekjes wachten en dan maar eerst kan ik jullie doorlaten”. Pruttelend doen ze een stapje opzij. Daar staat in vol ornaat de dikbuikige Kerstman. “Ho, ho, ho, ik dacht ik vertrek een beetje vroeger, want het is tegenwoordig geen kattenpis met die files om met een slee rendieren tot hier te komen”!  Maar Kerstman, vliegen jullie niet gewoon door de lucht?” Ho, ho,ho, ik vertrok nog maar met een grote boog over de aarde, of twee Russische straaljager, vlogen ons bijna omver en deden teken, dat wij niet door hun luchtruim mochten vliegen. Daarna werden wij boven Oekraïne bijna uit de hemel geschoten omdat ze daar dachten dat wij Poetinbommen waren. Toen kwamen wij aan Europa aan en daar hebben ze de buitengrenzen ondertussen zo hoog met glazen wanden opgetrokken om alles en iedereen buiten te houden. Petatboem, mijn liefste rendier, Rudolf met zijn smikkel tegen de omheining. Zijn neus knalrood van de botsing. We besloten dan maar om gewoon over de baan verder te rijden, maar als het geen trein vrachtwagens zijn, dan zijn het wel een roedel gele hesjesanarchisten of een bende stakende arbeiders die de boel vertroebelen. Dus ja, ik sta wat vroeger in je voortuin en zie gelijk dat die andere heilige wel naar binnen mag en ik niet”. “Maar Kerstman, onze kerstboom staat nog niet, waar ga je dan al die pakjes leggen?”  Oké, ik zal ondertussen wat kerstmarkten afschuimen, tot je die boom opgetuigd hebt. Maar jullie zijn toch niet van dat soort, dat eerst nog naar die middernachtmis gaat om zo’n halfnaakte stenen babypop te bejubelen, die volgens velen op die dag geboren zou zijn hé! Sprookjes daar doen wij niet aan mee hoor! De Kerstman sleet de straat uit, maar daar staat een reuzengroot 2019, met flessen champagne en vuurwerk te drammen. Miljaar, bijna weer een jaar erbij. “Nu moet je eens goed horen, Nieuwjaar, roep ik, alles op zijn tijd. Bol het maar af en kom binnen vier weken nog eens terug en ik zwier de voordeur met een smak dicht. Sinterklaas en Zwarte Piet staan geschrokken achter mij in de gang. “Mogen wij er misschien nog eventjes door, want wat verder in de straat wonen ook nog brave kindjes hoor”.   Sim, 2 december 2019 In afwachting van twee glunderende gezichtjes van onze twee kleinkinderen.

Sim
56 0

Tandpasta

De Smilodon bestaat al lang niet meer zegt ze. Bedenkelijk kijk ik naar het bakje met instrumenten op mijn buik dat telkens ik adem omhoog gaat. Net een doosje mikado, maar van een merk dat ik niet ken. Ik zeg niets terug, probeer de spiegel en het haakje stil te houden door niet meer in te ademen. Gelukkig was er toen geen chocolade gaat ze verder en haalt wat witte draad tussen de instrumenten vandaan, draait die rond haar wijsvingers. Doe je mond nu maar open lacht ze. Dan kan ik kijken of er op jouw sabeltanden suiker kleeft. De Stimorol bestaat wel zeg ik. Mijn favoriet is de max splash strawberry lime. Ik kan het zien zegt ze. Je hoektanden zijn cariës vrij. Zijn er nog andere dingen buiten kauwgom die je eet? Vlees, want dat vind ik lekker, en soms frietjes. Ook aardbeien, maar die hebben ze niet altijd in de winkel. En koekjes. Plus de spruitjes van mama. Die vind ik superlekker! Jij zou elke Smilodon hebben doen watertanden zegt ze en haalt het spiegeltje uit mijn mond. Zo’n gaaf gebit. Doe zo voort! Het mikado doosje mag van mijn buik. Er loopt wat water in een plastic bekertje. Ik spoel mijn mond, slik het door. Het smaakt een beetje naar ijzer.  Wat is een Smilodon vraag ik? Een tijger met grote hoektanden die verzot was op vlees. Maar de Sabeltandtijger bestaat al lang niet meer zegt ze. Poetste die ook zijn tanden vraag ik bedenkelijk? Misschien. In de prehistorie was er nog geen tandpasta zegt ze, maar een stoere tijger als jij mag gerust af en toe een koekje eten. Ik krijg tandpasta met rode lijntjes en een groene tandenborstel. Tot volgend jaar zegt ze. En goed blijven poetsen. In de auto vraag ik mama wat voor vlees we straks eten. Worst. Met spruitjes zegt ze.  

Sascha Beernaert
6 0

De scheerbeurt

De man hangt in zijn versleten  Chesterfield stoel en kijkt naar een kickbokswedstrijd. Hij is fors gebouwd en draagt een trainingsbroek en een wit hemd zonder mouwen. Naast de stoel liggen vijf lege flesjes My Brother’s Tripel. Een kopje waar normaal genomen koffie uit wordt gedronken is gevuld met sigaretten peuken. Het is al acht dagen boven de 30° Puffend staat de man op om een nieuw biertje te halen. Bij het openen van de koelkast komt er een sterke lucht van oude Camembert naar buiten. Hij pakt het laatste flesje My Brother’s Tripel en gooit de deur snel dicht. De man opent het flesje met zijn tanden en ploft weer neer in de Chesterfield. Eigenlijk moet hij de boel opruimen want vanavond komt zijn latvrouw voor een paar dagen. Maar die vochtige hitte. De man drinkt zijn laatste flesje leeg, doet de TV uit en zoekt op Spotify naar muziek waarbij hij lekker kan opruimen. Nog een halfuurtje en dan staat de vrouw op de stoep. Zijn lichaam druipt door de hitte als karnemelk door een theedoek. Scheren en douchen. De man heeft nog een echt scheerritueel. Een dassenharen scheerkwast en een echt scheermes. Eerst zet hij het mes aan op de scheerriem. Hij maakt een hot towel, legt die een minuut op zijn gezicht, draait zijn natte scheerkwast door een scheerblok La Toja en zeept zich met draaiende bewegingen in. Iedere keer wat heet water erbij totdat er rijk scheerschuim op zijn gezicht zit. Hij pakt het scheermes in zijn hand en begint zich te scheren.  Dan hoort hij een keiharde knal, schrikt en snijdt zich een flinke jaap in de kin. Het witte schuim kleurt rood. Geen probleem denkt hij ik heb toch mijn stuk aluin om het bloed te stelpen. Maar het is nergens te vinden. Eerst maar afscheren en een grote pleister op zijn kin. Hij hoort de sleutel in het slot en de vrouw komt panisch  binnen. Schat mijn remmen deden het niet, ik heb je auto geramd. Het werd geen gezellige avond.

Bassam Camino
0 0

Voorwoord

‘Ik denk dat er meer seks in moet, Yves’ zei de redacteur. ‘Seks? Ik schrijf nooit over seks. Waarom vraag je dat nu ineens?’ 'Wel, het zou eens een andere invalshoek zijn, met een breder palet de persoonlijkheid van je personages belichten. Het zou ook…’ ‘De verkoop doen stijgen bedoel je?’ onderbrak de schrijver hem. Hij had al voor deze interventie gevreesd. Na zijn derde boek was het heel flauwtjes geworden, en zijn vierde lag al na zes maanden afgeprijsd bij de koopjes in de kelder van de boekhandel. Het werd stil, en het manuscript op tafel lag nu plots als een zorgenkind tussen hen. ‘Ik wist dat je er zo over zou denken, maar luister Yves, als vriend en redacteur vraag ik je er eens over na te denken. Het is in hoor, iedereen doet het.’ ‘Ja, hallo ! Neuspeuteren en onder je stoel uitwrijven is ook altijd in geweest, maar moet dat ook op papier staan ?’ klonk het geërgerd. Er viel een nog grotere en ongemakkelijke stilte. De afstand tussen de twee mannen was nu bijna te voelen. De schrijver keek ongemakkelijk overal en nergens naar, en zag dat de redacteur een grote polshorloge droeg. Veel te opzichtig waren die dingen tegenwoordig. ‘Nog een beetje en ze zijn zo groot als een wandklok’ dacht hij. ‘Jouw personages doen het toch ook?’ doorbrak de redacteur onbeholpen het stilzwijgen, alsof hij aan een les voorlichting begonnen was. ‘Natuurlijk doen ze het, het zijn mensen godnogaantoe, maar daarom moet ik er toch nog niet over schrijven?’ ‘Je kan zo’n belangrijk menselijk aspect toch niet naast je neerleggen? Het hoort er toch gewoon bij? Opnieuw stierven de geluiden tegen het wandrek vol boeken uit. Ergens in het huis klonk een mobieltje met een ringtone van balkende ezels.  ‘Trouwens, heb je er anders iets op tegen dat je boekenverkoop de hoogte in zou gaan?’ ‘Nee, natuurlijk niet’ zei de schrijver, ‘Alleen, je begrijpt het niet, het is…’ ‘Beste Yves, jij met al je talent, schrijf over het leven zoals het in zijn volledige breedte bestaat. Dat is toch geen schande? Het zal je werk ten goede komen, echt. Geef het een nieuwe impuls!’ De schrijver keek de altijd enthousiaste redacteur vanonder zijn blonde voorhangende haren aan en vroeg cynisch:  ‘En terwijl ik daarmee bezig ben, moet ik dan ook over voetschimmels schrijven, over roos op schouders van een maatpak, over darmpoliepen die langs je–weet-wel- waar worden verwijderd, over steenpuisten die 's nachts openspringen? Is het dat wat je wil? Een mond die ruikt naar de laadbak van een vuilniswagen?’ ‘Alleen de prettige dingen Yves, de lezer wil alleen prettige dingen, dat weet je toch. Maak het hem niet te moeilijk. Geef het een kans, en wie weet komt misschien die langverwachte literatuurprijs er dan wel aan.’ Die had de schrijver meteen door. Het klonk als een beloofd ijsje na een tandartsbezoek. ‘Ik betwijfel het’ zei hij kort, en liet het lokkertje onaangeroerd. De redacteur zag zijn vertwijfeling en gaf het nog niet op. ‘Denk nu gewoon eens buiten de lijntjes Yves, out of the box’. Plots begon hij samenzweerderig te lachen. De redacteur overdreef altijd wanneer hij Engels sprak vond Yves, een weinig overtuigend en bekakt soort Cockney, alsof hij jaren in Londen had gewoond en nog maar net terug was. ‘Wat zit je nu zo domweg te lachen?’ vroeg de schrijver. ‘Ik wist niet dat ik er zoëven eentje scoorde Yves. De doos, begrijp je?’ en hij knipoogde. ‘Maar goed, serieus nu, laat ons zo afspreken : herwerk een en ander, en volgende maand zien we elkaar hier terug en bekijken we het nog eens rustig, goed?’ De redacteur stak zijn hand uit, strak en hard als een kaasplankje. Die dag was voor Yves Hurckmans goed begonnen, maar de redacteur had hem grondig weten te verpesten.  Thuis las hij balorig en met tegenzin zijn heel voorlopig manuscript na en zocht naar een geschikte plaats om een erotische scene in te voegen. Hij probeerde. ‘Zijn hand voelde de zwaartekracht en gleed langzaam volgens de natuurwet van de liefde naar beneden…’ Dat sloeg nergens op. ‘Hoe belachelijk, net natuurkunde op maandagmorgen' dacht hij. Hij schrapte de zin onmiddellijk. Hij probeerde iets anders. “Hij haalde een bus slagroom uit de berging, deed er een kanten tafelnapje rond en presenteerde het vlak voor haar neus als een exclusieve fles wijn. Hij had een sjaaltje rond hem geslagen en bootste een zwoel Frans accent na dat hem een beetje op inspector Clouseau deed lijken en haar deed gieren van het lachen. ‘Een uitstekend jaar madame, vraiment, UHT behandeld.’  Ze kwam niet meer bij en keek hem enigszins onbegrijpend aan, en toen zei hij zinnelijk en plagerig in haar oor: ‘Ultra Hoge Temperatuur madame, très très haut.’ Hij dimde het licht, en…” Hij hield op met schrijven, leek over het vervolg na te denken maar scheurde het blad in één ruk van zijn schrijfblok af en gooide de prop naar de andere kant van de kamer. Daar lagen er al een tiental. Hij probeerde nog iets met een achterbank van een auto, schuilen voor een zomeronweer onder een brug, maar tevergeefs. Het draaide elke keer uit op erbarmelijk schrijven, op slechte seks. Goed om honderd jaar geen zin meer te hebben. Uit onmacht om al die stompzinnige onzin die hij op papier had gezet ging hij voor het raam gaan staan, blonk met de onderkant van zijn trui zijn bril op en staarde in de verte. Hij was niet goed in dit soort dingen en was er ook niet ambiteus in. Niet dat hij preuts of puriteins was, of leed aan een of andere vorm van bigotterie, maar hij had het altijd een beetje onkies gevonden om over het seksleven van iemand te schrijven, ook al waren het fictieve personen uit zijn romans. Bovendien was het niet essentieel voor de kwaliteit van zijn werk vond hij. ‘Er zijn ontelbaar veel meesterwerken waar geen seks aan te pas komt en toch tijdloos blijven?’ zei hij tegen zichzelf. Hij gaf ook toe dat het aartsmoeilijk was om zoiets tot stand te brengen, er waren er die het heel goed konden en bewonderde hen daar ook voor, maar zelf voelde hij plaatsvervangende schaamte en voelde zich als een voyeur die een slaapkamer binnenkijkt.  Hij zag zichzelf in het raam weerspiegeld staan en hield spottend een verdedigingsrede: ‘Kijkt u goed, zie naar me, ik ben Yves Hurckmans, aangenaam! Ik ben schrijver, probeer een vakman te zijn, en kan dat alleen maar zijn als ik het op mijn manier kan doen en niet zoals anderen dat graag zouden willen. Ik heb zo m'n dingetjes. Ik hou van uitslapen, lang schrijven, roompatatjes en een goed toneelstuk.’ Boven zijn hoofd trok hij een denkbeeldige kolom en beeldde aan de linkerzijde enkele plusjes uit. Dan trok hij traag enkele horizontale streepjes met zijn vinger op het raam waar het een spoor achterliet. ‘Maar ik hou niet van spruiten, van kakelende mensen, van snel rijden en ook niet van schrijven over seks. Zo, en daar moeten jullie het maar mee doen’ zei hij tegen het  spiegelbeeld. Daarna nam hij een postkaart en schreef in een opwelling van zoete wraak een kort bericht naar zijn redacteur. ‘Beste Guido, ik heb een ijzersterke seksscène op papier gezet, je zal trots op me zijn ! Mijn tekst is nu veel beter, het corpus dieper uitgewerkt, vier billen geven immers redelijk veel overwicht. Die prijs is nu wel binnen, daar kun je nu wel zeker van zijn ! Zie hier wat er rond elf uur ’s avonds op bladzijde 14 – ze zetten net hun glas wijn op de salontafel-  gebeurt:   Zij ging open. Hij ging, zag en kwam.   Met een grimmig lachje en een overheersend gevoel van een overwinnaar zette hij zijn naam eronder, stak het in een envelop, smeerde er een postzegel bovenop en deed hem dezelfde avond nog op de bus. Zijn besluit stond nu meer dan ooit vast: zijn manuscript moest onaangeroerd en onbezoedeld blijven, en zoals steeds bleef hij vertrouwen op zijn innerlijke stem. De uitgeverij kreeg het aangeboden op de manier dat hij altijd al had gedaan. Hij weigerde mee te doen met welke stroming of modegril dan ook, want in zijn ogen kwam het gewoon weer eens neer op geld, altijd maar geld. Het enige wat hij nog besloot te doen was een verhelderend voorwoord aan zijn roman toe te voegen:     Voorwoord van de auteur   Beste lezer, De eerste keer is altijd moeilijk, dat is nagenoeg bekend. Misschien had u gehoopt dat ik dit voorwoord de titel ‘voorspel’ had meegegeven. Sommige mensen dromen er immers van dit soort dingen in boeken te zien staan, wat natuurlijk uw goed recht is. Ik wil u gewoon laten weten - mocht u het belangrijk vinden alvorens u de eerste zinnen gaat aanvatten - dat er geen seks in dit werk te vinden is. U vindt daar ook niets van terug in mijn vorige boeken, en het zal ook niet aanwezig zijn in mijn volgend boek, als die er komt. Ik laat u een kus zien, een omhelzing, hoogstens een leeg bed waar de warmte nog niet helemaal uit verdwenen  is, maar meer ook niet. Personages mogen dan fictief zijn, ik verkies hun slaapkamer (of gelijk welk vertrek, de trap inbegrepen) niet binnenstebuiten te keren. De privacywetgeving beschermt iedereen. Als u meer verwacht zijn er genoeg bekwame collega’s die u een meer rampetamperig ritme kunnen aanbieden, waar broekknopen wild in het rond vliegen en een hand Kate Winsletgewijs tegen de binnenkant van een bewasemd autoraam aanploft. In uw plaatselijke bibliotheek herkent u dit soort boeken aan het pictogram op de rugzijde : twee paar in elkaar verstrengelde voetjes (niet te verwarren met het hoekje voor de wandelclubs).  Maar voor mij, neem me niet kwalijk, is hitsig veel te heet, ik die zelfs m’n koffie bijna koud drink. En volgens mij zijn er ook niet zoveel tinten grijs als men beweert (hoewel nooit getest zou het kunnen dat ik licht kleurenblind ben). Maar goed, dit gezegd zijnde, hoop ik dat woorden genoeg vervangend zaad voor u moge zijn. Dit was mijn voorwoord, voor het addendum zorgt u beter zelf. Want wat u zelf doet, doet u meestal beter. Dan volgt nu de roman. Veel leesgenot.  

Lode Van Wabeke
0 0

Papa's plekje

Het waterige novemberzonnetje beschijnt de voordeur waar ik op bons. Geen reactie. Na een minuut klop ik en roep, ‘papa!’ Geen reactie. Het voedt mijn ongeduld. Mijn irritatie. Ik bezoek hem iedere week, een plicht die ik mijzelf jaren geleden heb opgelegd omdat ik anders nooit langs zou komen. Een moment om mijzelf ervan te vergewissen dat hij nog leeft.      Hoewel ik zijn dochter ben, kom ik nooit zomaar zijn huis binnen. Niet meer na de keer dat hij zijn privacy eiste. ‘Ook al lig ik dood te gaan, je klopt eerst! En daarna klop je opnieuw, hard. En als ik dan nog niet kom, dán mag je die verrekte sleutel gebruiken.’       Ik diep nu die verrekte sleutel op uit mijn handtas en steek ‘m in het slot. Een stapel kranten en reclamefolders maken het me moeilijk binnen te komen, maar de eerste -tweede- mopperronde slik ik in. Pa wordt oud, ik pak ze straks wel op. ‘Papa?’Ik hoor slechts een echo. Normaal buldert hij. Ziet hij dit als een manier om mij terug te pakken voor vorige week?      Ik hoor nog zijn verwijten. Hoe hij mij beschuldigt van zijn gebrek aan geluk, zijn eenzaamheid, het feit dat met mij de familielijn uitsterft. En ook al zijn het maar woorden, woorden die ik de afgelopen jaren meer dan eens heb gehoord, toch raken ze mij nog iedere keer. Zijn teleurstelling, zijn walging, zijn verwijt, stak opnieuw recht door mijn hart. Jaren geleden ben ik gestopt met het lijdzaam toestaan van dit verbale geweld. Nu vraag ik mij af of ik niet te hard tegen hem ben geweest. Op zijn manier hield hij van mama, maar ik zag hoe ongelukkig zij was en dat heeft mij altijd dwars gezeten. Het was niet netjes hem dit in te wrijven, ongeacht de uitwerking van zijn woorden op mij.      ‘Hatsjoe!’ Ik wapper met mijn hand voor mijn gezicht en wacht op de tweede nies, maar die komt niet. Papa kan wel een lenteschoonmaak gebruiken. Meteen zet ik de gedachte van mij af, als de herinnering aan een rood bezwete moeder met rubberen handschoenen en een plumeau in haar hand, zich aan mij opdringt. Vooral de tranen die over haar wangen rollen, terwijl mijn vader vanuit zijn leunstoel tegen haar raast en tiert.      Opeens heb ik genoeg van zijn spelletjes. ‘Pa!’ brul ik. Nog steeds niets. Het is onwaarschijnlijk, maar misschien ligt hij nog op bed. Met twee treden tegelijk ren ik de trap op. Als een puber zwaai ik, zonder te kloppen, zijn slaapkamerdeur open en stamp naar binnen.      Het bed is leeg. En opgemaakt. Met een klap sluit ik mijn mond die klaarstond om hem zijn late ochtend te verwijten. Ik haal even diep adem en kom terug tot mijn volwassen ik. Ik sluit de deur. Hij zal wel mokkend in de woonkamer zitten. Tijdens het afdalen van de trap duw ik mijn irritatie weg en besluit me normaal te gedragen.      Ook de woonkamer blijkt verlaten. ‘Waar ben je, pa?’ fluister ik. Verward kijk ik voor me uit. Hij is negentig en niet meer zo kwiek als voorheen. Verlaat zijn huis nooit op eigen houtje, naar mijn weten. Hij kan niet ver weg zijn. Ik loop naar de donkere keuken en open het gordijn. Dit laat mij echter alleen zien dat er koude thee in de kan zit en mijn vader zijn ontbijtbord nog op tafel heeft staan.      Het huis waar hij in woont is niet groot en nadat ik voor de zekerheid in de bijkeuken kijk, zijn mijn ideeën op. Ongerust zak ik op een stoel. Moet ik de politie bellen? Nee … mijn vader moet in de buurt zijn en zal binnen een half uur wel weer terugkeren. Toch blijf ik denken. Dat mijn vader en ik een slechte band hebben, betekent niet er geen klein stukje van mijn hart, nog voor hem is.      Tijdens het vullen van de waterketel kijk ik uit over de kleine achtertuin. Waar kan hij zitten? Hij woont al zijn hele leven in de Friese plaatsje Suawoude; zelfs op zijn leeftijd kent hij dit op zijn duimpje.      Ik krijg een bizar idee, schuif het weg. Maar een paar seconden later vind ik het niet zo gek meer. Wat als hij bij mijn ouderlijk huis is? Mijn vader was gek op dat huis, maar ze moesten vijftien jaar geleden verhuizen omdat het niet langer kon. Ik denk aan het tuinhuisje dat op het uiteinde van het grote erf staat, beschut achter struiken en planten die de afgelopen jaren welig tierden. Ongeacht het seizoen zat mijn vader in dat huisje zijn pijp te roken. Hij keek uit over de tuin en het water even verderop.      Vanaf zijn huidige huis is het zelfs voor een oude man op loopafstand. Ik geloof niet dat hij er in die vijftien jaar ooit is geweest, maar het is de moeite waard om te kijken. Ik draai het gas uit, pak mijn jas en tas en wring me opnieuw door de smalle opening in de voordeur. Ik stap op mijn fiets.      Twee minuten later sta ik in de tuin. Vastbesloten loop ik over gezond gras naar het tuinhuisje, zo’n twintig meter verderop. Het is nog koel in mei, al houdt dit de akkerhoornbloem, bosanemoon en bleke klaproos niet tegen om al kleur in de tuin te verspreiden.      Bij het huisje aangekomen zie ik de sleutel in het slot. Langzaam trek ik de deur open. De verduisterende gordijntjes, die mijn vader per se wilde hebben zodat hij overdag een dutje kon doen, zijn gesloten. Ik zet de lichtschakelaar om en zie mijn vader liggen. Onderzoekend glijdt mijn blik over zijn lichaam op de grond, maar ik zie geen teken van leven. Zachtjes stap ik naar binnen, alsof ik bang ben hem wakker te maken. Na even diep in- en uit ademen zak ik op mijn knieën en leg mijn hand op zijn schouder. Hij ligt op zijn buik, met zijn hoofd op de grond. Ik draai hem voorzichtig op zijn rug en denk te weten wat er is gebeurd.   Al dagen voel ik me niet thuis. Dit is mijn huis niet, die staat een paar honderd meter verderop. Nu is het huis van mijn dochter Arabelle. Ik denk met spijt terug aan alle moment dat ik tegen Miranda, mijn overleden vrouw, tekeer ben gegaan. ‘Ik mis je om me heen, Mier,’ zeg ik in het niets. Misschien hoort ze me. Ik denk ook aan mijn dochter, die ik nooit heb laten weten hoe ik echt over haar denk.      Het is nog vroeg als ik mijn onderkomen verlaat en wat wankel op weg ga naar het huis waar ik driekwart van mijn leven woonde en alle mooie momenten meemaakte. In het huis is het nog donker en ik besluit niet aan te bellen. Als een dief in de nacht sluip ik door de tuin, naar mijn oude plekje. Ik heb Arabelle nooit verteld over de reservesleutel en kreunend buk ik om hem achter het hout vandaan te pakken. Ik steek de sleutel in het slot, draai hem om en stap naar binnen.      Niets veranderd; al mijn oude spulletjes, die Miranda niet mee wilde naar ons nieuwe huis, liggen op dezelfde plaats. Mijn schommelstoel staat nog naast het ronde tafeltje. Op het tafeltje staat een vaasje met nepbloemen, die Miranda ooit eens voor me heeft gekocht, ‘om dat donkere hok wat op te vrolijken.’ Grinnikend denk ik aan het moment terug: mijn gezicht vertrokken van afschuw, maar Miranda, eigenwijs als ze was, zette het vaasje op tafel. Ik heb het nooit weggehaald.      Naast het vaasje staat mijn asbak. Deze is leeg. Arabelle zal wel schoongemaakt hebben. Intens gelukkig trek ik de deur achter mij dicht. Ik zak in de schommelstoel die slechts een klein beetje kraakt. Het schommelen is een oud vertrouwd gevoel en ik besef hoe erg ik dit moment heb gemist de laatste vijftien jaar.      Het is nog vroeg in de ochtend. De zon klimt gestaag en met zijn reflectie op het water, geniet ik van een geweldig uitzicht. Als mijn oude vertrouwde zelf pak ik mijn pijp uit de binnenzak van mijn jas. Mijn zakje tabak leg ik op schoot. Met jarenlange ervaring is het stopwerk gauw klaar. Ik zet hem tussen mijn tanden en strijk een lucifer af. Rustgevend rook ik mijn pijp en geniet van de stijgende zon. Hetgeen ik in mijn woning niet kon vinden, vind ik hier.      Ik rook mijn pijp leeg, zet hem klem tussen mijn tanden en sta op. Ik schuifel naar het raam en sluit het gordijn. Voordat ik bij mijn dochter langsga, wil ik nog even een dutje doen. Wat zal het een verrassing zijn; haar vader bij haar voor de deur! Ik weet niet wanneer de laatste keer was. Ik ken alle hoeken en gaten van het huisje en schuifel in pikkedonker terug naar de schommelstoel. Wat ik niet verwacht is een obstakel op mijn weg.   Voor zover Arabelle ziet, heeft haar vader niet geleden. Alleen de kop van de pijp steekt nog zichtbaar uit zijn mond en hij heeft een bloeduitstorting op zijn hoofd. Waarschijnlijk heeft hij snel zijn bewustzijn verloren. Ze kijkt verongelukt naar het oude betonnen beeld van de buldog aan haar vaders voeten. Die stond voor kort in de tuin, maar hij is zo lelijk. Verdriet overspoelt haar als ze naar haar vader kijkt. Gelukkig kon hij nog eenmaal van zijn lievelingsplekje genieten.

schaapschrijft
0 0

Ingetuind in Vondelpark

De bankjes in het Vondelpark zijn bijna allemaal bezet maar zoals meestal heb ik geluk en staan er net twee mensen op en heb ik het bankje voor mij alleen. Mijn zonnebril doet het werk waar hij voor bedoeld is en ik kan heerlijk naar de paraderende mensen kijken. Het leven is mooi. In de verte komt een ouderpaar aansjokken. De man hangt wat aan de arm van de vrouw. Het lijkt wel of hij blind is. De vrouw kijkt mijn kant op en ze lopen op mijn bankje af. Daar gaat mijn rust. Dag meneer, mogen wij hier bij u komen zitten, vraagt de vrouw vriendelijk. Wat doe ik dan? Ik zeg niet wat ik denk: laat mij even lekker alleen zitten, er is plek zat in het park, waarom juist bij mij. Maar ik zeg, tuurlijk kom er gezellig bijzitten. Ik schuif wat op en ze gaan zitten. Dank u wel meneer. He, he eindelijk even zitten. Het zit namelijk zo. Mijn man is zijn bril kwijt. Nu denkt u natuurlijk, zijn bril kwijt? Hoe ken dat nou. Het zit zo. Me zaten in de tram en Arie, zo heet mijn man zegt: me hoortoestel doet het niet, dus hij doe zijn bril af. Zijn bril af? U bedoeld zeker zijn hoortoestel. Nee, ze bril. Dat zit zo. Dat toestel zit achter ze oor onder de bril. Die moet dus eerst af voordat het hoortoestel eruit kan. Afijn. Arie zegt, hier Dientje, das mijn naam, hou jij me bril effen vast. Nu was ik net met een aardige dame aan het praten en zonder erg stop ik hem in de openstaande tas van die dame. Ja daar kwam ik later achter. Ik dach dat het mijn eigene tas was. U wil het toch wel horen? Zonder mijn antwoord af te wachten ratelt ze door. Zoos toch Arie? Ja geloof wel. Sakkerloot, geloof je het wel, dat doe je maar ergens anders, ik vertel de waarheid. Afijn om een lang verhaal kort te maken, Arie is nog steeds met zijn hoortoestel bezig als we eruit moeten. Met het apparaatje in zijn hand gane me de tram uit en dan als de tram weer rijdt merk ik dat de bril niet in mijn eigenen tas zit. Zonder bril is Arie stekeblind. Wat moete me nou. Die bril krijge me nooit trug en me hebbe geen geld voor een nieuwe. Ken u ons misschien helpe? Ze lijken echt zielig. Ik kijk in mijn portemonnee en zie dat er vijfentwintig euro in zit. Oké, ik kan verder vandaag wel pinnen en geef die vijfentwintig euro. Harstikke bedankt meneer. Ze staan op en sjokken verder. Ik zie dat ze in de verte weer op een bankje zijn aangeschoven. Later op een terrasje vertel ik het verhaal aan een Amsterdammer en die begint hard te lachen. Jij bent er dus ook ingetrapt, die oudjes doen dat verhaal altijd en zo halen ze op een dag heel wat geld op. Ze gaan van bankje naar bankje. Mijn biertje smaakt opeens niet zo heel lekker meer.

Bassam Camino
0 0

Spermabank

Het is weer zover: we zitten met een kakkertje! En dan heb ik het niet over een jeugdspelertje bij KV Mechelen. Wel over een tepelbijtende, luiers vol schijtende, kwijlende, reflux- kokhalzende parasiet. Dit exemplaar is een goede 52 cm lang en weegt 3,7 kg. Het staat allemaal netjes op het kaartje dat gisteren in de brievenbus stak. Of ik buiten de witte gestandaardiseerde omslag en de klassieke postzegel, die niet prior was gefrankeerd, nog iets noemenswaardig te melden heb: ? Dan eventueel de overwegend groene achtergrond die een bos voorstelt waarin een kleuter (ik denk een jongen) zich, plitse-pletse, een weg doorheen speelt. Joehoe! Voor een die hard Racing fan zou bij het aanschouwen van deze geboorteaankondiging de titel al binnen zijn. Verder merk ik geen noemenswaardige afwijkingen.   Tien vingertjes en tien teentjes. Meer niet. Wel twee onschuldige oogjes die, vanonder een wollen mutsje met daarin (waarschijnlijk) een punthoofdje, als een hongerig glimwormpje in een onderaardse ziekenhuisgang liggend op de buik van mama worm wachtend op zijn eerste witte glimmelk, recht in mijn gezicht loensen vanaf de haastig getrokken foto die papa worm voor alle andere wormen uit de naaste familie en nabije kennissenkring op zijn facebookpagina heeft gepost.   Kijk wat een leuke houten legpuzzel zegt mijn vriendin die achter mij is komen staan en opgewonden haar favoriete geboortelijstartikelen met vette vingers op mijn computerscherm aantikt. Als we nu eens zoals altijd deden zeg ik en eerst onze chipshanden wassen. Gewoon vijftig euro storten is zo onpersoonlijk zegt zij. Maar goed. Als jij dat wilt is dat voor mij oké.   Ik heb het uitgerekend: tweeëntwintig keer. Tweeëntwintig keer hebben we een geboorte in onze brievenbus ontvangen. Dat betekent in totaal: voor duizendhonderd euro aan papflessen en luiers. Dat is op zijn minst twee weken Costa del Sol of Benidorm. Toch zeker één week Tenerife. Het moet gedaan zijn, onze vrienden- en kennissenkring telt nu genoeg kinderen. Mijn geld is op zeg ik terwijl mijn vriendin nog een schijfje gefrituurde aardappel in haar mond stopt. We kunnen dat niet maken zegt zij. Tradities zijn er om in ere te houden, wij geven altijd vijftig euro. Goed dan zeg ik. Dan ga ik vanaf nu iedere week naar de spermabank. Wat ga je daar doen zegt zij het zout van haar vingers aflikkend.   Ik heb het uitgerekend zeg ik. Vijfenzeventig euro per gevuld potje, handje contantje. En daar bovenop schrijf ik alle koppels voor wiens kinderen wij geld gestort hebben dat ik ook papa geworden ben. En nu serieus zegt mijn vriendin: hoeveel houd je daar echt aan over? Ik heb het nagevraagd zeg ik. Wat afgetrokken is kan niet nog eens afgetrokken worden door de belastingen. Voor mij hoef je vanavond niet te koken er liggen nog zakjes paprika in de snoepkast, dat bespaart je alvast een halve euro zegt mijn vriendin met geveinsde ernst.   Morgenvroeg doe ik alvast een eerste aankondiging op de bus:   Ik ben nog niet geboren en toch ik ben op komst. Ik ben ook niet zoals jullie maar ik ben Anders. Anders Beernaert.   Ja, ik geef al mijn kinderen een naam. En mezelf vijfenzeventig euro!

Sascha Beernaert
13 0

Bruggen bouwen

Hij zit daar, altijd op dezelfde plaats.  Ook nu het bitterkoud is en een snijdende wind de neuzen rood doet aanlopen, zit hij daar. Ik wandel hem voorbij en ik glimlach. Hij knikt vriendelijk terug.  Even later kan ik vanuit de zetel in de warme bib zijn rug zien, én zijn volharding. Gelukkig heeft hij een warme jas aan en een wollen muts. Een zwart deken heeft hij om zijn benen gewikkeld.  Ik kan het niet zo goed zien, maar ik denk dat hij op een meditatiebankje zit, met daaronder een stuk karton. Moedig blijft hij zitten, waarschijnlijk uren aan een stuk. En hij glimlacht, zonder te verwachten, soms smekend, soms gelaten, soms hoopvol. Een dame met een groene jas is zo in gedachten verzonken dat ze hem niet opmerkt.  Een jongeman die opvallend licht gekleed is, raast voorbij.  De brug waarop de man zit, zucht en kreunt onder zoveel onverschilligheid.  Zachtjes maar zeker kabbelt even later een stroom van vrijgevigheid voorbij: een glimlach, een muntstuk, een vriendelijk woord, ... De brug wint aan stevigheid. De koude snijdt door merg en been vandaag, maar hij blijft zitten. Zichtbaar onbewogen. Kalm. Dankbaar voor ieder muntstuk in zijn beker. Misschien stroomt er in zijn binnenste wel een kolkende rivier vol wroeging om wat verloren ging, vol jaloezie op rijke passanten, vol wanhoop om weggerukte dromen, vol woede op mensen die hem in de steek lieten...  Vriendelijk blijft hij zitten, stilletjes hopend op een betere toekomst. Ik duffel me warmpjes in en loop in zijn richting. Ik kom over de brug met wat kleingeld voor hem. In zijn blik ontwaar ik het vonkje dat hem warm houdt in deze kou.  

Aline
0 0

Mokerslag

  Aan de oostzijde van het dorp Halfstede, langs de rand van een groepje huizen die in eenzelfde zomer werden neergezet en er allemaal eender uitzagen, lag een klein parkje, een bescheiden stukje groen. Er stonden een paar bomen, één bank met de rugzijde naar straat gekeerd, aanleunend tegen een rij struiken,  en een bescheiden gazon waarvoor de gemeentediensten nauwelijks een half uur nodig hadden het om te maaien. Een kindvriendelijke toets werd bij de aanleg niet vergeten: een klimhuisje met een glijbaan van nog geen meter hoog, en twee wiebeltuigjes in de vorm van een paddenstoel op een grote veer gemonteerd. Kortom, een klein vredig plekje, een uitnodiging om te verpozen, gewaardeerd door iedereen in de buurt. Op een frisse, regenachtige morgen in maart verscheen een man in het park. Hij zette enkele stappen op het kleine grasveld, bleef staan, bracht zijn armen achter zijn lichaam en liet zijn jas in een paar schokjes van zijn rug glijden en op de grond vallen. Hij keek er niet naar om, alsof het een stuk afgeworpen dode huid betrof. Hij droeg een blauwe jeans en een lichtkleurig hemd, netjes alledaags. Hij was helemaal niet op het vervolg gekleed, want hij nam een bijl uit een tas, gloednieuw, plantte de steel stevig in beide handpalmen en klemde alle vingers er rond. Hij ging voor een boom staan. Plots dreef hij zonder aanleiding en met een ongeziene brutale kracht de bijl in de stam. Door de slag vluchtte een duif door de takken weg. Vloekend wrikte hij de bijl los. De vezels kraakten en hingen als stroeve draden uit de stam. Hij sloeg opnieuw, en opnieuw. Er leek geen welbepaalde plaats te zijn waar hij zijn bruut geweld op richtte. Hij sloeg enkele keren op de ene plaats en beukte dan op een andere, bedacht zich opnieuw en viseerde dan weer een andere plek. In zijn allesomvattende woede kwam hij handen tekort.  Het liefst had hij de boom overal tegelijkertijd willen treffen, op eenzelfde moment. Bij elke slag was er een dof trillend geluid dat in het vochtige hout uitstierf, en harsdruppels liepen dik en langzaam langs de stam naar beneden. De man kreunde bij elke uithaal zoals tennissers op televisie plegen te doen. Af en toe schreeuwde hij iets onverstaanbaars, haalde onverwacht een paar keer vastberaden uit naar de onderzijde van de stam, ging een stap opzij en zette plots zijn zinnen dan weer op een grote tak boven zijn hoofd. Hij maakte een paar keer gekke sprongetjes terwijl hij hem te lijf ging. Het duurde een tijd voor iemand het opmerkte, maar na twintig minuten stonden er een vijftiental omstaanders toe te kijken. ‘Wat bezielt die man toch?’ zei er iemand, en vertolkte daarmee iedereens indringende vraag.  Iemand wou op de woesteling afstappen maar werd door anderen tegengehouden. ‘Niet doen, het is een gek uit die instelling verderop.'  Het was waanzin wat ze zagen. ‘Hé, wat richt jij daar uit?’, riep tenslotte iemand vanop een veilige afstand. Hij hield niet op met de bijl in het hout te drijven, leek de man eerst niet te horen, maar zonder op te kijken schreeuwde hij zichzelf tussen twee slagen schor. ‘Laat me met rust! Bemoei je met je eigen zaken!’ Het was gewoonweg ontstellend zielig, de boom werd in zijn razernij onherstelbare schade toegebracht en was nu stervende. Overal stukken bast op de grond, zichtbare, verscheurde en gapende wonden in het bleke spinhout, loof dat overal verspreid lag, takken die op gebroken armen leken. 'Hebben we misschien bomen te veel in de wereld misschien?’ werd hem opnieuw toegeschreeuwd. Hij antwoorde niet meer, speeksel liep langs zijn wang en in zijn haar, zijn hemd hing uit zijn broek, een kleed in zwijgzaamheid gehuld dat somber en gevaarlijk aanvoelde.   Iemand belde de politie. Toen twee eenheden zonder sirene en zwaailichten maar wel in kogelvrije vesten arriveerden lag de boom geveld op zijn zijde, en zag eruit alsof hij urenlang een tyfoon het hoofd had moeten bieden. Het was niet genoeg dat hij tegen de grond lag. De man hakte en houwde verder. Een agent beval hem onmiddellijk op te houden. Hij hield inderdaad even halt maar sprak vreemd genoeg de boom aan. ‘Sapstroom ? Waar ben je ? Sapstroom?’ Daarna begon hij te huilen. Het leek op het huilen van zijn prille begin als kind, wanneer zijn moeder hem voor de eerste keer naar de kleuterklas bracht. De agent keek zijn collega aan en fluisterde. ‘Compleet door het lint. Hou je klaar.’ De agent probeerde hem al pratend te bereiken en sprak hem verzachtend als een grote broer toe. ‘Zie je, je hebt hem omgehakt nu, je hebt je doel bereikt. Je bent klaar hé? Kun je die bijl een eindje van je weggooien? Dan kunnen we rustig even praten.’ Voorovergebogen keek de man de agent aan terwijl hij zwaar stond te snuiven, zijn borstkas hevig op en neer ging, de bijl rustend op zijn knie. Een splinter hout lag op zijn onderste lip. Het leek even of hij ging braken terwijl hij het tesamen met andere troep uitspuwde. Iemand zei: ‘Drugs natuurlijk’, wat op veel bijval kon rekenen. ‘De druk op de gezinnen mag je tegenwoordig ook niet onderschatten’ zei een ander. ‘Ze persen je uit als een citroen, straks werken we tot ons tachtigste.’  Maar allemaal waren ze het er over eens dat bomen onschuldige wezens waren die ’s nachts zuurstof afgaven en daarom met grenzeloos respect bejegend moesten worden. ‘En, wat denk je? Kan je mij  jouw naam zeggen?’  vroeg de agent rustig. Het enige antwoord dat volgde was een onbedaarlijk snikken dat in alle hevigheid weer toenam. ‘Man, ik zie dat je het moeilijk hebt’ zei de goed opgeleide agent. Plots, met een krachtige haal die alle vorige overtrof, dreef hij een laatste keer de bijl in de verwoeste stam en liet hem daar zitten. Vanaf dan ging het snel. Bijna ogenblikkelijk wierpen drie agenten zich op hem, spreidden armen en benen in veiligheidshouding op de grond uit en fouilleerden van boven naar beneden. Voor de nieuwtjes onder hen was het een goede praktijkoefening. Onder de wirwar van armen en benen zag je de man niet meer liggen. Hij bood geen weerstand. Je hoorde hem alleen roepen.  ‘Geen vruchten meer ! GEDAAN ! Niet groen, maar ZWART ZWART ZWART ! ‘ De politiemannen zeiden niets terwijl hun volle aandacht naar het in hechtenis nemen ging. Ze brachten zijn polsen samen op zijn zijn rug en boeiden hem. Net op dat moment kwam een fietser langs, zag de twee politiewagens en het tumult op het gras. Nadat hij door het groepje toeschouwers uitvoerig op de hoogte werd gesteld fronste hij zijn wenkbrauwen terwijl de man werd weggeleid. ‘Is dat Peter Van Hul niet?’ zei hij hoogst verwonderd. Alle ogen keken naar de man op de fiets. ‘Hoezo, ken je hem?’ ‘Natuurlijk. Peter heeft hier vlakbij gewoond. Onze kinderen zaten bij elkaar op school. Af en toe hoorde ik nog iets van hem, maar ik had onlangs liever niet vernomen dat zijn dochter Judith in een ongeval om het leven was gekomen. ‘O, maar die arme man is gek geworden! ’ viel iemand hem bij. De man op de fiets keek naar de plek en staarde naar de boom die in een deplorabele toestand op de grond lag. Hij speurde het park af en begon zich iets te herinneren. ‘Ik geloof dat…’ Hij zocht in zijn geheugen naar steunpunten. ‘Het is nog altijd geen reden om de natuur zo te vernietigen als ik het eerlijk mag zeggen’ zei een oudere vrouw. Dit keer zei niemand iets. ‘Ik geloof dat die boom daar...’ ‘Wat dan?’ Alleen wie dicht genoeg stond kon het hem horen zeggen. ‘Ze hebben die boom daar bij haar geboorte geplant.’  

Lode Van Wabeke
0 0

HUGO

Ik adem diep in, open de deur en stap de danszaal binnen. Mijn voeten draaien zich vanzelf in de eerste positie wanneer ze de vertrouwde houten balletvloer raken. Mijn rug recht zich, mijn kin gaat lichtelijk omhoog en ik wandel de zomer van het jaar tweeduizendvijf binnen. ‘Is het dansant genoeg?’ Hugo staat voor me en wipt van het ene been op het andere. Hij heeft een tutu van witte repen papier aan, met daaronder een witte onderbroek. Verder is hij naakt. Ik ben eenentwintig en ik heb er net het eerste jaar filmschool opzitten. Ik heb even lak aan alles wat kunstzinnig en cultureel verantwoord is. Vakantie is er om de ‘Elle’ te lezen en naar Madonna te luisteren. Zoals Hugo hier voor me staat, een late veertiger in wit papieren rok, weet ik niet goed hoe ik me daarbij moet voelen. ‘Snap je de intensiteit mijn choreografie? Zie je de streep poëzie in mijn bewegingen?’ vraagt hij, nu met lichte aandrang. ‘Hoe bedoel je dat net, Hugo?’ vraag ik en trek mijn ogen tot spleetjes. Ik probeer tijd te kopen, zodat ik een fatsoenlijk antwoord op zijn vraag kan bedenken. ‘Kijk,’ zegt hij, duidelijk leerkracht in het dagelijkse leven ‘dansen is een taal. De focus ligt op één lichaamsdeel, maar je hele lichaam moet volgen. Wanneer de initiatie bijvoorbeeld niet in je benen zit, kunnen zij zich toch verplaatsen om de beweging te faciliteren. Dat kan cerebraal starten, maar dan moet je het lichaam laten overnemen. Alsof je sporen nalaat, een combinatie van gevoel, lichaam en hoofd. Spanning creëren enzo.’ Ik knik, maar heb geen idee wat Hugo me net heeft willen duidelijk maken. ‘Maar de vraag is: is ze dansant genoeg, mijn choreografie?’ herhaalt hij. ‘Euh ja,’ antwoord ik met lichte twijfel. ‘Doe het anders nog eens, je dansje.’ ‘Mijn choreografie,’ verbetert Hugo me. Hij loopt parmantig naar de stereoketen en start zijn muziek: ‘Light my fire’ van The Doors. Zeven volle minuten geeft Hugo alles wat er in zijn ontblote lijf zit. Wanneer het einde nadert, verliest hij zich in een pirouette waarvan ik denk dat hij er nooit meer uit zal raken. Het heeft iets wanhopig en aandoenlijk tegelijk. De witte papieren rok scheurt en Hugo valt als de stervende zwaan op de grond. Ik hou mijn adem even in, maar voor ik hem kan helpen staat Hugo al weer op. ‘En?’ hijgt hij. ‘Ja, heel dansant,’ zeg ik vol overtuiging. Het erge is, dat ik het nog meen ook. De kwetsbare passie die ik net bij Hugo zag, hebben vreemd genoeg mijn ogen geopend. Zijn dans op zich was misschien niet geweldig, maar ik heb het gevoel dat ik recht in de ziel van deze man heb gekeken. Soms is het een kunst, om kunst te zien. Er rolt een wit pluisje over de dansvloer. Lichamen vouwen zich als zoekende kunstwerken op de zwevende parketvloer. Altijd anders, altijd mooi, altijd aandoenlijk. Het is weer tweeduizendachttien. Mijn ogen prikken en zoals elke zomer vraag ik me af of Hugo nog zou dansen.   ‘Hugo’ schreef ik deze zomer in de Zomeracademie Dworp en verscheen deze week in het online literair magazine De Vallei Nr39 op pagina 36.https://devallei.wordpress.com/  

Ans DB
0 1