Zoeken

Een bocht naar rechts, een bocht naar links

Als je door mijn raam kijkt, zie je een baan die donker kleurt onder windwolken. Regenvlagen spoelen dagen weg, maar de straat geeft niet op. Die zal er altijd blijven. Naast de klaprozen die zich verspreiden over de velden rondom. Vanuit mijn raam, zie je de weg twee bochten nemen. De eerste is naar rechts, de tweede naar links. Alsof het weet dat het fout zit, maar er niets aan kan doen. Het moet die mogelijkheden nemen, die ervaringen van beweging opzoeken. De wandelaars moeten proeven van het leven, maar ook niet al te veel. Te links of te rechts en je komt uiteindelijk op hetzelfde punt terug terecht. En een straat weet dat het leven zo niet in elkaar zit.   Na de eerste bocht naar rechts, herinneren kleurrijke paaltjes dat er een gasleiding onder de grond zit. Je kan maar beter op de baan blijven, ook al spoort de straat je aan om af en toe de zachte grond op te zoeken. Aan beide zijden van de baan is er geen voet- of fietspad. Het asfalt helt wat naar beneden en groet daar het gras. Wandelaars kunnen gerust zijn, ook al komt er een wagen aan, ze hebben steeds een plek om veilig te staan.   Tijdens mijn jeugd werd de straat ooit opengebroken. Een geraamte slingerde maar wat voort. Het gezicht verdwijnt onder voortdurend gestamp van gemeentewerkers. Na verloop van tijd komt het terug. Het slingert niet meer, het waadt door het landschap. Terug de bocht naar rechts, daarna de bocht naar links en hup, verder naar het volgende dorp. Over het kruispunt, maar daar eindigt een kleine wereld.

Simon Sileghem
0 0

Driehoek

Frank gooit zijn pen neer en kijkt door het grote raam naar buiten. De tijd verstrijkt langzaam. De velden spreiden zich voor hem uit, de bomen deinen zachtjes mee met de wind. In dit niemandsland voelt hij zich thuis, hij houdt van het desolate landschap, van de oneindige leegte die hem rustig laat betijen. Gewapend met een rugzak, een zaklamp, een veldfles gevuld met rode wijn en zijn manuscript gaat Frank de deur uit. Hij haalt zijn fiets uit de schuur en volgt het pad langs de rivier, het rimpelende water schittert in het zonlicht. Hij fietst snel, de wind schuurt langs zijn wangen en huilt in zijn oren als een roedel hongerige wolven. Plots gooit hij zijn stuur naar links, hij rijdt door het gras tot hij aan een beek komt. Hij gaat in kleermakerszit op de grond zitten. Twee eenden protesteren luidkeels tegen zijn komst, hij kijkt hen verontschuldigend aan. De mannetjeseend draait zijn glanzend groene kop soepel in zijn richting en spoort zijn gezellin aan onmiddellijk op de vlucht te slaan. Ze spreiden hun vleugels en zoeken veiligere oorden op. Frank leest voor de zoveelste keer zijn manuscript door. De stilte wordt nu slechts doorbroken door het kabbelende water van de beek. Het is tijd, langzaam kruipt hij overeind. Hij vervolgt zijn weg langs een smalle, flauw oplopende weg die het landschap in tweeën deelt. De akkers liggen er verlaten bij, het avondrood tovert hen om in een vuurzee die smeekt om geblust te worden. Hij kijkt bewonderend naar het betoverende schouwspel waarbij de schaduwen de lichtvakken langzaam uitgommen. Eindelijk vlijt het duister zich als een zacht deken over het glooiende landschap. De kerktoren vangt het laatste beetje zon. Enkele koeien kijken hem nieuwsgierig aan met hun grote, vriendelijke ogen wanneer hij komt aangestoven en een stofwolkje de zachte avondlucht instuurt. Frank is als eerste op de plaats van afspraak. Marie komt enkele minuten na hem. Zijn hart maakt een sprongetje als hij haar lange wapperende krullen in het donker ziet opdoemen. Samen wachten ze op Stijn. Frank, Stijn en Marie wonen al hun hele leven bij elkaar in de buurt. Ze delen de liefde voor hun geboortegrond en de liefde voor het geschreven woord. Als kind lazen ze alle boeken die ze in handen konden krijgen. Ze ruilden hun boeken zoals andere kinderen Panini-stickers ruilden. Eigenlijk was het onvermijdelijk dat ze ooit zelf schrijversdromen zouden koesteren. Vijf jaar geleden richtten ze onder impuls van Stijn een geheim literair genootschap op. Eén keer per maand spreken ze af in een verlaten hut die ze vele jaren geleden per toeval ontdekten. De hut ligt verscholen diep in het bos, overwoekerd door onkruid en struikgewas. Het is een enclave waar tijd en ruimte vervagen. Tijdens hun nachtelijke bijeenkomsten drinken ze wijn, praten ze over boeken en lezen ze voor uit hun werk. Ze zijn vrienden en tegelijk ook concurrenten. Ze beoordelen elkaars teksten en tillen elkaar naar een hoger niveau. Stijn is zonder twijfel de meest getalenteerde schrijver van hen drieën. Enkele belangrijke literaire tijdschriften pikten zijn werk al op en op zijn vierentwintigste staat hij op het punt zijn debuutroman uit te brengen. Stijn is een krak, hij slaagt er keer op keer in de werkelijkheid te vangen met zijn woorden, zijn beschrijvingen zijn loepzuiver en trefzeker. Frank moet het meer hebben van zijn verbeelding, de verhalen in zijn hoofd zijn als wolkjes die zich aan het hemelgewelf vermenigvuldigen, maar als hij zijn verhalen op papier probeert te krijgen, stokken zijn woorden. Hij slaagt er maar niet in uit te drukken wat hij eigenlijk wil zeggen. Frank zit vol verhalen, maar een schrijver is hij niet. Stijn is nog steeds niet komen opdagen. Marie stelt voor van start te gaan, ze bijt de spits af en leest enkele van haar nieuwe gedichten voor. Marie’s gedichten zijn als pleisters op de wonden van een onzekere twintigjarige jongen als Frank. Maar vanavond, zonder Stijn, kan hij zich moeilijk concentreren op de betekenis van haar woorden, enkel de zoete klank van haar stem dringt tot hem door. Frank zet de veldfles aan zijn lippen, hij drinkt zichzelf moed in. Hij geeft de fles door aan Marie en haalt het manuscript uit zijn rugzak. Hij kucht, haalt diep adem en begint de woorden voor te lezen aan zijn muze die loom tegen hem aanleunt. Haar knie rust onafgebroken tegen zijn bovenbeen, hij voelt de warmte van haar frêle lichaam. Zijn woorden doven uit en blijven nog even hangen in de stilte van de nacht die hen omringt. Hij kijkt Marie vragend aan. ‘Dit is het beste wat je tot nu toe geschreven hebt, het raakt me.’ ‘Dank u,’ fluistert hij.   In het karige licht zoekt hij haar ogen. De guitige glans maakt plaats voor een ernstige, donkere blik, vol verlangen, en vol spijt voor wat onvermijdelijk komt. Zijn lippen raken de hare, eindelijk, hij proeft de rode wijn en laat al zijn twijfels varen. Haar lippen zijn mooi en vol, haar kussen zacht en vurig. De nacht loopt ten einde als hij terug naar huis fietst, de zon komt op aan de einder. Hij fietst snel, hij wil thuis zijn voor zijn ouders ontwaken, hij probeert niet aan Stijn te denken.    Hij sluipt naar binnen en voor hij zich op bed neerploft kijkt hij door het grote raam, de velden zijn onaangeroerd, de vogels laten zich rusteloos meedrijven met de wind. Frank slikt zijn schuldgevoelens weg en speurt met kleine oogjes naar nieuwe kansen en onbegrensde mogelijkheden.

Ine Moreels
4 1

Het mythologisch verbond tegen het ongecontroleerd zot worden

Ringg, ringg...   'Goeiemorgen! Met het mythologisch verbond tegen het ongecontroleerd zot worden!' 'Ik word zot, ik zie het niet meer zitten!' 'Rustig aan meneer! Eerst en vooral voor de goede orde, moet U mij herhalen, anders mogen wij U niet helpen van het syndicaat!' 'Zeg mij na; Ik word zot, ik herhaal en corrigeer; Ik word ongecontroleerd zot!' 'Ik word zot, ik herhaal en corrigeer; Ik word ongecontroleerd zot!' 'Goed, goed, goed...zeg het eens, wat kan ik voor U betekenen?' 'Wel, ik schrijf me hier zot, hoe meer ik schrijf hoe zotter ik wordt en...' 'Ja, ik hoor het al, een geval van individu hysterie, bij gebrek aan massa!' 'Zeg eens A meneer!' 'A..Aan..hangsel!' 'Ja, ja overduidelijk, zeg eens B!' 'B..Bes..chrijvend!' 'Hmm, ik ben bijna zeker! Zeg eens N!' 'N..NO..Noteren!' 'Juist, juist, meneer schrijft al met twee handen tegelijk zeker!' 'Eh, beh, ja, hoe weet U dat? 'Wij kennen onze pappenheimers meneer!' 'Het is hier een geval van tekort aan dopamines, tekort aan adrenaline als gevolg van een gebrek aan succes!' 'U kunt zichzelf al helpen door één arm af te binden!" 'Denkt U?' ' Vrijwel en geheel zeker, ja! Hebt U al een verzekering tegen gecontroleerd zot worden? Nee, dan kunnen wij U d'r wel één aan de hand doen.' 'Wel, euhh..' 'Kijk, wij hebben een mooie oplossing voor U. U gaat naar een voetbalwedstrijd, liefst zo grootschalig mogelijk, een internationale wedstrijd als het even mogelijk is! U neemt uw schrijfmateriaal mee en zorgt dat uw verhaal af is als er een doelpunt gemaakt wordt. Vergewis U ervan dat de bal inderdaad het doel ingaat, bij het net missen zijn de gevolgen niet te overzien. In zo'n geval dekt de verzekering de schade niet!' 'Ok, ok en wat dan?' 'Wel, zorgt U ervoor, dat U vrije toegang hebt tot het spelersveld, dat uw verhaal af is voor de commotie uitbreekt. Als het doel gemaakt wordt, rent U met uw afgewerkt verhaal het spelersveld op. Zorgt u ervoor dat U uw verhaal hoog in de lucht steekt en U maakt juichende gesticuleringen.' 'Succes verzekerd!' ' Het hooliganisme zal uitbreken, men zal U hoog in de lucht gooien, alsook uw armen breken. Een tweede neveneffect waar we op uit zijn!' 'Hoezo?' 'Wel, men moet van zijn successen genieten, van zijn roem genieten zolang die duurt, maar wij weten hoe moeilijk dat is voor beginnende schrijvers, dus zorgen wij er liever voor dat de schrijver een wijl schrijfonbekwaam is!' 'Hmm, denkt U, misschien het overwegen waard?' 'Ons verbond biedt garantie en kwaliteit meneer!' 'Vergeet U niet uw bijdrage te storten! Houdt U wel in gedachte dat U enkel verzekerd bent in geval van gecontroleerd zot zijn!' 'In geval van twijfel kunt U Thor raadplegen, bedenkt U wel dat Thor bijzonder klopgraag is!' 'Dag meneer en veel succes!'  

Manuel Van den Fonteyne
19 1

Verbondenheid in de ziekenhuiskamer

De vrouw naast mij op de kamer was 71 jaar oud. Ze was bang en had pijn. De dokters bevestigden twintig nietjes in haar onderrug. En wanneer ze pijn had, deed het deugd om te praten. Ze vroeg of ze met mij kon praten. Ik had daar absoluut geen probleem mee. Want ik kon ook best wel wat afleiding gebruiken.   We waren allebei geopereerd door dezelfde dokter. Alleen kon ik al na een nacht terug uit bed en zij niet. De eerste nacht was voor beiden de moeilijkste. Ik hoorde haar soms huilen in haar bed. Ze schaamde zich en ik vertelde haar dat het niet hoefde.   Het gordijn tussen onze beide kamerdelen was gesloten voor de nachtrust. Dat had de verpleegster gedaan. Toen het ochtend was, vroeg ze me of ik al wakker was. "Ik moet je iets vertellen" zei ze. "En je zal waarschijnlijk lachen maar dat geeft niet." Ik schoof het gordijn opzij en beloofde plechtig om niet te lachen.   "Ik kan niet slapen als ik niet heb gebeden. Ik heb gisterenavond voor iedereen die het nodig heeft gebeden. Ook voor u zodat je snel terug voor je kinderen kan zorgen." Haar gebaar ontroerde me. Ik vertelde haar dat ik nooit met zoiets zou lachen want dat ik die avond ook had gebeden. En ook voor haar, dat ze niet teveel pijn zou hebben die nacht. Het was mooi om in die kamer te liggen met haar. Geloof komt in de media en het dagelijks leven vaak voor als iets wat ons uiteen drijft. Maar daar, die negende februari in die ziekenhuiskamer, zorgde het voor verbondenheid tussen ons. Tussen jong en oud, twee tot voor kort onbekenden. Iets wat me, ondanks de pijn, heel dankbaar stemde.

Alice Bremt
0 0

Het kapsalon

Al jaren kom ik in dit kapsalon. Hier blijft alles hetzelfde, behalve de hoofden van mensen. Dat klinkt gewichtig maar er vindt geen wezenlijk verschil plaats. Het meubilair staat sinds eeuwig. Je ziet het als je de zonnebloemen op de sofa echt bekijkt. Twee van hen verbleekt, net iets meer dan de anderen. Een ironische speling van de zon die elke dag rond een uur of twee langs het raam binnen breekt. Ik wil die sofa verschuiven. Het voelt oneerlijk ten opzichte van die bloempjes. ‘Kappen want ik ga je knippen’ zou ze zeggen. Dus ik laat het. Wens ik thee of koffie. Ach, wat ik apprecieer ik haar consistentie. Het werd nooit koffie en ik breng mijn eigen builtje mee. Ik heb erover gedacht, dat wel. Enkel om die kersenrode lippen van haar een welgevormd o’tje van verbazing te zien maken. Maar ze weet wat cafeïne met me doet. Ik maak het haar niet wijs. ‘Mijn nek wordt het wel eens beu om dit hoofd recht te houden’. Woorden ontglippen mijn lippen en ze kijkt me aan, hoofdschuddend alsof zij weet hoe dat dan voelt. Ik mag het daar in laten vallen, gebaren die kleine handen van haar. Het uitspreken zou misschien te zwaar wegen, voor haar en voor mij. Je hoofd is vrij van zorgen terwijl iemand het voor je wast. Je zou het kunnen proberen, je druk maken terwijl het gebeurt. Maar dat lukt je niet. Er is alleen warm water, de geur van een goddelijke zeep die jij zelf nergens kan vinden en vingers die de liefde bedrijven met je schedel. Als je erin slaagt je ergens druk om te maken, dan dien je een nieuwe kapper te vinden. Ik beeld me in dat een hond zich net zo voelt wanneer hij uit het water komt, heerlijk vermoeid van zijn zwempartij. Hij absorbeert de liefde van zijn baasje die hem in een grote handdoek omarmt, terwijl hij trots de stok tussen zijn tanden klemt. Toch is dit anders, zij bezit me niet. Ik hou niet van het deel waarbij ik naar mezelf staar in de spiegel. Gisteren heb ik erom gebeden. Dat ze het dit keer niet zou vragen. Oh, ik had grootse ideeën over gebeden maar er sneuvelden er teveel tussen een ver verleden en vandaag. Dus. ‘Ja Shirley, hetzelfde als altijd.’  Ik zag haar niet eerder twijfelen met die schaar, al zou ik zweren dat er nu meer haar staat dan de vorige keer. Ik denk dat ze weet wie mij bezit. Ik kan nu enkel maar wachten. Hier in dit spiegelbeeld waar zij mijn blik ontwijkt. Tot ze zal doen wat ze allen doen. Trachten te verzachten. Vreemd genoeg lijken ze het allemaal te weten. Je zou denken dat ze geheime vergaderingen bijwoonden waarop ik niet uitgenodigd werd. Het moet daar zijn dat ze het leerden. Dat het prima is om los te laten. Dat mijn arme lijf zo’n moedige strijd leverde. En over de rust die ik wel verdien, nu. Het is een kwestie van seconden tot die woorden uit haar strot omhoog kruipen en zich nog een keer doorheen mijn vermoeide lijf tot recht in mijn ziel krassen. Misschien moet iemand het een keer opnemen voor de stervenden onder ons. Niet iedereen wil roesten. We willen het gevecht niet staken. Bedenk het alternatief! Maar ik wil niet stoppen. Ik moet dit gewaad dat de dood me heeft opgedrongen van mijn vel scheuren. Weglopen wil ik, zoals ik van zoveel dingen eerder deed maar. De dood zet door in mijn lijf. Er is niets wat ik nog kan doen dan gebaren dat ik er vrede mee heb. Dus wij, de stervenden, wij houden onze monden dicht. Om de gemoedsrust van de levenden niet te verstoren. Het is een ongeschreven regel, dat wij kalm blijven om geen angst te zaaien in de hoofden van hen wiens beurt nog moet komen. Voor de allerlaatste keer kijk ik toe hoe mijn plukjes dons op de vloer van Shirley’s kapsalon neerdwarrelen. Ze is niet zo’n prater. Ik hoop dat ze die kwaliteit mag behouden. Het zijn haar ogen die het dan toch fluisteren. Terwijl ze mijn lichaam observeren lezen ze welverdiende rust. Kappen, Shirley. Hier wordt alleen geknipt.  

Charlie Claes
0 0

Burenruzie

Goeiemorgen, Katrien.Goeiemorgen, Hugo. Stuurs bleven ze voor zich uit kijken. Hij stapte in zijn auto, zij reed weg op haar fiets.Vroeger was hun goeiemorgen hartelijk geweest. Ze hadden de tijd genomen om eenbabbeltje met elkaar te doen. Zelfs wanneer ze maar vijf minuten hadden, bleven ze minstens een kwartier met elkaar kletsen. Beter een goede buur dan een verre vriend, maar nog beter is het wanneer je beste vriend naast je woont, zeiden ze vaak lachend.  Dat was vroeger, vóór de fietsostrade. Toen de provincie aankondigde dat ze een fietsostrade door hun straat zouden trekken, had Hugo meteen een actiegroep opgericht. Natuurlijk had hij eerst bij zijn lieve buur Katrien aangebeld. Groot was zijn verbazing toen ze enthousiast bleek over de geplande fietsostrade. 'Hugo, je snapt dat toch, ik zou elke dag tien minuten vroeger op mijn werk zijn.' 'Maar Katrien, mijn tuintje ...' Hugo zijn volkstuintje zou er inderdaad aan moeten geloven, daar had ze wel al aan gedacht.    Het werd een verhitte discussie. Zij had hem NIMBY genoemd. Hij had haar apathisch en asociaal genoemd. Ze hadden meteen spijt van hun woorden, maar waren allebei te koppig om zich te excuseren. Hoe meer jaren er verstreken, hoe moeilijker het werd om hun fout toe te geven. Elke keer hij haar zag vertrekken op haar fiets verweet hij haar dat ze niet met hem op de barricaden had gestaan. Zij verweet hem dat hij hun vriendschap op het spel had gezet voor een fietsostrade waar hij toch niets tegen kon beginnen. Wat ze elkaar en zichzelf nog het meeste verweten was de verloren vriendschap. Ze miste hem, haar lieve buurman die elke week langskwam met een emmer verse soep van de groenten uit zijn tuin. Hij miste haar, zijn lieve buurvrouw, die honderduit kon vertellen over wat ze beleefde op haar werk en die altijd goede boekentips had. Die avond kwamen ze op hetzelfde moment terug thuis.  Ze zag hem uit zijn auto stappen en vroeg zich af: 'zou ik het hem zeggen, dat er een volkstuintje vrij is op 500 meter hiervandaan?'  Maar ze zei het niet.  Hij zag van haar fiets afstappen en dacht: 'zou ik het haar vertellen, dat ik van werk verander binnenkort, en nu ook elke dag over de fietsostrade zal fietsen? Misschien kunnen we zelfs samen fietsen.'  Maar hij zei het niet.   Stuurs wandelden ze elk naar hun eigen voordeur zonder elkaar aan te kijken. Goeienavond, Hugo.Goeienavond, Katrien.

Sofie Strubbe
35 1

Rhythm 0

(Bij Rhythm 0 van Marina Abramovic) Hier sta ik. Ze kijken me aan. Verbaasd. Lachend. Onverschillig. Eentje komt dichterbij. Hij ademt in mijn gezicht. Verschraalde koffie en een sigaret. Zo rook de adem van mijn moeder ook. Het is een stank die me nostalgisch maakt. Mijn moeder. Hoe komt het dat ik nu aan mijn moeder moet denken? Ze zei dat ik gek was. Ze had misschien gelijk, maar niet gekker dan zij was. Hij raakt me niet aan. Staat daar alleen maar in mijn gezicht te ademen. De anderen kijken. Onwennig. Hij buigt voorover en kust me, pal op mijn lippen, met die vreselijke adem van hem. Ik voel dingen. Nostalgie is een gevoel. Afkeer van deze man is een gevoel. Mijn blijdschap over het voelen zelf is een gevoel. Ik voel meer dan ik het afgelopen jaar gevoeld heb. Sinds het ongeval heb ik niets gevoeld en niets gedacht. Daarom sta ik hier. En om een punt te maken. De mens is een wreed wezen. Je zal zien hoe wreed de mens is, het zal niet lang duren. Haat is een gevoel.   Hij loopt naar de tafel, monstert de voorwerpen die erop liggen en kiest de veer uit. Hij komt terug en steekt de veer in mijn haar. Onschuldig, nu nog. Een andere man komt dichterbij. Hij tilt mijn armen op en slaat ze met kracht tegen mijn lijf. Het begint al. Sneller dan ik dacht. Hij neemt de veer uit mijn haar en streelt mijn hals, mijn schouders, mijn borsten. De veer valt. Hij grijpt mijn borsten met beide handen vast en knijpt er zachtjes in. Dan loopt hij terug naar de anderen. Ik sta hier tien minuten en ze zijn al vergeten dat ik een mens ben. De mens is een wreed wezen. Nu komen ze met meer. Twee vrouwen en één man blijven bij de tafel staan. Ze bekijken de voorwerpen die erop liggen. De man neemt een roos en reikt me die aan. Ik blijf bewegingsloos staan. Hij neemt mijn hand vast en vouwt mijn vingers behoedzaam om de steel van de roos heen. Hij kijkt naar me, knippert met zijn ogen en klemt daarna mijn hand met de roos vast met zijn beide handen. De doornen prikken. Pijn is een gevoel.   Bruut trekt hij de roos tussen mijn vingers vandaan. Hij gooit ze op de grond, trapt erop en slaat vervolgens met vlakke hand in mijn gezicht. De mens is een wreed wezen. De mens is een wezen dat een kind doodrijdt en niet achterom kijkt. De twee vrouwen beginnen mijn kleren van mijn lijf te rukken. Ach, ze mogen het hebben, mijn lijf, mijn kleren, alles. Zouden ze moeders zijn? Hij was zo schoon, mijn kind. Een engeltje, met zijn dikke billen, blonde krullen en grote blauwe ogen. Te schoon voor deze wereld misschien. Nog een andere vrouw raapt de roos van de grond op en begint de doornen in mijn armen te prikken. Kleine, rode druppels wellen uit mijn armen op. De geur van het bloed doet hen nu ook vergeten dat zij mensen zijn. Plots gaat het snel. Terwijl een man met scheermesjes een tekening maakt op mijn rug, hoor ik het laden van het pistool. Eén van de vrouwen komt naast me staan, zet het pistool tegen mijn hoofd en legt mijn eigen vinger op de trekker. Ik ben niet bang. Doe het dan, denk ik. Dood willen is een gevoel.   Een man duwt de arm met het pistool weg en begint te schreeuwen. Hij trekt het pistool uit de hand van de vrouw en gooit het door het open raam naar buiten. Teleurstelling. Dat is ook een gevoel.

Sofie Strubbe
102 0

n°7

De Stormhamer dobberde over de golf waar hij niet volledig doorheen kon beuken. Een witte spat steeg op rond de boeg, die zich in een plotse heuvel boorde en werd opgetild. Het water verliet het geval via de spuigaten. Water had zich het dek toegeëigend. Als een halfduikboot.   Hij had zijn maag voor het laatst gezien bij de vlakke zee. Hij had ze achtergelaten bij de eerste golf van drie meter. Sommige van hen waren in hun bed gekropen in hun opgeroerde hut uit pure ellende. Alleen hij stond daar voor zijn helmwiel, voeten op de grond genageld onderaan zijn weide geknikte benen. Blik geblokkeerd op de afwezigheid van de horizon, steeds gekluisterd aan de volgende siddering. Hij stuurde de boot kundig tussen die grillen van haar.Hij mikte zijn hoofd met regelmaat zo nauwkeurig mogelijk boven de ijzeren emmer. De inhoud stopte niet met klotsen nadat die zijn opstandige buik had verlaten. Ze was vertoornd, hij wist niet waarom, alleen dat ze zijn mannen niet zou nemen. Zijn baard was diepgrijs, met een lichte pluk onder elke mondhoek op zijn stevige kin. Onder de baard lag de wolkleurige kol van een dikke trui. Er zaten druppels in zijn baard, hij negeerde de zuurte achter in zijn keel. Naast zijn indringende ogen lagen diepgroevige kraaienpotjes. Zijn wenkbrauwen zagen er zwaar uit, hoe ze breed over zijn oogleden schaduwden.De kapitein gromde luid. Bij een volgende opwelling viel zijn muts net voorbij de emmer.Een volgend gevaar rolde verraderlijk gemoedelijk over het diepe blauw. Rolf kuste een hanger stevig in zijn hand. Zijn peppillen verdrongen de donkere iris bijna volledig. Het was geen water waar hij tegen opkeek, het was de structuur van de dood zelf. Deze was tien meter hoog, de Stromhamer werd opgetild maar daalde niet meer. Hij dreef in de lucht verder waar de golf eindigde. Een wolk voer voorbij. Bakboord. Rolf ontspande, zijn voeten braken vrij. Zijn schouders ontspanden. Volledig kalm draaide hij zich om, knipperde langzaam. Hij klom de smalle ladder af achterin de stuurhut en werd zacht op het bed neergelegd. Hij zonk langzaam weg.

Erte
0 0