Zoeken

Het mijmermonster in overdrive

Thuisblijven staat niet in mijn lange lijst van hobby’s. Enkele uren Oostwaarts van thuisfront anker ik met mijn vertrouwde busje. Volledig in mijmermodus. Zoals dat vooral kan wanneer je je uit je vertrouwde omgeving waagt. Of wanneer je ‘gewoon’ tijd hebt. De combinatie hiervan maakt dat mijn mijmermonster met vrije teugel kan grazen, springen en dansen, niet zelden in overdrive. Heerlijk is dit! En dat beseft deze geluksvogel maar al te goed.    Anders dan toen ik lang, lang geleden in de renbaan van negen tot vijf liep, speelt mijn leven zich niet meer af in blokjes ‘werkdagen’ en ‘weekends’. Standaard veel te weinig onderbroken door het veel te korte blokje ‘vakantie’. Deze blokken zijn consequent ingeruild door periodes van ‘reizen’, ‘onderweg zijn’, wanneer nodig onderbroken door korte blokjes ‘thuiskomen’. Wat maakt dat mijn leven voelt als een aaneenschakeling van kleine verhaaltjes. Short stories als het ware.   Het huidige kortverhaal zich af ter hoogte van 52° 31.8' N 13° 25.2' O, beter bekend als Berlijn. Waar het hoofdpersonage uren kan verdwalen in de Allee’s tussen immense platanen en statige gebouwen die de grootsheid van deze miljoenenstad alle eer aandoen. Tussen stoere coffeebars en oase achtige parken, tussen hipsters en junkies. Zoals steeds bijgestaan door partner in crime Mila, die kwispelend geniet van de verscheidenheid aan geuren en honden. Minstens even blij, loopt het baasje er bijna kwispelend naast. Met de haviksneus speurend naar LT35’s, Transporters en 508’s en de glimlach nét onder controle. Yep, Berlijn is het Walhalla voor iedereen wiens hart sneller gaat slaan van busjes. En voor fashion-, food-, party-, design-, tattoo- en andere freaks ook natuurlijk.   In deze setting voel ik me meteen een ware Pipi Langkous met een snuifje Alice in Wonderland. Blij als een klein kind sta ik elke paar straten oog in oog met wéér een te stoere bus. Het kost me minimale moeite me in te beelden er in te wonen. Meteen zie ik me er Oost- West- Zuid- Noord-Europa mee doorkruisen. Mijn hart zingt, mijn ziel danst. Ik voel me zo gelukkig als een voetfetisjist die in het zwembad onder de kleedhokjes doorkijkt, bij het zien van zoveel naakte voeten. Me like. De busjes. Niet de voeten(fetisjist).   Mijn mijmerpaard staat scherp. Scherp als het lemmet van mijn trouwe Opinelvriend in mijn handtas. Zoals altijd benieuwd naar de verschillen met Tzie Germans, vraag ik er op los. Statiegeld in plaats van vuilzakken? Cool. Honden niet verplicht aan de leiband. Wunderbar! Wildkamperen getolereerd? Ganz toll!   Mijn traditioneelonproductieve geest gaat zich te buiten aan de rijkdom van creativiteit en de oneindigheid van mogelijkheden die mijn oogjes waarnemen in Berlijn. De kracht van het potentieel. Mijn brein -dat ook wel een ideeënshop voor toekomstige ondernemers zou kunnen zijn- snoept van de overal aanwezige creativiteit.   Wat maakt dat ook hier, mijn hersenactiviteit relatief hoog te noemen valt. Een rustvakantie voor mijn actieve brein is dan ook niet aan de orde, waar ik stiekem blij om ben. Ik voel me namelijk als een roodvleugelvis in het water wanneer ik wandel door het rijk der zinnen, met mijn hoofd zwemmend in toekomstvisioenen. Want zo noem ik het af en toe wel eens, die ideeënstroom...   Maar, hoe heerlijk rondslenteren in de stad ook is dankzij al deze mijmeruitnodigingen, het voelt als een aperitiefhapje. Lekker, dat zeker, maar doet vooral dienst als smaakmaker en voorbereiding om meer van Duitsland te ontdekken. Yep, de natuur!   En hiervoor heb ik mijn andere Partner in Crime: Hannes. We laten de stad en zijn fashion-, food-, party-, design-, tattoocultuur voor wat ze zijn en verliezen onszelf in de natuurcultuur. Kwestie van mijn cultuurbarbarisme -waar ik af en toe van beschuldigd wordt- zo laag mogelijk te houden, stort ik me zonder al te veel tegengespartel in de FKK; Voor de (andere) cultuurbarbaren onder ons: FreiKörperKultur. Een stroming in Duitsland die is ontstaan aan het begin van de 20e eeuw. Het kan gezien worden als het begin van het moderne naturisme, zeg maar. Samen wat natuurcultuur opdoen met deze (voor mij) exotische paradijsvogel, er zijn slechtere manieren om je kostbare nooit meer terugkerende jeugdige tijd mee te verdoen.   Ook hier is het moeilijk om niét te dromen van treehouses, zelfvoorzienend wonen en eindeloze dagen aan het meer en in het bos. Al dan niet in Adam en Eva kostuum. Niet zelden herinner ik mezelf er aan  slechts een half uur verwijderd te zijn van daar waar de wereld gewoon doordraait. En wel aan het tempo dat de meesten van ons zo gewend zijn.  Waarom voelt dit bostempo dan zo natuurlijk? Zelfs na 111 keer al dan niet luidop afvragen, komt er geen antwoord dat toereikend is voor mijn –op dit vlak- kritische geest.   In afwachting van een antwoord dat wél toereikend is, beslis ik om gewoon lekker te blijven dromen. Omdat het kan.   Maar wat met al deze dromen? De dromers onder ons weten echter dat de bijhorende valkuil te zoeken valt in het niet tot in actie brengen van (één van) deze dromen en idee-aanbiedingen. Je hoeft geen SWOT analyse te maken om te beseffen dat je niet alles kan hebben, right? Misschien ontmoet je wel net daarom een exotische paradijsvogel die stevig met zijn voeten op de grond staat. Yin Yang. Zodat dromers kunnen blijven verder mijmeren. Het zou maar zonde zijn om een racepaard op stal te houden, toch?    

angelique
0 0

De Dageraad

De oever van de rivier is haar even dierbaar bij dauw en dageraad als in de furie van onweer. Het rimpelloze water van de rivier weerspiegelt de eerste stralen zonlicht die verschijnen achter de bomen. Dit is al sinds haar kindertijd haar favoriete plek. Ze houdt van het licht, in welke vorm dan ook. Ze komt hier telkens wanneer ze snakt naar stilte.   Ze vindt zichzelf terug op deze plek, ontmoet er steeds opnieuw het meisje dat ze vroeger was. Het meisje dat verliefd werd op de verkeerde jongen, dat hem toeliet om haar te breken. Keer op keer komt ze terug naar hier, waar de wind haar tranen droogt en de zon haar kneuzingen verzacht.   Vandaag is het licht anders dan anders. Onwerelds – fragiel en tegelijkertijd onverwoestbaar. Het brandt zich een weg door haar bonzende hoofd. Toch kan ze haar ogen niet afwenden.   Haar ene oog is zodanig opgezwollen dat ze er niets door kan zien. Als een bloem die de zon volgt, wendt Marie haar gezicht naar de opkomende zon, hopend dat die kou kan verjagen die zich in haar botten genesteld heeft – de angst voor hem.   De geur van bedauwd gras stijgt op van onder haar voeten en brengt een glimlach op haar gebarsten lippen. Het ruikt schoon en fris, niet zoals de alcohol op Seppes adem.   Ze sluit haar goede oog, maar kan de herinneringen aan hem niet verjagen. Zijn vertrokken gezicht terwijl hij tegen haar schreeuwt. Leer jij nou nooit bij? De tranen die opwellen in zijn ogen terwijl hij aan haar voeten knielt en haar hand kust. Zijn zachte gefluister. Het spijt me zo, liefje. Het spijt me zo erg. Zijn bruine ogen die in de hare kijken, terwijl hij zachtjes haar gezicht in zijn handen neemt en haar kapotte lippen kust.   Maar dit is noch de tijd, noch de plaats voor die herinneringen. De zon brandt de kilte uit haar pijnlijke lichaam. Ze glimlacht en de snee in haar lip begint opnieuw te bloeden. Het prikt, maar de pijn doet er niet toe.   Ze wandelt langs de rivier, in de richting van de opkomende zon en de kleuren van de dageraad die de hemel in vuur en vlam zetten.   Haar voet glijdt weg in het natte gras en ze valt. Scherpe pijn boort zich in haar schedel en het bonzen in haar hoofd neemt toe. Ze is echter een meester in het negeren van haar kwetsuren. Zonder aandacht te besteden aan de duizeligheid die zich van haar meester maakt, staat ze op en loopt verder. Met elke stap door de kristalheldere ochtend, verdwijnt de pijn langzaamaan in het niets.   Een glimlach trekt aan haar lippen bij de gedachte aan oudere herinneringen. Herinneringen aan een andere Seppe. Een attente, romantische man met ogen die haar konden doen smelten – die haar knieën konden doen knikken met niets meer dan de voorbode van een kus.   Ze werd de zijne in dat ene, magische moment waarin de nabijheid van zijn lippen brandde op de hare, intiemer dan eender welke aanraking.   Ze was de zijne in de jaren die volgden. Jaren van vuistslagen, gevolgd door tranen van spijt. Zijn beloftes werden steeds opnieuw gevolgd door meer vuistslagen.   De wereld draait om zijn as wanneer ze een tweede maal struikelt en valt. Alles wordt zwart.   Ze opent haar ogen weer en de pijn is verdwenen. Wanneer ze nogmaals opstaat is het met meer gratie dan ze ooit heeft bezeten. Ze kijkt niet om naar het gebroken lichaam dat ze achterlaat. Een gekneusd gezicht staart in het niets, een glimlach op de gebarsten lippen.   Na jaren van pijn is ze niet langer de zijne. Ze laat hem achter en loopt naar het zonlicht toe.   Ze wordt lichter en lichter, alsof het licht haar optilt.   Niet bij machte om aan de roep te weerstaan, rent ze voorwaarts, de dageraad in.

Jasmine Arch
0 0
Tip

Oma

Mijn oma heeft een rode Citroën. Ze appt me of ik thuis ben. Niet of ik tijd heb.          “Heb je zoetjes?” Vraagt ze.         “Anders heb ik ze zelf ook wel in mijn tas.”   Mijn oma neemt nooit zomaar iets aan. Mijn opa vaak haar jas.         “De wereld is daadwerkelijk rond!” Zeiden de astronauten van de Apollo 8. 1968. Ze konden iedereen zien van bovenaf.         “We zijn maar tijdelijk op deze bol. We zitten samen in hetzelfde schuitje.” Zei de verslaggever. Mijn oma zat met statische haren voor de TV.         “Vrouwen willen te veel!” Stond er de dag daarna in de krant. Mijn oma sloeg hem dicht. Ze haalde haar rijbewijs en reed het pad af. Haar moeder wist niet waar ze moest kijken.   Ik heb in het buitenland gewoond. Ik had een vriend, kat, ligbad en balkon. Ik ging altijd op de fiets. Ik vroeg niemand om geld, voor een rijbewijs bijvoorbeeld.         “Maar het is meer vanuit ecologisch aspect”, zei ik.         “We zijn maar tijdelijk op deze bol.”         “Vrouwen weten niet wat ze willen!” Stond er op  social media. Ik bleef lezen.   Toen ik ziek werd, moest ik dat zomaar aannemen. Ik schudde de dokters lachend de hand. Ik maakte dat zelf wel uit. Mijn vriend daarna ook, met mij. Ik maakte mijn studie niet af en mijn spaargeld op.    Ik doe het zoetje in de thee. Oma legt vijfhonderd euro op de keukentafel van mijn ouders.         “Dit is een begin”, zegt ze. “Voor je rijbewijs.” Ik moet huilen.         “Ik heb het altijd heel goed gehad.”         “Ik ook”, zeg ik. Ik wil in haar hand knijpen.         “Dus” - zegt ze, ik heb niets gevraagd  - “dan kan je zelf bepalen wanneer je weer gaat.”   En vastberaden rijdt ze het pad af.

Julia Dobber
75 0

ANNA.

“De koekoeksklok, houden of niet?” “Doe maar weg, iedereen vond die lelijk, zelfs zij.” Ze was zeker dat Sam nu met opgetrokken wenkbrauwen naar haar keek. Regen leek onregelmatig in een metalen pot te druppelen, het geluid van de oplichtende tl­lampen. “Geef m’n gsm even.” Sam schoof de gsm na een paar pogingen in haar handen. “Geen signaal.” De gsm bleef dit herhalen terwijl Anna met babystapjes door de woonkamer manoeuvreerde.  “Wat bezielde haar om in deze godvergeten plek in te trekken.” “Anna, je weet dat ze van deze plek hield.” Hij snoof stofdeeltjes binnen. In haar gedachten zweefden de deeltjes in een hevige straal zonlicht. “Ook toen ze hier helemaal alleen stikte in haar eigen bloed?” Enkel een ademhaling. “Anna.” Zijn stem was doordrenkt met medelijden voor die vrouw.  “Ik ga in bad.” Bij elke stap die ze nam ratelde het hele huis. Als een ronkende kat, rollend in het gras met zijn snoetje richting de zon. Mooie vacht, prachtig langs de buitenkant. Minder mooi langs de binnenkant eens opengereten onder de banden van een auto. Ze porde telkens tegen wat een muur leek om vervolgens met haar vinger in een leegte te priemen. Een beschimmelde, vochtige geur kronkelde in de lucht. Alsof de natte badkamer jaren ineen gepropt in een hoek heeft zitten wegkwijnen om vervolgens naar adem snakkend en in paniek in Anna’s gezicht te schoppen. Ze tastte herhaaldelijk naar de badkraan die ze na een paar pogingen met moeite beetnam. Voor ze hier als tiener vertrok was het bad altijd al gevuld. Toen moest ze altijd in het ijskoude water gaan liggen. Elke kleine beweging in het water voelde alsof haar huid langs een rasp werd geschuurd. Ze probeerde zichzelf voor te stellen: een gebogen hoofd, starend in het water naar een reflectie die ze niet kon zien. Nu krulde warme damp dansend om haar heen. Deur dicht, kleren uit, bad in. De snelle pijn.  Druppels vielen ritmisch in het water nochtans lekte de kraan niet. Ze zakte steeds dieper het water in. Schouders, hals, lippen. Haar hoofd was ondergedompeld in het water. Binnensmonds telde ze tot tweeënveertig. De longen leken te verschroeien, de cellen in haar lichaam riepen in koor om zuurstof. Niet luid genoeg, ze moesten schreeuwen, gillen, krijsen. Ze wierp zichzelf recht en bleef naakt in het bad rechtstaan. Een stem aan de ander kant van de deur. “Ik ga eten halen. We moeten nog heel wat van haar spullen sorteren. Zorg dat Boxy niet naar buiten loopt.” Ze sloeg haar armen om zich heen. Hij zei geen woord, maar ze voelde zijn aanwezigheid. Zijn tentakels strekten zich naar haar uit, terwijl hij opgewonden in haar nek stond te hijgen. Hij ketste met zijn zweephand in de badkamer alsof hij die in twee probeerde te hakken. “Zus?” Hij had onmiddellijk spijt dat hij dit woord net uitsprak. “Anna?” “Ja, is goed. Ik blijf wel hier.” “Zeker?” Ze liet de krakende boiler de stilte vullen. Zijn voetstappen klonken steeds verder weg, lieten een groen slijmspoor na. Eens uit bad tuurde ze naar de spiegel. Haar handen gleden in schokjes over haar schouders, na een dal over een heuvel dat haar sleutelbeen was, verder over haar borsten, een vlakke autostrade, tot ze tot stilstand kwamen op het uitstekende bot van haar heupen. Een doodlopende straat. Maar blijkbaar niet voor iedereen. Onbedekt strompelde ze naar de keuken. Haar vingers volgden de groeven in het houten aanrecht als een naald in een vinylplaat. Dit tot die naald op een obstakel stuitte. De vorm van een pen. Ze rolde het tussen haar handpalmen. Een zachte structuur, een verend kussen. Een groene geur broeide in de keuken. Haar andere hand raakte een klein, rechthoekig bakje. Er leek een vloeistof in te zitten. Even later zat de brandende balpen tussen haar lippen terwijl de groene geur recht voor haar gezicht pulseerde.  Steeds heviger, des te waziger.  Overal lichtten kleine, groene lichtbolletjes op, telkens op een ander moment.  Soms was er een paars­blauw­rood­geflikker vermengd met een hoge piep door merg en been. Dan vormden zich kleine en afzonderlijke, fonkelende riviertjes die in slierten om haar heen zweefden als de geruststellende aanwezigheid van een moeder. Dat gevoel kon ze vroeger enkel strelen, maar ze had er nooit een vat op.  Alsof ze stomdronken een Van Gogh bewonderde. Eén van de riviertjes leek een vorm aan te nemen en snuffelde met een natte snoet aan haar tenen. De groene bolletjes bonsden als een hart rond haar blauwe, opgezwollen enkels.  Eerst streelden de lichtjes zacht. Dan krabden ze behoedzaam als een kind, steeds achterom kijkend uit de angst betrapt te worden met een snoepje. Tot ze uiteindelijk op haar inbeukten alsof ze een stug stuk vlees was. De bollen werden rood en verzwolgen haar als een stuk brandhout, een smeltende speelpop.  Uit gewoonte bleef ze staan. Haar ogen voelden nat en wak. In de deuropening rolden de bollen op als een tentakel. Eerst likte het de lucht om er vervolgens met een zweepslag in te knallen. Hij schuifelde traag dichterbij, zelfzeker dat Anna niet zou weglopen. Het hart bonsde als een galopperend paard. Ze was Anna niet meer.  Botsend op alle mogelijke hoeken en kantjes in het huis rende ze de pulserende keuken uit tot ze buiten stond. De bollen vervaagden en verdwenen in een alles bedekkend zwart. Geen geklop meer. Er was enkel één geluidje dat ze onmiddellijk herkende. Twee paar pootjes tikten tegen de stenen tegels aan de voordeur. Steeds sneller. “Boxy! Kom hier!” Haar ademhaling versnelde tot het tempo van een trein in volle vaart. De bomen drukten op haar schouders, ze smeten vol vuur verwijten naar haar hoofd. Ze had nu pas door dat enkele takjes onder haar knarsten als een oud stuk brood dat in twee brak. Al rennend klonk er een hele jungle aan geluiden onder haar voetzolen. De wind scheerde over haar naakte huid en smeet ijsblokken op haar bloedrode voeten. De rillende koelte van het bos deed haar nekharen overeind staan, zoals wanneer de tentakels langs haar rozijnenhuid wriemelden. Een flits sneed door haar zwart en liet golven van knallen achter. Dat werd gevolgd door een hoge piep in haar rechteroor “Ga van mijn domein af, boerenmeisje. Hier staat ‘privé’! Maar zo’n boer als jij kan dat natuurlijk niet lezen.” Op haar hurkje met de handen over haar oren.  Ze staarde om zich heen, zag niets, huilde.  Het hart was er weer, ze leefde nog. Haar lichaam was ondergedompeld in het schurende ijswater. Haar cellen schreeuwden. Zij niet meer. “Ik ben de dochter van mevrouw Meeuws.” De metalen kogelbuis zakte langs zijn been tot op de bebladerde grond.  Hun gesprek werd gevuld met dat van de uilen. “Sorry dat ik het niemand heb verteld. Ik was vrienden met je moeder en je broer. Ik kon hen niet zomaar in de steek laten,” had hij kunnen zeggen. In de plaats daarvan duwde hij Boxy in haar armen. Zijn lompe voetstappen verdwenen. Wanhopig probeerde ze zich af te duwen van alle boomstammen om zich zo een weg te banen naar haar ouderlijke huis. Boxy’s wollige huid schuurde haar blote borst op tot een ochtendrood. Haar blauwe enkels golfden over in een vaal gele buik, stortend in haar rode borst. De verpersoonlijking van de Roemeense vlag. Haar mondhoek vormde een opstaand hoekje bij die willekeurige gedachte. De groene bolletjes zinderden weer even na.  Ze wiegden zorgeloos in de armen van de sussende wind.  De tentakels rukten die armen uiteen in rauwe stukken vlees, klaar om opgebakken te worden.  De moordenaar van een jeugd. “Anna!”  Het monster kwijlde de herfstgrond tot modder. “Ik was zo ongerust.” Sam sloeg zijn jas om haar kleerhanger­schouders. Hij had al meer van haar lijf gezien dan zij ooit zal kunnen.  Zijn sleurende adem viel als een masker om haar puntig gezicht en trok haar aan de haren mee naar mama’s huis. Boxy trippelde weer door de keuken terwijl Sam een fles rode wijn opende. Zij richtte zich met gebogen hoofd tot hem. De wijn klokte in het wijnglas dat om haar heen leek te krullen. Een bedwelmende frietgeur walmde langs haar gezicht. Gele bolletjes flakkerden op. Haar poppenogen weigerden het monster te aanschouwen. Het aanrecht was het enige dat hen van elkaar scheidde. Hij schoof twee borden over de tafel. Zij schokte kort. Sam liet een zucht. Monster lachte. Sams arm gleed voorzichtig over haar rug. De tentakel om haar heup. Het bad liep over. Anna greep moeiteloos het wijnglas, scheerde het door de frietlucht en boorde het de keukenvloer in. Sam trok zich terug. Het monster liep haar achterna, trok haar wollen trui uiteen. Haar tere handen beukten in op de glibberige zweephanden.  Ze liep naar mama’s kast vol drinkglazen en griste naar al het mogelijke glas in de kast en sleurde het op de grond. Haar blinde ogen staarden in zijn richting terwijl ze uitgeput ademhaalde. De vloer lag vol scherven, als een massagraf in de woestijn. Zij sprintte naar de trap, het monster omarmde haar en wierp haar op de lijkenwoestijn. Sam keek toe.  De flarden glas huisden zich in haar rode arm. Ze greep het bord van tafel en ramde het in Monster. Plots was ze weer in het bad. Ze begon aan haar tweeënveertig seconden. Haar cellen jammerden door het gebrek aan zuurstof. Nu gilde zij mee alsof ze hun luidspreker was.  Haar hoofd zat onder het ijskoude wateroppervlak. Mama’s moederarmen persten haar op de bodem van het bad, alsof ze hen wou vereenzelvigen. Misschien bleef mama doorgaan omdat ze geen tranen zag, die bevroren immers en zakten naar de bodem. Anna’s kinderspieren waren hulpeloos. Moeder riep tiener­Sam om de deur op slot te doen.  Zij zag niets, zij gilde. Hij zag alles, hij zweeg. 

Etlir Xharra
0 0

De kat uit het hondennest (2006)

Een verhaal waarbij een boer, ‘S avonds, op weg naar paard en stal, een zak bemerkte die in de Schelde voer. Hij werd curieus, klom lager wal.   Daar gekomen knakte hij een stengel riet, Hees de zak tot aan de kant, En wat hij vond geloof je niet, Een bundel bont hield hij in de hand.   Een pakketje jonge katten, In elkaar verstrengeld, ruw vermoord. Hij nam ze mee,stopte ze tussen watten, Tot opeens: een geluidje, klaaglijk,diep gesmoord.   Eén van de diertjes had niet opgegeven, Direct werd het voor de haard gelegd, Daar vocht het verder voor zijn leven, En tijd heeft de strijd beslecht.   Het dier overleefde, maar dat was nooit gelukt, Zonder de hulp van een pas bevallen teef, Die zich over het zielig beestje heeft gebukt, Het met veel liefde voedde en warm wreef.   De kat, Macty gedoopt, groeide op in een hondennest, Probeerde te zijn als haar broers en zussen, Maar al deed ze zo haar best, Haar kattennatuur zat er altijd tussen.   Ze voelde zich anders, begreep het niet, Waarom ze dat blaffen toch niet kon, Ze had daarover zoveel verdriet, Dat ze in plekke ook niet spon.   Ook met het slaafse gedrag kon ze niet om, Ze vond het allemaal maar onzin, Waarom deden de anderen toch zo stom, Zitten op commando, neen, zij wou haar eigen ding.   Op een dag zag ze in de weerschijn van haar kom, Geen trouwe hondenmuil met hangende oren, Maar een pienter snoetje met een rood bandje om, En 2 kleine spitse dingen om te horen.   Ze voelde zich buitengesloten, Zat steeds eenzaam in de hoek, Ook al nam moeder haar tussen de poten, Ze bleef droevig, haar echte aard was zoek.   De boer zag al haar getob, En besloot dat het niet kon blijven duren, Hij stond een dag veel vroeger vroeg op, En haalde een andere kat binnen de stadsmuren.   Bij het thuiskomen werd deze Macty toegewezen, Die herkende direct haar spiegelbeeld, En leerde bij dit nieuwe wezen, Hoe een kleine kat echt speelt.   Ze raakten bevriend, Haalden veel ‘kattenkwaad’ uit, Macty krijgt eindelijk wat ze verdiend, Ze is veel gelukkiger door deze nieuwe spruit. En daarmee is ons pijpje uit!

Aleyna
0 0

Domme Hond

“Lucy! Stop!” Haar gil achtervolgt me wanneer ik de weg op ren. Een auto komt recht op ons af en ik moet haar beschermen. Ik duik in elkaar en staar hem recht in de ogen terwijl Lizzie achter me aan rent. Aan haar hand bengelt een leiband met mijn kapotte halsbandje eraan.   Het automonster stopt vlak voor me, zoals ik al verwachtte en een man klimt er uit. “Gaat het juffrouw? Godzijdank kon ik nog net op tijd stoppen.” Handenwringend stapt hij op ons af. Zijn ogen zijn groot en hij ruikt geschrokken, net als Lizzie.   Ik begrijp niet waarom ze huilt. De geur van haar tranen vermengt zich met de geur van de regen. “Het is OK, Lizzie, ik bescherm je wel.” Ik ga met mijn voorpootjes tegen haar been staan en probeer haar te troosten.   “Kom, Lucy. We gaan naar huis.” Ze pakt me op en begint terug te wandelen naar mijn nieuwe thuis. Ik wriemel in een poging om terug op de grond te geraken. Hoe kan ik haar beschermen als ze mij draagt? “Nee, Lucy-Liefje. Ik neem vandaag geen risico’s meer met jou.”   Lizzie is mijn nieuwe mens. Ik hou van haar maar ze is een beetje vreemd. Ze vraagt me steeds maar om dingen te doen die ik niet ken. Ik zou wel willen, hoor.   Vandaag was onze eerste wandeling samen. Ik wist niet wat dat was, een wandeling. We gingen naar buiten, de wereld in, maar het is daar vreemd en eng. Vandaag kon ik Lizzie gelukkig beschermen.   Ik hield ook van mijn eerste mens, maar ze begreep me niet. Ze ging nooit met mij wandelen. We bleven altijd thuis, waar het veilig is. Ze bracht me naar het huis van Lizzie en liet me achter. Ik was eerst heel erg bang maar Lizzie is lief. Ze heeft altijd snoepjes.   ***   Lizzie doet het deurtje van mijn bench open en laat me uit de auto maar dit is een nieuwe plaats. Er zijn zoveel geuren hier. Het is eng. Ik ruik plasjes en hond en nog meer hond. Mensen, auto’s. En overal snoepjes. Het is teveel! Ik wil terug achteruit kruipen. Ik trek mijn staart in en duik jammerend in elkaar. “Laat me alsjeblieft terug in de auto gaan. Ik zal daar wel op je wachten…”   “Het geeft geen zin, Liz. Ze wil niet.” De mens waar ik Lizzie soms mee moet delen is er vandaag ook bij. Hij heeft nooit snoepjes. Hij ruikt geïrriteerd en hij rimpelt met zijn voorhoofd naar ons.   Ze wil me meenemen naar de plek waar alle honden rennen en spelen. Het ziet er wel leuk uit, maar het is hier te nieuw, te eng. Ik ga op de grond liggen en tril wanneer ze me mee wil nemen. Mijn nieuwe halsband zit rond mijn hele lichaam, dus ik kan me niet los trekken.   Ze tilt me op en draagt me door de massa honden.   Hij maakt een luide adem. “Je doet er geen goed aan hoor, door haar zo te verwennen. Dat besef je toch?”   De vreemde geuren zijn echt overal. “Laat me maar los, Lizzie, ik zal alles ordenen.” Dit is iets dan ik kan. En als alles ordelijk is, is het minder eng.   “Sshh, Lucy. Je moet opletten nu.” Lizzie kijkt naar me en probeert me af te leiden maar ik moet opletten. Anders ontsnapt de kudde. Ik doe mijn best om haar te negeren, echt waar, maar ik heb zo’n honger. En ze heeft snoepjes… Nee! Ik moet opletten. De kudde in het oog houden. Ze mogen niet ontsnappen.   Een vrouw komt glimlachend op ons af. Ik bekijk haar van achter de benen van Lizzie. Ze ruikt naar snoepjes en speeltjes maar ze is nog altijd een vreemde. Ik buk me wanneer de vrouw over mij leunt en mijn hoofd aanraakt. Eng.   De man van Lizzie maakt weer een luide adem, maar ze kijkt naar hem en hij stopt.   Lizzie geeft hem mijn leiband. “Kun je eventjes op haar letten? Ik ben zo terug maar ik moet echt dringend naar het toilet.”   “Lizzie!” Oh nee! Ze gaat weg! Ik probeer haar te volgen maar de leiband is te kort. “Laat me niet alleen! Lizzie! Wat doet ze nu!? “Lizzie, Niet weggaan! Kom alsjeblieft terug! Lizzie!”   Hij trekt me achteruit. “Sshh. Ze komt direct terug. Stop daarmee.”   “Lizzie!” Ik duik al bevend in elkaar. “Alsjeblieft, kom terug!” Ik trek naar achteren in een poging om los te geraken, maar hij is te sterk.   Daar is ze. Oh, mijn Lizzie is terug. Ze heeft me niet alleen gelaten zoals mijn andere mens. “Alsjeblieft, Lizzie, laat me nooit meer alleen.” Ik ga op haar voet zitten en leun tegen haar been zodat ze niet meer weg kan.   Ze bukt zich en geeft me een knuffel. “Het is OK, Lucy-Liefje. Ik ben hier. Ik kom altijd terug, hoor.”   “Dat is echt de domste Border Collie die ik al ooit gezien heb.” De man van Lizzie maakt weer rimpels in zijn voorhoofd terwijl hij tegen Lizzie praat. Ik vind hem niet leuk, maar ik denk dat hij mij ook niet leuk vindt. Hij speelt nooit met mij. Ik stap achteruit en ga achter Lizzie zitten. Ik houd de kudde in het oog voor haar.   “Dat is niet eerlijk. Ze is niet dom. Hoe slim zou jij zijn als niemand je geleerd had om je eigen veters te knopen? Ze heeft drie jaar lang bijna niets geleerd. Dat is niet haar schuld.” Lizzie ruikt boos. Haar schouders zijn gespannen en haar handen houden mijn leiband zo stevig vast dat haar knokkels wit zijn.   Heb ik weer iets verkeerd gedaan? Ik ga naast haar zitten en lik aan haar hand. Wees alsjeblieft niet boos op me.   Ze kijkt naar mij en haar glimlach verschijnt weer. “Oh Lucy-liefje, het is OK, schatje. Ik ben niet boos op jou.”   Hou van je, Lizzie.   ***   Lizzie haalt mij uit de auto. Ik ben hier nog nooit geweest. Ik vind nieuw niet leuk. Het is zo eng. Ik steek mijn neus in de lucht en probeer te ontdekken wat voor plek dit is. Bomen en velden en plasjes.   Oh wauw. Er hangt hier een geur… Daar is het weer! Een nieuwe geur maar hij ruikt zo lekker. Bang of niet, ik moet er achteraan. Wol en mest. Blatende geluiden. Van heel veel dieren. “Komaan, komaan.” Lizzie weet de weg niet dus trek ik haar mee.   Ik ren vooruit zover als de leiband toelaat. Lizzie blijft achter dus cirkel ik rond haar en geef haar een duwtje in de juiste richting. Ze draait zich om naar mij. “Lucy, nee!”   Ik ren opnieuw vooruit, naar de geur. Lizzie volgt eindelijk. We moeten sneller, sneller.   Lizzie en ik kijken naar de blatende dieren. Ze heeft mijn leiband nog altijd vast maar ik moet weg. Achter de kudde geraken. Ik moet ze naar mijn Lizzie brengen. “Laat me los!”   De kuddegeur trekt me vooruit maar Lizzie houdt me tegen. “Ssshh, Lucy. Je maakt de schapen bang. We moeten op onze beurt wachten.”   De andere honden komen van het veld af en eindelijk mag ik iets gaan doen dat ik snap. We stappen op de schapen af maar ik ben nog altijd aangelijnd. “Laat me los!” Ik ken dit. Ik moet ze gaan halen. Ik moet ze naar mijn Lizzie brengen. Ze maakt de leiband los en ik ren op de kudde af. De schapen stuiven in alle richtingen en ik wil ze terughalen. Maar hoe moet dat? Ik kijk terug naar Lizzie. Ze zal wel zeggen wat ik moet doen.   Is ze nu… waarom huilt ze? Ik loop naar haar toe.   “Sorry, Lucy. Ik dacht echt dat dit je wel zou liggen. Wat moeten we nu doen?” Tranen lopen in zoute sporen over haar wangen.   Ik lik haar hand. Niet verdrietig zijn. Ik zal beter mijn best doen.   ***   Ik word wakker in het donker. Er is iets mis. Moet ik nu Lizzie en haar mens wakker maken? Ze slapen. Ze zullen het niet leuk vinden als ik ze wakker maak in het donker.   Ik sta op en loop door het huis. Ik kom voorbij de straatdeur en ik hoor daar iets… Er is iets heel erg mis. We moeten gaan kijken!   “Lizzie! Wakker worden!” We moeten naar buiten! We moeten gaan kijken!   “Sshh, Lucy. Ga terug slapen.” Lizzie klinkt slaperig en ze draait zich om. Haar man legt zijn arm over haar. I ruik hem. Hij ruikt naar Lizzie en naar nog iets anders. Ze kruipt tegen hem aan en trekt het deken over haar schouders.   Ik pak het deken vast en trek het weg. Ze moeten meekomen. “Komaan!”   “Verdomme, Liz! Doe die hond zwijgen.” Hij ruikt boos.   “Sorry. Ssshh schatje, Het is OK. Ga maar slapen.” Ze draait terug naar mij en aait mijn hoofd.   “NIet waar.” Ze moet opstaan. “Kom mee, Lizzie!”   “Ze moet waarschijnlijk buiten." Lizzie gaat op haar rug liggen en wrijft in haar ogen. Zouden ze pijn doen?   “Ja! Naar buiten! Komaan, komaan!”   Lizzie gaat naar beneden en naar de tuindeur. De veilige deur. “Verkeerde kant! We moeten langs hier! Ik pak haar hand in mijn mond en trek haar me. Naar de straatdeur. De enge deur. “Komaan!”   Ze lijkt in de war. “Lucy, wat doe je nu?”   Ik spring op tegen de enge deur maar ze gaat niet open. “Doe open!”   Ze volgt me en opent de deur om naar buiten te kijken. Ik loop haar voorbij, de straat op. Er zijn hier zoveel monsters maar we moeten gaan. Geen tijd om bang te zijn. Er staat een automonster maar het slaapt. Ernaast ligt een man op de grond. “Kijk, Lizzie! Een man!” Slaapt hij ook? Hij maakt geen slaapgeluiden. “Wakker worden, Meneer! Wakker worden! Het is te koud om op de grond te liggen!”   “Oh nee.” Lizzie loopt met grote stappen naar binnen en roept op haar man. “Jonas! Bel een ambulance! Er ligt een man op straat!”   Ze komt terug naar mij en de man. Ze draait hem  op zijn rug en houdt haar hoofd naast zijn mond. Is hij iets aan het fluisteren? Ik hoor niks. Misschien slaapt hij niet. Ze legt haar oor op zijn borst. “Flinke Lucy. Goed gedaan.”   “Heb ik het goed gedaan? “Joepie!” Ze begint op zijn borst te duwen en ik spring op en neer. “Kom kijken! Kom kijken! Ik heb het goed gedaan!” Ik blijf roepen en er gaan meer deuren open. Er komen mensen buiten, ruikend naar de slaap.   Er komt lawaai in onze straat en het doet pijn aan mijn oren. Ik ga terug naar ons huis om op Lizzie te wachten. Ze zal wel komen wanneer ze de slapende man geholpen heeft.   De man van Lizzie komt naast mij staan terwijl flitsende lichten het donker veranderen in een vreemde bijna-dag. Zijn hand wrijft over mijn hoofd en ik kijk omhoog. “Flinke meid, Lucy.” Hij glimlacht naar me. Ik glimlach terug.   Er wandelen mensen naar Lizzie en de man toe en ze beginnen ook op zijn borst te duwen.   Lizzie praat met hen voor ze naar ons terugkomt. Er staan weer tranen in haar ogen. Oh nee! Heb ik het weer verkeerd gedaan? Waarom huilt ze? Ik spring tegen haar op en ze geeft me een knuffel. “Oh schatje, dat heb je heel goed gedaan. Je hebt het leven van die man gered.”   Haar man knuffelt ons allebei. Ik heb het eindelijk goed gedaan.

Jasmine Arch
0 0

Tinder avant la lettre

Ik dacht hém uit te kiezen in een asiel, maar dat draaide enigszins anders uit.  Het werd één van de wonderlijke ervaringen die ik nooit vergeten zal, hoe zou ik kunnen, die zomermiddag van lang geleden, al lijkt het niet zo lang.  Of is de tijd dan zo selectief vergleden ?   Gezelschap voor de eenzame uren, zomaar te koop, dat zijn de snuffel- en knuffeldieren die in hokjes worden te kijk gesteld na meestal een niet al te fraaie jeugd. Reden voor mij om eens op (be)zoek te gaan. Lief, elegant, middelgroot, rustig maar temperamentvol, snugger, kortharig en gehoorzaam, zoiets bedenk je dan op weg naar je doel, wat ik naderhand niemand nog aanraad te doen, maar ja, beter wist ik toen ook niet.   Eerder is het zoals je een partner ontmoet, of tinderen in real time, de fysieke aantrekking doet het werk voor jou. Swipen naar links, deze niet, ook niet, euh niet, misschien, hmm ja, of toch niet, de kwispelkoddige, jankende, hijgende en opspringende kandidaten solliciteren elk op hun manier, maar vraag niet naar mijn criteria die hun kansen hebben gedoseerd. Er was maar één die mij reeds van veraf in het vizier had, kop omhoog in majestatische zithouding maar met een gecontroleerd enthousiasme alsof hij wist dat ik toch niet zou kunnen weerstaan. Dat bleek, en een uur later zaten we samen onder de appelboom - wie genoot het meest - een vraag die ik me daarna nog dikwijls heb gesteld.   Ik dacht ik noem hem... Mop, zijn oude naam, of beter, Snoopdog, of Hunter - jawel het betrof een 'hij-hond' - maar zelf verkoos hij Bas, kort en duidelijk, en een nieuw leven. Een leven in de hoofdrol, waarom niet ?   Kilometerwandelingen, stokken apporteren, samen uit en thuis, samen spelen, blaffen, samen in de zetel aan de haard met de katten, rollebollend en aaiend, genietend, samen over het strand hollen, droog en nat, Bas hier komen en zit, pootje low-five...  Ik weet nog hoezeer ik hem miste tijdens mijn jobtijd en hij mij ook, denk ik.  Een kortverhaal is per definitie sneller ten einde dan andere,  so be it.  Ik maak het dus pijnloos kort. We hadden het samen fijn, meer dan tien jaar lang. Onvervangbaar fijn. Nu heb ik nog Luna en Zinzi, de katten, en telkens als ik wandelaars-met-hond zie voorbijtrekken mijmer ik nog even na, zoals nu .

Halfdubbel
28 1

De blik op Antwerpen

Ik wandel langs de donkere sporen, ogen gericht naar de gloeiende ogen van een stad die niet de mijne is. Het monster in de duisternis, Antwerpen, met zijn voorhoede van jachthonden, Berchem. Het station ruikt naar oude mensen, die zwetende geur van de dood, van gezaag en lederen schoenen met gaten in. Ik adem haar diep in, bijna gretig want het vult mijn futuristische haat voor de wereld, in de binnenzak van mijn olijfgroene jas het manifest van Marinetti; die klote Italiaan. Aan mijn lippen de rook van een oude sigaret, zelf gerold uiteraard, zelf gekneed tot mijn eigen kankergezwel. Boven kraaien de eeuwen met het zingen van de sporen, ergens in de verte het gemompel van het poetsvrouwtje dat dit monster van een gebouw moet temmen. Het kraken van haar schoenen met de mijne, het geruis van de Ring en de Singel, nog meer beesten van deze stad. Ik loop verder langs de flauwe bocht, mijn riem drukt in mijn onderbuik, kloteding. De ijzige wind snijdt mijn huid aan flarden, lange repen van vergeten herinneringen bungelend aan verkleurde botten. Een jonge man die oud aanvoelt, bezwete huid vol gal en as van zijn korte bestaan. Ik proef de metaalachtige geur van revolutie in mijn neus en mond, die wrange koperen smaak. Revolutie is een excuus, een laffe daad van zij die niet op legale wijze hun politiek aan de meute weten te brengen. Het doet me aan niet veel denken, niet aan vroeger of morgen, maar enkel richt het me naar de stappen voor me. Een droogte valt neer op mijn tong, de droogte van de dood van de sigaret. Kloteding. Ik spuug het einde uit, samen met de kolkende duisternis in mijn longen, melodramatisch trekken van een vrouw in mijn lijf. Ik ben bijna bij mijn doel, een kleine overwinning die me doet denken aan de vakanties bij mijn oma. Ze zou hier zo kunnen staan in dit klote station op haar oude sloffen. De moeder van mijn moeder, de vierde schoonmoeder van mijn vader: een wrede heks, een roestende tang van een wijf. Ik ben er bijna, nog twee stappen door de onaardse tunnels en dan kom ik in die vervloekte hal. Je durft dan te denken, waarom zijn ze hier niet ontploft ? , maar een opgevoede man houdt die gedachte netjes binnen. In de hellen hal struikelt er een zwerver over zijn zelfmedelijden, recht op de koude grond die hij zo bemint. Dichter bij het graf dat bij zijn geboorte al voor hem gegraven is. Ik loop recht het station uit, geen blik naar hem en zijn groot ongeluk. Tweede sigaret, een rode mond op de mijne, een hemelse hitte. ‘Streel me dan toch.’ ,denk je dan. Ik loop tot aan mijn grote wagen, mijn eigen vervoer, mijn eigen beest der krochten dat me streelt en me naar de overkant zal brengen. De doden langs de weg, nog meer zwervers, nog meer zielen als kijvende honden, als dochterloze vrouwen. Haat is misschien een makkelijk levenspad, maar als kinderen van de gemakzucht is het onvermijdelijk gevolg van uitsluitende voorbeelden van hoe het allemaal niet moet. Ik stap zonder gebrekkige bewegingen in, start mijn ronkend monster onder mijn handen, de banden gieren vol met oude strijdliederen. Ik beweeg de machine met gemak en volledige controle de weg op en vertrek met vlammende banden, de motor brult goedkeurend. De nachten hier zijn niet zwart, maar in vegen van flets oranje gekleurd zonder sterren, maar enkel oude gebouwen. Ik negeer de flitsen van rode lichten, angstige fietsers en zenuwachtige autobestuurders, allen grijpen ze hun geliefden vast als de koplampen van mijn gierende strijdros hen in het vizier neemt. Voor me verschijnt er een bombastische BMW, met ja hoe kan het ook anders, een opgespoten Brasschaatse moeder van twee blonde schijtnesten, achter het stuur dat ze met haar handen vol goud bijna niet aanraakt. Ik onderdruk de neiging om haar in het gat te rammen, de explosie zou een wolk van zaligheid zijn, en verhoog mijn snelheid om te verdwijnen uit haar lome, domme blauwe ogen. Antwerpen verwelkomt me met zijn krachteloze armen, de gezapige man in het noorden met zijn handen rond de cocaïne, vreemdelingen, extremisten langs alle kanten, corruptie en kleinburgerlijkheid, en ik schuif mijn raam naar beneden om eens goed te rochelen. Hier stad zonder bodem. Hier, drink het Spaanse kwijl dat je maar al te goed kent.   Ilias Dherdt.

Ilias Dherdt
0 0

Vloedlijn

Zestien was ze en ze droeg een kleedje dat te dun was voor de koude zomernacht. Stef was bij haar. Hij keek haar met een glimlach aan, stak zijn hand naar haar uit. ‘Hier komt helemaal niemand ’s nachts. Zeker niet in de duinen.’  Zijn vingers haakten zich in de hare en even had Sam het gevoel dat ze zweefde. Toen stootte ze haar voet tegen een steen. ‘Gatver.’  ‘Doe toch eens wat relaxed, meid.’  Ze kon zijn witte tanden in het donker zien schitteren. Lachte hij haar uit? Sam concentreerde zich op de grond, terwijl ze achter Stef aan holde. Schelpen kraakten onder de zolen van hun schoenen.  Golven klotsten onzichtbaar in het donker. Wanneer ze ’s avonds in het donker over het strand liep, werd Sam zich bewust van de uitgestrektheid van de zee. Die natuurkracht die, gedreven door de maan, werelden vormgaf. Die leven schonk en weer afnam - als ze daar zin in had. Even wilde ze haar gedachten met Stef delen, maar ze besefte dat dat geen goed idee was. Jongens hielden niet van slimme meisjes.  Ze waren bijna bij de duinen waar hij haar – daar was ze zeker van – zou kussen, toen haar blik bleef rusten op een vreemde, donkere plek een twintigtal meter verderop. Sam bleef staan. Stef liet haar hand los en volgde haar blik. ‘Wat is er?’  ‘Daar ligt iets.’  Ze wachtte zijn reactie niet af. Met een bonkend hart stapte ze op het donkere hoopje toe. Met elke stap groeide haar angstig vermoeden. Ze hapte naar adem toen ze een hand zag. Het was een jongen, misschien maar enkele jaren ouder dan zij. Zijn lichaam lag in een vreemde, onnatuurlijke houding. Zijn gezicht was bleek en had een blauwe schijn. Zijn ogen waren wijd open.  Ze knielde neer naast het lichaam. De jongen droeg een zwarte broek, legerlaarzen en een T-shirt met witte letters en een omgekeerd kruis. Ze probeerde de tekst te ontcijferen. MARDUH stond er - of was het MARDUK?  ‘Shit!’ klonk het achter haar. Sam was even helemaal vergeten dat Stef erbij was. ‘Is hij-’  Ze antwoordde niet, maar bestudeerde het gezicht van de jongen. Volgde zijn verstarde blik, die ergens tussen strand en horizon was blijven hangen. Ze vroeg zich af wat het laatste was dat hij gezien had.  Stef trok haar ruw aan haar arm overeind. ‘Kom, we moeten hier weg. We vragen Mike om de politie te bellen.’  Mike was de joviale cafébaas van de kroeg waar ze nog geen kwartier geleden naar buiten waren geglipt. Het leek nu een eeuwigheid geleden.  ‘Wacht.’ Sam keerde op haar stappen terug. Ze haalde diep adem en sloot met een snelle beweging de oogleden van de dode jongen.  Stef stond haar op te wachten. Nooit zou ze de blik in zijn ogen vergeten. ‘Je bent een rare.’  Sinds die dag had hij haar nooit meer aangekeken.(c) Leen Raats, uit het verhaal 'Vloedlijn' uit de bundel 'Vloedlijn' www.leenraats.be

Leen Raats
9 1

Vooruitblik

‘Wie ben je?’, vroeg mijn spiegelbeeld. Niemand in het bijzonder, constateerde ik. Los zittende trui, halfhoge sandalen, haar in de war. Los, halfhoog, verward: niet iemand die ik nog wilde zijn in elk geval. Gisteren (dezelfde kleren, hetzelfde kapsel) was ik nochtans voorbij deze etalageruit van de Levis Jeans Store gepasseerd zonder mezelf op te merken. Gisteren: toen ik nog een vrouw was uit één stuk. Vandaag zag ik mezelf dubbel. Want ik zag niet alleen mijn spiegelbeeld, maar ook wat er aan de andere kant van het raam te zien was.  De andere kant:  stevige laarsjes, een afgemeten Levis 501, strak T-shirt. Stevig, afgemeten, strak: de vrouw die ik morgen kon zijn. En terwijl mijn ene oog zich richtte op die herziene versie van mezelf, bemerkte het andere hoe ik met een afwerend gebaar een ingebeeld pluisje van mijn trui wreef. Alsof ik wilde zeggen: ‘kijk, ik schud mijn oude ik alvast van me af’. Er was me zonet dan ook een vooruitblik op mezelf gegund.   Vooraleer ik het huis was uitgegaan, had ik in de badkamerspiegel (dwarse barst links van boven) nog veel langer naar mezelf gekeken. Dat was een soort van ritueel geworden ’s ochtends tijdens het tandenpoetsen. Ik kijk mezelf zolang mogelijk in de ogen tot ik een vreemde wordt. Al was ik er ooit met andere bedoelingen mee begonnen. Ik had namelijk bij de grote meesters gelezen dat de ogen de spiegel zijn van de ziel, en dus probeerde ik iets te ontdekken:  diepte, inzicht, het raadsel over mezelf. Zo kon ik daar wel even blijven staan, ook als dat tandenpoetsen al lang achter de rug was. Want een spiegel heeft geen achterkant, en dus zag ik niets: geen vergezicht, geen diepte, geen mogelijkheid. Het oog in de spiegel en het oog dat ernaar keek bleven twee.      Terwijl ik los door mezelf heen stond te kijken in de etalageruit van de Levis Jeans Store, overliep ik mijn opties. Optie één: de bekende route vervolgen. Die van gisteren, eergisteren en de dag voordien. Weliswaar ietwat onrustig, want verdubbeld en verdeeld. Optie twee: me naar de andere kant van het raam bewegen richting het nog-niet, het vooruitzicht, mijn zonet bijeen gefantaseerde nieuwe ik. In de tijd dat ik me inbeeldde hoe ik hier straks voor ditzelfde raam zou staan met mijn nieuwe zelf in een pakketje onder de arm gewikkeld, stopte het afwerende wrijven over mijn trui. Alsof er niks meer af te schudden viel, en ik eindelijk tot rust kwam. Rust: gedurende enkele seconden samenvallen met wat er aan de andere kant te zien was. In stapte op de deur af en ging binnen.    

F. Sansclair
0 0

Ego van jewelste

“Nee, de verjaardagstaart hoeft niet gesneden. Ik eet ze wel alleen op. Ik ben ver voorbij dat Vrouwelijk Complex”, zeg ik vol overtuiging terwijl ik bij mezelf denk: ik heb er ook... van die... euhm... minder mooie 'dingskes' aan m’n lijf… Ik bijt hard op mijn lip wanneer mijn onderbewuste ‘stop daarmee Leah!’ gilt en ik ga overtuigend verder: “wij, vrouwen zijn nogal vaak ontevreden… en dat is een understatement van jewelste. We vergelijken onszelf met barbie-achtige-ideaalbeelden en dan zijn we verrast dat we er in geen 100 jaar aan kunnen voldoen. Zie je me al lopen op knalroze stiletto's met een volle c-cup in een topje dat 10 cm boven mijn navel stopt?”   Iedereen lacht, ik heb dan ook helemaal geen stiletto’s, laat staan een c-cup. “Mijn voeten doen pijn!”, roep ik met een overdreven pijnlijke blik en mijn vriendinnen schieten in een ontembare schaterlach. “Komaan meiden! Kijk eens rond! Elke knappe en elke minder knappe fien verdient het toch om er te zijn. Moet je niet eerst van jezelf houden voor je van hém kan houden? Begint liefde niet met eigenliefde? Of is onder-de-lakens-met-alle-lichten-uit nog van deze tijd misschien?” Greet valt bijna van de zetel van het lachen. ‘Zij laat duidelijk de lichten branden ’s nachts’, giechelt het stemmetje in mijn hoofd. “Echt waar”, ga ik verder, “het wordt hoog tijd om dat complex in te ruilen voor een ego van jewelste! Laat het licht maar branden schat! Of wou je zelf niks zien misschien?” Ik denk dat Greet niet meer bijkomt van het lachen, ze verslikt zich in de veel te straffe koffie en sputtert “natuurlijk wel!”. ‘Ha, zie je’ schatert het stemmetje in mijn oor en ik kan mijn uitgestreken gezicht niet meer in bedwang houden. Mijn mondhoeken krullen omhoog en daar gaan we dan… met z’n allen schieten we in een oorverdovend gelach.   Met veel moeite forceer ik een gladgestreken gezicht, snij de taart in 8 stukken en doe ik mijn best om opnieuw onderwijzend over te komen als ik verderga: “ ja dames, híj heeft daar geen problemen mee. Met dat licht bedoel ik dan. Nee, hij kijkt graag naar al die rondingen en imperfecties”. En ik maak overdreven ronde bewegingen langs mijn lijf. “En dan denkt hij: "Yes! áááááááálemaal van mij! En daar… daar hebben we dat ego dan, snappie?” Ilse schiet klaarblijkelijk ineens wakker uit gedachten: “Wat? WAT!? Komt het door ons? Zijn wij de oorzaak van dat onhebbelijke ego? Zijn wij het waar zij, mannen, hun vertrouwen vandaan halen?” Opnieuw galmt een luid gelach door mijn kleine appartement. “Natuurlijk is het mannelijk ego er dankzij ons! Van welke planeet kom jij eigenlijk?” antwoord ik met de meest serieuze blik. “Zie je nu dat al die onzekerheden nergens voor nodig zijn? Als zij, mannen, van al die 'perfect imperfections' houden, waarom wij dan niet?”   “Hup! Geef die taart hier! Of willen jullie dan toch een stuk misschien?”

Leah
0 0

Naakt in dit leven

De herfst kleedt zich langzaam uit. Net zoals ik. Nee, niet letterlijk, waar zit je met je gedachten? Wat ik bedoel is dat ik langzaam maar zeker mezelf weer vind. Langzaam maar zeker ontdoe ik me van alle ongewilde gewoontes, van alle vastgeroeste routines, net zoals de herfst zijn gekleurde kleed uitdoet. Klinkt mooi, vind je niet? Maar in werkelijkheid is het hard en bitter en valt het mooie kleed op de kille, koude grond.   Mijn diepste binnenste is gehavend door onverwerkte herinneringen, door ongewenste diagnoses, door mijn perfectionistische gedrevenheid om te voldoen aan een zelfopgelegd en onhaalbaar ideaalbeeld. En het doet pijn, maar tegelijk voelt het goed en juist. Want langzaam maar zeker leer ik de jonge vrouw kennen die me aankijkt in de spiegel. Ik ontdek haar diepe bezorgdheden en onuitgesproken vragen, haar valkuilen en angsten, haar passie en ongedwongen verlangen, haar oprechte liefde en diepste dromen. Langzaam maar zeker en met een bang en kloppend hart, ontdek ik wie zij is…   Misschien… misschien moet je door het diepste dal gaan om het heldere licht te zien. Misschien moet je ziel koud en leeg zijn om het vuur van echte passie te voelen. Misschien moet je jezelf verliezen om gevonden te worden. Misschien moet je neergeslagen worden door blind ongeloof om de oneindige mogelijkheden helder te zien. Misschien… misschien…   Want is dat niet wat we allemaal willen? Is het niet zo dat ieder mens ten volle wil zijn wie hij is? Om uitgekleed en naakt met alle imperfecties te staan in zijn leven, oprecht en gelukkig? Is het niet zo dat ieder mens streeft naar ultiem geluk?   Want dan… dan kan ik alleen maar concluderen dat mijn diepste val, mijn grootste redding is. En hoe koud en kil deze winter ook voelt, zo zonder kleren aan ;-) ik weet dat het mooiste nog moet komen. Vrij van alles wat ik dacht dat moest, vrij van alles wat mij aangemeten werd, vrij van alles zoals het was, naakt in dit leven dat altijd al het mijne was...   Dus ja, ik huil tranen van vreugde, nu nog kil en koud op deze grond, want wat die jonge vrouw in de spiegel me wil vertellen, is dat oprecht geluk vanbinnen zit.   Ik zoek niet langer, ik kleed me uit.   En jij? Wat doe jij?  

Leah
29 0

Goud

De rolstoel lag er verlaten bij.   Het verweerde kunstleer van het door vele konten doorgezeten zitvlak vertoonde oude barsten. De rugleuning, een verse scheur. In de rafels hingen de nog lauwe sporen van de zopas hevig gewoede strijd. De restanten van de verloren energie, van het eindeloze rennen door de al even eindeloze gangen, hadden hem nog niet verlaten. De kleine wieltjes trilden na. Het grote achterwiel – net nog moeizaam langs de stugge vloeren, nu bevreemdend, als een ufo priemend in de lucht – wentelde rond. In cadans met dat afschuwelijke, dat onophoudelijke gepiep. Een waarschuwing, een alarm. Als van een stervend dier. Alsof het ding haar zei: ‘Weg nu hier!’.   Niet alleen de rolstoel was verlaten. Ook de ruimte zelf was leeg. Na het dolle kluwen van daarnet, was ze nu helemaal alleen. Haar hart bonsde in haar keel. In het ritme van het wiel dat draaide. Of was het omgekeerd? Ze bleef staan en kneep haar ogen dicht. Net zolang totdat de stilte opnieuw luider werd dan het geluid.   Pas wanneer haar hart terug op zijn plaats zat – daar waar het hoort, in het midden van haar borst - en het piepen was gestopt – was het dier gestorven? – durfde ze te kijken. De rolstoel lag nog steeds verlaten. Vergeten in de chaos van de strijd. Niet alleen de stoel, ook de ruimte zelf had afgezien. De sporen waren overal. Op de groene randen van de muren, op die tegendraadse vloer van goud. Precies van waar ze stond, op de deuren zonder klinken, langs de gevolgde route op de grond.   Het was geen droom. Zelfs geen boze. Ook al wenste ze nog zo hard van wel. De bruine vegen om en rond vormden de kruimels in haar bos. Voetje voor voetje sloop ze dichter. Met haar kleine kinderhand vlak onder de besmeurde groene rand. De kruimels liet ze zo. Eerst werd alles meer, meer rood, meer geel, meer groen. In het bijzonder in en rond de stoel. Meer klieders en meer vuiligheid, meer van alles en nog wat door elkaar. Tot het spoor plots stopte en er niets meer was. Geen vlek, geen spetter, zelfs geen veeg.   Ook het wiel bewoog niet meer. De stoel was doodgebloed, zo leek het wel. Ze gaf de rubberband een duwtje. Hij trilde, twijfelde, tolde even, en viel weer stil. Hij piepte niet langer als een stervend dier. Was ze te laat? Ze nam de leuning vast. Ze trok uit alle macht. De nieuwe rafels schreeuwden. Ze trok harder. De rafels schreeuwden luider. Ze trok nog harder. Hij moest eraan. Ze moest hem horen janken. Net zoals ook mama net nog had gedaan.   Ze schreeuwde nu zelf ook. Net zo luid als die stomme stoel. Ze schreeuwde en ze huilde tot ze bijna doodging en de deuren openvlogen. Plots was ze niet meer alleen. Plots waren er heel veel armen om haar heen. En ook, bijna meteen, de warme stem van papa.   ‘Proficiat zusje, je hebt een broer!’

Bregtje Van Bockstaele
1 0

Anansi

Anansi   In het begin was er niets. En uit het niets kwam een eerste gedachte. Uit dat eerste gedacht kwam het initiële design. Die verschijning had moeite om te blijven hangen en creëerde een paar poten met weerhaken om zich te verankeren aan die eerste gedachte. En nog een paar, en nog een paar. Ten slotte had het vier paar poten, dat moest volstaan. De eerste grafische interface op het allereerste frame was klaar. De nieuwe wereld was online.   Het design met acht poten nam de vorm van een spin aan. Het gaf zichzelf een naam. ‘Anansi heet ik in deze dimensie’. Het keek rond in de doodse ruimte. ‘Ik moet een platform creëren’, dacht die eerste verschijning, anders moet ik hier heel de tijd doodstil blijven hangen in het oneindige niets’. En uit de eerste gedachte werd een tweede geboren.  ‘Ik maak mijn eigen wereld, ik spin draden en verbindt ze zodat ik zelf mijn terrein kan bepalen, zonder hulp van degene die het in oorsprong heeft bedacht’. De spin begon zich heel erg op haar kont te concentreren, omdat zij dacht dat zij haar kop moest gebruiken om na te denken en haar achterwerk om te werken. Anansi spon een web zo groot, dat zij in alle uithoeken van de denkbare wereld kon komen, zonder veel moeite. Zonder in een zwart gat te vallen. Terwijl ze bezig was, met spinnen en te bedenken hoe het web er moest uitzien, zag ze al haar ideeën en gedachten als donkereballonnen opstijgen; ze vormden een grijzig wolkje in het purperen heel-al.  Hoe langer ze werkte, des te groter en donkerder werd de wolk. Tot er een gigantische zwarte cloud was ontstaan. Anansi was heel tevreden met zichzelf, maar vond het jammer dat zij haar design en content niet kon delen met andere graphics. ‘Ik moet een script schrijven en interactie brengen, of ik verveel me hier dood’, dacht zij. Tenslotte bestaat niemand echt totdat de andere je ervaart. Anansi ging in het midden van het web zitten en dacht lang en diep na. In de cloud begon het te rommelen. Maar verder gebeurde er niets. De spin werd gestoord door haar eigen maag die mee begon te rommelen met de cloud boven haar kop. ‘Als ik niets te eten heb, kan ik op den duur niet meer denken, mijn lijf en brein heeft voedsel nodig’. Vanuit de cloud viel een nieuw idee naar beneden, vlak voor haar voeten. ‘Aha’, dacht Anansi, ‘zo werkt het dus.  Dat ding daarboven verzamelt ideeën en bedenksels. Die wolk is met mij verbonden, daar groeien mijn gedachten en als ze rijp zijn vallen ze neer in de realiteit van mijn web.’ Het idee dat zij moest eten viel vlak voor haar poten: het werd geboren uit een diep verlangen te overleven in haar zelfgecreëerde wereld. Het vertelde haar dat het voedsel in haar web zou vallen zodat zij het moeiteloos kon opvangen.  Makkelijk zat, de spin moest er maar aan denken en het gebeurde, zo ging dat.    En de gedachte ontvouwde zich steeds verder.  Anansi sprak tot zichzelf, ‘waarom het niet een beetje spannend maken?  Het leven moet niet te makkelijk zijn, anders is er niks aan. Als dat eten nu eens poten heeft, zodat het wat kan tegenstribbelen, en ik wat moeite heb om het te vangen.  Als mijn voedsel, net als ik, ook kan denken, zodat het plannetjes kan verzinnen om me om de tuin te leiden, dan wordt het pas spannend!  Ik wil niet enkel dat het mijn bestaan erkend, neen, zowaar,  ik verlang dat het mij vreest. Zo voel ik me niet langer alleen.’ In een oogwenk voelde zij zich oppermachtig. Aha, macht en angst. Het vooruitzicht deed haar watertanden. Zij zag zichzelf als genadeloze jager, gevreesd door de andere characters, ontsproten uit haar gedachten. Weliswaar ondergeschikt aan haar, minderwaardig in geest en leden. Het prototype dat ze voor haar geestesogen zag, had een klein hoofd, twee poten om zich vast te klampen aan het web, en twee poten om zich te verplaatsen. De poten hadden geen weerhaken, zodat het voedsel voorzichtig moest zijn om niet uit het web  te vallen. Zij noemde het prototype ‘man’. Dat vond zij wel mooi klinken. Daar kwamen de eersten al uit de cloud gevallen. Enkelen vielen direct door de mazen van het web, anderen klampten zich stevig vast met hun armen en probeerden met hun benen zo ver mogelijk van de reusachtige spin weg te geraken. Ze schreeuwden en gilden. Anansi snoof diep en hoog: ze kon hun angst ruiken. Een heerlijke geur waar ze beslist aan kon wennen.   Maar net als de spin waren de figuren behept met een enorm grote goesting om in leven te blijven. De eersten, nog onwennig in de neiuwe omgeving, vormden een makkelijke prooi.  Anansi had grote honger en was blij dat zij weinig weerstand boden. Haar grote honger was snel over en al gauw was zij het jagen beu Zittend in het midden van het web, dacht ze na.  Er viel weer een idee, deze keer recht op haar kop. Met één van haar poten krabte ze over haar kopharen en lachte om haar eigen sluwheid. ‘Ik zorg voor een upgrade want dit is al te makkelijk. Weet je: ik geef ze een beetje meer verstand. Ik noem ze man 2.0.’  En inderdaad, na een korte update en een vervelende reboot werden de eerste prototypes vervangen door nieuwe. Uiterlijk was er weinig verschil, maar deze verbetering bood al iets meer weerstand: ze probeerden zich te verdedigen wanneer de spin ze eindelijk te pakken kreeg. Het kostte haar inderdaad meer moeite want de dingen waren ook iets sneller geworden. Zo volgden nog een paar upgrades. Telkens voegde zij een aantal nieuwe features toe, zodat de mannetjes tenslotte min of meer waardige tegenstanders waren geworden.  En hoewel ze nog steeds veel kleiner waren en eerlijk gezegd, niet half zo sluw als zij, voldeden ze aan haar wensen.   In het begin was het spel leuk: Anansi kreeg geen genoeg van de jacht op de mannen.  Dag en nacht was zij er mee bezig: overdag jaagde zij en s 'nachts stond zij in verbinding met de cloud en bedacht zij strategieën om meer levels in het spel in te bouwen. Extra apps en features werden voordurend toegevoegd. Ze lette er wel goed op dat haar prooien niet te slim werden, inferieur bleven aan haar, in elk opzicht. Honger had zij al lang niet meer, daarvoor moest zij het niet meer doen.  Maar zij genoot zo van de macht, de erkenning als jager dat zij het niet kon nalaten om steeds nieuwe ideeën uit de cloud te halen. Na een tijd hingen in het web overal cocons met halfverteerde mannen, dood of amper levend, als bewijs van haar oppermachtigheid. Het web werd een spookachtige schemerzone vol dood en verderf. En niet alleen de sfeer was duister en zwaar. Door het gewicht van de ontelbare cocons begon het web stilaan door te wegen.  Hier en daar bemerkte Anansi een scheur, een losse draad. Trots op haar creatie, repareerde ze in het begin elke scheur die ze tegenkwam. Maar de hardware maintenance eiste veel van haar energie. Bovendien werd ze vet en log van het vele eten en had ze minder en minder interesse in het onderhoud van haar omgeving. Ondertussen was zij toe aan de zevende upgrade van de mens. De mannen konden haar niet meer boeien. Met ogen gesloten droomde ze van een tweede character, complementair aan de mannetjes, zodat ze konden samenwerken.  Toen zij haar vele ogen opende, zag zij dat haar droom werkelijkheid was geworden. Ja, voor haar stond een tweede personage, met  een paar andere features dan de eerste. Het ding miste een paar dingen maar maakte dit goed door andere extra’s. Ze liet het gaan naar de mannen en observeerde hoe de mannen reageerden op haar nieuwe bedenksel. Man upgrade 7.0 was alvast bijzonder geïnteresseerd in de extra features, dat kon zij zo wel merken. En tevreden schiep zij evenzoveel nieuwe characters, die zij makkelijkheidshalve vrouw noemde, om zo het onderscheid te maken.  Zo kreeg ze terug belangstelling in haar verzinsels. En zie, zij genoot weer even van haar zo geliefde spel, de jacht op alle levels.   Niet voor lang. Al snel bemerkte zij een grote vermoeidheid: maintenance van hard en software waren een slopende bezigheid. Zij vond dat zij na dit hard labeur wel een paar dagen mocht rusten. Vol vertrouwen en goede moed, maakte zij zich een warm nestje in het midden van het web.  Zoals elke avond trad zij in contact met de duistere wolk boven haar, die ondertussen enorme proporties had aangenomen.  Net voor zij in slaap viel, werd zij een beetje weemoedig en kreeg in die stemming een flinterdun gedacht: ‘deze mannen lijken een complementaire versie wel op prijs te stellen. Misschien moet ik voor mezelf ook gezelschap verzinnen? Geen gelijke maar kleinere versies van mezelf.’ Dat laatste idee vond zijn weg naar de cloud erboven en zie, zij viel in een diepe, droomloze slaap.  Na die lange tijd van nadenken en jagen gunde Anansi zich een rustgevende, deugddoende slaap die dagen, maanden, jaren duurde.   Na vele jaren werd de spin wakker. In haar nest lag iets wat zij nooit eerder zag: lege schelpen met scherpe randen, en dit met duizenden tegelijk.  Verwonderd, slaapdronken keek Anansi rond. Het enige wat haar op dat moment bezighield, was het lege gevoel in haar lijf. Wat had zij een honger! Geen idee van de tijd die verstreken was en met een voze kop van het lange slapen en stramme poten van het stilliggen, begonnen haar ogen vol slaap terug vormen te onderscheiden. Langzaam klaarde de mist op in haar zicht. Wat zij toen zag, verlamde haar van verbazing. Rond haar nest stond een kring van mensen, beide versies, die elkaar bij de hand hadden, de armen in elkaar gekruist.  Het was alsof ze met hun armen zelf een web gesponnen hadden, Ondanks al haar spinnenogen wist Anansi niet waar eerst te kijken, met zoveel waren ze. Met veel meer dan zij zich had kunnen herinneren. Er waren niet alleen de mannen en vrouwen maar ook andere, kleinere wezens te bemerken.  Eens van de eerste schok bekomen, herpakte de spin zich. Haar achterlijf vulde met venijn. Zij gromde luid, en sprak: ‘houd u vast, want ik ga jullie vangen, één voor één, en dan eet ik jullie allemaal op.  En die kleintjes, bewaar ik voor laatst! Maar tot haar grote verrassing weken ze niet uit elkaar. En ze spraken, al die inferieure wezentjes, veel kleiner, dom en hulpeloos, als met één stem. ‘Jij mag dan groot en sterk zijn, en veel slimmer dan elk van ons afzonderlijk.  Maar wij zijn met velen, en verbonden door een eigen web, dat wij met ons lichaam en geest hebben gesponnen. Door de verbinding met elkaar zijn we veel machtiger dan dat u ooit had durven dromen. Tijdens jouw slaap hebben we de feedback van jouw laatste gedacht opgevangen vanuit de cloud.  Dit gedacht heeft zich vertaald in nieuwe hardware : honderdduizend eieren, met elk een piepkleine versie van uzelf lagen in jouw nest. Daaraan hebben wij ons gevoed en zo hebben wij uw sluwheid en het besef van de kracht van het gedacht en access tot de cloud overgenomen.  Met die nieuwe wijsheid en het voordeel van de massa, want ja zoals u ziet zijn wij met velen, zullen wij u nu doen verdwijnen. Niet langer leven wij in constante angst voor ons leven, samen hebben wij ons eigen web gespannen waarin u, Anansi, niet langer past.   Vanaf nu, kunnen wij, zonder u,  in alle rust verder leven.’ En door de kracht van het gezamenlijk bewustzijn, door de armen stevig te kruisen, een geen moment te twijfelen, zoals Anasi ook nooit getwijfeld had, viel de spin door een scheur in het web, dat zij lang geleden, in haar luiheid en zelfgenoegzaamheid, niet had willen maken.  Zij viel in het zwarte gat, heel ver in de diepte, in de vergetelheid der tijden. Wat waren ze opgelucht, beide versies, mannen en vrouwen. Op dat moment spraken zij als één, nog steeds verbonden in een mensenweb. ‘Nooit zullen wij vergeten dat wij met elkaar verbonden zijn door deze overwinning op de sluwe spin, zij die door eigen gulzigheid en hoogmoed ten val is gekomen.  Laat ons voor altijd het pact tot overleven blijven eren, nooit vergeten dat onze levens onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Dat de daad van één een weerslag heeft op het grote Geheel.’   En tesamen dachten zij zich een betere wereld, een wereld waar zij samen in vrede zouden leven. Zij maakten zich los van de grote cloud daarboven en daar verscheen het licht en de blauwe hemel. Zij dachten voorgoed verlost te zijn van de duisternis en de spin. Nooit meer moesten ze vluchten voor hun leven, gedaan met angst voor wat de volgende dag zou brengen. Leven in vertrouwen en vrijheid.   Is dit het einde van het verhaal, een happy end zoals in de meeste sprookjes? Neen, ze leefden nog lang en ongelukkig. Dat wel.   Het mensenvolk, onbedreigd tijdens de diepe slaap van spin, had de kinderen van de spin tot zich genomen. Uit wraak hadden ze de eieren gebroken en de inhoud verorberd om hun grote honger te stillen. Nu er niet langer op hen werd gejaagd en ze in leven bleven, hadden ze voedsel nodig en de eieren waren het enige dat voorhanden was. Zo is Anansi in ieder van hen stilaan beginnen groeien. Haar sluwheid, gulzigheid, luiheid en de wil te overheersen: dat alles dragen zij mee in hun zelfgecreëerde wereld. Anansi is voorgoed geprogrammeerd op hun interne harde schijf. De spin was dood, haar geest bleef leven. Zolang er mensen zijn, is haar nalatenschap gegarandeerd. In de donkerste krochten van de menselijke geest sluimert ze. In duistere uren wordt ze wakker, kruipt ze uit haar nest en is de jacht weer open. De mensen zijn het spinnenweb allang vergeten, samen met het besef van de kracht van het menselijk verbond. En met het inzicht dat alles begint met een gedacht.   EINDE

cristin van ooyen
0 0

wedstrijdje?

‘He, Polo, doen we een wedstrijdje? Om ter eerste aan de andere kant van het voetbalveld.’ Zulu staat je stralend aan te kijken? ‘Wedstrijdje?’ ‘Ja, wedstrijdje. Je kent het wel, wie het eerste aan de overkant is, die heeft gewonnen.’ De uitdagende blik die ze je toewerpt, kan je niet negeren en je gaat al bijna even stralend op haar voorstel in. ‘Klaar om ingemaakt te worden Zulu?’ ‘Hou jij je maar klaar Polo, want winnen zal je niet van mij.’ Jullie kijken elkaar een laatste keer in de ogen en dan roepen jullie tegelijkertijd: ‘START!’. Als twee gekken komen jullie in beweging. Hink, stap. Hink, stap. Je neemt meteen de leiding en je ziet hoe Zulu je op de hielen zit. Hink, stap. Hink, stap. Je probeert sneller vooruit te komen. Je moet en zal deze wedstrijd winnen. Jij bent de jongen, en je gaat toch niet onderdoen voor je jongere zusje. Hink, stap. Hink, stap.  Sneller en sneller begin je te gaan. Hink, stap. Hink, stap. Je valt bijna over je eigen voet, maar je herpakt je en je gaat verder. Hink, stap. Hink, stap. Het stoffige zand komt in je longen en je begint te hoesten. Maar je negeert het en je gaat verder. Het hoesten heeft je jammer genoeg vertraagd en Zulu haalt je in. ‘Zwakkeling,’ roept ze naar je, terwijl ze haar tong lachend naar je uitsteekt, ‘Trage slak,’ zingend steekt ze je voorbij. Jij doet je best om haar terug in te halen, maar ze heeft de snelheid goed te pakken en ze bolt bijna over het grasveld tot aan de andere kant. Gierend van het lachen hoor je haar steeds verder voorop geraken. ‘Wacht maar zusje, ik haal je nog wel in,’ roep je en je holt haar achter na. Hink, stap. Hink, stap. Jij gaat steeds sneller en sneller. En ook Zulu gaat steeds sneller en sneller. Hink, stap. Hink, stap. De andere kant is niet meer ver en je hebt haar echt bijna ingehaald. Je voet blijft haken achter een kiezelsteentje. Je verliest je grip en stuikt in elkaar. Rollend val je op de grond en een paar meter verder kom je tot stilstand. Zulu heeft je horen vallen. Ze draait zich abrupt om, en door deze beweging blijft haar wiel steken in een putje. Samen liggen jullie op de grond. Jij helemaal onder het stof van kop tot teen, met je krukken een paar meter verderop, zij naast haar omgevallen rolstoel. ‘Polo?’ ‘Zulu?’ Even zijn jullie bang dat iemand zich pijn heeft gedaan. Niet veel later gieren jullie het uit van het lachen. ‘Ik denk dat we kunnen concluderen dat ik de snelste ben,’ zegt Zulu stralender dan ooit. ‘We doen het morgen opnieuw, dan zullen we nog wel eens zien wie de snelste is,’ is jou antwoord voor haar. Je sleept je overeind naar je krukken, je duwt jezelf recht en je hinkt verder naar Zulu. Je helpt haar terug in haar rolstoel en je geeft je krukken aan haar. Je pakt de rolstoel vast en jullie gaan samen terug naar huis. Zij al rollend, jij al hinkend op je ene been.

Lore
0 0

Alternatief sprookje

(afbeelding: Lectrr)   Hans keek verdwaasd voor zich uit. Zijn Griet was met haar hebben en houden met de noorderzon verdwenen. Hoe had het zover kunnen komen ?   Toen ze nog met de vader van Grietje, de houthakker en stiefvader van Hansje samen met de moeder van Hansje en stiefmoeder van Grietje aan de rand van het woud woonden waren ze, niettegenstaande hun schrijnende armoede, toch gelukkig geweest.   Het afgeluisterde gesprek tussen hun respectievelijke stiefouders over hun achterlating in het bos had hen geen deugd gedaan en Hansje had het heel stom gevonden dat hij de truc met de kiezelsteentjes nadien met broodkruimels had geprobeerd. Hij had zich doodgeschaamd voor Grietje. Waarom ook moesten die domme bosduiven zijn kruimels oppeuzelen?   Gelukkig dat het sneeuwwit vogeltje al op het stekeldoorntje hen naar het huisje van peperkoek had geleid. Zij hadden zich tegoed gedaan aan de lekstokken die aan het dak bengelden,  de croissants en boterkoeken op de deur en het kleurrijke snoepgoed dat her en der aan de muren hing.  Echt voedzaam waren die dingen niet geweest maar hun buikjes werden eindelijk eens gevuld.   Dat het plots opgedaagde besje hen na haar 'wie knabbelt aan mijn huisje' nog chocolademelk en pannenkoeken met bruine suiker had voorgeschoteld was er teveel aan geweest. Toen dit oud scharminkeltje uiteindelijk ook nog een heks bleek te zijn was het hek van de dam.  Maar er zat niets anders op dan berusten in hun lot en dank zij de vetmesterij van Hansje kon ook Grietje af en toe een stukje hamburger en wat frietjes met mayonaise meepikken. De hongersnood was alvast verleden tijd.   Het verhaal ontplooide zich verder, eerst met de gruwel van het water dat werd gekookt om Hansje in te garen - de oven die opgestookt werd om Grietje in te duwen  en het heldhaftige optreden van Grietje die het oude vrouwtje in de oven duwde waarin deze, zoals het een heks betaamt, levend werd verbrand.    Daarna volgde het stroperige deel met de ontdekking van parels en edelstenen.  Alweer vulde Hansje zijn broekzakken met deze steentjes en Grietje, die nog haar schortje om had van het geveinsde broodbakken in de oven, propte het vol met parels.   Waarom er, later door Disney meermaals geïmiteerde, witte zwanen bij te pas kwamen om de weg naar huis te vinden blijft een raadsel . Het dekselse water waarop de zogenaamde boot ontbrak hadden ze immers nooit opgemerkt op de heenweg naar het heksenhuis .   Dat vader bij het weerzien blij was maar ook weer triest omdat zijn tweede vrouw inmiddels overleden was , niet echt van verdriet maar van pure ontbering en dat hij snel weer vrolijk werd bij het zien van zoveel rijkdom,  kon niet echt een happy end genoemd worden.   Moest er dan een nieuw einde aan het verhaal worden gebreid ? Wat er niet in het verhaal werd verteld maar logischer leek is het feit dat Griet en Hans van elkaar 'stief' en ook stapel waren en dus samen konden trouwen en nog lang en gelukkig leven.   Zo geschiedde dus, tot er haren in de boter kwamen. Hans was nooit zijn overtollige kilo's van weleer kwijt geraakt en Griet had met de vele parels die ze zich had eigen gemaakt de smaak te pakken gekregen en was een  juwelierszaakje begonnen.  Toen Hans zich ook nog in de drank gooide en Griet zich danig begon te interesseren in een knappe vertegenwoordiger van Huize Cartier gingen de poppen aan het dansen.   Het sprookjeshuwelijk waarvan in het ware leven nooit sprake was geweest, maar ook niet in het sprookje, eindigde in een banale vechtscheiding.    

Vic de Bourg
515 1