Zoeken

Ingetuind in Vondelpark

De bankjes in het Vondelpark zijn bijna allemaal bezet maar zoals meestal heb ik geluk en staan er net twee mensen op en heb ik het bankje voor mij alleen. Mijn zonnebril doet het werk waar hij voor bedoeld is en ik kan heerlijk naar de paraderende mensen kijken. Het leven is mooi. In de verte komt een ouderpaar aansjokken. De man hangt wat aan de arm van de vrouw. Het lijkt wel of hij blind is. De vrouw kijkt mijn kant op en ze lopen op mijn bankje af. Daar gaat mijn rust. Dag meneer, mogen wij hier bij u komen zitten, vraagt de vrouw vriendelijk. Wat doe ik dan? Ik zeg niet wat ik denk: laat mij even lekker alleen zitten, er is plek zat in het park, waarom juist bij mij. Maar ik zeg, tuurlijk kom er gezellig bijzitten. Ik schuif wat op en ze gaan zitten. Dank u wel meneer. He, he eindelijk even zitten. Het zit namelijk zo. Mijn man is zijn bril kwijt. Nu denkt u natuurlijk, zijn bril kwijt? Hoe ken dat nou. Het zit zo. Me zaten in de tram en Arie, zo heet mijn man zegt: me hoortoestel doet het niet, dus hij doe zijn bril af. Zijn bril af? U bedoeld zeker zijn hoortoestel. Nee, ze bril. Dat zit zo. Dat toestel zit achter ze oor onder de bril. Die moet dus eerst af voordat het hoortoestel eruit kan. Afijn. Arie zegt, hier Dientje, das mijn naam, hou jij me bril effen vast. Nu was ik net met een aardige dame aan het praten en zonder erg stop ik hem in de openstaande tas van die dame. Ja daar kwam ik later achter. Ik dach dat het mijn eigene tas was. U wil het toch wel horen? Zonder mijn antwoord af te wachten ratelt ze door. Zoos toch Arie? Ja geloof wel. Sakkerloot, geloof je het wel, dat doe je maar ergens anders, ik vertel de waarheid. Afijn om een lang verhaal kort te maken, Arie is nog steeds met zijn hoortoestel bezig als we eruit moeten. Met het apparaatje in zijn hand gane me de tram uit en dan als de tram weer rijdt merk ik dat de bril niet in mijn eigenen tas zit. Zonder bril is Arie stekeblind. Wat moete me nou. Die bril krijge me nooit trug en me hebbe geen geld voor een nieuwe. Ken u ons misschien helpe? Ze lijken echt zielig. Ik kijk in mijn portemonnee en zie dat er vijfentwintig euro in zit. Oké, ik kan verder vandaag wel pinnen en geef die vijfentwintig euro. Harstikke bedankt meneer. Ze staan op en sjokken verder. Ik zie dat ze in de verte weer op een bankje zijn aangeschoven. Later op een terrasje vertel ik het verhaal aan een Amsterdammer en die begint hard te lachen. Jij bent er dus ook ingetrapt, die oudjes doen dat verhaal altijd en zo halen ze op een dag heel wat geld op. Ze gaan van bankje naar bankje. Mijn biertje smaakt opeens niet zo heel lekker meer.

Bassam Camino
0 0

Spermabank

Het is weer zover: we zitten met een kakkertje! En dan heb ik het niet over een jeugdspelertje bij KV Mechelen. Wel over een tepelbijtende, luiers vol schijtende, kwijlende, reflux- kokhalzende parasiet. Dit exemplaar is een goede 52 cm lang en weegt 3,7 kg. Het staat allemaal netjes op het kaartje dat gisteren in de brievenbus stak. Of ik buiten de witte gestandaardiseerde omslag en de klassieke postzegel, die niet prior was gefrankeerd, nog iets noemenswaardig te melden heb: ? Dan eventueel de overwegend groene achtergrond die een bos voorstelt waarin een kleuter (ik denk een jongen) zich, plitse-pletse, een weg doorheen speelt. Joehoe! Voor een die hard Racing fan zou bij het aanschouwen van deze geboorteaankondiging de titel al binnen zijn. Verder merk ik geen noemenswaardige afwijkingen.   Tien vingertjes en tien teentjes. Meer niet. Wel twee onschuldige oogjes die, vanonder een wollen mutsje met daarin (waarschijnlijk) een punthoofdje, als een hongerig glimwormpje in een onderaardse ziekenhuisgang liggend op de buik van mama worm wachtend op zijn eerste witte glimmelk, recht in mijn gezicht loensen vanaf de haastig getrokken foto die papa worm voor alle andere wormen uit de naaste familie en nabije kennissenkring op zijn facebookpagina heeft gepost.   Kijk wat een leuke houten legpuzzel zegt mijn vriendin die achter mij is komen staan en opgewonden haar favoriete geboortelijstartikelen met vette vingers op mijn computerscherm aantikt. Als we nu eens zoals altijd deden zeg ik en eerst onze chipshanden wassen. Gewoon vijftig euro storten is zo onpersoonlijk zegt zij. Maar goed. Als jij dat wilt is dat voor mij oké.   Ik heb het uitgerekend: tweeëntwintig keer. Tweeëntwintig keer hebben we een geboorte in onze brievenbus ontvangen. Dat betekent in totaal: voor duizendhonderd euro aan papflessen en luiers. Dat is op zijn minst twee weken Costa del Sol of Benidorm. Toch zeker één week Tenerife. Het moet gedaan zijn, onze vrienden- en kennissenkring telt nu genoeg kinderen. Mijn geld is op zeg ik terwijl mijn vriendin nog een schijfje gefrituurde aardappel in haar mond stopt. We kunnen dat niet maken zegt zij. Tradities zijn er om in ere te houden, wij geven altijd vijftig euro. Goed dan zeg ik. Dan ga ik vanaf nu iedere week naar de spermabank. Wat ga je daar doen zegt zij het zout van haar vingers aflikkend.   Ik heb het uitgerekend zeg ik. Vijfenzeventig euro per gevuld potje, handje contantje. En daar bovenop schrijf ik alle koppels voor wiens kinderen wij geld gestort hebben dat ik ook papa geworden ben. En nu serieus zegt mijn vriendin: hoeveel houd je daar echt aan over? Ik heb het nagevraagd zeg ik. Wat afgetrokken is kan niet nog eens afgetrokken worden door de belastingen. Voor mij hoef je vanavond niet te koken er liggen nog zakjes paprika in de snoepkast, dat bespaart je alvast een halve euro zegt mijn vriendin met geveinsde ernst.   Morgenvroeg doe ik alvast een eerste aankondiging op de bus:   Ik ben nog niet geboren en toch ik ben op komst. Ik ben ook niet zoals jullie maar ik ben Anders. Anders Beernaert.   Ja, ik geef al mijn kinderen een naam. En mezelf vijfenzeventig euro!

Sascha Beernaert
13 0

Bruggen bouwen

Hij zit daar, altijd op dezelfde plaats.  Ook nu het bitterkoud is en een snijdende wind de neuzen rood doet aanlopen, zit hij daar. Ik wandel hem voorbij en ik glimlach. Hij knikt vriendelijk terug.  Even later kan ik vanuit de zetel in de warme bib zijn rug zien, én zijn volharding. Gelukkig heeft hij een warme jas aan en een wollen muts. Een zwart deken heeft hij om zijn benen gewikkeld.  Ik kan het niet zo goed zien, maar ik denk dat hij op een meditatiebankje zit, met daaronder een stuk karton. Moedig blijft hij zitten, waarschijnlijk uren aan een stuk. En hij glimlacht, zonder te verwachten, soms smekend, soms gelaten, soms hoopvol. Een dame met een groene jas is zo in gedachten verzonken dat ze hem niet opmerkt.  Een jongeman die opvallend licht gekleed is, raast voorbij.  De brug waarop de man zit, zucht en kreunt onder zoveel onverschilligheid.  Zachtjes maar zeker kabbelt even later een stroom van vrijgevigheid voorbij: een glimlach, een muntstuk, een vriendelijk woord, ... De brug wint aan stevigheid. De koude snijdt door merg en been vandaag, maar hij blijft zitten. Zichtbaar onbewogen. Kalm. Dankbaar voor ieder muntstuk in zijn beker. Misschien stroomt er in zijn binnenste wel een kolkende rivier vol wroeging om wat verloren ging, vol jaloezie op rijke passanten, vol wanhoop om weggerukte dromen, vol woede op mensen die hem in de steek lieten...  Vriendelijk blijft hij zitten, stilletjes hopend op een betere toekomst. Ik duffel me warmpjes in en loop in zijn richting. Ik kom over de brug met wat kleingeld voor hem. In zijn blik ontwaar ik het vonkje dat hem warm houdt in deze kou.  

Aline
0 0

Mokerslag

  Aan de oostzijde van het dorp Halfstede, langs de rand van een groepje huizen die in eenzelfde zomer werden neergezet en er allemaal eender uitzagen, lag een klein parkje, een bescheiden stukje groen. Er stonden een paar bomen, één bank met de rugzijde naar straat gekeerd, aanleunend tegen een rij struiken,  en een bescheiden gazon waarvoor de gemeentediensten nauwelijks een half uur nodig hadden het om te maaien. Een kindvriendelijke toets werd bij de aanleg niet vergeten: een klimhuisje met een glijbaan van nog geen meter hoog, en twee wiebeltuigjes in de vorm van een paddenstoel op een grote veer gemonteerd. Kortom, een klein vredig plekje, een uitnodiging om te verpozen, gewaardeerd door iedereen in de buurt. Op een frisse, regenachtige morgen in maart verscheen een man in het park. Hij zette enkele stappen op het kleine grasveld, bleef staan, bracht zijn armen achter zijn lichaam en liet zijn jas in een paar schokjes van zijn rug glijden en op de grond vallen. Hij keek er niet naar om, alsof het een stuk afgeworpen dode huid betrof. Hij droeg een blauwe jeans en een lichtkleurig hemd, netjes alledaags. Hij was helemaal niet op het vervolg gekleed, want hij nam een bijl uit een tas, gloednieuw, plantte de steel stevig in beide handpalmen en klemde alle vingers er rond. Hij ging voor een boom staan. Plots dreef hij zonder aanleiding en met een ongeziene brutale kracht de bijl in de stam. Door de slag vluchtte een duif door de takken weg. Vloekend wrikte hij de bijl los. De vezels kraakten en hingen als stroeve draden uit de stam. Hij sloeg opnieuw, en opnieuw. Er leek geen welbepaalde plaats te zijn waar hij zijn bruut geweld op richtte. Hij sloeg enkele keren op de ene plaats en beukte dan op een andere, bedacht zich opnieuw en viseerde dan weer een andere plek. In zijn allesomvattende woede kwam hij handen tekort.  Het liefst had hij de boom overal tegelijkertijd willen treffen, op eenzelfde moment. Bij elke slag was er een dof trillend geluid dat in het vochtige hout uitstierf, en harsdruppels liepen dik en langzaam langs de stam naar beneden. De man kreunde bij elke uithaal zoals tennissers op televisie plegen te doen. Af en toe schreeuwde hij iets onverstaanbaars, haalde onverwacht een paar keer vastberaden uit naar de onderzijde van de stam, ging een stap opzij en zette plots zijn zinnen dan weer op een grote tak boven zijn hoofd. Hij maakte een paar keer gekke sprongetjes terwijl hij hem te lijf ging. Het duurde een tijd voor iemand het opmerkte, maar na twintig minuten stonden er een vijftiental omstaanders toe te kijken. ‘Wat bezielt die man toch?’ zei er iemand, en vertolkte daarmee iedereens indringende vraag.  Iemand wou op de woesteling afstappen maar werd door anderen tegengehouden. ‘Niet doen, het is een gek uit die instelling verderop.'  Het was waanzin wat ze zagen. ‘Hé, wat richt jij daar uit?’, riep tenslotte iemand vanop een veilige afstand. Hij hield niet op met de bijl in het hout te drijven, leek de man eerst niet te horen, maar zonder op te kijken schreeuwde hij zichzelf tussen twee slagen schor. ‘Laat me met rust! Bemoei je met je eigen zaken!’ Het was gewoonweg ontstellend zielig, de boom werd in zijn razernij onherstelbare schade toegebracht en was nu stervende. Overal stukken bast op de grond, zichtbare, verscheurde en gapende wonden in het bleke spinhout, loof dat overal verspreid lag, takken die op gebroken armen leken. 'Hebben we misschien bomen te veel in de wereld misschien?’ werd hem opnieuw toegeschreeuwd. Hij antwoorde niet meer, speeksel liep langs zijn wang en in zijn haar, zijn hemd hing uit zijn broek, een kleed in zwijgzaamheid gehuld dat somber en gevaarlijk aanvoelde.   Iemand belde de politie. Toen twee eenheden zonder sirene en zwaailichten maar wel in kogelvrije vesten arriveerden lag de boom geveld op zijn zijde, en zag eruit alsof hij urenlang een tyfoon het hoofd had moeten bieden. Het was niet genoeg dat hij tegen de grond lag. De man hakte en houwde verder. Een agent beval hem onmiddellijk op te houden. Hij hield inderdaad even halt maar sprak vreemd genoeg de boom aan. ‘Sapstroom ? Waar ben je ? Sapstroom?’ Daarna begon hij te huilen. Het leek op het huilen van zijn prille begin als kind, wanneer zijn moeder hem voor de eerste keer naar de kleuterklas bracht. De agent keek zijn collega aan en fluisterde. ‘Compleet door het lint. Hou je klaar.’ De agent probeerde hem al pratend te bereiken en sprak hem verzachtend als een grote broer toe. ‘Zie je, je hebt hem omgehakt nu, je hebt je doel bereikt. Je bent klaar hé? Kun je die bijl een eindje van je weggooien? Dan kunnen we rustig even praten.’ Voorovergebogen keek de man de agent aan terwijl hij zwaar stond te snuiven, zijn borstkas hevig op en neer ging, de bijl rustend op zijn knie. Een splinter hout lag op zijn onderste lip. Het leek even of hij ging braken terwijl hij het tesamen met andere troep uitspuwde. Iemand zei: ‘Drugs natuurlijk’, wat op veel bijval kon rekenen. ‘De druk op de gezinnen mag je tegenwoordig ook niet onderschatten’ zei een ander. ‘Ze persen je uit als een citroen, straks werken we tot ons tachtigste.’  Maar allemaal waren ze het er over eens dat bomen onschuldige wezens waren die ’s nachts zuurstof afgaven en daarom met grenzeloos respect bejegend moesten worden. ‘En, wat denk je? Kan je mij  jouw naam zeggen?’  vroeg de agent rustig. Het enige antwoord dat volgde was een onbedaarlijk snikken dat in alle hevigheid weer toenam. ‘Man, ik zie dat je het moeilijk hebt’ zei de goed opgeleide agent. Plots, met een krachtige haal die alle vorige overtrof, dreef hij een laatste keer de bijl in de verwoeste stam en liet hem daar zitten. Vanaf dan ging het snel. Bijna ogenblikkelijk wierpen drie agenten zich op hem, spreidden armen en benen in veiligheidshouding op de grond uit en fouilleerden van boven naar beneden. Voor de nieuwtjes onder hen was het een goede praktijkoefening. Onder de wirwar van armen en benen zag je de man niet meer liggen. Hij bood geen weerstand. Je hoorde hem alleen roepen.  ‘Geen vruchten meer ! GEDAAN ! Niet groen, maar ZWART ZWART ZWART ! ‘ De politiemannen zeiden niets terwijl hun volle aandacht naar het in hechtenis nemen ging. Ze brachten zijn polsen samen op zijn zijn rug en boeiden hem. Net op dat moment kwam een fietser langs, zag de twee politiewagens en het tumult op het gras. Nadat hij door het groepje toeschouwers uitvoerig op de hoogte werd gesteld fronste hij zijn wenkbrauwen terwijl de man werd weggeleid. ‘Is dat Peter Van Hul niet?’ zei hij hoogst verwonderd. Alle ogen keken naar de man op de fiets. ‘Hoezo, ken je hem?’ ‘Natuurlijk. Peter heeft hier vlakbij gewoond. Onze kinderen zaten bij elkaar op school. Af en toe hoorde ik nog iets van hem, maar ik had onlangs liever niet vernomen dat zijn dochter Judith in een ongeval om het leven was gekomen. ‘O, maar die arme man is gek geworden! ’ viel iemand hem bij. De man op de fiets keek naar de plek en staarde naar de boom die in een deplorabele toestand op de grond lag. Hij speurde het park af en begon zich iets te herinneren. ‘Ik geloof dat…’ Hij zocht in zijn geheugen naar steunpunten. ‘Het is nog altijd geen reden om de natuur zo te vernietigen als ik het eerlijk mag zeggen’ zei een oudere vrouw. Dit keer zei niemand iets. ‘Ik geloof dat die boom daar...’ ‘Wat dan?’ Alleen wie dicht genoeg stond kon het hem horen zeggen. ‘Ze hebben die boom daar bij haar geboorte geplant.’  

Lode Van Wabeke
0 0

HUGO

Ik adem diep in, open de deur en stap de danszaal binnen. Mijn voeten draaien zich vanzelf in de eerste positie wanneer ze de vertrouwde houten balletvloer raken. Mijn rug recht zich, mijn kin gaat lichtelijk omhoog en ik wandel de zomer van het jaar tweeduizendvijf binnen. ‘Is het dansant genoeg?’ Hugo staat voor me en wipt van het ene been op het andere. Hij heeft een tutu van witte repen papier aan, met daaronder een witte onderbroek. Verder is hij naakt. Ik ben eenentwintig en ik heb er net het eerste jaar filmschool opzitten. Ik heb even lak aan alles wat kunstzinnig en cultureel verantwoord is. Vakantie is er om de ‘Elle’ te lezen en naar Madonna te luisteren. Zoals Hugo hier voor me staat, een late veertiger in wit papieren rok, weet ik niet goed hoe ik me daarbij moet voelen. ‘Snap je de intensiteit mijn choreografie? Zie je de streep poëzie in mijn bewegingen?’ vraagt hij, nu met lichte aandrang. ‘Hoe bedoel je dat net, Hugo?’ vraag ik en trek mijn ogen tot spleetjes. Ik probeer tijd te kopen, zodat ik een fatsoenlijk antwoord op zijn vraag kan bedenken. ‘Kijk,’ zegt hij, duidelijk leerkracht in het dagelijkse leven ‘dansen is een taal. De focus ligt op één lichaamsdeel, maar je hele lichaam moet volgen. Wanneer de initiatie bijvoorbeeld niet in je benen zit, kunnen zij zich toch verplaatsen om de beweging te faciliteren. Dat kan cerebraal starten, maar dan moet je het lichaam laten overnemen. Alsof je sporen nalaat, een combinatie van gevoel, lichaam en hoofd. Spanning creëren enzo.’ Ik knik, maar heb geen idee wat Hugo me net heeft willen duidelijk maken. ‘Maar de vraag is: is ze dansant genoeg, mijn choreografie?’ herhaalt hij. ‘Euh ja,’ antwoord ik met lichte twijfel. ‘Doe het anders nog eens, je dansje.’ ‘Mijn choreografie,’ verbetert Hugo me. Hij loopt parmantig naar de stereoketen en start zijn muziek: ‘Light my fire’ van The Doors. Zeven volle minuten geeft Hugo alles wat er in zijn ontblote lijf zit. Wanneer het einde nadert, verliest hij zich in een pirouette waarvan ik denk dat hij er nooit meer uit zal raken. Het heeft iets wanhopig en aandoenlijk tegelijk. De witte papieren rok scheurt en Hugo valt als de stervende zwaan op de grond. Ik hou mijn adem even in, maar voor ik hem kan helpen staat Hugo al weer op. ‘En?’ hijgt hij. ‘Ja, heel dansant,’ zeg ik vol overtuiging. Het erge is, dat ik het nog meen ook. De kwetsbare passie die ik net bij Hugo zag, hebben vreemd genoeg mijn ogen geopend. Zijn dans op zich was misschien niet geweldig, maar ik heb het gevoel dat ik recht in de ziel van deze man heb gekeken. Soms is het een kunst, om kunst te zien. Er rolt een wit pluisje over de dansvloer. Lichamen vouwen zich als zoekende kunstwerken op de zwevende parketvloer. Altijd anders, altijd mooi, altijd aandoenlijk. Het is weer tweeduizendachttien. Mijn ogen prikken en zoals elke zomer vraag ik me af of Hugo nog zou dansen.   ‘Hugo’ schreef ik deze zomer in de Zomeracademie Dworp en verscheen deze week in het online literair magazine De Vallei Nr39 op pagina 36.https://devallei.wordpress.com/  

Ans DB
0 1

IJsbreker

Er zijn momenten geweest waarin ik dacht dat hij me echt zag. Zijn ogen stonden zo vol begrip en medeleven, dat het niet anders kon dan dat hij me aannam voor wie ik was.   Hij zag MIJ.   Hij zag me op momenten dat ik mezelf niet kon zien. Ik ben hem ontzettend dankbaar daarvoor, meer dan dat ik in staat ben uit te drukken.   Ik ben niet aandachtig genoeg geweest tijdens die momenten, mijn hart en gevoelens waren bevroren. Het is pas achteraf dat ik heb beseft hoe hij mijn ijs heeft laten smelten, geleidelijk aan. Haast onmerkbaar.   Deze dagen kom ik door met een rugzak vol spijt. Spijt dat ik me aan hem heb vastgeklampt, spijt dat ik hem te dicht heb gelaten om hem vervolgens niets te zien doen met al die informatie die hij over me kreeg.   Spijt.   Er is te veel om op te sommen.   Soms denk ik dat hij me nu nog steeds ziet, al is het maar een fractie van een seconde, maar het volgende moment verstaat hij me terug mis. Het is onmogelijk uit te drukken hoe hard het kwetst wanneer hij me verkeerd opvat.   De onzekerheid of hij me ooit wel heeft gezien voor wie ik ben, komt dan naar boven, gevolgd door alle momenten waarop ik me kwetsbaar opstelde.   Ik heb enkel vragen, geen antwoorden.  Waarom stelt hij zich zo op alsof er niets is gebeurd? Heb ik het me verbeeld?   Hoe denkt hij, die prachtige persoon dat hij lijkt te zijn, over iemand zoals ik, gevangen tussen de persoon die ik wil zijn en de persoon die ik ben?   Voel ik me zo tot hem verbonden door zijn lichtblauw gekleurde irissen, die zich al zo vaak in mijn onderbewustzijn hebben gewaagd? Hij liet mijn ijs smelten door me hoop te geven; niet alleen dat, hij schonk me de kracht van het verlangen.   Maar ik, verwend dat ik ben, had veel meer nodig dan gewoon een ijsbreker. Want wie zou me opwarmen na die ijskoude ervaring?

Justine-e
0 0

De wachter van Rubjerg Knude Fyr

De ijzige wind sloeg genadeloos toe op de kale krijtrotsen. De laatste jaren hadden de natuurkrachten lelijk huis gehouden op de laatste vuurtoren van de streek. De meeste van de rotsen waren ondertussen bijna volledig afgebrokkeld, waardoor de vuurtoren elk moment dreigde in te storten, al tuimelend de dieperik in. Wanneer dit kon gebeuren, kon niemand vertellen. Het kon elk moment gebeuren, maar evengoed kon het er nog enkele jaren tegenaan. Iedereen vroeg zich af waarom Erland weigerde te vertrekken. Emotioneel gebonden, zoals hij het altijd mooi kon verwoorden. Maar de laatste tijd leek het alsof hij stilaan toch begon te twijfelen. Hij kwam in ieder geval verward over volgens de trouwe wandelaars die er wekelijks passeerden, steeds verloren lopend in zijn eigen, diepe gedachten. Onwetend wat er echt in Erland omging.   De laatste donderdag van November had Erland er genoeg van. Vandaag zou het gebeuren, had hij beslist. Het moest uitsluitend vandaag. Hij trok zijn laatst gekochte kostuum aan, een donkerblauw driedelig maatpak van Zegna, en knoopte zijn das. Het was even geleden, maar de handeling zat er nog steeds ingebakken. Een laatste spier herinnering aan zijn legerdienst. Hij greep zijn nieuwe loafers en deed deze zorgvuldig aan. Hij wilde er absoluut piekfijn uitzien voor deze gelegenheid. Loafers vond hij gemakkelijk, ook al zag hij nog steeds een klassiek geklede schoen nog altijd het liefste. Sinds het ongeval kon hij echter niet meer zo goed door zijn rug, dus wilde hij de simpele handeling van veters knopen liever achterwege laten. Zijn ogen dwaalden nog een laatste keer door de vuurtoren, zijn hand al glijdend over de zetel waar hij de laatste jaren elke avond in doorbracht. Een langspeelplaat van Miles Davis, een kop warme koffie en een boek van zijn favoriete auteur, meer had hij niet nodig. Een TV had Erland niet; hij wilde niet gehersenspoeld worden door alle hersenloze inhoud van wat ze tegenwoordig hoogstaande televisie noemden. Dit was dan ook het eerste dat hij had weggegeven. Nadien volgden steevast het merendeel van zijn bezittingen. Hij wilde een simpeler, minimalistisch leven leiden. Eén met de natuur rondom, dat was zijn grootste wens. Vandaag, vandaag ging het werkelijkheid worden. Hij liep door de grote, houten deur en liet zijn hand nog een laatste keer rusten op het hout dat de natuurkrachten met trots had doorstaan. Zo wilde Erland ook zijn, gehardend door al de gebeurtenissen in zijn leven, maar hij kon het niet. Een gebroken man stond nu buiten aan de vuurtoren van Lønstrup.   De natuur had ervoor gezorgd dat de hele omgeving omringd werd door duinen. Op een warme zomerdag waande je jezelf in de Sahara woestijn. Doorheen de jaren begon het zand meer en meer ruimte in te palmen. Begin dit jaar begon het uiteindelijk ook de vuurtoren te consumeren. Stuk voor stuk werden de duinen groter en groter, tot het tenslotte het licht van de vuurtoren blokkeerde en het compleet van zijn enige taak ontnam. Het lot van de toren werd hiermee bezegeld. Binnen dit en een jaar zal het ofwel volledig verdwijnen onder een dikke zandlaag of het zou te pletter storten in de oceaan. Erland probeerde de diepe zandputten te vermijden. Gelukkig lagen de meeste aan de andere kant van de toren. Met kleine, welgeplaatste stappen verplaatste hij zich richting de kliffen. Een laatste blik werpen op de woeste oceaan, dat is wat hij wou. De plaats waar hij verscheidene schippers de weg toonde in deze woeste wateren. Hij had een vaste plaats waar hij vroeger met Laerke, zijn vrouw, kwam kijken naar het ontembare water. De momenten dat hij kwam kijken met haar leek het water rustiger dan anders. Het was alsof ze ook een kalmerend effect had op de oceaan, net zoals ze dat ook had bij Erland. Het duurde echter niet lang voor deze plaats en de bijhorende herinneringen aan zijn vrouw, hem emotioneel maakten en de eerste tranen uit zijn ogen ontsnapten, die bijna onmiddellijk door de wind werden opgeschept. Dit was het, dit was het moment dat alles zou eindigen voor hem.   Erland nam een laatste keer diep adem, knoopte netjes zijn vest dicht en trok zijn das millimeter juist. Hij maakte zich klaar om één laatste grote stap te nemen in het oneindige. Eén grote stap en een grote dosis moed was al wat hij nodig had op dit moment. Het laatste beeld van de oceaan stond op zijn netvlies gebrand zodra hij zijn ogen zachtjes sloot. Erland raapte al zijn moed bijeen en maakte zich klaar om zijn laatste daad als vuurtorenwachter te verrichten. Net op dat moment voelde hij iets langs zijn benen bewegen. Zijn verbazing was groot toen hij een zwarte kat opmerkte, strijkend langs zijn benen. Dit was de allereerste keer dat Erland hier een dier zag dat geen vogel was, laat staan dat hij hier een huiskat zou tegenkomen. Zijn ogen werden begroet door twee, grote starende kattenogen, zonder ook maar één keer te knipperen. Het leek net alsof het iets wou van Erland. Nooit had hij verwacht dat hij op zijn laatste dag verwikkeld zou geraken in een staarwedstrijd met een typische huiskat. Uiteindelijk moest hij het onderspit delven en kon hij het niet laten om als eerste te knipperen. Vol trots strijkte de kat een laatste keer langs zijn been om zich nadien te begeven naar de bank waar Erland altijd met zijn vrouw ging kijken naar de golven. Toen Erland zich terug richting de oceaan keerde, werd hij tegengehouden door luid gemiauw. Het was alsof deze kat hem riep naar zijn vertrouwde plek. Het gemiauw werd steeds luider en luider, tot het moment dat hij het niet meer kon negeren en hij richting de zitbank werd aangetrokken.   Erland maakte zijn vest los en nam plaats op de bank. Zodra hij nog maar het hout rakelings raakte, duwde de kat haar kop tegen zijn zij. Het was niet meer dan een lichte aanraking, maar Erland voelde vrijwel meteen een vertrouwensband met het dier. “Wat is er allemaal?” vroeg hij terwijl hij zijn hand liet neerdalen op het voorhoofd van de kat. Hij wist zeer goed dat een kat natuurlijk niet kon antwoorden op zijn vraag, maar dit weerhield hem echter niet om zijn vraag toch te stellen. Niet dat hij een antwoord verwachtte, maar het zat in de menselijke aard om dit te doen. Niettemin hielp het tegen het eenzame gevoel dat hij al dagen met zich meedroeg. “Wat doe je hier toch? Dit is helemaal geen plaats voor een kat!” Als een manier van antwoord nestelde de kat zich helemaal in tegen de zij van Erland. Minutenlang keken ze zo samen naar de neerslaande golven. “Weet je,” de stilte doorbrekend, “Ik kwam hier eigenlijk naartoe om er een einde aan te maken.” Niet dat de kat hem überhaupt begreep, maar toch vertelde hij verder. “Ze hebben besloten om uit veiligheidsredenen de vuurtoren te verlaten. Dit was nog de enige bezigheid die ik had na de dood van mijn vrouw.” De kat gaf een iets harder kopje, gevolgd door spinnende geluiden. “Ah zo, je wil meer weten over mijn vrouw?” Erland staarde een tijdje naar de kat, alsof hij nog steeds op een antwoord wachtte. “Wel,” begon hij te vertellen, “Ik leerde Laerke kennen vlak voor ik naar de oorlog vertrok. Je kan je natuurlijk inbeelden dat dit niet zo gemakkelijk was, voor geen van beiden.” Erland begon plots te lachen toen hij besefte dat hij nog steeds tegen een kat aan het praten was. “Natuurlijk kan je je dat niet inbeelden, haha. Maar goed, doorheen de hele periode dat ik overzee was hielden we contact door middel van brieven. Ik kan me inbeelden dat dit een heel bange periode voor haar was. Nooit met zekerheid weten of ik wel heelhuids naar haar zou terugkeren. Het geluk kon dan ook niet op toen ik onaangekondigd voor haar deur stond met een boeket bloemen en een amulet die ik speciaal voor haar had uitgekozen. Op een lokaal marktje viel mijn oog net op een amulet in de vorm van een apenhand die een heilige steen uit de Mekong rivier vasthield. Deze waren blijkbaar door een sjamaan gebruikt bij zogenaamde genezingen. De amulet zou dan op de te behandelen plaats worden gelegd als hulpmiddel bij een genezing. Volgens mijn toenmalige gids waren amuletten zoals deze vrij tot zeer zeldzaam. Dus natuurlijk twijfelde ik geen seconde en kocht hem met mijn laatste lokale munten. Laerke had een fascinatie voor apen, dus ik wist met absolute zekerheid dat ze hier blij mee zou zijn.” De wind was ondertussen geminderd en geleidelijk aan begonnen er kleine openingen te ontstaan in het dichte wolkenpak boven de kliffen. De verdwaalde zwarte kat lag nog steeds in Erland zijn zij gekruld, nog steeds spinnend van tevredenheid. Erland kon zelf ook niet geloven dat zijn humeur stilaan beterde. Zijn rechter mondhoek ging een klein beetje omhoog. Het was duidelijk dat hij een glimlach probeerde te onderdrukken. Ook al zou hij het zelf niet zo snel toegeven, maar dit deed hem deugd. Zijn verhaal ging verder.   “Het was moeilijk om mij terug aan te passen aan de maatschappij nadat ik van de oorlog was teruggekeerd. Niet dat ik vreselijke dingen had gedaan, maar het was tenslotte een oorlog. Verschrikkelijke dingen heb ik gezien, terwijl ik machteloos stond toe te kijken. Nu zouden ze dit posttraumatische stressstoornis noemen, maar deze diagnose bestond toen nog niet. Gelukkig had ik Laerke die me erdoor hielp. Zonder haar zou ik er nu waarschijnlijk niet meer zijn. Maar ook zij kon mij niet beletten om een toevlucht te zoeken tot alcohol. Whisky en absint waren mijn beste vrienden. En nu, nu zijn ze mijn ondergang geworden. Het waren zij die mijn leven verwoest hebben, in samenwerking met mezelf.” De kat maakte zich los van Erland en kroop met uiterste zachtheid op zijn schoot. Een paar zachte dabjes met zijn voorpoten was al de voorbereiding die ze nodig had om zich tot een balletje om te vormen. Erland liet zijn hand rusten op de kleine zwarte pluisbal op zijn schoot. Met elke ademhaling voelde hij zijn hand op en neer gaan. “Ik had moeite om een job te behouden. Ik ging van de ene werkplaats naar de andere. Door mijn dienstplicht heb ik mijn studies nooit kunnen afmaken, dus werken met mijn handen was al dat ik kon. Ik ging van timmerman naar loodgieter, van houthakker naar dakwerker, maar door mijn aanhoudende drankprobleem kon ik het nergens langer dan een jaar uithouden. Uiteraard had ik verscheidene pogingen ondernomen om er vanaf te geraken, maar telkens gebeurde er iets waardoor ik herviel in de wereld van alcohol. Tot er iets gebeurde dat heel mijn wereld ondersteboven zette, dat mij wakker heeft geschud. Helaas met een onbetaalbare tol, het leven van mijn vrouw.” Een traan ontsnapte langs zijn linker ooghoek. Het begon met één, maar door deze gebeurtenis terug op te rakelen, volgde er snel een rivier van verdriet.   “Na mijn zoveelste ontslag ben ik op een avond dronken achter het stuur gekropen. Ik dacht dat ik hiertoe nog in staat was, in die mate dat ik zelfs een fles whisky in mijn hand had achter mijn stuur. Ik was bijna thuis, zag onze oprit steeds dichterbij komen, toen plotseling mijn fles uit mijn hand op de vloer viel. In mijn toestand wilde ik geen druppel van mijn vloeibare vrienden verspillen, dus ik bukte mij om het op te rapen. Had ik dit niet gedaan , had ik waarschijnlijk gemerkt dat Laerke naar buiten was gekomen en mij stond op te wachten op de oprit, aan het begin van de straat. Ik merkte pas wat er gebeurd was toen de auto tot stilstand was gekomen tegen de garagepoort. Laerke was op slag dood en zat nog steeds gekneld tussen de wagen en de garagepoort.” Deze gebeurtenis had Erland gebroken. Sinds dat moment heeft hij nooit meer in een auto gezeten, zelfs niet als passagier. De zwarte kat keek hem aan met grote, gele ogen. Het was alsof Erland naar een volle maan in een ver melkwegstelsel aan het kijken was. Toen de kat zich nogmaals omdraaide en in een andere positie ging liggen, viel het hem pas op dat het een witte plek had op haar borststreek. Een vorm die hij vaag herkende, maar voor hij deftig kon kijken, plaatste ze haar kop terug op zijn schoot. “Ik wou mij volledig afzonderen van de wereld,” ging Erland verder, “toen er een vacature als vuurtorenwachter vrijkwam aan de andere kant van het land, greep ik deze kans met beide handen. Ik verdiende het in mijn ogen niet om nog langer actief te zijn in de gemeenschap. Dus dit was de ideale manier, afgezonderd en ik kon boete doen om toch nog mensen te helpen. Talloze schippers heb ik op deze manier gered. Het is pas nu dat ik vind dat ik ook nog maar een klein beetje van boete heb gedaan voor mijn daad, ook al zal het nooit genoeg zijn.” Nu ze ook dit van hem zouden afnemen, zag Erland nog maar één uitweg, één worden met de natuur, want zoals de vuurtoren Rubjerg Knude Fyr heeft duidelijk gemaakt: de natuur overwint altijd!   Erland maakte aanstalten om recht te komen, waardoor de kat van zijn schoot sprong. Erland stond recht, maakte de knop van zijn vest terug vast, aaide de zwarte kat nog een laatste keer over haar kop en keek in de richting van de kliffen. De oceaan was nog steeds ruw en golven sloegen hardnekkig toe op de rotsen. De zon had ondertussen alle wolken verdreven. Een idyllisch plaatje voor zijn laatste daad als vuurtorenwachter. Stap voor stap begaf hij zich richting de afgrond. Net voor hij het einde naderde, hoorde hij een luid gemiauw, komende van de bank waar hij net zijn levensverhaal had verteld. Toch kon Erland het niet laten om nog een laatste keer achterom te kijken. Daar zag hij in de verte de vuurtoren. Vanaf hier zag hij pas hoe genadeloos de natuur had toegeslagen. De onderste gebouwen waren bijna volledig bedolven onder het oprijzende zand van de duinen. Het was een wonder dat hij nog steeds binnen en buiten kon. Hij liet zijn blik neerdalen richting het bankje, waar hij de zwarte kat rechtop zag zitten met haar staart rond haar voorpoten gewikkeld. Haar goudkleurige ogen staarden diep in zijn ziel. Toen merkte Erland de witte vlek op haar borst op, een kleine plek in de vorm van een hand. In het midden zat nog een klein zwart vlekje, net zoals de amulet die hij van Laos had meegebracht voor Laerke. Vrijwel meteen viel Erland op zijn knieën in het zand. Zijn handen bedekten zijn ogen en niet veel later barstte hij in tranen uit. Eindelijk had hij het gevoel dat hij niet meer alleen hoefde te zijn. Zijn taak als vuurtorenwachter zat er eindelijk op.

Nick Van Loy
22 0
Tip

De slechtste dingen in het leven zijn gratis

“Wanneer zijn de dromen begonnen, herinnert u zich dat nog?” vraagt dokter Martens. “Een jaar geleden.” Lieg ik. De dromen zijn er al vanaf zo lang ik het me herinner. Maar dat kan ik hem natuurlijk niet vertellen, dan houden ze me hier nog langer vast. De sanseveria die de verpleegster enkele weken geleden in mijn kamer heeft gezet, om de boel wat op te fleuren hangt er slap bij.   Rechts naast de verwelkte kamerplant staat mijn bed dat nog niet is opgemaakt.  Ik ben mijn kracht om basistaken uit te voeren verloren en de huisverpleegster is nog niet langs geweest om het voor me te doen. Aan de andere kant van de kamer staat een typisch ziekenhuistafeltje met twee oncomfortabele plastieke stoelen. Op de geelgekleurde stoel met  wiebelende poot, zit ik. Recht tegenover dokter Martens, die een poging tot het gesprek verder te zetten heeft gestaakt wegens mijn concentratiegebrek.   Ik glimlach flauwtjes naar hem, niet in staat hem in zijn ogen aan te kijken. Ik kan niemand meer recht in de ogen kijken. Niet sinds ik de zijne heb gezien. “Astrid, het heeft geen zin meer voor mij om nog langer te blijven als je niet antwoord.” Zegt hij. Ik knik en hij zucht. Hij neemt zijn bruine lederen tas waar hij mijn dossier in stopt, en vertrekt naar zijn volgende patiënt. Ik zucht opgelucht.  Zo gaat het als sinds ik ben opgenomen, tijdens therapiën hou ik me stil. Enkel tijdens bezigheidstherapie geef ik ze iets waarmee ze kunnen werken. Een simpele quote van een liedje. Ons liedje. Ik glimlach. Hij heeft me sinds mijn opname niet meer bezocht. Misschien komt het door de zware medicijnen, of hij wilt natuurlijk dat ik zo snel mogelijk thuiskom. Dat ik weer bij hem kan zijn, ongestoord en zonder vooroordelen. Enkel hij en ik in onze eigen wereld. De wereld die hij voor me geschapen heeft. Of ik voor hem, ik kan het moeilijk uitleggen.   Ik hijs me uit de stoel en zet koers richting mijn ziekenhuisbed. Boven het bed hangt een  rood knopje, de ‘alarmknop’ zoals ze het hier noemen. Een soort van oproepknop voor noodgevallen zeg maar. Ik heb al talloze keren op die knop gedrukt in de waan dat ik hem zag. En ook juist omdat ik hem niet zag.  Ik moet hem zien. Sommigen zeggen dat hij een waanbeeld is, en anderen denken dat ik lieg over wat me overkomen is. Maar ik ben er zeker van, hij bestaat. De dag dat ik en hij besloten dat ik zou springen om voor eeuwig bij hem te zijn, stond hij beneden voor me klaar. Hij zou me opvangen, zoals hij dat iedere keer in mijn leven opnieuw had gedaan.

Lana Salamone
81 2

In vergetelheid vergeten

Vandaag lig ik in een poel van mijn eigen zweet te baden. Het is 36°graden en ik zit in mijn bed naar een documentaire te kijken van hoe Pablo Escobar Colombia in een drugsoorlog heeft verwikkeld. Het interesseert me niet veel maar het herinnert me dat ik pietluttig ben in deze wereld en wat ik vandaag zal doen, zal niet veel uitmaken in het universum. Pablo heeft honderden mensen gemarteld en vermoord. Hij heeft families uit elkaar getrokken en haalde het ergste uit mensen. Vandaag hebben zijn beslissingen nog altijd veel effect op het land. Ik, ik heb geen effect. Op niets en op niemand. Hier geloof ik met heel mijn hart in. Vanochtend is de miserie begonnen. Mijn T-shirts zijn allemaal maar echt allemaal in de was. Het gevolg is dus dat ik een lang shirt moet aandoen. En dit op een van de warmste dagen van het jaar. Dit is duidelijk het universum dat zegt dat ik moet binnen blijven. Zodat ik me kan voorbereiden op het einde van de wereld. Naast mijn verslaving aan documentaires, ben ik een einde van de wereld believer. Urenlang kan ik op het internet surfen over hoe ik me moet voorbereiden op de ondergang van de wereld. Daarom heb ik vorige maand voor mijn 17de verjaardag vier gasmaskers gevraagd. Omdat mijn ouders wisten dat ze met niets anders me tevreden zou stellen, hadden ze mijn wens ingelast. Alleen hadden ze er maar één gekocht. Dit verpestte alles! één gasmasker voor heel ons gezin? Moet ik alleen achterblijven ofzo? Mijn moeder zei als het einde van de wereld komt, dan mag ik het nemen. Natuurlijk zou ik dit niet doen, als ik een klein broertje heb van 3 jaar. Finn is niet mijn favoriete persoon op aarde maar mijn kleine broer laten doodgaan in een vreselijk martelend gas? Dat gaat me een hele brug te ver. Dit had gezorgd voor een vreselijke sfeer waarbij ik men hele taart alleen op de wc heb opgegeten. Om daarna heel de nacht op te blijven om heel mijn maaginhoud te legen in de wc. Diezelfde nacht had ik de kracht van hypnose ondervonden. De draaikolken die tevoorschijn kwamen nadat ik de wc had doorgespoeld waren prachtige wervelvinden die me gezelschap gaven in die donkere nacht. Spijtig genoeg hebben ze niet geholpen bij de geur van men zure taartsap. Die dag heeft me geholpen om de conclusie te trekken dat mijn familie en ik niet in de nieuwe wereld samen zullen zijn.  Over de jaren heen heb ik een hele verzameling van overlevingsspullen. Mijn trots is mijn Swiss army knife met wel twaalf verschillende functies. Ik wou dat één van die functies me kan laten verdwijnen.      Hij heeft me doorzien, niemand heeft ooit iets gezien. Behalve hij. Mijn leerkracht van geschiedenis. Ik wist niet eens dat hij me in de gaten hield. Niemand let ooit op mij. Dat dacht ik toch. Ik weet dat hij antwoorden wilt. Ik wil het hem zo graag geven. Maar iets houdt me tegen. De zwaarte die aan mijn lichaam hangt. Het is zo zwaar, dat ik sommige dagen alleen maar kan slapen.  “Ali...Vertel me wat je denkt. Alsjeblieft.” Hij pakt mijn hand heel teder vast. Ik heb nog nooit zoveel intimiteit gevoeld als nu. Mijn lichaam reageert hier dorstig op. Een zacht briesje komt aangewaaid.  “De wind is iets wonderbaarlijk, vind je niet?” “Hoe bedoel je?” vraagt hij “Je kan het niet zien. Dan denk je dat hij er niet is.  Je zou het niet eens weten als hij naast je stond”  Hij kijkt me vragend aan.        De spin kroop op mijn linkerbeen. Hij begroette me als mijn vriend. Voor mij was dat het teken dat het tijd was om te gaan. Eerst ruimde ik mijn kamer want ik had gehoord dat sommige ouders alles intact willen houden. Ik zou niet willen dat ze mijn vieze was op de grond zouden laten liggen. Stel je voor als er iemand anders mijn kamer binnenkwam. Ik had vooral stress dat de riem mij niet ging kunnen houden met mijn gewicht. Maar het hield wel en mijn kleerkast was ook niet ineen gevallen. Mijn buurvrouw Ella heeft mijn levenloze lichaam ontdekt. Ik was vergeten mijn gordijn dicht te doen aan de kant van de weg. Toen ze terugkwam van de winkel en alles van haar boodschappen zorgvuldig had weggezet, ging ze haar auto vastdoen. Toen zag ze mij. Een figuur dat ze eerst niet kon onderscheiden. Dat kwam waarschijnlijk door dat ik het licht had uitgedaan. Ik wou me met het donker één voelen. Ze gilde en liep naar mijn voordeur. Ze bonkte heel hard terwijl ze hysterisch aan het wenen was. Niemand was thuis. Ze waren allemaal weg. Naar waar weet ik niet meer. Ik weet wel nog dat ik helemaal alleen op de wereld voelde. Ik hoop dat mijn ouders één van mijn gedichten kiest voor op mijn doodskaartje. Ook heb ik verschillende keren gezegd dat Coldplay mijn favoriete band was. 

Nell De Mayer
0 0

Een wenssprookje

Er was eens een meisje dat thuis even was weg gegaan om te gaan wandelen. Ze moest even bezinnen over de laatste dagen, weken, maanden en misschien ook wel de jaren. Ze volgde de weg, al had ze het gevoel die kwijt te zijn. Toch bleef ze doorgaan, omdat ze het gevoel had dat het zo hoorde. Ze ging verder en verder op zoek naar een nieuwe uitdaging, op zoek naar een weg die haar beter bij zichzelf zou brengen. Ze liep verder het duister in en kwam terecht op een open veld. Een groot grasveld dat overdag diende als vliegveld. Nu de avond viel was er niemand meer en weerklonk de stilte en de rust. Ze liep naar het midden en ging in het droge gras liggen. Ze keek omhoog naar de hemel op zoek naar antwoorden. Op zoek naar zichzelf keek ze naar het wolkendek boven haar. Langzaam gleden de wolken voorbij. Hier en daar zag ze een opening naar de rest van de hemel. De wolken hadden haar beschermd van de immensiteit, maar nu kon ze glimpen opvangen van de rest van het bestaan. Ze bleef gespannen liggen om steeds meer te kunnen zien. Tevergeefs, want het wolkendek werd weer dikker waardoor de immensiteit verdween. Ze verloor het zicht op hetgeen haar het gevoel van vrijheid was. De wolken zorgden er echter voor dat haar zicht op deze immensiteit werd vertroebeld. Ze voelde zich weer gevangen in het kleine deel van de wereld die ze bewoonde. Ze zocht haar hele leven al naar datgene dat haar kon bevrijden van de prachtige, kleurrijke, maar toch klein stukje wereld. Ze bleef naar boven kijken in de hoop nog een glimp op te vangen van de vrijheid die ze wenste. Heel even zag ze weer een poort naar deze plaats, maar toch verdween deze snel weer in het wolkendek. Ze sloot haar ogen om zich voor te stellen wat er zich achter deze wolken bevond. Een verborgen wereld van een oneindige grootte, een weerspiegeling van haar wereld, maar anders. Anders, als een wereld zonder grenzen i.p.v. het stukje wereld afgescheiden van alles door de rotsen en zeeën. Ze zocht steeds naar openingen die verborgen waren door duister, licht of zelfs magie. Tot vandaag had ze deze opening naar vrijheid niet gevonden in haar eigen leefwereld. Nu had ze het gevoel dat ze er even was uitgestapt in deze wandeling. Een wandeling die nu al een hele avond had ingenomen met enkel tijd voor zichzelf. Nu ze even alles van een afstand kon bekijken zag ze dat de waas even was verdwenen. De waas die ervoor zorgde dat ze de realiteit niet kon zien zoals ze was. Nu zag ze alles van een heel ander perspectief. De waas was opgeklaard. Ze keek omhoog en zag de wolken die de waas waren vóór haar immensiteit, vóór haar vrijheid. Ze steeg op en vloog omhoog. Ze vloog naar de wolken, ze vloog door de wolken, zo vloog naar de vrijheid. Ze genoot van de duisternis die oneindig was. De gehele duisternis was echter gevuld met allemaal lichtpuntjes die de duisternis opklaarde. Zo was het leven nu éénmaal, duister zonder die lichtpuntjes in ons leven. Door de waas over haar leven had ze de lichtpuntjes al even niet meer gezien, maar nu zag ze hen weer. Haar leven was helemaal niet zo duister als ze dacht. Ze moest voorbij de waas kijken om zo de lichtpuntjes te kunnen laten schijnen. Van zodra ze deze lichtpuntjes zou toelaten kon ze het geluk vinden in zichzelf. Zo kon ze de zon worden die de wolken zou doen verdwijnen. Ze opende haar ogen en besefte dat ze haar eigen waas gecreëerd had en dat ze zelf kon kiezen om deze op te klaren. Ze stond op en ging naar huis. Ze nam afscheid van de dingen die haar wolken creëerden en ging verder in de helderheid van de lichtpuntjes om zo het geluk in zichzelf te ontdekken. Zo begon Nathalie aan een heel nieuw avontuur.

S.P. Steyl
0 0

Utopisch visioen

Schotland, achttiende eeuw   De zonsondergang begon vroeg in de avond. Het donker verdreef het laatste restje warmte, dat die middag met de zon was binnengestroomd. Het vuur laaide hoog op in de haard. Samen met de kaarsen verlichtte het de slaapkamer. Lisa McBrady lag op adem te komen. Robyn McBrady zat naast haar, haar hand in de zijne. Ze had hem fijn geknepen, maar het deerde hem niets.    Na vier maanden had Lisa besloten dat ze thuis wilde bevallen. Te veel vrouwen in de ziekenboeg in het dorp overleden aan kraamkoorts. ‘De vrouwen bevielen eeuwen geleden ook zonder hooggeëerde dokter,’ argumenteerde ze toen Robyn zijn twijfel uitsprak.    Na Lisa urenlang in pijn te zien, sloeg de twijfel echter weer toe. Had hij er verkeerd aan gedaan haar wens in te willigen? Ze had donkere kringen onder haar ogen, het zweet stond op haar voorhoofd. Op sommige momenten overstemde haar uitputting alles.    ‘Waar blijft die vroedvrouw dan toch?’ Robyn veegde de haren uit het gezicht van zijn vrouw. De laatste wee had nieuwe plooien in haar gezicht getekend. Ze was zo sterk, maar hij was bang. Hij hield van haar. Hij zou alles voor haar doen; hij zei het nooit, maar hij hoopte dat zij dit wist.   Lisa glimlachte naar hem. ‘Heethoofd,’ zei ze en ze streelde zijn wang.   ‘Ja, ze had hier al lang moeten zijn!’ Robyn schudde zijn hoofd.   ‘Het past bij je rode haren.’ Ze pakte een rode krul tussen duim en wijsvinger en zei: ‘Ik hoop dat zij jouw haren krijgt.’   In haar dromen zag ze hen soms, met zijn drieën op de klif, vlakbij hun huisje. Ze voelde de wind door haar haren waaien en hoorde de zee tegen de klif slaan. Hun dochter tussen hen in. Over de wind en de zee hoorde je haar gegiechel, ze danste met onschuldig plezier. De blik in Robyns ogen als hij naar zijn dochter keek, versterkte haar liefde voor hem, haar verlangen naar haar.   Robyn ontwaakte uit een sluimer door gebons op de deur.   ‘De vroedvrouw.’ Lisa gaf hem een bemoedigende kneep in de hand.   Robyn haastte naar de deur.   ‘Het spijt mij, meneer, mevrouw, dat ik zo laat ben,’ zei Blaire, ‘de jonge Evangeline Douglas is bevallen van haar zoontje. Hij wilde niet huilen.’ Aan de frons op het gezicht van de vrouw te zien was dat niet goed. ‘Gelukkig ben ik nog niet te laat. Nu, laat mij eens even kijken.’    Ze knielde naast het bed en liet haar handen onder de dekens glijden. Lisa huiverde bij de aanraking. Hij liet zich aan de andere kant van het bed op zijn knieën zakken en pakte Lisa’s hand. Met zijn andere hand streelde hij voorzichtig haar bruine haren, haar zachte betraande wangen en hij murmelde nietszeggende woorden in de hoop dat het haar zou geruststellen.    Nu Blaire er was ging het snel, alsof Lisa zich had overgegeven. Het lichaam van zijn vrouw kromp ineen bij de volgende wee, haar gezicht vertrokken tot een pijnlijke frons. Robyn schoof zijn hand rond haar nek. Hij was koud van de spanning; hij hoopte dat het haar wat verlichting bracht.   Blaire sloeg het deken terug, ‘Bij de volgende verkramping moet u persen, mevrouw.’ Haar handen verdwenen weer onder het witte laken dat over Lisa’s onderlichaam lag.   Lisa kermde, kneep in Robyns hand tot hij dacht dat zijn vingers zouden breken en toen hij ervan overtuigd was dat ze niet langer kon, bewees ze opnieuw haar kracht. Hij zag de spanning in haar kaken. Haar gezicht was rood aangelopen en het laken dat over haar heen lag, trilde mee met haar benen. Robyn moedigde haar aan; streelde de haren van haar voorhoofd, fluisterde. Vertelde haar over de eerste keer dat zij met hun dochtertje naar de zee zouden gaan.   Ze schreeuwde. Een paar tellen later zakte ze happend naar adem terug op het bed. Het geluid van een huilende baby klonk vanuit de armen van Blair.   ‘Een gezond meisje, meneer, mevrouw.’ Ze legde het mensje voorzichtig op de borst van Lisa en dekte moeder en dochter toe met een laken en wollen deken.    Robyn kon zijn blik niet van zijn vrouw houden. Haar ogen straalden in het licht van de kaarsen. De tranen op haar wangen leken te glimmen als zilver. Ze aaide met haar wijsvinger over het wangetje van hun dochter en toen ze hem aankeek was haar blik zo intens dat zijn hart pijnlijk samenkneep.   Blaire scharrelde rond in de kamer. Ze laaide het vuur in de haard hoog op en kookte water. Voor Robyn haalde ze een glas cognac. ‘Dat heb je verdient, vader,’ zei ze met een glimlach.   Voorzichtig zette Robyn het lege glas weg en boog zich over Lisa. Haar witte gezichtje stak fel af tegen de donkere kringen onder haar ogen. Door halfgesloten oogleden staarde ze naar de baby in haar armen. Hij gaf het meisje een kus en daarna zijn mooie vrouw. Ze lachte naar hem. Met een diepe zucht sloot ze haar ogen.   Hun dochter lag al warm toegedekt in haar houten wieg, toen Lisa onrustig werd. Ze trilde, kreunde en schudde wild met haar hoofd heen en weer. Blaire, die aan de andere kant van de kamer bezig was geweest, liep met een frons op haar gezicht naar het bed.   ‘Ze is erg wit,’ zei Robyn.   De frons verdiepte.   ‘Haar vingers worden maar niet warm.’ Robyns handen waren na de bevalling weer opgewarmd en hij had de hele tijd dat Lisa sliep, de hare vastgehouden.   Blaire knielde bij het voeteneind en liet haar handen onder de dekens glijden.‘Meneer McBrady,’ fluisterde Blaire, ‘als ik u vraag de kamer te verlaten, doet u dit dan?’   Robyn bestudeerde het gezicht van de vroedvrouw. ‘Absoluut niet, wat is er met mijn vrouw aan de hand?’   Blaire was al opgestaan en sloeg de dekens omhoog. Scherp ademde ze in en keek met grote ogen neer op het bed.    Robyn werd duizelig toen hij de hoeveelheid bloed zag. Dat kon niet goed zijn. Hij keek terug naar het gezicht van zijn vrouw. Haar mooie gelaatstrekken waren samengetrokken in pijn. ‘Doe iets!’ bulderde hij toen Blaire verstijfd bleef staan. Hij kon zijn vrouw niet verliezen. Hun dochter had haar nodig. Híj had haar nodig.   Uit de linnenkast, die Robyn haar wees, haalde Blaire alle schone lakens die er lagen. Ze knielde opnieuw bij het bed, zei: ‘Ze moet stoppen met bloeden,’ en ging aan het werk.   Even later zei ze: ‘Haalt u water uit de put. Het zou koud genoeg moeten zijn om de koorts te laten zakken.’   Robyn kuste Lisa’s hand en haastte zich naar buiten. Blaire stond al met het laatste laken paraat toen hij de houten emmer, op haar aanwijzingen, naast het bed zette. Tussen de benen van zijn vrouw lagen de lakens opgepropt. Zou het genoeg zijn? Blaire doopte een deel van het laken in het steenkoude water en begon zijn vrouw te wassen.   Een paar uur voor zonsopgang stopte het ijlen. Lisa’s ademhaling bleef oppervlakkig, maar de frons was van haar gezicht verdwenen. Robyn zat naast haar, zijn dochter in zijn armen, toen ze haar oogleden opende en het eerste licht in haar ogen weerkaatste. Haar blik was dof en haar gezicht had een grauwe kleur.   ‘Geef me May?’   Robyn glimlachte bij het horen van de stem van zijn vrouw. Ook al kraakte ze, het was nog steeds de mooiste stem die hij ooit had gehoord. Voorzichtig kuste hij Lisa en legde May in haar armen. ‘Een mooie naam, May.’   Lisa streelde met haar vingertop over het gezichtje van May. Haar bolle wangetjes, de wat gezwollen oogleden, de getuite lipjes en het wipneusje. Een stille traan gleed uit haar ooghoek, over haar wang. ‘Beloof me … dat je met May … naar de klif gaat, haar … de wind laat voelen … en het ruisen van de zee laat horen,’ zei Lisa met tussenpozen.   Er kwam een verstikt geluid uit Robyns keel.   Lisa hief haar hand en streelde haar duim over zijn natte wang.   Hij greep haar pols en kneep zijn ogen dicht. ‘Ik hou van je,’ fluisterde hij. Hij opende zijn ogen, keek haar aan en zei haar: ‘Ik hou zoveel van je.’   Acht jaar later   Robyn ademde diep in. De koude zeelucht stroomde naar binnen, raakte zijn hart.   ‘Vader, kan moeder ons zien vanuit de hemel?’   Robyns hart kneep samen bij Mays gefluisterde woorden. ‘Ik denk het wel lieverd.’ Hij keek omlaag toen haar kleine handje in de zijne gleed.   ‘De zonsopgang heeft de kleur van onze haren, vader,’ zei May. Geconcentreerd staarde ze naar waar de zee de horizon raakte.   ‘Ja,’ zei Robyn, ‘dat is zo.’

schaapschrijft
0 0

Over jagen

Haar huid voelde zacht als zijde en terwijl ze daar lag, welde er diep in mijn binnenste medelijden op. Ik was een bloeddorstige jager en zij niets meer dan mijn prooi. Om het gevoel van medelijden te onderdrukken, dacht ik altijd aan roofdieren, die genadeloos met hun slachtoffer spelen alvorens hen te doden. De medogenloosheid die dieren konden vertonen, bracht mij altijd weer in het hier en nu. Niet dat ik een moordenaar was, maar een roofdier zeker wel. In deze stad waren er wel meerdere zoals ik maar niemand zo fijn geslepen, niemand zo uitgerekend.   Terwijl mijn huid de hare raakt, schrikt ze op:   “Wat heb jij het koud.” en ze glimlacht naar me, een glimlach die de meeste mannen in vuur en vlam zou zetten. Blonde krullen, een satijnen huid en donkergroene ogen. Mannen stonden in rijen aan te schuiven om haar het hof te maken. Ze wou graag actrice worden maar zoals haar waren er duizenden.   “Het is mijn bloed” antwoord ik kil.    “Je bloed?” er verschijnt een kronkel op haar daarvoorheen gladde voorhoofd. Het was niet het antwoord waar ze op had gehoopt.   Ik tover een lach op mijn gezicht die haar meteen terug gerust stelt. Ze lacht, kijkt me aan en het spel gaat weer verder.   “Koud bloed? Wat voor roofdier bent u dan?”   “Het meest gevaarlijke dat hier op aarde rondloopt.”   “Oh ja?”   Ik laat het gesprek achter me en wandel richting het balkon om een sigaret te roken. In de straat spelen wat jongeren voetbal met een platgedrukt blikje frisdrank. Luid en met hun arme zwaaiend telkens de lichte van een auto opdoemt. Om daarna, wanneer de auto voorbij rijdt, het spel weer te hervatten. Ik nam en laatste teug van de sigaret en keerde terug naar haar bed. Ze sliep reeds en toen ik haar daar zag liggen, borrelde het medelijden weer in me op. Hier kon ik de rest van de nacht niet spenderen, dacht ik bij mezelf. Een teveel aan gevoelens schrikt me af. Na al mijn spullen te verzamelen, slenterde ik de trap af richting de voordeur. Buiten was het nu veel rustiger, de spelende kinderen waren allemaal naar binnen, enkel het blikje lag nog op straat. Met een heuse aanloop en enorme trap probeer ik het blikje weg te stampen. Mijn voet blijft echter steken achter een grote kassei en ik val op een auto die aan de zijkant van de straat geparkeerd stond. “Gevaarlijkste roofdier” dacht ik en een glimlach verscheen op mijn gezicht.

Prins Vogelvrij
1 0

9 to 5

Negen uur. Hij komt binnen. Ik kan er mijn klok op gelijkstellen. Hij loopt in één keer door naar het koffieapparaat. Koffie met melk, geen suiker. Eén euro vijftig. Werktuiglijk kiepert hij de hete boel naar binnen terwijl zijn ogen schijnbaar zoekend langsheen de rijen boeken gaan. Niemand. Uiteraard. Vóór half elf hoef ik hier niemand te verwachten. Lui draai ik rond op de hoge kruk die ik strategisch heb opgesteld voor de ventilator. Vijf over negen en nu al een broeikas. Daar gaat hij. Ik heb ooit eens zijn dagelijks traject afgetaped. Geen centimeter wijkt hij ervan af. Nadien vroegen andere bezoekers me wat die gele lijn te betekenen had. Was het een wegwijzer naar een bepaalde boekenafdeling, zoals de gekleurde lijnen in een ziekenhuis? 's Avonds heb ik de tape alweer weggehaald. Het was gewoon een grapje voor mezelf. Mijn baan in de bibliotheek vraagt al eens wat creativiteit. Overigens, tape is niet eens nodig, het volstaat zijn geurspoor te volgen. En deze hittegolf doet er geen goed aan. Hoe fijn zou het zijn mochten de bezoekers bij het binnenkomen niet alleen langs de detector maar ook langs een geurscan en, indien nodig, douchekabine moeten passeren. Ik opperde het eens grappend op een vergadering en werd subtiel genegeerd. Maar goed, daar gaat hij dus. Naar het computereiland. PC 4. Steevast. En dan begint hij aan zijn zoektocht doorheen de krochten en katakomben van het net. Supraventriculaire tachycardie, facioscapulohumerale dystrofie, fenylketonurie, hepatische encefalopathie, ... Onbewogen zoekt, bladert, browst, leest, herleest hij alle mogelijke defecten van het menselijk apparaat. Hij print alles uit en stopt het zorgvuldig weg in een dikke zwarte map. Vandaag doe ik iets waarmee ik mezelf verbaas: ik loop naar hem toe en vraag waarom. Waarom dit...werk? "Kind", zegt hij. "Je kan je niet voorstellen wat een ongelooflijk gelukzalig gevoel het geeft om 's avonds in mijn bed te stappen met de heldere zekerheid dat ik wéér een dag heb overleefd. Maar laat me jou één goede raad geven. Mensen zijn te hygiënisch geworden en bacteriën worden resistent. Één keer per dag onder de douche is echt niet nodig. Je ondermijnt je gezondheid." Ik glimlach knikkend en loop naar mijn bureau terwijl ik de ingehouden lucht langzaam laat ontsnappen.

Vanessa Daniëls
0 0
Tip

Voddenvader

Tijdens de scheiding ging het naast de verdeling van het meubilair vooral over de verdeling van ons kind. Omdat je een meisje van elf niet als een bed in tweeën kunt zagen, stelde mijn ex-vrouw een pro-Deoadvocaat aan. Die dwong co-ouderschap af tot mijn dochter de leeftijd van twaalf zou bereiken; de wettelijke leeftijd om zelf een keuze te maken. Alsof je ooit klaar kán zijn om te kiezen tussen een vader en een moeder. Mijn ficus verloor prompt drie bladeren toen ik het mailtje met deze beslissing voorlas —stilzwijgend protest in mijn plaats. Zelf bezit ik geen talent om in discussie te gaan.      Het kwam er dus vooral op aan om punten te scoren. Letterlijk, want Ella had van haar moeder een schriftje gekregen met twee kolommen, getiteld mama en papa. Daaronder twintig centimeter niemandsland waar ze pro’s en contra’s moest noteren. De kolommen bleven leeg. Ella wilde niemand kwetsen. Na vier weken begroef ik het schrift onder een hoop groenafval. Om Ella te sussen beloofde ik dat ze nu eindelijk een huisdier mocht kiezen. ze slaakte een vreugdegilletje en sprong in mijn armen. Mijn ex had een hekel aan harige dingen. De kat van de buren had ze steevast ‘bacterie-op-poten’ genoemd. In de laatste maand van ons leven samen joeg ze het beest met een langgerekte kreet en een bezemsteel de tuin uit. Ik had geprotesteerd, haar proberen te kalmeren. Zij harpoeneerde de bezemsteel erachteraan. Na die aanslag streek ze haar kapsel weer in de plooi en zei ze: ‘Soms is een harde aanpak nodig om duidelijk te maken dat iemand niet meer welkom is.’ Haar blik was ondertussen op mijn harige armen gericht.          Konijn en Co verkocht naast vissen en vogels ook cavia’s, katten, konijnen en puppy’s. Pluizige beestjes waarvan vacht aan broeken en truien bleef kleven en die elke week bewijs zouden leveren dat ik nu mijn eigen beslissingen nam, maar nee: Ella spurtte naar de visafdeling en bombardeerde een clownvis tot haar best friend forever.      ‘Je moet een groot aquarium kopen,’ beval ze. ‘Little Nemo’s hebben een goed geheugen heeft de juf verteld. Hij mag zich niet vervelen.’      ‘Zou hij niet liever een vriendje hebben?’ Ze viel stil en keek langs me heen naar een onbestemd punt. ‘Nee. Soms blijf je beter alleen.’      Ik wist niet meteen iets te zeggen, concentreerde me dan maar op het gebroebel van de waterpompen, op de neprotsen en plastic palmbomen in de aquaria, maar vond niets om haar woorden onder weg te moffelen.      Ze nam mijn hand en trok me mee naar een verkoper, lachte me bemoedigend toe.      Ik kocht een kingsize aquarium waarin een dolfijn paste. Er was een karretje nodig om het gevaarte naar mijn auto te rijden. Tijdens de drie kilometer lange rit naar huis staarde Nemo me vanuit zijn zakje met water onafgebroken aan. Vissen hebben geen oogleden. Ik beeldde me in hoe het zou zijn om dag en nacht de wereld te moeten aanschouwen en huiverde. Er waren veel dingen waarvoor ik mijn ogen sloot. Voor dode beesten langs de weg bijvoorbeeld. Voor de hoofdschuddende blik van mijn ex telkens ze Ella bracht. De beginnende vetkwabben aan de onderkant van mijn bovenarmen. Mijn kalende kruin. Het ophopende vuil in de hoeken van mijn huis. De afgebeten nagelvelletjes achter mijn zetel. Ik was blij dat ik geen vis was.      ‘Het aquarium is supergroot,’ zei Ella tegen Nemo. ‘Als er een hittegolf komt, kunnen we samen zwemmen.’      Ik verjoeg de gedachte van mezelf met een vissenkop door hard op het gaspedaal te trappen. Het zakje water en Nemo klotsten mee met de storm van mijn gedachten.     Die avond las Ella voor uit Harry Potter. Elke reactie van Nemo interpreteerde ze als een teken van begrip. ‘Zie je, hij vindt het ook spannend!’ riep ze meermaals in vijf minuten. Vlak voor het slapen gaan liet ze drie schaars geklede barbiepoppen in het water zakken en zei ze: ‘Ik ben zo blij, papa. Nemo begrijpt me. Hij is mijn beste vriend.’      Mijn hart had bij die woorden triomfantelijk geroffeld.      Toen ze in haar bed lag, nam ik een foto van Nemo en postte die op Facebook. Onze nieuwe aanwinst in sexy gezelschap. Ik vroeg me af hoelang het zou duren vooraleer mijn ex het bericht te zien kreeg. Nog voor die gedachte koud was trilde mijn smartphone zich een hersenschudding. Een record. Mijn smartphone lichtte kort op en doofde uit. De oplader kon ik niet vinden. Misschien was dat nog het beste.      Ik moest gaan slapen. Traag schikte ik mijn kleren over de stoel naast mijn bed, me intussen afvragend waar de oplader was.      Het doet er niet toe, zei ik tegen mezelf. Wat daar in die mailbox zit is oud nieuws, nog meer van hetzelfde. Gezaag en gezaag in het kwadraat. Nu moet je slapen, morgen weer vroeg op. Ik stak mijn wijsvinger in de lucht, speelde een schooljuffrouw die een stoute jongen waarschuwt. Gehoorzaam ging ik op mijn rechterzij liggen, één arm onder mijn kussen, de andere uit gewoonte op mijn helft van de matras. Verdomme, zei ik en ik ging dwars liggen, claimde het volledige bed, dat nu van mij alleen was. Denk aan iets leuks, dacht ik en ik dacht aan iets leuks. Het hielp niet. Mijn gedachten waren niet van plan om te gaan slapen. Ik herinnerde me waar ik de oplader had gelaten (op de koelkast) en kroop uit mijn bed.     Mijn ex had niet gereageerd, althans niet op het internet. Ze had haar woede gebundeld tot een sms die zo lang was dat hij me bereikte in zeven delen. Op Facebook had een zekere Cindy008 (blonde single op zoek naar een alleenstaande vader) een reactie onder mijn bericht gepost. Beste dierenbeul, je thermometer geeft maar 12 graden aan! Clownvissen hebben warm zout water nodig!!!!!!! Daarna een arsenaal aan duivelsgezichtjes en treurende smileys om haar gelijk te bevestigen.      Mijn hart struikelde in mijn borst. Vloekend denderde ik de trap af, maar ik wist dat het te laat was. En inderdaad. Nemo dreef zieltogend op zijn zij. Hij keek me treurig aan, nog met één vin in het leven.      Shit, stuurde ik naar Cindy008.      Ze was nog wakker. Zijn de ogen troebel?      Ja dus.      Het beest gaat dood. Stop hem in een bakje water en doe dat in de diepvries. Dat is de humaanste manier om hem te doen inslapen.      Ik zette een stap achteruit. Snel wiste ik Cindy008 uit mijn schatlijst. Vrouwen die zo vlotjes over zulke informatie beschikten deden me te veel aan mijn ex denken.      Toch wandelde ik richting keuken. In het donker van mijn gang bleef ik staan. Verderop haperde het neonlicht boven het fornuis. Alle kleuren zogen zich uit het huis. Wat nu? vroeg ik hardop aan mezelf. In mijn verbeelding echode mijn stem tegen de tegelmuur van een mortuarium dat ooit mijn keuken was.      Ik hervond mijn adem. Gewapend met het kleinste keukenvergiet haastte ik me terug naar de woonkamer. Ik schepte Nemo uit het aquarium. Stilletjes lag hij op zijn rug, zijn lippen op elkaar geperst. Na een paar seconden knipoogde hij. Ik interpreteerde dat als een bewijs dat ik goed bezig was, liet hem in een met warm water gevulde voorraaddoos van Ikea glijden en goot er twee handen zout bij. Er kwam geen verbetering in zijn toestand. ‘Idioot’, zei ik. Of dat tegen Nemo of mezelf was wist ik niet zeker. Vijf minuten later maakte ik een doodsbed op tussen een diepgevroren pizza Hawaï en een pot kiwi-ijs. Dat was hopelijk tropisch genoeg om zonder stress uit het leven te glijden. Het neonlicht haperde weer, feller nu, een morsecode vol verwijt. In de spiegel naast de koelkast stond ik oog in oog met een lijkbidder. *     Ella zat op het tapijtje voor de televisie. Gebiologeerd staarde ze naar het scherm. De vallende plastic steentjes werden becommentarieerd door een presentator wiens overdreven opgewonden verslaggeving deed vermoeden dat hij de rest van het jaar van keukentafel tot voordeur had geleefd om krachten te sparen voor deze heuglijke dag. De jeugdige bouwers op wie de camera zo nu en dan inzoomde vielen elkaar huilend in de armen toen een cirkel met dominostenen openwaaiende tot een lotusbloem. Ik haatte Domino Day even hard als ik mijn ex haatte — beiden deden zich belangrijker voor dan ze waren.      Ella schoot recht en wees naar het televisiescherm. ‘Kijk!’ Een hoge muur dominosteentjes brokkelde af en onthulde en aquarium vol koikarpers.      Onbewust keek ik richting keuken. Daar staarde Nemo me vanachter de diepvriesdeur meewarig aan. Ik veegde over mijn voorhoofd en trachtte mijn gedachten te ordenen. Drie meter verder zwom Nemo II tussen de barbiepoppen. Die ochtend, nog voor de straat wakker werd, had ik aan de deur van Konijn & Co staan wachten tot het rolluik omhoogging en de lichten aanfloepten. Mijn dochter alleen thuis, slapend nog, in de nabijheid van een leeg aquarium waarin het water opwarmde tot tropische temperaturen. Ik was een voddenvader.      Nemo II was iets levendiger dan zijn voorganger, maar dat had Ella nog niet opgemerkt. Nóg niet… Ik trok snel een familiezak Bugles Chips open en zette die voor haar neus.      Domino Day bereikte een hoogtepunt. De presentator kondigde aan dat het belangrijke moment aangebroken was. ‘Meer dan vier miljoen stenen zijn gevallen!’ schreeuwde hij met een rood aangelopen kop. ‘Dames en heren, het wereldrecord kan elk moment verpulverd worden.’      Ella sprong in de sofa van opwinding. Ze was hyper. Bedtijd was inmiddels ruimschoots overschreden. Geen van ons beiden stoorde zich daaraan. Life is short, break the rules, zei Mark Twain en ik gaf hem gelijk, want kijk: op dat gezichtje oprechte vreugde. Haar armen en benen wisten duidelijk nog niet dat er beperkingen waren aan de menselijke souplesse. Er zat vuur in dat kind. In alles was ze de tegenpool van mijn ex, en dat deed me plezier. Glimlachend ging ik naast haar zitten, tot de laatste dominosteen tegen de grond ging. Tegen die tijd was Ella in slaap gesukkeld. Haar dromen op mijn schouder. Zo dicht dat ik ze bijna kon horen. Het was ons ritueel: ik droeg haar naar boven en zij veinsde dat ze niet wakker werd. Ik stopte haar in, stak haar nachtlampje aan en kuste haar goedenacht. Ik was geen bacterie-op-poten. Dat wilden beiden uit alle macht bewijzen.     Om half een die nacht strooide ik een handjevol voedselvlokken in het aquarium. Nemo II trok een pruillip, alsof ik hem stront gaf in plaats van samengekoekte meelwormen.      ‘Komaan, hop hop. Eet iets!’ zei ik aanmoedigend. Het licht van de straatlantaarn voor de deur haalde mijn voeten aan. Ik rukte de gordijnen beter dicht en draaide het lijstje boven de televisie met de fotokant naar de muur. Hier hadden mijn ouders niets mee te maken.      Nemo II kwam tot leven. En hoe. In de vijfde versnelling schoot hij naar de blonde Barbie om een vlok op haar neus te pakken te krijgen. Althans, zo leek het toch eerst. Na tien keiharde stoten tegen haar voorhoofd begon ik hem te verdenken van vrouwenhaat. Zelfs toen de blonde breed glimlachend achteroverviel, hield hij niet op. Hij blééf stompen. Toen hij zag dat ze hem lag uit te lachen, richtte hij zich op haar bikini. Met getuite lippen rukte hij het stukje textiel naar de vernieling. Het zag er allemaal erg fout uit. Ik keek over mijn schouder. Er waren geen getuigen.      De knul in de dierenwinkel had er toch iets over gezegd. Iets over agressie en overdreven territoriale neigingen. Ik had er smakelijk om gelachen.      Nemo II kwam op adem. Roerloos zweefde hij naar het midden van het aquarium. Ik drukte mijn neus tegen het glas. Gedwee zwom hij naar me toe. We speelden tien seconden neuzeneuze. Kort zwiepte hij met zijn staart, als een schoothondje dat blij was om zijn baasje te zien, of dat dacht ik toch. Vervolgens schoot hij weer achteruit. Een duikboot die zich terugtrok uit vijandige wateren. Nog één keer met de lippen tuiten, een laatste teug zuurstof, een laatste staartzwiep en hij katapulteerde voorwaarts, stortte zich op kamikazeachtige wijze te pletter tegen het glas dat tussen ons in stond. Een licht tikje en een paar golfjes, meer stelde zijn dood niet voor. Nemo II maakte slagzij en dreef naar het midden. De voorkant van zijn kop ingedrukt. In de weerspiegeling van het aquarium zag ik opnieuw een lijkbidder.      Mijn dochter had gelijk. Soms blijf je beter alleen.

Femke Vindevogel
34 0

33 GRADEN WEG VAN MEKKA

Als er nu één plaats ter wereld is, waar een gelovige denkt dat hij volkomen veilig is, dan is dat toch in een kerk, een moskee of in een synagoge. Als je om de zoveel uren, alle dagen of minstens één keer per week gaat bidden om je tweede leven in het hiernamaals veilig te stellen, dan is dat toch de plaats waar je veronderstelt dat de goden een oogje in het zeil zouden houden. Niet dus. Een geschifte Jodenhater kon in Pittsburgh ongestoord 11 mensen neerschieten en geen God die deze dolle schutter tegenhield. Eventjes een onoplettendheidje van het opperwezen en je was sneller in de hemel dan verwacht.  Nu, zelf zou ik niet meer zo gerust zijn in mijn persoonlijke Jahweh, als je weet wat hij allemaal tijdens de wereldoorlog met het Joodse volk liet gebeuren. Hij zag toch maar mooi de andere kant op toen er zo’n zes miljoen van je voorvaderen uitgehongerd, vergast en iets te snel gecremeerd werden. Raar dat zo’n geïndoctrineerde gelovige mensen er dan nog steeds op vertrouwen dat die hemelbewoner almachtig is, alles ziet en hoort en dat die wel één van de dagen de nieuwe Messias naar beneden gaat sturen. Maar blijven hopen natuurlijk.. Wat ging er door die Turkse hoofden heen, toen ze vernamen dat ze al zo’n kleine 40 jaar in de verkeerde richting zaten te bidden? Een moskee in het Turkse stadje Sugoren staat niet richting Mekka! Hebben ze daar nu schrik dat hun gesmeek niet in de Mekkahemel aangekomen is?  Een roedel religiedeskundigen breekt zijn hoofd nu over het feit of al die gebeden nu ongeldig zijn. Zit je daar al 37 jaar, vijf keer per dag, dat is met de schrikkeljaren erbij zo’n kleine 13550 keer, met het zicht op de kont van je buurman, gebeden te prevelen en dan komt zo’n nieuw aangestelde 24 jarige snotneusimam je plots vertellen dat Mekka een 33 graden de andere kant opligt. Hebben ze ondertussen al uitgevogeld welke God er op die verkeerde plaats in dat stukje hemel bivakkeert? Denk niet dat die zich bezighoudt met het doorsturen van al die smeekbedes. Eigenlijk ben ik er bijna van overtuigd dat de God van de getuigen van Jehova daar zijn stekje heeft. Vandaag zag ik die muffe straatschuimers weer ineens, twee aan twee, richting de sociale woningen stappen. Misschien dat hun Jehova wel gezegd heeft, dat hij door de jaren heen zoveel leuke gebedjes vanuit de moskee ontvangen heeft, dat hij denkt dat daar zijn achterban nog wel wat zieltjes zouden kunnen overtuigen.  Maar een docent islamstudie gooit roet in het religieuze eten, de Koran staat plots een bidrichting- afwijkingsfoutmarge van 45 graden naar Mekka toe.  Ja voor alles is een uitleg… Bij ons mag een Kerstmarkt,  plots geen Kerstmarkt meer heten om andere geloofsovertuigingen niet te schofferen. Het moet nu wintermarkt zijn. Hebben onze kinderen wegens de neutraliteit dan ook ineens geen kerstvakantie meer?  Moet dit dan niet de wintersveertiendaagse worden?  Nu ben ik zelf een atheïst en ze mogen van mij alle religieuze namen en tekens verbannen. Ik heb daar totaal geen probleem mee. Maar dan ook consequent alle religie tekens. Geen Christelijke kruisen in openbare gebouwen, scholen, banken en bij de bakker naast de kerktoren. En om de atheïsten onder ons niet te schofferen geen tulbanden, keppels, hoofddoeken en alles wat maar enigszins naar het geloof verwijst uit het straatbeeld elimineren en tenslotte iedereen voor zijn eigen religie flink laten betalen . En dan moet de VTM kokkin Dumont, als ze op televisie kookt, ook haar Katholieke kruisjes-oorbellen eventjes uitdoen.   Sim, 30 oktober 2019

Sim
0 0

IEDER ZIJN HOBBY

Moesten jullie ook zo lachen toen dat koddige voetbalmakelaarsadvocaatje kwam vertellen dat zijn cliënt een vurige verzamelaar was van luxe uurwerkverpakkingen?  Geestig hé? Nu verwacht je inderdaad niet van zo’n maffiamakelaartje dat hij postzegels verzamelt, maar je vermoedt dat er minstens een collectie Porches, Ferrari’s of Lamborghini’s in zijn garage zouden staan. Dat zo’n spelersmakelaar een verzameling lege doosjes zou bezitten,waar voorheen voor zo’n kleine 8 miljoen euro aan super de luxe uurwerken zouden ingezeten hebben, dat gelooft toch niemand. Natuurlijk ieder zijn hobby, maar toch… Is er iemand in dit voetbalschandaal al aan de pols gevoeld? Gaan ze de omkoopuurwerken uit de scheidsmouwen schudden? Loert het supportersvolkje vanaf nu naar de polsen van voetballers, scheidsrechters en clubmanagers, kortom naar iedereen die zich met transfers bezighoudt? Of roepen ze vanaf nu, bij elke mogelijk verloren partij, dat de wedstrijd getrukeerd werd?  Operatie Propere Handen ging van start en een aantal witwas-, fraude- en matchfixing- corruptiefiguren werden voor ondervraging opgepakt. Nog diezelfde avond kwam dezelfde roedel ‘rijke- criminele- mensen- verdedigingsadvocaten’ weer met hun aan aandacht verslaafde kop op de televisie blaten dat hun cliënten onschuldig waren. Dat ze alleen maar een beetje zwart geld met Dixan hadden wit gewassen of ze links of rechts misschien vergeten hadden een centje aan de fiscus door te geven. Enfin dat ganse miljoenentransferzaakje gelijkt meer en meer op een corrupte winstgevende mensenhandel.   Gepetto begrijpt het helemaal niet meer. Hoe kon zijn houten pop zijn leugen-dna nog zo kwistig aan advocaten en politici ronddelen? Hebben jullie je ook zo geërgerd aan al die politieke pulp en beleidsbagger? In allerlei kakelprogramma’s lulden alle politici de afgelopen weken elkaar de verdoemenis in. Leuk om te horen dat sommige draaikonten plots aan een soort chronische dementie leden als er met de vinger gewezen werd naar de tijd dat ze het zelf voor het zeggen hadden. Gaan we na de verkiezingen nu eindelijk gezonde, frisse en propere lucht krijgen of blijft het allemaal bij gebakken lucht? Links, rechts kattenvitesse, voetbal en politici in de tutterfles… Ik ben al lang blij dat al die lijsttrekkersdebatten nu eindelijk voorbij zijn, dan kunnen we nu eindelijk opnieuw over belangrijker dingen, zoals Zwarte Piet beginnen kwekken…   Sim, Edegem 17 oktober 2019

Sim
0 0