Zoeken

Goochelaar

Uit wraak omdat ze zijn liefde niet beantwoordde, hakte de goochelaar zijn assistente deze keer echt in twee. Ze had meteen dood moeten zijn. Ontelbare keren had ze in foetushouding in de kist liggen wachten op het moment suprême van de goocheltruc. Ze was nooit bang geweest, tot nu. Nu lag ze languit in de kist. Ze staarde naar het asgrauwe deksel en was doodsbenauwd. Hij had haar opgesloten. Ze hoorde hoe hij zijn zaag optilde en in één vloeiende beweging liet neerkomen in de dunne spleet in het midden van de kist. Ze voelde het koude metaal door de huid van haar buik glijden en haar lijf doormidden klieven. Met geslotenogen wachtte ze tot de helse pijn zou intreden. Maar ze voelde niets, helemaal niets.  Terwijl de goochelaar de twee helften van de kist met een kwaadaardige bulderlach uit elkaar schoof, merkte ze dat ze haar voeten en haar tenen nog kon bewegen.  Het deed haar denken aan de kip van haar grootvader die na haar onthoofding nog enkele meters rondrende. Misschien had haar lijf ook enkele ogenblikken nodig om te begrijpen dat ze eigenlijk pardoes dood moest vallen? Nee, het was niet te vergelijken. Al voor haar decapitatie hadden de hersenen van de kip aan haar poten doorgegeven dat ze moesten rennen. Het rennen van de onthoofde kip is een laatste stuiptrekking van een wezen dat al dood is. Maar zij was niet dood. Zij kon nu, nadat ze in tweeën was gesplitst, nog haar tenen bewegen. Er was een draadloze verbinding tussen haar onder- en haar bovenlichaam tot stand gekomen.  De goochelaar zette de halve kist met haar benen op zolder. De halve kist met haar romp, armen en hoofd zette hij in de kelder. Hij deed niet de moeite om de kist te openen en te peilen naar de schade die hij had aangericht. Eén ding was zeker: hij zou terugkeren. Als hij te weten kwam dat ze nog leefde, was ze een vogel voor de kat. Ze twijfelde soms aan zijn intelligentie, maar een neus voor zaken had hij wel. Als hij haar geheim ontdekte, zou zijn interesse voor haar niet langer romantisch maar commercieel van aard zijn. Hij was immers al jaren op zoek naar die ene goocheltruc die de hele business op zijn kop zou zetten. Het circus was vergane glorie. Mensen keken al lang niet meer op van goochelarijen. Het schouwspel van het wijde web, daar kon geen goochelaar tegenop. Maar dit, dit  was het gat in de markt. Eén vrouw in twee delen. Ze was een soort van wereldwonder. Zij zou mensen weer naar het circus kunnen lokken.  Ze moest vluchten. Naar waar wist ze nog niet. Met een lange jas zou ze haar geheim kunnen verstoppen. Maar eerst moest ze twee halve lijven bij elkaar krijgen. Haar benen waren sterk genoeg om het deksel van de kist met enkele rake trappen uit het slot te doen breken. Alleen, probeer maar eens uit een kist te klimmen zonder armen om je mee af te duwen. Met veel wilskracht lukte het toch. Nu moest ze alleen nog de trap afdalen. Zonder gevaar was dat niet. Ze kon niet zien waar ze liep, maar had ook geen handen om op de tast te gaan. Met aarzelende stapjes bereikte ze de kelder. Terwijl ze op zoek ging naar de halve kist met haar bovenlichaam, viel bovenaan de trap de kelderdeur in het slot. Ze wist nochtans zeker dat ze hem wijd open had laten staan. Ze hoopte tegen beter weten in dat het de wind was die door alle kieren van het verlaten landhuis naar binnen kwam.  Ze voelde zich in het nauw gedreven, nog meer dan toen haar lichaam over verschillende verdiepingen verspreid lag. Als de goochelaar op zolder de lege kist aantrof, zou het niet lang duren voor hij haar geheim ontdekte. Er was geen tijd meer om als een vrouw uit één stuk actie te ondernemen. Haar benen moesten haar uit deze benarde situatie redden. Er zat niets anders op dan te wachten tot de goochelaar naar beneden kwam, en hem dan met een welgemikte trap in zijn nek uit te schakelen. Dat zou haar voldoende tijd geven om haar bovenlichaam te zoeken en te vluchten. Zachtjes sloop ze naar de kelderdeur. Het duurde niet lang voor ze haastige voetstappen dichterbij hoorde komen. Ze kon zijn woede bijna voelen, door de deur heen. ‘Niet weer, het kan niet weer gebeurd zijn’, brulde hij, vlak voordat hij de deur opengooide. ‘Waar ben je, strontwijf?’ kon hij er nog net aan toevoegen, voordat ze de puntige hak van haar rechterschoen in zijn maag boorde. Hij zeeg neer op de grond. Bloed borrelde op langs zijn lippen. Met zijn laatste kracht bracht hij uit: ‘Petra’. Toen was hij morsdood.

Sofie Strubbe
10 2

De fles die eeuwig leven wou

Ik voel een dender terwijl ik door de straat ga. Rustig op en neer schuddend over het asfaltdek. Gehavende grond is niets waard voor dit monster. Ik stel me voor dat goed schudden voor openen zo aanvoelt. Het wegdek moet ondergaan. Ik ben er nog. Meerdere keren vreesde ik te breken. Minstens een barstje te vertonen. Mijn elegante vorm voor eeuwig misvormd. Elk geschud doet mij opschrikken. Zonder inhoud komt alles harder binnen. Dender, dunder, dander. Door de Nationalestraat met het ochtenddauw nog op de stenen voor het Modemuseum. Schud, schud. De café’s en boetieken komen tot leven. Rolluiken schieten wakker zonder te snoozen. De dag begint. Met hen wordt ook de stad wakker. Her en der openen vermoeide ogen. Ze willen niet, maar moeten. Denk ik dan.   Jef en Jos springen van de afvaltruck. Slenterend richting de voetpaden, cirkelen ze hun palmen rond de afvalzakken op de stoepen. In één vloeiende beweging, werpen ze deze netjes in de poep van de afvaltruck. Dat vinden ze grappig, knorrend dat zij het zo graag heeft. Ze spreken over lastige familieleden en imaginaire maîtresses. Geen van beiden erkent de pietluttige armoede van hun fantasie. Het is een in stilte gesloten pact. Ik breng jou niet tot de realiteit en jij mij niet. Samen uit, samen thuis. Jef en Jos slenteren richting de stoep. Hun half kapotte schoenen willen ze niet wegdoen. Ze doen het nog prima. Kakelend over wijven op TV en klojo’s op het cinemascherm, zagen ze zich een weg door de werkuren.   Ik, trillend, lig angstig binnen. Jef en Jos slenterden ietwat geleden mij in één vloeiende beweging van de stoep naar hier. Ik botste naar beneden, mijn verbrijzeling tegemoet. Geheel toevallig, raakte ik geklemd in de hoek. Net boven de graaiende kaken. Jef en Jos zagen me daar niet liggen. Ze dropten meer en meer, zonder mij op te merken. Alles snelde aan me voorbij, maar ik bleef genesteld in de hoek. Ik bleef wachten op een moment. Het moment van mijn val naar boven.   Altijd als ik het wou wagen. Stond Jef of Jos er weer. Was het te gevaarlijk. Waren de graaiende kaken extra hongerig. Ik bleef wachten, nog niet goed durvend. Er komt iets langs. Een andere zoals de monstertruck. Kleiner. Het ding neemt zijn tijd. Zijn moddervette kop geplonsd voor de afvaltruck. Haar kont rekt zich net iets meer open, flirtend met het compacte ding. Ik val spetterpoep-gewijs uit de afvaltruck. De open lucht tegemoet. Vrij. Ik rol verder, in de straat, op de stoep. Verder, de hoek om, met een brede bocht. Ik kan geen dunne bochten nemen. Toch niet iets als ik. Gevormd als een voluptueuze vrouw. Waarom? Dat weet ik ook niet. Iets met vruchtbaarheid, zeker. Is het dat niet altijd. En dan de hoek om.   Laten we even terugdraaien. Terug naar de rust van een glinstering op mijn vorm bij zonsondergang. Waarom viel ik? Wat had het voor nut? Elk ding eindigt in het containerpark, toch? Ik viel omdat ik iets zag. Een foto langs de weg. Een foto van dingen als ik. In een huis, een witte mastodont voor het water. Dacht ik toch, met zwarte accenten. Over dingen die zich na jaren werken ophieven tot kunst. Daar zal ik veilig zijn, bestudeerd door grote, floue figuren. Ze lijken op Jef en Jos, maar toch anders. Ik wil daar zijn. Eeuwig bestaand voor de floue figuren. Ik ga naar de mastodont voor het water.     “Jef?” “Ja, Jos?” “We moeten verder, kaerel.” “Me ni afjoagen, e manneke. Tis ni om ter eerste.” “Lapsjoar.” “Micropenis.” “Wa?’ “Ge het me wel verstoan.” “Was da?” “Was wa? “Daar rolt ne fles over t stroat.” “Stapt dan af en smet diene derin e. Met a gezoag altij.” “Seg, doar wor ek ni voor betoald.”   Ik rol de hoek om. Knullig, val ik in een openstaand gat in de weg. Ik drijf in het water onder de wegen. Soms kom ik langs de plaats voor het afval, de zwart-witte mastodont. Zo dichtbij. Dan drijf ik weer weg met het water. Jef en Jos zijn geen vrienden meer. Jos sliep met de vrouw van Jef. Daar wordt hij niet voor betaald.

Jeroen Meylemans
7 1

De gedachten zijn vrij

Eén boekje heb ik gehouden. Het is niet groter dan mijn hand. De kaft is even oud als mijn grootmoeder was toen ze stierf. Gerimpeld en afgeleefd, de tekenen van vele jaren wijsheid en traditie. Die nu verloren gaat. Het boekje past perfect in de verborgen plooi van mijn handtas. Daar wacht het geduldig in het duister, eeuwig aan mijn zijde. Tot mijn voorzichtige vingers het in stilte openen, een pagina kiezen en het even snel weer wegsteken. Enkel mijn ogen zien wat er geschreven staat, enkel mijn geest registreert de woorden ‘God’, ‘Jezus’ en ‘de heilige maagd Maria’. Ik durf er met niemand meer over spreken. Mijn kokoshouten kruisje heb ik verbrand, zoals de enorme stapel bijbels op de Vrijdagmarkt vorige zomer… In de verte klinkt het gezang vanaf de nieuwe minaret van Gent-Centraal. In het appartement boven mij hoor ik gestommel. Getrouw was ik mijn hoofd en handen, neem ik mijn matje en buig naar de grond. Duidelijk zichtbaar bij het raam, voor de eeuwig spiekende camera’s. Buren die je verraden en controleurs zijn overbodig geworden. Big brother Ali is ever watching. Ik buig me naar de grond en fezel het verplichte gebed. In mijn hart lach ik. Er is maar één God en ik bid tot Hem om de vrijheid van vroeger. Arabisch of Nederlands, gebed blijft gebed. De camera’s leggen mijn bewegingen vast, maar in mijn hart kunnen ze niet zien dat ik de woorden uit mijn grootmoeders Zielebalsem bid.   Lyne Uytterhoeven

Lyne Uytterhoeven
14 0

Huiswerk

‘Come on let it go-oooo, just let it be-eeee, why don’t you be you-uuuu and I’ll be me …’ Hardop zing ik de woorden mee. Ik staar naar het scherm van mijn laptop. Het Word-bestand is één grote grijze massa en als zelfs de oude Griekse beschaving om elf uur ’s avonds niet meer inspireert …Ik kijk op bij de tik op mijn schouder en trek de koptelefoon van mijn hoofd.‘Hé idioot, wat zit jij depri mee te jengelen.’‘Hou je kop, Daan!’‘Ga je mee naar Lucia’s? Rik en Tony zijn er al.’Ik schud mijn hoofd en kijk opnieuw naar mijn beeldscherm. ‘Dit moet voor twaalf uur naar Starings Postvak IN. Je weet hoe hij is.’Ik grinnik als Daans gezicht betrekt. Een zware hand valt op mijn schouder en vol medelijden zegt hij: ‘Man, succes. Maar je komt na de tijd nog wel een biertje doen?’‘Ja misschien, ik heb wat hoofdpijn. Ik laat het nog wel weten.’Daan haalt zijn schouders op. ‘Later, man!’ De deur valt achter hem dicht.Ik zet Shape Of You van Ed Sheeran op minimaal volume en lees wat ik tot nu toe heb geschreven.Als historisch figuur heb ik koning Leonidas I van Sparta gekozen, maar verder dan zijn connectie met de Slag bij Thermopylae en de film 300, ben ik nog niet gekomen. Wie was deze koning? Hoe leefde hij in Sparta? Leefde hij anders dan zijn onderdanen? Wat is de voorgeschiedenis van de slag? Ja, ik heb nog wat werk te doen en ondertussen nog drie kwartier de tijd.   Het is drie minuten voor twaalf als ik mijn bestand upload en naar Staring verzend. Opgelucht droog ik de binnenkant van mijn handen aan mijn spijkerbroek. Niet mijn beste werk, maar ik heb het toch maar weer gered. Om van mijn opgejaagde gevoel af te komen scrol ik wat door Facebook. Er staan verschillende foto’s op van mijn vrienden bij Lucia’s. Ik besluit gauw een douche te nemen en dan ook te gaan.Het warme water is heerlijk. Mijn ledematen worden zwaar en ik gaap. Ik poets mijn tanden en droog mij af. In de spiegel zie ik de wallen onder mijn ogen. Snel stuur ik Daan een berichtje en dan trek ik een schone pyjamabroek en T-shirt aan. Een avondje Netflixen is ook helemaal niet verkeerd, denk ik bij mijzelf. Ik installeer mij met een glas Cola op de bank en start de eerste aflevering van de American Horror Story.   Na een tijdje hoor ik de deur open- en dichtgaan. Ik steek mijn arm in een zwaai boven de bank uit en zeg, ‘Deze serie is echt geweldig Daan, heb jij ‘m al gezien?’Daan geeft geen antwoord.Ik duw mijzelf overeind en reik naar de afstandsbediening voor de pauzeknop. Ruw wordt er iets over mijn hoofd geschoven. Het is pikkedonker. Het materiaal ruikt muf. Hardhandig word ik op mijn buik op de bank gedraaid. Voor ik kan reageren zijn mijn handen bij elkaar gebonden en hoe ik ook mijn best doe, mijn enkels zijn daarna aan de beurt.‘Daan, ben jij dat? Hou op man, dit is echt niet grappig!’Ik hoor schoenen op de houten vloer, maar verder is er geen enkel geluid.Handen grijpen me onder mijn oksels en bij de enkels. Ze tillen mij op. Wild kronkel ik heen en weer, maar het helpt niets. De deur gaat open en dicht achter mij.‘Help! Help, ik word ontvoerd!’ schreeuw ik.Het duurt maar even voordat ik wind op mijn blote armen voel. Opnieuw gaat er een deur open. Onzacht beland ik op een metalen ondergrond, de deur sluit achter mij. Even later start een motor en komt het voertuig, een busje denk ik, in beweging.Wie zijn dit? Wat willen ze van me? Het is niet alsof ik geld heb. Of mijn ouders. En waarom hebben ze mij? Wat heb ik gedaan? Ik doe niet aan drugs, ik drink bijna nooit, ik steel niet, doe niet aan internetcriminaliteit, heb nog nooit iemand vermoord; zelfs nog nooit publiekelijk ruzie gemaakt! Mijn gedachten schieten van hot naar her en ineens denk ik aan Daan.Hij gebruikt wel eens drugs. En hij heeft ook wel eens wiet verkocht. Is hij geld schuldig? Denken ze dat ik Daan ben? Of ben ik onderpand? O, God, waar ben ik in terecht gekomen …Ik haal met diepe teugen adem; in door mijn neus, uit door mijn mond.Ik leef en ondanks dat we al een poosje rijden zijn we volgens mij nog in de bewoonde wereld. De bossen rondom de stad zullen we niet komen. Toch?‘Gaan jullie me vermoorden?’ vraag ik met een onherkenbare piepstem.Na een paar minuten komt het busje tot stilstand. De achterdeuren gaan open.‘Help! Help me dan toch! Ik word ontvoerd! Hoort iemand mij?’Er opent een deur. Een tel later voel ik de hitte op mijn armen. Ik hoor muziek en mensen lachen.Onzacht val ik op mijn kont. De blinddoek verdwijnt en ik sluit mijn ogen tegen het plotselinge felle licht.‘Je zei dat je niet meer kwam.’ Ik open mijn ogen en kijk naar Rik.‘En daar waren wij het niet mee eens,’ zegt Tony naast hem.‘Dus besloten we je maar op te halen,’ sluit Daan af.‘Biertje?’ vragen ze tegelijk.

schaapschrijft
0 0

Bank

‘A zo ne joekel Frans, da kunde gij nie geloven…’ ‘Meent ge dat Gerard?’ ‘Ja, ze zeiden dat ze zoiets nog nooit hadden gezien.’ ‘Echt?’ ‘Echtig en echtig.’Gerard overdreef meestal royaal en zonder verpinken, en bracht alles op zo’n manier dat je niet anders kon dan het geloven. En zeker Frans, die was er altijd mee weg, een simpele goedzak die van al die sappige verhalen hield. Het deed er niet toe of het waar was of niet, verhalen uit de mond van Gerard waren een feest. ‘Normaal geven ze het mee in een plastic potteke om thuis op de kast te zetten.’ ‘Ja da’s juist’ zei Frans. ‘Wij hebben van ons Germaine ook ergens nog zoiets staan.’ ‘En Frans, ge gaat het misschien nie geloven’ en hij stak zijn vinger als een uitroepteken omhoog, ‘maar die van mij hebben ze in een curverbox moeten steken.’ ‘Ga weg Gerard, dat kan toch niet!’ ‘Nee, echt ! Op het hoofd van mijn kinderen.’ ‘Gij zijt toch niet te schatten gij hé.’ ‘Ze dachten daar dat ik schedels of zoiets verzamelde als ze mij met die doos zagen.’ ‘Serieus? Dachten ze da van die galsteen?’ ‘Ik was wel opgelucht dat die smeerlap d’r uit was. Ik was gelijk zeven maand ver.’  zei Gerard, en leidde ondertussen zijn volgende triomftocht in. ‘En afgezien!’ deed hij er met schepje bovenop. ‘De dokter zei dat hij nog nooit zo ne moedigen mens gezien had.’ ‘Ja Gerard, gij zij wel ne sterke mens hé’  zei Frans bewonderend. ‘En Frans, echt, zeker acht man rond mij in die operatiezaal, en alleen voor mij. Die annestiest zat naast mij maar de rest liep gedurig rond.’ ‘En wat deden die allemaal dan?’ vroeg Frans. Gerard ging er niet op in. ‘Ik wou eerst geen verdoving, het zal wel gaan zei ik, geen probleem, maar ze wilden dan toch iets geven, omdat ze zo met mij inzaten. Sympathiek hé?’ ‘Ja, die mannen zijn da gewoon hé Gerard, die doen nie anders.’ zei Frans een beetje naast de kwestie. ‘Maar wat is, Frans, ik zal nu wel een andere manier moeten zoeken om mijn gal te spuwen’ zei Gerard, en hij lachte om zijn eigen grap die hij al voor de vierde keer die week had rondverteld. Zijn vriend glimlachte dunnetjes mee, maar hij begreep het niet echt. Frans was niet zo’n groot licht, eerder een lampje van tien watt. ‘Hoe bedoelt ge Gerard?’ ‘Wel ja hé Frans. Gal, galstenen, de gal is er nu uit, verstaat ge?’ Gerard helde plots over naar links en liet een kanjer van een scheet. ‘Né, die moest er uit’ zei hij voldaan. Frans lette nauwelijks nog op die vettigheden, hij was het ondertussen gewoon. Rochelen, vlak naast naast hem op de grond spuwen waarbij soms iets op Frans’ schoenen terechtkwam, neuspeuteren, gatkrabben, kruisnijpen, hij zag het al niet meer. Frans stond op het punt nog iets te zeggen, maar alweer kapseisde Gerard en liet een tweede harde scheet. ‘Vlieg maar uit schatje, ’t zal je deugd doen. Mij alleszins wel.’ zei hij. Frans zag de ruïnes van Gerards’ voorste tanden terwijl hij zichzelf weer grappig vond, en hij dacht aan wat Germaine als avondeten ging klaarmaken.  

Lode Van Wabeke
39 0

Perfectie.

Het perfecte huis met de perfecte man, de perfecte baan, de perfecte vrienden, de perfecte avond uit. Allemaal in de perfecte stad. Het perfect dagje uit. De perfecte vakantie. Het perfecte popje. A sorta fairytale.   The perfect ABBA-song. De perfecte maaltijd. De perfecte stilte. De perfecte aankoop. De perfecte vrouw. That perfect dress. The perfect perfume. De perfecte kleur. De perfecte vriend. De perfecte snijboon. De perfecte pint. De perfecte lijn. De perfecte jeans. De perfecte huid. The perfect deal. De perfecte kandidaat. Het perfecte kapsel. The perfect lover. Un plan parfait. Un amour parfait. The perfect dream. Une taille parfaite. L’âge parfait. De perfecte prefect. De perfecte perverse prefect. Het puntje op de “i”. When push comes to shove. Al bij al. « Et alors ? » Het perfecte boek. De perfecte toon. Het perfecte licht. Het perfecte uur. Parfaitement à l’heure. Le moment parfait. Het perfecte misverstand. Een perfect alibi.   De perfide minnaar.   “Tu m’as parfaitement compris”, dit-elle les yeux enragés, « tu sais parfaitement ce que je veux dire ». D’un seul mouvement de la main, elle brisa la fenêtre qui donne sur le boulevard. L’air frais de Paris remplissa ses poumons. Elle ressentait que la maison se libérait de ses angoisses, comme l’air qui s’échappe d’un ballon. Devant une telle rage, il ne pouvait que l’aimer. Elle avait retrouvé sa liberté. Elle avait tué son âme. Elle était belle. Elle était libre.                                                            Rien n’est parfait. La réponse serait-elle dans le passé, le plus que parfait ? A Paris on a la réponse parfaite pour tout.                                                                                        « Viens… on rentre ». Il mit ses bras protecteurs et musclés autour de lui. Il commença à pleuvoir. Il commença à pleurer. Dans cet instant parfait, il l’aimait. Il se sentit protégé et réconforté. Cette nuit-là, pour la première fois depuis longtemps, dans les pleurs de ses yeux, il retrouva le repos tant recherché.

Erwin Abbeloos
0 0
Tip

Het interview

Zij mocht als eerste naar binnen, een ongewone toegeving op vaders trots en moeders bemoeizuchtigheid. Of ze blij moest zijn met die plotse aanvaarding van haar meerderjarigheid wist ze niet. Ze probeerde een vaste tred aan te houden terwijl ze door de gang liep. De naaldhakken waarop ze zich voortbewoog maakten het er niet bepaald gemakkelijk op. Had ze toch voor die zwarte bottines moeten kiezen? Nee, die hadden iets militairs, dat kon een verkeerde indruk wekken. Hakken waren de juiste keuze geweest. Toen het tweedehandswinkeltje van het opvangcentrum het rode paar etaleerde, had ze zich de schoenen zonder aarzelen toegeëigend. Ze hadden haar doen denken aan een paar dat ze een blanke vrouw had zien dragen op een filmposter vlakbij het centrum. De assistent die haar begeleidde had breed gegrijnsd toen hij haar ernaar zag staren. In het rode schoeisel zag ze de bevestiging van haar integratie, van de mogelijke rol die ze zou kunnen opnemen in deze samenleving.   Klikklak, klikklak, klikklak.   De geur van oud gebouw had zich vermengd met die van het okselzweet van haar voorganger. Aan de andere kant van een grijsgroen bureau dat zijn gloriedagen vermoedelijk omstreeks de jaren zeventig had gekend, nam de dossierbehandelaar plaats. Rechts van hem zat een vrouw die vriendelijk glimlachte. Zij droeg geen hakken. Had ze zelf toch ook niet voor onopvallender schoeisel moeten gaan? De idee dat die rode stiletto’s haar zouden neerzetten als een te zelfzeker, ja zelfs obsceen schepsel, deed haar opeens toch in angstzweet uitbreken. In haar zomerjurk, daar op die plastieken stoel tegenover haar blauw  gekostumeerde ondervrager, voelde ze zich een overdaad aan kwetsbaar, zwetend vlees: te veel been, te veel borst, te veel voet gemurwd in felrode schoen.    “Wat is uw naam, juffrouw?”   Zei hij nu iets?    “Uw naam, alstublieft.” zei de man opnieuw, het eenlettergrepige substantief overdreven articulerend.   Sherine schrok op.   “Sherine Abd el-Tawfiq Habbal”   “Nationaliteit?”   “Van Syrië, meneer.”    “Waar in Syrië woonden jij en je familie precies?”   “In Damascus, meneer, de hoofdstad van mijn land.”   “In Damascus? En wat denkt u dat er zal gebeuren als u zou moeten terugkeren naar uw thuisstad?”   Een druppel zweet gleed nu uit haar knieholte langs haar kuit naar beneden. Haar keel voelde droog aan. De man in het pak scheen niet te zweten. Hij leek wel een sprekend uniform, standvastig en kalm. Sherine sloeg haar klamme armen over elkaar.     De man herhaalde de vraag    “Ik weet het niet, meneer. Elke dag hoorden wij bommen in de buurt. Wij zouden in gevaar zijn, meneer.”   “Vertel me eens hoe jullie naar België zijn gekomen, Sherine.”   “Mijn ouders, mijn broer en ik namen samen de bus naar Beiroet. Beiroet is in Libanon, niet ver van onze stad. Daar namen wij de bus naar Turkije. We kwamen in een dorp, het was aan zee. Daar moesten we een kleine boot op. Mijn broer wou niet...” Haar stem stokte.   “Hebben jullie nog enig bewijs van die busritten, een ticket bijvoorbeeld?”   “Nee, meneer. De bus in Syrië heeft geen tickets. Mijn vader betaalde gewoon bij de chauffeur vooraan toen wij opstapten.”   “Ok, dus jullie namen die boot?”   Ze knikte kort. Haar oren suisden, iets wat de laatste tijd wel vaker gebeurde. In een poging zich erover te zetten focuste ze haar blik op een schroeivlek in de balatum vloerbedekking.   “Naar de Griekse eilanden, neem ik aan?”   “Naar Kos, meneer.”   Het ruisen zwol aan. Ze werd misselijk bij het vooruitzicht op de rest van het verhaal.   “En wat gebeurde er daar?”   “Daar stierf mijn broer meneer.”   “Wat was de naam van je broer?”   “…” Ze slikte moeizaam.   “Hoe lang bleven jullie in Kos?”   “Een  maand, misschien twee. Ik weet het niet goed, ik had koorts.”   “En daarna?”   “We namen een boot, een grotere deze keer, opnieuw was het donker. Ik was bang, meneer. We waren met veel. We waren met heel veel en we reisden naar Athene. Daar ontmoette mijn vader Jamaal. Hij kende veel mensen. Hij heeft ons geholpen.”   Het suizen was intussen zo luid geworden dat ze moeite had om de dossierbehandelaar te horen. Ze had erop aangestuurd dat een tolk niet nodig was om te tonen dat haar Nederlands al een behoorlijk niveau had bereikt. Nu wou ze dat ze de vragen op zijn minst een tweede keer had kunnen horen, in welke taal dan ook.   “En daarvoor vroeg hij geld in de plaats neem ik aan?”   “Mijn moeder betaalde, meneer. Hij was een goede man.”   “En waar bracht hij jullie?”   “...”    “Jullie kwamen niet in een keer naar België, neem ik aan? Via welke landen zijn jullie gereisd?”   Zwarte cirkels dansten voor haar ogen terwijl er in haar hersenen nerveus naar de schakels voor haar spraak werd gezocht. Alle bloed dat daarvoor nodig was liet haar gezicht bleek en bezweet achter.   “Mijn broer is in Griekenland.”   “Sherine, kan je me vertellen via welke landen jullie zijn gevlucht?”   “Nee, meneer.”   Haar bewustzijn capituleerde en het plakkerige, zwetende lijf dat haar net nog zo in de weg had gezeten zeeg neer bij de schroeiplek op de grijsgroene vloer.

Fien
71 1

Fee

Die dag werd Fee voor het eerst geboren. Met wakkere oogjes keek ze de wereld in. Het was een heldere winterdag, binnen snorde de houtkachel.   Zo stond het beschreven in het eerste van een eindeloze reeks schriften die haar moeder had volgeschreven. Maar zo vredig als haar fantasie, was het leven van Fee niet.   Het pesten begon toen alle kinderen allang spijkerbroeken en T-shirts droegen en Fee nog steeds poezelige jurkjes. Ze moest vechten om te overleven. Haar jurkje rafelde en zat vol winkelhaken. Haar moeder noemde haar Fee Forza en nam naald en borduurgaren ter hand om de littekens dicht te stoppen met kleurige bloemetjes. Fee zelf voelde geen enkele kracht. Ja, ze won altijd, ze kon iedereen aan. Ze had simpelweg geen andere keus. Maar van binnen was ze niet meer dan een lusteloze lintworm.   Haar moeder schreef en schreef, maar vergat te kijken hoe de geliefde dochter opgroeide tot een puberende punk. Fee vocht verder. Ze vond haar weg in de wereld van harddrugs en dacht dat dit het was, het leven. De donkere kringen onder haar ogen camoufleerde ze met zwarte schmink. Piercings verhulden de verminkingen. Ze liet zich Eef noemen door haar vrienden die geen vrienden waren. Haar moeder beschreef haar liefelijk als Zwarte Fee. Eef zwierf door het leven waarvan de dagen korter en de nachten langer werden. Haar moeder bevorderde haar tot Koningin van de Nacht, en vroeg zich nooit af waarom er altijd een waas om Fee’s maan hing.   Op de kortste dag van het jaar, drijft er een lijk in het donkere water van de sluis. Eef haalt de stapel schriften tevoorschijn. Ergens moet iets staan dat haar een klein beetje hoop kan geven. Een zinnetje, één woord desnoods. Een detail waaruit blijkt dat haar moeder toch iets begrepen heeft van de werkelijkheid waarin Eef leefde. Schrift na schrift, geen enkele aanwijzing. Wel schrijft zich tussen de regels door een andere werkelijkheid. Die van haar moeder. Als een ontveld serpent, scheurt Eef de blaadjes uit de schriften en stopt ze in het apparaat. Buiten hangt een lage mist. De shredder schrokt. 

Lien van Horen
0 0

Dankzij de bib

                                                  Dankzij de bib.         De Bib: je mag er mij in opsluiten. Ik zweer het je: ik geef geen kik!       Stel, ik zit in de leeshoek “Vrouwland” van Rachida Lamrabet te lezen. Dan steek ik als het ware, samen met Younes, de zee over en vergeet ik plaats, tijd en ruimte. Dat was al zo als kind. Dankzij de bib had ik van verhalen en boeken leren houden en geregeld kroop ik met een leesboek onder mijn bureautje en beleefde elk wonder mee met het meisje met de zwavelstokjes. Later kreeg ik een standje van mijn moeder omdat ik niet kwam, toen ze riep. “Sorry, mama, ik heb je niet eens gehoord. Ik was in de hemel!” moest ik bekennen. Mama schudde het hoofd: “Raar kind”, zal ze stellig gedacht hebben. En raar ben ik nog steeds, wanneer ik in een boek verzeil.       Ik vecht dan mee tegen de wilde zee, word mee naar de bodem getrokken. Verdrink ik in het donkere water? Even denk ik echt dat het gebeurt maar het is de bibliothecaresse, die het licht uitknipt en de deur achter zich sluit. Hier zit ik dan: opgesloten in de bib. Maar geen nood: niemand wacht op mij. Ik zoek in mijn tas naar mijn pillamp en flesje water, neem een slok en begin de rekken af te gaan. Ik heb de hele nacht tijd, wat een luxe!      Hoe men papieren bloemen maakt, hoe men echte rozen snoeit, welke plaatsen men best in Egypte bezoekt en wat men moet doen tegen rugproblemen. Dankzij de bib kom je het allemaal te weten. Als kind dacht ik echt: ik lees alle boeken uit de bib en dan weet ik alles. Zo simpel is dat! Maar nu, zoveel jaren later, besef ik dat het leven te kort is en de harde schijf in mijn hoofd te klein om dit alles op te slaan! Maar bij de romans, geklasseerd van A tot Z, word ik pas echt stil. De grootste bewondering heb ik steeds gekoesterd voor mensen die dat kunnen: schrijven wat ik voel. Ze kennen mij niet eens en toch lukt het hen een voor mij herkenbaar verhaal te verzinnen met emoties, die ook ik doorleef. Schrijfster worden, is dan ook lang een droom geweest en ik ben dus best wel fier dat er ten minste enkele kleine boekjes van mij in de rekken staan.      In deze bib wordt blijkbaar ook voorgelezen, want er hangen foto’s van luisterende kindjes en van de snuitjes valt af te lezen of het voorgelezen boekje vrolijk, spannend of misschien wel eng is. Wat mooi toch dat ze, dankzij de bib, zo mee kunnen opgaan in een verhaal, hun fantasie gebruiken en van het geschreven woord leren houden!     Ik moet alleen zorgen dat ik hier niet opgesloten raak op een woensdag, want dan kan het hier leeskring zijn. Vooral als de lezers het oneens zijn over de beoordeling van een boek, wordt er met veel animo gediscussieerd. Geloof me, ik kan het weten want, dankzij de bib, ben ik ook lid. Maar vandaag zit ik hier goed. De titel “Vrijheid”, een boek van Jonathan Franzen intrigeert mij. Ik begin er in te lezen, zak met het boek op mijn schoot neer en leun tegen het ijzeren rek. Hoelang? Geen idee! Maar als ik, net als Patty, de hoofdfiguur uit de roman, mij verkleumd van de kou voel, hoor ik iemand de bib binnenkomen en de trap opgaan. Ik slip naar buiten. What a night! Dankzij de BIB – zou dat de afkorting zijn van Boeken in Ieders Bereik? – droomde ik mij een wondere tijd.

Hope
0 0

Rust

Het was nu al de derde keer in korte tijd dat hij zijn auto niet onmiddellijk op de parking terugvond. De laatste maanden waren er steeds meer van die dingen geweest, een soort permanente verstrooidheid die zijn hoofd binnentrok. Thuis kon hij bijvoorbeeld minutenlang voor de deur blijven staan, tastend in zijn zakken, op zoek naar sleutels die voor de zoveelste keer niet te vinden waren. Of hij liep op het voetpad en wist plots niet meer naar waar hij op weg was. Het samenspel van geheugen, chronologie en details dat vroeger moeiteloos kon worden opgeroepen, dat raderwerk draaide niet meer naar behoren. Onlangs maakte hij zich de bedenking dat zijn bestaan het laatste jaar op een kies leek die langs de buitenkant wel intact bleef maar sluimerend van binnenuit werd verwoest. Meteen nadat hij de huissleutels binnen zijn gezichtsveld op tafel had gelegd zette hij zich neer en bekeek het schrift.  De aankoop ervan was een poging om alles op orde te zetten, een leidraad te vormen tegen de vervreemding die zich stilaan van hem meester maakte. Alles wat van belang was geweest in zijn leven moest worden genoteerd, het zou hem helpen een en ander klaarder te zien. Hij zou dan beter begrijpen waarom dat onwerkelijke feit uit het verleden het heden zo vorm is blijven geven. Hij trok een kantlijn en schreef in een handschrift dat bij zijn leeftijd pastte. In de rechterbovenhoek noteerde hij de datum, op een manier zoals hem dat hem vroeger geleerd was, met horizontale streepjes tussen de cijfers. Onder de bal van zijn hand lag een stuk roze vloeipapier, een vilten mozaiek van kleine en grotere inktvlekken die bij elke handbeweging trouw over het blad meeschoof. De eerste avond schreef hij drie uur na elkaar. Niet zonder enige moeite reconstrueerde hij gebeurtenissen en herinneringen. Hij had het lastig met data en haalde familielijnen door elkaar. Tegen alle verwachtingen in schreef hij meer over zijn vader dan verwacht, en vertelde uitvoerig hoe hij door een infectie een been kwijtraakte nadat iemand per ongeluk op het land een zeis in zijn onderbeen sloeg. Hij beschreef diepgaand het dorp waar hij opgroeide, zijn jeugd en zijn vriend Paul Bosschaert waar hij van kleinsaf mee optrok, Paul die meer lef dan hersens had. Ze waren onafscheidelijk en vertrokken op achttien jaar naar de mijn, samen met nog andere jonge roekeloze kerels, gelokt door avontuur en geld. Regelmatig masseerde hij de kramp uit zijn handen en vingers, hij was het niet meer gewoon zoveel te schrijven. De laatste bladzijde las hij nog eens na, en schoof een memoblaadje dichterbij dat naast een medicatiedoosje voor hem op tafel lag. Onder elkaar stond opgesomd:   lichten uitdoen achterdeur op slot enkele vlokjes aan de goudvissen ma-woe-vrij   Deze geheugensteuntjes hielpen hem, maar maakten hem ook ongerust omdat ze stilaan niet meer het gewenste effect hadden. Hij vergat ze te lezen of te schrijven. Soms hing hij tergend lang boven een vierkantig stukje papier met alleen maar een blanco gedachtengang. De vierde dag, het schrift was halfvol, kwam het deel waar niet aan te ontkomen viel. Het moest nu maar eens gebeuren, maar zoals altijd was de eerste reactie vluchten, het over iets anders hebben, boodschappen gaan doen, het schrift dichtslaan. Maar als hij de vrede wou vinden waar hij al die jaren vergeefs had naar gezocht, dan was er geen andere weg. Het op papier stellen, voorlopig enkel voor zijn ogen bestemd, zelfs dat scheen hem een onoverkomelijke opdracht. Ironisch genoeg had hij voor dit deel niet het minste last van geheugenproblemen. Als hij er in zou slagen het neer te schrijven, dan zou misschien de droom ophouden waar varianten van eenzelfde thema hem regelmatig teisterden : hij staat naakt op het dorpsplein, zijn handen te klein om de schaamte te bedekken, en op elke hoek galmen grote luidsprekers die zijn bedrog wereldkundig maken. Nagenoeg iedereen is toegestroomd wanneer hij als bedrieger wordt ontmaskerd. In nachten waar de droom werkelijk geen genade kende, ging daarbovenop nog een geluidswagen met dubbele megafoon door de omliggende dorpen. ‘Luister mensen, je gelooft jullie oren niet!’ Hij schudde zijn hoofd in zijn handen en probeerde de draad van het verhaal weer op te nemen.   “Misschien ben ik vriend met hem geworden omdat ik op de een of andere manier hoopte dat iets van hem op mij zou afstralen. Een glimpje durf maar, of een kooltje vuur uit die ogen was voldoende, daar zou ik al tevreden mee zijn geweest. Alles was voor hem zo evident, leven zo vloeiend in hem aanwezig, er was niets dat haperde. Ik was de stille, de bedachtzame, de sul. Ik kon mij alleen maar dagelijks vergapen aan zoveel zelfbewustzijn. En hij wist het, de lefgozer, en de meisjes ook. Zelfs als we aan het begin van onze werkdag klaar stonden om af te dalen en hij aan zijn altijd fraai geknoopte zakdoek rond zijn nek zat te frunniken, zelfs dan leek het of daar beneden nog meisjes op hem stonden te wachten.”   Hij zat al enige tijd op zijn stoel met het schrift voor hem. Vol aandacht keek hij naar de lijnen die zich vulden, zijn hand was het enige wat bewoog. Hij sloeg een blad om, legde zijn hand als een presse-papier op het vloeipapier en schreef verder.   "Het was na een vroege dienst. Vuil en vermoeid klommen we in de kooi, met onze schoofzak leeg achter ons aan. Terwijl we schuddend en rammelend de zes minuten durende tocht naar boven aanvatten was Paul alweer onvermoeid aan het praten gegaan. Hij kletste altijd maar door die kerel, zijn mond stond nooit stil, het enige wat hem kon overstemmen was de herrie van onze drilboren. Hoe hoger de kooi omhoog klom, hoe meer de broeierigheid plaats begon te maken voor koele en zuivere lucht. Op een zeker moment, ik zag de kleine lichtcirkel en de metalen constructie van de schachtbok boven ons groter worden, zei hij : ‘Vanavond zie ik Esther’. Dat was het laatste wat ik ooit uit zijn mond had willen horen, en terstond haatte ik hem om wat hij had gezegd. Zijn ogen lagen als vuurtorens in die zwartgeblakerde kop, en wat ik er in las vervulde me met weerzin. Die paar minuten nog dat we dicht tegen elkaar aan stonden gepropt waren ondraaglijk.  Ik deed mijn ogen dicht, onderbrak zijn geleuter met een geveinsde hoestbui en keek naar het diepe zwarte gat onder me. Iedereen, maar niet Esther. Gelijk wie, maar niet zij. De week daarop, ik geloof dat het een dinsdag was, een doodgewone werkdag, daalden we zoals gewoonlijk met vierentwintig kompels af en gingen aan het werk. Paul en ik werden galerij vier ingestuurd en deden verder op de plaats waar de vorige ploeg was opgehouden. Kolenwagons raasden naast ons voorbij, hels knarsend in de met grafiet volgeraakte sporen. Na al die jaren herinner ik mij alleen nog een diep gegrom dat uit de buik van de aarde leek te komen, en die mijn laarzen deed trillen als een koude dieselmotor. Dat weet ik nog goed. Het was bijna niet waar te nemen, maar luttele ogenblikken erna drong een hoog gesuis mijn oren binnen en een seconde later knapten steunbalken als lucifers en vielen elkaar broederlijk in de armen. Een dikke ondoordringbare wolk begon jachtig de wanden van de schacht af te tasten en rolde voor zichzelf een zwarte loper uit, en voor ik goed en wel terug rechtstond sloeg een walm van vochtige warme klei me in het gezicht en bleef knarsend tussen mijn tanden achter. Het smaakte raar genoeg zurig. Ik kon geen hand ver meer zien. De schel ging in de verte als een gek tekeer en ik besefte dat het menens was. Alle geluid kwam nu gedempt door, als roepen onder water, zo dik, vuil en vochtig was de lucht. Zelfs het paniekerig schreeuwen werd tot niet veel meer dan fluisteren herleid. Onze voorman ratelde schor de eerste namen af die in zijn hoofd opkwamen. Van Boxstael! Coekaerts! Van Landeghem! Melden ! Antwoorden godverdomme ! We moeten hier weg hoor je? In die lucht houden we het niet lang meer! Ringoot ! Antwoord dan toch klootzak ! Was Ringoot mee vanmorgen, ja of nee ? Het was niet efficiënt wat de man deed, maar het was menselijk. (Hij is nu al verscheidene jaren dood, aan stoflong, daar waren we na onze pensionering met ons allen heel solidair in). Met vierentwintig ondergingen we het geraas en riepen door elkaar tot onbedaarlijk hoesten ons het zwijgen oplegde. We waren op weinig voorzien maar deden wat we konden. Hoofdlampen schenen als zwak maanlicht, onwillekeurig lieten ze de radeloosheid van heel de onderneming zien. We volgden persluchtleidingen van drilboren en nog andere aanwijzingen waar makkers aan het werk waren en op die manier konden terugvinden. De meeste waren gekwetst, van wie sommige ernstig, en de eerste twee uur hadden we drie doden van onder het puin gehaald. Verbeke ! Ben jij dat Verbeke? Zeg iets man! Ik ben het! riep ik gesmoord met een zakdoek voor mijn mond. Ik ben ok ! Maar meteen begon ik weer te hoesten nadat ik brokken spuug en andere viezigheden omhoog had gerocheld. Hoe zit het daar bij jou? vroeg de voorman. Was Bosschaert niet bij je? Ik antwoordde niet. Bosschaert? Waar is Bosschaert, Verbeke? brulde hij opnieuw, en ik herkende de man niet die over zijn schouder hing te zieltogen. Ik had de persluchtleiding gezien die naar Paul zou leiden, maar ik ondernam niets om ze vrij te leggen. En ik had er geen moment aan gedacht om het wel te doen. Dat is het eerlijkste antwoord dat ik kan geven.”   Hij hield op met schrijven en las die laatste woorden wel honderd keer opnieuw, alsof het volstrekt nieuw was wat er stond, iets wat hij zelf nog moest beginnen geloven. In de tuin zag hij de wind door een plataan gaan die met zijn armen gastvrij blaren uitstrooide.   “Het was sterker dan mijzelf. Over brokstukken struikelend klom ik de schacht uit, vervoegde de rest op het gehoor en ondersteunde iemand van wie ik maar veel later te weten zou komen dat het Pacot was geweest. Na al die jaren huiver ik nog steeds om de vanzelfsprekende manier waarop ik met mijn helm tegen die van de voorman stootte, zijn hoofd vastgreep en zijn oor inriep:   ‘Niemand meer in vier ! Ik ben de laatste!’ We voerden gewonden af en brachten ze naar de kooi. De dichtheid en de ondertussen ondraaglijk geworden warmte vergden het uiterste van ons, en ik bewonder vandaag mijn makkers nog steeds om zoveel onbaatzuchtigheid.  We wisten het toen niet maar kwamen negen man tekort nadat de laatste was boven gehaald, badend in het licht van drie grote schijnwerpers die het gapende gat belichtten waar rook uitkwam.  Zwaailichten gaven de verzamelplaats aan de loods een macaber aanzicht terwijl we liggend op een brancard niets anders dan helder bloed, slijm en etensresten uitkotsten. Op de herdenkingsdienst twee weken later keken mensen ons met ontzag aan, als porseleinen beeldjes die extreme omzichtigheid vragen. Ik walgde van mezelf wanneer ze trots en bewonderend zo sluiks naar ons keken, en ik voelde tot op het bot de verdorvenheid van dat valse heldendom. Zoals zo vaak keek ik naar de grond en inspecteerde mijn schoenen. In die verpletterende sfeer kwam onverwacht Esther naast me staan, ik dacht dat het toeval was maar dat was niet zo. Ze had me gezocht. Met haar bruine verende krullen die ik overal ter wereld zou herkennen stond ze plots voorzichtig glimlachend naast me, en tijdens de preek van de kapelaan haakte ze ongezien haar pink rond die van mij en bleef strak voor zich uitkijken. Ik heb het haar nooit verteld. Het was onbeschrijflijk wat er die dagen door me heen ging, maar er was niemand ter wereld die ik meer wou dan Esther, dus bedolf ik alles onder, mee met de rest.”   Het was al lang donker wanneer hij met schrijven ophield. Hij deed de achterdeur op slot, liet een peertje branden in de hal en gaf de goudvissen een extraatje. Een voor een nam hij de pillen uit het doosje, en met een beetje water gooide hij het hoofd een paar keer achterover. Hij had nog enkele minuten. Hij bladerde het schrift nog eens door, las hier en daar een stukje, glimlachte soms, en legde het tenslotte open op de laatste, half blanke pagina. Heel traag trok hij een streep onder de laatste zin, zijn gezicht ernstig maar opgelucht. Het was voorbij. Hij deed het schrift dicht en legde het vloeipapier en de pen als een sluitsteen erbovenop. Hij ging op bed liggen en sloot de ogen. Het was voor hem een verademing geweest wanneer hij daarnet, als laatste zin, de aanhef van zijn lievelingspsalm had neergeschreven, woorden die hij altijd prevelde wanneer hij het ‘s nachts benauwd kreeg, wanneer angst met overtuigde kwaadaardigheid de lucht uit zijn borst kwam drijven:  ‘Uit de diepten roep ik tot U Heer, kom mij te hulp.’    

Lode Van Wabeke
0 0

Eenzaamheid.

EENZAAMHEID   Communicatie… Ooit zijn stokpaardje maar door omstandigheden volledig uit het oog verloren. Blij, al was het maar als een schim van vroeger, om terug te zijn. Mooi als een nieuw begin. Als elk nieuw begin. Een start? Voorlopig zonder doel en al zeker zonder einde. Kijken naar waar het hem brengt. Meeglijden op het moment. Genieten van wat komt. Een kans op herstel? Diep vanbinnen panische angsten, grote brandende vuren in kilometers diepe afgronden. Gewetenloze krijgers klaar om medogenloos toe te slaan. Afgrijselijke gedrochten dorstig naar jong bloed. De duivel zelf een pasgeboorne verorberend, dansend van extreem genot bij het zien van zoveel innerlijke pijnen. Een bedwelmende roes. Een onomkeerbare extase… Of toch? En toch! Voorlopig zit het goed. Met veel dank aan het hem omringende medische team en hun opgewekte, aanstekelijke doorzettingsvermogen. En de broodnodige medicatie. Dat helpt ook. Laat daar nooit twijfel over bestaan. Medicatie blijft onontbeerlijk. De allereerste contacten met een voor hem verdorven buitenwereld verliepen stroef. Een buitenwereld waarvan hij ooit genoten had als was het een verslaving. Hij had in die periode in zijn leven nood aan aandacht en alles en iedereen zou en moest hiervoor wijken. Verslavingen, van welke aard dan ook, zijn altijd gedoemd om fout te eindigen. Altijd! Aan hem om deze negatieve spiraal te doorbreken. Enkel een positieve ingesteldheid zou hier wonderen kunnen verrichten. Aan hem om zich hiervoor open te stellen. Door de fijne, korte contacten die hij dagelijks beleefde met zijn ‘vriend voor het leven’ leerde hij stillaan weer meer aandacht te besteden aan andere, al dan niet verplichte contacten. Aandacht onder de vorm van bezoek van wat er rest van zijn familie en vrienden, hoefde voorlopig echt niet. Daarvoor was de schaamte voor wat gebeurde nog te sterk aanwezig. Zijn relatie met het verplegend personeel, de dokters, specialisten elk in hun vak, verliep steeds gemoedelijker. Het pure en rauwe negativisme en zijn onbegrijpelijke irritante vijandigheid tegenover iedereen die hem wou helpen, sleet steeds meer en meer af en er kwam een soort van gelaten maar welgemeende appreciatie voor in de plaats. Contacten met andere patiënten en hun familie beperkten zich, al was dat volgens zijn voltallige medische team een wonderbaarlijke vooruitgang, slechts tot een kort knikje als begroeting of bij hoogste uitzondering en dus echt alleen op de allerbeste dagen tot een vriendelijke, korte vocale groet. Drong het dan eindelijk tot hem door dat de contacten die hij zolang schuwde eigenlijk van levensbelang voor hem bleken te zijn. Een belangrijke levenslijn. Als een aorta… Het halsstarig mijden van alle menselijke contact dreef hem uiteindelijk en onvoorwaardelijk richting onverdraagzame eenzaamheid. En zelfs, in zijn donkerste gedachten, tot de dood. Althans tot een poging om te willen sterven. Nu, terugblikkend op die gitzwarte periode, kon hij zelf amper vatten wat hem toen bezielde. Als hij vroeger, in zijn volle glorietijd, verhalen hoorde over jonge mensen die zichzelf van het leven hadden beroofd, dan kon hij dat werkelijk nooit begrijpen. Het leven mocht nooit zo negatief worden dat je er geen zin meer in had. Het leven kan je pijn doen, het leven kan je ontgoochelen, onhoudbaar, ongecontroleerd en onrustig… maar je staat altijd weer op. Je laten gaan, je laten meevoeren in een negatieve straalstroom van foute gedachten is makkelijk. Het vergt bitter weinig energie en al helemaal geen persoonlijkheid. Zieligheid en karakterloosheid. Stoppen met jezelf te wentelen in zelfvernietigend en klaaglijk zelfmedelijden. Gitzwarte gedachten verdrijven met het zoeken naar de laatste sprankeltjes hoop. Helemaal verscholen in het verste uiteinde van de donkerste tunnel. Jezelf optrekken aan laatste kaalgevreten strohalmen. Overschotjes van geluk achteloos overboord gegooid door anderen. Krachtdadig optreden tegen alles wat je neerhaald. Streven naar eigenwaarde, naar menselijkheid. En toch heeft hij zichzelf laten vangen. Toch liet hij zichzelf meevoeren in het kolkende en overhitte negativisme zonder het op het eerste zicht te beseffen. En zelfs al was het te laat aan het worden, dan nog drong het niet tot hem door. De vervloekte verdoemenis sleurde hem steeds dieper en steeds verder weg van elke vorm van voorspoed. Geluk werd toen zelfs een utopische toestand. Maar dan zo stoicijns, zo gelaten dat hij de moed niet meer kon opbrengen om ernaar te streven. Toch merkte hij nu, na de vele dagen, weken en zelfs blijkbaar volledige maanden, die hij in behandeling had doorgebracht, dat hij zich nodeloos had laten afglijden in ongekende droefenis, ongemeen harde eenzaamheid, verlies van vertrouwen en elke zin van realiteit. In een compleet fout en verwrongen zelfbeeld. Brak de zon al door de wolken? Nooit te vroeg victorie kraaien. Opmerkzame verpleegkundigen met hun dagdagelijkse taken voorzagen een schuchtere poging om het zware wolkendek van het donkergrijze onweer te doorbreken. Van blauwe hemels, witte schapenwolkjes en een stralende zomerzon voorlopig nog geen sprake… Eerder een verdwaalde bliksemschicht die het wolkendek voor enkel seconden, minuten soms, opensperde. Momentopnames die even snel vervlogen als ze verschenen. Maar dus wel een merkbare verbetering. Het einde van een zwarte en zware periode. Een zegen voor iedereen en al zeker voor de patient zelf… Zoals gewoonlijk probeerde hij de drukte in de tuin voor te zijn. Maar anders dan op vorige dagen hoopte hij, en wel zo hard dat het zelfs niet stiekem hoefde, dat zijn ‘lifesaver’ er ook zou zijn. Niet dat ze tegenwoordig afspraken als was het een date. Zo sterk zou je hun band niet kunnen omschrijven. Toch merkte het verplegende personeel een duidelijke ontdooing in de omgang tussen de twee meest  moeilijke sujets binnen hun afdeling nu deze karakters elkaar hadden gevonden. Niet dat ze nu meteen het vrolijkste duo binnen de muren van het gebouw vormden. Zeker niet dat ze nu  honderduit zaten te babbelen en te lachen. Maar zeker wel een aangename toenadering. Een knikje, een glimlach bij de begroeting, enkele korte cliché zinnetjes over weer en gezondheid. Samen zwijgend en vooral misnoegd kijkend naar de drukte. Dezelfde afkeer voor de massa. Genietend van intense en interne rust en hoorbare stilte en ook elke keer weer meer van elkaars gezelschap…  

Filip Lamonte
6 0
Tip

een kale kip kan je niet plukken

Antoine zat in een kleine ruimte met zes dezelfde, saaie stoelen. Plots stond meester van Doorn in de deuropening. “Mijnheer Dekkers!” Antoine stond op. Hij en meester Van Doorn liepen de gang door en het indrukwekkende kantoor binnen. Aan de muur hingen reproducties van Canaletto. Aan de linkerwand van de ruimte stonden vijf kasten vol met overzichtelijk geordende boeken. In het midden van het grote bureau lag een dun groen mapje. “U weet dat uw tante nog veel rekeningen te betalen heeft?” zei meester van Doorn verwijtend. “Ja. Nu, ze heeft een klein pensioen.” stamelde Antoine. “Wie gaat dat rusthuis betalen?” vroeg de advocaat dreigend. “Geen idee. Het OCMW misschien?” “En wanneer zie ik mijn centen?” ging meester van Doorn geïrriteerd verder. “Geen idee,” zei Antoine en dacht: ‘typisch advocatuur; die denken enkel aan hun eigen centen.’ “Een kale kip kan je niet plukken.” klonk het op ernstige toon. Antoine kreeg een glimlach op z’n lippen. “Kijk, zou u zo vriendelijk willen zijn oplossingen te bedenken?” “Omdat u meester Peeters zo goed kent maar hij geen expertise heeft als het om bewindvoeringen gaat, wil ik u wel helpen. Na de opstelling van het patrimoniumverslag heb ik maar één conclusie, en zoals ik al zei, een kale kip kan je niet plukken. Ik zal vrederechter Schuermans en het OCMW contacteren.” zei meester van Doorn verzoenend. “Hartelijk dank.” reageerde Antoine opgelucht. “Zou uw tante nog in staat zijn tot op mijn kantoor te komen?” vroeg hij zakelijk. “Geen idee. Ze is niet echt gelukkig in het rusthuis. Af en toe is ze zelfs agressief. Ze doet haar soutien niet meer aan. Haar gebit vindt ze ook overbodig. Tante Lydia gaat erg snel achteruit maar ik wil het haar wel vragen. Misschien is ze vereerd.” klonk het grappiger dan bedoeld. “Goed. Ik hou u op de hoogte. Laat mijn secretaresse maar weten wanneer u en uw dementerende tante langs zullen komen.” en hij schoof het ongeopende, groene mapje opzij. “Wat doe ik met de correspondentie die nog op haar adres toekomt?” “Bezorg me die.” “Ok” “Wist u dat?” “Wat?” “Wist u dat uw tante geen financiële middelen meer heeft?” “Ja” “U heeft mij met een vervelende taak opgezadeld.” “Tja,” reageerde Antoine gelaten. “Goed. On verra bien. Doe uw tante de groeten,” zei meester van Doorn voor het eerst vriendelijk. Meester van Doorn en Antoine stonden recht en gaven elkaar een hand. Ze wandelden tot aan de voordeur. Meester van Doorn deed de deur open en zei koeltjes:“Tot ziens”. “Bedankt!” repliceerde Antoine. Hij stak een sigaretje op en dacht: ‘het blijft toch een merkwaardige man die meester van Doorn en ik hoop dat het in orde komt.’          

Hubert Grimmelt
37 0

Het meisje in de trein

Vanuit zijn coupé ziet hij haar met haastige passen het station betreden. Haar zwarte hakken galmen ritmisch en agressief door de stationshal en met iedere gehaaste stap bewegen haar borsten licht op en neer onder haar zwarte truitje. Ze is mooi. Dikke rode krullen vallen als een waterval over haar schouders en haar gezicht is bedekt met sproeten. Gefascineerd kijkt hij hoe ze een kort sprintje trekt en net voor het fluitje de trein in duikt.   Voorzichtig legt ze even later haar cameratas neer en plofte daarna met een diepe zucht in een stoel aan de andere kant van zijn compartiment. Haar wangen en voorhoofd zijn rood gekleurd en parelende zweetdruppels op haar voorhoofd vonkelen in de late middagzon. Hij kijkt naar haar en grinnikt even om haar ontredderde status. Verbaast kijkt ze op, realiseert zich haar situatie en glimlachte terug, waardoor twee kuiltjes in haar wangen schieten. Even zitten ze gevangen in elkaars blik, maar al snel slaan ze allebei verlegen hun ogen neer. Beiden niet wetend wat ze moeten zeggen of doen. Beiden bang voor het onbekende. Zij pakt haar mobiel en begint driftig te typen. Hij doet zijn oordopjes in, zet een muzieklijst op en staart uit het raam. ‘Ze had net zo goed op de maan kunnen zitten,’ denkt hij bij zichzelf terwijl hij zijn ogen dicht doet. Langzaam begint hij weg te dommelen.   Hij wordt gewekt door een klik en een felle flits. Verbaasd en verdwaasd kijkt hij naar links, recht in de lens van een camera die omlijst is door rood haar. Zij kijkt op en begint direct te blozen.   ‘Ooh sorry, uhm, ik dacht dat je sliep.’   ‘Dat deed ik ook.’ Hij wrijft in zijn ogen.   ‘De flits stond nog aan.’ Haar gezicht was nu vuurrood geworden. ‘Sorry, ... Ik maak altijd foto’s van mensen die slapen op openbare plekken,’ stamelt ze. ‘Ik heb een hele collectie. Maar ik zal hem direct verwijderen. Maak je geen zorgen, ik uhm… Sorry.’ Ze slaat beschaamd haar ogen neer en prutste wat aan de camera.   Hij kijkt haar niet begrijpend aan terwijl de mist van slaap langzaam zijn hoofd verlaat. ‘Ho, wacht even hoor. Wat is er zo interessant aan slapende mensen?’   Blijkbaar had ze deze reactie niet verwacht, want ze kijkt verrast naar hem op.   ‘Nou, mensen zijn zo kwetsbaar als ze slapen,’ zegt ze dan aarzelend. ‘Mensen die slapen in de trein voelen zich daar blijkbaar volledig veilig. Je kan je ook niet anders voordoen als je slaapt. Mensen zijn dan heel puur, dat vind ik mooi.’   Hij glimlacht. ‘Mag ik de foto eens zien?’   Ze draait het kleine schermpje van de camera naar hem toe. Met één hand aan de zijkant van zijn gezicht en zijn kin op zijn borst ligt hij daar, achterover in zijn stoel. Charmant is anders.   Hij grinnikt. ‘Ik heb geen idee wat je hier ‘mooi' of 'puur' aan vindt, maar je mag hem van mij aan je collectie toevoegen hoor.’   Ze kijkt hem dankbaar aan. Er verschijnt een lichte twinkeling in haar ogen, en de kuiltjes in haar wangen springen weer tevoorschijn.   *Station Utrecht Centraal*, galmt het plots door de trein. *Utrecht Centraal*   Verschrikt kijkt hij op zijn horloge. ‘Oh shit, ik had er bij Zwolle al uit gemoeten.’   ‘Er gaat over 20 minuten één terug,’ zegt zij terwijl ze op haar horloge kijkt. ‘Weet je wat, ik koop wel een kop koffie voor je, als excuus voor de foto. Ik moet er hier toch uit.’   ‘Zolang je dan maar geen foto’s van me gaat maken terwijl ik het drink,’ zegt hij terwijl ze samen opstaan.

Aldous Geechyde
0 0

Gordon Blue

Met een kwartier vertraging bolde de trein het station binnen. Verveeld wrong ik mezelf door de menigte op het perron en begaf me naar de uitgang. Gelukkig zou ik binnen enkele minuten thuis zijn. Toen ik de hoek van onze straat bereikte, viel mijn oog echter op een van de vele reclameborden die de etalage van de slager sierden: “VANDAAG: GORDON BLUE: 3 VRAGEN, 2 BETALEN”. Mijn interesse was gewekt.   Ik ging de slagerij binnen en wachtte geduldig. Voor mij stonden er twee dames, van wie ik kon opmaken dat de eerste die avond worst met appelspijs op tafel ging toveren en dat de tweede het op een traditioneel kippetje aan het spit ging houden.   Toen het mijn beurt was, keek de slagersvrouw me vriendelijk aan en vroeg: “Wat mag het voor mijnheer wezen?” “Ik had graag Gordon gesproken, mevrouw,” antwoordde ik al even galant. “Excuseert, mijnheer, dat heb ik niet goed verstaan?” “Ik had graag Gordon gesproken, Gordon Blue.”   Er volgde een pijnlijke stilte. De vrouw frunnikte wat aan het lintje van haar schort, deed alsof ze last had van een droge hoest en vroeg nogmaals: “Pardon, mijnheer?” “Gordon Blue, mevrouw. Hij zou er vandaag zijn, had ik begrepen?” “Euh… Ik begrijp niet wat u bedoelt, mijnheer. Een momentje geduld, ik ga even mijne man halen.”   Rood aangelopen verdween ze als de bliksem door de kanteldeur, op zoek naar haar echtgenoot, de slager. De man heette Barry, zo stond in koeien van letters te lezen boven het winkelraam. Een sterslager, nota bene.   Terwijl ik de twee enkele zenuwachtige woorden hoorde wisselen in de achterkamer, nam ik de tijd om een kijkje te nemen in hun winkel. De pensen waren met autistische precisie in rijtjes gestapeld, de koteletten flankeerden de bakken bereid gehakt en de boterhamslaatjes vormden een aangenaam kleurenpalet naast de gevogelteproducten. De trots waarmee Barry dagelijks de hompen vlees te lijf ging werd zo naadloos doorgetrokken tot in de toonbank door vrouwlief, Marleen. Ze zag er immers een Marleen uit.   Na een vijftal minuten opende een weifelende hand de klapdeur, waarna de rest van het slagerslijf langzaam tevoorschijn kwam, met in zijn zog de nog steeds verbouwereerde echtgenote-verkoopster. Om het ijs te breken, lachte ik de man innemend toe en groette hem. Niet goed wetend zichzelf een houding te geven, beantwoordde hij mijn groet met een stamelende “Ndag.”   “Mijnheer, vergeeft u mijn vrouw, maar er blijkt wat onduidelijkheid te bestaan over uw bestelling,” sprak Barry. “Geen probleem, mijnheer, geen probleem. Tegen het einde van de dag zijn we allemaal wat moe, natuurlijk,” probeerde ik hem op zijn gemak te stellen. “Wat had mijnheer gewenst?” “Ik had graag Gordon Blue gesproken. Hij is vandaag aanwezig?”   Nu moest ook de slager toegeven dat zijn vrouw het niet verkeerd begrepen had. Hij slikte even de kikker in zijn keel weg en keek me vervolgens vragend aan. De spanning was te snijden. Liefst zouden Barry en Marleen mij nu zien vertrekken en doen alsof ik nooit hun zaak binnengekomen was. Ook ik voelde wat ongemak, zij het minder dan hen. Ik besloot te volharden.   “Kan ik u anders de loze vinken aanbieden, mijnheer?,” probeerde de slager het gesprek over een andere boeg te gooien. “Of een kilo bereid gehakt? De actie van gisteren, 750 gram kopen, 250 gram gratis, loopt vandaag ook nog.” “Da’s vriendelijk, maar bedankt. Vanavond staat er pens bij ons op het menu en voor de volgende dagen zijn de inkopen reeds gedaan.”   Ook Marleen probeerde mij subtiel op andere gedachten te brengen en wees het dienblad met cordon bleus aan, terwijl ze me bijna smekend toeknikte. “Eindelijk komt er schot in de zaak,” dacht ik bij mezelf. Desalniettemin weigerde ik vriendelijk haar aanbod en hoopte stilletjes dat ze de link met mijn vraag zou vatten. Mijn hoop bleek echter algauw ongegrond. “Mijnheer,” besloot Barry, “dan vrees ik dat wij u niet verder kunnen helpen, tot onze grote spijt.” “Spijtig, maar het is niet anders. Toch bedankt.”   Ik maakte aanstalten om de winkel te verlaten en werd hun opluchting bijna fysiek gewaar in mijn rug. Ik keerde mij om. Hun opluchting maakte plaats voor vrees, merkte ik.   Aangezien ik nog maar twee keer expliciet naar Gordon Blue gevraagd had, restte er mij volgens de affiche op hun winkelruit dus nog één vraag. “Excuseer, mijnheer en mevrouw, maar aangezien Gordon er niet is, krijg ik dan misschien een vlezeke? Mijn maag begint te protesteren en het avondeten zal toch nog een drie kwartier op zich laten wachten.”   Nu vrijwel volledig uit haar lood geslagen, greep Marleen mechanisch naar de boterhamworst, sneed er een plakje af en bood het mij in opgerolde vorm met trillende handen aan.   “Lekker… bedankt!,” groette ik hen. Ik legde twee euro op de toonbank en zette toen mijn weg naar huis verder.   Die avond sloot sterslagerij Barry uitzonderlijk een kwartiertje vroeger dan normaal.    

Lennart Stein
31 1

De Laurahoeve

De “ Laurahoeve “   Met uiterste precisie maakt ze de ketting met een veertje schoon. De ketting is een antiek exemplaar, geërfd van haar oma. Het heeft jaren en jaren in een doosje gelegen. Oma had het nooit gedragen, ze vond hem niet mooi zo vertelde zij ooit aan Marlies, haar enige kleindochter. Marlies vindt hem prachtig, en heeft zich voorgenomen het collier regelmatig te dragen. Daarom was ze nu bezig met een poetsbeurt. De ketting gaat weer mooi glimmen. Vanavond gaan ze, zij en haar man, naar de receptie van zijn werk. Er zijn jubilarissen en dat moet gevierd. Ze zou liever niet gaan maar gezien de positie van Jacob komt ze er niet onderuit. Twaalf jaar zijn ze nu getrouwd, het zijn twaalf lange jaren geworden. Het geen huwelijk dat overloopt van liefde  maar ze leven enigszins langs elkaar heen. Kinderen hebben ze niet dus allebei een fulltime job en het geld stroomt binnen vooral bij Jacob. Marlies werkt als maatschappelijk werkster bij een grote firma. Ze begeleidt personeelsleden tijdens langdurige ziekte om terugkeer op de werkvloer te vergemakkelijken. “ Ik houd van mijn werk “ vertelt ze zichzelf regelmatig. Bij dit bedrijf verdient ze veel meer dan ooit in het ziekenhuis. Maar het werk in dat ziekenhuis was veel interessanter maar geld is ook belangrijk zou Jacob zeggen. Ze legt haar kleren klaar en dan die van Jacob. Marlies doet alles voor hem, tot in het uiterste. Ze wil geen ruzie daar kan ze niet goed tegen. Dus schikt ze zich in zijn wensen en dat zijn er veel heel veel. Oh ze heeft al vele malen gedacht om bij hem te verlaten maar waarheen en wanneer? Weggaan is geen optie dus gaat het leven gewoon zijn gangetje. Maar gelukkig is ze niet.                                                                                                                              Buiten,  ver van de bewoonde wereld  woont Arend in zijn oude boerderij. Vee heeft hij niet, hij werkt gewoon bij de bank, niet romantisch maar goed voor geld. De boerderij heeft hij geërfd en het vee heeft hij verkocht. De meeste grond heeft hij verhuurd aan boeren uit de buurt. Dat geeft geen zorgen. Arend is vijfendertig jaar en nog steeds vrijgezel. Af en toe blijft hij in de stad om in een uitgaansgelegenheid een vrouw te treffen. Het liefst een voor zijn verdere leven, meestal wordt het een zeer kortstondig contact. Zijn werk is niet altijd enerverend dus naast zijn werk speelt hij in de plaatselijke toneelgroep. Dat is elke donderdag repeteren en elke zomer een paar voorstellingen. Hij vindt het geweldig in andermans huid te kruipen.  Volgende maand is het weer zover. Al zijn vrije tijd oefent hij. De tekst kent hij al lang uit zijn hoofd, nu nog de toonzetting en alle bewegingen die erbij horen. Op vrijdag komt mevr. Van Dam voor de schoonmaak. Gelukkig heeft hij iemand gevonden die zijn huis wil onderhouden zonder op hem te mopperen of belerend toe te spreken . Zijn overige vrije tijd besteed Arend aan de natuur. Hij spot vogels, gaat vaak vissen en houdt van boswandelingen. Morgen gaat hij samen met boswachter van Vliet een controle route lopen. Van Vliet is inmiddels een van zijn weinige vrienden. Al met al is hij tevreden met zijn leventje maar echt gelukkig is hij niet.   Doodstil is het buiten, het is inmiddels bijna middernacht. Marlies en Jacob lopen in de donkere avond richting hun huis. “ Je had wel eens wat attenter naar de directeur kunnen zijn, Marlies!” Jacob is razend, hij heeft op het eind van een oersaai feest te horen gekregen dat hij geen promotie maakt.  “ Als jij wat toeschietelijker naar hem geweest was had ik die promotie wèl gekregen, geloof mij. Waarom heb ik je anders meegenomen. Het zijn spelletjes, allemaal doen ze mee, maar mijn vrouw negeert de aandacht van de directeur” “ Ik moet die man niet, ik werk daar niet, dus moet ik niets, Jacob. Als je geen promotie krijgt zal dat wel een oorzaak hebben maar dit niet op mij afschuiven.” Ze voelde zich flink om zo tegen haar man te spreken. Normaal zou ze dat niet durven, maar dit is zo’n onzin. “ Ik wil alleen maar naar huis, Jacob , slapen en verder niets dus hou op met zeuren.” Marlies versnelt haar stap en is als eerste bij de voordeur. Jacob heeft de sleutel dus wachten. Eenmaal binnen begint Jacob weer over de promotie die hij misgelopen is omdat , “ ja ja, moet je horen, omdat zijn vrouw de directeur negeert!!!!!” Hij pakt een glas en schenk een bel whiskey in en gaat zitten. Marlies weet hoe dat eindigt, slapen in de stoel. Dus ze gaat zich verzorgen en lekker naar bed. Slapen kan ze niet en piekert over hoe ze verder moet gaan. Dit is geen leven realiseert zij zich. Dat doet ze wel vaker maar schuift alles steeds opzij. Nu voelt het anders. Ze wil zo niet verder, ze wil anders, helemaal anders. Bij het ochtend gloren heeft ze een besluit genomen, ze gaat weg hij ziet maar. In de kamer ligt Jacob snurkend in de grote fauteuil en met een klein koffertje gevuld met de belangrijkste zaken, ook het collier, verlaat Marlies het huis waar ze twaalf jaar niet gelukkig is geweest.     De kerkklok slaat elk uur heeft ze gemerkt. Het is een geruststellend geluid. Zo verstrengeld is dit met deze omgeving. Ze geniet hiervan. Het kleine dorp in de Ardennen is bij toeval gevonden. Toen ze vorige week een trein kaartje kocht wist ze niet waarheen de reis zou gaan. Voor haar kocht een heer een kaartje naar een voor haar onbekend dorp. “ Doet u mij maar dezelfde als die meneer” had ze gezegd. Zo belandde ze in de Ardennen in een dorp met een kerkklok. Haar mobile heeft een vervanging gekregen. De nieuwe met uiteraard een ander nummer heeft ze in gebruik genomen en haar dierbaren verwittigd had van de nummer verandering. Daarna vloog de telefoon de afvalbak in. Zo dat is dat, heeft ze gedacht. Het dorp telt hooguit 200 mensen, de toeristen die hier rondlopen zijn ver in de meerderheid. Bij de snelstromende beken in de omgeving vangen de mensen vis en met stevige wandelschoenen aan bewandelen velen de heuvels. Het is hier een natuurparadijs. Het kleine pension waar ze haar intrek heeft genomen is vol, de gasten maken veel lawaai zeker in de avonduren maar dat deert Marlies niet. Ze geniet van de vreugde van de mensen. Tijdens de vele wandelingetjes die al gemaakt heeft denkt Marlies na over de toekomst. Bij het verlaten van het huis schreef ze snel een brief aan Jacob.   Beste Jacob. Ik  ga weg bij je en kom niet meer terug.  De scheiding zal ik binnenkort aanvragen en daar zul je bericht van krijgen.  Alimentatie wil ik niet en al de spullen mag je houden. Dag, het ga je goed Marlies.   De opluchting was groot toen ze in de trein zat en zich realiseerde dat ze hem verlaten had. Tranen van vreugde konden niet uitblijven. Maar nu? Ik blijf nog een paar weken hier neemt ze zich voor, dan zoek ik een kamer in een grote stad en ga werk zoeken in een ziekenhuis.  Blij met haar besluit loopt ze na de wandeling terug naar het pension. Op internet zoekt ze naar sites waar huisvesting wordt aangeboden en naar vacatures in ziekenhuizen. Van wandelen krijg je honger dus gaat ze bijtijds aan tafel. Het is nog rustig in de eetzaal waar één tafeltje bezet is. Marlies gaat bij het raam zitten en leest de krant op haar iPad. Het diner is smakelijk en de koffie daarna smaakt haar uitstekend. De heer van het andere tafeltje lacht haar toe en verdwijnt door de deur. Aardige man denkt ze. Bestaan die eigenlijk wel aardige mannen? Ze schud haar gedachten weg en gaat naar haar kamer om lekker een boek te lezen. Het ontbijt is uitgebreid en erg lekker. Alle tafels zijn bezet. Aan een tabtje zit een heer alleen, oh dat is die meneer van gisteren. “ Mag ik hier plaatsnemen? Of wacht u op anderen?” “ Nee hoor, ik ben alleen ,wat je zegt, helemaal alleen. Gaat u maar zitten hoor. Wilt u ook koffie of thee, ik ga het net halen. “ “ Een kopje koffie graag” het is gewoon een aardige man. Ze bestaan besluit ze. Tijdens het ontbijt ontspint zich een gezellig gesprek.  Hij werkt op een bank, eigenlijk geheel tegen zijn zin maar er moet geld op de plank komen.  Marlies vertelt van haar eigen werk en aarzelend vertelt ze dat ze net een eind aan haar huwelijk heeft gemaakt. Vandaar dat ze hier is.  “ Wat brengt u in de Ardennen?”  “Wij hebben van de  een training gehad en daar heb ik een weekje aan vast geknoopt. Het is hier zo prachtig dat wilde ik niet zomaar verlaten.” Ik heb een weekje vakantie opgenomen. Dat doe ik niet snel maar het is best fijn moet ik zeggen.Ik ben alleen dus hoef geen rekening met iemand te houden.” “ Nou ik ook niet meer dat maakt mij ook alleen. Ik ben daar enorm blij over. En u bent u blij alleen te zijn?” “ Nee, ik zou erg graag een relatie hebben maar dat lukt gewoon niet. Ik lijdt niet hoor maar het maakt me ook niet gelukkig.” Ze kijkt hem verschrikt aan twee ongelukkige mensen aan het ontbijt in de Ardennen.  “ Ik ga contact maken met een advocaat om de scheiding te regelen en ga me inschrijven als woningzoekende in Groningen. Dat kan online dus dat maakt het makkelijk. Ik ga nu, fijne dag tot ziens. “ en Marlies verdwijnt door de deur. Na alle formaliteiten hebben afgewikkeld is het inmiddels halverwege de middag. Lopend naar het dorpscafetaria komt er een golf van tevredenheid over haar. Zo dat is maar mooi geregeld. Een kleine lunch doet haar goed en ze wandelt nog een poosje rond. Misschien neem ik wel een hond bedenkt ze zich opeens. Bij Jacob waren dieren niet welkom. Eerst maar een kamer of kamertje, dan ziet ze wel verder. “ Hallo, ook aan de wandel?” Ze loopt bijna tegen hem aan, die meneer van het ontbijt.  “ Ja het is mooi hier hè? Ik geniet er van.” “ Ik zal me even voorstellen Ik ben Arend Kort.” “ Ja dat is misschien wel zo gezellig. Ik ben Marlies hmmm Blauw. Ik moet nog even wennen aan mijn meisjesnaam. Hahaha “ beetje nerveus noemt ze haar meisjesnaam en voelt zich daarna wel stoer. “ Zullen we ergens even koffie drinken? “ Arend had de moed bijenkaar geraapt.  “ Oh ja waarom niet? “  Marlies voelt een baldadig gevoel over zich komen. “ Laten we naar de kroeg gaan en een lekker biertje drinken lijkt dat je wat?” Arend lacht en samen gaan ze naar de dorpskroeg waar het zo tegen etenstijd best al druk is. Het wordt een gezellig uurtje en als de twee terug lopen naar het pension praten ze beide honderd uit. Ook aan het diner hebben ze plezier. “ Marlies zullen we morgen zo’n grote uitgestippelde wandeling maken? Ik heb die folders op mijn kamer, wacht ik zal ze even halen “ Voor ze iets kan zeggen is hij weg. Terug in de eetzaal bekijken ze da routes en besluiten er een te gaan lopen, morgen. Na het diner met de afspraak om morgen 10.00 uur te starten, vertrekt  ieder naar zijn/haar kamer. De zon schijn uitbundig en de wind die gisteren nog waaide is gaan liggen. Het is verrukkelijk wandel weer. Marlies voelt zich als herboren als ze op haar stevige wandelschoenen  ( geleend van een andere gast) door het bos stapt.  Hier had ze natuurlijk niet op gerekend. Aan haar zijde een echt aardige vent Arend die gewoon met haar omgaat. Dat is heel erg prettig. Zo wordt het een fijne dag en s’avonds als ze in bed ligt kan ze met genoegen terug kijken op vandaag, echter een minpuntje moet er zijn, ze heeft spierpijn dat beloofd wat voor morgen. Zo stijf als een plank staat ze op. Kreunend gaat ze douchen en dat helpt even wel iets. Ze moet naar de drogist iets gaan kopen hiervoor. Bij het ontbijt zit Arend al aan de tafel, Marlies strompelt er naar toe. “ Ik denk dat ik weet wat jouw probleem is” Lachend schuift haar haar stoel aan. “ Nou lach maar, in jaren nauwelijks bewogen en nu een route van 20 kilometer gedaan. Mijn lijf is heel erg geschrokken en zo voelt het ook.” Arend biedt direct aan wat te gaan halen een zalfje en wat pijnstillers stelt hij voor. Na het bezoek aan de drogist gaat hij weer een route lopen en beloofd samen te dineren. Marlies verheugd zich daar op. Hij is aangenaam gezelschap kan overal over mee praten. Ze gaat om te beginnen lekker weer naar bed.   Zo verlopen de dagen heel prettig. Arend moet bijna al weer naar huis. Hij vertelt over zijn boerderij en de eenzaamheid die hij daar ervaart. Maar de plek is zo prachtig nooit gaat hij daar weg. “ Ga met me mee naar het oosten van het land. Dat is dichterbij Groningen dan de Ardennen, in ons dorp is ook een prima pension en we kunnen af en toe wat samen doen.” Hij liep al dagen te broeden op dit voorstel, maar hoe breng je zoiets? Zo dus, dacht hij. “ Hmmmm dat zou natuurlijk kunnen, je overvalt me wel een beetje. Wanneer vetrek jij?” “ Morgen om tien uur met de trein. Neem wel een taxi met mijn koffer naar het station. Op het station in Arnhem staat mijn auto, dus alles is geregeld je kan zo mee, alleen nog een treinkaartje.” Marlies neemt een kloek besluit ze gaat mee. Hij vraagt tenminste niet om op de boerderij te logeren. Dat maakt het gemakkelijker. Opeens gaat haar telefoon. Het is Jacob. Hij schreeuwt tegen haar en deelt haar mede dat hij niet akkoord gaat met een scheiding.  Ze moet thuiskomen en voor hem zorgen maar het zal lang duren voordat hij haar dit vergeven kan. Marlies hangt op, stuurt hem een berichtje dat ze nooit meer terugkomt gescheiden of niet. Zo dat is ook weer afgehandeld. Toch hakt zo’n tirade er wel in en even komt alle verdriet weer boven. Ze wil dit niet, ze wil hier niet aan denken. “ Een naar telefoontje? Je kijkt zo bedroefd.” “ Mijn ex. Ik moet terug komen vindt hij, nou ik ga niet terug.” Die avond praten ze bij een glas wijn over van alles hun werk, hun familie, eigenlijk over hun leven. Marlies vertelt over Jacob en Arend over het missen van een geliefde. Het wordt laat maar het is een fijne avond geworden. De trein puft om tien uur het station uit met Arend en Marlies als passagiers. Hoewel ze wat brak zijn na gisteravond hebben ze beide zin in de nieuwe dag. “ Ik ben best benieuwd hoe jij de boerderij zal vinden want ik ga je alles laten zien.” “ Oké maar eerst naar het pension graag kan ik mijn spullen daar achterlaten.” “ Natuurlijk, ik ga met je mee.” De rest van de reis leest ze een boek en hij doet een spelletje op zijn telefoon. Het pension is gezellig en schoon dat is voor Marlies belangrijk. Het koffertje wordt uitgepakt en dan gaan ze naar de boerderij. Stomverbaasd staat Marlies voor een grandioze hoeve. Wat een grote boerderij en wat een ruimte eromheen. Een boomgaard naast het huis staat met bomen vol met fruit. “ Dit is geweldig, Arend wat een schoonheid van een boerderij. Ik vind het echt bijzonder en jij praat over die oude boel? Je bent gek man je moet hier trots op zijn.” Stralend staat ze voor hem en praat weids met de handen. Arend lacht voluit. “ Zo heb ik nog nooit iemand de boerderij zien verheerlijken, je bent geweldig Marlies echt geweldig.” Samen lopen ze door de kamers en keuken. Ook de zolder en de werkruimten van de boerderij worden bekeken. Marlies blijft lyrisch. De paar kamers die Arend gebruikt zijn rommelig en sfeerloos. De rest is afgesloten dus stoffig en vies maar het zijn prachtige ruimten. Bij de koffie vertelt Arend de geschiedenis van de “ Laurahoeve “. Geboeid luistert Marlies en haar handen jeuken om hier iets prachtigs van te maken.  “ Waarom heb je je vee weggedaan?” “ Och in je eentje een boerenleven leiden zag ik niet zitten. Toen kon ik het vee verkopen aan een collega. De dieren hebben het prima en ik heb rust. Ik ben anders dan mijn vader die leefde voor zijn dieren..” “ Dat kan ik wel begrijpen, maar toch dit is zo’n fantastische plek om te werken en te wonen. Ik vind dit heel bijzonder. Trouwens ik heb een mailtje van de woningbouw in Groningen. Ben voorlopig niet aan de beurt. Dus op zoek naar particulier verhuur dan maar.  Ik ga maar terug naar het pension. Heb je soms een fiets te leen? Dat zou het makkelijk maken.” “ Een oude fiets ja nog van mijn moeder. Kom gaan we kijken of die het nog doet.” En zo fietste Marlies op haar gemak door het kleine dorp in de achterhoek.    De pogingen om woonruimte te vinden in Groningen mislukken allemaal. Niemand komt aan de beurt zonder lange tijd op een wachtlijst te staan. Particulier zijn het vooral studentenkamers. Daarvan was Marlies zich niet van bewust toen ze de eerste pogingen deed om woonruimte te vinden. Een diepe teleurstelling komt over haar. Zolang kan ze toch niet in een pension blijven dan gaan haar spaarcentjes wel heel snel. Ze moet verder denken. Ook vacatures zijn niet legio te vinden. Dat had ze zeker niet verwacht.  Met de eigenaar van het pension komt ze een regeling overeen zodat het wonen daar toch geen hele grote aanslag is voor in haar budget. Arend lacht stiekem in zijn vuistje. Hij vreest de dag dat ze naar Groningen gaat. Geen woonruimte en baan in Groningen, dan blijft ze hopelijk nog langere tijd hier. Dat bevalt hem wel ze is echt een geweldige vrouw. Zo een heeft hij nog nimmer mogen ontmoeten.   Nu Arend weer werkt zien ze elkaar alleen s’avonds en in het weekend.    Voortaan kookt Marlies als ze s’avonds bij hem is. Ze maakt hemelse renrechten vindt hij.  Ze hebben afgesproken samen te eten, gezellig en het meest voordelig.  Marlies kan best goed koken vindt ze zelf, ze vindt het ook erg leuk om te doen. “ Je moet een kruidentuin aanleggen dat is fijn elke dag weer.” “ Mijn hemel waar eindigt dit?” Lachend staat hij op “ als jij dat wil ga ik dat het weekend in orde maken” De scheiding gaat door. Jacob heeft zich erbij neergelegd. De advocaat regelt alles en het zal niet erg lang duren of de scheiding is een feit. Ze is mee geweest naar de repetitie van de toneelgroep. Ze spelen Antigone, een klassiek drama. Het vermakelijk om te zien, Arend in een dramatische rol. Hij kan het echt heel goed, ze klapt als ze klaar zijn met repeteren.  “ Echt heel mooi Arend, je  kan het hoor.”Arend glimt van oor tot oor.   Tijdens een wandeling in de mooie omgeving van de boerderij stopt Arend opeens.  “ Ik ga je het bedrijf laten zien van de boer die mijn vee heeft gekocht. Ik heb hem gebeld en we zijn van harte welkom.” “ Oh wat aardig en spannend ook. Ben zo benieuwd wat ik te zien krijg.” De boer, een nog jonge vent, geeft ze uitgebreid een rondleiding over het bedrijf. Marlies kijkt haar ogen uit, dit is echt geweldig om te zien, ze zou hier wel willen werken. Ze bedanken hem hartelijk voor zijn tijd voor hen en op de terug weg kan Marlies niet nalaten te  zeggen. “ Dit had ook jij kunnen hebben. Jammer hoor “ “ Als jij het zou aandurven om samen met mij zoiets te beginnen dan wil ik er wel overdenken.” Opeens flapte hij eruit wat al langer in zijn hoofd zat. Samen met haar……. “ Wat bedoel je precies Arend. Ik snap niet goed wat je vraagt.” Ze stoppen de wandeling en gaan op een bankje zitten.  “ Ik ben veel te impulsief, ik had moeten wachten met mijn vraag. Maar ik meen het wel, het is mij ernst. Ik ben verliefd op je Marlies.” Voorzichtig legt hij zijn arm om haar schouder. “ Ik weet wel we kennen elkaar nog kort, ik wil je niet meer kwijt en dan samen de boerderij? Ik bedoel met vee en alles wat daar bij hoort. Ik bedoel dan kunnen we samen hier werken en wonen en en en……..” Markies bloost, tranen wellen op. Het lijkt wel een sprookje dat waarheid kan worden en of ze wil? “ Lieve Arend het is maar heel kort dat we elkaar kennen. Ook is het nog maar heel kort geleden dat ik weggegaan ben bij Jacob. Maar jouw vraag maakt me zo blij. Heel graag wordt ik jouw boerin, boer!” Ze geeft hem voorzichtig een kus. Ze moeten allebei lachen van nervositeit en van opwinding. Hier gebeurt het weten ze, ze gaan samen verder. Geen banen meer bij banken en bedrijven. Nee hier wordt een nieuwe toekomst geboren. Ze worden boer en boerin op de “ Laurahoeve “

Trees Middelkoop
0 0