Zoeken

Kip met champignonsaus en kroketjes

Overal ter wereld doen mensen elkaar de duvel aan. Als het er om gaat een ander te treiteren kent onze creativiteit geen grenzen. Ook hier in het hart van Vlaanderen, in het dorpje B., in de fermette net buiten de dorpskern waar Danny en Frieda woonden.   Danny had altijd het hoge woord gevoerd. Zijn woordenschat bestond vooral uit scheldwoorden. Als het moest dan brulde hij. Zijn wil was wet. Frieda mocht enkel spreken wanneer hij dat uitdrukkelijk toeliet. Deemoedig schikte ze zich in haar rol van huisslavin. Ze kende het klappen van de riem. Brutus, de hond stond nog net iets lager op de ladder, maar het scheelde niet veel. Slaag kregen ze allebei, voortdurende verwijten ook, maar de hond kreeg als laatste te eten. Eerst vulde Danny zijn dikke buik. Hij deed dat in de zetel voor televisie met een glas bier erbij terwijl Frieda zich weer in de keuken terugtrok en Brutus op een paar meter afstand likkebaardend lag toe te kijken. Als het eten naar zijn zin was, bleef Danny schransen tot alles op was. Voor de hond liet hij hoogstens een botje of een stukje vel over. Als het hem niet smaakte, bleef er genoeg over voor zijn vrouw, maar dan moest het wel vaak uit de vuilnisbak opgevist worden. Eén keer per week, op zondag, maakte ze kip met champignonsaus en kroketjes klaar. Dat vond hij hemels. Er bleef niets voor haar over. Maar de hond kon zijn geluk niet op als hij het karkas kreeg voorgezet en haar man was een paar uur lang in een goede bui. Op zondag kreeg ze nooit slaag voor zes uur 's avonds.   Danny speelde zijn dominante positie in het nest kwijt toen hij op een vrijdagavond in beschonken toestand een driedubbele koprol met de wagen maakte en in een rolstoel terecht kwam. Zijn hersenen kregen een lelijke deuk te verwerken, die hem niet alleen tot aan zijn nek verlamde, maar hem ook zijn vermogen om te spreken ontnam.   Aanvankelijk ging Frieda zich nog meer uitsloven dan voorheen. Ze waste hem dagelijks, voerde hem geduldig zijn lievelingskostjes, duwde zijn rolstoel door de straat terwijl ze Brutus uitliet. Nooit gaf hij een teken van waardering. Zelfs nu hij haar niet meer kon slaan of uitschelden, bleef hij haar met zijn ijskoude blik voortdurend op haar waardeloosheid wijzen. Geleidelijk aan begreep Frieda dat ze niet langer bang hoefde te zijn. Haar man, haar beul, haar bullebak was niet meer. In diens plaats zat daar een weerloos wezen dat voor zijn overleven volledig van haar afhankelijk was. Hun wereld had zich omgekeerd. Boven was onder en onder was boven geworden. Hij kreeg enkel nog witloofsoep te eten die hij met een plastic rietje moest opslurpen. Hij vermagerde snel, maar dat kon hij wel hebben. Frieda genoot ervan om haar man langzaam te zien verdwijnen voor haar ogen. Ze waste hem niet meer. Als hij begon te stinken zette ze hem in de tuin. Om de paar dagen rolde ze hem door het gras en spoot hem af met de tuinslang. Hij was zich ten volle bewust van wat er gebeurde. Dat kon ze zien aan de machteloze woede in zijn ogen wanneer ze zijn ellendige lot bespotte.   Op zondag bereikte haar sadisme zijn hoogtepunt. Dan zette ze hem in de keuken en maakte kip met champignonsaus en kroketjes klaar. Terwijl de kip in de oven lag te garen en het frituurvet pruttelend op temperatuur kwam, ging ze de tafel dekken voor zichzelf. Hem liet ze zitten, gevangen in het aroma van zijn lievelingsgerecht. Een straaltje speeksel op zijn kin. Hopeloze hunker in zijn ogen. Daarna moest hij toekijken hoe ze de kip voor zijn ogen opat. Meer nog dan van het heerlijke feestmaal genoot Frieda van de onmacht van haar man.   Op de zesde zondag ging het mis. Frieda zat Danny te treiteren. Ze hield hem kroketten en stukjes vlees voor. Bracht ze tot vlak bij zijn mond. Wanneer hij probeerde te happen, trok ze de vork schaterlachend terug. Dolle, wreedaardige pret. Plots stokte het lachsalvo. Ze greep met beide handen naar haar keel. Ze probeerde te kokhalzen. Een minuscuul botje was vastgeraakt in haar keel. Ze was aan het stikken. Wild om zich heen zwaaiend viel ze op de grond. Danny glimlachte. Terwijl zijn vrouw schokkend lag te sterven op de vloer, hield hij zijn ogen op het bord voor hem gericht. In gedachten liet hij zich voorover vallen met zijn gezicht in het bord, om het als een varken leeg te schrokken en schoon te likken. Maar zijn lichaam verroerde niet. Toen sprong Brutus op tafel. Triomfantelijk snoof hij de geur van de kip op voor hij zich op het bord stortte.   20-21/09/'17    

tijl
30 0

Stil leven

De rolstoel lag er verlaten bij, op zijn kant in het gras, een meter of vijf van de drassige rivieroever, het linkerwiel doelloos ronddraaiend op het ritme van de afwisselend aantrekkende en weer wegvallende noordoostenwind. De aluminium spaken, waarin het waterige zonlicht glimmend weerkaatste, hadden in een voor het overige grauw en verlaten polderlandschap reeds van ver zijn aandacht getrokken, alsof ze hem wenkte en riep: ‘Vader, zoek niet verder, ik ben hier’. Als vanzelfsprekend had hij teruggewuifd, en pas toen hij besefte hoe nutteloos zijn gebaar wel was, had hij zijn armen besluiteloos langs zijn lichaam laten vallen en was hij met zijn magere vingers aarzelend over de toetsen van de GSM in zijn jaszak gegleden. Hij moest zijn vrouw verwittigen, een einde maken aan haar zinloze zoektocht daar aan de andere kant van het dorp waar het winterwater even traag en koud voorbijvliedde als hier. Alleen, hij wist niet wat hij moest zeggen: ‘Onze dochter is terecht’, of juist: ‘Onze dochter is verdwenen.’ Hij wilde haar geen valse hoop geven, maar evenmin kon hij er zich toe brengen haar haar laatste illusies te ontnemen. ‘Bovendien heb ik geen antwoord als ze een vraag stelt’, sprak hij hardop tegen zichzelf. ‘Hoe het is gebeurd en of ze nog een brief voor ons heeft achtergelaten. Misschien is ze zelfs niet dood, maar heeft ze zich op het laatste moment bedacht en ligt ze daar te wachten, onmachtig en verkleumd’. Bij die gedachte flakkerde plots de hoop in zijn eigen hart weer op en hij zette het op een lopen, onderwijl schreeuwend: ‘Ik kom kindje, ik kom’. Hij zou haar redden, daar was een vader tenslotte voor, om zijn kinderen te beschermen tegen het onheil in de wereld, tegen de monsters onder hun bed, tegen de uitzichtloosheid van het bestaan dat je elke dag overviel, wanneer je in je stoel werd vastgebonden om te voorkomen dat je voorover zou vallen. Nooit in zijn leven had hij harder gerend, maar dit keer zou hij beslist niet te laat komen. Niet zoals die middag toen je trots de duikplank afliep en zwaaide naar je ouders op de tribune en je onvervulde dromen voorgoed achterbleven op de betonnen bodem van het zwembad waar je je nek brak en je jeugd abrupt eindigde.   Buiten adem bereikte hij de plek waar ze haar karretje van het jaagpad had afgestuurd. De sporen in het slijk toonden hem hoe ze zich met de twee vingers van haar rechterhand die ze nog min of meer kon bewegen, centimeter voor centimeter had voortgetrokken in de richting van de waterkant, vluchtend voor verlamming en stilstand. Ontredderd liet hij zich zakken, terwijl de tranen opwelden en hij zich vastklampte aan het enige dat er van haar restte: de rolstoel met de blauwlederen zitting en de sticker van de zwemclub netjes op de rugleuning gekleefd. Ze had de dood gezocht in dit ijskoude water, en genadig snel was die op het appèl verschenen. Nu was ze op weg naar zee, ongetroost en alleen.

Karel Bedert
29 0

Gisteren in Friulië

Soms vergat hij dat hij sliep. Dat waren dan de goede momenten, wanneer ze naar hem lachte alsof ze werkelijk nog van hem hield en hij zich niet kon voorstellen dat het maar een droom was. Dan was hij weer bevlogen, idealistisch en vol zelfvertrouwen, voor even niet meer de man aan wie de mislukking kleefde als een teek aan een natgeregende hond, maar wel de geluksvogel van weleer aan wiens voeten de hem gunstig gezinde wereld een tijd lang gelegen had en die dankzij haar gedurende die gouden jaren met spreekwoordelijk gemak langs alle verraderlijke klippen van het leven gezeild was. Zo was het onder andere ook gisterenavond geweest, toen het, net nadat hij zijn hoofd op het zachte kussen te rusten had gelegd, een paar schamele minuten lang niet tot zijn onderbewustzijn was doorgedrongen, dat hij zich op zijn vroegere jongenskamer bevond, thuis bij zijn inmiddels bejaard geworden ouders, geheel alleen in het veel te smalle eenpersoonsbed, omringd door de tien of twaalf onuitgepakte kartonnen dozen die uitpuilden met de nutteloze restanten van zijn stukgelopen huwelijk. In plaats daarvan had hij, zachtjes snurkend, de periodes herbeleefd, waarop hij echt succes had gekend, benijd, bewonderd en geadoreerd was geweest en had hij opnieuw ervaren dat dat alles op de een of andere manier altijd in het niet was gevallen bij de oprecht gevoelde liefde die onveranderlijk uit haar hemelsblauwe ogen had gesproken wanneer hij ’s avonds laat thuiskwam en zij aan de keukentafel op hem wachtte om zijn verslag te aanhoren over de vele triomfen die hij die dag gevierd had. Met een glimlach had hij in zijn verbeelding teruggedacht aan hoe ze vervolgens de risotto bereidde waarvan hij zo hield en waarvan het subtiele aroma zelfs in zijn slaap het water in zijn mond deed lopen. Terwijl ze kookte, had hij zijn ogen nooit van haar kunnen afhouden, betoverd door de natuurlijke gratie waarmee ze als een geboren flamencodanseres het kastanjebruine haar achter haar oren streek en tussendoor voor hen beiden de Sauvignon Blanc uitschonk in de kristalglazen die ze kort na hun verloving samen hadden gekocht in een onooglijk dorpje in de Friulische Alpen waar ze zo hard hadden gelachen dat de echo verderop in het dal zowaar een kleine lawine had veroorzaakt. Bij die herinnering waren zijn spieren zich begonnen te ontspannen en was hij zich gaandeweg, hardop pratend in zijn slaap, gaan verliezen in de begoochelende toekomstplannen die ze, hoewel ze nooit bewaarheid waren geworden, samen bijeen hadden gefantaseerd, om tenslotte, onrustig woelend onder de dekens, vol verlangen uit te kijken naar dat ene moment waarop ze langzaam vooroverboog, fluisterde dat ze zielsveel van hem hield en hem hartstochtelijk op de lippen kuste. Tot hij huilend wakker was geschoten en had beseft, dat hij haar liefde en respect voor eeuwig kwijt was, terwijl hij vanuit zijn ooghoeken zijn bezorgde moeder stilletjes naar hem had zien staan kijken, met de klink van de slaapkamerdeur in haar gerimpelde hand, wetende dat ze hem nooit zou kunnen troosten.

Karel Bedert
28 0

Deometrie

‘God is een zeshoek, denk ik’. Met die woorden was hij deze ochtend op een bijna verontschuldigende toon zijn betoog begonnen en zoals verwacht had de zaal onmiddellijk op zijn kop gestaan: de kardinalen hadden ‘heiligschennis’ geschreeuwd en haastig een kruis geslagen, terwijl hun orthodoxe tegenhangers verschrikt hetzelfde deden, maar dan in tegengestelde richting. Boeddhisten schoten in een meditatieve lotus-kramp, Hindoe’s protesteerden luidkeels vanop de eerste rij door de heilige lettergreep Om te zoemen en de leden van de Joodse delegatie grepen in paniek naar hun tsietsieten. En aan de overzijde van het gangpad waren sjiieten en soennieten het voor één keer roerend met elkaar eens waardoor allerhande bloeddorstige fatwa’s hem krijsend om de oren vlogen. Alleen de atheïsten achteraan konden hun plezier niet op toen ze het pandemonium overschouwden dat zijn bewering teweeg had gebracht, hoewel ook zij onder elkaar meewarig hun ogen ten hemel sloegen over zoveel naïviteit. Onverstoorbaar had hij echter doorgewerkt, regelmatig naar Jezus, Mohammed en Lao-tze verwezen, en er Aristoteles, Al-Chwarizmi en Descartes bijgehaald om de woorden van de profeten mathematisch te onderbouwen. Zijn bewijsvoering had uren aangesleept en de grond rondom hem lag allengs bezaaid met de vele schoenen, keppels en rozenkransen die hem naar het hoofd waren geslingerd. Slechts heel langzaam was de heksenketel tot bedaren gebracht en het contrast met de doodse stilte die aan het einde van de dag over de aula neerdaalde, kon dan ook niet groter zijn. Je kon een speld horen vallen toen hij zijn handen aan zijn stofjas afwreef en zijn voordracht besloot met de woorden ‘Quod erat demonstrandum’. Grijnzend had hij vervolgens naar de aanwezigen gekeken die als van de geometrische hand Gods geslagen naar de eindeloze reeks ingewikkelde wiskundige berekeningen en figuren staarden, die hij met zijn krijtjes op de manshoge schoolborden had gekalkt. De ongelovigen was het lachen vergaan, zelfs al verborgen de christenen hun asgrauwe gezichten van schaamte in hun handen en biggelden er dikke tranen van berouw over de wangen van de moslims. Brahmanen, shinto-priesters, Zevendedagsadventisten: allen zaten ze wezenloos voor zich uit te kijken tot tenslotte een verdwaalde Anglicaan verslagen zijn hand opstak en vroeg: ‘Wilt u daarmee zeggen, dat we allemaal fout zaten?’ ‘Daar lijkt het toch op’, luidde zijn droge antwoord. ‘Maar wat moet er dan van ons worden?’, riep een Mormoonse schriftgeleerde wanhopig. Schouderophalend suggereerde hij: ‘Misschien kan ik u een A4-tje meegeven met daarop wat simpele formules om uw tijd mee te vullen?’ Tevreden zocht hij zijn spullen bij elkaar: vrede leek dan toch mogelijk op aarde. Maar net toen hij de verlichten naar huis wilde sturen om de blijde boodschap te gaan verkondigen, nam de zwijgzame Satanist het woord: ‘Meneer’, zei hij, ‘u heeft me overtuigd: God is inderdaad een rode zeshoek’. Het was een meesterzet, want al snel rolden de religieuze leiders, ook tot hun eigen blijdschap, weer vechtend over straat. De zeshoek kon namelijk niet anders dan blauw zijn. Of beter nog: van klei! Dan konden ze Hem tenminste kneden naar hun eigen opvattingen.

Karel Bedert
28 0

Symbool der herinnering

Diep van onder zijn kap neemt hij het gebouw voor hem in zich op. Het symboliseert zijn haat. Maar ook zijn liefde. Zijn tweestrijd. Tussen de tranen die vallen verschijnt een grijns. Die grijns verandert in een lach van onmacht, tot de volgende huilbui er op volgt. Zijn herinneringen houden hem gezelschap. Of liever… ze weigeren hem te verlaten. Als een hardnekkige kanker blijven ze steeds terugkomen. Hoe vaak hij zichzelf al heeft overtuigd om er gewoon mee te leren leven, het lukt maar niet. Dus zit hij hier. Alweer.   Terwijl hij rechtstaat, neemt hij de fles whiskey die op de grond staat in zijn rechterhand. Of hij geen single malt wou, vroegen ze hem nog in de winkel. Wat maakt het uit… Elke fles helpt vergeten. In één teug slaat hij het laatste kwart van de fles achterover. Hij kijkt naar het etiket, terwijl hij nadenkt over hoe het kan dat hij zijn hersenen zo snel uitmoordt, maar de herinneringen altijd maar overleven. Verse tranen spatten uiteen op de lege fles. Hij kijkt naar de zitbankjes die aan de toren bevestigd zijn. Hoger dan dat durft hij niet meer. Alsof hij het niet waard is. Alsof het hem pijn zal doen om tot de top te kijken. Onmacht wordt frustratie. Verdriet wordt frustratie. Te veel frustratie creëert woede. Nog voor hij er erg in heeft, spat de fles net als zijn tranen uiteen. Het onmiddellijke schuldgevoel lijkt niet logisch. Hij haat het. Maar hij houdt er van.   Met zijn hoofd naar de grond slentert hij naar huis. Wanneer de voordeur open zwaait, wordt hij begroet door de gloed van computermonitoren. Op de schermen zijn beelden te zien van de toren waar hij net vandaan komt. Gehackte veiligheidscamera’s tonen hem live hoe het volledige plein er nu uitziet. Hij gaat zitten en begint in de duisternis terug te spoelen. Eerst tot hij de fles in beeld ziet komen. Dan nog verder terug. Tot wanneer hij aankwam. Op geen enkel moment is hij herkenbaar op de camera’s. Steeds draait hij net op het perfecte moment zijn gezicht weg. Het resultaat van een half jaar alle hoeken leren kennen. Tevreden draait hij zich om in zijn bureaustoel. Tien lege flessen begroeten hem vanop de kast. De grijns keert terug op zijn gezicht, die al snel het gezelschap krijgt van een traan. Langzaam staat hij op en strompelt naar het bed. De wereld draait, zijn gedachten draaien. Toch overvalt de slaap hem al snel.   Wanneer de volgende avond valt, staat hij klaar aan zijn voordeur. Hij kijkt nog even door de gang tot in de woonkamer. Daar hangt zijn apotheose klaar, over een steunbalk geworpen en met de lus die hem lijkt toe te lachen. Maar het is nog geen tijd. De herinneringen aan deze stad hebben hem kapot gemaakt, dus gaat hij niet alleen ten onder. Naast hem staat een trolley. Zo’n typisch ding waar je bejaarden mee naar de markt ziet gaan. Hij neemt het handvat stevig vast en trekt het ding naar zich toe. Een gedempt gekletter van glas op glas is merkbaar. Hij kijkt er even naar en trekt de flap open. Hij haalt de bovenste fles uit en neemt een stevige slok. Vooraleer de fles terug te stoppen, werpt hij een blik het gapende gat. Daar zitten de flessen van op de kast. Leeg zijn ze echter niet meer. De fles verdwijnt terug in de trolley en de voordeur zwaait open. Hij is klaar voor de laatste tocht.   Uren wandelt hij rond, om zeker te zijn dat het stadscentrum verlaten is. Zo lang een enkeling gezien wordt, is het geen tijd. De stad moet doods zijn. Dood zijn. Doods zijn. Hij is niet meer in staat een verschil te zien. Na de zeventiende doortocht is hij het zeker. Er is niemand meer. Hij gaat zitten op het enige bankje waar hij buiten het zicht van de camera’s valt. Hij neemt de bovenste fles, opent ze en drinkt het laatste restje uit. Eens hij die heeft neergezet, neemt hij de volgende fles. Deze heeft geen dop. Alleen een zakdoek die uit de hals steekt. Nog even denkt hij over de verlossing die hem thuis wacht. Het einde van alle herinneringen. Het einde van zijn pijn. Maar ook het einde van zijn hoop. Plots slaat de twijfel weer toe. Met bevende handen neemt hij zijn aansteker. Maar hij kijkt niet naar de fles. Zijn blik gaat langzaam omhoog, naar de top van de toren. Terwijl zijn duim op het wiel van zijn aansteker rust, komen alle herinneringen als een sneltrein langs…

NonkelPie
0 0

Als toekomst vooral verleden wordt

Er is iets vreemds aan de hand en ik weet niet wat. Dat moet ik uitzoeken, voordat ik er helemaal onderdoor ga. Daarom vlucht ik, deze avond nog. Waarheen weet ik niet, ook niet of ik het zal overleven. Ik weet simpelweg niet waar ik ben. Voor hetzelfde geld zitten we te midden de Sahara-woestijn. Ik laat dit achter in de hoop anderen wakker te maken, ik zit hier namelijk niet alleen… Of zijn het acteurs? Velen zie ik voor het eerst, terwijl sommigen doen alsof ze me kennen. Sommigen die ik dan wel lijk te kennen, doen alsof ze me niet kennen. En waar ik ze van ken, is zo vaag, het ligt steeds op het puntje van mijn tong, maar ik kan er gewoon nooit opkomen. Het is hier net een gekkenhuis. Maar één ding weet ik zeker: ik ben niet gek! Ik weet niet eens hoe ik hier terecht ben gekomen. Ik ben een gedecoreerde militair uit het Belgisch leger, dat weet ik nog. Ik heb jaren in Duitsland gediend. Ben ik ooit terug naar België gekeerd? Ook dat is vaag. Er komt hier een vrouw op bezoek. Ze is midden veertig. Ze zegt dat ze mijn dochter is. Ze is vriendelijk, dat wel. Iedereen is hier vriendelijk. Verdacht vriendelijk. Volgens mij is de vrouw de sleutel. Ik ken haar niet, nog nooit gezien, laat staat dat ze mijn dochter is. Soms zie ik beelden als ik slaap van een meisje in een roze jurkje dat mij papa noemt, maar die is hooguit zeven, laat staan, in de veertig. Hoe laat is het eigenlijk? Ik moet me haasten. Ik heb niet veel tijd meer! Mijn dochter dus. Mijn dochter is geboren in ‘69. Het is echt een schatje. Ze is nu zeven en haar lievelingskleur is roze. Als ze een tekening voor me maakt is zelfs de zon roze. Vorige zomer wilde ze dat ik haar kamer in het roze verfde, de schat. Het was blauw eerst, hemels blauw. Anna, mijn vrouw, dacht dat we een zoontje gingen krijgen, dat voelde ze aan hoe het stampte, zei ze. Maar ik ben dolblij met mijn dochtertje, hoor. En ze aanbidt me. Ik weet dat dat niet blijft duren, maar nu geniet ik in volle teugen. Ik denk dat het aan de pillen ligt. Vanavond kreeg ik een blauwe pil. Om in te slapen, zeiden ze. Maar ik heb hem niet genomen. Ik heb hem doorgespoeld in het toilet op mijn kamer. Er is hier iets vreemds aan de hand en ik weet niet wat. En waar is hier? En hoe kan een mens hier eigenlijk slapen met al dat licht en dat lawaai. Het is niet de Sahara-woestijn. Als ik door het raam kijk zie ik een snelweg in de verte, of dat denk ik toch te oordelen aan de gele straatlantaarns en de vele autolichten. Ik heb mijn rijbewijs gaan halen gisteren. Mijn voorlopig, zes maanden proefrijden en dan mijn vast rijbewijs. Er zijn niet zoveel mensen die met een auto rijden waar ik woon. Ook Anna zegt dat ze geen behoefte heeft aan het stuur te zitten van een voertuig dat sneller rijdt dan dat zij loopt. Anna wil met mij trouwen, dat heeft Peter, haar broer, me onlangs verteld. Ze wacht erop tot ik eindelijk op één knie ga zitten. Dat moet, zou ze gezegd hebben, als hij niet op één knie gaat zitten, trouw ik niet met hem. Ik wil eigenlijk nog een beetje wachten. Tot ik iets meer geld heb. Tot ik een origineel idee heb. Iedereen kan op één knie gaan zitten en een ring om iemands vinger schuiven. Uiteindelijk moet ik voor de KMS ook nog heel veel werk doen. Anna werkt al, studeren zag ze niet zitten, dat doen vrouwen doorgaans trouwens toch niet. Waarom zouden ze? Om te kuisen en eten te maken? Dus kan ik me wel inbeelden dat ze niets liever wil dan haar leven te beginnen, maar voor mij is het anders. Ik heb zeker vier jaar van studies voor de boeg. Nog enkele weken en ik wordt gepromoveerd tot korporaal. Er is hier iets vreemds aan de hand en ik weet niet wat! Eigenlijk moet ik dat uitzoeken. Uitzoeken waarom ik hier ben. Waar hier is. En vooral uitzoeken waarom een vrouw van in de veertig mij papa noemt. Zie ik er dan al zo oud uit? En waarom komt ze hier? Ze komt bijna alle dagen, zegt ze, maar vanmiddag was de eerste keer dat ik haar heb gezien. Ik ben hier pas, hoe kan ze me dan bijna dagelijks opzoeken? God, ik ben zo moe. Hoe laat zou het zijn? Al na middernacht? Ik ben geen nachtmens. Nooit geweest. Als ik in de kazerne slaap, worden we gewekt om 05,00 uur. Ik ben benieuwd of dat morgenochtend hier ook zo zal zijn. Zelfs in het weekend sta ik niet later op dan 07,00 uur, tot groot ongenoegen van Anna. Zij zou heel de morgen in bed kunnen blijven liggen. Dat is wel het meest ondraaglijke punt aan haar. Ze kan ook zo laat opblijven. Nog één hoofdstuk, zegt ze dan en wijst naar de pagina’s van haar boek, terwijl ze lieflijk naar me glimlacht. Die glimlach laat iedereen smelten, en mij in het bijzonder. Maar dat ene hoofdstuk is meestal wel een heel lange. Misschien ben ik neergeschoten en is dit hier een militair hospitaal. Maar ik kan me niet herinneren in actie geweest te zijn. Ik moet echt weten waar ik ben, en vooral waarom mensen doen alsof ze me al jaren kennen. Of ben ik in een Russisch experimenteel laboratorium. Ik heb er al horen over vertellen. Dat de Russen gedragsveranderende experimenten uitvoeren op betrapte spionnen en krijgsgevangenen. Maar ik ben geen spion. Het laatste wat ik weet is dat mijn statieplaats Duitsland was. Vlakbij de grens, dat wel, maar nog altijd het Vrije Duitsland. Misschien hebben ze me ontvoerd. Dat kan natuurlijk. Alles kan. Nee, niet zo zwart denken, Honoré, er zal wel een logische verklaring zijn. Goh, ik een spion, het zou wat zijn. Ik kan nog niet eens mijn gevoelens verbergen voor mijn eigen vrouw. Hopelijk komt zij morgen op bezoek in plaats van die vrouw van in de veertig die me zelfs kust alsof ze me al jaren kent. O, hopelijk komen ze dan beiden niet op hetzelfde moment. Hoe moet ik een veertigjarige dochter uitleggen aan mijn vrouw? In Duitsland ben ik niet meer, daarvoor spreken er hier veel te veel en veel te goed Vlaams. Ik zorg voor de eerste opleiding van de jongens die hun dienstplicht komen doen. Jonge, klungelige knullen die met hun armen geen weet hebben. Zo moet ik er ook uitgezien hebben toen ik die eerste dag op het appèl van de KMS verscheen. Met dat verschil dat wij het met volle overtuiging deden. Toch vinden de meesten, wanneer ze afzwaaien, het de beste tijd van hun leven. Soms verlang ik er naar om zelf ook terug zo jong te zijn en alles opnieuw te kunnen beleven. Ik zou niets veranderen. Niets! Wat is er toch met mij aan de hand? Ik weet het echt niet meer. Wat geven ze me hier dat ik me zo buiten de tijd voel? En in godsnaam waar is hier? Zou ik met iemand hier kunnen praten? Als het een ziekenhuis is dan moeten er ook dokters voor de ziel zijn, toch? Maar ik ben niet gek! Daar ben ik honderd procent zeker van. Het is gewoon wazig, dat is het, alles is gewoon wazig. Alsof er een mist in mijn hersens hangt. Als ik terug in een vertrouwde omgeving zal zijn dan komt het allemaal wel terug, dat moet wel! Ik ben moe, doodop. Ik heb nood aan slaap. Even de zorgen vergeten. Met een frisse kop denk je beter.   “Honoré, nog niet aan het slapen?” Verschrikt draai ik me om en kijk in de vriendelijke ogen van een zwarte, iets te dikke vrouw. Haar witte kleren steken scherp af tegen haar zwarte huidskleur. In mijn concentratie heb ik de deur niet horen opengaan. “Kom, ik help je naar bed,” zegt ze, terwijl ze naar me toe stapt. “Te weinig slaap is niet goed voor je Alzheimer, weet je.” “Komt mijn vrouw morgen? Anna?” “Je vrouw? Maar schat die is al twaalf jaar dood!”

Malakh Ahavah
0 0

De Lange en de Korte

“Wie ben je?” vroeg mijn spiegelbeeld. “Weet je dat dan niet?” vroeg ik, “ik ben het ei waar jij op neerkijkt”. “Een ei, dat kàn toch niet?” zei hij “ben je nou helemaal karrewiet? En waarom zou ik op jou neerkijken, ik ken jou niet eens.” “Omdat jij groter van gestalte bent dan ik. Jij gaat als de Lange door het leven en ik als de Korte. Als ik samen met jou op één lijn sta dan lijk ik wel een dwerg en daarmee word ik gepest door jouw vriendjes” flapte ik er uit. “Staan wij soms op één lijn?” vroeg hij ongelovig. “Ja en dan is het verschil heel goed merkbaar. En wat meer is, jij krijgt telkens twee stippen en ik slechts één.  Jij gaat over de tong als de Gestipte en ik mag mij gelukkig achten als ze mij eens Vers noemen.” Mijn spiegelbeeld keek mij aan alsof hij het in Keulen hoordet donderen. “Ben je niet goed snik? Ben je ziek? Of besmet misschien?” vroeg hij smalend. “Besmet ja! Ik ben besmet met het anti-pest-virus!” “Het anti-pest-virus? Nog nooit van gehoord. Trouwens hoe geraakte jij besmet?” “Ik wilde niet langer gepest worden omdat ik slechts één stip heb of omdat ik klein ben.  Ik zette net als mijn vriendjes vier stippen op mijn hand, kijk maar…”  “Dan heb je er zelf voor gekozen om besmet te worden! Dat is pas gek. Bestaat daarvoor een medicijn?”.   “Wees gerust, er is een heel goed medicijn bestaande uit vier punten die strikt dienen opgevolgd te worden. Het eerste luidt: ik vind pesten niet oké en zal er nooit aan meedoen. Het tweede: ik praat erover als pesten mij bang of verdrietig maakt.  En dat doe ik nu, met jou.” “En dat is het?” vroeg hij.  “Neen, ook dit nog: ik sluit niemand uit, voor mij hoort iedereen erbij én ik zal altijd proberen op te komen voor iemand die gepest wordt”. Het werd stil.  De Lange dacht na.  Met twee extra stippen zou hij niet bang zijn voor het anti-pest-virus.  De cijfers op de klok lichtten op: 23:17. Ik keek nog even in de spiegel en zag hem in al zijn glorie: met een lange ij. Hij keek terug en zag mij voor het eerst zoals ik écht ben: met een korte ei. Om ons heen dansten vele stippen. Het gelijnde dagboek werd dichtgeklapt.  

GrijzeVogel
0 0

Een beknopte geschiedenis over het leed

“Nu zou ik graag hebben dat je op het papiertje schrijft wat je voelt, wat er in je omgaat.” Ze schrijft een ‘p’ op de tafel, maar die letter wordt snel een vage streep na een veeg met haar mouw. “Soof,” Ze houdt haar hoofd lichtjes schuin en fronst haar wenkbrauwen. Haar blik gaat mijn hoofd verschrompelen als een rozijn. “Sophie.” Haar frons verdwijnt terwijl ze naar de klok staart “Praat met me, ik ben hier om te luisteren.” Het ge-tik-tak van de klok houdt geen vast ritme. Zweetdruppels tuimelen over mijn voorhoofd als een bende marcherende soldaten. Soofs nagels krassen in de blauwe inktvlek op tafel. Het geluid van haar gekerf is in harmonie met de klok. Na elke willekeurige tik of tak komt iets waar ik controle over heb, iets voorspelbaars. “Ik weet dat je niet gemakkelijk praat, maar,” Het gekras stopt, het ge-tik-tak ook. Ze neemt haar pen op, steekt het in de lucht en laat het met een doffe knal op de tafelhoek neerkomen. De inkt spat overal terwijl ze me aankijkt met een inktdruppel onder haar oog wat de indruk wekt dat ze blauwe tranen huilt. Sneeuwvlokken landden overal, versperden mijn zicht. De muren werden zwartgeblakerd. De vloer verbrokkelde zienderogen in as. Inkt druppelde van de tafel, van de muren, van Soofs wangen. Haar stoeltje begon vuur te vatten. De sneeuw werd zwart, het uurwerk tikte steeds luider en luider. “Sofie, vuur!” Ze bleef moedwillig zitten, staarde me aan, leek op een plastic pop, haar ogen smeltend als was. Knettergekke Soof was brandhout geworden. Het stoeltje was verdwenen, zij ook. De muren rolden langzaam op en werden bomen. De vloer versplinterde tot bladeren. Het plafond doordrenkte met blauw afgewisseld door witte spetters. De zwarte sneeuw vloeide in een koele bries. De klok spatte uiteen in fladderende duiven. “Eén, twee, drie, vier, vijf. Wie niet weg is, is gezien! Waar ben je!” Sophies gegiechel galmde tussen de bomen. De zon verwarmde onze aangezichten. Onze. Want zij was hier ook. Maar steeds minder. Ze was beetje bij beetje weg. Nu bleef enkel haar stem over, maar het gebruik ervan was schaars geworden. Ze is, maar niet hier. De klok was verdwenen, neen vervangen, door gekoer. De grond zwol op alsof die in een foetushouding lag. De bosvlakte golfde op en neer als een woeste zee. Bulten en putten werden steeds groter. Alles kreeg een afgebleekte kleur, een vaal geel. De duiven in de lucht ontploften in een blauw-rood-geel-geflikker. De hoogteverschillen kregen vaste vormen, randen bouwden zich ritmisch om tot trappen, op trappen, in een eindeloos diepe en hoge trappenhal. Gejammer weekte de gele lucht. Pijn, in een hoek gedreven, zweefde als een dikke, verstikkende mist “Waar ben je? Ik vind je niet!.” Daar! Een open deur. Daarachter een kamer vol snijdende kleuren. Een mooie pijn, dat was Sophie zelfs niet gegund. De deur was binnen handbereik, maar sloot met een luide knal. Boven, een verdieping hoger: hetzelfde tafereel. Loop, ren, spurt! Snel! De volgende ingang was weer dichtbij, de kleuren smaakten zoals zure snoepjes, zuur maar lekker. Weer dicht, volgende verdieping, volgende, volgende, … Buiten adem lag ik op de scherpe randen van de trap. De trapleuning loste op in de gele lucht. Zo van kom maar, één keer omrollen is genoeg. Ik draaide mijn hoofd weg van het gat. Sophie, ze lag naast me, deed alsof de treden kussens waren, keek met een klein glimlachje, met dat kleine mondje van haar. Ze sloeg haar armen om me heen. Ze rolde samen met me, zachtjes, op het ritme van het tik-tak-gekoer, de diepte in, de hoogte in. Dat was ik vergeten. Hier is geen hoog of diep. Zij had me dat gezegd alsof ik het vergeten was, alsof ik het ooit wist. We zweefden door de gele lucht, door het gejammer heen, het hoog-diep in. Duisternis omhulde ons. We landden zachtjes in een uitgestrekte zwarte vlakte met een laagje warm water. Geen tikkende klokken, geen brandende sneeuw, geen snijdende kleuren. Haar stem kwam naar me toe, in deze oneindige nacht. Ze gebruikte haar stem voor zachte snikjes. Tranen die in het warme water druppelden, inktblauw. Ze kreunde, probeerde iets over haar lippen te krijgen. “Papa.” Haar wang kleurde lichtroze, als een varkenswangetje. Een roos, kwetsbaar biggetje. Heel haar leven vetgemest, gebrandmerkt, opgesloten. Een wezen, op zoek naar een uitweg, voortgesleurd van kooi naar kooi, onderdeel van een sadistisch partijtje verstoppertje. Op haar kaak verschenen de contouren van een hand. In het gezicht geslagen door haar eigen bloed. Mijn liefste misvorming Mijn vlammend meisje Verzengd door het getier Deemoedig geroosterd Mijn snoezig biggetje Mijn teer prulletje In het geheugen gegrift in het gelaat gekerfd Ze zit op haar stoeltje met wijd opengesperde ogen en de tanden ontbloot; een gretige blik met een niet te stillen honger naar antwoorden. Haar lichaam rilde ongecontroleerd door de kou. Niet het soort kou dat je zachtjes doet trillen, geen koel briesje. Maar een harde kilte. Zoals wanneer iemand ’s winters in de zee stapt. Het zoute, harde water dat op de benen klotst. Een rilling dat zich over het hele lichaam verspreidt als een ongecontroleerde tumor. “Wil je een dekentje?” Ik wijs naar een stapeltje dat naast haar ligt. Ze klemt een deken in haar handen en wikkelt zichzelf erin. Haar blik verschuift naar de klok. Het is bijna drie uur. Het gespreksuur is bijna om. Met kleine pasjes beweeg ik me naar haar. Ik kan me de kinderfoto’s voorstellen. Sophie, glimlachend op een draaimolen, likkend aan een bolletje vanille-ijs, pootjebadend in de zee. Allemaal onder het toeziend oog van de vader. Altijd oh zo aanwezig, in het geheugen gegrift. Nu is ze groter. Volgens haar vader is het dus welteverstaan dat haar geheugen niet altijd even goed werkt. Daarom speelt hij nu in op andere dingen. Allemaal educatief verantwoord natuurlijk. “Zeg eens, hoe voel je je nu?” Ze grijpt naar de pen, maar die is kapot. Dus gebruikt ze haar nagels. Het steeds luider wordende gekras compenseert haar gesnik. Haar tanden knarsen, haar lichaam schokt, haar ogen lijken los in haar oogkassen te rollen. “Stil maar, alles komt goed.” Ik drapeer mijn handen zachtjes om haar schouders. Ze ademt minder snel, het schokken stopt. Ze legt haar hoofd zachtjes naast het woord dat ze gekerfd heeft. Haar ogen turen naar de druppels bloed op tafel. “Papa.” = = = Een belgeluid galmt door de gang. “Goedemiddag Chris. Alles oké?” “Ja, ik heb geen tijd. Waar is Sophie?” Hij friemelt zijn handen in elkaar. “U bent te laat, het is al half vier,” Zijn handen vormden nu een vuist. Hij bijt op zijn onderlip. Papa is boos. “Uw zus heeft haar opgehaald.” Zonder iets te zeggen stroopt hij zijn mouwen op en stampt hij naar zijn auto. Na het sluiten van de deur weerklinken gierende banden in de straat. Ik ga voor de praktijkdeur staan, waar ik al mijn cliënten ontvang. Ik laat mijn hoofd erop steunen en fluister. “Hoe voel je je?” “Geen papa.”

Etlir Xharra
0 0
Tip

In de duinen van Zeeland

Hij staat beneden aan de trap als hij haar de kraan van de douche hoort opendraaien. Hij doet beheerst zijn schoenen uit en neemt enkele treden. Het geluid van stromend water heeft altijd een bezwerend effect op hem gehad. Hij beeldt zich in hoe ze haar hoofd naar achter kantelt om de stress van de werkweek uit haar krullen te wassen. In zijn gedachten ziet hij een spoor van schuimende shampoo traag langs haar hals naar beneden glijden, tussen haar borsten, tot voorbij haar navel. Hij stelt zich voor hoe ze haar rug strekt terwijl de damp van het hete water haar in een gelukzalige trance brengt. Hij glimlacht bij de gedachte dat het voorspel niet eens begonnen is.   In de traphal ruikt het ondertussen naar roosjes. Hij herkent de geur van vroeger, toen ze samen op kot zaten. Hij kende de uren waarop ze ging douchen in de gemeenschappelijke badkamer eerder dan haar naam. Hij pikte haar zalmroze slipje terwijl ze zich waste voor hij haar voor het eerst gesproken had. Het sexy niemendalletje lag maanden onder zijn matras, slechts enkele meters van haar vandaan toen ze notities kwam lenen. Het zijn herinneringen die hij koestert.   Hij is bijna boven. De trap kraakt onder zijn winterkousen. De opwinding en de whisky doen zijn hoofd tollen. Hij heeft geduld moeten uitoefenen, maar de beloning wacht hem op aan de andere kant van de deur. Juist voor hij haar wil verrassen, kijkt hij naar een fotokader die scheef aan de muur hangt. Ze ziet er gelukkig uit met haar labrador in de duinen van Zeeland. Het is de hond die beneden vredig ligt te slapen. Het zal nog even duren voor het dier wakker wordt, daar heeft hij voor gezorgd. Hij hangt het kader recht met zijn bruinleren handschoenen aan en neemt dan voorzichtig de deurklink vast. Hij hoort haar zachtjes neuriën terwijl het water onverstoorbaar op haar lichaam klettert. In zijn broekzak zit het slipje dat ze al 16 jaar mist. Het slipje waarmee ze straks wakker zal worden.  

Antony Samson
72 1

De Tandweilas

Beste lezer, weet je wat een Tandweilas is? Een Tandweilas is de slang die leeft in de gier Vulture Serpentes, de Slangengier. Onderzoek heeft uitgewezen dat hun breinen met elkaar zijn verbonden. De slang leeft in volledige symbiose met zijn gastheer. Het is een anomalie van de evolutie, en dat je dit nog niet weet is geen schande, want zowel de gier als de Tandweilas zijn pas in 20__ ontdekt. Als de gier sterft, verlaat de Tandweilas het kadaver. Hoe oud hij vervolgens wordt is onbekend, maar wel dat hij eenmaal buiten zijn gastheer begint te groeien en reusachtige afmetingen kan bereiken. Het is alsof de gier er enkel voor diende om de slang te baren die als parasiet in hem leefde, en dat eenmaal uitgebroed de Tandweilas aan zijn officiële bestaan begint. Zulk een Tandweilas nu, is sinds enige tijd in het bezit van de dierentuin te A__, waar het terrarium van een nieuwe vleugel werd voorzien en de noodlijdende dierentuin zich plotseling kon verheugen in verveelvoudigde bezoekersaantallen. Van openings- tot sluitingstijd dromden de mensen samen rond het glas voor de reusachtige kuil met betonnen muren die voor de Tandweilas was aangelegd. ’s Avonds om elf uur begon mijn dienst, en om acht uur ’s morgens nam ik weer afscheid van de Tandweilas. Hoe heet je, vroeg ik hem soms. Het is een flauwe gewoonte om een walgelijk dier een rare naam te geven. Ik had er al een paar bedacht, zoals Gerrit, Toby of Prins Bernhard, maar een naam is dermate willekeurig, en iedere vergelijking met het menselijke zo absurd dat een naam verzinnen onzinnig was. Het beest bleef een ‘het’. Het rook in het terrarium naar vuilniszakken die te lang in de zon hebben gestaan. De vogelspinnen ritselden tegen het glas van hun hokken, de muizen in de verblijven van de slangen piepten als ze ontdekt waren door de hoofdbewoner. Een paar korte hoge piepjes, als een rookalarm ergens ver weg, en dan was het weer stil. Ik had meestal weinig te doen. Af en toe bediende ik met de afstandsbediening de zuigmachine die met een floppend geluid de enorme slangendrollen opslokte, alsof ik op de kermis met het hijskraantje een namaak gouden horloge opviste. Gelukkig was de poepzuiger bedoeld om wel te functioneren en verdween het object direct in het binnenwerk, soms met meenemen van een kuub zand. Ik kreeg er een uitbrander van de hoofdoppasser voor, omdat het gewicht van het zand door het verwerkingsbedrijf werd doorberekend. Mijn voornaamste taak bestond eruit dat ik om de 48 uur de Tandweilas voerde. Dat moest ’s nachts gebeuren. Is de Tandweilas dan alleen ’s nachts wakker? Nee, de Tandweilas is nauwelijks actief, en ligt zowel overdag als ’s nachts onbeweeglijk opgerold. Dat ik als nachtwaker de klus moest klaren was vanwege publicitaire redenen. Het publiek mocht niets te weten komen over zijn eetgedrag. Ik had een geheimhoudingsverklaring getekend die me verplichtte de komende twintig jaar hierover te zwijgen op straffe van een boete van honderdduizend euro. Dat ik nu anno 2034 dit opschrijf, komt omdat mijn avontuur dateert uit de zomer van 2015. En wat heb ik te verliezen? Ze kunnen me wat, dat ene jaar neem ik het risico. Ik durf heus wel iets! Rond middernacht ging ik naar het verblijf van de varkens, dat zich op gelijke hoogte bevond met de bodem van de slangenkuil. Mijn binnenkomst veroorzaakte altijd gekrijs. Omdat ik als nachtoppasser in mijn eentje een panisch varken in de kuil moest zien te krijgen, had men een ingenieus mechanisme geconstrueerd. Waarom niet verdoven? zal de lezer zich afvragen. Maar de Tandweilas eet alleen levende prooien. Een verdoofd varken vindt hij niet interessant, zodat het voorstelbaar was dat ’s ochtends rond openingstijd de maaltijd ontwaakt en zichtbaar voor het publiek door de kooi zou rennen. Met onderdelen van een oude stoommachine die op het terrein stond was daarom een lanceerinrichting geconstrueerd. Ik moest het varken in de ruimte achter de cilinder drijven en de klep dichtdoen. De rest ging vanzelf.   Nadat ik ongeveer een maand op de Tandweilas had gepast kreeg ik het idee om het absurde element van mijn werk in een voordeel om te zetten. Ik zat al een tijdje achter een zekere vrouw aan, maar het was me nog steeds niet gelukt om tot een werkelijke toenadering te komen. Ik had gelezen dat angst een sterk afrodesiacale werking heeft, omdat de lichamelijke verschijnselen die met angst gepaard gaan versleten worden voor hartstocht. De combinatie Tandweilas en de liefde; het kon niet falen. Zo gebeurde het dat ik op een nacht samen met Marion het varkensverblijf betrad. Het was niet bepaald een romantische omgeving; de stank van mest en broeiende vuilniszakken begeleidde het gekrijs van de varkens. Maar tijdens het uur dat ik met Marion in de keet doorbracht, kijkend naar de opgerolde Tandweilas, merkte ik aan subtiele signalen dat mijn plan een zekere kans van slagen had. Als ik de Tandweilas gevoerd had zou ik Marion meenemen naar de hortus, naar het bankje onder de apenbroodboom. Ik had Marion al een paar keer aan het lachen gemaakt, toen ik besloot dat het tijd was om de maaltijd te verzorgen. Er waren nog maar drie varkens over. Ik zou een briefje achterlaten dat ze de voorraad moesten aanvullen, bedacht ik. Ik opende een hok, pakte de schokstok van de plank, liep naar de achterkant en knetterde een vonk tegen het krulstaartje. Gillend en slippend vloog het varken weg om met een rotklap tegen de metalen railing van het gangetje naar het terrarium te botsen dat haaks op de hokken stond. Meestal was het varken zo verdoofd door de klap en de pijn dat hij de schok vergat en bleef stilstaan. Toen hij weer op zijn poten stond gaf ik dus weer een knetter tegen de achterham, en daar ging het beest weer in de gewenste richting. Ik spurtte achter het varken aan langs Marion, en zag dat ze met haar hand voor haar mond geschrokken mijn verrichtingen gadesloeg. Ik besefte dat ik bezig was mijn kansen te verspelen. Ik had haar meteen naar de hortus moeten brengen, het witte wijntje inschenken en het waxinelichtje aansteken en alles op het meegebrachte klaptafeltje naast het bankje zetten. Maar nu was het te laat. Ik zou me straks voor haar moeten rechtvaardigen. Het gangetje liep aan het eind naar beneden als een soort goot die eindigde in het lanceermechanisme. Ik ramde de schuif dicht achter het varken. “Niet doen, dat is zielig,” riep Marion toen ze het doel van de installatie en hetgeen waar ik mee bezig was doorzag. Zielig? Het varken zielig? Ik was werkloos voor ik deze baan kreeg. Ik had de erfenis van mijn ouders er doorheen moeten jagen voordat ik een uitkering kon krijgen. Als werkloze ben je een hond die achter elk stukje vlees aanrent dat vanaf de eettafel wordt toegeworpen. En je hoorde je schuldig te voelen dat je niet bijdroeg aan de economie. Het superieure kapitalisme dat zo doelmatig mensen met elkaar laat concurreren dat alleen de beste geld krijgt. Om je scherp te houden. Nou, ik was scherp. De overlevingsmaatschappij had mij zo scherp als een zwaard gemaakt dat iedere medemenselijkheid rücksichtslos doorsneed. Ik deed dwangarbeid, en ik deed het om het laatste restje van mijn geslonken autonomie te behouden. Het was ik, of het varken. Maar dat zei ik niet tegen Marion. “Bekijk het eens van de kant van de Tandweilas”, zei ik in plaats daarvan. “Als hij geen eten krijgt gaat hij dood. Dat is toch ook zielig?” “Nee, niet doen!”, riep Marion opnieuw, en met een sprong landde ze beneden naast het varken in het lanceermechanisme. Een psychose, schoot het door me heen, want Marion had me verteld van haar psychiatrische verleden. Ik heb psychologie gestudeerd dus ik herken een psychose op afstand. Het was al te laat. Terwijl Marion sprong, had ik op de lanceerknop gedrukt. Met het bekende geraas dreef de perslucht nu twee individuen door de lanceerbuis. Aangedreven door een reuzenscheet vlogen ze meters door de lucht en belandden in het zand vlak bij de opgerolde reuzenkabel. Zoals gewoonlijk was het varken ongedeerd. Het tolde en spartelde tot het weer op zijn poten stond en begon krijsend door de put te rennen. De Tandweilas verroerde zich niet.   Ik sla in paniek tegen het raam. Ik mime naar Marion dat ik boven de ladder ga halen. Ze ligt in een rare houding maar lijkt m’n bewegingen op te merken en begint van de Tandweilas vandaan te kruipen. Het verdovingsgeweer staat achter de schoonmaakspullen in de kast. De directeur heeft het me uitgelegd, maar ik heb nooit met dat ding geschoten. Vlak achter de kop richten, niet op de kop, die is keihard. Ze hadden het zelf nooit geprobeerd. Misschien deed de verdoving hem niks, maar het kon hem ook fataal worden. En dat zou zonde zijn. Ik ruk de kastdeur open, gooi stapels handdoeken om, zoek achter jerrycans met ontsmettingsmiddel, maar ik zie het geweer nergens en bedenk dat Marion zelf de ladder kan opklimmen en dat uitstel gevaarlijker is. Ik sleur schrapend de ladder naar de balustrade van de kuil, trek hem uit en met bovenmenselijke inspanning weet ik het ding over de betonnen rand te werken en in het zand schuin tegen de muur te plaatsen. Marion zit op haar knieën. Waarom staat ze niet? Ze gebaart naar haar voet. “Klim omhoog”, roep ik met overslaande stem, geheel overbodig. De Tandweilas is inmiddels bezig het van schrik verlamde varken naar binnen te schrokken. Het heeft waarschijnlijk een hartaanval gehad. Met omgekeerde kotsbewegingen schuift de bek over het slappe varken. Een proces dat zo’n tien minuten zal duren. We hebben nog tijd. Marion hinkt naar de ladder en probeert omhoog te klimmen. Maar haar been weigert dienst, zodat ze telkens van de sport afglijdt en terugvalt in het zand. Half vallend en glijdend struikel ik de ladder af terwijl ik de schrokkende kop in het oog houdt. Het is bloedheet en de stank is niet te harden. Ik grijp Marion en probeer uit allemacht haar billen omhoog te duwen tegen de ladder. Marion trekt zich op, en slaagt erin met haar goede been een nieuwe sport te veroveren. Vervolgens moet ik zelf de ladder op en verlies duwkracht, waardoor we niet verder komen dan de eerste twee sporten. Ik besef dat ik in een andere situatie dolgelukkig zou zijn geweest met deze intieme exercitie, maar de doodsangst bederft alles. Hoe heeft dit zo mis kunnen lopen? Dit mag niet tot ongelukken leiden. De voorzienigheid zal ons beschermen. Maar waarom verdrinken er dan mensen of worden er kinderen door vaders op achteruitrijdende tractors overreden? Dan verschijnt de kop met een afschuwelijk geel oog boven ons. Het achterwerk van het varken puilt nog steeds uit de grotesk opengesperde bek. Opeens tuimelen we door het zand, vallen over elkaar heen en slaan met onze hoofden tegen elkaar. Terwijl zand in wolken omhoog spuit wringt de slang zich in een lus rond ons. Voor we het in de gaten hebben heeft hij zich in lagen opgestapeld en bevinden we ons in een koker van slangenlussen, zo hoog als we zelf zijn. We krabbelen op. We kijken elkaar aan met grote ogen van paniek. Ik geef Marion een voetje en duw opnieuw haar billen in haar spijkerbroek omhoog, tegen de kronkels van de Tandweilas. Maar ze krijgt geen houvast; het beest heeft op zijn dikste plek een doorsnede van negentig centimeter, en is in drie lagen rond ons gekronkeld. Graven dan maar. Ik werp me op m’n knieën en begin woest in het zand te graaien. De huid van de Tandweilas heeft patronen alsof er vogelveren overheen lopen die in elkaar grijpen, als een tekening van Escher. Als ik dit avontuur overleef, heb ik in ieder geval iets nieuws te melden. Maar ik mag natuurlijk niet laten blijken dat we dankzij mijn roekeloosheid in deze situatie zijn beland. Ik graaf bezeten, en schraap plotseling met mijn vingers over het beton. Slechts een dun laagje zand scheidt de Tandweilas van de ondoordringbare vloer. Onze positie is uitzichtloos. We zinken terug en zitten tegenover elkaar tegen de muren van onze levende gevangenis. Zonder er over nagedacht te hebben zeg ik opeens: “Marion, ik wil seks met je.” Ze kijkt me wezenloos aan. Een ogenblik ben ik bang dat ze kwaad zal worden, en me alle ellende gaat verwijten waar ik de oorzaak van ben. Dan pakt ze mijn hand en legt die op haar borst. We zoenen. We woelen het zand om alsof het het water is van een kinderbadje, in onze driebandige cirkelvormige vesting waarvan de doorsnede nog geen twee meter is. Ze leunt achterover tegen het reptielenlichaam en ik neuk haar staand, ook steunend op de ruwe en kille slangenhuid. Ze is een van die vrouwen die overmatig nat worden tijdens de daad en haar vocht sijpelt glinsterend over de verentekeningen van ons levende opblaasbad. Als ik bijna klaarkom verschijnt het gele oog weer boven me. Ik krijg de absurde gewaarwording dat het oog een goedkeurende uitdrukking heeft. Het genot heeft de angst verdrongen en de slangenkop met bobbel van onverteerd varken juist achter de kiezen lijkt een studioprojectie als in een Hitchcock film, en Marion en ik zijn de helden die het groteske wezen bestrijden. De tijd staat stil. Ik zie mezelf als vierjarige kleuter. Ik sta aan de voet van onze flat en roep mijn moeder op het balkon toe dat ik een ijsje wil. Ik huil en zeur, maar mijn moeder blijft onverbiddelijk. Ik besef dat ik verlies, en dat ik nooit een ijsje zal krijgen, maar ik blijf schreeuwen. Ik kan het niet verdragen dat mijn pogingen tevergeefs zijn, en ik weet niet wanneer ik met goed fatsoen kan ophouden. Er moet iets of iemand komen die vertelt dat ik mag ophouden. En dan zie ik mijn vader in zijn grijze kamerjas terwijl ik weer aan het huilen ben op het bed van mijn ouders. Ik zanik en zeur omdat ik naar de dierentuin wil maar ook naar de speeltuin, terwijl ik een van de twee mag kiezen van mijn vader. “Eén van de twee”, en zijn vingers maken een V. Zijn stem is zwaar en dreigend en daardoor moet ik nog erger huilen. Ik ben bang voor mijn vader. De vinger wijst omhoog. “Een van de twee!”, en weer het V-gebaar. Plotseling besef ik dat hij gelijk heeft, dat het onmogelijk is om zowel het één als het ander te krijgen. Ik zie het leven vooruit, ik zie in dat ik mijn hele leven zal moeten kiezen en ook dat kiezen verliezen is. Ik snap hoe onredelijk ik ben, maar net als onder het balkon, weet ik niet hoe ik mijn gedreins moet stoppen. “Vader, je hebt gelijk, want het leven vergt van me dat ik me onderwerp in al mijn wensen.” Dat zou ik moeten zeggen, en vanaf dat ogenblik ben ik een volleerd mens. Maar ik kan niet stoppen, omdat ik weiger de strijd met mijn vader op te geven, al weet ik dat hij gelijk heeft. Ik kom klaar in Marion. Ik zie sterren en m’n zenuwen schieten sterren. Ik ben uitgeput en compleet verslapt. Als we vervolgens tegenover elkaar in ons slangenbad zitten slaat de wanhoop toe. Het gele oog is ons al die tijd blijven volgen. Het is geen vraag meer óf we kunnen ontsnappen, maar wie van ons als eerste het varken zal volgen. En wanneer? Ik probeer me te verplaatsen in de beweegredenen van het beest. We zijn zijn levende voorraad. Misschien is dit al miljoenen jaren zijn manier om zijn prooi gevangen te houden tot hij weer honger krijgt. Dan meen ik van ver weg een stem te horen. Is het hulp? We schieten onze broeken aan die schuren van het zand. Opnieuw klinkt de stem. Ik besef dat het de slang zelf is die ons aanspreekt. Er klinkt Engels met een sterk Frans accent. “Do not panic. I’m the spririt of Hector Berlioz.” Dit kan niet waar zijn, maar het is waar, zo waar als het gigantische slangenlichaam dat ons gevangen houdt. “This is crazy. Where are you?” roep ik. “As you probably know, this snake was originally a part of a bird,” komt van boven het antwoord, als van achter dikke velours gordijnen. “When the bird died, it became independent. In the same way my spirit is a symbiotic part of the snake’s body. I live in his brain. When the snake dies, my spirit is set free until it finds another bird with a snake in it.” Wat moet ik zeggen, welke vraag zal ik de slang, of liever gezegd de geest, stellen? “Are we in danger?” roep ik schor. “Let me put it this way,” klinkt het zacht en dof, terwijl het gele oog ons onafgebroken aanstaart. “I can control the mind of this beast to a certain amount. But I myself have always posessed a very agressive nature, as you can read in my Memoires. And secondly, can I control, if I wished, the snake’s instincts sufficiently to prevent the disaster you undoubtedly fear?” Vervolgens blijft het stil. Wat te doen? Marion knijpt in mijn hand. “Ik weet iets”, fluistert ze. “Fluit het thema uit de Symphony Fantastique. Dan weet hij dat we fans zijn en zal hij ons laten gaan.” Het is een goed idee. Maar hoe ik m’n geheugen ook pijnig, ik kan me dat verdomde thema niet herinneren. Bovendien ben ik niet goed in fluiten, zeker nu mijn mond droog is van angst. Het enige waar ik opkom is de melodie van de ‘Mars naar het Schavot’. Ik zing het, en het komt gelukkig goed uit dat ik een lage basstem heb. “What are you singing?”, hoor ik al snel nadat ik de eerste twee maten van het Largo heb afgemaakt. “I have very bad ears. This snake is almost deaf, much worse than I was, just before I died. Please stop, it sounds out of tune, and as you probably know, I have absolute pitch.” Geschrokken stop ik. “It was a melody you composed yourself. Excuse me for the bad interpretation,” stamel ik. “Do not mock me, for heavens sake!”, klinkt het dichterbij. De slangekop zweeft nu tussen Marion en mij in. “I cannot stand singers. They alway take liberties with the melody. The only real singer I ever met was Mlle Falcon.” “We just wanted to bring you in good spirits,” probeer ik de zaak te redden. Nu ik zie dat de kop zich weer van ons af beweegt, schep ik weer wat moed. “I will now let you go”, hoor ik uit de verte. “The only reason I captured you was my curiousity about what would happen with you in imprisonment, facing an almost certain death. Well, my curiousity is more than satisfied. So live long and prosper.” “Please monsigneur Berlioz, allow me one last question,” roep ik en ik ben verbaasd dat mijn nieuwsgierigheid het wint van mijn doodsangst. “You speak English very well. But in your time, hardly any Frenchmen knew English. How come?” Plotseling worden we weer tegen elkaar aan gesmeten. De gigantische slangenmuur trekt strak om ons heen, zodat Marion en ik rechtstandig tegen elkaar worden gedrukt. Ik snak naar adem. Ik heb zand in mijn mond. Haar haren prikken in mijn ogen. “Quoi?, Hark!”, is de stem nu vlakbij en het slangenoog verschijnt in close-up voor me. “I’m Berlioz, a genius in his time. I was well known in France. Even in England people heard about me. Do you think I’m a fool?” “Excuse me sir!”, roep ik schor, buiten adem, naast het oor van Marion. “I read your Memoires. I know you were, I mean you are, a genius. Forgive me my impertinence.” Met razend geweld in fonteinen opstuivend zand vliegen de kronkels van ons vandaan. Het achterlijf van de slang slaat met een doffe dreun tegen de achterwand. We vallen achterover in het zand en zitten enkele ogenblikken versuft tegenover elkaar. De slangenkop ligt nu bovenop de kronkels, enkele meters van ons vandaan. De gele ogen turen aandachtig onze kant op en de gespleten tong beweegt langzaam in en uit de bek. Ik ren naar de ladder die naast de achterwand ligt. Hoe ik het voor elkaar heb gekregen weet ik niet meer, maar een ogenblik later staat het ding rechtop, en klim ik achter Marion aan de vrijheid tegemoet. Op de laatste sport aangekomen wuif ik. “Au revoir monsieur Berlioz, a demain”, roep ik. En overmorgen zal ik Berlioz weer een varken voeren.

Vincent Baumgart
0 1

Het kerstdiner

Liefste papa,   Afgelopen zaterdag was het kerst. Dat zijn we bij tante Annie en oom Jan gaan vieren. Ze hadden hun huis versierd met duizenden lampjes in alle kleuren van  de regenboog en in de woonkamer hadden ze speciaal een hele grote kerstboom gezet. Een echte! Er lagen tien pakjes voor mij onder. Voor zus maar vier en voor mama twee. We hebben hard gelachen toen opa zijn cadeautje opendeed. Er zat een nieuw vals gebit met tandenborstel en een tube tandpasta in. Het oude heb ik gekregen. Ik ga het in een glas water op mijn nachtkastje zetten, net zoals opa dat doet. Tante Truus was er ook. Mama zegt dat ze maandag terug naar het centrum moet. Ik denk dat ze het huis voor oude mensen bedoelt, maar zo oud is tante Truus toch niet?   Als voorgerecht waren het zelfgemaakte kaaskroketten van oma. Ik heb er zoveel gegeten dat ik de tel ben kwijtgeraakt. De ijstaart kwam uit het centrum, maar niemand heeft ervan kunnen eten. Tante Krista heeft ze per ongeluk omgestoten. Maar niemand vond dat erg, want zotte mensen kunnen toch niet koken, zei oom Ruud. Ik heb geweend, want het was er eentje met chocolade én slagroom.   Tante Truus is na de koffie samen met mij een engel gaan maken. Buiten in de sneeuw. Dat is superleuk. Je doet dat door met je armen en benen tegelijk te zwaaien. Maar eerst moet je wel op je rug gaan liggen. Zus heeft een sneeuwpop gemaakt. De ogen en neus waren restjes van de kaaskroketten. Ik heb er het oude gebit van opa ook nog ingepropt. Mama heeft er een foto van getrokken. Ze gaat hem voor ons afprinten op fotopapier. Ik hang hem zeker en vast op in mijn kamer.   Papa, ik vond het echt jammer dat je er weer niet bij kon zijn, want we hebben mens-erger-je-niet gespeeld en zijn pas gestopt na middernacht. Ik was nog helemaal niet moe. In bed heb ik eerst een Rode Ridder gelezen en daarna stiekem onder de deken dit briefje geschreven. Ik hoop dat ik niet teveel fouten heb gemaakt, want spelling is niet mijn beste vak op school. Voetbal en hoofdrekenen doe ik het liefst.   Wanneer ik je terug zal zien weet ik niet. Eric, mijn beste vriend zegt dat ik zal moeten wachten en dat dat nog heel lang kan duren. Of dat waar is weet ik niet.  Soms geloof ik hem en soms wou ik dat ik morgen al bij je was.   Liefste papa, over enkele dagen is het 2018. Mama, zus en ik gaan dan hamburgers eten en naar het vuurwerk kijken in de stad. De zelfgemaakte rijstpap van tante Truus eten we daarna thuis op. Als er nog wat over is, stop ik volgende week na school bij het kerkhof. Dan kan jij ook eens proeven.   Ps. Ik mis je. Ps. 2 Zus mist jou ook. Ps . 3 Mama mist jou ook. Ps. 4 Ik mis jou meer dan mama en zus!

Sascha Beernaert
11 0

De Zieke Man

Ze legde een dekentje over me, en nog één. En nog één. Ze bracht me kippensoep, kuste haar hand en legde die op mijn wang. Ik zei: 'Maar ik ben vegetariër.'... Ze antwoordde engelachtig: 'Maar je bent in de eerste plaats ziek. Genees maar snel.' Ik slurpte van de kippensoep. Mijn darmen protesteerden hevig, gingen een MMA-gevecht aan met elkaar. Ik vreesde het ergste, maar mijn boxershort bleef voorlopig remspoorloos. Ik zei: 'Ik heb angst.' Ze kwam naast me zitten, wreef over mijn voorhoofd: 'Hoezo, angst?' 'Het toilet... Zo gulzig... Met zijn opengesperde muil... Het wacht op mijn darminhoud.... Zo stil en rustig... En toch zo gulzig... Ik wil niet.... Ik wil niet!....' 'Je begint te ijlen', zei ze. 'Probeer wat te slapen.' Maar ik kon niet slapen, enkel rusteloos draaien en keren in een zetel van ongemak. Ik schopte het deken van me af, legde het weer over me. Warm en koud blies over mijn lichaam. Ik dacht ergens God te zien aan het einde van de tunnel. Ze kwam terug naast me zitten: 'De dokter zal er zo dadelijk zijn.' Haar bambi-ogen weerspiegelden een harmonieuze kosmos waarvan zij de enige ster was. Ik kneep in haar hand: 'Blijf nog even bij me, ik...' Maar nog voor ik mijn zin kon afmaken, spurtte ik naar het toilet; naar een opgesperde muil van keramieke gulzigheid. De snelheid waarmee mijn darmen hun drassige inhoud in de pot spuwden was ongezien. Ik schreeuwde en kreunde en liet mijn tranen de vrije loop. Ik mompelde: 'Ik kan niet meer... Ik kan niet meer...' Tot er op de WC-deur werd geklopt. Zij: 'De dokter is er. Kom je?' Als een gebroken Caesar strompelde ik de woonkamer binnen, legde me opnieuw in de zetel. Ik legde mijn hand op mijn voorhoofd, sloot mijn ogen en zei zacht: 'Ach... Ach...' De dokter op vrolijke toon: 'We zullen eens zien wat er scheelt. Kun je je kamerjas openen? We zullen eens luisteren.' Nadat hij me onderzocht had: 'Een klein buikgriepje. Niets aan de hand. Enkele dagen rust en je bent er zo weer bovenop.' Ik kneep in zijn beide handen; handen die stinkende wonden hadden verschoond; handen die zich troostend op een schouder hadden gelegd; handen die wijsheid bezaten. Ik herhaalde: 'Ach... Ach...' De dokter: 'Dat is dan dertig euro, alsjeblieft.' Zij betaalde, liet de dokter uit. Wanneer ze terugkwam, staarde ik naar het plafond: 'Zal het ooit goed met me komen?' Het was alsof mijn darmen hun antwoord al klaar hadden. Zij: 'De dokter zei dat het slechts een buikgriepje is. Hou je nu kalm. Wacht.' Ze kwam naast me liggen, onder het deken. Ik zei: 'Maar nu zal jij ook ziek worden...' 'Ik wordt nooit ziek.' Ze omhelsde me, legde haar hoofd op mijn borst en viel in slaap.   Ik wou dat ik eeuwig ziek was.

Michaël Verest
30 0

Vetpakken

Vanaf de straat klonk de claxon van Harry’s nieuwe auto, een DeSoto Airflow SG Business Coupe. Ik nam een laatste hap van mijn pannenkoek en kuste met volle mond Luanne gedag. In de spiegel in de hal controleerde ik of mijn pak me nog steeds goed stond. De grote groene ruiten op de gele stof sprongen op je af. Het was modern en toch gekleed.   Toen ik het huis uitkwam maakte Harry met zijn gele mouw met groene ruiten een ongeduldig gebaar uit de DeSoto. Het zijraam kon elektrisch naar beneden. Afgelopen vrijdag had Harry het voortdurend omhoog en omlaag laten zoemen. “Nu is er veel wind, ik doe hem wat verder dicht.” En als we bij een stoplicht stonden: “Ik geef je weer wat lucht.” Zrrrrr deed het raam, en de straatgeluiden werden luider en de dieseldamp van een vrachtwagen woei onze neusgaten in. “DeSoto heeft ook een model met airconditioning, maar dan adem je evengoed die uitlaatgassen in,” zei Harry. Ik vond het allemaal prima. Ik was blij dat ik niet zo’n investering had hoeven doen en met hem samen op pad kon. “Je ziet er toppie uit, kerel,” zei Harry toen ik instapte. “Mag ik je complimenteren met je keuze?” Dat had de vent in de winkel tegen ons gezegd toen we afscheid namen met onze nieuwe pakken in vloeipapier in een doos. “Een prima vent,” zei Harry. “Maar hij liet kansen liggen. We moeten een beetje opschieten, het is nog een heel eind.” “Ja, we hebben smaak,” daar is niks aan gelogen, beaamde ik. Ik liet mijn blik over de dubbele rij gouden knopen gaan. Tussen de knopen verdween mijn groene stropdas met dubbele Windsor. De geelwitte borsalino lag op mijn benen. Harry droeg de zijne al, maar ik vond het te warm en de wind uit het open raam trok aan de hoed. Harry was een verhaal begonnen, maar ik had het begin gemist, vanwege mijn pak. Het kwam erop neer dat in Duitsland een kerel die Hetler heette een groep volgelingen had die allemaal een uniform droegen. “Net als wij,” zei ik, toen zijn verhaal was afgelopen, ook om niet te laten merken dat ik niet goed had opgelet. “Dat is dus heel modern, die eenheid in presentatie.” “Zo’n investering haal je er snel uit,” beaamde Harry. We zoefden langs witte huizen met grote tuinen. “Is het hier?” vroeg ik. We waren inmiddels een half uur onderweg. Het werd steeds warmer, en wat betreft luchtigheid hadden we beter een andere stof kunnen kiezen. Maar deze was het mooist en ook sterk, dus had je langer plezier van je pak. “Nee, joh. We gaan een buitenwijk doen. Op kantoor denken ze dat daar een prima doelgroep zit. De kerels hebben goede banen en ze hebben veel kinderen.” “Waarom proberen we het hier niet?” zei ik. “Is al afgewerkt. Het gaat nu om de buitenwijken.” “Het is wel een eind rijden,” zei ik. Harry begon In Love with the Memory of You te zingen. Hij kon goed zingen, dus ik hield mijn mond. Dat was het enige dat me aan hem stoorde; het leek of hij altijd alles beter voor elkaar had dan ik.   Eindelijk waren we er en stapten we uit. De straat was leeg en breed. We waren de enige auto. “Je zei dat ze goede banen hebben,” zei ik. “Ja, daarom zijn er geen auto’s. Al die kerels zijn naar hun werk.” Harry liep om de DeSoto heen in de richting van het eerste huis. Twee kinderen op het trottoir vermaakten zich met een hoepel. Nu ik Harry op de rug keek, zag ik dat er iets vreemds was met zijn pak. Het leek of het op de rug en aan de achterkant van de broekspijpen veel donkerder was en een beetje doorzichtig. De groene ruiten waren nauwelijks meer te zien. “Harry, er is iets met je pak,” riep ik. “De achterkant ziet er raar uit.” Harry keek over zijn schouder. Hij voelde aan zijn achterwerk. “Getverdemme, het is helemaal vet,” zei Harry. Hij schudde zijn hand heen en weer. Ik keek ook achterom, en streek langs mijn dijbeen. Mijn vingertoppen glommen. Ik rook eraan. Het rook naar frituur. “Bij mij zit het ook,” zei ik. “Het moet van die bank afkomen.” Ik liep terug naar de DeSoto. “Kijk maar, die glimt helemaal.” We inspecteerden de voorbank. Het groene leer glom in de zon. “Die bank heeft ons vet gemaakt,” stelde Harry vast. Harry zag eruit als een omgekeerde okapi. De achterkant van zijn pak was donker en glom, de voorkant was nog helder geel met groene ruit. “Wat doen we nu?” zei ik. “Zullen we terugrijden en onze pakken in de was doen?” “Bekijk het,” zei Harry. “Dan is de dag al weer voorbij als we terug zijn. Ik heb net een nieuwe auto en een nieuw pak gekocht. We moeten rendement halen.” We stonden een tijdje met onze handen in de zij rond te kijken. De kinderen met de hoepel kwamen langs. “Jullie ruiken naar doughnuts,” zei een zesjarig meisje. Ze holden lachend weg. “Laten we onze pakken dan maar helemaal vet maken,” zei Harry. “Dat geeft meer eenheid.” “Hoe doen we dat?” vroeg ik. “We wrijven ook de voorkant tegen de bank.” We trokken om de beurt onze pakken uit. Ik ging achter Harry staan, zodat niemand kon zien dat hij in zijn onderbroek stond. Daarna was het mijn beurt. Methodisch wreef ik de nog niet vette stukken tegen de glimmende voorbank. Het vet lag als dikke vernis op het leer, en leek onuitputtelijk, alsof de bank een spons was die bij de geringste druk vet uitperste. “Hoe kan dit nou,” zei Harry. “Zou het een grap zijn? Ik heb de DeSoto nog maar een week. Niemand is er bij geweest. Gisteren heeft hij de hele dag vlak voor de deur in de zon gestaan.” “Dat verklaart het,” zei ik. Ik trok mijn broek weer aan. Die was zwaar geworden en kleefde. Van het colbert had ik minder last, want daar droeg ik mijn overhemd onder. Nu konden we eindelijk aan het werk. Ik monsterde mijn vetpak. Het zag er minder gelijkmatig uit dan ik had gehoopt, en het leek alsof het doorschijnend was. De kleur was nu eerder bruin dan geel. “Ik ben er niet helemaal gerust op,” zei ik. “Laten we de eerste met z’n tweeën doen.” “De eerste met z’n tweeën,” echode Harry. “Dat klinkt een beetje Bijbels.” “Ik bedoel er niks mee, alleen maar dat we samen de eerste doen,” zei ik. We liepen naar het eerste huis van de straat. Harry belde aan. Een vrouw deed open. Ze zag er ongeduldig uit. Ze had papillotten in haar haar. “We kopen niet aan de deur,” zei ze geërgerd. “We willen u niks verkopen, mevrouw,” zei Harry. “We willen u er alleen op attenderen dat Proctor and Gamble door middel van loting uw adres heeft geselecteerd. Als vertegenwoordigers van deze firma hebben we het genoegen u een gratis proefverpakking te kunnen aanbieden van Mr Clean’s Abraxo super waspoeder. Dit poeder wast zes keer beter, en staat bekend om de wervelende kracht waarmee het vet wegtovert alsof het er nooit is geweest.” “Wat zien jullie er raar uit,” zei de vrouw. Ze snoof. “Zijn jullie soms zwervers?” Er ging me opeens een licht op. “Neemt u ons niet kwalijk, mevrouw,” zei ik. “We hebben een ongelukje gehad. Als je kleine kinderen hebt, morsen die wel eens met vet, u kent dat wel. Zouden we gebruik mogen maken van uw wastobbe? Dan kunnen we u meteen de kracht van Mr Clean’s Abraxo Super waspoeder demonstreren.” Harry beloonde mijn ingeving met een nauwelijks merkbaar knipoogje. De vrouw twijfelde. Twee vreemde kerels binnenlaten die niet bepaald fris roken, daar zou iedereen voor passen. Ze nam ons nog eens onderzoekend op. Toen verzachtten haar gelaatstrekken. “Vooruit dan maar. Maar jullie moeten niet denken dat ik open sta voor andere dingen. Je hebt van die mannen die zodra ze binnen zijn, denken dat ze van alles kunnen proberen.” “Mevrouw, ik verzeker u dat wij keurige heren zijn en dat we ons beiden in een gelukkige huwelijkse staat bevinden. De eer van een dame is voor ons het allerhoogste goed,” zei Harry plechtig. Hij stak zijn vingers op alsof hij een eed aflegde.   De vrouw ging ons voor de gang in, maar hield meteen stil. “Loop maar door naar de tuin, daar staat de wastobbe. Ik wil die smerige pakken niet in huis hebben.” Via de keukendeur kwamen we weer buiten. Onder een afdakje stond een grote tobbe met een wringer ernaast. “Laten we onze pakken dan maar uittrekken,” zei Harry. “Aan dat kraantje hangt een slang waarmee we dit ding kunnen vullen. Heb jij het waspoeder?” “Kunnen we met koud water het vet eruit krijgen?,” vroeg ik. “Er staat toch dat het schoonmaakt als een tornado?” Ik las de verpakking. Er stond: ‘Honderd procent vetverwijdering, gegarandeerd’. We legden onze pakken in de tobbe en Harry draaide de kraan open. Het vullen ging traag. De zon verdween achter de wolken en er woei een kil briesje. Ik kreeg het koud. Boven mijn sokophouders kreeg ik kippenvel. Toen de pakken net onder water stonden, stak de vrouw haar hoofd om de keukendeur. “Ik heb een ketel opgezet. Het duurt nog even voor het water warm is.” “Dat is niet nodig, mevrouw,” zei Harry. “We wassen met koud water.” “Zulke onzin heb ik nog nooit gehoord,” zei de vrouw. “Geef me Mr Clean maar eens even,” zei Harry triomfantelijk lachend. Als een tovenaar die een magische bezwering uitvoert, goot hij het poeder in de tobbe. Het zonk omlaag en bleef in hoopjes op de pakken liggen. De vrouw kwam naar buiten en boog zich over de tobbe. “Wacht maar tot het water warm is,” zei ze misprijzend. Ze verdween naar binnen. Enige ogenblikken later deed ze de deur weer open. “Jullie mogen wel even binnenkomen.” In de woonkamer stond een bruine bank. Je zonk er ver in weg. Omdat we ons niet op ons gemak voelden, bleven we voorover geleund op het puntje zitten. Zelfs nu leken we nog op elkaar. We droegen beiden een wit overhemd met gouden manchetknopen, een gestreepte das, en ook onze gestreepte boxershorts leken afkomstig uit dezelfde voordeelverpakking van Farmer Jack. Even later kwam de vrouw de kamer binnen. Haar papillotten had ze verwijderd. Haar blonde haar hing nu golvend tot haar schouders. Ze droeg een blad met een koffiekan en kopjes. Ze zette het blad op de salontafel en ging tussen ons in zitten. Harry leek zijn gebruikelijke tegenwoordigheid van geest te hebben verloren en staarde zwijgend naar de pendule op de schoorsteenmantel. “Jullie jongens zullen wel vaker eenzame huisvrouwen tegenkomen, is het niet?,” zei ze, terwijl ze koffie inschonk. De uitdrukking ‘jullie jongens’ hoorde je de laatste tijd wel vaker. Het gaf een sfeer van gezellige familiariteit. Ik keek opnieuw naar Harry, want ik wist niet wat ik kon antwoorden, maar ook hij zweeg. Hij staarde naar zijn kopje waarvan hij het schoteltje met beide handen vasthield. Ik stond op. “Wat vriendelijk dat u ons koffie serveert, mevrouw. Ik zal eens kijken of het water al warm is.” Ik liep naar de keuken. Daar stond een grote pan van grijs emaille te dampen. Ik voelde voorzichtig het water. Dat was lauwwarm. “Het water is warm, we kunnen beginnen,” riep ik. Harry haastte zich naar buiten en we togen aan het werk. We lieten het koude water op het gras weglopen, ik leegde de pan in de tobbe en Harry gooide de rest van Mr Clean’s op de pakken. We roerden het lauwe water, maar het poeder bleef opnieuw onopgelost liggen. “Het begint me nu wel de keel uit te hangen,” zei Harry. “Misschien doen we iets fout. Weet jij hoe je moet wassen?” Ik antwoordde ontkennend. Terwijl we in de tobbe tuurden, was de vrouw achter ons komen staan. “Jullie kunnen beter groene zeep gebruiken.” Ze verdween en kwam terug met een blik waaruit ze flinke klodders in de tobbe gooide. “Nu kunnen jullie wassen. Wrijf de kleren over het wasbord en spoel dan uit.” Om beurten probeerden we het terwijl de vrouw oplettend toekeek. We kregen de slag te pakken en schrobden er op los tot het zweet ons op het voorhoofd stond. Als een opzichter hield de vrouw onze verrichtingen in het oog. Af en toe gaf ze aanwijzingen, zoals: ‘Die pijp is nog niet helemaal gedaan’, of: ‘Vergeet de kraag niet’. Nadat we zo’n tien minuten aan het werk waren geweest, zei de vrouw tegen Harry: “Op jouw onderbroek zit ook vet. Of zijn het soms remsporen?” Harry probeerde de achterkant van zijn boxershort te bekijken, maar dat lukte niet best. “Ik zie niks,” zei hij. “Jawel,” zei de vrouw. “We moeten de onderbroeken ook doen.” Harry maakte een abrupte beweging alsof hij van iets schrok. Daarop haalde hij met een verbeten gezicht zijn broek uit de tobbe en sloeg hem uit, zodat de waterdruppels in het rond spetterden. Hinkend trok hij de met water verzadigde broek aan. “Hartelijk dank voor de gastvrijheid mevrouw. Ons werkschema laat geen ruimte voor een langere pauze,” zei hij met een stem die hoger klonk dan gewoonlijk. “Jullie kleren moeten eerst door de wringer en dan nog een paar uur drogen aan de waslijn,” zei de vrouw. Maar Harry wenkte me met een hoofdbeweging en ik volgde zijn voorbeeld. Het viel niet mee het zware natte pak aan te trekken, maar het was nog warm, zodat de natte stof niet onaangenaam aanvoelde. Toen we buiten waren, keek ik vragend naar Harry. Zijn gelaat vertoonde een angstige uitdrukking. “Ze zat aan mijn achterwerk. We moeten maken dat we wegkomen. Je hebt van die types die zomaar de politie bellen, al heb je niks verkeerds gedaan.” We beenden flappend terug naar de DeSoto, een spoor van druppels achterlatend waarin vetbubbeltjes dreven die in regenboogkleuren naar de zon glimlachten. Ik opende het portier, maar er schoot me iets te binnen. “Als we instappen, worden we weer vet. Dan hebben we voor niks onze pakken gewassen,” zei ik, omlaag buigend, want Harry zat al achter het stuur. Harry sprong naar buiten. Hij gooide zijn armen in de lucht zodat een regen van spetters tegen de DeSoto kletterde. “We hadden gelijk aan het werk moeten gaan,” schreeuwde hij. Dat idee van jou was behoorlijk stom.” “Jij vond het een goed idee,” zei ik, hoewel ik mezelf ook de schuld gaf. Ik schaamde me omdat, nu ik eindelijk zelf iets had bedacht, het op een fiasco was uitgedraaid. Harry bleef een tijdje omhoog kijken, alsof hij een Zeppelin zag. Allengs begonnen zijn mondhoeken te trillen. Daarop trok hij woest het portier open. “We moeten nu weg, ik heb geen zin in politie.” Terwijl hij startte, voelde ik aan de bank. Die zat nog onder het vet. Er hing een enorme frituurlucht in de auto, en ik vroeg me af waarom we dit niet op de heenweg hadden opgemerkt. Terwijl Harry een bocht in stuurde gleed ik tegen de deur, en ook Harry gleed naar mij toe, met het stuur als enige houvast. “Een ding heeft ons dit wel opgeleverd, we…“ Harry maakte zijn zin niet af omdat nu een bocht de andere kant op volgde en ik tegen hem aan gleed. “Hou je maar vast aan het portier,” riep hij, en het verbaasde me dat er geen ergernis meer in zijn stem doorklonk, maar eerder een soort vrolijkheid alsof we op de kermis waren. Hij leek zijn goede humeur weer terug te hebben. “Het heeft ons dus opgeleverd,” riep hij, terwijl hij gas gaf en nog een bocht nam, de wielen begonnen te gieren en de DeSoto overhelde, “dat we hebben geleerd hoe je moet wassen.” “Ik zal het je nog sterker vertellen,” riep ik, over het geraas van de motor. “We weten nu ook dat Mr Clean’s Abraxo super waspoeder minder goed wast dan groene zeep. Wat gek eigenlijk dat we het nooit hebben geprobeerd.” We waren inmiddels weer op de grote weg gekomen. Harry minderde vaart. We gleden langs de witte wijken. “Toch zit hier iets Bijbels aan,” mijmerde Harry, nadat we een tijdje hadden gezwegen. Hij wees naar boven. “Ik ben niet erg gelovig, maar je zou bijna de indruk krijgen dat iemand ons iets probeert duidelijk te maken.”

Vincent Baumgart
80 1

't Liep tegen het nieuwe jaar (*)

Het is 11 november. De  telefoon rinkelt. “Met  Johan.” “Johan Smits?”, vraagt een basstem:  “U spreekt met  Harry, zoon van Paul Bolden.” “Harry? Dat is meer dan een kwarteeuw geleden . Hoe oud ben je nu?” “Juist dertig geworden.” “Precies, jij was pas drie toen je laatst met jouw mama hier was. “   Toen zijn ouders net waren gescheiden, was  Laura voor de Kerstdagen met haar zoontje in België.  Nadat zij naar Canada verhuisden, verwaterde het contact met Paul snel. Laura bleef naar goede gewoonte nog lang kaartjes sturen met Nieuwjaar.   “Ik vond jouw naam in een oud telefoonboekje  van mijn vader. Hij wordt volgende maand zestig en ik wil hem verrassen met een feestje waarop ik zijn vroegere studievrienden uitnodig.“   Paul en ik hadden in de woelige jaren zestig  samen op de universiteit gezeten.  Na één jaar veranderden wij beiden van studierichting en kwam ik in een andere stad terecht, maar wij bleven elkaar opzoeken  tot zijn terugkeer naar zijn geboorteland.   “Op dat feestje wil ik niet ontbreken”, zeg ik: “wanneer moet ik mijn ticket bestellen, Harry?” “Neen, wij komen naar België en het feestje gaat door op 27 december  in de buurt van Antwerpen.  Mag ik jouw mailadres, dan stuur ik je de details.”   “Mijn derde Kerstdinertje op rij dit jaar”, zeg ik tegen Harry wanneer  ik hem omhels bij de ingang van het feestzaaltje.  De vrienden ken ik niet, want zij stammen uit de tijd dat Paul andere studies aanvatte, maar zijn broer is er en een zoon van zijn zus is uit Canada overgekomen.   Er wordt teken gedaan dat Paul er aan komt.  De verrassing is totaal. Hij dacht met familieleden  uit België  Kerst te vieren en begroet iedereen uitbundig.    Het wordt een oergezellige avond.  Haast iedereen is terug huiswaarts gekeerd en ik  zit met Paul en Harry wat na te praten.   Dertig jaar is lang om bij te praten en als Paul het over de scheiding en andere treurige zaken heeft wordt er een traantje weggepinkt,  maar ook de gelukkige momenten komen aan bod.  Straks wordt hij opa.  De vader in spé naast hem glundert.   Paul blijft honderduit praten, Harry en ik komen haast niet aan bod.  “Je hoort dat mijn vader rechten heeft gestudeerd”, schertst Harry. “Tabernacle”, repliceert Paul in zijn Canadian French. “Pa, besef je dat je heel de tijd in het Québécois aan het praten bent tegen  Johan?”, vraagt Harry. Paul kijk mij aan: “Heb jij mij verstaan, Johan?” Al zijn mij woorden ontgaan,  antwoord ik: “Zeker, Paul, ik heb haast alles verstaan en wat ik niet verstond heb ik begrepen.”   Dan glimlacht Paul naar zijn zoon: “Tu vois, mon fils c’est  ça la vraie amitié.  Wij hebben mekaar zolang niet meer gezien of gehoord maar vanaf het eerste woord dat wij vandaag wisselden leek het of wij het gesprek  van jaren terug weer opnamen.”   Wanneer wij opstappen sluit Harry zijn pa en mij in de armen en zegt: “Happy New Year, blood brothers.”   (*) opdracht: schrijf een kortverhaal met maximaal 500 woorden  

Vic de Bourg
26 0
Tip

Zitplaats

Ik ontmoette haar op de trein naar het werk. Ze was helemaal uit Oekraïne hierheen gekomen, vertelde ze, de liefde achterna. In hartje Kiev ligt een universiteit die niemand kent. Daar had ze gestudeerd, voor ze haar geliefde was gevolgd. Hier had hij haar meteen in de steek gelaten. Toch was ze gebleven en opnieuw beginnen studeren en nam ze elke dag de trein naar de universiteit.   De volgende ochtend zat ze er weer, maar ditmaal had ze zich vermomd. Nu zag ze eruit als een jonge vrouw uit Rwanda. Ze leerde me dat het in Rwanda uit den boze is om te eten op straat, en dat het er niet staat om te roken als vrouw. Ik wou meer te weten komen, maar ik moest uitstappen, terwijl zij nog één halte verder moest.   Ook de andere dagen toonde ze zich een meesteres van de maskerade. Nu eens had ze zich onherkenbaar gemaakt als een Armeense, die hier marketing studeerde om ooit het vodkaflessendoppenbedrijf van haar vader op de wereldkaart te zetten, dan zat ze er als een meisje uit de Centraal-Afrikaanse Republiek, ijverig pennend aan het scenario van haar eerste kortfilm. Telkens opnieuw wist ik haar te vinden en was de plaats naast haar nog vrij, zodat ik kon gaan zitten en haar verhalen kon horen. Nooit vertelde ze dat zij het was, maar stiekem wist ik het terwijl ik luisterde.   Toen was ze er plots niet meer. Drie keer liep ik het middenpad van de trein af, maar nergens viel ze te bekennen. Ook de volgende dagen zat ze er niet. Ik heb haar nooit weergezien.

Felix Sandon
45 1

Zeewee

“Het begin is altijd het moeilijkst,” fluisterde hij in haar oor. Ze zaten elk met een halve bil op de leren pianostoel, hij met zijn handen op zijn knieën, zij liet de hare op de toetsen rusten. Haar wangen waren rood aangelopen en een lichte frons verraadde irritatie. Zijn ogen gleden van de rimpels in haar voorhoofd naar het puntje van de uitgestoken tong en hij glimlachte. Ze was mooi als ze gefrustreerd was. Hij las een vurige passie in haar lichaamsexpressie. “Probeer nog eens,” moedigde hij haar aan. Ze haalde adem, hief haar vingers op en liet ze met kracht weer neerkomen op de toetsen. Een paar maten lang geselde ze het instrument om tenslotte haar gekromde vingers met volle kracht in het midden van de toetsenrij neer te planten. Een zucht van ingehouden woede ontsnapte aan haar lippen. “Het lukt nooit”. En plots, geheel onverwacht, barstte ze in tranen uit. Haar handen trilden, haar schouders schokten. Een waterval aan klaaglijk gejammer stroomden uit haar longen, langs haar neus, keel, ogen de kamer in, overspoelden de restjes muziek, natrillend in zijn oren. Verbaasd staarde hij naar zoveel verdriet. Haar stem zwol aan, de tranen stroomden ononderbroken uit haar ogen. Haar haren plakten tegen de zijkant van haar wangen. De vrouw die zonet nog doelbewust haar armen en vingers over de piano had bewogen, was verdwenen. Ze had plaatsgemaakt voor een klein meisje dat haar knietjes had opengehaald aan de kiezels van de oprit en nu alleen en verloren met step in de hand in de voortuin stond te huilen. Het gierende gehuil ging over in een schril krijsen, de vuistjes sloegen beurtelings op de toetsen. Haar kleine hieltjes schopten tegen de pianokruk. Toen gooide ze zichzelf op de grond en schopte wild in het rond. Al die tijd sloeg hij zonder een woord de ongelooflijke metamorfose gade. Haar tranen vormden plasjes om haar heen, die ze voortdurend terug oplikte, tussen twee gierende snikken door. Als een dol geworden hondje kroop ze over het parket, haar kanten jurkje doorweekt, haar vlechtjes vormeloos. Toen het emotionele geweld tot bedaring kwam stond hij op van de piano en knielde bij het meisje neer. De snaren trilden nog na van het lawaai. Hij streek een lok haar uit haar roodgezwollen ogen en tilde haar op alsof ze een veertje was. Zachtjes drukte hij het kleine wezentje tegen zijn borst. “Stil maar,” fluisterde hij in haar oor, “morgen is een nieuwe dag”. Hij opende de klep van de piano. Voorzichtig legde hij haar op de snaren.

Cosi Perreth
0 0

Single bells

Single bells… Kerstmis, de leukste tijd van het jaar… Voor wie een gezin heeft of een gezellige familie om dit mee te vieren. Als alleenstaande, kinderloze dertiger staat er geen aspergeroomsoep met balletjes en steengrill op het menu, maar de fles bubbels wordt gelijkmatig verdeeld over de eenzame kerstavond tijdens een serie op Netflix. Dit jaar had ik me door een man laten overhalen om op kerstavond op date te gaan. Alle restaurants zouden zich hullen in een uitgelaten sfeer met gezelligheid troef. Alle restaurants, behalve datgene waar wij die avond terechtkwamen. Wij en twee andere koppels zaten aan somber gedekte tafeltjes. De sfeer was ver te zoeken. De kerstboom was duidelijk van plastiek en het leek of de versieringen waren aangebracht door een kleuter van 5. Afgaand op de familiefoto die boven de bar hing, zat ik er niet ver naast. Mijn date was een grote slanke man met een aanstekelijke lach. Hij had zich niet speciaal opgedoft, maar zijn kontje kwam goed uit in zijn strakke jeansbroek. Dat gaf me een beetje hoop op een aangename avond. Ik had plaats genomen tegenover hem aan het tafeltje. Gehuld in mijn veel te strakke groene jurk en een rode bombastische strik in mijn haar. De kerstboom in het restaurant was er niks tegen. Ik nipte van mijn cocktail. De alcohol kreeg een beetje grip op mijn zenuwen. Mijn date zijn ogen hadden zich gefixeerd op het punt waar mijn borsten samen komen. Ik bekeek hem nauwkeurig, tot mijn blik op zijn schoot rustte. Ik zag zijn geslacht groeien, samen met mijn angst op een faliekante afloop. Ik leunde een beetje verder voorover om het wat beter te kunnen bekijken, waarbij ik per ongeluk een duw tegen het tafeltje gaf en zijn vol glas bier in zijn schoot belandde. Hij sprong op van zijn stoel, maar het kwaad was al geschiedt. Mijn woordenstroom van excuses kon de krimpende bobbel in zijn spannende jeansbroek niet meer tegengaan. Ik rekende onze drankjes af en nam afscheid van mijn date met zijn natte broek. Heel de weg naar huis had ik de slappe lach. Oh wat was ik blij met mijn fles bubbels en Netflix in de zetel. En gelukkig maar, dat ik lasagne had uitgezet. Je weet maar nooit op kerstavond!

RVP
0 0

Appel

Appel   Daar zat ze dan. Helemaal alleen op een bankje in een zo goed als verlaten stadspark. Het was nochtans nog niet zo laat. Of ja, misschien niet, ik wist het niet meer zo goed. Ik was haar al zo lang aan het volgen. Tijd werd een zinloos begrip. Ik kon niets anders dan staren. Staren en hopen dat ze niet zou ontdekken dat ik haar al uren volgde. Uren? Nee, het moesten al dagen zijn ondertussen.   Ze at langzaam van een sappige, rode appel. Het rood stak prachtig af tegen haar blonde haren. Ik spande me zo hard in als ik kon om elk detail in me op te nemen. Ik kon elke knapperige hap horen en keek toe met een flauwe glimlach hoe ze zich een weg baande naar het klokhuis. Er liep een druppeltje sap langs haar kin naar beneden. Hoe graag had ik die druppel met een veeg van mijn duim weggevaagd om zo haar goeddunken te kunnen verdienen. Hoe graag was ik naar daar gegaan en was ik een gesprek met haar begonnen. Iets simpels, iets in de trant van; ‘ Gho, toch weinig volk hier vandaag hé?’ Dezelfde roemloze onzin waar anderen de welbekende paringsdans mee in gang zetten. Maar ik kon het niet. Ik kon mezelf niet overtuigen mijn schuilplaats te verlaten om een zinloze actie in gang te zetten, die toch de enormiteit van mijn gevoelens niet zou kunnen overbrengen. Er moest een andere manier zijn. Een andere manier om te vertolken wat voor warboel ze in mijn hoofd teweeg bracht.   Nu ik er aan terugdenk, was het moment waarop ik het echt besloten had, denk ik. Echt bewust de beslissing gemaakt dat ze van mij moest zijn. Worden. Geweest zijn? Ik denk het.   Toen ze klaar was met de appel, gooide ze het klokkenhuis achteloos in de struiken. In plaats van dat het stuk fruit op de grond zou vallen, waar het na verloop van tijd zou kunnen vergaan, bleef het halsstarrig tussen de takken hangen. Ze stond op en gooide haar rugzak over een enkele schouder. Haar lange haren wapperden lichtjes in de zachte lentebries terwijl ze zich omdraaide om de andere richting op te wandelen. God, wat was ze mooi. Ze liep mijn kant op. Had ze me gezien? Wou ik dat ze me gezien had? Was het gezien worden de ideale eerste stap om samen voor altijd iets te kunnen hebben? Zou ze me eerder al gezien hebben? Zou ze weten dat ik haar al een tijdje volgde? Zou ze me komen uitschelden, wegjagen, mijn enige kans op een aanknopingsgesprek verbranden? Was ik dit aan het overdenken? Gho, wat overdenk ik niet. Al deze gedachten denderden door mijn hoofd als een bende op hol geslagen buffels, achtervolgd door een troep leeuwen. Ze had me niet gezien. Ze liep voorbij de struik waar ik al dan niet subtiel mijn observatiekamp had opgeslagen voor de afgelopen tien minuten. Ze gunde me niet eens een blik.   Waarom keek ze niet? Waarom gunde ze me niet eens het genot van in haar ogen te kunnen kijken, zelfs al was het maar een enkel ogenblik, een enkele halve seconde. Dat ene ogenblik had mijn hele wezen kunnen vullen met een ultiem genot. Maar neen. Ze liep me straal voorbij. Alsof ik niks was. Alsof mijn hele bestaan op die plaats helemaal niet bestond. Alsof ik het zelfs niet waard was op te merken. Wat dacht ze wel niet?! Mij negeren? Mij? Ik was haar grootste bewonderaar, haar prins op het witte paard, haar kaartje om weg te geraken uit deze horendolle samenleving, dit schijthol van een excuus voor een maatschappij. Mij zou ze gewoon zomaar negeren? Ik dacht het niet.   Ik volgde haar richting de uitgang van het park. Nu moest ik wel iets verzinnen om haar te kunnen aanspreken, iets, wat dan ook. Het was nu of nooit. Nooit een antwoord op alles wat ik haar wou vragen, wou zeggen, wou toefluisteren. Ik liep enkele meters achter haar, probeerde gezwind haar pas te volgen, zodat onze voeten gelijktijdig de aarde zouden raken en ze dus niet het geluid van een achtervolger kon opvangen. Ik probeerde telkens zo groot mogelijke passen te nemen, zodat ik toch korter bij haar kon raken, zonder dat ik mezelf verried.   Plots stond ik achter haar. Ik strekte mijn arm en greep die van haar beet. “Hey, ehm, ik denk dat je dit hebt laten vallen.” Ik viste snel een kleinood uit mijn zak en hield het omhoog, zodat ze het kon zien. “Nee hoor, dat is niet van mij, sorry.” Zei ze en ze maakte aanstalten om zich opnieuw om te draaien en verder te wandelen. Het enige wat ik toen kon denken, of nee, het enige wat ik toen kon voelen, was het gevoel dat ik op een afgrond stond. Als ze nog een stap van me weg zou zetten, zouden de laatste kiezels onder mijn ene voet die nog stevig op de richel stond, wegrollen en zou ik rechtstreeks en onomwonden te pletter storten. De paniek gierde door mijn ingewanden. De stress gierde door mijn lijf, maar zorgde er ook voor dat mijn zintuigen scherper leken te worden. Na enkele seconden van tergende angst, maakte alles plaats voor kalmte. Het was duidelijk, alles was opeens zo erg helder. Ik kon niet geloven dat ik al zo lang had zitten tobben en twijfelen, dat ik stress had gehad hierom. Ik wist wat me te doen stond.   Ik greep opnieuw haar arm en vroeg of ze me dan niet meer kende. We hadden immers het hele voorbije jaar samen in dezelfde stinkend hete aula gezeten.  Ze leek me nog steeds niet te herkennen, maar ze keek wel opeens vriendelijker. “Oh! Zat jij ook altijd in die saaie seminaries?” Het was nog wel logisch dat ze me niet kende. Van zodra ik haar de eerste keer gezien had in een les, was ik overdonderd. Ik besloot meer over haar te weten te komen en had mezelf telkens strategisch ergens achter haar gezet in diezelfde aula. Net kortbij genoeg, zodat ik kon horen wat ze zei en kon zien wat ze deed, net ver genoeg, zodat het niet zou opvallen. Zodat ik niet zou opvallen. “Ja, ja, elke week! Kom, laten we wat gaan drinken, dan kunnen we bijkletsen over die lessen, super leuk!” Het was een directe uitnodiging, iets wat ik voor de stilte in de storm in mijn hoofd, nooit had gedurfd. Nu kon ik het met zo veel vertrouwen zeggen. Het was niet eens een vraag. Van wat er daarna gebeurd is, weet ik niet meer zo veel.   We gingen wat drinken in een cafeetje niet zo heel ver van datzelfde stadspark. Het was fijn. We hebben er gepraat over de zinloosheid van de seminaries van het voorbije jaar, over de aangename sfeer van de stad, over dezelfde roemloze onzin waar alle anderen hun paringsdans mee in gang zetten. De hele nutteloze hoop. Ik vertelde een grap, zij lachte er mee. Het was fijn. God, wat had ze een prachtige lach. Dit was het, ik was eindelijk bij haar binnen gebroken, ik had eindelijk contact gelegd. Ik wou haar kussen, man, wat wou ik haar kussen. Toen onze drankjes gedronken waren en de nootjes niet veel meer waren dan een leeg glazen schaaltje, zag ik mijn kans schoon. We stapten naar buiten en stonden even stil. Ik greep haar bij de armen, zachtjes deze keer, en boog zachtjes naar voor, zoals ze dat in die romantische komedies doen. Een filmgenre dat me nooit veel heeft aangetrokken. “Wat doe je? Ik heb een vriendje, sorry.” Een vriendje. Ze had een vriendje. Ongetwijfeld een eikel ten midden van eikels. Een arrogante klootzak die het nodig vond om mijn meisje in te pikken. Wij hoorden samen! Als het ervoor nog niet duidelijk was, dan was het dat zeker wel na die avond. Ze hoorde bij mij. Bij mij alleen.   Als ik haar niet kon hebben, dan niemand.   Wanneer ik me probeer te bedenken wat er daarna gebeurd is, kan ik me eigenlijk alleen nog maar enkele flitsen voor de geest halen. Ik weet nog dat we samen terug het stadspark in liepen om zo naar onze respectievelijke koten te gaan. Een stadspark waar ondertussen niemand meer rondliep. Ik weet nog dat ze maar bleef praten over die lapzwans van een vriend en ik weet nog dat er ergens onderweg een grote zware tak was afgeknakt in de storm van de week ervoor. Wat er daarna gebeurd is, is een waas. Het enige beeld dat ik niet meer uit mijn hersenen krijg, is het beeld van hoe ze daar zo mooi lag. Zo vredig. Het leek wel alsof ze gewoon besloten had om een dutje te doen in het midden van het park. Gewoon, zomaar, eventjes rusten. Het rood complementeerde haar blonde haren zo mooi. Was ze ooit perfect, dan was ze dat nu nog meer.

David Kempeners
0 0

De Boodschap II

Een auto stopt voor een huis en tegelijkertijd gaat de voordeur open. De vrouw loopt uit het huis naar de auto. Het kind stapt uit. De vrouw strekt haar hand uit om de deur langs de bestuurderskant te openen, maar de auto rijdt al weg. Ze schrikt op en kijkt de auto fronsend na. Dan wendt ze zich tot haar zoon.   ‘Hoe was het?’ Ze knielt voor haar zoon neer en kijkt in zijn ogen. ‘Kijk, wat ik allemaal gekregen heb!’ roept hij. Hij wijst naar een zak vol cadeaus. ‘Wauw, wat mooi!’ zegt ze snel. ‘Maar hoe was het met hem?’ ‘Je moet niet boos op hem zijn, mama.’ Ze slaat haar ogen neer en aait hem door zijn haar. ‘Kom. Het vliegtuig mag niet zonder ons vertrekken hoor. Vanavond slapen we in ons nieuwe huis. Spannend he!’ Ze probeert enthousiast te klinken. ‘Mag ik dan een heel pakje kauwgom tegelijk in mijn mond steken?’ Zucht. ‘Ik denk dat dat vandaag wel kan, ja.’   In het vliegtuig valt haar zoon in slaap. Hij schokt twee keer voor hij inslaapt, net als zijn vader deed toen hij nog naast haar in bed sliep. Weer denkt ze aan die dag.   Die ochtend in april, de ijsbloemen kleefden op het raam, stond ze op met hoofdpijn. Ze had geen oog dichtgedaan. Hij was al vroeg vertrokken en zou laat terugkomen. Om een paar dingen te regelen, had hij gezegd. Ze stond in de badkamer en keek in de spiegel, die in de linkerhoek gebarsten was en door zwarte schimmelpunten werd omringd. Ze zag blauwe lijnen onder haar ogen. Nog in pyjama liep ze naar de keuken. Ze maakte ontbijt voor haar zoon en voor zichzelf. Ze sneed het fruit snel en zonder te kijken sneed ze in haar vingertop. Ze vloekte. Haar zoon had blijkbaar geen last van slapeloosheid deze nacht dus liet ze hem liggen. Ze zat aan tafel, bladerde door reclamefolders zonder ernaar te kijken. Het eten bleef onaangeroerd. Haar zoon liet van zich horen. Ze haalde hem uit zijn bed, knuffelde en kuste hem. Ze zette hem op het potje en prees hem omdat zijn luier weer droog was gebleven.   De rest van de dag was als in een waas aan haar voorbij gegaan, als een video die wordt doorgespoeld. Ze poetste de benedenverdieping, hoewel dat nog niet lang geleden was. Ze werkte de hele dag door, maar haar ogen dwaalden steeds af. Dan staarde ze door het raam. Terwijl ze met haar zoon speelde, keek ze te pas en te onpas op haar telefoon.   Toen ze rond zes uur stond te koken, rinkelde haar telefoon. Ze ademde diep in voor ze opnam. ‘Hallo?’ Haar ademhaling versnelde. Ze zakte neer op de keukenvloer. Ze sloot haar ogen terwijl ze haar hand voor haar gezicht hield. Ze kon niets uitbrengen. Uiteindelijk fluisterde ze: ‘Waarom?’ Haar ogen schoten naar de stapel onbetaalde facturen, hoog op de kast. Daar had zij ze gelegd, uit het zicht. Ze beet op haar lip, tot bloedens toe.   ‘Wanneer zie ik je?’   Een dag later liep ze gehaast door de straat. In de verte, aan haar rechterkant zag ze het arresthuis. Ze vertraagde. Toen ze aankwam, stopte ze. Het was er rustig. Ze keek naar de rode toegangsdeur terwijl ze haar rechteroorlel met haar vingers masseerde. Dat deed ze altijd als ze nerveus was. Zo bleef ze een poosje staan. Toen keerde ze bruusk om en wandelde haastig terug. Sindsdien is ze nooit meer in de buurt van de gevangenis gekomen.   Toen ze thuiskwam, haar zoon was bij haar moeder, liep ze naar de kast en nam een vel papier en een pen. Ze plofte neer aan de keukentafel. Haar ellenbogen leunden op tafel, haar hoofd op haar handen. Toen begon ze te schrijven. De woorden kwamen snel op het papier terecht.   Liefste, Ik wilde je vandaag bezoeken. Ik was het echt van plan. Ik stond voor de poort, op misschien enkele meters bij je vandaan. Maar ik kon het niet. Jij begrijpt waarschijnlijk beter dan ikzelf waarom niet. Ik wil je niet zien in de gevangenis. Ik wil me je herinneren als de goede vader die je bent, die zijn zoon een bad geeft. Als de man die me troost. Als de man die me met een oogopslag kan opwinden. Ons bed was deze morgen zo groot, zo koud. Het bed mist je ook. Je zoon heeft al minstens twintig keer naar je gevraagd. Hoe moet ik hem troosten? Dat was altijd al meer jouw ding. Het lijkt of ik alles opnieuw moet leren, maar dan alleen. Ik wacht op jou. Ik bid voor jou. Maar in de gevangenis zal je me niet zien. Veel liefs   Dit was de eerste brief. Ondertussen heeft ze 814 brieven voor hem geschreven. Een voor elke dag. Ze stuurt ze niet op.   Eindelijk landen ze. Buiten staat haar nieuwe vriend hen op te wachten. Hij lacht terwijl hij naar hen wuift. Ze beantwoordt hem met een korte glimlach. Haar zoon loopt naar hem toe en vliegt in zijn armen. Zij zoent hem.   In de auto vertelt hij over zijn job, die hem goed bevalt. Ze komen aan in hun nieuwe huis. In het echt lijkt het nog groter dan op de foto’s. Haar zoon loopt met grote ogen door de kamers. Na de rondleiding steekt ze een paar pizza’s in de oven. Ondertussen kijkt ze naar haar zoon en haar vriend die samen de gigantische palm in de hoek van het salon bewonderen. Ze glimlacht.     ’s Avonds pakt ze haar spullen uit. Ze legt haar kleren in de kast, en vindt onderaan in haar valies de stapel brieven. Ze neemt de papieren in haar hand. Ze loopt naar de vuilbak en opent hem. Ze houdt de brieven erboven. Ze laat ze niet vallen, sluit de vuilbak weer. Ze opent een schuif en legt de brieven erin, helemaal achteraan.    

Anneke
0 0