Zoeken

Tip

Het idool

Na drie maanden elke dag rond te slenteren op diezelfde plek, werd mijn geduld eindelijk beloond en liep ik hem tegen het lijf.   Of misschien moet ik Hem schrijven, met een hoofdletter. Voor een artiest van Zijn allooi is dat wel gepast. Als de bliksem diepte ik een sigaret op uit de zak van mijn leren jasje, stak die op en snelde op Hem af.   De fascinatie was jaren geleden al begonnen. Ik kende Hem wel van Zijn veelvuldige media-optredens, maar had me nooit zeer diepgaand in Zijn oeuvre verdiept. Tot mijn blik viel op één van de columns die Hij voor een weekblad schreef. Daarin las ik dat Hij gestopt was met drinken op de dag dat ik geboren ben, wat een periode waarin Hij dagelijks een fles porto, een fles whiskey en tien pinten consumeerde abrupt tot een einde bracht. Dat, op de dag waarop ik het levenslicht zag. Dit historisch feit bezorgt ons een bijzondere spirituele connectie, een verbondenheid die ik ongetwijfeld met geen enkele andere schrijver zou kunnen bereiken. Meteen wist ik waar mijn toekomst lag: in de letteren, en nergens anders. Nu Zijn haren stilaan zilver begonnen te kleuren, kon ik een gooi doen naar die gouden plak als Jonge Oppergod der Vlaamse Letteren.   Schrijven werd toen mijn nachtelijks ritueel. Daarmee bedoel ik: ik sloeg één van Zijn boeken open op een willekeurige pagina, nam er een stapel papieren en een balpen bij en pende alles letter per letter over. Af en toe aarzelde ik of ik een zin anders zou neerschrijven of een woord zou aanpassen. Gelukkig verdween die twijfel snel uit mijn hoofd. Als Hij het zo geschreven had, moest ik daar niet aan twijfelen. Zijn werk herschrijf je niet. Toen ik besloot dat ik mijn pen voldoende gescherpt had door Zijn voorbeeld te volgen en een volwaardige stap richting meesterschap kon zetten, begon ik aan mijn eigen schrijfsels. Aanvankelijk waren deze zeer autobiografisch geïnspireerd, doch na maanden noest gewroet wist ik dat beschrijvende niveau te ontstijgen en doorwrochte fictie voort te brengen, uiteraard volledig in Zijn onmiskenbare stijl en woordenschat.   Maar om Zijn troon op te eisen, moest ik verder durven te reiken. Er volledig uitzien als Hij, bijvoorbeeld. Het rafelige leren jasje vond ik redelijk snel in de kringloopwinkel. Ook al was mijn zicht perfecter dan dat van een steenarend, toch bestelde ik een bril bij een gedegen opticien. Met vensterglazen, weliswaar, maar met een gelijkaardig montuur als datgene wat op Zijn neus prijkt.   Het kapsel was een ander paar mouwen. Mijn haar woekert redelijk dik op mijn kruin, waardoor de wilde manen die Hem kenschetsen moeilijk te imiteren zijn. Elke dag moet ik mijn haren grondig wassen en regelmatig vraag ik de kapper om de puntjes bij te knippen, anders zou ik er gaan uitzien als een klaploper zonder toekomst.   Uiterlijk is echter niet alles: Zijn volledige levensstijl moest ik de mijne maken. Het nieuws dat Hij plotsklaps een jongedame die vijfendertig lentes minder telde dan Hijzelf Zijn vriendin mocht noemen, sloeg in als een bom. Dat maakte een liefdesleven voor mij volkomen onmogelijk. Mijn muze zou nu dan immers min elf moeten zijn, wat betekent dat zij pas binnen meer dan een decennium geboren wordt en ik dan alsnog, gezien enkele grondwettelijke en strafrechtelijke details, bijna twee decennia zal moeten wachten voor ik me tegen haar aan zal kunnen vleien. Dat maakt de anekdotes over minnekozerij en geslachtsgemeenschap in al haar verschijningen die Zijn oeuvre zo kenmerken, compleet onbereikbaar voor mij. Hij had mij schaakmat gezet. Bijgevolg moest ik kiezen tussen een langdurig celibatair leven, wat compleet andere pennevruchten zou opleveren dan de Zijne, of zondigen tegen Zijn levensloop, en daarmee het risico lopen niet te worden zoals Hij. Uit bittere noodzaak koos ik uiteindelijk voor het compromis: actief ging ik achter het andere geslacht aan, daarbij gebruikmakend van literaire vleierijen van de bovenste plank, maar onbegrijpelijkerwijs tot op heden zonder enig aantoonbaar succes.   De zwaarste dobber bleek echter Zijn voedingspatroon. Ik rekende uit dat Hij op mijn geboortedag zesendertig was geweest. Dat geeft mij op dit moment nog twaalf jaar de verplichting om te drinken. Aan Zijn tempo, uiteraard. Elke ochtend sjok ik braafjes naar de drankenspeciaalzaak om de hoek voor mijn fles porto en mijn fles whiskey, die ik vervolgens in vaste intervals soldaat maak. De tien pinten die het alcoholdieet vervolledigen, sla ik traditiegetrouw in de kroeg aan de overkant van de straat achterover. Elke avond tegen negenen, om precies te zijn. Dan kom ik binnen en heeft de barman mijn eerste horde al klaargezet. Die is uiteraard het moeilijkst, maar daarna ligt de weg open voor een zegetocht die me met elke slok dichter bij Zijn eenzame hoogten brengt. De eeuwige uitspraken van topsporters dat enkel door ijzeren discipline het niveau van hun helden te bereiken valt, gaan dus ook op voor de meest verheven sport van allemaal: de schrijverij. Ook de sigaretten nam ik er dan graag bij. Eeuwige roem is mij meer waard dan mijn gezondheid, en eeuwige roem is immers waarvoor ik geboren ben.   Dit alles had me voorbereid op de ultieme confrontatie: de ontmoeting met Hem. Uit betrouwbare bronnen had ik vernomen dat Hij, mensenschuw als Hij is, of juist te intelligent om contact met stervelingen vrijwillig op te zoeken, één keer gezien was in de centrale winkelstraat van de stad. Dag na dag rookte ik vervolgens mijn sigaretten terwijl ik als de bewaker van kroonjuwelen de straat op en af marcheerde, mijn blik niet gericht op de kleurrijke etalages van de winkelpanden of de historische gebouwen waarin zij gehuisvest zijn, maar op de gezichten van de passanten, voorbereid op het signaleren van Zijn gelaatstrekken.   En dan had ik eindelijk beet. Zonder een woord te zeggen dook ik op voor Hem en keek ik Hem recht in de ogen, niet bevreesd om mijn illustere voorbeeld te ontmoeten. Ik had verwacht dat Hij verbaasd zou zijn, maar integendeel, Hij gaf geen kik. Al wat Hij deed was mij aankijken van top tot teen, een eindeloze seconde lang.   Toen schoot Hij pas in actie. In één vloeiende beweging griste Hij met Zijn linkerhand de sigaret uit mijn mondhoek en vertrappelde die onder Zijn rechtervoet, terwijl Hij met Zijn rechterhand mijn bril afnam en die aan gruzelementen trapte met Zijn linkervoet. Daarna rukte Hij het leren jasje van mijn lijf en hield mijn lange haren samen boven mijn hoofd, als een koppensneller die op het punt stond mij te scalperen. Ik bleef echter onbeweeglijk. Enkel Hij kon oordelen over mijn lot.   Na een volle zwijgzame minuut liet Hij me los en wandelde ervandoor. Even draaide Hij zich nog lichtjes om, om me over Zijn schouder gedag te wuiven.   Ik leid uit dat teken af dat ik nog niet goed genoeg ben. Mijn poging Hem te evenaren zat vol beginnersfouten. Ik heb nu een nieuwe bril besteld, met exact hetzelfde montuur als de Zijne. Ook het jasje krijgt een tweede kans: nu zal ik er één dragen dat zelfs kreuken heeft op dezelfde plaatsen als dat van Hem. En de sigaretten die ik rookte bleken van het verkeerde merk te zijn, net als de whiskey en de porto. Eens ik al die dingen heb rechtgezet, zijn er geen grenzen meer. Op een dag zal ik er staan.   Zijn wegen zijn ondoorgrondelijk.

Felix Sandon
53 0

Gulden Treingedachten

Veel verschil was er niet ten opzichte van andere dagen. De ochtend liep grotendeels zoals gewoonlijk. Thuis maakte hij zijn lunchpakket voor s’ middags, at hij heel snel nog een boterham om niet nuchter naar buiten te moeten gaan en, eens aan het perron, was hij zoals altijd net op tijd om zijn trein te halen. Toen Albrecht eenmaal aan boord ging kon hij zijn ogen niet geloven. De trein had namelijk het interieur van een oude trein, ingedeeld in coupés met een deurtje aan, waardoor het leek alsof elke coupé een eigen kamertje leek te zijn. Albrecht zette zich neer, sloot de deur en nam zoals gewoonlijk een leesboek uit zijn tas. De treinrit naar zijn werk en terug waren de momenten waardoor hij toch nog iets of wat kon opschieten in de vele boeken die hij wou lezen. Maar het leek erop alsof zijn hoofd het hem niet toeliet om te lezen. De hele tijd dwaalde hij af naar buiten, door het raam van de trein. Alsof zijn ogen hem verplichtte om te genieten van de treinrit en de rijzende zon. En prachtig dat die was! Een opkomende winterse zon die de donkerblauwe schemerende hemel geleidelijk aan rood kleurde. Wat het nog meer ontspannen maakte was het feit dat de trein heel traag reed, wat Albrecht helemaal niet erg vond. Hij kwam toch altijd meer dan te vroeg aan en had dus tijd zat. “Heerlijk!” Dacht hij bij zichzelf. En dat was het zéér zeker. De ochtend beginnen met zo’n fantastisch spectakel terwijl de trein op het gepaste ritme met de juiste snelheid reed, doorheen een moment waar genoeg tijd aanwezig was, ingekleurd door het winterse morgenrood van de zonsopgang. Dat soort momenten zijn zeldzaam tot zelfs uniek, en dat wist hij goed genoeg. Het besef daarvan , van de kostbaarheid van tijd, achtervolgde hem dagelijks doorheen zijn drukke leven. Hij werkte veel te veel, veel te veel om  te kunnen genieten van dat soort momenten. Zoveel dat het hem angst aanjoeg om te verzeilen in een periode dat hij niet voldoende tijd meer had voor dat soort vormen van genot en dat hij het grootste deel van de tijd die hij door had gebracht had weggesmeten in het zwarte gat waarmee onze verplichtingen dag in dag uit het grootste deel van onze levens mee absorbeert. Hoe meer Albrecht daarover nadacht, hoe klaarder het werd buiten. De roodkleurige gloed  van het zonlicht werd lichter van kleur, des te hoger de zon rees, waardoor het kleurenpallet aan de lucht werd geleid door een oranjekleurig spektakel van zonnestralen en wolken die er als een gordijn rond hingen. Plots stond de trein stil midden in een weiland. Even leek hij te denken ‘waar zijn we ergens?’ maar die gedachte werd gauw weg gefilterd als hij doorhad dat hij daar dagelijks voorbijreed. Het zag er alleen anders uit, een andere plek. Verdwaald was hij niet. De trein moest waarschijnlijk gewoon een andere trein doorlaten. “Maar toch zo anders…” bleef Albrecht verwonderd. Was het de stand van de zon, of het feit dat de bomen daar op het weiland kaal waren, of de combinatie van de twee, hij wist het niet. Hij wou het ook niet bepaald weten. Albrecht wou alleen dat hij dat beeld van hoe het weiland er op dat moment uitzag kon hebben. Niet hoe het er op andere dagen hetzelfde uitzag, maar hoe het er op dat moment anders uitzag. En als het mogelijk was, op andere momenten, als het er hetzelfde uitzag, dat wou hij dan ook hebben. Datzelfde beeld, maar dan op het hoogtepunt van zijn pracht in alle mogelijke delen van de dag, de tijd en de seizoenen. Maar het was niet puur de schoonheid van de beelden die hem dat deden verlangen en dat werd al snel duidelijk toen de trein stilletjes aan begon verder te rijden. Toen de trein dichter bij de volgende halte kwam werd het uitzicht ineens sterieler. Ontdaan van de glorie die Albrecht er niet lang daarvoor nog in vond. De gebouwen die de bomen vervingen en de meerdere passagiers die hij zag opstappen maakte een eind aan de vrede. Er was een zekere warmte rond het eigenlijke heen gesluierd. Dat had hij door toen het ineens kouder begon te lijken. Men had kunnen zeggen dat het kwam doordat de lucht klaarder aan het worden was, maar dat was het niet. Het was niet louter een gevoel of iets visueels. Albrecht realiseerde zich dat wat hij nog niet lang daarvoor allemaal verlangde, voornamelijk werd veroorzaakt door vergangkelijkheid. Diezelfde drang waardoor fotografen de nood hebben om momenten vast te leggen. De angst om dat moment kwijt te raken. Al dat mooie van voordien lag allemaal te ontbinden in de dieptes van zijn geweten waardoor de details die het zo volledig maakte verdwenen in het proces en enkel de gevoelens, gemoedstoestand en gedachten die hij toen, in dat heden had, de kern van de herinnering eraan vormde. Het was weg. Het was verdwenen en het kon nooit meer terug komen. Ook al waren de plekken waar hij langs voorbij reed op dat moment ook mooi, toch deden ze hem niets. Albrecht was bijna aan zijn halte en had het gevoel alsof dat hij iets verloren had gedurende de treinrit. Dat gevoel was zijn grootste angst, de angst die gepaard ging met dat constante besef van hoe kostbaar tijd wel niet was en hoe weinig hij zijn tijd wel niet kon vullen met pracht in plaats van verplichtingen. Het vreugdevolle dat zijn gemoedelijkheid versierde leek verdorven te zijn en Albrecht stapte, eens aangekomen aan zijn halte, af met een leeg en teleurgesteld gevoel.     Hij was niet kwaad toen hij naar zijn werk stapte. Het was eerder een kwestie van de nostalgie te weten opvatten. De dageraad had al eventjes de toon gezet waardoor het een prachtige, zonnige winterdag leek te worden. “Moest het niet zo zonnig zijn…” dacht Albrecht “…en in plaats daarvan grijs, dan zou ik me vast ellendig gevoeld hebben.” En dat klopte, want het door de zon overgoten dak die boven hem hing was dan ook de ruggengraad van zijn humeur. Hierdoor kon zijn geest de duisternis die hij iets daarvoor aanschouwde gelukkig niet voldoende visualiseren. Want het was die duisternis die dat prachtige heden, toen hij vertrok op de trein, helemaal vernietigde en ervoor zorgde dat hij de schoonheid ervan niet voldoende wist te voelen omdat de angst van de sterfelijkheid ervan groter was en had geprevaleerd over de kern die het kneedde tot wat toen enkel nog maar een herinnering was.    

IL. Martius
0 0

Toen roken nog heel normaal was

‘Ga je dat eten?’ vraagt het meisje.  ’Nee, hoor. Ik rol een sjekkie.’  De oude man is bijna klaar. Hij likt met zijn tong het vloeitje dicht. ‘Doe je dat in je koffie?’ ‘Het is geen suiker!’  De oude man steekt zijn sigaret op. Hij neemt een trek.  Hij zuigt zijn wangen naar binnen.  Alsof er een stofzuiger in zijn mond zit.  Net als bij de knuffels van het meisje wordt zijn gezicht vacuüm gezogen. ‘Jij hebt de kleinste koffie.’ Het meisje wijst naar zijn kopje en schoteltje.  ‘En hij heeft de grootste koffie.’  Nu wijst ze naar de medewerker van de snackbar. Hij drinkt zijn koffie uit een mok. ‘Hij heeft een grote mond!’ klaagt de oude man.  ‘En hij draagt een rok!’ grinnikt het meisje. De medewerker draagt een schort met het logo van de snackbar. De oude man lacht. ‘Hoe heet je?’  ’Jaap. En jij?’ ‘Yoshino.’ ‘Jordijn?’ ‘Nee, Yoshi-no.’  ‘Joshi-mo?’ ‘Nee. Yoshi-no.  NO.’  De oude man shudt met zijn hoofd. Wat een moeilijke naam. Hij heeft geen Engels geleerd op school. ‘Meisje, eet eerst je mond leeg.’ Het meisje neemt een lik van haar ijsje. Ze morst op haar nieuwe T-shirt. De moeder veegt de plek weg met een servet. ‘Hoe oud ben je meisje?’ ‘Ik ben drie. Ik word vier. Dan ga ik naar de basisschool, he mam?’ De moeder knikt. ‘En wat wil je later worden?’ ‘Niks.’ ‘Dat is het beste!’ zegt de oude man. ‘Eet nou maar snel je ijsje op voordat je helemaal onder zit!’ zucht de moeder. Het meisje likt alsof haar leven er van af hangt. De oude man neemt nog een trek van zijn sigaret.  ‘Straks heeft hij geen lucht meer in zijn longen,’ denkt de moeder bezorgd. 

Margaretha Juta
30 0
Tip

Stalkster

Verlies de controle. Omarm hem met heel je zijn. Google zijn naam. Daar verschijnt zijn foto. Klik. Zijn oprechte lach, alleen voor jou. Zijn ruwe krullen, waarvan de aanraking nog nazindert op je wang, uit de tijd dat je nog keuze had. Alsof je die ooit had. Zijn wit linnen hemd onder zijn beige linnen kostuum, dat een gesofisticeerde authenticiteit uitstraalt zoals alleen hij die heeft. Het is een stijl waar niemand mee weg komt, behalve hij. Alsof het uitmaakt wat hij draagt.   Klik. Hij doceert in Antwerpen, Leuven, Brussel, Amsterdam, Parijs. Parijs, waar hij gedichten schreef in Boulevard Jourdan. Alsof je wist dat ik die las. Parijs, waar jij jezelf verloor in Musée d’Orsay. Toen er nog te ontdekken viel.   Zijn thuisbasis blijft Gent. Gent, waar alle opties nog open lagen. Waar je naar hem verlangde in je kamertje. Waar je jezelf overwon en naar hem toe stapte. Hem sprak, minutenlang. Op de trappen van Blandynberg. Op de harde houten stoelen in de Universiteitsstraat. In de met mozaïeken betegelde gangen van Ledeganck. Aan de schuifdeuren van de supermarkt in Overpoort.   Gent, waar hij zijn arm om je sloeg, een minuut lang. Waar zijn lippen een seconde bereikbaar leken. Waar hij naar je zwaaide vanaf de overkant van de straat. Waar je jezelf geen houding wist te geven. Je hoofd draaide. Waar hij je geruststelde. Zei dat je je niet hoefde te schamen.   Maar de schaamte bleef. Was sterker dan jezelf. Overheerste je. Overmande je. “Hier scheiden onze wegen,” zei je gekscherend. Maar ik interpreteerde het letterlijk. Zelfs nadat je me opbelde, met een smoes over de titel van je thesis. Zelfs nadat je mijn naam riep aan Dampoort station.   Klik. Verlies de controle. Omarm hem met heel je zijn. Google zijn naam. Daar verschijnt zijn foto. Klik. Zijn oprechte lach, alleen voor jou. Druk zijn beeltenis af, bewaar ze in je portemonnee. Alsof hij altijd bij je is. Alsof het ooit anders zou uitdraaien.

het stille meisje
57 4

Claustrofobie

‘Ben je zeker dat het hier is?’, vraagt Pieter aarzelend. ‘Ja hoor. Ga maar naar binnen.’ Haar geruststellende lach kan hem niet volledig overtuigen. Twijfelend stapt hij de verduisterde kamer binnen. ‘Ik zie geen hand voor..’ Met een klap slaat Claudia de deur dicht en doet ze op slot. ‘Hey,’ roept Pieter stomverbaasd, ‘wat doe je? Dit is niet grappig!’ Tastend vindt hij de deur. Hij wringt de deurknop wild op en neer. ‘Komaan Claudia, doe open.’ Geen antwoord. Paniek vult zijn hoofd. Zweetdruppels parelen aan zijn voorhoofd. Verdorie, ze weet toch dat ik bang ben in kleine ruimtes. Hij zoekt een lichtschakelaar. Niets. Mijn gsm, denkt hij, ik kan de zaklampfunctie van mijn mobiele telefoon gebruiken. Het licht schijnt op de stenen muren. Ongeduldig richt hij zijn telefoon op alle hoeken van de ruimte. Een afgedankte zetel. Een open kast met oude boeken. Aan de muur hangt een poster van Kate Bush. In haar open mond een sleutel, die ze met een kus wil doorgeven aan een man. Op de muur er tegenover dezelfde foto. Moet ik een sleutel vinden, vraagt hij zich angstig af. Nerveus begint hij te zoeken. In de zetel. Eronder. In de kast. Niets. In de hoek van de kamer ziet hij een pop. ‘Ja,’ roept hij opgelucht wanneer hij de sleutel in haar mond vindt. Bevend zoekt hij het sleutelgat.  Opluchting wanneer hij de deur opent. Met een knal vliegt de kurk uit de champagne fles. ‘Surprise! Gelukkige verjaardag, Pieter!’, roepen zijn vrienden in koor.

Johnny
0 0

Brief aan mijn baasje

Liefste baasje,   Met dit briefje wil ik je laten weten dat ik je ontzettend dankbaar ben omdat je me adopteerde. Je bent het liefste baasje van de wereld. Hoe mijn vorig baasje in Spanje eruit zag, ben ik vergeten.  Ik herinner me nog wel de laatste dag dat ik hem zag. We gingen wandelen in een bos en hij bond me vast aan een boom. Hij zei dat hij er spijt van had en dat ik daar moest blijven. Ik dacht dat het een spelletje was, dus ben ik braaf op hem blijven wachten. Maar het werd donker en hij kwam niet terug. Ik denk dat hij me vergeten was. Ik werd bang en begon te janken. Gelukkig had een mevrouw me gehoord. Ze zei wel mijn naam verkeerd want ze noemde mij ‘arm dier’. Ik was opgelucht want ze maakte me los en ik mocht met haar mee. Ik vroeg haar of ze me naar mijn baasje wilde brengen maar dat deed ze niet. Ik was er zeker van dat hem iets was overkomen. Ik kan me niet voorstellen dat iemand zijn trouwe hondje alleen achterlaat. De lieve mevrouw bracht me naar een plaats waar nog andere honden zaten, die ook hun baasje niet meer terugvonden. Niettegenstaande dat de verzorgers heel lief voor me waren, wilde ik toch naar huis. Ik weet niet hoelang ik in het asiel, zoals ze het noemden, ben gebleven maar op een dag vertelden ze me dat ik geluk had. Dat ik naar een nieuw baasje mocht gaan. Ze hebben me samen met mijn speeltje in een kooi gezet. Ze brachten me naar een grote ijzeren vogel. Zijn buik ging open en hij liet me met hem meevliegen. Toen ik uit de vogel kwam, stond je te wachten en je nam me mee naar mijn nieuwe huis. Ik was blij want ik zag meteen aan je ogen dat jij mij nooit in een bos zou achterlaten.   Jouw hondje, Phoebe

Johnny
287 0

De ninja mag mee

Donderdagnacht De bondscoach neuriet een triomfantelijke melodie terwijl hij in zijn tricolore cabriolet over de donkere snelweg rijdt. Vannacht hebben de hoge heren van de voetbalbond zijn contract met twee jaar verlengd tijdens een copieuze maaltijd in het duurste restaurant van het land. Het is een onverwacht teken van vertrouwen en geeft hem de ruggensteun die hij nodig zal hebben wanneer hij over een paar dagen zijn selectie voor het levensbelangrijke toernooi in Rusland zal bekend maken. Hij zweet een beetje en er komt een ongemakkelijk gevoel op in zijn buik. Die Coupe Brésilienne als afsluiter van het diner was een overmoedige keuze. Terwijl de zoetigheid pruttelend begint te gisten in zijn maag, komen ook in zijn hoofd de zorgen bovendrijven. Hij mag dan wel blij zijn met zijn nieuwe contract. Door een groot en luidruchtig gedeelte van de publieke opinie zal het nieuws minder enthousiast onthaald worden. Als Spanjaard is hij nooit populair geweest bij de supporters van de Rode Duivels. De Belgen zijn van nature achterdochtig tegenover elkaar, maar meer nog tegenover buitenlanders. Van zijn vrouw mag hij de commentaren op sociale media niet lezen, maar hij doet het toch. Elke trainer doet dat, gelooft hij. Het is één aspect van het martelaarschap dat bij de job hoort. Het is je plicht de vlaag op te vangen. Je offert je persoonlijke rust op voor de glorie van je club. Of je land. Of, zoals in zijn geval, een ander land dat wil betalen. Daar zullen morgen weer honderden giftige reacties op alluderen: op dat betalen. Dat het toch ongehoord is, één miljoen. Voor een Spaanse toerist die er niets van bakt. Dat de man in de straat het voor een honderdste van dat bedrag twee keer zo goed zou doen. De bondscoach huivert al bij de gedachte aan de verwensingen die hij een paar dagen later ongetwijfeld over zich heen zal krijgen wanneer hij de selectie bekendmaakt. Dan zal hij de man in de straat pas echt op de lange tenen trappen. Hij heeft immers beslist dat de ninja niet meegaat. De ninja is de populairste speler onder de fans. Het is geen slechte voetballer, maar de bondscoach kan hem niet luchten en daar heeft hij goede redenen voor. De ninja komt steevast te laat aan op training, werd al verschillende keren betrapt toen hij in een verborgen hoek van het stadium stiekem stond te roken en heeft de vervelende gewoonte om elke zin die hij uitspreekt met een knallende wind te besluiten. Een gestampte boer. Daar houdt de bondscoach niet van en daarom gaat hij niet mee naar Rusland. De fans zullen woest zijn en hij zou veel krediet winnen door hem wel mee te nemen, maar zijn besluit staat vast. De bondscoach wil geen flatulentie in het team.   Een slokje water en de koele wind over zijn kale schedel verdrijven de misselijkheid. Op de radio begint een nummer van The Clash dat herinneringen oproept aan zijn tijd in Engeland. De bondscoach draait het volume luider. Go straight to hell, boy lipt hij dromerig mee tijdens het refrein. De muziek brengt hem in een meditatieve toestand waaruit hij bruusk wordt weggerukt door het naderende geluid van sirenes. Een combi scheert langs zijn linkerflank. Aan de andere kant wordt hij bijna geramd door een slingerende bestelwagen. Er klinkt een schot. De kogel zoeft net voor zijn neus en boort zich door het raam van de bestelwagen. De coach gaat vol in de remmen. Tientallen dolle politiewagens razen met gierende banden langs weerszijden van zijn gedeukte sportwagen voorbij en rijden zich even verder tegen elkaar te pletter. De bondscoach haalt adem. Hij is ongedeerd. 'There ain't no asylum here. King Solomon, he never lived around here. Go straight to hell boy.' klinkt het net voor hij de contactsleutel omdraait en verbouwereerd uit de wagen stapt.De agent die op hem afkomt trekt grote ogen wanneer hij ziet wie hij voor zich heeft. In Jommekesspaans verontschuldigt hij zich voor de situatie waarin de trainer van de nationale voetbalploeg is terechtgekomen en hij gaat verder in het Vlaams. 'Stel je voor: Frank had je bijna neergeknald. Het scheelde geen haar, maar hij heeft niets geraakt. Dat was ook niet de bedoeling, zegt hij. Het ging per ongeluk. De kogel is zoek. Verdwaald als het ware.' De man is helemaal van de kaart, net als zijn collega's die over de breedte van de rijbaan verspreid staan. Enkele van hen halen een groepje mensen uit de bestelwagen. Het zijn vluchtelingen uit het Midden-Oosten. Plots ontstaat er commotie. Er wordt geroepen en gevochten. Een gepijnigde oerkreet maakt iedereen stil. De bondscoach kijkt naar de bestelwagen en ziet een jonge vrouw met een bloedend kind in de armen. Ze schreeuwt haar onmacht uit. Een agent neemt het kind af. Een andere houdt de huilende vrouw op afstand. De vluchtelingen worden geboeid naar een bestelwagen van de politie overgebracht. In trance gaat de bondscoach dichterbij. De wild om zich heen slaande moeder wordt als laatste in de combi geduwd. Hij ziet nog hoe ze beide armen uitstrekt en hem smekend aankijkt voor de deur met een brutale klap wordt dichtgegooid en de wagen met loeiende sirenes vertrekt. De agent die het kind in de armen houdt, weet zich geen raad meer. Hij geeft het kleine, slappe lijfje door aan de bondscoach. 'Hou jij dit even vast? Ik kan maar beter een ambulance oproepen. Miserie, miserie.' Het is een meisje. Haar kleedje is besmeurd met bloed. De helft van haar gezicht is aan flarden geschoten. Ze maakt geen geluid. Ze ademt niet. De bondscoach omhelst het dode lichaam, drukt het met al zijn kracht tegen zijn borst en laat zich op de knieën vallen. Hij laat zijn tranen de vrije loop, wil schreeuwen, maar er komt geen geluid. Wanneer de ambulance het lijkje komt ophalen is de bondscoach een andere man geworden. Zijn plannen zijn gewijzigd. Zijn missie is bijgesteld.     Maandagmiddag De persconferentie begint met het geruststellen van de journalisten: de ninja gaat mee. Een zucht van opluchting gaat door de kamer. Maar wanneer de bondscoach de andere tweeëntwintig namen opsomt reageert de zaal onthutst. Het zijn een voor een namen die ze nog nooit gehoord hebben. 'Wie? Waar speelt die?' Er ontstaat onrust in de zaal. De journalisten begrijpen er geen snars van, maar dan legt de bondscoach het uit: 'Dit zijn niet de namen van professionele voetballers, maar van mannen die hun land ontvlucht zijn en in het asielcentrum bang wachten op nieuws. Geen van deze spelers heeft op dit moment de Belgische nationaliteit, maar de minister heeft me beloofd dit zo snel mogelijk in orde te brengen, zodat ze samen met jullie geliefde ninja de eer van ons land kunnen verdedigen op het wereldkampioenschap. Ik weet het. Er zullen jongens teleurgesteld zijn. Ik kon kiezen uit honderden fitte gasten die hopen op een kans. De volgende keer neem ik tweeëntwintig andere jongens mee. De ninja zal er dan uiteraard ook weer bij zijn. Die kan ik niet laten vallen. Dames en heren van de pers: ik dank u.' Met een korte knik neemt de bondscoach afscheid. Zonder omkijken verlaat hij de perszaal. De stortvloed aan vragen klinkt als een ver en onbelangrijk geruis.   24-27/05/'18    

tijl
0 0

Fatal Error: Call to undefined function: hateProgrammers();

Mensen hebben een hekel aan programmeurs. ‘Programmeurs’, vraag je misschien, wat zijn dat? Programmeurs zijn degenen die bandjes en toneelgezelschappen boeken door ze op het ‘programma’ te zetten. Er zijn ook programmeurs die computers vertellen wat ze moeten doen; ze maken ‘software’. Over die tweede categorie wil ik het hebben.   De softwareprogrammeur is een variant van de menselijke soort die rond de jaren vijftig ontstond, decennia niet werd opgemerkt en nauwelijks enige status had, maar sinds de intrede van de personal computer in ons dagelijks leven en de komst van internet enorm belangrijk is geworden. Wat een langdradige zin, denk je. Inderdaad, ik moet me verontschuldigen. Word niet meteen boos vanuit de verwachting dat dit een verhaal wordt over iemand met wie je je niet kan identificeren. Dit is juist het punt dat ik onder de aandacht breng, de programmeur roept een afwerende reactie op. Maar oppervlakkig beschouwd is daar geen reden voor. Kom je in het voorbijgaan op straat een software programmeur tegen, of zit er een naast je in een wachtkamer, dan is er niets aan de hand. Fysiek zijn programmeurs ongevaarlijk. Meestal zijn ze niet indrukwekkend; ze zijn klein, mager of juist dik. Ze krijgen onmiddellijk een verklaring van goed gedrag. Programmeurs met een strafblad zijn zeldzaam, en als ze dat al hebben, zijn ze de bak in gedraaid vanwege een hack bij een bank, en zeker niet vanwege een roofmoord. Ook op feestjes zal de software programmeur geen ergernis opwekken. In tegendeel, hij vormt een welkom contrast met de extraverte alfa-mannetjes. Omdat programmeurs geen succes bij de vrouwen hebben, zoeken ze elkaar op om over het nieuwste software framework te praten, of de voor- en nadelen van de ene computertaal met de andere te vergelijken. Mocht een programmeur wel een vriendin hebben, dan is hij daar zo opgelucht over dat hij niet met andere vrouwen flirt, uit angst zijn kostbare schat voor het hoofd te stoten. De programmeur schittert in zijn bijdrage aan de economische groei. Als er één soort mens is dat zijn arbeidsloon dubbel en dwars terugverdient, is hij het wel. De programmeur maakt hordes werknemers overbodig, zodat het bespaarde salaris van de uitgestotenen weer ten goede komt aan het bedrijf waarvoor hij zijn kunsten verricht. Nu komen we dan toch bij het heikele punt waar ik op aanstuur. Mensen hebben een hekel aan programmeurs. Ik herhaal het nog maar even. Dan weet je zeker dat je het goed hebt gelezen. Aan wie heb jij een hekel? Waarschijnlijk haat je de politieagent die je bekeurt omdat je verkeerd geparkeerd staat en die niet luistert naar je tegenwerping dat er nergens in deze wijk voldoende parkeerruimte is, dat de gemeente rekening moet houden met de bewoners, dat… enz. Nee, niks mee te maken, de agent geeft je een bon en wenst je daarna nog een prettige dag. Vooral dat laatste; om uit je vel te springen. Wat denkt zo’n kerel. Dat je dag nog prettig kan zijn? Om dezelfde reden hebben mensen een hekel aan software programmeurs. Niet hun fysieke gestalte is daarvan de oorzaak, niet hun gedrag in het dagelijks leven of op feestjes, nee, het is de macht die de programmeur via zijn kunsten uitoefent, en die jou, normaal mens, je onvermogen doet beseffen. Zodra je op je werk komt en je de computer aanzet, begint de ellende. Het is alsof je door een doolhof van benauwde straatjes met rare hoekjes en doodlopende steegjes ploegt, door een netwerk van mijngangen en kloven dat de programmeurs voor je hebben bedacht. Elke zoveel minuten zoek je naar de volgende afslag, moet je je weer terug-klikken op je schreden of rondvragen op Google, hopend op antwoord van een andere, tijdelijk verlichte, medegebruiker. De vorige keer kwam je er nog, en nu wil dat ene weggetje, die ene combinatie die de deur opent, je niet meer te binnenschieten. Ondertussen draait je horloge door. Elke dag begeef je je opnieuw in dat digitale doolhof en de dood komt steeds dichterbij. Het zandlopertje dat je vertelt dat de computer het moeilijk heeft, omdat de programmeur hem teveel werk geeft, benadrukt dat nog eens. Telkens raak je stukjes van je leven kwijt die anders besteed veel zinvoller waren geweest. En opeens zijn dan onverhoeds de schermen veranderd, omdat een of andere programmeur aan de andere kant van de wereld het tijd vond voor een ‘update’. Zodra die update de computers bereikt, verliest de wereld tienduizenden mensuren aan gezoek naar de knop om een woord cursief te maken. De computer zuigt je leven op. Neem dat maar letterlijk.   De software programmeurs hebben zich de afgelopen jaren als insecten vermenigvuldigd, en vormen inmiddels een plaag die de samenleving van binnenuit leegvreet. Straks hebben alleen programmeurs nog een baan, en staan de niet-programmeurs toe te kijken hoe de programmeurs de maatschappij overnemen. De haat is wederzijds; de programmeur heeft ook aan zijn prooi, de gebruiker, een hekel, maar dan vaak onbewust. Van jongs af aan als sukkelige nerd genegeerd door meisjes, in wandrek en klimtouwen door gymleraren gemarteld en altijd als laatste gekozen bij teamsporten, neemt de programmeur nu wraak. Geen wraak wordt zo koud gegeten, en zo langdurig genoten als de wraak van de nerd. Er zijn films over gemaakt die uitgebreid uit de doeken doen hoe het lelijke eendje in een zwaan verandert. De nerd trekt heden ten dage aan het langste eind, omdat hij een nieuw stadium in de evolutie vormt; de afronding van het Darwinistische project; de complete overwinning van het intellect op de spierkracht. Toch heeft de ‘broeifase’, zo noemen we het maar even, – de ellendige periode tussen kindertijd en volwassenheid -, onze nerd zo onzeker gemaakt dat dit motief zijn verdere leven volledig beheerst. Eenmaal tot programmeur verpopt, is de oorspronkelijke nerdlarve nog volop aanwezig. Inmiddels gepanserd met een ondoordringbare maliënkolder van variabelen, classes, multidimensionale arrays, booleans, if-elsen, while-loops, for-loops en encapsulated strings, injecteert de programmeur zijn slachtoffers met een verlammend gif, genaamd: ‘onbegrip’. Zijn slachtoffers – de directe slachtoffers noemt de programmeur ‘klanten’ -, hakkelen tegen de programmeur hun ideeën. Hij komt mondjesmaat tegemoet aan die wensen die hij ‘user stories’ noemt, want gewoon Nederlands verstaat en schrijft de programmeur nog slechts met moeite. Onderwijl spint hij de klant in in een web van programmeercode waaruit niet meer te ontsnappen valt. Hij is uiteindelijk de enige die de software begrijpt waar de klant volledig van afhankelijk is. Tot het uiterste getergd zoekt de klant soms zijn heil bij een concurrerende programmeur. Die doet het werk van zijn concurrent onmiddellijk af als rotzooi, en dwingt de klant opnieuw te beginnen met een systeem dat zo mogelijk uit nog meer spaghetti bestaat dan dat van zijn voorganger. Tijdens dit uitmelkproces is de programmeur zelf niet onkwetsbaar. Ook wespen die hun eieren in een spin leggen komen er niet vanaf zonder vleugelscheuren. Soms laat de programmeur een steek vallen. Een geniepig regeltje code gaat dwarsliggen en opeens is er een complete database in het niets opgelost, liggen er duizenden privégegevens voor het grijpen, kan niemand meer inloggen of wordt er een miljoen op willekeurige bankrekeningen gestort. Op zo’n moment heeft de programmeur hartkloppingen en staat de doodsangst op zijn gezicht. Zodra hij zijn fout in de gaten krijgt, begint hij met het verzinnen van een alibi. Omdat niemand anders begrijpt wat het probleem heeft veroorzaakt, komt de programmeur er eenvoudig mee weg. Dagenlang ligt een bedrijfsnetwerk plat door een foute doorverwijzing, een raket ontploft omdat een nul eigenlijk een één had moeten zijn, maar niemand sleept de programmeur voor de rechter. Een bankmedewerker die miljoenen verliest staat een wreder lot te wachten dan de programmeur die gelijke schade veroorzaakt.   Je zal gemerkt hebben dat ik tot nog toe over de programmeur in de ‘hij’-vorm heb gesproken. Maar er zijn toch ook vrouwelijke programmeurs, merk je op. In zo’n geëmancipeerde samenleving als de onze kan het niet anders dan dat ook veel vrouwen dit ‘eerzame’ beroep uitoefenen. Ik moet je helaas teleurstellen. Vrouwen voelen zich niet aangetrokken tot dit vak. Het oplossen van logische problemen ervaart de mannelijke programmeur als de ultieme uitdaging, maar fascinatie met logica is niet het ding van vrouwen; misschien bestaat dit idee zelfs niet voor hen. Ga eens op een afdeling met programmeurs kijken, en je hoort enkel het geklak van toetsenborden. Maar steek je hoofd om de hoek van de kamer ernaast, waar de secretaresses zich ophouden; het gekwetter van een volière valt erbij vergeleken in het niet. Over groepsgedrag gesproken; ik wekte de indruk dat de programmeur een individualist is die altijd solitair zijn ding doet. Dat geldt voor de oudere programmeurs, maar niet voor de jonkies. Veel bedrijven houden er nesten jonge programmeurs op na, die zoet worden gehouden met bedrijfslunches, laptops van de zaak, leaseauto’s en veel schermen op hun bureau. De sfeer van een cultus wordt zorgvuldig gekoesterd (‘hier werken wij met de coolste nieuwe technieken’), zodat de programmeurs worden bevestigd in het idee dat ze helemaal hip en stoer zijn. Dankzij deze hersenspoeling is hun geest volledig bedrijfsbezit en wordt met hun software flinke winst gemaakt. Is de programmeur uiteindelijk, na een lang uitgerekte adolescentiefase, toch volwassen geworden (rond het 45ste levensjaar), dan past hij niet meer in dit soort nesten. De programmeur heeft het niet meer kunnen bijhouden, al die coole nieuwe technieken, en wordt dagelijks bedreigd door jonge mannetjes die zijn alfa-positie als ‘senior’ proberen weg te snaaien. Net als oude gorilla’s verlaat hij zijn roedel om de rest van zijn leven als free-lancer solitair zwervend door te brengen. Het samenleven is onmogelijk geworden met de jonge honden die op de meest kinderachtige manieren naar de nesten werden gelokt middels vacatures als: Dagelijks verzorgde rijk uitgeruste gezamenlijke lunch met vers brood, beleg en diverse salades. Sportieve buitenactiviteiten en een wekelijkse borrel! Onze in-huis BierBot zorgt dat we dit nooit vergeten! Is coderen jouw middle name? Heb jij een passie voor innovatie? Wij zijn op zoek naar een Absolute ontwikkel eindbaas! Wil jij hier deel van uitmaken? Grijp nu je kans! De hoeveelheid uitroeptekens in programmeur-vacatures spreekt boekdelen. Daar wil jij ook bijhoren!   Ja, bijzonder zijn ze, die software-programmeurs. Als een geruisloze invasie van buitenaardse wezens, zo hebben ze zich onder ons begeven, en ontplooien ze nu hun schimmige activiteiten, met als doel de wereld voor de aardbewoners permanent onbewoonbaar te maken.

Vincent Baumgart
33 0

Rusthuis 'Welverdiend'

In rusthuis ‘Welverdiend’ heeft men van die dagen. Met zijn allen aan tafel, lusteloos in slappe koffie een lepeltje draaien, iets mompelen tegen de muren. ‘Waar is de suiker?’ Windstilte. Men moet besparen. Tijdens vergaderingen in bureelcontainers gebeurt nèt hetzelfde. Alleen schuift daar de dood mee aan.   Iemand tikt met een pen op tafel. Men gaat het hier eens gaan zeggen. Er wordt over en weer geschuifeld met stoelen, een slaafje raast rond met een dienblad, posities worden ingenomen en na wat schikken krijg je zoiets als ‘de Kruisdraging’ van Jheronimus Bosch. Er scheelt iets met de vrouw die tegenover mij zit. Haar mond trekt scheef, ze tokkelt zenuwachtig op tafel, zoekend naar een plaats in het schilderij. Het bleke licht aanwezig in de container bevalt haar niet. Het is wringen en wurmen. Men moét en zal de suggestie oproepen midden in de compositie te staan. Ik ken iemand die een volledig gezin heeft uitgemoord, om zo op de voorpagina van een de krant te belanden. Hij kreeg slechts een voetnoot. De krant belandde in de kattenbak.   Uiteindelijk neemt iemand het woord en de suiker. Het is die vrouw. Het is me een raadsel met welke gigantisch vermogen iemand kan raaskallen, maar het kan, want daar staat ze, klontjes plettend in de koffie. Ik vertrouw geen mensen die het woord nemen, uit de verpakking rukken en ermee smakken. Dat staat niet. Met het woord dien je voorzichtig om te gaan. Draai het eerbiedig uit het papiertje. Behandel het zoals nederige diensters  de Engelse kroonjuwelen in the Tower opblinken. Kniel. Kruip in het stof. Zij begint te kraaien. Ze gaat het hier eens gaan zeggen. Ik zet me schrap. Gewikkeld in een toga orakelt ze over het bezitten van gewichtige informatie ‘want ik heb een directe lijn met de onderzoeksrechter en die is àltijd vriendelijk tegen mij’. Ik dacht: ‘Hij zou beter je hoofd afslaan. Zou niet misstaan op een Bosch-schilderij.’   Ik verliet murw en plat geslagen de vergadering waar ik als oud-legionair was op uitgenodigd. Màànden eerder had ik, met respect voor het woord, gewichtige informatie op dezelfde tafel gegooid. Ik ben slechts een versleten soldaat. Men had alleen oog voor het slaafje en de koffiekoeken die ze aanbood. Het woord kwam onder tafel terecht en iemand schopte het in een hoek. Nadien is de poetsvrouw langs geweest.   Dat woord werd me halsreikend toegestopt door de kleine Sunny. Hij kan als geen ander praten en ik luisterde. Ik luisterde héél aandachtig. ‘Ik ben zo bang voor wat komen gaat, meester.’ Ik hakte zijn woord erin, als een slagzwaard. Het ketste af op de pantsers. Sinds negen april is de kleine Sunny verdwenen. Vanaf die dag heb ik mijn oud uniform van het Negende Legioen weer opgediept. Het knelt, snijdt in mijn adem en drukt op mijn stijve knoken en dat al tweeënveertig dagen lang. Ik ben niet om aan te zien, mijn plaats is in rusthuis ‘Welverdiend’. Maar, het Negende geeft zich nooit over en sterft staande. Ik zal een kaartje sturen van op het slagveld.   River 20 mei 2018

River
0 0

Oma denkt dat ik doof ben

  Inzending wedstrijd met opdracht : maak van een 6-woord een 500-woord verhaal.   Uitbundig vieren wij  haar verjaardag.   Vijfentachtig wordt ze.  De jonge dokter, die ze consulteert omdat hij ‘een zo knappe kerel is’, taxeert haar conditie op ruim vijftien jaar jonger.   Oma Lidy is nog een prompte dame.  Aan vrienden toonde ik haar jeugdfoto’s  bewerend dat zij mijn vriendin was. Dat is niet gelogen, want wij hebben  een zeer vriendschappelijke band.  Ze staat er op dat ik haar tutoyeer. In een boek over een adellijke familie las ze ooit dat grootouders zich in die kringen altijd met de voornaam laten aanspreken.  Zij gebruikt steevast  het troetelnaampje dat ze voor mij bedacht toen ik baby was: ‘Bobolino’.  Inmiddels bebaard met een nochtans zwarte kinbegroeiing  begroet ze mij steeds  met: ‘Bobolino amore, mio Barbarossa!’   Destijds rookte ze, niet voor het roken zelf, maar om te pronken met haar lange sigarethouder,  zoals Hepburn  in ‘Breakfast at Tiffany’fs’.   Net als Audrey  bezit Lidy die geïncarneerde elegantie. Ze is altijd welgezind, wat haar jeugdig voorkomen extra in de verf zet.   Glanzend hagelwit geworden zijn haar naar sprookjes refererende  ravenzwarte haren van weleer, voor deze gelegenheid opgestoken door een kapster: ‘je kan ook niet voor alles op jonge goden een beroep doen’.   Het kapsel past perfect bij de wijnrode fluwelen outfit die ze zich voor haar 85 lentes  heeft  aangeschaft.   “Het staat je beeldig, Lidy”, zeg ik. “De prix neggens voor begemmen ”, antwoordt ze. “Wat zei je nu?” vraag ik. “De prix neggens voor begemmen”, zegt ze opnieuw. “Oma, ik versta er echt niets van”, zeg ik. “Oh, gaan we het zo spelen.  Ben ik nu plots jouw oma omdat jij doof begint te worden”, zegt ze verbijsterd. “Sorry Lidy, maar ik versta je niet”, antwoord ik beteuterd. “Laat maar Bobolino , haal nog een drankje.”   Ik druip af op zoek naar een glaasje ‘ premier cru brut ’ die ze in de  supermarkt op de kop heeft getikt.  Met hangende oortjes overhandig ik haar de bubbels. “Echt, schat, je moet jouw oren laten nakijken”, zegt ze bezorgd. Dan ziet ze mijn bedrukt gezicht, heft haar glas en vraagt:  “Hoe vind je mijn nieuwe ontdekking? Du Champagne Veuve Hémard!” “Lekker”,  stamel ik. “En ken je de voornaam van de man zaliger van die weduwe?” vraagt Lidy. “Neen”, zeg ik. “Jean!  -  J’en ai marre!” schatert ze. Wij proesten het  uit en klinken samen op onze vriendschap.   Later doe ik in een hoorcentrum  mijn verhaal over een familielid dat mij aanraadde langs te komen. De test verloopt prima.  “Alles perfect,”  zegt de arts :  “ik stuur jouw huisarts een bericht. “ Toevallig doet een van mijn nichtjes haar doktersstage bij mijn huisarts.  Zij bezorgde mij het voorschrift en krijgt zo het resultaat te lezen van de test.   Wegens  beroepsgeheim delen dokters hun patiënten wel resultaten mee, maar nooit de commentaren.  Mijn nichtje kan  zich echter niet weerhouden voor te lezen:  ‘Patiënt zegt dat familielid beweert dat zijn gehoor slecht is. Naar mijn mening moet dat familielid zelf even bij ons langs komen!’  

Vic de Bourg
57 0

Tussen twee polen smelt men niet

  Dit verhaal kreeg een eervolle vermelding bij de wedstrijd: van 6 naar 500 woorden. Onderaan staat commentaar van de jury.     De zon brandt onverbiddelijk. Miranda rolt zich op haar grote stranddeken tot ze weer onder de parasol ligt. Gisteravond  was het nog redelijk koel geweest toen ze flaneerde onder de palmbomen. Het was haar opgevallen dat er veel minder Duits werd gesproken door de toeristen dan vroeger.  Al jaren was haar vaste vakantiestek vergeven van de Germanen, zoals ze zichzelf noemden als ze met hun vreselijk accent Engels met haar wilden praten. Tegenwoordig viel het op hoeveel Oost-Europese talen werden gesproken. Ze kende er geen maar kon wel het Russisch onderscheiden van de andere klanken.  De nieuwe rijke Russen waren ook het grootst in aantal, reden rond in peperdure cabrioletten en maakten grote sier. Voor haar vakantieliefdes had ze zich voorheen beperkt tot wat de lokale markt aan hunks te bieden had en dat was altijd best meegevallen.  Maar nu ze meer zicht kreeg op de mannenvoorraad uit het Oosten besloot ze haar kennis op dit vlak te verruimen. Zo viel haar oog op twee knappe kerels die iets van haar verwijderd in haar geliefde ‘Tratoria Alberto’ het erg goed met elkaar konden vinden.  Ze twijfelde even of de andere sekse hen überhaupt kon boeien tot ze merkte dat ze haar in het vizier kregen en afwisselend zwoele blikken haar richting uitstuurden. Een dame gaat uiteraard nooit in op de avances van vreemde mannen maar ze hield wel van dit spel en flirtte er danig op los. Glas vasthouden aan de steel en pink in de lucht: op de meest gracieuze wijze nipte zij aan de cocktail die Alberto voor haar had geshaket. Regelmatig gooide ze haar golvende haren naar achteren en streek ze met zorgvuldig gemanicuurde hand door haar nek. Tot na haar cannellonirolletjes hadden de twee hun testosteron in bedwang kunnen houden maar nu stapten ze resoluut naar haar met de vraag of ze voor het dessert mochten aanschuiven. “It is so much nicer to dine in good company”, zei de blonde blauwogige hunk.  “If you so desire, Madame”, voegde de zwartharige donkerogige tegenpool er aan toe in een al even onberispelijk Engels. Ze had het woord enkel gedacht, want ze wist niet hoe het in het Engels klonk maar schaterde het uit toen ze beiden uit Polen bleken afkomstig te zijn: Poolse tegenpolen. Hoe grappig. Wegens de gekozen voertaal, suggereerde ze als dessert een ‘Zuppa Inglese’.  De naam mag dan al verwarrend zijn, Piotr en Wojtek vonden de combinatie van custard met lange vingers goddelijk. Na de obligate grappa van Alberto werd de avond besloten met een fles Prosecco.  Daarna namen ze in stijl van elkaar afscheid met een kuise handkus. ‘ Niet te hard van stapel lopen’, dacht ze. Die morgen op het strand ziet ze langs weerszijden van haar parasol twee bruingebrande voeten verschijnen en herkent ze meteen de stem die vraagt of ze naast haar mogen plaats nemen. Ze knikt instemmend. ‘Het zal dan wel héél warm worden’, denkt ze: ‘maar tussen twee Polen smelt men niet.’   Feedback jury:   De ontknoping was hilarisch. Ik was de titel al even vergeten tijdens het lezen tot ik bij de laatste zin aankwam. Een heel originele manier om de zin te benaderen. Het verhaal leest erg vlot en zou zo in een zomereditie van Flair passen.

Vic de Bourg
67 1

Sunny en Jeanne d'Arc

Jeanne d’Arc had wel een en ander aan haar hoofd toen haar onderrok in brand stond. Kon zij, wilde boerendochter, vermoeden dat eeuwen later een tienjarig jongetje in haar verhalen zou opgaan? Waarschijnlijk schreeuwde ze in doodsangst gans Rouen bij elkaar, dus niet. Bradend op een volgelopen marktplein blijven er weinig opties. Nochtans, een vijfhonderd jaar later had de kleine Sunny kennis gemaakt met Jeanne d’Arc, de schapenhoedster die het schopte tot de Franse legertop. Sunny kon als geen ander de strategie van het Beleg van Orléans uit de doeken doen. ‘Hoe heette de koning geholpen door Jeanne, Sunny?’ Dààr ging die vingerknip: ‘Koning Karel VII!’ ‘Zeer juist, mijn vriend!’ Geboeid hing hij aan mijn lippen toen ik hem vertelde over de maagd, gestuurd door engelen, die als een ware hooligan de Engelsen  Frankrijk buiten ranselde. Zijn ellebogen steunend op tafel, zijn hoofd tussen zijn handen, neerkijkend op dezelfde tafel waar alle veldslagen van Jeanne tot leven kwamen. ‘Geschiedenis is leuk!’ riep hij zonder op te kijken. Het klonk als vrolijk pianogetokkel.   De dagen regen zich als kralen in een paternoster aan elkaar in een kasteel waar Sunny verbleef. Het decor zat goed, de pianoriedels bleven aanhouden. De kleine Sunny verdiepte zich verder in de avonturen van de maagd van Orléans terwijl hij tussendoor één en ander noteerde over Koning Arthur en diens beroemde zwaard Excalibur, dat vast zat in een rots. Zelf diende ik me bij te scholen want de vragen die hij me voorschotelde betreffende Jeanne waren niet eenvoudig. Ze hielden hem ’s nachts wakker. ‘Op welke manier stond Jeanne in contact met de geesten?’ (Engelen waren volgens Sunny geesten.) ‘Was dat met een gsm? En zo ja, welk merk?’ Ik  vertelde hem dat Jeanne in haar hoofd met de geesten praatte, een toestand die me zelf niet vreemd is, en stopte hem nogmaals in. Pas dan viel Sunny in slaap, al zwaaiend met Excalibur. Heel regelmatig vond je hem in zijn torenkamertje in een hoekje met een koekje en een tiendelige reeks ‘Wereldgeschiedenis’, zijn hoofd verscholen achter oude bladzijden, knabbelend op speculaas. Neil, zijn overbuur en beste vriend, had het niet zo met al die geschiedenislessen. Sunny trachtte daarom Neil enthousiast te maken voor treinen. Treinen stoppen nooit, al worden ze gegeseld, ze blijven àltijd rondjes rijden. En zo zaten ze dikwijls samen, gehurkt in dat kamertje in een kasteel, gebiologeerd naar rijdende speelgoedtreintjes te kijken. Er viel geen woord. Weg zijn wij. Pianomelodieën namen de plaats in van verhaaltjes voor het slapen gaan. Teneinde zijn carrière als lezer van geschiedenisboeken te volmaken vroeg Sunny me naar een bril. De kleine letters - zo belangrijk – werden onleesbaar. Daar had ik natuurlijk niet van terug. Mijn enige brilervaring heb ik ooit opgedaan in een marginale Stock Americain waar je die dingen haast gratis krijgt. Het is er aan te zien. Of, net niet. Gelukkig kon ik in deze rekenen op Fie wiens benen tot aan de grond reiken. Zij nam als geen ander Sunny op sleeptouw én de snelste weg naar professionele hulpverlening betreffende brillen. Piano valt terug in, zwierige deuntjes vullen de kamer. Vanaf dan waren de kleine letters zichtbaar en kon hij zich weer verstoppen achter oude bladzijden. Als vervanglectuur stopte ik af en toe een vintage ‘Suske en Wiske’ in zijn handen, want hedendaagse stripverhalen horen eigenlijk op het barbecuevuur. ‘Dit verhaaltje is geschreven in Oude Mensen Taal’, merkte hij op. De kleine Sunny confronteerde me met mijn eindigheid en viel nadien in slaap met ‘de Schat van Beersel’ in zijn armen en een knuffel van Fie als kers op de geschiedenisboeken. Voorzichtig nam ze zijn bril weg, plooide deze toe, en legde deze op het deel ‘de 100-jarige Oorlog’. Sunny was bijna elf.   En toen stopte de piano. Plots, onaangekondigd. De stemming sloeg volledig om en Sunny hulde zich in sombere gedachten. Ondertussen kende ik het merk van Jeanne’s gsm; Fie is expert inzake die dingen, maar zelfs daarmee kon ik zijn nieuwsgierigheid niet prikkelen. Ik ging te rade bij de geesten in mijn hoofd, maar daar: niemand thuis, zoals altijd. Dan maar de muren oplopen. Met kleine teugen begon Sunny kristalklare wijn te schenken omtrent zijn somberheid. En dan zette hij alle kanonnen bij. Hij tekende strategieën uit en ging in overleg met  generaals om zijn Orléans te bevrijden. Hij trachtte het zwaard uit de rots te wringen, hij schopte, sleurde, krijste gans de buurt bij elkaar ... het bleef onwrikbaar zitten. Er gebeurde niets, de generaals gingen tafelen en Sunny verdween in de plooien van hun oeverloze gesprekken. Zijn tiendelige reeks ‘Wereldgeschiedenis’ ligt onaangeroerd op zijn kamer, het treintje staat stil op de sporen. De horror van Jeanne d’Arc heb ik hem nooit verteld; de Inquisitie, het eindeloos proces waaraan een jonge boerendeerne  ten onder ging, vernederd door Bourgondische soldaten, Karel VII die haar dumpte als een vuile  zakdoek, de brandstapel waarop ze eindigde, haar hart dat men in de Seine kieperde ... Sunny was pas elf en onderging zijn persoonlijke gruwel. Een paar dagen geleden heb ik ‘Excalibur’ uit de rots getrokken ...   River 01.05.2018

River
0 0

ONS LEVEN

De eenvoud van onze persoonlijkheid in al zijn opportuniteiten word geleefd als waren we op de eeuwige jachtvelden op zoek naar overleving.  De bittere ernst die we steken in ons dagelijkse leven maakt dat we onszelf meermaals voorbijlopen in één dag die maar vierentwintig uur duurt en die wij vullen met het dubbele.  Het idealistische dat we proberen na te leven dag na dag en ons denkbeeldig hoger te stellen dan anderen maakt dat het realistische zijn overwinning nakomt en ons met beide voeten terug brengt naar de wereld van vandaag.  Het digitale dat ons in beslag neemt zodat we het geschreven woord bijna zouden vergeten, waardoor het sociale in ons een deuk krijgt en het asociale gesterkt word  door de steeds groter wordende luxe. De zogenoemde opvoeding die we onze kinderen willen bijbrengen maakt dat het robot achtige leven achter elke hoek gluurt klaar om toe te slaan, alleen de sterksten zullen overwinteren in de seizoens regen van het bestaan. Het theatrale waarvan we denken de regisserende acteurs te zijn komt vaak bedrogen over, de vele kortfilms die we zelf spelen hebben elk hun eigenwaarde met maar één karakter dat de hoofdrol speelt. Menig gevoel of advies zelfs kritiek word gegeven door hen die achten de wonderen der wereld te hebben uitgevonden, het zijn diegene die het hand op het hoofd dienen te leggen en kijken wie er onder staat en alvorens zich te uiten in een woorden zee die vaak het verkeerde teweeg brengt.Het blijven doorlopen en rennen tijdens ons leven heeft zo zijn gevolgen voor iedere van ons door de maatschappelijk druk en de te leveren prestaties lopen we zomaar ons zelf voorbij en dus ook ons leven.   DVE

DVE
11 1

De spiegel

  Ik keek naar mijn reflectie in de spiegel, die jongen die daar stond was niet langer zo onschuldig. Ik raakte m’n gezicht aan en veegde m’n tranen ervan af. Ik heb al vaak over dit moment gepiekerd, maar ik dacht uiteindelijk dat het nooit meer ging komen. Stiekem hoopte ik ook van niet, ik zou hem wel gewoon achtergelaten hebben als het moment zich aanbood. Hoe kan iemand nu van je weggaan als die nooit bij je is geweest? Dat vroeg ik mezelf voortdurend af, en dat terwijl ik doodstil voor die spiegel stond. Ik wist niet wat ik nog moest of kon doen…   Verschillende gedachten spookten door mijn hoofd, en dan zwijg ik nog van de verwijten. Zowel naar hem als naar mezelf gericht. Was ik niet goed genoeg voor hem? Heb ik hem ooit iets misdaan? Kon hij niet voor één keer normaal doen, was dat zoveel gevraagd? Des te meer ik erover nadacht, des te meer ik besefte dat dit niet ging helpen. Ik zette een stap naar voren zodat ook die persoon achter de spiegel naar voren ging. Ik minachtte hem, want hij liet een teken van zwakte zien. Hij wist dat er nog veel op hem ging afkomen, en hij moest er hoe dan ook gewend aan raken. Er is geen weg terug, dat hoofdstuk is afgelopen en het gaat nooit meer opnieuw beginnen.   Ik herinner me nog de manier waarop mijn mama aan tafel zat nadat die was vertrokken, ze zag er niet uit. Haar rode ogen wezen op het feit dat ze nog niet echt gestopt heeft met huilen. Als ik eerlijk ben, dan geef ik haar daarin gelijk, want wat er nu gebeurd is… Ik kan het niet eens omschrijven. Ik ging naar haar kamer en daar werd ik voor het eerst geconfronteerd met de harde realiteit, zijn plek was leeg. Die droom of die nachtmerrie, in mijn geval was er sprake van alle twee, was nu werkelijkheid geworden. Hij heeft nooit met zijn bloedeigen kinderen ingezeten, zolang hij maar zijn gelijk kon halen. Het maakte hem verdomme niet uit dat we allebei nog minderjarig waren, laat staan dat mama haar gevoelens hem maar iets konden schelen. Mijn ‘vader’ is de grootste lafaard, rotzak, leugenaar en hypocriet die je ooit zult ontmoeten! Ik hoor hem nog altijd één keer om het half jaar zeggen dat die van me hield. En ik weet nog heel goed dat ik steeds moest slikken, en telkens weer kreeg ik tranen in m’n ogen. Hij zei zoiets nooit, maar hij liet het ook niet zien. Hij werd voortdurend kwaad, naarmate de tijd vorderde werd hij agressief, hij was zelden thuis, toonde geen interesse in school of hobby’s en toonde geen begrip. Hij was werkelijk een ramp om in huis te hebben, maar je moet niet denken dat die buiten de vier muren van ons huis ook nog zo was. Nee, dan werd die plotseling een patroonheilige. Ik werd er elke keer opnieuw onpasselijk van!   Het ergste was die pijn toen hij daadwerkelijk was vertrokken, want in al die jaren dat hij het ons lastig maakte hebben wij nooit een verwijt naar hem gegooid. Als hij iets fout deed, dan was het volgens hemzelf iets wat hij had geleerd toen hij in de pleeginstelling zat. Mijn vader leefde in een nogal problematisch gezin en heeft nogal een rampzalige jeugd gehad, maar hij heeft gedurende ruime tijd liefde van ons gekregen. Blijkbaar was het niet genoeg, of het was toch niet genoeg om ook liefde terug te kunnen geven. Die blik in zijn ogen, dat was geen blik van een vader die naar zijn kind keek. Dat was de blik van een man die keek naar datgene wat ervoor zorgde dat die een dak boven zijn hoofd had. Ik heb me nooit kunnen vereenzelvigen met hem, maar tot mijn spijt heb ik wel zijn buitenkant. Die is praktisch identiek, en dat vind ik bepaald geen compliment. Soms ga ik naar een spiegel in de buurt, en dan analyseer ik mezelf. Dan kijk ik of er nog niets veranderd is. Heb ik nog steeds dezelfde hoeveelheid moedervlekken? Ligt mijn haar nog steeds hetzelfde als voordien? Zijn mijn ogen nog steeds zo donkerbruin, of worden ze lichter? Soms zie ik dingen veranderen, maar dan moet ik telkens weer tot het besluit komen dat het enkel en alleen een illusie is. De diepe teleurstellingen van een teleurgesteld kind…   Hij stookte constant ruzie, en tijdens de scheiding deed hij dat ook. Hij maakte m’n mama voortdurend van streek door met steeds nieuwe dreigementen aan te zetten, de grootste steek was het aannemen van een advocaat. Hij was niet langer bereid te praten met haar of met mij. Hij heeft nooit naar me omgekeken, hij heeft nooit interesse getoond, er was geen ruimte voor mij in zijn leven. En, er gaat ook geen ruimte komen voor mij. Waarom zou hij me nu opeens wel willen hebben? In de rechtbank zeiden ze dat wat ‘Quality- time’ wonderen zouden kunnen verrichten, misschien gaat dat mijn gemis wat kunnen wegnemen. Het ergste van al was dat ik helemaal niemand miste, mijn leven was nog steeds compleet. Er was eigenlijk niets gebeurd, want hij was nog steeds even veel aanwezig in huis. Niet! Maanden lang heb ik mezelf moeten voorliegen door te zeggen dat er eindelijk een vader in mijn leven zou komen, maar ik moest niet eens zo diep nadenken om te weten dat die er niet ging komen…   Na enkele mislukte pogingen van contact had ik het opgegeven, laat staan dat ik er ooit aan wou beginnen. Ik heb nooit gevraagd om contact met hem, simpelweg om de reden dat ik dat niet wou. Heeft dan werkelijk nog niemand gehoord dat ook kinderen niet als speelbal gebruikt willen worden? Ging er iemand naar mij luisteren zonder te denken dat het mij ingefluisterd was door m’n bloedeigen moeder die zich tot op de dag van vandaag schuldig voelt voor iets wat ze helemaal niet heeft gedaan? Moest zij de boete betalen in plaats van de schuldige, dat kan toch niet! Ik ontwaakte abrupt uit m’n herinneringen en zag mezelf daar weer voor de spiegel staan. Die jongen stond daar nog steeds, maar hij wou daar niet meer zijn. Hij voelde zichzelf gevangen in die wereld, hij moest zien te ontsnappen aan dit gevangenschap. Het gemis van een vader heeft me nooit geraakt, maar het anders zijn van de rest knaagde dubbel zo hard. De gedachte iets te moeten missen, wat eigenlijk onmisbaar is… Ik kan je verzekeren dat dat het pijnlijkste gevoel is dat je kunt voelen. Mijn tranen welden weer op, en langzaam maar zeker rolden ze van m’n gezicht. Ze vielen op de grond, het parket werd langzaam aan wat vochtig van de gevallen tranen, maar ik bewoog absoluut niet. Ik kon niet langer doorgaan met die kwelling. Ik keek naar mijn hand en streelde het zachtjes, daarna keek ik naar omhoog en ademde eens diep in. Ten slotte keek ik nog naar de spiegel, en naar de gekwelde ogen van de jongen in de spiegel. Zijn pijn groeide met de minuut meer, en ik moest hem bevrijden. Ik ademde nog één keer diep ik, en toen ik uitademde was het al gebeurd. Ik maakte een vuist van m’n hand en sloeg de spiegel kapot. De spiegel barstte in honderden stukjes uiteen, zo voelde m’n hand trouwens ook.         Ik keek nu naar de plaats waar ooit de spiegel hing. In de verte hoorde ik m’n mama aan komen rennen. Ze kwam de kamer binnen en kwam naast me staan. “Is alles ok?” vroeg ze. Ik draaide m’n hoofd langzaam naar haar toe, en merkte dat m’n hand bloedde. Dat kon me niets schelen, want ik had net iets gedaan wat ik al veel eerder moest doen. Toch keek ik nog eens naar m’n hand en besefte dat ik klaar was voor de nieuwe start. De oude gekwetste ik was vrijgelaten en heeft zijn kans met beide handen aangenomen, waardoor er plaats is voor de nieuwe ik. Ik omhelsde m’n mama en zei eerst dat ik van haar hield. De tranen rolden weer van m’n gezicht en ten slotte zei ik nog: “Ja, mama. Het is voorbij, alles is ok. Ik ben eindelijk vrij…”

Quinten Samison
32 0

Het mijmermonster in overdrive

Thuisblijven staat niet in mijn lange lijst van hobby’s. Enkele uren Oostwaarts van thuisfront anker ik met mijn vertrouwde busje. Volledig in mijmermodus. Zoals dat vooral kan wanneer je je uit je vertrouwde omgeving waagt. Of wanneer je ‘gewoon’ tijd hebt. De combinatie hiervan maakt dat mijn mijmermonster met vrije teugel kan grazen, springen en dansen, niet zelden in overdrive. Heerlijk is dit! En dat beseft deze geluksvogel maar al te goed.    Anders dan toen ik lang, lang geleden in de renbaan van negen tot vijf liep, speelt mijn leven zich niet meer af in blokjes ‘werkdagen’ en ‘weekends’. Standaard veel te weinig onderbroken door het veel te korte blokje ‘vakantie’. Deze blokken zijn consequent ingeruild door periodes van ‘reizen’, ‘onderweg zijn’, wanneer nodig onderbroken door korte blokjes ‘thuiskomen’. Wat maakt dat mijn leven voelt als een aaneenschakeling van kleine verhaaltjes. Short stories als het ware.   Het huidige kortverhaal zich af ter hoogte van 52° 31.8' N 13° 25.2' O, beter bekend als Berlijn. Waar het hoofdpersonage uren kan verdwalen in de Allee’s tussen immense platanen en statige gebouwen die de grootsheid van deze miljoenenstad alle eer aandoen. Tussen stoere coffeebars en oase achtige parken, tussen hipsters en junkies. Zoals steeds bijgestaan door partner in crime Mila, die kwispelend geniet van de verscheidenheid aan geuren en honden. Minstens even blij, loopt het baasje er bijna kwispelend naast. Met de haviksneus speurend naar LT35’s, Transporters en 508’s en de glimlach nét onder controle. Yep, Berlijn is het Walhalla voor iedereen wiens hart sneller gaat slaan van busjes. En voor fashion-, food-, party-, design-, tattoo- en andere freaks ook natuurlijk.   In deze setting voel ik me meteen een ware Pipi Langkous met een snuifje Alice in Wonderland. Blij als een klein kind sta ik elke paar straten oog in oog met wéér een te stoere bus. Het kost me minimale moeite me in te beelden er in te wonen. Meteen zie ik me er Oost- West- Zuid- Noord-Europa mee doorkruisen. Mijn hart zingt, mijn ziel danst. Ik voel me zo gelukkig als een voetfetisjist die in het zwembad onder de kleedhokjes doorkijkt, bij het zien van zoveel naakte voeten. Me like. De busjes. Niet de voeten(fetisjist).   Mijn mijmerpaard staat scherp. Scherp als het lemmet van mijn trouwe Opinelvriend in mijn handtas. Zoals altijd benieuwd naar de verschillen met Tzie Germans, vraag ik er op los. Statiegeld in plaats van vuilzakken? Cool. Honden niet verplicht aan de leiband. Wunderbar! Wildkamperen getolereerd? Ganz toll!   Mijn traditioneelonproductieve geest gaat zich te buiten aan de rijkdom van creativiteit en de oneindigheid van mogelijkheden die mijn oogjes waarnemen in Berlijn. De kracht van het potentieel. Mijn brein -dat ook wel een ideeënshop voor toekomstige ondernemers zou kunnen zijn- snoept van de overal aanwezige creativiteit.   Wat maakt dat ook hier, mijn hersenactiviteit relatief hoog te noemen valt. Een rustvakantie voor mijn actieve brein is dan ook niet aan de orde, waar ik stiekem blij om ben. Ik voel me namelijk als een roodvleugelvis in het water wanneer ik wandel door het rijk der zinnen, met mijn hoofd zwemmend in toekomstvisioenen. Want zo noem ik het af en toe wel eens, die ideeënstroom...   Maar, hoe heerlijk rondslenteren in de stad ook is dankzij al deze mijmeruitnodigingen, het voelt als een aperitiefhapje. Lekker, dat zeker, maar doet vooral dienst als smaakmaker en voorbereiding om meer van Duitsland te ontdekken. Yep, de natuur!   En hiervoor heb ik mijn andere Partner in Crime: Hannes. We laten de stad en zijn fashion-, food-, party-, design-, tattoocultuur voor wat ze zijn en verliezen onszelf in de natuurcultuur. Kwestie van mijn cultuurbarbarisme -waar ik af en toe van beschuldigd wordt- zo laag mogelijk te houden, stort ik me zonder al te veel tegengespartel in de FKK; Voor de (andere) cultuurbarbaren onder ons: FreiKörperKultur. Een stroming in Duitsland die is ontstaan aan het begin van de 20e eeuw. Het kan gezien worden als het begin van het moderne naturisme, zeg maar. Samen wat natuurcultuur opdoen met deze (voor mij) exotische paradijsvogel, er zijn slechtere manieren om je kostbare nooit meer terugkerende jeugdige tijd mee te verdoen.   Ook hier is het moeilijk om niét te dromen van treehouses, zelfvoorzienend wonen en eindeloze dagen aan het meer en in het bos. Al dan niet in Adam en Eva kostuum. Niet zelden herinner ik mezelf er aan  slechts een half uur verwijderd te zijn van daar waar de wereld gewoon doordraait. En wel aan het tempo dat de meesten van ons zo gewend zijn.  Waarom voelt dit bostempo dan zo natuurlijk? Zelfs na 111 keer al dan niet luidop afvragen, komt er geen antwoord dat toereikend is voor mijn –op dit vlak- kritische geest.   In afwachting van een antwoord dat wél toereikend is, beslis ik om gewoon lekker te blijven dromen. Omdat het kan.   Maar wat met al deze dromen? De dromers onder ons weten echter dat de bijhorende valkuil te zoeken valt in het niet tot in actie brengen van (één van) deze dromen en idee-aanbiedingen. Je hoeft geen SWOT analyse te maken om te beseffen dat je niet alles kan hebben, right? Misschien ontmoet je wel net daarom een exotische paradijsvogel die stevig met zijn voeten op de grond staat. Yin Yang. Zodat dromers kunnen blijven verder mijmeren. Het zou maar zonde zijn om een racepaard op stal te houden, toch?    

angelique
0 0

De Dageraad

De oever van de rivier is haar even dierbaar bij dauw en dageraad als in de furie van onweer. Het rimpelloze water van de rivier weerspiegelt de eerste stralen zonlicht die verschijnen achter de bomen. Dit is al sinds haar kindertijd haar favoriete plek. Ze houdt van het licht, in welke vorm dan ook. Ze komt hier telkens wanneer ze snakt naar stilte.   Ze vindt zichzelf terug op deze plek, ontmoet er steeds opnieuw het meisje dat ze vroeger was. Het meisje dat verliefd werd op de verkeerde jongen, dat hem toeliet om haar te breken. Keer op keer komt ze terug naar hier, waar de wind haar tranen droogt en de zon haar kneuzingen verzacht.   Vandaag is het licht anders dan anders. Onwerelds – fragiel en tegelijkertijd onverwoestbaar. Het brandt zich een weg door haar bonzende hoofd. Toch kan ze haar ogen niet afwenden.   Haar ene oog is zodanig opgezwollen dat ze er niets door kan zien. Als een bloem die de zon volgt, wendt Marie haar gezicht naar de opkomende zon, hopend dat die kou kan verjagen die zich in haar botten genesteld heeft – de angst voor hem.   De geur van bedauwd gras stijgt op van onder haar voeten en brengt een glimlach op haar gebarsten lippen. Het ruikt schoon en fris, niet zoals de alcohol op Seppes adem.   Ze sluit haar goede oog, maar kan de herinneringen aan hem niet verjagen. Zijn vertrokken gezicht terwijl hij tegen haar schreeuwt. Leer jij nou nooit bij? De tranen die opwellen in zijn ogen terwijl hij aan haar voeten knielt en haar hand kust. Zijn zachte gefluister. Het spijt me zo, liefje. Het spijt me zo erg. Zijn bruine ogen die in de hare kijken, terwijl hij zachtjes haar gezicht in zijn handen neemt en haar kapotte lippen kust.   Maar dit is noch de tijd, noch de plaats voor die herinneringen. De zon brandt de kilte uit haar pijnlijke lichaam. Ze glimlacht en de snee in haar lip begint opnieuw te bloeden. Het prikt, maar de pijn doet er niet toe.   Ze wandelt langs de rivier, in de richting van de opkomende zon en de kleuren van de dageraad die de hemel in vuur en vlam zetten.   Haar voet glijdt weg in het natte gras en ze valt. Scherpe pijn boort zich in haar schedel en het bonzen in haar hoofd neemt toe. Ze is echter een meester in het negeren van haar kwetsuren. Zonder aandacht te besteden aan de duizeligheid die zich van haar meester maakt, staat ze op en loopt verder. Met elke stap door de kristalheldere ochtend, verdwijnt de pijn langzaamaan in het niets.   Een glimlach trekt aan haar lippen bij de gedachte aan oudere herinneringen. Herinneringen aan een andere Seppe. Een attente, romantische man met ogen die haar konden doen smelten – die haar knieën konden doen knikken met niets meer dan de voorbode van een kus.   Ze werd de zijne in dat ene, magische moment waarin de nabijheid van zijn lippen brandde op de hare, intiemer dan eender welke aanraking.   Ze was de zijne in de jaren die volgden. Jaren van vuistslagen, gevolgd door tranen van spijt. Zijn beloftes werden steeds opnieuw gevolgd door meer vuistslagen.   De wereld draait om zijn as wanneer ze een tweede maal struikelt en valt. Alles wordt zwart.   Ze opent haar ogen weer en de pijn is verdwenen. Wanneer ze nogmaals opstaat is het met meer gratie dan ze ooit heeft bezeten. Ze kijkt niet om naar het gebroken lichaam dat ze achterlaat. Een gekneusd gezicht staart in het niets, een glimlach op de gebarsten lippen.   Na jaren van pijn is ze niet langer de zijne. Ze laat hem achter en loopt naar het zonlicht toe.   Ze wordt lichter en lichter, alsof het licht haar optilt.   Niet bij machte om aan de roep te weerstaan, rent ze voorwaarts, de dageraad in.

Jasmine Arch
0 0