Zoeken

De perforator

Het moet ergens begin jaren 2000 geweest zijn. Onze mannen waren nog klein en je moest ze voortdurend in de gaten houden.  Of je dat nu wilde of niet. Maar meestal wilde je dat wel. Want ze zijn toch zo snel groot, zegt het cliché dat gelijk heeft. Datzelfde cliché zegt ook dat een ongeluk in een klein hoekje zit. De oudste had tijdens het spelen zijn kin al eens opengehaald aan een plastic vrachtwagen. Toen de dokter het moest hechten gaf hij, als stoere vrachtwagenchauffeur, geen kick.  Niet lang daarna was het opnieuw zover. We hadden even niet gekeken en onze jongste had het gepresteerd om zijn vingertje tussen de perforator te steken. Je weet wel, zo een gaatjesmachine waarmee we vroeger confetti maakten. Misschien waren ze treintje aan het spelen en had de ene de rol van gaatjesknipper op zich genomen. De kleine vinger was er niet tussenuit te krijgen. We zagen het ijzer van de gaatjesmaker in zijn vinger zitten. En wringen durfde ik niet. Dan maar naar de spoed. Met het hele gezin en met de perforator aan die kleine vinger.  De vraag van de verpleger 'wat heeft hij nu aan de hand', was eigenlijk best grappig, maar mijn aanstalten tot lachen werd op een boze blik onthaald. Ik zag mijn vinger ook al tussen die perforator zitten. Ter plaatse werd het snel opgelost. Zijn vinger was niet tot confetti gemalen en het gaatje was achteraf snel genezen. Maar de perforator kreeg thuis een geheime plek. Net als in de klas trouwens, nadat we het verhaal aan de juf hadden verteld. Misschien maakt het nu nog altijd indruk. Als er een kleuter naar de perforator vraagt en de juf het verhaal vertelt van de jongen die met de perforator aan zijn vinger naar de spoed moest.  

Rudi Lavreysen
27 0

Zeemeermin

De lucht is zachtblauw, niet helder, een beetje dof zelf. De zon voelt heerlijk, warm en zacht. Na weken heeft ze haar kracht verloren. Ze prikt niet meer, ze brandt niet meer. Alsof ze de bloemen en planten heeft horen huilen. Die zijn op sterven na dood. De helft van de bladeren hangt slap aan de plant, overlevend op hoop dat er weldra water zal vloeien. De andere helft heeft het opgegeven en ligt dor op de grond, alsof de herfst nog voor de zomer is gekomen. Mijn zoontje van vier had het gisteren ook al gemerkt en riep heel enthousiast “Mama, kijk de blaadjes, het is bijna Sinterklaas”. Maar dat is het niet, het is zomer en de temperatuur is eindelijk draaglijk genoeg om de hangmat in te kruipen. Hupla, beentjes in de lucht en ogen dicht. Mijn gezicht wordt warm. Zachtjes wieg ik heen en weer en bedenk dat ik niet in slaap mag vallen. “Ik mag niet in slaap vallen, ik mag niet....” De zon is weg, de hangmat hangt stil. Alles is stil. De lucht lijkt wel een schilderij. De wolken hebben alle tinten wit en grijs. Boven mijn blote voeten zijn ze verblindend wit als het hemellicht dat je zou zien als je doodgaat. En als ik mijn hoofd in mijn nek gooi zie ik een grote massa blauwzwarte wolken die mijn buik doen kriebelen. Wolken zijn ofwel spannend ofwel rustgevend en als je geluk hebt dan zijn ze het allebei, zoals vandaag. Boven mijn hoofd vermengen zich alle tinten grijs. Ik probeer hun spel niet te begrijpen, maar geniet van het gewriemel om het juiste plaatsje. Ik lig muisstil zodat ik het eerste drupje niet kan missen. Eén drupje, liefst eerst op mijn gezicht en dan ééntje op mijn tenen. Komaan wolkjes... Maar er komt niets. Waarop wacht ik eigenlijk, op enkele druppeltjes om van te genieten? Of wil ik een hele stortbui? De spanning giert door mijn lijf als ik eraan denk. Ik voel de eerste zachte druppeltjes, eerst traag, hier en daar op mijn blote lijf ééntje. Dan steeds sneller en harder, zo hard dat ze alle spanning uit mijn lijf persen en ik heel hard begin te lachen. Dat lachen lijkt al even lang geleden als de regen. Het water stroomt uit de hemel en de energie raast door mijn lijf. De hangmat begint hard te zwieren. Ik moet me op mijn buik draaien en me vastgrijpen aan de koorden. De wind blaast al mijn haren plat achteruit. Behalve mijn froefroe. Die heeft de kapster deze week verkeerd geknipt, waardoor de korte haartjes helemaal recht gaan staan. Ik gil van plezier, mijn benen gaan de lucht in. “Harder, harder!”, roep ik nog. Ik lach, ik leef! De wolken en ik, wij zijn de heersers hier op aarde. En dan wordt het plots muisstil. De hangmat hangt stil en ik hoor niets meer, geen wind, geen regen. Alles staat onder water, het huis, de tuin, de hangmat. De hele wereld staat onder. En het is eindelijk stil. Ik lig terug op mijn rug en bekijk de wereld, de onderwaterwereld. Het water staat ver boven het dak van het huis. De tuin lijkt tevreden, de meeuwen ook. Ze vliegen geluidloos door het water. En ik adem terug normaal, diep onder water. Ik slaak een zucht van geluk. Eindelijk heb ik het gevonden. Ik ben een zeemeermin.  

Fien SB
52 1

Ik zou graag dictator willen zijn

“Papa? Mag ik nog even TV kijken?”... “Natuurlijk lieve schat, naar wat wil je nog kijken voor we naar mama gaan?”   Ik zag haar denken, maar niet zoals ik andere mensen zie denken... Het was de puurste onschuld zelve die aan het denken sloeg. “Zet maar Gert Late Night op papa, heb je dat niet opgenomen? Ik had graag nog eens gelachen met die mislukte talkshow van Gert Verhulst en zijn nicht James Cooke.”   “Wel dat heb ik niet opgenomen lieve schat, ook mijn humor kent zijn grenzen. Hoe komt het eigenlijk dat je geen interesse meer toont in het kijken van Paw Patrol, Bubble Guppies, Dora,....?”   “Papa! Seg! Doe is niet zo raar? Ik ben al wel 4jaar hoor, je zal zelf toch best weten dat wij vrouwen zoveel meer en sneller volwassen zijn als mannen? Ik ben al een grote meid, ik moet niet meer kijken naar van die kinderpromma’s. De tijd dat je mij kon sussen met een Dora die via de verdomse hyperactieve kaart een schatkist probeert te vinden is al even passé als de belofte van Gertje die de bel eens ging maken.”   Vrouwen.   “En trouwens papa, als ik zo eens naar K3 kijk? Dan krijg ik de indruk dat die pubers drugs nemen om zo kindvriendelijk over te komen? Ik denk als je Klaasje tegenkomt in de winkel, dat zij zo een omhoog gevallen trut is. Ken je dat liedje niet van The Clement Peerens Explosition? Foorwijf? Op een gegeven moment zingt onze Clement, en ik citeer - Gij se lelijk foorwijf, trezebees. A verstand zit in a bjuutikees - ... Wel papa? Ik ben er dus zeker van dat er effectief in een bjuutikees meer verstand zit dan in Klaasje zelf. Dat terzijde, wnr gaan we eens naar K3?”     Ze heeft gelijk ook! Pracht van een kind, enkel maar liefde voor jou mijn kleine grote meid. Als ik zo eens regelmatig polste naar wat ze later wou worden klonk het antwoord steevast... “Prinses!” Ik repliceerde nog dat ze dat al is en altijd zal zijn, maar het mocht niet baten. Natuurlijk als meisjes evolueren naar volwassen vrouwen in een tijdspanne van 4jaar? Dan veranderen dus ook logischer wijze de antwoorden op bepaalde vragen. Zo hadden we het vorige keer nog over de uit de hand gelopen betoging in Hamburg tijdens de G20-top... Tussen de spaghetti door polste ik zo nog eens of ze nog steeds een prinses wou worden als ze nog groter gaat worden.   “Ik zou graag dictator willen zijn papa. Ik ben er namelijk zeker van dat mijn opvattingen over het dirigeren van een betere wereld voor iedereen een goede zaak zou zijn. Begrijp me niet verkeerd hoor papa, want ik merk dat je nogal verschiet? Ik zou het beter doen als Pol Pot, Stalin, Koning Leopold II, Hitler, Saddam Hussein, Mao en Steve Stevaert tesamen. Ik laat geen volkeren vermoorden omdat ze mij niet aanstaan. Ik zou een dictatorschap van liefde overbrengen! Samen spelen is samen delen zou de leuze zijn waar ik met ten strijde trek. Geef toe? Als ik nu al een glimlach op iedere passant zijn gezicht kan toveren? Dan is het een roeping om me als zelfstandige vrouw te verdiepen in het grootste probleem dat onze aarde ontsiert. Oorlog. Mag ik later zo een dictator zijn papa? Plz?”   “Zeer graag zelfs lieve meid!”       “Kom, doe uw schoenen al maar aan... Vergeet uw jas niet. We gaan vertrekken naar mama... Ooh wacht, uw toverstok nog lieve schat! Ben er zeker van dat deze nog van pas gaat komen tijdens uw politieke tocht naar het verspreiden van essentiële liefde.”   “Love you papa!” ...   “Love you too lieve schat!” ...

Bart Van de Peer
13 0

Marcel en de roep van de uil

Het gebeurde in het zwart van de nacht. De sterren waren uit de hemel geplukt en ook de maan zat in de plooien van de donkerte verscholen. Marcel lag naar de roepende uil te luisteren. Een krassend, onheilspellend geluid. Hij vroeg zich af wat het te betekenen had. Vreemd genoeg voelde hij zich niet ongerust. Sinds Marie gestorven was, dekte de slaap hem altijd toe met een onbestemde angst – daarom bleef hij in de zetel liggen – maar deze keer bracht de onvoorspelbaarheid van de nacht hem niet van de wijs.   Hij had vanavond de sofa naar het raam gedraaid en vroeg zich af of het daarmee iets te maken kon hebben. Nooit eerder had hij de meubelen verplaatst. En voor het eerst in zijn alleen-zijn had hij ook de televisie uit laten staan, had hij het gedichtenboek dat Marie zo dierbaar was willekeurig opengeslagen en zijn ogen over de letters laten glijden. Tot hij de ongekende duisternis en de roep van de uil opgemerkt had.   Telkens Marcels oogleden dicht zakten, wurmde zijn geest zich terug uit de slaperigheid. Hij wilde niet slapen. Niet nu. Hij wilde het verhaal van de uil kennen, want hij was voorbode van uitzonderlijke gebeurtenissen, als hij Marie’s woorden wilde geloven. Zijn echtgenote mocht dan al vier maanden overleden zijn, hij voelde nu en dan toch haar aanwezigheid. Daarom ook zou hij nooit dit huis verlaten. De herinneringen aan hun leven samen kleefden aan de gebloemde muren, leefden in stoffige kieren en gaten, slopen zijn hoofd binnen langs de vlammen van de houtkachel. Neen, nooit zou Leia, zijn dochter, hem hier kunnen weghalen. Dat wist hij zeker.   Een harde klap tegen het raam deed Marcel opschrikken. Hij hief zijn hoofd op, gooide de deken van zich af en ging rechtop zitten. Er was niks te zien. Niks te horen. Zelfs de uil was gestopt met roepen. Hoewel de schrik er nu toch een beetje in zat, stond hij op en strompelde door de kamer. Hij opende het raam. De nachtelijke wind woei langs zijn wangen. De zwarte uitgestrektheid slorpte hem onmiddellijk op. Ergens vanuit een spelonk klonk een zachte stem. “Marcel…Marcel… waar blijf je? Kom dan!” Hij spande zich in om de stem beter te horen. Was het soms zijn Marie die hem riep? Zag hij daar iemand in de tuin? Die verdomde donkerte! Waarom was deze nacht alle licht uit de hemel geperst?   Hij trok zijn jas over zijn pyjama en liep op de tast langs de gevel van het huis. Hij vroeg zich af of hij iets onder het raam zou vinden.   “Marcel… kom… haast je maar…”   Weer hoorde hij de zachte stem, maar nu dichterbij. Het was duidelijk: zijn Marie riep hem. Hij moest zich haasten. Zo kende hij haar: altijd haast en spoed, terwijl hij liever langzaamaan deed. Toch versnelde hij zijn pas… en struikelde over de losliggende tegel waarover ze zo geklaagd had. Marcel voelde zijn knieën kraken en zeeg neer op de grond. Stilletjes vloekte hij. “Marcel, ben je daar? Ben je daar?” “Ja, hier ben ik!” antwoordde hij boos. “Zou jij je nu eens niet laten zien? We zijn geen kinderen meer, Marie! Je hoeft met mij geen verstoppertje te spelen!” Voor hem verscheen een witte gloed.  Marcels adem stokte. Ze was er echt. “Marie?  Wat loop jij hier in je slaapkleed te doen?” Een antwoord kwam er niet. Wel dichtbij de roep van de uil. Een steek in zijn hoofd. Daarna dekte de nacht hem met een sterrenmantel.   Een hand hield zijn hand vast. “Marie?” fluisterde hij. “Papa…” “Marie, kom eens dichterbij.” “Papa, ik ben het, Leia. Je bent gevallen vannacht. ” “Marie, wat zie ik je graag. Ik ben zo blij dat je er bent, dat ik je weer ontmoet heb…” “Papa toch! Ik ben Leia! Mama is dood!” “Dood? Ik heb haar verdomme gezien. Zij leeft meer dan ik, hoor je me?!”   “Het spijt me papa, maar zo kan het niet verder… Het is niet de eerste keer dat dit gebeurt, we moeten een regeling treffen.” De hand gleed uit zijn hand. Marcel opende zijn ogen. “Marie, zeg zoiets niet. We slaan er ons wel door… Waarom huil je nou? Er kan ons toch niks beter overkomen dan elkaar terug te zien?” De tranen liepen over haar wangen. “Mijn lieve Marie toch…” De vrouw liep naar de deur. Ze snotterde in haar zakdoek. Ze keek niet meer om.   De nacht was zwart. De sterren waren uit de hemel geplukt en ook de maan zat in de plooien van de donkerte verscholen… Ergens heel ver riep een uil. Luider, alsmaar luider. Vanuit een spelonk klonk een zachte stem. Marcel woelde. Marie. Hij moest naar haar toe. “Ik kom, Marie, ik kom…” Marcel wilde opstaan maar de hekkens aan dit vreemde bed belemmerden zijn benen. Zijn ogen vulden zich met tranen… hij zou te laat zijn om Marie te ontmoeten. Tranen drupten de hele zwarte nacht op het witte laken dat niet eens van hem was…

R Ryckoort
36 1

Zuipen, poepen en den Beerschot... Maar de Lierse gaat voor!

Op reis gaan, ik heb het zo eens geprobeerd. Het moet september zijn geweest zo een 2jaar geleden. Samen met mijn broer Norib en diens wederhelft... Ik heb mij laten wijsmaken dat ik eens moet gaan opletten op vlak van namen in mijn teksten te voegen. Turkije zou de bestemming zijn waar je helemaal “Zen” van wordt. Het was zo een idee om te zeggen van “Ja, dat zal u goed doen Bartje.” Ik raad de mensen aan om het nooit te doen. Ik was een last voor mijn broer, een zak patatten is leuker om u te laten vergezellen op reis. Lam en vet onder de medicatie sliep ik heel de dag, ik was moe, constant. Mss kan ik het ooit nog wel eens proberen nu het allemaal wat beter gaat.   Alsof het tegenwoordig een verplichting is om u te gedragen als een alcoholieker met een ongelimiteerd budget om te reizen. Ik maak me er druk in, al dat “#wanderlust” gezeik. Er is zelfs een tijd geweest dat ik nog eens niet wist wat het woord betekende. Een verslaving om op reis te gaan, het ontdekken van andere culturen. De gelukzakken die nog thuis wonen en jaren hebben kunnen sparen door op feestjes met 20euro toe te komen kunnen zich bekronen met een trip naar thailand en nog van dat Oosters gedoe waar je als Westerling op handen gedragen wordt. De anderen voldoen zich met een tripje naar Budapest ofzo. Ik krijg er pijn van in mijn ballen als ik het allemaal zo mag aanschouwen. Die lelijke foto’s met zonnebrillen waar je over 5jaar nog van gaat zeggen dat het nog al een zicht was. Maar laten we ook maar tegelijk ons als een bende egoïstische, sociaal en milieubewuste hippie’s gedragen als we een statement hard willen maken dat het hoog tijd wordt dat de aarde maar eens moet afkoelen. Ook al willen we er zelfs niets aandoen. Terecht trouwens, ik lig er ook al niet meer wakker van. Ik erger mij nog liever aan jongens zoals Michiel die zich met zijn enkelbroek van Jack and Jones en zijn superstars wil laten meeslepen met tal van die andere op één of ander festival met een matige line up. Dat is leuker. In plaats van de wereldproblemen op die mensen te schuiven. Het is al erg genoeg zo.   In ieder geval, Turkije. Waar nu aanslagen als piekmomenten beleefd kunnen worden was het die week dat, de essentiële Bart van Vlaanderen zich nestelde in één van de vele hotels die het land rijk heeft vooral “tegenslag” dat de plak zwaaide. Het contrast van de rijke gierige Westerling die zich vol show probeert te kijk te stellen door op zowat alle vlakken de grote Jan liggen uit te hangen daar... Kleinere Jan heeft hij thuis gelaten om daar tot inzicht te komen dat we het eigenlijk allemaal niet slecht hebben. Het overbodig genuanceer van de werkende man, zoals ik. Daar ligt de toeristische sector niet wakker van. Ze hebben liever dat je gewoon slaapt in één van de vele hotels daar.   Maar toegegeven, zo af en toe er eens tussenuit kan geen kwaad. Zoals het bij nonkel Blatter deugd deed om het WK voetbal naar Qatar te halen, zo heb ik het enorm naar mijn zin als ik eens een voetbaltripje kan doen. Winnen of verliezen speelt mij geen rol meer. De tijden dat ik mij druk maakte in een resultaat waar er 20 ego’s tegen een bal aan het trappen zijn, en die andere 2 moeite hadden om alle ballen uit hun goal te houden... Dat is al even voorbij. Ik trek er op uit, om plezier te maken, mij niet te veel bezig houden met het feit dat mijn ploeg Lierse er eigenlijk al jaren niks meer van bakt. De glorietijden die ik bewust heb meegemaakt vanaf ik bier begon te zuipen als een grote Jan zal zijn geweest toen ze eens kampioen zijn gespeeld in 2de klasse... Voor de rest sloeg het resultaat nog harder tegen zoals Vanessa Chinitor die nog maar droomde om eigen juwelen op de markt te brengen.   Ik ben overlaatst naar Beerschot – Lierse gaan kijken. Met de bus van Pulle naar het Kiel. Dat is toch een beetje cultuur opsnuiven daar? Ik was niet alleen die er zo over dacht. Sommige denken dat er cultuur valt te snuiven op het WC van de bus of in het stadion. Maar ik geniet met een stel pinten in mijn handen onderweg van het beeld dat de wegen mij geven. Miljaar seg, gecombineerd met halfgaar gebakken moppen en zat gezever kijk ik zo eens rond als de mensen daar ons zien voorbijrijden. De cultuurshock voor de bus van Pulle is het grootste natuurlijk. Als je de pech hebt gehad om in Pulle geboren te worden dan moet je nog minder verwachten van de wereld als ik.   Schaamteloos en nostalgisch zoals ego’s het horen te doen verloor mijn Lierse met 4-0, waarvan ik mss 1goal heb kunnen zien. Zoveel plezier had ik. Nu zo op reis gaan naar het Kiel kost geld. 21euro voor een ticketje, 5euro voor de bus, en dan nog de pinten die betaald moeten worden. Er wordt geprofiteerd als Bart zich eens naar buiten begeeft. 2,5euro voor een jupiler blue. De prijs was al even schandelijk als het spel dat Lierse liet zien. Maar kom, als ik dan zo eens buitenkom boeit het mij allemaal niet. Wat ook een eigenschap is van een verslaafde, geld opdoen als het goed gaat. Evenveel geld opdoen als het minder gaat. Gewoon altijd geld opdoen.   Turkije mag samen met het gat van de wereld ontploffen, geef mij maar een stel pinten onderweg naar een voetbalmatch en mijn broodje is ook gebakken. Net als dat van u, meneer Calpe, mevrouw Izmir, puber Lloret, wijf Chersonissos.   Als er van die primitieve cliché’s als waarheid mochten gelden... “Geld maakt niet gelukkig, je kan het beter opdoen als je het wel of niet bent.” Dan aanvaard ik het zeker.   Roeselare – Lierse? Check!

Bart Van de Peer
257 0

Donker in de westhoek

We zitten in de wagen op weg naar de kust. Op de radio klinkt: "Paulo aime les moules frites, sans frites et sans mayo." Ik lach. "Dat is juist", zeg ik tegen de kinderen. Paulo hield zoveel van frieten dat hij eraan dood gegaan is,  zo dik was hij. De kinderen op de achterbank kennen het verhaal al en zingen uitbundig verder.  Ik kijk weemoedig door het raam en ga in gedachten 20 jaar terug in de tijd. Ik zit als achtjarige samen met mijn zus en marraine in de auto. We naderen Wormhout, een klein dorpje in de Franse westhoek. Of zoals Olga het in het Frans-Vlaams zegt "wormhoed". Olga is de nicht van marraine, mijn grootmoeder, en de schoonzus van Paulo. Mijn zus en ik gaan er samen met marraine het verlengd weekend doorbrengen. Zoals elk jaar voel ik me misselijk als ik de woning binnen kom. Het is er donker en ik hou niet van donker. Ik loop zo snel mogelijk door naar de keuken, daar ruikt het gezellig naar koekjes en Franse koffie en komt er licht door het raam dat uitgeeft op het atelier achter het huis. Olga zit op een stoel en biedt ons koekjes aan. Ze doet haar best om Frans-Vlaams te spreken. Haar haren zijn opgestoken in een knot en boven haar grauwe kleren draagt ze een keukenschort. Met haar grijsblauwe ogen en zachte stem heeft ze iets kwetsbaar. Haar huid voelt aan als het fijnste zijde. Naast de sterke vrouw die marraine is lijkt ze wel onzichtbaar. Olga is getrouwd met Lou. Een kleine pezige man met zwart haar, glanzend van de brillantine. Zijn ogen zijn hard blauw en aan zijn linkeroog hangt een steelwrat in de vorm van een bes. Lou maakt vaak grapjes, maar toch zijn we bang van hem. Achter die grapjes schuilt een zeer explosieve man. Dat weten we. Dat weet Olga ook. Daarom zegt Olga niet veel en zit ze meestal in de keuken. Als wij hier zijn zitten we meestal in de tuin of in het atelier. Het is een lange rommelige tuin. De weg door de wildernis is voor ons een heel avontuur. Helemaal achteraan in de tuin staat een klein groen hutje aan een beek. De beek met de ratten is voor ons verboden terrein. Lou zit heel vaak op een bistrostoeltje aan die beek naar de radio te luisteren. Als hij daar zit weten we dat we hem niet mogen storen. Op zijn voorhoofd staan dan twee diepe rimpels en hij trekt zenuwachtig aan zijn sigaret. Af en toe briest hij er iets uit waar we niets van begrijpen. Na afloop van de uitzending zijn er twee mogelijkheden: ofwel keert hij vrolijk en grappend terug ofwel staat hij op ontploffen. In het laatste geval krijg je van de spanning amper je middagmaal door je keelgat. We hopen dan stilletjes dat Olga niets fout zal doen of zeggen en dat we snel terug in het atelier kunnen gaan spelen. Het atelier heeft een dak uit plastic golfplaten en is daarom de enige ruimte waar rechtstreeks zonlicht binnen komt. De linkergevel staat vol oude vergeelde boeken en tijdschriften met daarvoor een lange werkbank. Rechts staat een oude wasmachine en een groen melkkrukje. Mijn zus en ik spelen altijd „boerderijtje” in dit atelier. De wasmachine is de koe die we zittend op het groene krukje melken. Uit de tuin halen we rode bessen die we tussen de werkbank pletten tot bessensap. Of we pletten de bessen tussen de vergeelde bladeren van de kranten en tijdschriften. Vol verwondering kijken we dan naar de schilderijtjes die de geplette bessen hebben gevormd. Maar vandaag loopt ons spel helemaal fout. We hebben op de knop van de wasmachine gedrukt en het water is beginnen stromen. We proberen het nog zelf op te lossen, maar voor we het beseffen staat de hele atelier onder water. We staan doodsangsten uit bij de gedachte dat we Lou moeten verwittigen. Lou ontploft zoals we hadden verwacht. Hij trekt zijn riem uit en stuurt mijn zus naar boven. Ik moet van Olga en marraine in de donkere living blijven. Ik ben doodsbang en bekijk de bezorgde gezichten van de twee oude dames bij mij in de living. Ik begrijp hen niet. Ze vinden Lou zo plezant dat ze zijn woede-uitbarstingen er zwijgend bijnemen. Wat later kruip ik bij mijn zus in het hoge bed in de donkere kamer. Ik verlang naar huis, naar licht. Ik wil weg van die muffe geur, van die akelige sfeer, weg uit die westhoek waar het donker verleden lijkt voort te bestaan. Lou zijn grapjes zullen me nooit meer aan het lachen brengen en Olga zal eeuwig zwijgend op het wit keukenstoeltje voor zich uitstaren, de koekjesdoos in haar hand als zoete troost. Ik neem voor altijd afscheid.

Fien SB
50 1

Koud Gerecht

“Weet je zeker dat hij er niet is vanavond?” vroeg ik met enige bezorgdheid aan haar. Hij was hier de laatste maanden met de zekerheid van een Zwitsers uurwerk iedere vrijdag komen opdagen. Dat hij er niet zou zijn leek me onvoorstelbaar, zeker na al die voorbereidingen. Voor ze echter kon antwoorden bleek de veronderstelling van mijn collega totaal fout te zijn. Ik zag zijn opzichtige wagen de parking opdraaien. Vanavond zou mijn avond zijn. Dé avond.   Toen ik de voordeur hoorde opengaan begaf ik me met spoed naar daar om zijn jas aan te nemen. Misschien was dat niet meteen mijn taak als sommelier, maar vanavond was een beetje speciaal. Onbewust wou ik wel dat hij dat zou aanvoelen.   “Kan ik uw jas aannemen, meneer Sznurowski?”. Zonder me zelfs enige blik te gunnen stopte hij zijn overjas in mijn handen. Plichtsbewust, we zijn nu eenmaal een sterrenrestaurant, nam ik hem aan. Nadat hij netjes in de kast was opgehangen, vergezelde ik hem naar zijn vast tafeltje. Ik schoof zijn taupe gekleurde stoel naar achter, liet hem zich neervlijen tussen de zachte kussens. Voor hem kon zijn gastronomisch uitje van de week beginnen. Hoewel ik sterk betwijfel dat er nog enige gastronomie aan te pas komt als je hier elke week passeert. In feite zijn we de Mc Donalds voor diegene met wat geld. Wat er nog aan ontbrak was een oplichtende Michelin-ster op een paal, in het midden van de parking en ettelijke meters hoog. Misschien dan ook een drive-in, waar je aan een praatpaaltje een dozijn oesters kon bestellen. Zes met zeste van citroen, zes zonder – oh, en met wat zwarte peper graag.   Ik herinner me nog dat eerste moment. Meneer kwam binnenwaaien met een gezelschap van acht, uiteraard niet gereserveerd. Nu is dat al een zeldzaamheid dat ze hier zomaar aan komen kloppen. Hij had echter geluk – zelfs met een sterretje achter de naam van je restaurant heb je kalme week avonden. Uiteraard moesten ze de sommelier, mij dus, uitdagen. Als je een “Pape Clément Blanc Pessac-Léognan” bestelt van ettelijke honderden euro’s per fles hoort dat er blijkbaar bij. De discussies over te warm, te koud – ze zijn die avond aan mij voorbijgegaan. Ik ken mijn pappenheimers, ze hebben het geld voor een duur flesje, maar hebben nooit begrepen dat genoeg koude elk aroma, elke nuance en de smaak van een goede fles witte wijn doodgooit en herleidt tot wat je in de nachtwinkel kan vinden.   Ik ben een vlieg aan de muur – hoeveel moeite mijn chef ook doet om vliegen buiten te houden - die wil je immers niet op een exquis gerecht zien rondkruipen. Toch zijn we daar, Nelly, Tamara, ik. De mensen die zo discreet mogelijk de tafels bedienen. We lijken niet te bestaan, of alleszins geen deel uitmakend van het gezelschap. Toch horen en zien we veel.   Dat was exact wat er gebeurde, zeven maand geleden. Ik was de vlieg. De vlieg kreeg koude rillingen bij zijn eerste woorden. Niet de woorden zelf waren zo angstwekkend – het was de stem. Die stem. De stem die ik nooit meer zou vergeten.   Hij vertelde met veel animo over zijn vertrek uit België eind jaren tachtig, teruggegaan naar Polen, het land van zijn vader. Daar had hij een bloeiende parket business uitgebouwd, inclusief export naar België. Als je hem hoorde praten aan tafel dan liep half Vlaanderen met kousenvoeten over zijn parketvloeren. Als sluitstuk op zijn levenswerk was hij teruggekomen naar hier, het land waar zijn vader de bevrijding had ingeluid en moeder had ontmoet. Helden over de hele lijn.   De stem was echter zijn spelbreker. Als je een tijdje naast iemand woont, die je vaak spreekt, dan slaat je geheugen die stem op. Zeker als die stem je vaak nog toespreekt in je dromen, een akelige stem uit het verleden is. Het verleden van 1986.   Ik was toen twaalf, mijn zusje acht. Sponsen broekjes waren nog niet verboden. We droegen ze met trots en we genoten samen van elke zonnestraal die de zomer over ons uitstrooide. Ze was wel wat vervelend, mijn zusje. Altijd in de buurt willen zijn, altijd met mij en mijn vriendjes mee – terwijl we de polder in doken, stekelbaarsjes wilden vangen in de gracht. Ook weleens een gepikt sigaretje van één van onze vaders oprookten – want roken deden die toen nog allemaal.   We keken met verbazing toen woonwagenbewoners een braakliggend stukje in onze straat inpalmden. We stonden er echter niet echt bij stil – migratie was toen nog geen punt – ze waren er gewoon en waren welkom, hoewel een beetje anders dan wij. Dat was echter juist uitdagend en interessant. Ze leken allerminst een bedreiging.   Het duurde niet lang eer we ons groepje uitbreiden met de nieuw gestrande, ontheemde jongeren. Ze spraken wat raar, hadden een grappig accent. Ze gingen echter met evenveel plezier mee de polder in genietend van het jong zijn. We kwamen bij elkaar over de vloer, we genoten van elkaars gezelschap, tot ze net zo snel weer vertrokken als ze gekomen waren.   Dat was het moment van de metamorfose. Mijn zusje Cindy was tot dat moment een rupsje dat stilaan uitgroeide tot een prachtige vlinder, haar vleugels spreidde maar nog net niet liet drogen in de zon. Haar glinsterende ogen waren een plezier om in te kijken. Dag op dag ging het licht uit in haar ogen, werden ze dof en nietszeggend. Ik begreep het niet. De vlinder onderging een tegenovergestelde evolutie en werd een half ingekapselde rups die een hard schild trachtte op te bouwen en geen communicatie meer toeliet. Ik begreep het écht niet.   Acht jaar later begreep ik het wel. Cindy schreef me een brief, hoewel we slechts één kamer van elkaar verwijderd waren. Ze schreef me de brief, omdat de laatste acht jaar voor haar een hel waren geweest. Omdat die vriendelijke meneer die zo lief voor ons was, die naast ons zijn woonwagen had geparkeerd, in feite niet zo lief was. Omdat die haar leven tot een bittere hel had gemaakt. Op dat moment heeft ze ook de beslissing genomen dat er ergens iets beter was, ergens – waar dan ook. Ze heeft de trein, hoop ik, nooit echt zien aankomen.   Hier sta ik nu. Ik heb de stem herkend, de feiten gecheckt. Dertig jaar later. Wat doe je daar mee? Ik herinner me het moment waarop hij me zei: “Jongeman, ik denk dat ik hier echt wel kurksmaak proef.” Het typische blasé gedoe van een kerel in gezelschap die wat indruk wil maken. Die kurk zat er niet in, écht niet. Ik had zelf geproefd. De stem had me zo met verstomming geslagen dat ik met koude rillingen van de tafel ben afgedropen, braafjes een andere fles uit de kelder heb opgediept. Tot ik de nieuwe bracht, zijn gezicht intensief bekeek en plots besefte – jij bent het! Jij, diegene die alles heeft ontlopen wat gerechtigheid zou moeten zijn. Die avond ben ik dan ook plannen beginnen maken.   Hoe plan je een moord als je sommelier bent? Ik heb mij een keer ‘ik voel me niet zo goed, ik moet naar huis’ gemeld. Ben hem dan gevolgd. Ik bleek echter niet het type te zijn om iemand te vermoorden met een pianosnaar in een donker portaal. Nog afgezien van het feit dat ik noch een piano, noch een extra snaar had. Het portaal bleek trouwens een lange verlichte oprijlaan achter een elektrisch hek. Dertig jaar parket loonde blijkbaar. Andere plannen drongen zich op.   “Kogelvis?” vroeg ik hem. Jonas had samen met mij op hotelschool gezeten. We hadden elkaar jaren niet gezien, maar via de wondere wereld van Facebook elkaar teruggevonden. Hij had altijd een rare aantrekking gehad voor de dodelijke facetten van koken. Volgens mij was er een schitterende carrière aan hem voorbijgegaan, indien we nog in de middeleeuwen zouden leven met koningen als een constante inspiratie voor experimentele vergiften. Hij vond reeds op zestienjarige leeftijd dat die potentieel gevaarlijke ingrediënten, in de juiste proporties, een subliem gerecht konden vormen.   “Kogelvis is belachelijk,” zei Jonas. “Je kan dat in niets oplossen. Je moet al een halvegare te pakken krijgen die vrijwillig dit soort gerecht wil voorgeschoteld krijgen.” Hij ging gelukkig mee in mijn verhaaltje: ik ben gecontacteerd door de schrijvers van een soap serie die een ideale moord in een restaurant in hun verhaallijn willen verweven.   “Ze zouden het iets subtieler moeten spelen, geen kogelvis.” zei hij. “En belladonna in de thee is afgezaagd. Dat hebben we overal al eens gezien.” Uiteindelijk geeft hij me een lijstje met een mix van redelijk nare dingen, zoals oleander, doornappel en vingerhoedskruid.   Het is vrijdagavond, het is laat. Meneer Sznurowski zit aan zijn derde cognac. De sfeer is gemoedelijk. De meeste gasten zijn vertrokken. Norah Jones klinkt zachtjes door het restaurant. Het nummer “Sunrise” spiegelt een nieuw aankomende stralende ochtend voor. Ik besef dat het nu mijn moment is. Ik ga naar zijn tafel.   “Meneer Sznurowski, we hebben een nieuw wijntje binnen gekregen. Vooraleer we het op de kaart zetten, zou ik graag toch de mening hebben van een goede klant met een goede smaak. Kan ik jou een glaasje aanbieden?”. Uiteraard zegt hij daar geen nee tegen. Ik heb alle gevoelige snaren geraakt: goede klant, wijnkenner… Hij neemt met veel graagte het glas aan en walst de wijn heen en weer. We klinken. Ik zeg: “Op Cindy”. Hij kijkt wat raar, maar neemt dit blijkbaar niet echt op. Eerst aarzelende, proevende slokjes – dan een goede slok. Hij staart naar mij en zegt: “Toch een beetje wrang, niet?”. “Dat is de tannine, de wijn is nog jong. Maar houdt hij geen belofte in?” vraag ik.   Op dat moment beginnen zijn ogen te tranen, er verschijnt een onnatuurlijke grijns op zijn gezicht. Hij begint vervaarlijk te hoesten, grijpt naar zijn maagstreek en schuim – véél schuim – verschijnt op zijn lippen. Alsof hij een fles afwasmiddel heeft genuttigd. Het restaurant begint te leven, staat op zijn kop. Hulpdiensten worden gebeld. Het blijkt voor hem te laat te zijn.   Een uur later zit ik tegenover de rechercheur die is opgeroepen. Fronsend vraagt hij me: “Heb je enig idee wat hier vanavond is gebeurd?”. Mijn glimlachend antwoord ligt voor de hand. “Wraak is een sterk motief, een koud geserveerd gerecht.”

Ivan Dresselaers
0 0

Broederliefde

Wesley   “Waarmee kan ik u van dienst zijn, mevrouw?” vroeg Wesley enigszins verrast. De dame die net voor hem op de vaalrode versleten barkruk had plaatsgenomen, was nu niet meteen een verwachte gast op deze gure dinsdagavond. Ze was bijna letterlijk binnengewaaid. Hij had op de camera’s, die verdekt stonden opgesteld op de met sparren omzoomde parking langs de steenweg, de mooie wagen zien aankomen. Op het moment dat hij de auto had waargenomen bij het opdraaien van de parking, was zijn eerste reactie nogal opgetogen. Een BMW 6 cabrio betekende op zijn minst begoede klanten en dat kon de zaak op een avond zoals deze wel gebruiken. Daarna had hij tot zijn verbazing een dame zien uitstappen. De manier waarop ze uit haar wagen stapte en de handtas die ze droeg – Delvaux, zoals hij later zou verklaren tegen de politie - deden hem besluiten dat het een dame was.   “Een gin-tonic graag”, zei ze nogal bedeesd.   Dat antwoord verraste hem dan weer niet. Vijftien jaar achter de bar van dit soort etablissementen had een soort van voorspellend talent opgewekt, zeker als het over het bestelde drankje ging. Hij bekeek haar nog eens goed en vroeg zich af wat een vrouw als zij, duidelijk aan de goede kant van de veertig, hier kwam zoeken. Op zich deed het er niet toe. Hij schakelde over op automatische piloot en stelde de standaardvraag die iedere gast gepresenteerd kreeg in de luttele tijd die verstreek tussen het bestellen van het drankje en het opdienen.   “Had mevrouw graag gezelschap?” vroeg hij.   Alsof het een ingestudeerd nummertje was – in feite was het dat ook – ging de binnendeur open en kwamen er twee schaars geklede dames de ruimte binnen. Alvorens zich op een uitgelijnde rij van barkrukken achteraan neer te vlijen, kwamen ze, schijnbaar verlegen - maar in wezen vrij kordaat, zich voorstellen. Dit toneeltje ging steevast begeleid van een zedig kusje op de wang.   Hij zag in hun ogen en gedragingen dat dit nu echt niet was waar ze zich aan verwachtten. De dame die stijlvol voor de bar zat, was werkelijk niet de typische klant die ze zich hadden voorgesteld. Toen beiden de revue gepasseerd waren, boog ze zich voorover en vroeg “Werkt Valentina vanavond? Ze werd me speciaal aangeraden en is de reden dat ik hier beland ben…”.   Hij keek haar verbaasd aan. “Valentina, tja, eigenlijk heeft ze vrij.”   Ze staarde hem aan, duidelijk niet gewend aan deze situatie. Het voordeel was wel dat hij verplicht was om haar recht in de ogen te kijken. Ondanks het gedempte licht zou deze observatie van haar gezicht de basis zijn van het opsporingsbericht dat de komende weken zendtijd zou innemen na het journaal.   “Ik had toch graag Valentina gezien,” zei ze aarzelend. “Is er geen manier om haar vandaag te ontmoeten?”   Terwijl hij ongemerkt een berichtje stuurde naar Ann, alias Valentina, een klant is immers een klant, zeker op een regenachtige dinsdag in september, monsterde hij de vrouw eens goed. Ze had meer dan waarschijnlijk geld. Er waren voldoende signalen om deze conclusie te trekken. De ‘D’ op haar handtas – die duidelijk geen namaak was, haar kledij, het horloge. De wagen waarmee ze de parking was opgedraaid. Ze was nu éénmaal hier en al was hij slechts barman in een verlopen huis vol meisjes van plezier, iedere kans op extra inkomsten was welkom. Hij was dan ook opgetogen toen het schermpje van zijn smartphone oplichtte. “Ik kom eraan” was de boodschap.   “Valentina is onderweg” zei hij, “maar u begrijpt dat het een beetje duurder is als we iemand speciaal moeten optrommelen?”   “Geen probleem” antwoordde ze, “ze is me echt aangeraden en geld mag dan ook geen probleem zijn…” Ondertussen legde ze een briefje van 500 euro op de toog.   “Geef de andere meisjes ook een flesje van mij – ik wil ze niet de indruk geven dat ze niet voldoen. Valentina werd me nu eenmaal aanbevolen.”   Het duurde nauwelijks twintig minuten voor Valentina de bar binnenkwam en zich naast de dame plaatste. Hij bekeek het spel van verleiding dat zich voor zijn ogen afspeelde. Het duurde niet lang voor Valentina de boodschap gaf: “De jacuzzi kamer voor een uurtje.”   Hij vroeg de dame “Cash of kaart?”. Zonder enig aarzelen haalde ze het geld cash boven en betaalde hem. Even daarna verdwenen ze naar boven.   De bar was nu terug verlaten en hij liet zich over aan zijn “guilty pleasure”. Hij schoof de CD van de metal band Megasonic in de speler en zette het geluid loeihard. Hierdoor hoorde hij de achterdeur die normaliter enkel door de meisjes werd gebruikt, tien minuten later niet dichtslaan.   Valentina   Minder dan een kwartier nadat ze het SMS’je ontvangen had, draaide Ann haar Mini de parking op. Het moment dat ze de deur van haar wagen opende en een met netkousen bedekt been op de kiezels zette ging ze moeiteloos over in Valentina, haar alter ego voor de rest van deze nacht. De agressieve wind speelde met haar kleed en deed haar even huiveren. Om de een of andere reden voelde dit niet goed aan, vond ze, maar werk is werk. Het vooruitzicht van de onverwachte inkomsten van een klant die naar haar gevraagd had, was aanlokkelijk genoeg om in haar auto te springen. Als ze geweten had hoe de avond zich verder zou ontplooien en ook maar een greintje geluisterd had naar haar intuïtie, was ze terug in haar auto gestapt en met gierende banden huiswaarts gekeerd. Niet dus, ze stapte gezwind naar de achterdeur die een beetje verscholen op de parking uitgaf en die voor de meisjes bedoeld was. Er zat maar één iemand aan de bar, dus liep ze daar meteen naar toe. Plots merkte ze dat het een vrouw was. Daar liet ze zich echter niet door intimideren en ging resoluut op de klant af. Ze gaf een klinkende zoen op de mond om het ijs te breken en stelde zich voor. “Hoi, ik ben Valentina, je had naar mij gevraagd?” “Ja,” antwoordde ze onzeker. “Ik weet niet goed hoe dit werkt, maar kunnen we ergens wat tijd samen doorbrengen?” “Geen probleem. Ik zal Wesley vragen om een kamer voor ons te voorzien. Vind je het een probleem om een flesje mee te nemen? Kost slechts 1600 euro.” In de kamer liet ze de jacuzzi vollopen en keek haar even aan. “Zal ik mij alvast uitkleden?” vroeg ze met een geroutineerde zwoele stem. Het antwoord werd niet uitgesproken, maar ze kon voldoende lichaamstaal interpreteren om het te verstaan. Toen ze bezig was haar netkousen uit te trekken voelde ze plots de druk van een koud voorwerp op haar achterhoofd. Verbaasd draaide ze zich om en keek recht in de loop van een revolver, iets dat ze desondanks haar risicovolle beroep nog niet eerder had gezien. “Wat?” stamelde ze. “Zwijg”, was het antwoord, “als je een kik geeft, houdt het meteen op.” Ze hield haar een foto voor. “Je hebt ondertussen wel begrepen dat ik hier niet ben voor de geneugten van vrouwen onder elkaar,” zei ze. “Kijk even naar deze foto, komt hij je bekend voor?” Uiteraard kwam hij haar bekend voor, die klant had ze totaal geplukt. De zoveelste die dacht dat hij ware liefde had gevonden onder de zachtroze lichten van de steenweg. Ze aarzelde. “Neen”, was haar antwoord. Haar ogen hadden haar echter verraden. “Dit was mijn broer Luc, was, want zes maanden geleden is hij tot de vaststelling gekomen dat hij al zijn geld heeft verbrast aan iemand die liefde anders definieerde dan hetgeen hij in gedachten had. Hij zag helaas geen andere uitweg meer dan een nabije ontmoeting met de intercity Gent - Antwerpen. Hij was mijn enige broer. Ik zag hem intens graag”. Ann luisterde verbaasd naar de monoloog. Dit had ze nooit zien aankomen. “Wraak wordt effectief koud geserveerd,” zei ze zonder enige emotie. “Zes maanden is afkoeling genoeg voor mij. Ik heb een snoeischaar in mijn tas en had eigenlijk het idee om voor iedere tienduizend iets af te snijden. Al was het maar om je de fysieke pijn te laten voelen die hij emotioneel heeft ondergaan… Ik vrees echter dat ik niet zo wreed kan zijn. Laat het ons dan ook kort houden.” Ze greep het hartvormige rode kussen dat in de stijl van het huis paste, duwde het tegen Valentina’s hoofd en haalde – zonder aarzelen – de trekker over. Er was geen sprake van het leven dat in een flits voorbijkwam. Voor Ann, Valentina, was er alleen maar eindig zwart.   De Dame   Ze was geschrokken van de knal, op televisie leek dit een goede geluidsdemper. Maar dat bleek niet echt het geval te zijn. Ze was zonder enig probleem weggekomen. Vanop het balkon van haar hotel keek ze uit op de zee in de verte. Na haar bezoek aan wat zij als het “hoerenkot” bestempelde, was ze in haar wagen gesprongen en rechtstreeks naar Zaventem gereden. Ze had dingen moeten achterlaten. Aan de andere kant had ze alle intentie om ‘weg te komen met moord’ in de praktijk te brengen. Ze was met een charter naar Varna afgereisd en stond nu op een terras van de vijfde verdieping van hotel “Graffiti”. Met enig sarcasme, gezien haar actie van de vorige avond, bedacht ze dat iedereen wist dat dit hotel door de maffia werd gerund, 20 jaar nadat de muur was gevallen en de opportunisten gebruik hadden gemaakt van de golf van privatisering die de vroegere communistische landen hadden overspoeld. Ze had ook de zekerheid dat morgen een schip zou aanmeren waarvan de kapitein haar voor 100 euro naar een rivier tegen Istanbul zou voeren. Een container met haar belangrijkste bezittingen was een week geleden al vertrokken vanuit Antwerpen richting Turkije. Ze zou snel van de radar verdwijnen, wat haar betrof voor altijd. Ze wist dat ze erop kon rekenen dat de lokale politie nooit zo snel kon handelen dat ze ooit enige bedreiging voor haar zouden vormen. Ze liet dan ook niets meer achter, niet sinds de dood van Luc, dat haar ooit spijt kon laten krijgen en doen terugverlangen naar haar geboorteland. Ironisch genoeg keek ze uit op een klooster waar zusters in habijt waardig rondschreden. Terwijl ze van een glas champagne nipte, moest ze denken aan rechtvaardigheid, schuld en boete.

Ivan Dresselaers
0 0

Vierentwintig keer regent het treurwilgblaadjes

Groen wordt geel, dan rood, dan bruin. Door de goudgekleurde stralen van een zon die amper aan de hemel rijst, schitteren dauwdruppels als diamanten op de roodbruine bladeren. Het is herfst! Vierentwintig jaar is het al, dat we achter hetzelfde raam, vol bewondering naar deze mooie transformatie in onze tuin staan te kijken.   Het begon ooit in een oud huis met een verfborstel in onze ene hand en twee kleine peuters in de andere hand. Een grote tuin met alleen maar gras. Een hoge brede treurwilg aan de ene kant, een  oude grillige appel- en pruimenboom aan de andere kant.   Het is herfst 1989. Massa's geel gekleurde blaadjes dwarrelen bij elk zuchtje wind naar beneden. Voor de eerste keer regent het treurwilgblaadjes in onze tuin.   Al vijf keer regent het treurwilgblaadjes in onze tuin. Tussen de bergen bouwafval groeit hier en daar een frisgroene grasspriet. Een riddertje speelt op de onderste takken van de appelboom. Hij rent onvermoeibaar in en uit de boom en zwaait vol overgave met zijn zwaard  naar de ingebeelde draak. Prinses Mikie wandelt van boom naar boom, met een cocktailjurk vol gekleurde pailletten aan, om haar hals een hoop klatergoud, aan haar voeten bijpassende schoentjes die op het stenen pad "klak, klak, klak" zeggen.   Tien keer regent het treurwilgblaadjes in onze tuin. Een jonge kat springt wulps tussen de vallende bladeren. De appelboom is gevallen en netjes opgeruimd. Er staat nu een schommel met glijbaan en klimtoren. Aan de rand van fris jong gras prijkt een dun twijgje met een groot label eraan.  Op het label  staat een foto van een grote kersenboom vol lekkere rijpe kersen. Voor de nieuwbouw garage, ten midden van kleurrijke heesters en struiken, klatert water uit een bamboe watervalletje  in een houten ton. Er zwemmen 2 goudvisjes in. Een springtouw en een poppenwagen liggen geduldig te wachten op het nieuwe terras. Net als de mountainbike en het skateboard. De school is nog niet uit.   Vijftien keer regent het treurwilgblaadjes in onze tuin. De pruimenboom stond helemaal dor en is netjes opgeruimd. De schommel oogt zielig eenzaam in een hoekje aan de rand van de tuin. Het watervalletje was niet zo'n succes. Het heeft plaatsgemaakt voor een heg die dwars over de hele tuin tot aan de treurwilg reikt. Er staan een rond zwembad en vier zonnestoelen achter. Uit de kamers van het riddertje en prinses Mikie klinkt "keifakke"  muziek.   Twintig keer regent het treurwilgblaadjes in onze tuin. De kersenboom is nu zo groot als op het labeltje stond. De schommel is netjes opgeruimd en heeft een tweede leven gevonden in een andere tuin. Het ronde zwembad is omgebouwd tot een stenen rechthoekig exemplaar mét zonneterras. Als ik door het raam zie, droom ik weg naar te warme dagen met stralend blauwe hemel en zie twee studenten genieten van "poolparties". Nog steeds mét hippe muziek!   Het is herfst. Voor de vierentwintigste keer zie ik door het raam naar onze tuin. Het regent geen treurwilgblaadjes meer. Hij is gevallen, onze hoge brede treurwilg, en met man en macht netjes opgeruimd.   Het riddertje kijkt nu vanuit zijn appartement naar een laan met vijf hoge platanen. Voor hem regent het grote rode bladeren. Door het raam van hun huis aanschouwt Prinses Mikie met de liefde van haar leven, een berg bouwafval met hier en daar een frisgroen grassprietje. Aan de ene kant prijkt een walnotenboom van middelbare leeftijd. In de weerkaatsing van het nieuwe venster zie je haar bolle buikje.   Vijfentwintig keer en het zal nooit nog treurwilgblaadjes regenen. Of we nog door het raam gaan kijken? Heel waarschijnlijk als paasbloemen gaan bloeien en vogels beginnen te fluiten, zal je ons vinden aan de nieuwe zandbak. De zandbak op het terras waar ooit een treurwilg stond. Waar een klein peutertje samen met oma en opa de mooiste zandkastelen zal bouwen!

Bettybie
0 0
Tip

Gurkje leert koken

Gurkje leert koken                     ‘Koos’, zei mam, ‘ik ga een baantje zoeken.’ Het was bij het avondeten, we stopten met kauwen en keken schuw naar pap. Hij liep rood aan, we doken een beetje in elkaar. ‘De jongens worden groot, ze hebben me niet de hele dag meer nodig.’ ‘Ik verdien toch genoeg,’ zei pap. Zijn stem gromde, als een hond aan de ketting. We wisten niet of de ketting goed vastzat. ‘Daar gaat het niet om,’ zei mam, ‘jij hebt je werk, de kinderen zijn naar school. Wat moet ik dan de hele dag doen? Of wil je soms dat ik ga tennissen en sherry drinken?’ Pap ging zonder iets te zeggen van tafel, de grom was in zijn bewegingen gezakt. Hij pakte de krant. Mam begon te bidden, haar bord was nog niet leeg. ‘Meiden,’ zei mam, ‘afruimen en de vaat doen. En doe de keukendeur dicht.’ Harm en Sjaak verdwenen naar boven. We stonden op en pakten pannen, stapelden borden, voorzichtig, beducht om geluid te maken. ‘Doe niet zo ouderwets,’ zei mams stem aan de andere kant van de deur. Paps bromstem was niet te verstaan. We deden de vaat in de aangeleerde volgorde, eerst de kopjes en de glazen, dan de borden en het bestek, de pannen het laatst. De bromstem ging omhoog en omlaag, mams stem klonk steeds sussender. Het water in het teiltje werd viezer. De stemmen uit de kamer daalden tot een gezoem, als van boze hommels. ‘Al goed, doe jij verdomme je zin maar,’ schreeuwde pap, ‘en je ziet maar hoe je het allemaal regelt.’ Een deur sloeg dicht, er werd gevloekt en gestommeld op de trap. We keken elkaar even vragend aan, keerden het teiltje om, namen het aanrecht af, sloten de keukenkastjes. Twee maanden later had mam werk als receptioniste, voor drie dagen in de week. Ze zag er jong uit toen ze het ons vertelde, blij, stralend, een beetje hip.   Het was de derde dag dat mam gewerkt had. ’s Avonds was het stil aan tafel, we aten laat, half zeven. We luisterden naar de tiktak van de klok en prakten onze aardappelen, gebogen over onze borden. Alleen pap en mam zaten rechtop, tegenover elkaar, en zwegen. Ze zwegen hoorbaar, totdat hun zwijgen de klok overstemde. Na het bidden mompelden Sjaak en Harm iets over huiswerk en verdwenen. Wij ruimden af, deden de vaat en gingen boven ons huiswerk maken. Om tien over acht schoot de schelle stem van mam uit. Pap stikte bijna in zijn woorden. Ze hadden het over stofzuigen, boodschappen. Om half negen klapten we de schoolboeken dicht, poetsten onze tanden, trokken onze ponnen aan. Om negen uur sloegen we de dekens van ons af en gingen met ons oor tegen de vloer liggen. Mam gilde ‘Je gunt me ook niks.’ We waren bang dat mam weer weg zou lopen maar er klonken geen deuren, alleen gillende, tierende stemmen. De klok sloeg tien, we hadden maar kort gehuild. Koud geworden, waren we terug in bed gekropen. Pap schreeuwde ‘Ik kan het toch niet gaan doen, wat zullen m’n broers zeggen.’ ‘Ach, jij en die rottige broers van je.’ Er volgde een onbekend geluid, het leek op huilen. Daarna de stem van mam, sussend, die van pap klonk bibberig. In de stiltes daartussen het tikken van de klok.   Bij het ontbijt deelde mam mee dat wij voortaan het huishouden moesten doen, zij kwam daar niet meer aan toe. Ze somde de taken op, dat duurde even. ‘En Harm en Sjaak,’ vroegen wij, ‘wat moeten die doen?’ ‘Die hebben huiswerk,’ zei mam. ‘Dat hebben wij ook.’ Toen zagen we de pollepel naast mams bord en hielden onze mond. We keken op. Harm en Sjaak kwamen binnen, slaperig. ‘Meiden,’ zei mam, ‘je weet het brood en de broodplank te vinden, aan de slag. Sjaak krijgt acht boterhammen mee en Harm zeven.’ We bewogen niet. Pap kwam beneden. ‘Wat kijken jullie verdomme chagrijnig,’ zei hij tegen ons. We keken van pap naar mam naar de pollepel en kwamen in beweging.   Na een week of vier begonnen we een soort van routine te krijgen. ’s Morgens gaf mam aanwijzingen en opdrachten, voor school maakten we de bedden op en smeerden brood voor Harm, Sjaak en onszelf. ’s Middags haastten we ons uit school om boodschappen te doen, het huis aan kant te krijgen, te koken. ’s Avonds na de afwas zetten we koffie voor pap en mam en maakten boven ons huiswerk. Op zaterdag streken we en op zondag gingen we naar de kerk. Het meeste deden we zoals mam het bedoelde, dachten we, hoopten we. Het koken ging niet altijd zoals pap het bedoelde, de aardappelen brandden aan, het eten was te laat klaar, we waren het zout vergeten. Smoesjes, smeekbeden en excuses hielpen dan niet. De volgende dag deden we nog beter ons best, met een steen in de buik.   De kerstrapporten kwamen. Wij hadden zevens en achten, net als Sjaak. Harm had een vier, voor gym. Pap gebood hem te bukken, Harm zei nee. Pap haalde uit, Harm weerde diens hand af en sloeg hem vol op de bek. Wij sloegen een kruis en vreesden Gods oordeel. De bliksem bleef uit, de aarde scheurde niet open, pap vloekte, sloeg met de deur en ging een eind fietsen. Harm grijnsde. Met Kerstmis was alles weer normaal, het stalletje stond, de kaarsen brandden en we aten witlofsnot en ander feesteten. Mam had gekookt. Begin februari hadden we te weinig suiker in de appelmoes gedaan. Pap gooide een lepel naar ons, miste. Er brak iets bij ons, van binnen, een dam ofzo. We dachten aan de kerstrapporten en stonden op. Ik mat Corrie met mijn ogen en zij mij met de hare. We waren kleiner dan pap. Harm en Sjaak stonden op. Pap zag ze rijzen en stond bewegingloos. Toen stortte bij mij de vloed naar buiten. ‘Doe het voortaan zelf, klootzak, als je het beter kunt. We zijn verdomme je dochters en we doen ons best maar Jezus Christus, het is nooit goed genoeg. Er kan toch godver wel eens een complimentje vanaf, of een bedankje.’ Ik stampvoette en gooide mijn bord op de grond, het brak voor zijn voeten in stukken. Harm zei ‘Gurkje’ en maakte een gebaar van tegenhouden. Er zat een tafel tussen en trouwens, ik was nog maar net begonnen. Ik schold pap uit voor huistiran. De ader bij zijn slaap klopte vervaarlijk, het deerde me niet, ik smeet er woorden uit als oudbakken fascist en rechtse zak en stampvoette weer. Corrie was stokstijf blijven staan, nu zeeg ze terug op haar stoel en begon te huilen. De aanblik van mijn bibberende, jankende zusje werd me te veel, ik viel stil, verward, trillend, niet wetend of ik de scherven zou opruimen. Corrie snikte met een snorkende uithaal en ineens wou ik haar troosten, beschermen. Onvast legde ik een hand op haar schouder. Harm haalde de suiker uit de keuken en deed er een schep van in de appelmoes, grijnzend. ‘Ziezo.’ Sjaak ruimde de scherven op. Iedereen ging weer zitten. We aten Saroma als toetje. Bananensmaak.  

Marijke Roza-Scholten
7 2

Ze horen er niet bij

Ze horen er niet bij, die Puerto Ricanen. Alsof een aardbeving iets zou veranderen aan het feit dat het gewoon gaat om een gepest kleutertje dat in de hoek van de klas staat waar de klappen vallen. Heel de wereld moet ook niet wakker schieten dat onzen Donald te laat in gang schoot. Als ik zelf al vragen had of Puerto Rico wel degelijk tot Amerikaans grondgebied behoort? Dan valt het te begrijpen dat het als fake news beschouwd kan worden wat zijn adviseurs hem in het oor fluisterden.   Als het een troost mag zijn voor mijn vriendjes in Puerto Rico... Ik hoorde vroeger ook niet bij “De Dauwtrippers”, een vereniging die wandelzoektochten organiseert ten voordele van de liefdadigheidsinstelling “Aids tegengaan door ontkenning.” En kijk nu? Ik hoor er nog steeds niet bij.   Maar ik begrijp hen wel hoor, die Puerto Ricanen toch. “De Dauwtrippers” is een ander verhaal. Ik heb wel ander dingen te doen op een mooie, koude zondagmorgend om 07h. Niets dus. Maar ergens bijhoren en u niet aanvaard voelen is voor niemand leuk. En al zeker niet als het gaat om het dak van plastic afval dat op uw hoofd is terecht gekomen, en er niemand komt helpen. We hebben hen toch al geholpen met eerst afval de zee in te dumpen zodat ze tenminste al eerst een dak boven hun hoofd hebben voor het geval er ooit eens een aardbeving mocht komen.   “Hoe voelt het eigenlijk Bartje? Als je zo teksten schrijft? Er niet echt bijhoort op dat vlak bij andere mensen? Blijkbaar is uw vunzige praat waar je ons met terroriseert in uw teksten net hetzelfde als je daadwerkelijk praat met ons, die mensen dus?” Ja dat is waar, op het arrogante af, als ik daar al niet ben over geweest. De bevestiging die ik mezelf eens geef door aan alles het schijt te hebben... euhm... Ik nodig zeker niet uit voor een leuk gesprek als ik zo in die bui zit. Hoewel ik me vroeger zelf wel genoeg heb uitgenodigd voor er bij te horen. Naar van die verhalen proberen te luisteren van de stoerste jongens op het school bijvoorbeeld, zeg maar the outlaws op bromfietsen. Al een geluk heb ik me ondertussen kunnen onderscheiden.   Ik hoor er niet echt bij zie ik jullie denken, maar die rol vind ik niet erg. Het is een beetje het omgekeerde als van die muziekgroepjes waar alles rond één iemand draait. Destiny’s Child, wat deden Michelle en Kelly eigenlijk in dat popgroepje? Blij zijn met warme lucht te mogen blazen in de microfoon? Om dan een gooi te doen naar een mislukte solocarrière met een klein zomerhitje hier en daar? Dan ben ik liever Beyoncé van in het begin, zonder een groepje aandachtszangeressen op de achtergrond.   Natuurlijk in Puerto Rico zit het anders, daar heb je een eiland vol met van die achtergrondzangers. Beweren dat ze bij Amerika horen, dat is de theorie alvast. In de praktijk ligt er in Amerika niemand echt wakker van dat daar plasic daken de lucht zijn ingevlogen.   Je kan maar beter Beyoncé zijn vanaf het begin, en niet via een underdogpositie u naar boven proberen te werken vol twijfels en systematisch beklag waar niemand een oor naar heeft. Zelfs niet als je zou fluisteren.   Ik ben Beyoncé. Al van het begin.

Bart Van de Peer
0 0

Bart zegt nee!

Inspiratie vinden is niet altijd zo evident als je pakweg Stacey zou heten. Al een geluk ben ik dus niet Stacey maar Bart Van de Peer. En heb ik dus altijd wel ergens een zwart gat dat gevuld kan worden met inspiratie. Het is verdorie een zware last hoor, liggen rondlopen en denken van “Over wat kan mijn volgend verhaal gaan?”   Het gaat in ieder geval deze keer niet over luchtige zaken als zelfmoord of Chinesen die een hold-up plegen op onze Belgische frituren, Jimmy Frey die onder invloed van speed Chokri omverblies op Pukkelpop, Geertrui van Greenpeace die mij de overbevissing aankaartte aan de Lidl in Zandhoven, ik die nostalgisch 2000 jaar oud ben en de toren van Pisa nog recht heb weten staan,...   “Omai Bartje? Over wat gaat uw tekst dan wel deze keer? Want van de titel -Bart zegt nee! - krijgen we geen hoogte.” Het draait om filosofie, de kunst van het verlangen omzetten in kennis en wijsheid. Althans zal dit zwaar en nog heter hangijzer veel vragen doen oproepen, en het gwn bij vragen laten want er zijn geen zinvolle antwoorden.     Ik liet mijn gedachten eerst struikelen om dan te vallen op iets wat een collega van mij zei “De kracht van de baarmoeder! De kracht van de baarmoeder zeg ik u!”... Helemaal over zijn toeren vroeg ik hem “Rustig Svennie, wat is hier allemaal aan de hand?” Ik ben het allemaal een beetje gewoon aan het worden dat een aanraking met het orakel, ik dus, voor rust en vrede kan zorgen. Zachtjes streelde Svennie mijn voorhuid euhm voorhoofd. De druppels zweet waar ze vroeger slaapmiddelen van produceerden doen nu meer hun werking als zijnde openbaring, en de kunst om uw problemen of zorgen aan te kaarten in de vorm van woorden ipv opgekropte frustratie die tot niets leiden... Of is het lijden?   Ik nam mijn nat washandje uit mijn schoofzak voor hem, samen met een banaan en een blikje cola. “Kom Svennie, zet u eens op de schoot van Bart de kuiper die mss nooit kuiper had moeten zijn. Waarom verkondig je die woorden waar de mensen op een koopzondag in Antwerpen massaal van gaan lopen, als ze zo iemand tegenkomen op de Meir?”   Svennie begon over het feit dat er hier in België, en wss nog in andere Westerse landen, moeders met een drugproblematiek kunnen opgevangen worden samen met hun kind in de psychiaterie. Moeder en kind krijgen onderdak en aangepaste hulp aangeboden. Nu idd, daar is niets mis met. Terecht dat deze mensen geholpen moeten worden. Maar ik stel mij een vraag waarom we het normaal vinden als moeders van die faciliteiten kunnen genieten en vaders met dezelfde problematiek dan weer niet? Niet dat een moeder aan “den bruine” een sociaal aanvaardbaar iemand is natuurlijk, maar dat is een vader aan “den bruine” nog minder. De publieke opinie die steeds gerecycleerd wordt leert mij dat er zich alleen maar vragen bij gesteld kunnen worden waar er simpelweg geen antwoorden voor zijn. Kan er mij iemand een vader aanduiden die samen met zijn zoon of dochter in de psychiaterie heeft gezeten toen hij een junkie pur sang was? Lijkt mij onbestaande. Het is normaal dat we denken... “Moeders hebben een intensere band met hun kind, ze dragen het al een ganse zwangerschap”... “Moeders en de baarmoeder? Dat is de natuur.” Of nog van dat gezaag dat alleen maar als geruis mijn oren bereikt.   Ik zal jullie is iets zeggen. En ik zeg nee! Nee, dat is niet normaal dat we zo denken. Het is niet zozeer een gegeven van de kracht van de baarmoeder die een rol speelt, maar wel die van gewoonte. Een vader met eenzelfde probleem wordt verstoten door een maatschappij waarin de grap uitdraait op “the war on drugs.” Gewoonte. Wij, de mensen die gelijkheid als een naïve weerspiegeling van onszelf willen doen uitschijnen om het verdomse zo hard te pamperen dat uw geweten er rein van wordt. Je kan beter uw tong zijn werk laten doen met mijn voorhoofd ipv die sussende woorden uzelf wijs te maken. Niemand is gelijk.   Moeders en vaders zijn niet gelijk. Het zou hetzelfde zijn als we de vraag zouden stellen wrm juist nu net negers slaven zijn geworden vroeger. Omdat ze zwart zien? Omdat het de natuur is? Of is een rassenkwestie waarin er ook geen gelijkheid is niet hetzelfde als de stelling dat moeders en vaders niet als gelijkwaardig bestempeld worden. Rascisten zien ook alleen maar wit zeker? En mensen die rechts haten zijn zelf geen haatdragende mensen zoals diegene waar ze niets van moeten weten.   “Gelijkheid!” roepen we alleen maar als het ons uitkomt. Het is de mop van lesbo’s die zich eigenlijk altijd maar bewust als man willen kleden met de stretch in hun oor van 6mm, skinny jeans, nike sloefkes, een t-shirt van Star Wars, en wax in hun haar. The devil in disguise, die vuile lesbo’s.   Het is een verdomd excuus geworden dat “gelijkheidgezever”... Van die allochtonen moskeekoorknapen die met hun tienen een BMW hebben gekocht, coke verdelen onder de rascistische witte man, alle soorten vlees naar binnen rammen, pinten zuipen, feesten in de la rocca, nog nooit van de Ramadan gehoord hebben,... Zullen zich ook alleen maar als gelijke willen doen uitroepen als ze zich zelf in de rol van geviseerde minderheid profileren. Een klucht.   Over het filosofisch kantje van deze tekst is het dus dat er zich geen zinvolle antwoorden kunnen plaatsvinden in de vraag waarom moeders anders behandeld worden als vaders wnr ze dezelfde problematiek ervaren. Mss ook even een leuk intermezzo, ik zag vandaag op het nieuws dat vrouwen van Saoedi-Arabië eindelijk kunnen beginnen met het behalen van een rijbewijs... Ik ben vooral nieuwsgierig naar waar ze uiteindelijk gaan rijden met den auto? Zou het iets veranderen aan het feit dat vrouwen daar geen kloten... haha vrouwen en kloten... hebben te zeggen? Blij worden ze daar met een pleister op een houten been. Komaan Ann Christy! Laat de boxen maar eens krijsen ginder achter! “Dat heet dan gelukkig zijn! Een autodeur die plots opengaat! Dat heet dan gelukkig zijn! Waardoor je weer hopen gaat! Dat maakt je blij, maakt je blij, maakt je blij!!!!”   Omdat ik, en dus niemand een zinvol antwoord klaar heeft. Wou ik alles betrekken in een heus absurd complot waarom die moeders dus van een zekere voorkeursbehandeling genieten. In één van de geheime afleveringen van FC De Kampioenen bleek dat Oscar en Pico tevens de vaders waren van Marckske, die op dat moment nog geen radio maakte trouwens... Details. Hij is nog steeds verslaafd aan heroïne, wat veel verklaard van de Willy Wartaal die deze nozem al jaren ligt te verkondigen. Oscar sloeg en misbruikte de moeder van Marckske niet alleen, Pico Coppens was er ook bij. Hopeloos na het jaren mishandelen van de moeder zonder naam werd ze zwanger. Tijdens een wilde nacht met deze 2legendes, werd er raak geschoten net toen Boston door de radio knalde met de hit “More than a feeling.” Een toevlucht in heroïne is de moeder fataal geworden, en met Marckske is het nooit goedgekomen. De producenten hebben destijds zo zwaar lobbywerk ineengestoken om er voor te zorgen dat het met de moeders zonder naam nooit meer zover zou komen. Het is toch verdacht dat Oscar van het toneel verdween? En dat Pico Coppens zich na zijn carrière bleef vol proppen met het extract van de papaver in een caravan? Verdacht toch dat deze vaders van Marckske geen passende hulp hebben gekregen? Zo absurd is mijn complot nog niet.   Het is allemaal de schuld van FC De Kampioenen!

Bart Van de Peer
2 0

Een rage

De definitie van een rage is... "Iets dat tijdelijk populair is." Helaas zijn tattoos niet tijdelijk. Tenzij je uw lichaam wil bekladden met van dat Hennagepuber. Zelf heb ik geen tattoos, allé voorlopig toch nog niet. Ik wil niets hebben dat tijdelijk populair is. “Seg Bartje? En de naam van uw dochter? Is dat niet origineel?”... Ik heb geen tattoos nodig om te weten waar mijn kind thuishoort. Ik heb geen tattoos nodig om anderen te laten weten dat ik mijn beste vriend Pieter mis. Ik heb geen gedachten nodig die in een vorm van inkt op mijn kurkdroog lichaam anderen moeten zien op te vallen. Ik hoor simpelweg niet thuis in het rijtje van mensen met tattoos. De eeuwige ham met kaasvraag is natuurlijk of je er later geen spijt van zult krijgen...Ik zou iets anders willen hebben wat nooit tijdelijk is... Humor bijvoorbeeld. De olympische ringen op mijn schouderblad was en is een leuke fantasie... Kunnen opscheppen dat ik als 12jarige bengel nog heb gezwommen in Sydney 2000...  Maar de stap effectief zetten naar een man met een vaste hand die zelf volhangt met tattoos en een berg rondellen in zijn oren, lippen, neusgaten heeft ... Eerlijk gezegd? Ik schrik daar een beetje vanaf. Niet van het fysieke, maar eerder het stereotype. Iedereen heeft dezer dagen tattoos. Van bloemen tot namen, Romeinse cijfercombinaties, Latijnse quotes, sterren, spinnenwebben, rozen, duiven, konijnen, ezels, egels, zwanen, kippen, geiten, walvissen, stenen, balen stro, tractors, boten, poorten, pelikanen, granaatappels, rode bieten, knolselder, schatkisten, strikjes, hondenpootjes...   In wat kan ik mij dan nog onderscheiden als verdorie iedereen al een tattoo heeft laten zetten? “Ja maar Bartje, je schrijft toch al leuke teksten? Daar onderscheid je u toch al in?”... Zeker weten! Maar ik moet verdorie nog meer hebben. Ben meer en meer wetenschapper aan het worden in de ongeletterde letterkunde van wat de mensen hun verhaal is. En als een tattoo een heel verhaal vertelt van u? Dan ben ik zeer benieuwd. Ik ben één en al oor voor jullie hoor mensen. Oprecht.   Het verlies van een familielid, vertel mij er meer over. Zelf heb ik mijn beste vriend verloren door zelfmoord. Het was een andere legende uit Oelegem, zelfs toen hij nog leefde. Hij was Pieter, beste vrienden kan je pas zeggen als de vriendschap abrupt tot een einde is gekomen. Natuurlijk is de dood wel een zeer brut gegeven om het zo te symboliseren. Maar dan besefte ik pas eens te meer dat hij echt wel mijn beste vriend was en altijd zal zijn. Ondanks dat hij verdomse enkele keren mijn tenen serieus heeft platgetrapt, stoten heeft aangevangen die desastreus waren voor het verloop van zijn leven, maar ook dat het tot onrechtstreekse gevolgen heeft geleid dat het leven van anderen tot een dieptepunt zijn gezonken...   Zelfmoord is geen rage, is geen tijdsgebonden tafereel dat zich alleen maar plaats vindt als er vraag naar is. Het is niet zoals die Japanner die Pokémon Go uitriep tot hype van het jaar 2016. Zelfmoord is brut, is een antwoord formuleren op iets waar er nooit een gepaste vraag op aangeboden is geweest. Het is ook niets laf, ik wil het niet verheerlijken, zeker niet... Het is een kreet die wordt uitgeslagen naar dove mensen die later liegen dat ze hebben het gehoord. Als er elders het geluk zich kan bevinden in het geven van een balpen aan een kleine hongerige neger in allé allé Zimbabwe... Dan is het woord geluk eens te meer een complex vraagstuk waar iedereen koortsachtig naar een antwoord opzoek is hier, in het “rijke Westen”. Tevredenheid is het antwoord dat (tussen haakjes) diep verstopt, in een codetaal zit waar zelfs de Engima het loodje zou leggen als het er nog maar een poging aan zou ondernemen om het te vertalen naar een taal die u zich het beste uitkomt.   Mensen die zelfmoord plegen, of pogingen hebben ondernomen... Die hebben zich vol overgave bezig gehouden met het kraken van de code “geluk” zonder een electronisch codeermachine zoals “de Enigma”... Er bestaat geen toestel die ons kan vervangen of helpen naar het zoeken van “the pot of gold”... Verwacht dat aub ook niet. Je zal het moeten doen met wat je hebt. Ik heb altijd gedacht dat ik het wel beter wist dan wat ik tegelijk altijd heb proberen te ontkennen.   Soit, tattoos staan garant voor iets tijdelijk, het moment “nu” dat je ze laat zetten en dat gaat verheerlijken om vervolgens te beloven dat je het altijd even leuk zal vinden. Maar een rage blijft een rage. En stiekem wil ik er zeker aan meedoen, maar het zullen ogen op mijn gat worden, of die olympische ringen van de tijd dat Fredje Raketje al op retour was in de bloemenzaak van zijn moeder. Het zal iets worden dat nooit een rage zal zijn, maar een standaard gegeven. Humor dus.   En dat mijn opvattingen over bepaalde zaken bedenkingen kunnen oproepen bij diezelfde bepaalde mensen? Ja jij daar gepensioneerde zagevent die alleen maar aan den band des levens heeft gestaan int fabriek in den tijd... De rij van mensen die staan aan te schuiven voor men kloten te kussen is lang, maar u laat ik met plezier voor steken om men gladschoren zak eens te bewonderen. Uw oor er tegen houden zal de zee niet dichter bij brengen, maar je zou eens moeten rieken. Zijn het trouwens niet mensen als jij waar de apen in de dierentuin nootjes naar gooien?   Of wacht jij daar, Hollebolle Gijs met de booster onder zijn fake Armani schoenen. Ik ben er zeker van dat je niet alleen papier hebt gegeten in de Efteling. Vertel mij liever eens de mop van de opvoeding die je hebt gekregen van uw soortgelijke kansarme moeder?   Hebben wel gelachen hoor. Allé ik toch, jij niet Hollebolle Gijs.

Bart Van de Peer
38 0

Rijbewijs

Het werd hoog tijd. Volgende maand, wnr de nationale feestdag weer samenvalt met mijn verjaardag... 11oktober dus, krijg ik de eer om welgeteld 29kaarsjes uit te blazen van de taart die mijn moeder niet klaar heeft staan als ik het ouderlijk huis bezoek. Zo een groot feest hoeft het trouwens ook weer niet te zijn. Ik zal het nog wel een paar keer in mijn leven deftig uithangen, maar een 29ste verjaardag is nu ook weer niet zo speciaal. Ik plan om het varken uit te hangen als ik de kaap bereik van 30jaar, dat is zo een ongeschreven regel in het leven dat je met uw 18de en 30ste verjaardag een heus feest gaat geven. En bij voorkeur zijn het dikwijls vrienden die er een heus verrassingsfeest op nahouden om u met een list ergens te kunnen droppen waar er een heel feestje voorzien wordt voor u dus, de jarige.   In elk geval, zal deze 29ste verjaardag er mij wel aan herrineren dat ik mij al 10jaar in het trotse bezit mag beschouwen van een rijbewijs type B. En dat moet zeker gevierd worden. Ik ben slecht in verrassingen geheim te houden en pas te overhandigen wnr de tijd er rijp voor is. Ik doe mezelf alle eer aan door het jubilieum te vieren met een tekst. Als dat geen shitty cadeau is?   Is 10jaar trouwens ook al geen relevante tijdspanne dat ik er nog even nostalgisch mag overdoen dat het in 2007 nog niet zo moeilijk was om een rijbewijs te halen? Ik was maar 2x gebuisd voor zowel het theoretisch als het praktisch examen. Dezer dagen is het nog moeilijker geworden, en al zeker als je mijn verstand en onzekerheid van toen zou kunnen overhandigen aan een jonge knaap van 19jaar anno 2017.   Mijn eerste wagen, was een Renault Clio. Nu een wagen kopen, dat gaat meestal gepaard met een stel goede voornemens. Deze voornemens gaan al even snel voorbij zoals de prijs die zakt van uw wagen als je er nog maar met naar buiten rijdt van de garage. Ik ging bijvoorbeeld niet roken in mijn auto, hem netjes houden, er niet onder invloed met rond rijden. Voornemens zijn naïef, ze zijn niet alleen kinderlijk en fantasierijk. Ze willen ons laten geloven dat oude gewoontes slechts oud zullen blijven. Met dat in mijn achterhoofd begon ik maar gewoon te roken in mijn autotje, kuiste hem hoogstens één keer op een jaar, werd verschrikkelijk lui door alle afstanden meer dan 25meter af te leggen met mijn Clio. Pinten pakken deed ik ook met mijn partner in crime. Belachelijke naam trouwens “Clio”.   Vanaf het grote avontuur kan beginnen dat je over al onze wegen kan gaan bollen hier in België en omstreken zijn er wel enkele zaken die je niet in de hand hebt. Het zijn zaken die teleurstellingen tot een gevolg dragen, namelijk de andere generatie die ook in het bezit zijn van een rijbewijs type B. Linksrijders, de bejaardenbond, moeders, vrouwen, homo’s... Er zijn naast files dus nog veel meer frustratie’s te bespeuren op de baan. Ik probeer mij de laatste tijd niet meer zo druk te maken in zaken waar ik geen controle over heb, maar als ik mezelf onder stress zet kan ik het niet laten om iedereen onderweg eens goed uit te schijten. Ik bereid mij mentaal al voor wnr ik eens moet uitstappen aan de volgende verkeerslichten, de action pants van Chuck Norris uit mijn koffer haal, de bandana van Rambo gecontroleerd over mijn hoofd vastmaak... En vervolgens enkele rake klappen uitdeel.   Het kan natuurlijk nog altijd erger, want toen de wegcode werd geschreven was er van Bart Van de Peer nog geen sprake. Ik had het veel beter gedaan... Voorrang van rechts kon mijn kloten kussen, ritsen deed je maar beter op tijd, camions reden enkel maar ’s nachts, voor mij werd het nooit rood licht, geen flitsmarathons om de staatskas te spijzen,...   Maar het ergste moet nog komen, voetgangers op kop van het leger des heils der zwakke weggebruikers. Het is blijkbaar een even groot zwak om voor de minderheid, de klagers, een gans wetboek speciaal aan hen te besteden. Ik snap niet dat er nog geen zebrapaden op de autostrade worden voorzien. Ik sta tegenwoordig op de lokale wegen mee aan te schuiven tussen letterlijk 100auto’s om mss een glimp te mogen opvangen van een bejaarde kwijler, en een moeder die met haar kroost oversteekt. Tegenwoordig brandt een rood licht ongeveer 13minuten. In vergelijking met het geluk dat je mag hebben als je toch eens zo een klager kan zien oversteken is dat verdomd een zeer klein gegeven. De kans dat ik morgen Euromillions win is groter dan dat ik van het andere gegeven eens getuige mag zijn.     Maar natuurlijk, een democratie is gebouwd op de fundamenten van een bende klagers over fijn stof, rokers op café, files, de overkapping van de ring in Antwerpen, de sinksenfoor op het zuid, het klimaat, ... Zwakke weggebruikers zijn klagers. En klagers krijgen altijd gelijk.   De wet van de sterkste of die van Murphy is voor rascisten. Als ik ooit zo eens een voetganger tegenkom zal ik er eens mijn gepeperde mening aan vertellen. Den afgekapte boom in vuilen aap! Over apen gesproken, ik zag vandaag op het nieuws dat minister van migratie Theo Francken bakken kritiek kreeg omdat hij Soedanese illegalen wil laten identificeren door een compartiment van diezelfde regering. Nu luistert goed, Soedan daar is het warm. Maar nu ook weer niet zo plezant warm als in Bodrum tijdens september. Er is daar een luguber figuur aan de macht, met name Omar al-Bashir... Basshie voor de vrienden. Deze man hebben ze in Den Haag al eens willen vervolgen voor de genocide in Darfur. Ik kan snappen dat mensen, apen, vogels, en nog van die dieren die alleen maar in Afrika voorkomen naar hier willen komen ondanks de regen.   Maar hoeveel stof er daar ook mag zijn, ze hadden vast niet verwacht hoeveel stof hun komst hier zou doen opwaaien. Er zouden 60 van die Soedanesen hier in België zitten, waarvan er 1 op de 2 een asielprocedure met onderscheiding kan afwerken. Dus als je dacht dat het examen voor een rijbewijs moeilijk is moet je maar eens polsen bij die bende negers hoe moeilijk het is om hier in fort Europa te willen komen wonen... Niet zo supermoeilijk me dunkt.   In ieder geval, de regering is niet tevreden over de communicatie waar onze Theo zich onderscheid van zijn andere collega’s. Over zijn manier van aanpakken werd echter niet gemoved, het waren klagers zoals de hooligans van écolo die van zich lieten horen. Theo werd met een nazi vergeleken.   Heel het land op zijn kop omdat er uiteindelijk 30 illegalen van Soedan in Brussel wat verlopen liggen te lopen. 30man... Een bus vol... Daar klagen ze hier over. En iedereen springt mee de bus om hun mening zeker eens te laten horen. Geen nood, iedereen komt aan de beurt. Als je een klager bent tenminste.   Maar is er hier iemand die voor mijn belangen eigenlijk opkomt?   Ahja wacht, dat ben ikzelf.

Bart Van de Peer
0 0