Zoeken

Lambiorix (10)

  Het meest recente maandblad van de Pittemse Krulbolvrienden lijkt een ware feestfolder. Normale geesten snakken naar uitbundige bezigheden. Samen zijn. Sociaal gedoe. Zelfs medelijden met de zwakke medemens of afkooksels daarvan zijn tegenwoordig aanleiding tot feestvieren. Neem nu die zieke initiatieven als warmere weken. Dan staat men ginds massaal op een plein om slechts wat te zwaaien en dat valse gevoel te krijgen dat men echt ergens toe bijdraagt. 's Anderendaags, wanneer  het toneeltje voorbij is, komen ze langs, de kuisploegen van de goegemeente, om de sporen van die komedie uit te wissen. Fletse glühwein zuipen zij en draaien muffe plaatjes voor vergeten mensen die hun beeldscherm laten slapen, de radio verkochten aan fanaten van laweit. Soms is het voor een kreupele, een manke ridder op een stokoud paard. Doe Lazarus een verse pamper aan! Hij zal geen wederopstanding beleven. Chot. Wat stinkt het in de verte. Die mengeling van geuren vol vergaan en mans urine zijn echt niet te tarten! Zo kunnen we geen party vrolijkweg beleven! Ouderdom, wezens die een eervol einde niet meer kunnen kiezen, het geleuter dat die randgevallen vaak verkopen, neen bedankt! Doe dan liever deze kille buitenwind, wat beelden op tv, vermeldingen van wie zijn spaarvarken voorbeeldig slachtte voor het oog van fiere zielen. We vergeten straks, de namen van de ongelukkigen, de initialen van degenen die dan toch gewoon verlegen hielden van hun afzondering. Zolang de huur maar betaald is, de erfenis op voorhand schoon geregeld en ze vereffend worden, al die facturen van De Instelling. Hoeveel franken gaan wij op dat feest doneren voor een rein, gerust gemoed? Hoeveel moeite gaan we doen om in te kunnen slapen met een trots gedacht? De Pittemse Krulbolvrienden zijn al even erg. De jaarlijkse Zomerbarbecue zal weer gehouden worden, daar waar Ignace en ik eeuwenlang opgesloten zaten. Hoera dus? De Pittemse Krulbolvrienden zullen de dolle mens met al zijn gebreken eer aandoen door een grillfestijn te houden! Desalniettemin en ondanks alles. Hannelore stelt voor dat we gaan! Lambiorix zal daar immers zijn en Hannelore met haar wilde streken is te vinden voor verwerking in een zatte bui. Alles mag dan in een roes gebeuren en ja. Ignace mag ook mee. Sappig varkensvet mag uit die worsten druipen op dat hete rooster. Oké en voor akkoord. We zullen ons eens laten gaan daar in Ons Instituut, temidden al die Krulbolvrienden en alles, dankzij Lambiorix!     uit de reeks 'Roeland Wittebolle'

Bernd Vanderbilt
0 0

Angelo's dochter

Angelo’s dochter                                                 ‘Wat! Kom je met de feestdagen niet thuis?’     ‘Nee pa, sorry, er is wat tussen gekomen. Ik ga met Fred op vakantie naar Schotland.’ Angelo drukt de telefoon vaster tegen zijn oor en zegt  geïrriteerd: ‘Maar je zit al een half jaar in Londen. Is het nou niet tijd dat je een keer naar huis komt. En wie is Fred dan wel? Ik wist niet eens dat je een vriend had.’     ‘Ik begrijp dat jullie het niet leuk vinden dat ik niet kom… Maar door Fred is mijn leven nogal veranderd en dat…’     ‘Ja, ja, ja, je kent hem dus pas en nu ga je al met hem op vakantie, zonder dat je moeder en ik kennis met hem hebben gemaakt. Wat is het voor iemand? Hoe oud is hij, wat doet hij voor de kost en is hij vrijgezel?’       Angelo kijkt veelbetekenend naar zijn vrouw die ingespannen de woorden van haar dochter probeert in te vullen.      ‘Ja, hij is vrijgezel en erg sympathiek, jullie zullen hem vast heel aardig vinden. Hij is wel wat ouder dan ik.’     ‘Wat bedoel je met wat ouder?’     ‘Nou ja, hij is achtendertig jaar.’      ‘Wat zeg je! Dan is hij twintig jaar ouder…? Wat moet mijn dochter met zo’n ouwe kerel? Dat kun je je ouders toch niet aandoen?’     Angelo brult het bijna door de telefoon. Zijn hoofd is rood gezwollen van kwaadheid. Zijn vrouw komt geschrokken naar hem toe en pakt de telefoon uit zijn hand.     Marit liefje, met je moeder’       'Hallo mam, zegt ze snikkend. Waarom gaat pa zo te keer. Ik ben toch geen klein kind        meer. Ik ben achttien jaar en ik wil mijn leven zelf indelen.’      ‘Ja meisje, je vader is nu eenmaal driftkikker dat weet je, maar vertel eens hoe is het met je?’      ‘Heel goed mam, ik heb een man ontmoet. Hij heet Fred en ik hou van hem.’     Angelo ergert zich aan zijn vrouw die met haar dochter praat of er niets aan de hand is. Demonstratief loopt hij de tuin in naar de schuur. Heb ik daar nou al die jaren voor geploeterd, om dat kind aan de eerste de beste ouwe smeerlap  mee te geven?     Als hij voor zijn Harley-Davidson staat bedaart hij. Liefdevol streelt hij met zijn hand over het zadel, pakt een doek en gaat de toch al glimmende machine verwoed verder oppoetsen.     Als hij drie kwartier later weer binnenkomt, legt zijn vrouw net de hoorn op de haak.      Angelo loopt naar de ijskast, pakt een blik bier en zet het aan zijn mond.      ‘En…, ben je nog wat aan de weet gekomen over die vent. Wat doet hij voor de kost. Of is het weer zo ‘n klaploper als die vorige verkering van haar?’      Zijn vrouw kijkt hem met een spottend lachje aan en vraagt: ‘Angelo, schenk mij ook eens wat in?’      ‘Zo midden op de dag? Dat ben ik niet van je gewend.’     ‘Die Fred waar jij zo een probleem van maakt is een  hardwerkende man. Hij is zo bezig dat hij miljonair is’     ‘Wat zeg je me nou?’      ‘Ja… en nog iets. Hij is de grootste importeur van motoren uit Japan en de Verenigde Staten in Groot-Brittannië’      ‘Wel allemachtig!’      Angelo zit er verslagen bij. Zonder dat hij het merkt drukt hij zijn halfvolle blik bier in elkaar.     ‘Uit Amerika…? Dan importeert hij ook Harley-Davidson!’       ‘Inderdaad en ik heb met Marit afgesproken dat zij na hun vakantie een paar dagen naar Holland komen. Of vind je dat geen goed idee?’     ‘Uhhhh…, ja natuurlijk dat lijkt me geweldig. Weet je wat, ik zal haar kamer een verfje geven. En als ze er zijn kunnen we gezellig met zijn allen mosselen gaan eten in de bowling. Misschien is het ook leuk om een dagje naar Volendam te gaan, daar kun je in klederdracht op de foto dat lijkt mij leuk voor zijn familie.’   

Krasslanskyp0⁰
7 1

Lambiorix (7)

  Wij lazen veel Ignace en ik. Toen wij in De Instelling verbleven klom de tijd immers op de muren om daar een gevecht te leveren met een wolfspin. Boeken die Ignace nooit zou lezen waren romans die in hun zielige tijd als shockerend beschouwd werden. Bij wie een Vrije Geest bezit, heeft dat geen enkel effect, zo zei hij. Dergelijke boeken zijn slechts aantrekkelijk voor zielen die lelijk genormeerd werden door joodse, christelijke of kleinburgerlijke gedachten. De motivatie van schrijvers om dergelijke flauwe schunnigheden op papier te zetten, is van povere oorsprong. De ontzetting die gezocht wordt bij een lezer, die dan verondersteld wordt preuts te zijn, is even banaal als de leefwereld die men probeert te ergeren. Igance vatte dit samen met de woorden: Het zou ridicuul zijn mocht een Vrije Geest dat steekspel met te vergeten middeleeuwse normen nog enigszins als verlichtend ervaren. Neem nu Mieke Maaike's obscene jeugd van Louis Paul Boon of Lolita van Vladimir Nabokov. Geen haar dat eraan dacht om dat te lezen. Voor Ignace was het uitgesloten dat een wezen met enige filosofische maturiteit daar tijd aan zou besteden. Het is slechts shockeren om te schockeren in een era dat al te preuts en benepen was. De gedachte dat zij noodgedwongen deel uitmaakten van een bekrompen gemeenschap, getuigde enkel van infantiele onmacht. De idee dat geesten die zich gevangen voelden dat betuttelende gedoe niet zomaar konden overstijgen, de noodzaak die zij voelden om zich daar tegen af te zetten, getuigden enkel van even grote bekrompenheid. Dixit Ignace, die in De Instelling danig mijn geestesbroeder werd dat ik hem citeren kan alsof hij in mijn hart kwam leven.     uit de reeks 'Roeland Wittebolle'

Bernd Vanderbilt
0 0

Vakantievrienden

Op tiendaags jeugdkamp in het noorden van Belgisch Limburg in ‘Bosland’, een wondermooi gebied van net geen vijfduizend hectare, leer ik Arnaud kennen. Net voor de grote vakantie zijn wij beiden dertien geworden.Wij slapen in tenten die door de nabijgelegen legerkazerne werden afgedankt. Vandaag trekken wij naar de Hechtelse Duinen. Sommigen noemen het de grootste zandbak van Vlaanderen.‘Waar kom jij vandaan?’ vraag ik Arnaud.‘Ik kom uit Duinbergen’, zegt hij.'O, woon jij daar? Duinen zijn toch geen bergen’, grap ik.‘Neen, maar onze duinen liggen aan de Noordzee en als je op de zee vaart lijken ze wel een beetje op bergen.’‘Ik ben nog nooit aan zee geweest. Ik kom uit Sint-Joost-ten-Node.’‘Dat dorp ken ik niet. Is het ver van hier?’‘Het is geen dorp. Het is een van de negentien gemeenten die samen de hoofdstad Brussel uitmaken.’‘Dan woon jij dus in een stad?’‘Jazeker. Het is er superdruk. Naar het schijnt zijn wij de kleinste maar tegelijkertijd de dichtstbevolkte en armste gemeente van het land.’‘Interessant om weten. Duinbergen ligt vlakbij Knokke, dat is denk ik wel een van de rijkste gemeenten. Weet je dat de duinen bij ons uit wit zand bestaan?’‘Hoezo, niet geel zoals hier in Hechtel?’‘Neen, het strand bij ons is wit, maar niet zo wit als de kusten die je soms in vakantiefolders ziet.’ Al snel worden wij boezemvrienden. De tien dagen vliegen voorbij en binnenkort is ook de vakantie om. Bij het afscheid zegt Arnaud dat ik hem snel eens aan zee moet komen opzoeken. Dan kan hij mij het witte zand van zijn bergen tonen. Zelf heb ik hem niet gevraagd naar Brussel te komen. De armtierige buurt waar ik woon is niet meteen de plaats om een vriend te ontvangen.

Vic de Bourg
17 1

Wifi-slurpers

Daar zit hij dan. De wifi-slurfer. Zijn ogen verankerd aan het scherm, de blauwe gloed als een vloeibaar masker over zijn gelaat gegoten. Een nomade van de bandbreedte, een digitale schaduw zonder vaste grond. Hij zwijgt en zuigt, slikt en slurpt, een bedelaar zonder hoed, een dief zonder lockpick — een dwaalgast die leeft van signalen die niet de zijne zijn. Hij glijdt door de stad als een windvlaag zonder naam, tastend langs cafés, sluipend langs bibliotheken, snuffelend naar een zwak wachtwoord, een gastnetwerk dat zich argeloos opent als een deur op een kier. "Gratis wifi," mompelt hij, een mantra, een wichelroede die hem leidt. Zijn god? Een stroom van nullen en enen, onzichtbaar en alomtegenwoordig, een fluisterende geest die hem voedt, hem draagt, hem — ironisch genoeg — verbindt. Ik aanschouw hem en vraag me af: ben ik echt anders? Ook ik leef van etherische golven, ook ik klamp me vast aan onzichtbare netwerken om mijn stem de wereld in te sturen. Wie ben ik om te oordelen? Ik, die net als hij gevangen zit in de ongrijpbare draden van dit digitale web. Ik schrijf, knedend aan taal als aan deeg dat zichzelf opeet. Maar zonder wifi? Dan zouden deze woorden verdampen in de leegte. Misschien is hij geen parasiet. Wellicht is hij een pionier. Een zendeling van het informatietijdperk, een zwijgende sjamaan die slechts neemt, nooit geeft. Of — en dat ligt voor de hand — een schaduw die leeft van de kruimels van andermans data, zich vastklampend aan een illusie van toegang, een stille echo die niets creëert en alles consumeert. En toch, op een vreemde manier, ben ik jaloers. Waar hij enkel ontvangt, ben ik gedoemd te zenden. De wifi-slurfer slikt en zwijgt … en slurpt. Ik denk, ik schrijf — ik schep — en wat is vermoeiender dan scheppen in een wereld waar alles al geschapen is? Terwijl hij zwijgend slurpt, blijf ik schrijven. Misschien is hij de slimste van ons beiden — of is hij gewoon de vrijste. Mephis (aka) Evelyn Mérida 

Mephis
12 1

Lambiorix (5)

  Als er twee wezens zijn die mij, Roeland, recht houden, ook het gevoel geven dat ik echt besta, dan zijn dat Hannelore en Ignace. Als er twee plaatsen zijn, waar ik me echt thuis kan voelen, dan zijn dqt het huis, de tuin van Hannelore en dat frietkot te Sint-Michiels. Daarnaast ervaart elke ziel die zich wat ongedwongen probeert te voelen het al zeer snel: Vlaanderen is een uitermate enghartige streek, zo pietluttig en benepen dat het vaak aangenaam is om weg te kruipen in kleine paradijzen van vrijheid, in afzondering te gaan van die vastgeroeste menigte. Ignace en ik, wij hadden tijd zat om gedachten te wisselen toen wij samen in De Instelling zaten. Hij was wel meer een bron van inspiratie voor mij dan ik dat voor hem kon zijn. Zijn blik op de wereld is danig scherp dat velen zich gekwetst voelen wanneer hij ongeremd zijn mening geeft en die wereld waarin wij leven blijkt bij momentenn danig preuts dat men daardoor zelfs in de problemen kan geraken. Ignace kwam in De Instelling terecht na een Vonnis op basis van Middeleeuwse Gebruiken inzake Kuis Gedrag. Ik zat daar omdat ik nog geen achttien was en mijn ouders dat op een Zieke Zondag zo beslisten , nadat zij op een Zielige Vrijdag dat besproken hadden met een Dokter in Geesteswelzijn. Zij dachten met z'n drieën dat zo'n Opsluiting mij Goed zou doen. Zo ver is men geraakt, hier in dit Platte Land met zijn Moerassen uit 1302, met zijn Vlaamse Klei waarin het altijd ploeteren is om vooruit te geraken. Het is zoals Igance het zei. De Franse Revolutie is niet veel verder geraakt dan de Ridders in 1302. De Verlichting heeft de Vlaamse hoofden nooit gevonden. De vaardigheden in kritisch denken van die Noorderlingen, die wijzere Opstandelingen, zijn helaas nooit in de genen van de Vlaming verschenen. Het is al die tijd gebleven wat het al sinds mensenheugnis was, een lomp en bekrompen boerenvolk.     uit de reeks 'Roeland Wittebolle'

Bernd Vanderbilt
1 0

Lambiorix (4)

  Het is dankzij een oorlog, dankzij die onnozele drang om voor een half vaderland te vechten dat de liefde tussen Hannelore en mijzelf mogelijk geworden was. De partner van Hannelore was een Oekraïense jood die eerst in de Dombas Russen in de kop ging schieten en eenmaal hem dat tegelijk begon te vervelen, daarnaast ook tot weinig overwinning leek te leiden, heeft hij zich laten inlijven bij het Israëlische leger. Hoe Hannelore ooit op hem verliefd geworden is? Blinde hormonen moeten de oorzaak geweest zijn. Deze man, met naam Gideon, bleek immers een wanschepsel te zijn, een monster dat zich met kermende zielen voedt, die ervan geniet om laatste adems te zien verdwijnen in de wind. Toen Hannelore mij voor het eerst en tegelijk zeer intens zoende, voelde dat voor ons beiden als een verlossing, een bevrijding van wat een dwaling geweest was. Zij wierp herinneringen aan de taaie huid van Gideon van zich af als een mantel die te stroef en kil geworden was. Tegelijkertijd verdween de zinloze twijfel die ik had. Ik was niet je jong voor haar, we voelden geestelijk verwantschap en haar lichaam liet zich graag beminnen door die schaamteloosheid die ik in mezelf begon te ontdekken. Ze heeft mijn maagdelijkheid gestolen op een manier mooier dan ik had durven dromen. De rijpheid die haar zo mateloos met erotische verlangens vulde, was een godgeschenk dat een duivelsengel voor ons stal uit een gutsende vulkaamond.     uit de reeks 'Roeland Wittebolle

Bernd Vanderbilt
0 0

Flying Fish Brewery

  Luchtballonnen. Runderen. Zeppelins. Er is ook de piloot die een guppy achternazwemt in het aquarium en elke vlinder weet het. Snelheid is voor de gevleugelden in ijle lucht. Scherpe schaatsen op het ijs proberen morgen ook. Ver weg. De koelkast zwijgt en ik doe dat altijd langzaam. Deuren openen naar wintertijd en warme dromen. Het geluk schuilt meestal onderin, waar het witloof van de duisternis niet veel verlangt en omdat zij dat wil, streel ik de pan die zich dat schroeien van het vlees altijd herinnert. Lades schuiven alles zuiver weg. De rust durft weer te ademen en ik hoor ze zuchten. Luchtballonnen. Zeppelins. Misschien een mannetje van Michelin dat naar een opblaaspop verlangt.  Dit alles laat zich zomaar zien. In dit glas. Dat mij zo bedriegt. Het verleden laat mij ook niet los. Ik herinner mij die val. Ik de treurwilg en zijn stam omarmd. Vlak onder de zon. Ik zag ze daar zeer goed. Wolken. Bezeten door een grauwe geest. In de verte graasde zij toen ook, moeder koe die nog dat mauve kalfje had. Het wankelde zoals onzekerheid dat doet wanneer de vrees haar tot een dansje dwingt. De piloot werd het moe daar in die visbokaal. Hij wilde gewoon vliegen. Hij werd gevaarlijk, heeft ook echt de goudvis die ik had de keel overgesneden voor een huivering die zich verveelde. Rood werd het water en er kroop reclame uit een doodziek beeldscherm. De stier werd verhemeld. Vleugels in de aanbieding voor zielen die niet eens aan vliegen dachten. Wat ik toen zeer fijn vond en zich nu ook heerlijk voelen laat, is die frisse bries. Zij belooft veel aan het lichte. Misschien mag ik wel.mee. Met haar. Die libelle. Donker. Blauw. Met zwarte schijn. De duikvlucht die zij neemt naar het lokkende einde is bijzonder schoon.     uit de reeks 'Reizen met Ricky'

Bernd Vanderbilt
0 0

Een spook

“Ik had je dit liever persoonlijk verteld, Petra, maar ik heb op dit moment weinig tijd, dus moet het maar even zo. We hebben scripts en correcties aangetroffen die alleen maar van Hem kunnen zijn en we hebben ook contact gehad met Hem, met andere woorden, Hij leeft nog en Hij heeft het werk dat Hij voor ons deed opnieuw opgenomen. Daar zijn wij blij om, heel blij, wat meer is, de vergoeding die Hij daarvoor van ons krijgt, zal op jou rekening gestort worden, je gaat dat merken, dat zal één van de volgende dagen gebeuren. Dat is zo met Hem afgesproken. Ik neem aan dat Hij ook nog wel contact met jou zal opnemen, maar dan weet je dit tenminste al. Ik denk dat Hij er dus toch in geslaagd is om aan Zijn tegenstanders te ontkomen en zich ergens veilig te vestigen, waar dat is, kan ik helaas niet zeggen, één omdat ik het niet zou mogen zeggen en twee omdat we het niet kunnen achterhalen. De locatie van zijn pc is niet traceerbaar. De scripts lijken van overal en nergens te komen. Erg ingenieus, maar van Hem zijn we dat gewoon, denk ik. Het is dus goed nieuws dat ik voor jou heb, nogmaals mijn excuses dat ik niet de tijd heb om het jou persoonlijk te vertellen. Voor de rest zal je mij normaal niet meer horen.”1’10”. Ze beluisterde het bericht nog een paar keer, ze wandelde rond in het huis. Shania en Loredana keken naar een Italiaanse Don Matteo op tv, die een moord moest oplossen op een boekhouder die als zelfmoord in scène was gezet. Ze keken vreemd op, maar lieten haar haar doen. In de inkomhal ging ze op de eerste trede van de trap zitten. De koude van de tegels drong door haar jeansbroek heen. De spotjes in de muur naast de trap wezen de weg naar boven aan maar ze bleef zitten.In haar mailbox van haar outlookadres kreeg ze bijna gelijktijdig een mail binnen, niet eens in haar spam. Er stonden een heleboel vreemde tekens in en daartussen een tekst aan haar gericht.“Lieve lieveling, ik ben geen spook, ik ben een slim computermodel, ik besta enkel op servers en computers over de hele wereld. Het spijt me dat dit zo moet lopen en dat jij hier doormoet. Je hebt net gehoord dat jij al het geld krijgt dat het computermodel genereert bij de bevoegde instanties. Dat zal veel zijn. Jij verdient dat, je bent zo veel beter dan al de rest. Vergeet mij niet. Ik hou van jou, heel veel. Dikke digitale zoen. P.S. Deze mail verwijdert zichzelf.”En dat klopte. De mail verdween en het leek alsof ze het gedroomd had. Alsof Hij inderdaad ergens naartoe getrokken was en van daaruit mails stuurde, alsof Hij niet aan dat touw had gehangen hier in de hal en alsof ze Hem niet verspreid en in stukken overal en nergens in de aarde begraven had.Oké, dacht ze. Dit kon er nog wel bij.Ze opende de bankapp op haar telefoon en bekeek haar persoonlijke rekening. Daar stond nog steeds de tweeduizend en een beetje euro op van haar laatste loon in de frietfabriek. Hoe lang geleden was het dat ze daar nog op gekeken had, op dat rekeningnummer, dacht ze. Op haar persoonlijke spaarrekening stond 10962 euro. Dit had haar leven kunnen zijn, dacht ze. Had ze nu geluk gehad of niet met al dat geld dat haar richting uit was gekomen en dat er nu nog extra bij kwam?“Alles in orde, Petra?” vroeg Shania toen ze de glazen livingdeur opende, “je ziet zo bleek.” Don Matteo’s mond stond halfopen, hij zat met zijn zwarte soutane op zijn fiets en wees naar iets rechts buiten het beeld. Loredana had de serie op pauze gezet.“Ik denk dat het politie ofzo was. Ze zeggen dat Hij nog leeft en dat Hij voor hen aan het werk is. Zijn loon wordt op mijn rekening gestort.”“Maar natuurlijk leeft Hij nog Petra, wat had je anders gedacht? Hij is met de noorderzon vertrokken, dat is alles. Het is bijzonder dat Hij al Zijn geld aan jou gegeven heeft, maar Hij zal zich schuldig voelen, zeker, en Hij kan zich ook maar beter schuldig voelen, nadat Hij jou zo in de steek gelaten heeft.”“Ik begrijp er niks van. Ik had precies liever gehad dat Hij er niet meer was.”“Kom even hier tussen ons in zitten, kom Shania, we maken een beetje plaats.”Shania en Loredana legden hun hoofd op Petra’s schouders en omsloten haar met hun armen, hun benen helemaal op elkaar en verstrengeld. Petra staarde naar Don Matteo die nog steeds naar rechts buiten het beeld wees. Een paar minuten later roerde Noëlla zich, het schermpje van de babyfoon lichtte op.“Ik haal haar even op. Ze zal honger hebben.”Even later zaten ze met hun vieren in de zetel naar de wijzende Don Matteo te kijken, Loredana had Noëlla aan de borst gelegd.

Hans Van Ham
25 0

Lambiorix (3)

17+ Wie de benaming Onze-Lieve-Vrouwe-Kapel-met-Treurwilg niet romantisch vindt is wel erg imbeciel. Het ding is aan de nauwe kant, ligt aan een drukke baan te Ardooie maat dat kan ons niet schelen. Aimé van de Pittemse Krulbolvrienden heeft daar ooit eens melding gemaakt van dit kapelletje en zijn relaas van de fietstocht die de Vrienden georganiseerd hadden, en toen tante Hannelore de naam van dat christelijke vluchtoordje gelezen had, heeft ze in mijn oor gefluisterd: Lieve jongen, daar wil ik me wel eens in een maagdelijke sluiertje voor je kleden en op dat bankje mag mijn Innerlijke Ondeugd herontdekken en doen alsof het de Eerste Keer is. Wat is zij overheerlijk mijn tante Hannelore. Ik hoef zelden te spreken. Ik fluister wanneer haar huid daarom vraagt met het puntje van mijn tong in tinteltaal. De twee kaarsrestjes die het vuur voelden, staan daar nog steeds na te genieten met hun ene beenstompje in de kraag van lege flesjes Lambiorix. Het is ook helemaal niet zondig wat daar gebeurt tussen Hannelore en mijzelf. Zonde is een betuttelend woord gebruikt door de stem van preutse vooroordelen. Ontucht heeft trouwens slechts enige betekenis van malaise, of zorgt enkel voor een rare zwarte, misschien ziekelijk opwindende bijklank in het hoofd, de oren van een genormeerde sterveling. Om diezelfde reden zullen Hannelore en ik ook noot lid worden van die muffe club met zijn Krulbolvrienden. Tante steunt ze wel en ik help daarbij. Wij drinken samen immers best veel Lambiorix en de kassa van de Pittemse Bolrollers krijgt daardoor ook  een extra duit in zijn muiltje, maar dat is eigenlijk slechts bijzaak.  Hoofdzaak is de bijdrage van dat bier aan ons genot. Wat niet ontkent kan worden, is dat ze daar verdraaid fleurig kunnen brouwen wanneer ze eens iets anders doen dan bollen. De smaak is vol, is zo tof fris  en ik moet het toegeven, wanneer er een beetje Lambiorix over haar tietjes naar beneden sijpelt tot langs haar poesje... Gosh! Het is één en al harmonie van mijn geliefde sapjes. Met dank aan Tante Hannelore, haar Poesje en de Pittemse Krulbolvrienden.   uit de reeks 'Roeland Wittebolle'

Bernd Vanderbilt
0 0

Lambiorix (2)

17+ Tante Hannelore was een globetrotter. Nu woont zij in een eigen wereld waar zij gewoonweg een raadsel gebleven is. Wanneer de thermometer het een beetje warm krijgt, kleedt zij zich meestal uit, maar ik vind dat niet erg, vroeger niet en later zal dat ook zo zijn. Wij kweken samen veel in haar tuin en fruitgaard. Meloenen. Limoenen. Pompoenen. Op een dag zei ze tegen mij: Omdat je zo'n schattige oen bent, wil ik mij omringen met natuur die op -oen eindigt. Zo is dat dus gekomen, die passie voor oen. Zij heeft inmiddels ook al parelhoenen die uit eitjes kwamen. Er leven eveneens schorpioenen in een soort van couveuze. Ze perst altijd zeer graag citroenen uit en ik heb ook eens een kleine harpoen gemaakt. Wat wil je daarmee vangen?, vroeg zij mij. Onderwaterdromen? Bellen uit een dolle bron? Ze kust bovendien zeer graag Zoetjesweg. Het groen achter mijn oren. Echt. Alles wat een beetje oen in zich draagt, maakt ons werkelijk blij. Toen werd ook gelukkig, wanneer ik achttien werd en zij sprak: Nu mag dat ook, maar bevrucht mij niet. Dat is niet toegestaan. Coïtus interruptus. Ze zag het telkens in mijn ogen. De timing werd zelfs wondergoed. Ik mocht ejaculeren op haar buik. Het mocht in haar navelputje eindigen of haar borsten bekladden. Daarna dronken we samen Lambiorix. Ze bladerde echter zelden in het Maandblad van de geremde Pittemse Krulbolvrienden, die haar onverschilllig lieten en zomaar het alledaagse toelaten tot een hart, dat gaat ook niet! Zij hield immers immens veel van mij, van mijn levendige ballen, die ze wel eens zoenen wilde in die groenselhof op momenten dat ik het niet verwachtte.     uit de reeks 'Roeland Wittebolle'

Bernd Vanderbilt
0 0
Tip

Lambiorix (1)

  Het mocht niet zijn voor Carine Van Keirsbilck. Vorige week is haar poedel platgereden en tot overmaat van ramp zal er niets veranderen aan het clublogo van de Pittemse Krulbolvrienden. Het voorstel van Carine om voortaan een leeuw te laten figureren die zich aan een bolworp met waagt, werd algemeen weggelachen, unaniem verworpen. Carine stemde vóór. Als enige. Gij zijt zo zot gelijk een achterdeur, had Etienne zonder enige gêne geroepen en het moge gezegd zijn. Het is haast niet te geloven hoe die flaminganten domweg denken dat zo'n beest, dat hier nergens leeft, symbool zou kunnen staan voor eigenheid. Iedereen is zo uniek als hij of zij zelf is! Soms moet men eens op tafel kloppen, ook al zit men ergens moederziel alleen, in de uithoek van een zieke natie, aan de rand van een loom loofwoud, dicht bij de oever van een kreek vol dikkoppen, slechts wat brood van gisteren te eten. Ik, Roeland Wittebolle, ik maak een fietstocht. Zo dacht ik bij het krieken van de ochtend. Ik rijd naar zo'n landschap dat om eenvoud bedelt, eet daar een boterham aan een openbare picnictafel en stop op de terugweg bij die onvermijdbare Hannelore. Wij zij echt zot van elkaar, tante Hannelore en ik. Je mag dat gerust weten. Daarnaast en van ondergeschikt belang, maar ik vermeld het toch graag. Lambiorix is een eigen brouwsel van de Pittemse Krulbollers! Aimé is de secretaris van dat gezelschap. Het is Aimé die de clubblaadjes verstuurt en aangezien Hannelore steunend lid is, krijgt zij ook een exemplaar toegestuurd. Lambiorix dus. En Hannelore koopt dat bier ook echt voor mij. Het houdt de geest één nacht dapper en daarna mag de ziel drie etmalenlang van al zijn nietigheid genieten. Mijn allerliefste Hannelore weet dat ik zoiets gebruiken kan. Zij voelt dat altijd zo verduiveld goed aan wat ik echt nodig heb en zij kan mij beestig goed verwennen.     uit de reeks 'Roeland Wittebolle'  

Bernd Vanderbilt
44 0

Het vet van mager zijn

  Narcissen zij moeten altijd lijden, wachten op een zot die met de scharen van een kreeft hen eindelijk bevrijden komt. Alle bollen in de grond zitten bovendien te vol met wrede drang om kleuren vast te leggen in een bloem. Behalve kluizenaars die dolgraag eenzaamheid verkrachten, weet echt iedereen hoe het fijn is een vriend te hebben die een vreemde geest kan lezen, voelen laat dat zelfs in duisternis twee vuurvliegjes alles samen kunnen zien. En toch, zegt Ignace, is alles slechts verzonnen. Tweelingen. Vissen. Zij kunnen niet eens vrijuit zwemmen door dat eindeloos heelal. Ik knik en wij drinken opnieuw, urenlang en zonder zonde, glazen vol met Mort Subite. Wij zijn redelijk gerust. Onze binnenkandse vluchten zullen nimmer crashen met een zwarte Black Hawk helikopter. Bovendien, vriend Bernd, zo zegt Ignace, de winter hoeft niet zomaar vrezen dat een lente hem weer komt vermoorden. Twijfel met frieten en Andalosersaus. Twee porties zijn besteld en ik hoef dat ook niet te bevestigen aan Ignace dat zekerheid mij echt niet kwelt. Ja, en geloof mij maar wanneer ik zeg dat zelfs Descartes een paranoïde geest had die best lelijk ijlde.  Net zoals volwassen die hier komen en aanvankelijk nog twijfelen of Alfred Frietkabouter deze frituur werkelijk al jaren openhoudt, zo moest ook Descartes eerst aarzelen en aannemen dat hij misschien niet eens bestond. Het is enkel een gek die deze vraag dan met de ogen dicht beantwoordt en gelooft dat wat hij denkt niet slechts gedroomd wordt door een zeemeermin diep in de oceaan. Zout. Maar niet veel. Frieten willen droge lippen niet ontmoeten omdat tranen omgeleid zijn naar de Dode Zee. Wij hebben echt geluk. Ignace en ik. Dat wij toch gewoon bestaan. Dat wij ware vrienden zijn die symbiose helemaal begrijpen. Samen houden van. Wij kunnen dat. Een kabouterfrietkot bezoeken bijna elke dag. Wij doen dat. Trouwens. Hier is het papier enorm groot. Groot genoeg voor olifantenporties. Het is papier dat balpennen over het bestaan vertelt. Hier geloven wij. In aardappelen. In aarde. Hier kunnen wij voelen. Hoe het is. Om tijdelijk gedompeld te worden. In het vet van mager zijn.     uit de reeks 'Alfred Frietkabouter'

Bernd Vanderbilt
5 0

SCHADEVERGOEDING

‘Ik loop wel even naar de Carrefour,’ zei Peter, alsof het de badkamer was.           ‘Zou je dat echt willen doen?’          ‘Natuurlijk,’ zei hij. ‘Waarom niet?’          ‘Omdat het leuker is om het niet te doen?’          ‘Ik zal Leo meepakken. Alles is leuker met Leo erbij.’          Lisa zette haar handen in haar zij. ‘Je zoon gebruiken om aandacht te krijgen van andere vrouwen? Niet netjes.’          ‘Ik heb Leo daar niet voor nodig.’          Lisa was wortelen aan het schillen. Een voor een hield ze ze boven een witte kom en ging met een dunschiller over het grillige oppervlak. Zo nu en dan bleef er een schil op de rug van haar hand plakken, die ze er met haar andere hand weer afpelde. De andere groenten – ui, knoflook, prei, selderij, tomaat – had ze al in kleine blokjes gesneden, en die lagen per kleur op een diep bord. Het geluid van haar koksmes tegen de eikenhouten snijplank was wat Peter aanvankelijk naar de keuken had gelokt.          Ze hadden het aan Pierre kunnen vragen. Sinds de allereerste dag dat Peter en Lisa hier woonden, had Pierre geen kans onbenut gelaten om hen te zeggen hoe blij hij wel niet was dat zij zijn nieuwe buren waren. Waarna hij een klaagzang afstak over de vorige huurder, die dj was en alle dagen exact tot tien uur achter zijn draaitafels had gestaan, speciaal om hem te treiteren. Maar zodra ze Leo hadden gekregen – nee, zodra Pierre wist dat Lisa zwanger was – was er niets meer van zijn geklaag, noch van zijn blijdschap overgebleven. En hun andere buren waren studenten. Van hen wilde je nog geen schoonmaakmiddel lenen, gesteld dat ze dat hadden.          Peter haalde Leo’s spullen voor buiten. Aankleden ging veel makkelijker nu hij kon zitten. Je moest wel bij hem blijven als je hem bijvoorbeeld op het aanrecht neerzette, zoals Peter altijd deed om zijn rug te sparen. Maar je hoefde hem tenminste niet meer op het verzorgingskussen te verrollen, en voor Leo was dat vast ook aangenamer. Het lastigste was zijn schoenen aantrekken. Gewoonlijk droeg Leo antislipschoenen. Die leken meer op sokken dan op schoenen en waren stroever om aan te trekken, hoewel de stof elastisch was. Een keer had Peter Leo’s voeten te hoog opgetild, waardoor het ventje achterover op zijn hoofd was gevallen. Zolang hij meteen begint te huilen, had de kraamverzorgende gezegd, is er niets ernstigs aan de hand. En dat was waar gebleken. Toch had hij het niet aan Lisa durven te zeggen. Sindsdien schoof hij Leo helemaal naar achteren, zodat hij met zijn rug tegen de vensterbank leunde. Als laatste zette hij zijn strikmutsje op en gaf hij hem een zoen op het voorhoofd, omdat hij er zo verschrikkelijk schattig uitzag – net een dikke waterpolospeler.          ‘Neem de kinderwagen,’ zei Lisa, terwijl ze de geschilde wortelen in stukken sneed.          ‘Het is maar tweehonderd meter,’ zei Peter. ‘In huis leg ik kilometers af met Leo op mijn arm.’          ‘In huis rijden geen auto’s.’          ‘Ik zal goed uitkijken als ik oversteek.’          Lisa zuchtte. ‘Doe wat je niet laten kunt.’          Peter negeerde haar laatste opmerking. Anders kwam er beslist ruzie van. De laatste tijd eindigde elke ruzie in dezelfde patstelling: hij was een flierefluiter die zich nergens iets van aan trok; zij een dramaqueen die van een mug een olifant maakte. Het probleem was dat het waar was. Alles gleed van hem af als water van een eend. Maar waarom zou hij dat willen veranderen? Wie was er ooit al beter geworden van piekeren? Lisa in ieder geval niet. En ze gaf het nog toe ook. Maar in plaats van ermee stoppen, nam ze hem kwalijk dat hij niet met haar meedeed. Op haar ergst had ze haar natte gezicht naar hem toegedraaid, als een wenende Madonna, en gepredikt: ‘Soms denk ik dat je dood bent vanbinnen.’ Dat leek natuurlijk zo naast iemand die te pathetisch was voor The Bold and the Beautiful.          Maar hij begreep het ook wel. Het was erg moeilijk geweest voor hen om zwanger te worden, en zoiets liet sporen na. Drie jaar hadden ze geprobeerd voordat ze medisch hulp hadden gezocht. Te lang, achteraf gezien. Maar ja, het was niet alsof ze zoiets al eerder hadden gedaan. En dan moest het eigenlijk nog beginnen: de inspuitingen (Lisa die haar buikvel tussen duim en wijsvinger nam om er een fijne naald in te drijven), de pick-up (Lisa’s follikels die door een dun slangetje werden leeggezogen), het afleveren van het spermastaal (de geluidloze porno die Peter daarbij moest helpen), de terugplaatsing (Lisa die met een volle blaas naar het ziekenhuis moest, zodat haar baarmoeder beter zichtbaar was op echo), de teleurstelling als de zwangerschapstest negatief was (en de daardoor gestegen verwachting dat het de volgende keer wel zou lukken) – en dat zes keer na elkaar, totdat de fertiliteitsarts zelf de handdoek in de ring gooide.          Kon je daarna het ouderschap nog wel onbevangen tegemoet treden?          Je hoorde wel eens zulke verhalen. Zodra ze ophielden met proberen, was het prijs. De een schreef het toe aan stress, de ander aan louter toeval. Wat het ook was, Lisa was zwanger. En dat was het enige wat telde. Althans voor Peter. Voor hem waren hun problemen voorgoed voorbij. Voor Lisa daarentegen begon een lang verwerkingsproces.          Peter deed zijn jas en schoenen aan, en wikkelde de sjaal, die Lisa voor hem had gebreid, om zijn nek. Het was een wollen sjaal met beige, gele en auberginekleurige strepen. Hij prikte niet, en de kleuren pasten goed bij zijn blonde haar. Maar hij zag er zo bohemien mee uit, en dat stoorde hem. Lisa had het in zijn blik gelezen, toen hij hem uit de verpakking haalde. Verrassend genoeg maakte dat hem op een moment als dit des te geschikter.          Hij pakte het dikke waterpolospelertje uit de wipstoel naast de keukentafel en gaf Lisa een eskimokus. ‘Maak je geen zorgen,’ zei hij en grijnsde. ‘Maak soep.’   * * *   Zodra hij de deur achter zich dichttrok, was Peter Lisa’s opmerking alweer vergeten. Buiten lag een wereld vol verrassingen die altijd een gevoel van verwachting in hem opriep. Zich bewust van dat gevoel hoopte hij dat Leo het later ook zou mogen ervaren. Het was overal, voor wie het wilde zien. Hij glimlachte en stak de straat over en liep langs het pad bij de rivier, waar je het hele jaar door – zelfs nu – kajakkers en suppers hoorde peddelen. Boven op een van de lantaarnpalen, die ‘s nacht het kronkelige pad verlichtten, zat een jonge kokmeeuw met nog wat bruin tussen haar witte veren. Het dier zag er niet al te best uit: mager en wankel op zijn dunne poten. Maar hij haalde het wel, dacht Peter. De dagen lengden, het weer was zacht en de eerste krokussen waren al ontloken. Toen hij bij de meidoorn aankwam, keek Peter waar hij liep, want daar was het pad het meest oneffen. Pas toen hij het bord zag, helemaal aan het eind, waarop de heraanleg van het pad werd aangekondigd, besefte hij dat het eigenlijk allang had moeten gebeuren.          Daar, op die plek, kijkend naar de letters op het aanplakbiljet, realiseerde Peter zich dat hij niet wist welke bouillon Lisa precies nodig had. Rund-, varkens-, kippen-, vis-, schaaldier- of groentebouillon? Voor hem maakte het niets uit. Voor Lisa eigenlijk ook niet, al besefte ze dat zelf niet. Peter had ooit witloofsoep gemaakt met visbouillon, en Lisa had niets gemerkt. Een flinke scheut room en wat gruyère erbij, en de vissmaak was zo goed als verdwenen. Maar aangezien Lisa degene was die nu de soep maakte, werd het soort bouillon ineens van levensbelang. Dus besloot hij haar maar even te bellen.          Alleen, hij had zijn telefoon niet bij zich. Die lag thuis in de woonkamer aan de oplader. Hij kon teruggaan – hij was nog maar halverwege – maar dan zou Lisa doorhebben dat hij zijn telefoon was vergeten, en dat betekende gezeur. Als hij haar alles liet bepalen, mocht hij niet zonder naar de wc.          Daarom besloot hij verschillende soorten bouillon te kopen, onder het mom dat het altijd handig was om in huis te hebben. Bovendien bleef bouillon jarenlang goed – of dat dacht hij toch. En tegen de tijd dat Lisa zou vragen waarom hij haar niet gebeld had, zou hij zijn telefoon allang weer in zijn broekzak hebben.          Tevreden liep Peter verder over de voetgangersbrug, die uitkwam bij de achterkant van de supermarkt, waar stinkende containers stonden en vrachtwagens af en aan reden om te voldoen aan de onophoudelijke vraag van de omwonende klanten.          ‘We zijn er,’ zei Peter tegen Leo, die kennelijk tegen de vrouw brabbelde, die een eindje achter hen aan had gelopen. De vrouw haalde hen in zodra ze door de schuifdeuren waren gelopen en glimlachte vertederd naar Peter.          ‘Je moest je schamen,’ zei hij, toen de vrouw weg was. ‘Ze had je oma kunnen zijn!’          Peter hield van deze Carrefour. Hij was niet zo netjes als de Carrefour waar hij vroeger met zijn moeder boodschappen deed. De tegels waren gebarsten, de reclameposters vergeeld, en hier en daar knipperde een tl-buis. Hij bevond zich dan ook, in tegenstelling tot die van zijn ouders, in de stad. Hier kon je onbeschaamd een sneetje brood in je mond stoppen voordat je had afgerekend. Hier keek niemand raar op als je een mango bij de ontbijtgranen achterliet omdat je je op het laatste moment bedacht. Als je dat buiten de stad deed, werd je niet zozeer door het personeel – al was dat niet uitgesloten – als wel door de andere klanten op het matje geroepen. Orde moest er zijn. Ja. Maar wanorde ook. En dat besefte die rijkelui niet. Als Alexander Fleming zijn petrischaal niet was vergeten af te dekken, had hij penicilline niet ontdekt. Iemand anders had het dan wel wat later ontdekt, akkoord. Maar hoeveel overlijdens hadden er niet voorkomen kunnen worden?          In de rayon sauzen en oliën zette hij Leo op de grond en liet hem kruipen. Leo schoot uit de startblokken als een opwindspeelgoedje. Peter ging voor de bouillonblokjes staan en bekeek de opties. Welk merk moest hij kiezen? Knorr, Liebig, Maggi, Carrefour? Of moest hij enkel rekening houden met de prijs? Hij zette een stap naar achteren en keek naar de gele, groene en bruine kleuren, terwijl met zijn hand zijn haar ging.          ‘Daar mag je niet komen, hoor!’ zei Peter.          Een paar meter verderop was een lege plek in het onderste schap, en Leo probeerde erin te klauteren. Hij was al halverwege, en zijn korte beentjes staken eruit, met de schoenzolen naar boven. Peter zou hem ongehinderd laten exploreren, ware het niet dat er zowel links als rechts van de lege plek glazen flessen stonden, gevuld met olie.          Toen hij zich bukte om Leo op te pakken, zag Peter een jonge vrouw de rayon inkijken.          Ze was niet veel ouder dan hij, had lang bruin krullend haar en woeste ogen die zich van de wereld leken af te keren. Haar kleren waren heel gewoon. Peter dacht zelfs dat Lisa dezelfde trui had: een rode, oversized trui van H&M. Toch leken ze niet bij elkaar te passen. Het had niets met slechte smaak te maken – afzonderlijk waren al haar kleren prima – maar alles met een vreemd soort willekeur die, om een of andere reden, Peters haren recht overeind deed staan.           De jonge vrouw wierp nog een blik op Leo, alsof ze iets overweging nam, en verdween.          Zocht waarschijnlijk een winkelmedewerker, dacht Peter. Vandaar de teleurstelling in haar ogen toen ze hem had aangekeken.          Hij pakte Leo op, nam een paar doosjes bouillon van het schap, stopte die in zijn jaszak en liep naar de kassa’s vooraan in de winkel.          In de rij kreeg Leo het te kwaad en begon te huilen. Peter had geen idee waarom. Het was nog geen tijd voor zijn dutje, noch voor zijn flesje, en hij had nog maar net een schone luier om – voor de zekerheid stopte Peter zijn neus in Leo’s broek: billenzalf. Misschien verveelde Leo zich? Peter verveelde zich. Die rij schoot maar niet op, en intussen was het binnen te warm voor een jas – waarom hielden ze daar geen rekening mee?          ‘Zullen we van Dulle Griet spelen?’ vroeg hij aan Leo, die nog niet helemaal overtuigd leek. ‘Zullen we het kanon nog een keertje afvuren?’          Terwijl hij Leo, die meteen ophield met huilen, een paar keer de lucht in lanceerde en weer opving, hoorde Peter twee oudere vrouwen tegen elkaar mompelen dat het onverantwoord van hem was. Hij negeerde hen. Het zou inderdaad onverantwoord zijn als zij het deden; ze waren er te oud voor. Zo oud, blijkbaar, dat ze zich niet meer herinnerde ooit jong te zijn geweest.          Het kwam uit de winkel.          Iedereen hield op met praten en keek elkaar aan. Zelfs de caissières stopten met scannen. Alleen de muziek, waarvan Peter zich tot dan toe niet bewust was geweest, speelde door. Sommige caissières stonden op om te kijken wat er aan de hand was, hoewel je, van waar ze stonden, niet veel meer kon zien dan nerveuze lichamen die chaotisch heen en weer renden tussen de metershoge rekken. Een winkelmedewerker, die het impulsrek bij een van de kassa’s aan het aanvullen was, deed iets op slot met een sleutel en zette het op een drafje in de richting van het gebrul.          Om dit geluid te kunnen produceren, moest je wel in een uitzonderlijke toestand verkeren. Het had de verontrustende intensiteit van chimpansees wier leider het leven liet onder de neerkomende vuisten van een rivaliserende troep.           Dit was doodernstig.          Enkele mannen maakten zich los uit de rijen. Peter wist dat hij het beter niet moest doen, maar hij kon de verleiding niet weerstaan. Hij kon best een kijkje nemen, vond hij, én op veilige afstand blijven. Het ging tenslotte om een dame in nood, niet om pistoolschoten. Trouwens, hoe moest hij de situatie correct inschatten als hij niet wist in wat voor situatie hij zich bevond?          Het was de jonge vrouw met de rode, oversized trui. Ze zat op haar knieën in het middenpad en sloeg wild met haar armen om zich heen. Tranen sprongen uit haar ogen, speeksel droop uit haar opengesperde mond. Zo te zien was niet gewond.          De winkelmedewerker, die daarnet op een drafje hiernaartoe was gelopen, zat naast haar op de grond en probeerde haar te kalmeren. ‘Waar hebt u …’ zei ze. ‘Mevrouw, waar hebt u voor het laatst … Mevrouw, probeert u toch kalm te worden! Het is erg belangrijk! Mevrouw …’          Toen zag Peter het winkelwagentje staan. Er zat een beetje van alles in: groente, fruit, brood, beleg, ontbijtgranen, melk, frisdrank, wc-papier en wattenstaafjes. Maar ook verschillende potjes babyvoeding, vochtige doekjes en een pak luiers. Later zou Peter zich vooral de handtas van Louis Vuitton herinneren, en de bijbehorende gedachte dat de jonge vrouw zich die, tenzij ze nep was, helemaal niet kon veroorloven.          Maar wat zijn aandacht werkelijk trok, was de Maxi-Cosi, dwars over het winkelwagentje, zonder baby erin.          Een andere winkelmedewerker, een jobstudent waarschijnlijk, want hij zag er tamelijk jong uit en droeg een ander uniform, kwam bij zijn collega staan en vroeg wat er aan de hand was.          ‘Ga Pol halen!’ zei de winkelmedewerkster.           ‘Wie is Pol?’          ‘De bewakingsagent,’ zei de winkelmedewerkster, zonder zich te ergeren. Daar scheen ze geen tijd voor te hebben. ‘Zeg tegen Pol dat hij alles onmiddellijk afsluit. Niemand mag er nog in of uit!’          De jobstudent zette het op een lopen.           ‘Als hij niet bij de ingang staat, zit hij in zijn kantoor!’ riep ze hem na. ‘Recht tegenover de kantine!’          Zodra hij hoorde dat ze de winkel gingen afsluiten, besloot Peter zich uit de voeten te maken. Dit zou weleens lang kunnen duren. Misschien raakt hij hier nog op tijd buiten. Met of zonder bouillon. Verkochten ze bouillonblokjes bij de kruidenier?          Toen hij de rayon met tijdschriften uitliep, die uitgaf op de kassa’s, werd hem plotseling de weg versperd door een sportieve man met een grijze stoppelbaard. ‘Ik er een gevonden!’ schreeuwde hij.          Peter keek achter zich. Toen hij weer voor zich keek, hadden drie andere mannen zich bij de man met de grijze stoppelbaard gevoegd.          ‘Wat heb je gevonden?’ stamelde Peter, zich nog niet ten volle realiserend waarbij hij betrokken was geraakt.          ‘Een verdachte.’          ‘Een verdachte?’ herhaalde Peter. ‘Verdacht waarvan?’ Hij wist het al, maar hij moest het horen om het te geloven.          De mannen keken elkaar aan. ‘Daar trappen wij niet, klootzak,’ zei de kleinste van de vier ten slotte.          Peters buik kromp ineen. Hij pakte Leo beter vast en drukte hem tegen zich aan.          ‘We weten nog niet zeker of het wel de juiste baby is,’ kwam de man met de grijze stoppelbaard tussenbeide.          ‘Zie jij hier soms een andere baby?’ zei de kleine man.           ‘Nee, maar –’          ‘Awel, dan,’ zei de kleine man. ‘We hebben je te pakken, kerel.’ Hij zette enkele stappen naar voren en stak zijn armen uit. ‘Geef die baby dus maar hier.’          Peter moest Leo iets te hard tegen zich aan hebben gedrukt, want hij begon weer te huilen. Peter verslapte zijn grip, wendde zich af van de armen van de kleine man en zei: ‘Ik steek je achterlijke ogen uit. Ik zweer het je, kerel.’          De man met het stoppelbaardje trok de kleine man aan zijn schouder achteruit. ‘Niemand neemt je baby af.’          De kleine man sloeg de hand van zijn schouder en keek kwaad naar de man met de grijze stoppelbaard.          ‘Als het echt jouw baby is,’ zei de man met de stoppelbaard, terwijl hij de kleine man negeerde, ‘dan vind je het vast niet erg om eventjes met ons mee te gaan. Gewoon om zeker te zijn. De winkel is toch afgesloten. Als jouw baby gestolen was, zou je vast willen dat we even grondig te werk gingen. Nietwaar?’          Hij zou naar de jonge vrouw toegaan, zij zou in een oogopslag zien dat het niet haar kind was dat hij in zijn armen hield, en de mannen, die hem nu flankeerden als lijfwachten, zouden hem weer laten gaan. Peter wilde haar de teleurstelling besparen, maar hij had geen keuze. De mannen lieten hem geen andere. Dat was voor hun rekening; zijn geweten was zuiver.          ‘Poppemieke! Poppemieke! Poppemieke!’ snikte de jonge vrouw met schorre stem, terwijl ze op Peter toesnelde.          ‘Houd die zottin van me weg!’ schreeuwde Peter, terwijl hij achteruitdeinsde. ‘Houd ze weg!’          De jonge vrouw glipte langs de man met de grijze stoppelbaard, maar die wist haar op het nippertje tegen te houden. Hij pakte haar bij de kraag en rukte haar weg van Peter en Leo, die bij het ontwijken tegen de man achter hen aanliepen. Vervolgens bracht de jonge vrouw haar mond naar de hand van de man met de grijze stoppelbaard, waardoor hij het uitschreeuwde van de pijn. Daarop schoot de kleine man de man met de grijze stoppelbaard te hulp. Maar net toen de kleine man de jonge vrouw wilde vastgrijpen, kwam ze weer overeind en stootte hem daarbij tegen het hoofd. De kleine man greep naar zijn neus, struikelde achterwaarts en kwam op zijn billen terecht. Hij moest iets nats hebben gevoeld, want hij keek naar de palm van zijn hand, die rood zag van het bloed.          Uiteindelijk vereiste het vijf mensen om de jonge vrouw, die haar eigen kracht niet kende, in bedwang te houden.          Toen ze beloofd had om kalm te blijven, stond iedereen elkaar hijgend aan te kijken.          Enkele omstanders werden kwaad.           ‘Geef haar terug!’ riep iemand.          ‘Ja,’ zei nog iemand. ‘Geef haar terug!’          ‘Het is een jongen!’ zei Peter, met meer overtuiging dan ooit tevoren. ‘Het is een jongen, en zijn naam is Leo.’          Bij het horen van zijn naam begon Leo onbedaarlijke te huilen, alsof hij dacht dat zijn vader hem berispte.          ‘Bewijs het!’          Peter had het gevoel dat hij in een draaikolk verdween.          ‘Bewijs het!’          ‘Zijn jullie compleet gek geworden?’ hoorde hij zichzelf zeggen. ‘Mijn zoon zijn … spel aan jullie tonen? Mooi niet!’          Toen zag Peter de oma die bij het binnenkomen vertederd naar hem had geglimlacht. ‘Jij!’ zei hij. ‘Jij zag ons binnenkomen! Jij herkent ons! Je zag ons samen binnenkomen! Je glimlachte!’          Iedereen keek nu naar de oma, die rood aanliep. ‘Ik … Ik ben slecht in het herkennen van gezicht. Het spijt me.’          ‘Maar je herinnert je toch dat je een jongeman met een baby de winkel zag binnenlopen?’          Ze keek naar de grond.          ‘Godverdomme,’ zei Peter.          Toen werd het stil. De geladen stilte van een rechtbank, vlak voor het vonnis, wanneer de rechter de zaal binnenkomt en iedereen gaat staan als teken van respect. Het was een van de winkelmedewerkers die de stilte als eerste doorbrak, door zich hardop af te vragen waar de politie bleef, waarop de bewakingsagent, die de politie blijkbaar al had verwittigd, op zijn horloge keek en zei dat ze ieder moment konden arriveren. Dit korte gesprek, dat slechts uit een vraag en een antwoord bestond, uit een verzuchting en een poging om die verzuchting tegemoet te komen, zorgde er uiteindelijk voor dat de jonge vrouw onder de druk bezweek. Plotseling zette ze het op een lopen. De achtervolging werd ingezet, maar ze wist te ontkomen, en even later konden ze haar niet meer vinden.          De bewakingsagent werd gebeld. Samen met de manager haastte hij zich naar de ingang om de politie binnen te laten.          Het viel Peter op hoe traag de agenten kwamen aangelopen. Werd hen dit aangeleerd? Ren niet. Het veroorzaakt onrust en schaadt je gezag. Voor Peter werkte het. Hij voelde opluchting terwijl hij ernaar keek.          Ze vroegen om zijn identiteitskaart en namen de hare uit de Louis-Vuitton-handtas in het winkelwagentje. Vervolgens praatte de ene agent met Peter, terwijl de andere, die een eindje verderop liep, buiten gehoorsafstand, hen allebei natrok. Ten slotte zochten ze, opnieuw samen met de manager, de hele winkel af, voortdurend roepend dat ze haar geen kwaad zouden doen, maar enkel even met haar wilden praten. Om meer overtuigingskracht te hebben, gebruikten ze haar voornaam, die Shana bleek te zijn. Ze vonden haar onder in een rek in de speelgoedafdeling, waar ze deed alsof ze sliep.   * * *   Diezelfde dag nog werd Peter gebeld door een reporter van Het Laatste Nieuws, die er een artikel over wilde schrijven. Een mislukte kidnapping noemde hij het. Hij zei blij te zijn dat het goed was afgelopen. Zowel voor Peter als voor zijn lezers, die dat eigenlijk veel liever lazen. Om de vier à vijf zinnen moest de man de toon van zijn stem weer omlaag brengen, alsof hij zich telkens van zijn eigen opwinding bewust werd en ze vervolgens weer onderdrukte. Hij vroeg naar een foto van Leo, maar die wilde Peter hem niet geven. Hij plaatste nooit foto’s van Leo op sociale media. Waarom zou hij er dan een aan een reporter geven? De man liet een geforceerd lachje horen. Een paar uur later begreep Peter de betekenis van dat lachje, toen iemand hem het artikel doorstuurde. Direct na Leo’s geboorte had Peter één foto op Instagram gedeeld. Erop lag Leo ingebakerd in zijn ledikant als een ontpoppende vlinder. Precies die had de reporter gebruikt. Hoewel hij had gevraagd of hij foto's van Instagram mocht gebruiken, was Peter die ene foto van Leo vergeten.          ‘Misschien moet ik mijn ouders maar eens bellen,’ zei Peter tegen Lisa.          ‘Heb je dat nog niet gedaan?’ Vanaf dat moment nam Lisa de rol van woordvoerster op zich. De stroom mensen die wilden horen wat er gebeurd was, droogde niet op maar zwol juist aan, en Peter had er steeds minder zin in om erover te praten. Doorgaans richtten mensen zich tot hem, dus gaf hij altijd de eerste aanzet, waarna Lisa, die het al gauw beter kon navertellen dan hij, het van hem overnam.          Zodra ze wist dat alle ogen op haar gericht waren, boog ze naar voren over de tafel, alsof ze een geheim ging vertellen, en stak van wal.          Peter merkte een verandering bij haar op. Ze kreeg een glazige blik in haar ogen, haar schouders ontspanden, en ze frunnikte niet aan haar armbandjes, wat ze normaal wel deed als ze moest spreken voor meer dan één persoon.          Daarnaast waren er delen die ze overdreef. Zoals de soep. Als je haar mocht geloven, maakte ze iedere week soep, terwijl Peter de keren dat hij zich herinnerde op één hand kon tellen.           Ook haar ongerustheid dikte ze aan. Bij elke vertelling werd ze een beetje ongeruster, totdat ze welhaast in een staat van blinde paniek verkeerde. In werkelijkheid lag ze te slapen. Althans, dat vermoedde Peter. Ze veerde overeind toen hij, terug van de supermarkt, de woonkamer was binnengekomen. Hij herinnerde zich hoe het gele kussen waarop ze had gelegen zich langzaam weer volzoog met lucht.          Lisa noemde de kidnapster van haar zoon ‘die arme vrouw’ en viel zichzelf voortdurend in de rede om bij het onfortuinlijke lot van dat mens stil te staan. Ze was tenslotte een moeder, zei ze. Net zoals zij. Alsof het voor een vader minder erg was om zijn kind te verliezen.          Een keer, toen ze op het punt van de confrontatie was aanbeland, raakte ze zelfs een beetje van streek. Ze schraapte haar keel en schudde haar hoofd.           ‘Ik begrijp niet,’ zei ze, ‘hoe Peter kon aanzien dat die arme vrouw door vijf mensen in bedwang werd gehouden.’          Peter wilde haar een klap geven. ‘Die arme vrouw’ was gek. Ze hadden haar al veel eerder moeten opsluiten. Dat had de politieagent zelf aan hem toegegeven. Kennelijk was ze niet aan haar proefstuk toe; de vorige keer hadden ze haar moeten laten gaan wegens een gebrek aan bewijzen. Aan de andere kant hield Lisa hem uit de wind, dus liet hij het er maar bij.             Lisa rondde het verhaal af, waar ze het was begonnen: bij de soep. Peter stormde het huis binnen en stotterde wat er gebeurd was, nog voordat hij zijn jas en schoenen had uitgedaan. Onthutst door wat ze hoorde, nam Lisa Leo van hem over, trok zijn jasje uit en zette hem in zijn box. Toen ze Peter, die maar bleef ratelen, een knuffel gaf, voelde ze iets in zijn jaszak zitten: de bouillonblokjes. In alle commotie was hij vergeten te betalen. Ook de agent, onder wiens begeleiding Peter door de beveiligingspoortjes was gelopen, had de uitstekende doosjes niet opgemerkt. Hier moest iedereen altijd lachen. Het was een luchtige noot om op te eindigen, met name omdat Peter en Lisa dan begonnen te kibbelen over wat er met de bouillonblokjes moest gebeuren. Peter wilde ze alsnog gaan betalen, maar Lisa niet. Lisa wilde ze houden. Voor haar was het een vorm van schadevergoeding. Het was het minste, vond ze, wat Carrefour voor hen kon doen, na alles wat ze hadden moeten doorstaan.

Kenny De Thaey
0 0