Zoeken

Eerste communie

We komen terug van een communiefeest in België. Volgens de kranten zou de wereld vergaan op de dag dat ons neefje zijn eerste communie deed. Maar het dak van de kerk is niet op ons hoofd gevallen en Jezus hing nog altijd halfnaakt aan zijn kruis in de grote kerk toen de dienst al lang afgelopen was. De communicanten waren wel een beetje zenuwachtig toen ze met hun paarse of groene ballon in hun hand naar het altaar liepen. Aan elke ballon hing een steentje gewikkeld in een wit papier zodat de ballon niet kon wegvliegen (ter geruststelling van de ouders). Maar het waren gezonde zenuwen. Het was geen angst veroorzaakt door de hysterische, opgeblazen woorden van een priester uit Amerika. Niet één ballon knapte van opwinding. Ze bleven allemaal heel. Het was mooi om te zien. Na de plechtigheid in de kerk is er nog een groot feest en de volgende dag zitten we alweer in de trein naar huis. In Antwerpen stappen we over op de intercity Brussel-Amsterdam. Op de roltrap naar het ondergrondse perron knapt een ballon van een kind. Er klinkt een enorme klap die pijn doet aan de oren onder de grond. Mijn dochter gilt. Ze dacht dat er een bom was ontploft. Het kind kijkt lachend naar het touwtje in haar hand. Met moeite weten we een zitplekje te bemachtigen in de overvolle trein. De wereld bestaat nog. Opgelucht plof ik neer op de bank. De wereld is vol gelukkige kinderen en ballonnen. ‘Achmed. Grote broer. Kom bij ons zitten. Hier. Een plekje voor jou!’ hoor ik ineens een meisje zeggen dat schuin tegenover ons zit. Met een met henna versierde hand klopt ze op de zitting van de bank en maakt ze plaats voor Achmed die met zijn moeder komt aanzetten. Hij propt zich tussen haar en de armleuning. 'Heb je henna op?' vraagt Achmed als hij zit. Het meisje knikt trots. 'Mooi hè?' Aan de kant van het raam, naast haar, zit haar zus die dezelfde kleren draagt. De moeder van Achmed gaat aan de andere kant van het gangpad zitten. Bij de moeder van de meisjes. Ze heeft rode wangen van het rennen en is buiten adem. Dat weerhoudt haar er niet van om te praten. Geanimeerd praten de moeders in het Arabisch. Af en toe onderbreken ze hun gesprek om de kinderen tot stilte te manen in het Nederlands. Alsof ze een duidelijk signaal aan de hele trein willen geven: ‘Wij houden onze kinderen in de gaten. Laat ze niet de schande over ons afroepen! Wij willen dat ze zich met respect voor hun medereizigers gedragen.’ De kinderen vervelen zich geen seconde. Ze bedenken het ene spelletje na het andere. Op een gegeven moment spelen ze dat ze in de auto zitten. Het stuur van Achmed is het stangetje van het uitklaptafeltje waarmee je je krant kunt vastklemmen. Of dient dat ding om je drinken mee vast te klemmen? Dat ding, die klem is nu hun stuur. En de bank hun auto. En de chauffeur grote broer Achmed, die de klem wild op en neer beweegt. ‘Houd jullie vast! Ik ga keihard. Vroem. Vroem.’ Hij duwt de middelste leuning als een versnellingsstang naar beneden. De meisjes kirren van plezier. Ze schudden met hun hoofd alsof ze in een auto met open dak zitten en de wind hun haren in de war brengt. Ze moedigen Achmed aan om sneller te rijden dan te trein. Grote broer Achmed haalt de trein in. De meisje klappen in hun handen. Dan zingen ze met z'n drieën een lied voor het meisje dat voor hen zit en af en toe haar blonde hoofd door het gat tussen de rugleuningen steekt, alsof ze naar binnen wil kijken in hun huis. Ze zingen een vrolijk lied voor haar. Het meisje kirt van plezier. ‘Hoe heet je?’ vragen ze haar. Maar het meisje kan niet praten. Ze heeft een speen in haar mond. Bestonden er maar spenen waarmee je kon praten, zie ik ze denken. Maar dan steekt de moeder haar hoofd boven de leuning uit en zegt: ‘Dominique heet ze.’ Bij Rotterdam stappen ze uit. Grote broer Achmed met zijn grote familie. De zussen doen hun prinsessen rugzak gevuld met een flesje water, een truitje, een blocnote en een pen, op hun rug. Op de rugzak van Achmed spint Spiderman zijn web. De pet met Ben zet hij omgekeerd op zijn hoofd. Heerlijk, denk ik, kinderen die nog zo kunnen spelen. Met hun fantasie die als een flesje water nooit leeg raakt. Een verschil van dag en nacht met kinderen die in de trein Ds-en en die je niet ziet en niet hoort. Kinderen die in de trein Ds-en of Nintendo-en kijken niet uit het raam. Ze kijken niet voor zich. Ze kijken niet achter zich. Ze kijken niet naast zich. Het maakt ze niet uit in welke richting de trein rijdt, lijkt het wel. Richting Nederland of richting België, het zal ze een worst wezen. Ze merken pas op dat ze moeten uitstappen als de trein stopt. Of zelfs dat merken ze niet op. Ze praten niet met meisjes met spenen in hun mond. Ze friemelen niet aan de leuningen, stangetjes of tafeltjes. Ze kijken niet verschrikt op als hun moeder ze boos aanspreekt. Ze zijn zo verdiept in hun spel dat de omgeving rondom hen niet bestaat. Alsof zij en hun Nintendo de enige overlevenden zijn nadat de wereld is vergaan. Ik krijg kippenvel van deze kinderen. Maar van kinderen zoals Achmed en zijn zussen word ik blij. Als ze in Rotterdam uitstappen knipoogt een van de meisjes stout naar mij. Alsof ze mij wil zeggen: ‘Onze auto is toch sneller dan jouw trein! Lekker puh!’ Ik knipoog terug.      

Margaretha Juta
0 0

DVW-A500

Toen we bij de televisie nog met tapes werkten, werd elke zomer een student ingehuurd om banden te wissen zodat we deze opnieuw konden gebruiken. Ik was in die tijd niet veel ouder dan de vakantiehulpjes en sloot dan ook snel vriendschap met deze eenzame stakkers die een hele zomer lang in een donkere cel zaten, de ene na de andere tape in de machine schuivend. ‘Zorg ervoor dat de band altijd contact maakt met de magnetische kop,’ was het voornaamste advies dat ik aan deze jonge collega’s gaf. Verder viel er niet veel uit te leggen. De tapes moesten volledig langs de magneet glijden, dus het wissen duurde even lang als de band. Zelf werkte ik toen als monteur van trailers even verderop in het omroepgebouw. Ik maakte filmpjes van 30 seconden waarin ik alle hoogtepunten van de komende tv-programma’s stak. Soms was het zoeken om die halve minuut te vullen. Maar ik amuseerde me wel, er waren leuke collega’s en ‘s middags namen we lange pauzes. Alleen de jongen uit de donkere cel kwam nooit mee, hoezeer ik ook aandrong (niet overdreven hard, moet ik toegeven). Hij had van de baas een hoeveelheid te wissen tapes per dag gekregen en om dit te halen moest hij permanent in contact met de allesverterende magneet blijven. Hij zag die zomer amper zonlicht en werd wegens zijn ongebruinde huid op den duur “de witte wisser” genoemd. Zijn echte naam vergaten we al voordat zijn contract afliep. Op een van zijn eerste dagen klopte de wisser aan bij mijn montagecel.  ‘Ik weet niet of ik bij u moet zijn,’ zei hij terwijl hij in de deuropening aarzelde, ‘maar ik zoek een scherm.’ ‘Waar heb je dat voor nodig?’ Ik had niet veel zin om op te staan – het was een kwartier voor de middagpauze. ‘Ik zou graag zien wat er op de tapes staat,’ zei hij stil. Hij keek naar zijn schoenen. ‘Ik weet niet of dat mogelijk is, maar ik zal de Zebra vragen of hij eens komt kijken.’ ‘Dankuwel…’ De woorden bleven langer in mijn cel hangen dan degene die ze had uitgesproken. Tijdens de middagpauze vroeg ik het aan de Zebra, een oudere collega die altijd afgewassen streepjes-T-shirts droeg. Het was een technicus van de oude stempel die nog elk apparaat kon openen en herstellen met de schroevendraaiers die aan zijn riem hingen. Hij leefde voor dit soort klusjes. Later die dag stak de Zebra zijn hoofd bij mij binnen met een brede glimlach tussen zijn grijze baard. ‘Ik heb de wisser in gang gezet! Hij kan nu elk beeld zien een halve seconde voor het voorgoed gewist wordt. Ik heb de leeskop in de tape-machine een beetje naar voren getrokken en daarop de output naar de monitor geschakeld. Je moet mij die DVW-A500 niet leren kennen…’ Hij ging nog even door over types kabels en de geschiedenis van de videotape maar ik was toen al niet meer aan het luisteren. Kort daarna begon mijn vakantie en toen ik terugkwam was de bleke jongen samen met de tapes gewist. Het maakte allemaal niet veel uit. Een tijd later leerde ik Sonja kennen en zocht ik een baan dichter bij haar. Mijn tv-jaren waren voorbij.   Vandaag bezocht ik met mijn zoontje de dierentuin. Het is het enige weekend van de maand dat hij bij mij is (Sonja’s moeder is advocaat). We bekeken de rode panda’s, de sneeuwtijger en andere spectaculaire dieren en haastten ons toen naar de uitgang. De kleine moest op tijd thuis zijn of Sonja zou woedend zijn. ‘Kijk, papa!’ riep het kind terwijl ik naar mijn horloge keek. ‘Paarden met strepen!’ Ik keek al lopend opzij en zag inderdaad de zebra’s maar mijn blik bleef hangen aan de verzorger die hun uitwerpselen bijeenveegde. Ik kende dat gezicht: het was de witte wisser. Ik stopte zo bruusk dat mijn zoontje tegen me aanbotste. De jongen, die nu geen jongen meer was en door het buitenwerk ook niet meer wit, had me ook herkend en liet de zebrastront even voor wat hij was.  ‘Wacht, ik kom,’ riep de nu gebruinde wisser en verliet het dierenverblijf via de beveiligde sluis. Ik kon niet veel anders doen dan wachten.  ‘Ken jij de meneer van de zoo, papa?’ vroeg mijn zoontje. Ik zag dat hij onder de indruk was. Dat, en het feit dat we nu sowieso te laat bij Sonja zouden zijn, maakte mijn dag goed. De witte wisser kwam tevoorschijn tussen het voortschuifelende publiek, veegde zijn rechterhand af aan zijn overall en stak die naar me uit. Ik schudde de nauwelijks propere hand. ‘Jij… hier… in de zoo,’ zei ik. Ik deed geen moeite om me zijn naam te herinneren. ‘Ja, gek hè? En jij, nog altijd bij de tv?’ ‘Nee, dat is lang voorbij.’ Onwillekeurig aaide ik het haar van mijn zoontje. De witte wisser keek even rond, als om te zien of niemand meeluisterde. ‘Heb je even tijd?’ vroeg hij. Ik dacht aan Sonja en zei ‘ja’. ‘Zijn er ooit problemen geweest met die tapes, je weet nog wel, die ik toen moest wissen?’ ‘Problemen? Hoe dan? Ben je toen ontslagen of zo?’ Ik rekende uit wanneer het ook weer was dat hij in contact stond met de magneetkop. Het was twee jaar voor ik stopte, dat was dus de zomer van ‘13. Een tijd van onschuld en geluk. ‘Ik heb toen een, hoe zal ik het zeggen, een rare ervaring gehad met die tapes.’ Ik besefte nu dat ik in ‘13 nooit veel met hem had gepraat. Wat wist ik eigenlijk van die kerel? Was het zo’n complotdenker? Straks kreeg ik nog een preek over de corona-vaccins. Ik keek opvallend naar mijn horloge. ‘Weet je, ik moet toch voort. Deze jongen moet op tijd naar bed.’ Ik wees naar mijn zoontje. De wisser scheen het niet te horen en ging door met zijn verhaal. ‘Ik had toen die monitor waarop ik de beelden kon zien voor ze vernietigd werden. Dat had die oude grijze met zijn streepjes-T-shirts geregeld. Ik wilde dat echt graag. Het was zo triest voor die tapes dat niemand ze een laatste blik gaf.’ ‘’t Waren toch maar tapes?’ ‘Ik bedoel de mensen die erop stonden. Het waren oude opnames van die bekende quiz uit de jaren negentig…’ Hij verwachtte dat ik de naam van het programma noemde, maar zoals veel mensen die bij de tv werkten, keek ik zelden naar dat onding. Ik liet de stilte vallen tot hij ze weer opraapte. ‘In het publiek in de studio zaten allemaal oude mensen, ze waren misschien al dood toen ik hen wiste,’ zei hij. ‘Tja,’ zei ik, ‘zo gaat dat.’ ‘Papa, ik moet naar de wc,’ zei mijn zoontje. ‘Ik vrees dat wij verder moeten, man.’ ‘Nee, kom maar mee. De personeelstoiletten zijn veel properder en weet je’ – hij richtte zich nu tot mijn zoontje – ‘dan kan je ook de baby-zebra’s zien.’ Hij gaf een knipoog. ‘Mag het, papa?’ ‘Oké dan.’ De witte wisser nam ons mee achter de schermen van de zoo, waar een penetrante dierengeur hing. Hij toonde de weg naar het toilet en mijn zoontje holde erheen. ‘Misschien beter dat hij dit niet hoort,’ zei hij nu met een ernstig gezicht. ‘Het waren niet alleen bejaarden die ik wiste. Koffie?’ Voor ik kon antwoorden, zette hij twee kartonnen bekertjes in een roestig koffieapparaat. ‘Hij is hier beter dan op de tv,’ zei hij. ‘Dat is niet moeilijk, dat spul was niet te zuipen,’ zei ik. We lachten, maar kort. ‘Op een dag zat tussen het publiek de buurman van mijn oma, een sympathieke oude vent die ik goed kende omdat ik zijn gras maaide.’ Dit verhaal ging nergens naartoe. Zodra het toiletbezoek voorbij was, zou ik vertrekken. Tot dan knikte ik en zei af en toe ‘hm-hm’. ‘Het voelde fout om Omer te wissen, maar ja, zoals jij zegt: het waren maar tapes. Maar toen ik ‘s avonds thuis kwam, hing mijn moeder met oma aan de telefoon. Omer had die middag een hartaanval gekregen. Onmiddellijk dood.’ Hij zweeg terwijl hij me aankeek. De wc werd doorgespoeld. ‘Vanaf toen kwam ik elke dag vroeger naar het werk, soms als het nog donker was.’ Dat verklaarde veel. ‘Zo had ik tijd om de tapes te bekijken – fast forward, natuurlijk – voor ik ze wiste.’ ‘De presentator en de BV’s stonden er toch ook op, en die leven helaas nog altijd,’ zei ik. Afronden met een grapje. Waar bleef mijn zoontje? ‘Ja, natuurlijk, ik ben niet gek, hè,’ zei hij, ‘maar misschien versnelde het iets wat er al aan zat te komen?’ ‘Zoals bij die buurman?’ ‘Of zoals bij de Zebra,’ antwoordde hij razendsnel. De Zebra? Wat had die ermee te maken? En waar zat die kleine? Ik riep zijn naam, maar het enige antwoord waren dierengeluiden: gehinnik, gegrom. ‘Hij is naar de baby’s,’ antwoordde de witte wisser op mijn niet gestelde vraag en ging meteen verder: ‘De Zebra, ja. Een van de tapes was jullie personeelsfeest, de barbecue aan het begin van de zomer. De studenten waren niet uitgenodigd. Ik snap wel waarom die zo snel gewist moest worden. De Zebra die op tafel danste, jij met Ella van de boekhouding… Is zij de moeder?’ Hij draaide zijn hoofd in de richting van de dierengeluiden. ‘Oké, vriend, het was leuk om wat herinneringen op te halen, maar nu is het genoeg. Waar is mijn kind? Ik wil weg.’ ‘Geduld… nog koffie?’ ‘Nee.’ Ik gooide mijn verfrommelde bekertje naast de vuilnisbak om mijn punt te maken. ‘Toen ik de tape van jullie gore feestje wiste, weet je wat er toen gebeurde? Een van de grote lampen in de studio kwam los, en je raadt nooit wie er net onder liep?’ Hij moet de angst in mijn ogen gezien hebben, want hij grijnsde kort voor hij verder sprak. ‘De Zebra, natuurlijk, op slag dood. Maar toen was jij op vakantie met weer een andere griet.’ ‘Ik dacht dat die met pensioen was? Wat ben jij hier eigenlijk aan het vertellen? Ik ga mijn zoontje halen.’ Ik liep de gang in waarin het kind was verdwenen. ‘Voorzichtig,’ hoorde ik achter me, ‘je kunt niet zomaar elke deur opentrekken. Hier zitten niet alleen zebra’s.’ Ik draaide me met een ruk om. ‘Stop met die flauwekul, gast! Geef mijn kind en laat me gaan!’ ‘Toen vijf jaar geleden de inboedel van de omroep werd geveild, ben ik teruggegaan. Ik herkende de tape-machine meteen. De sticker met het zenderlogo die half afgescheurd was, de slordig gesoldeerde kabel, ja dat was mijn bakje. Ik heb het gekocht voor 99 euro.’ Hij opende de metalen kast naast het koffieapparaat. Daar stond de DVW-A500. De lichtjes op het toestel brandden, een zacht gezoem sidderde door de kast. ‘Ik heb de beveiligingscamera’s erop aangesloten,’ zei hij en wees naar een plastic koepel die boven de deur hing waardoor ik was binnengekomen. ‘Jij en je kind staan erop.’ ‘Godverdomme, vent, waar ben jij mee bezig?’ Ik greep hem bij de kraag van zijn stinkende overall. ‘De machine loopt,’ zei hij, ‘alles wordt gewist.’ Ik duwde hem opzij, trok een van de deuren open en riep de naam van mijn zoontje. Het was een bezemhok. ‘Ella was mijn zus, weet je.’ De tweede deur was de verlaten wc. ‘Ze was zwanger. Van jou, op de barbecue.’ Uit de derde deur kwam een vreselijke geur van dieren en stront. Het was er donker, ik zocht naar de schakelaar. ‘Ze ontdekte het tijdens je vakantie en is toen op de zendmast van de omroep geklommen.’ Het licht ging aan: een miezerig peertje verlichtte de kamer, of was het een kooi? Ik liep in een plas, geel, stinkend. ‘Mijn eigen schuld, zeker?’ klonk de witte wisser uit de verte. ‘Ik had haar ook gewist op de tape van het feestje.’ Dieper in de kooi, waar het licht niet kon komen, klonk een diepe grom samen met een klaaglijk janken. ‘En nu jullie twee… ik ben benieuwd.’ Ik ging de duisternis in.  

R.F.G. Vandenhoeck
21 1

Het gevierde viertal

Zij kwamen uit de vier windstreken voor het festijn aan het begin van de herfst. Over stad en land weerklonken klaroenen en bazuinen en veelkleurige vaandels kronkelden boven de wallen als duivels in wijwater. Ridder Ferguut gaf zijn zwarte hengst de sporen om als eerste bij de valbrug af te stijgen. Met zijn uit duizenden herkenbare bariton liet hij zich bij de vorst aankondigen. Kort na hem verscheen vrouwe Agete, gehuld in een karmijnrode kaproen. Zonder haar stem te verheffen betrad zij de stad, de wachters aarzelden niet om deze vermaarde speelvrouw met haar onafscheidelijke schalmei door te laten.  Als derde meldde zich de nar Esmoreit met zijn stoet van dobbelaars, messenwerpers en vaganten. Esmoreit, gevreesd voor zijn spot die scherper was dan het kromzwaard van de Turk, zat achterstevoren op een ezel en riep met schelle stem: Waar is toch die stad? Ik hoor trompetten maar dit spookachtige oord blijft onzichtbaar! Bij zoveel gein kletste zijn gevolg zich op de billen, hinnikend als drachtige merries. Later, toen de schemer zich als fluweel over de puntige daken van de stad voegde en de poortwachters hun laatste ronde deden, verrees in het westen, als silhouet voor de ondergaande zon, de vierde genodigde: de waarzegster Clementia. Gezeten op de bok van haar huifwagen, voortgetrokken door twee gemarmerde schimmels, richtte zij haar vorsende blik op de stad die reeds in de klauwen van de nacht lag. Zij wist wat haar te wachten stond, en dat er geen ontkomen aan was. De stad vrat, de stad zoop, de stad zwelgde – de ganse nacht tot aan het ochtendgloren. Zwijnen gevuld met zwanen, zwanen gevuld met forellen, forellen gevuld met kwartels, het kon niet op, neemt bij, er is genoeg voor eenieder, verordende de heer. Ferguuts stem werd zwakker door het gagelbier; Agete kon haar schalmei niet langer bespelen door het spijsvet in haar keel; Esmoreits gelach was overgegaan in geboer dat de bellen op zijn kap deed rinkelen; slechts Clementia nam niet deel aan de schranspartij, zij dronk een kruidenbrouwsel van foelie en kardemom en wachtte op het onvermijdelijke. De dageraad diende zich aan door kieren in luiken en deuren, en de vorst overzag het gelag. Nu kon het echte feest beginnen! Met één gebaar – zijn linkerhand flikkerde kort in de gloed van de fakkels – zette hij zijn getrouwen in beweging. Drie vadsige onwetenden en één heldere alwetende werden de banketzaal uitgesleept. Op het voorplein gleed de eerste zonnestraal over het versgeslepen blad van de bijl. De beul stond paraat op het schavot, uit de gaten in zijn kap glommen gele ogen en gele tanden. Zoals vorig jaar? vroeg de wreedaard. Nee, zei de heer, vierendelen!

R.F.G. Vandenhoeck
29 1
Tip

Schaakmat

Ik ben wit, dus ik begin. Pion e4 en paard c3. De rest zien we later. Na een paar zetten, agressie aan de overkant. Dit kan ik tegen hem gebruiken. Speelt hij nu toren a2? Loper naar c4 krijgen. Dit verloopt veel te makkelijk. Ik ga winnen. Nog even m'n paard naar het centrum brengen en... Wacht? Mijn tegenstander heeft ook een réchterflank. Daarnet was dit deel van het veld nog onbelicht. Deal with it! Even op wandel met de koning dan maar. Niet met de loper aanvallen tegenstander, of ik hang, niet met... Hij ziet het niet. Weer mijn beurt om aan te vallen. Ik moet winnen, zo hoort het.  “Zet je hem nog schaakmat?” De blik van de toeschouwer maakt me ongemakkelijk. “Dit duurt inderdaad te lang”, laat ik me opdringen. Het bord verdwijnt. Ik zie stukken maar geen enkele zet meer. Daarnet zat ik nog op een middeleeuws slagveld, nu weer in de leefruimte. Waarom ben ik zenuwachtig? Angst om te winnen, of simpelweg om iets af te maken? Ik stamel en stotter nog wat met koningin en toren. De toeschouwer wordt echt ongeduldig nu: “Zet hem gewoon schaakmat!” Ik leg hem uit dat ik ‘het’ niet meer voel. “Dit is waarom ik ook niet graag plaatjes op feestjes draai”, zeg ik. “Ik vind mezelf wel een goede dj, maar word nerveus van publiek. Daarom zit ik hier.”  “Je hoeft niet elke zet voor je te zien”, bemoedigt de toeschouwer. Ik antwoord dat ik bang word als ik de volgende zet niet zie. “Bang om dood te gaan”, voeg ik er onnodig aan toe. Wat ik bedoel is dat ik momenteel niet verder kan omdat mijn hoofd wil weten hoe ik... doodga?  “Als je wil kan ik ervoor zorgen dat je weet hoe je doodgaat, ik kan het je zelfs laten zien”, knipoogt de toeschouwer. Ik besef plots weer waar ik me bevind. Hij zal toch niet... Ik weet dat hij een veel te donkere grap maakt, maar voel toch de drang om hem te overtuigen. Dat ik niet de dood op zich bedoel, maar de weg ernaartoe, leven dus. En dat hij me niet zal helpen door de weg korter te maken. Ja, je bent ergens onderweg gestopt met plannen maken en ja, door de dingen uit te stellen voelt het nu alsof je alleen maar kan aanmodderen, maar jij bent niet je vader. Jij hebt geen zelfmoord gepleegd. Het bloed dat door je moeder stroomt is niet dat van haar broer noch dat van haar zus. Ze deelden gewoon dezelfde ouders. En het bloed dat door jou stroomt is jouw bloed. Ook al heb je het van iemand anders gekregen.

Mr Jones
192 6
Tip

Koers in ‘t dorp

We moesten sneller zijn. We moesten als gekken door de grauwe steeg rennen voordat het peloton draaide aan de oude maalderij. Bij de vorige ronde kwamen we te laat in de Maria Sterckxstraat en zagen we enkel nog de gelosten, de achterblijvers, de sukkels. Met die mannen wilden we niks te maken hebben. Deze keer moesten we rapper zijn. Jokke struikelde in de steeg maar Dafkes trok hem mee. Wij lieten niemand achter. Daar was het licht, aan het eind van de grauwe steeg, maar godverdomme, we zagen de eerste fietsen al. De titanium frames weerkaatsten de onzichtbare zon tot op de mossige keien van de steeg, recht in onze ogen. Godver… Omkeren! Onmiddellijk naar de Vlooikenslei, langs de koer van bakkerij Vleesbuyk. Dat moest toch lukken. De was hing uit op de koer. Tuur snokte hem opzij, een paar witte slipjes vielen op de vuile stenen. ‘Hé, moeten we dat niet oprapen?’ vroeg ik. ‘Kop toe, Makke!’ En we waren weer weg, op naar de Vlooikenslei. Zweet in de nek, kramp in de kuiten, maar ditmaal zouden we het halen. We zagen de vadsige ruggen en de roestige nadars, maar er was nog geen onrust. Enkel spanning. De renners moesten nog komen. We smeten ons tussen de ruggen en tegen de nadars en daar waren ze! Was het de afstand, het tegenlicht, onze eigen uitputting? Dat wisten we niet, maar het leek dat de kopgroep – die eerste zeven, acht met hun voeten in de trappers geklemd – in slow motion de bocht nam, als om ons te belonen voor onze inspanning. Toen werden ze de straat in gekatapulteerd en schoten sneller voorbij dan onze koppen en oogballen konden volgen. Maar hem zagen we wel, onze held, in voorlaatste positie: De Smyter. We riepen, brulden, tierden zijn naam naar zijn gekromde rug en lycra achterwerk. Ha, hij hield zich in, natuurlijk, spaarde zijn krachten voor de laatste ronde. Goed bezig, Smyterke! En nu? Binnendoor, langs de school naar de brug, dan konden we ze van boven zien. Ja! Goed idee! Van wie? Dafkes natuurlijk. Lopen, mannen! We klommen over de poort, een twee drie en voort, komaan! Shit, Jokke was weer gevallen. Alles oké, gast? Ja ja, wij gaven niet op, wij waren zoals De Smyter. In volle vaart over de speelplaats, alleen Tuur bleef even achter. Wat nu weer? Hij had een losse kei gevonden en gooide die door een ruit. ‘Stomme rotschool!’ Lachend, de bek helemaal opengesperd, sloot hij weer aan. ‘Was dat nu nodig?’ vroeg ik. ‘Kop toe, Makke!’ We waren bijna op tijd. De eerste drie zaten al onder de brug. Eerste drie? Ja, de rest was gelost, de volgende drie zagen we nu komen, en daarachter… ‘t was niet waar… Komaan, De Smyter! Laat u niet doen, Smyterke! Zijn lijf was gespannen als een boog, zijn neusvleugels stonden helemaal open. Hij had nog over, ja, maar mocht niet meer te lang wachten. En zag je dat? Wat? Rond zijn oren? Nee, wat? Hij begon grijs te worden. Daar moesten we even van bekomen. De Smyter grijs? Ja, en dan, bij sommige mannen begon dat vroeg. Andere werden snel kaal, hè, Jokke? Maar we verloren tijd, weg van die brug, of nee, de brug over, we moesten de spoorlijn volgen, dan waren we direct bij de maalderij. Was dat niet gevaarlijk? Gast! Als ‘t koers in ‘t dorp was, werd de spoorweg afgesloten, net zoals de andere wegen. Niemand kon erin of eruit op een dag als vandaag. ‘Zeker dat er geen trein rijdt?’ vroeg ik. ‘Kop toe, Makke!’ We renden tussen de spoorstaven, bij elke stap voelden we de stenen door de dunne zolen van onze schoenen. Ballast, zo heetten die stenen. Wie zei dat? Wie wou er de slimme uithangen? Geen zever nu, mannen, we moesten op tijd aan de maalderij zijn. Het was de laatste ronde! Auw! We keken om, maar dat was niet nodig, we hadden het kunnen weten. Jokke was achter een van de bielzen blijven hangen en lag nu met zijn smoel tussen de andere ballast. We keken voor ons: de maalderij. We konden het nog halen. Achter ons: Jokke, die recht krabbelde. Het lukt wel, jongens, niet wachten, denk aan De Smyter. Niks ervan, we pakten hem samen op en trokken ons weer op gang. Rond de maalderij hing, zoals altijd, een dikke stofwolk. Tussen de bakstenen torens zocht een duif haar weg door de bleekgele mist. De zon kwam er amper door, net genoeg om de witte finishlijn op te blinken. We waren op tijd! Vanop de spoorheuvel hadden we een perfect zicht. High five! We hoorden het peloton komen, we voelden het in onze lijven. Nee, dat was iets anders. Dat was… dat was… gezoem van de sporen, geknetter van de bovenleiding. We keken naar elkaar. Wie had gezegd dat er vandaag geen treinen reden?  De afrastering tussen het spoor en het talud was zeker twee meter hoog. Moest lukken! Bovenaan zat prikkeldraad. Zou ons niet tegenhouden! Maar hoe kregen we Jokke erover? Godver… En als we ons nu gewoon tegen de draad duwden, dan konden we de finish toch nog zien? We keken naar elkaar, naar de ballast, de sporen die al leken te bewegen. Nee, dat konden we niet maken. Jamaar, De Smyter, hij zou zometeen uit de mist komen. Hiervoor hadden we het toch gedaan? Jokke beefde. Was het pijn, angst of de trilling van de sporen? Zijn mond ging open maar hij zei niks. ‘t Was zijn schuld. ‘We moeten het spoor oversteken en langs de andere kant naar beneden,’ zei ik. ‘Kop toe, Makke!’

R.F.G. Vandenhoeck
118 2

Una vida ociosa

Een vriendin die ik jaren uit het oog verloren was, bleef logeren. Ze plofte haar tas in de designzetel die ik met geen vriend of kind deelde. Terwijl ze uitpakte, vertelde ze over de treinrit tot bij mij. Geen vertragingen en het was gratis, dankzij haar nieuwe baan. ‘Treinconducteur, had je dat ooit gedacht?’, lachte ze.  ‘Je reisde altijd al graag’, zei ik.  ‘Je zou me moeten zien in mijn uniform, met mijn pet op.’ Ze toonde me een foto op haar telefoon, en ik schoot in de lach. Zij die altijd in gebatikte jurken rondliep vroeger, en van die ringetjes om een haarlok klemde. In de jaren negentig, toen onze klasgenoten plateauzolen droegen, ging zij op paterssandalen door het leven. Ik hing altijd ergens tussenin, probeerde dikke zolen maar liet de Buffalo’s links liggen, net als de Dr Martens. De ene week trok ik blonde strengen in mijn haar met haarmascara, de andere week liet ik het in piekjes knippen.  Als tieners hadden we elkaar tot diep in de nacht verhalen ingefluisterd over de mensen in onze stad. Wie had een nieuwe geliefde, wiens vader verloor zijn werk, met wie wilden we gelukkig worden? Bij haar thuis kwamen er voortdurend vrienden aanwaaien. Zeker als het eerste zomerfestival erop zat en we, met de geur van gras nog in de haren, op tv concerten herbekeken waar we zelf bij waren geweest.  Met haar haast tekenfilmachtige bruine ogen en altijd wat naar je toe gebogen, praatte ze nu even enthousiast als toen we ‘Woord’ volgden bij die levendige vrouw met het kortgeschoren boeddhakopje. Onze docente kwam uit de grootstad en sprak zo onberispelijk Nederlands dat we het gevoel hadden een nieuwe taal te leren. We probeerden ons dialect te bezweren. Nu voelde mijn vriendin zich het best als ze Spaans sprak, met haar Argentijnse vriend en hun dochtertje van vijf. ‘Op mijn vorige job vergaderden we gewoon te veel,’ ging ze verder, ‘In het begin dacht ik dat we iets konden veranderen, maar uiteindelijk beslisten die mensen boven ons. Echt vermoeiend. Nee, ik ben blij dat ik weer dicht bij de mensen sta.’ Ook ik zag de mensen ‘van bovenaf’ op mijn werk maar twee keer per jaar op een receptie, met kerst en in juni. Goden die niet in de hemel op een wolk zaten, maar verdiepingen hoger in het gebouw. Want mensen van bovenaf kon je toch niet op het gelijkvloers stationeren. ‘Waarom verander je dan niet?’, vroeg ze me. ‘Goh, het verdient goed en ik heb goede collega’s’  ‘Die allemaal over hetzelfde klagen?’ ‘Ik zoek de uitdaging meer in hobby’s’, verdedigde ik me. ‘O, teken je nog? Daar was je vroeger goed in!’  ‘Nee, ik volg nu een kookcursus.’ Op een thuiswerkdag droeg ik de pluizige wollen broek waarvan ik dacht dat ik me er nooit buiten mee zou wagen, en ik verborg mijn ongewassen haar onder een muts. De dossiers over subsidieprojecten jaagde ik er met gemak in een paar uur door. Daarna scrolde ik door de krant en las over leiders die ofwel een oorlog afkondigden ofwel amper beslissingen namen. En toen kreeg ik haar berichtje, of ik mee wilde naar een lezing over klimaatoplossingen in Cuba. Die ging door in mijn stad, en ze dacht dat het me wel zou interesseren. Bovendien was het een kans om elkaar eens terug te zien. Er was een feestje na de lezing, en het zou te laat zijn om terug naar huis te rijden. Kon ze niet bij me blijven logeren? Ach, waarom niet. Terwijl we naar de bijeenkomst fietsten, vertelde ze over haar dochter. ‘Drie talen spreekt ze, en ze is een goede spelleider volgens de kleuterjuf.’ ‘Dat heeft ze van jou’, zei ik. ‘Ze volgt nu ook judo, want daar kijkt haar vader graag naar op tv. Kinderen nemen alles over op die leeftijd. Echt wonderbaarlijk’, zei ze. We stalden onze fietsen naast de voormalige fabriekshal waar tientallen mensen verzamelden. Binnen prijkte een vaandel met een lijntekening van Che Guevara. Een Cubaanse vlag diende als tafellaken voor boeken over het communisme. Aan de toog kon je voor zeven Euro een mojito kopen. Mijn vriendin spotte een paar Zuid-Amerikaanse kennissen en vertelde hen over weer andere vrienden. ‘Claro claro’, hoorde ik haar zeggen. Alles was helder. De lezing begon met een filmpje. Donkere vrouwen met ontblote schouders defileerden over aardewegen. Ze ruimden plastic afval en toonden de zonnepanelen op hun schuur. Even later voer een man op een smalle kajak langs mangroven om ze te versterken met planten. Hij vertelde hoe Cuba maatregelen nam tegen overstromingen en orkanen. Een andere vrouw beklemtoonde dat Cuba veel minder CO2 uitstootte dan veel Westerse landen. België kwam wel honderd dertig plaatsen achter Cuba in de ranglijst. Toch wilde Cuba het in de toekomst nog beter doen. De rode kleigrond op het filmpje flitste me twaalf jaar terug. Het vliegtuig naar Varadero, voor een rondreis, in mijn eentje dan nog. Het leek een eeuwigheid geleden. Op het vliegtuig raakte ik aan de praat met een Cubaanse die al jaren in België woonde. Ik liet me overhalen om haar koffer de luchthaven uit te dragen, want anders moest ze de cadeautjes voor haar neefjes en nichtjes een tweede keer betalen aan de Cubaanse douane. Hoe kon ik zo naïef zijn! Misschien had er wel drugs in die koffer gezeten. Een vrouw in politie-uniform hield haar meteen tegen op de luchthaven, en de paniek steeg me naar het hoofd. Draaide ik hier zo meteen in Cuba de cel in? Het was een politiestaat, had de Cubaanse man van een collega me voor mijn vertrek verteld. Daarom was het er zo veilig voor toeristen. Cubanen die je wat wilden aandoen, werden meteen opgepakt, zweerde hij. De agente liet me inderdaad ongemoeid en de Cubaans-Belgische vrouw kwam er met een waarschuwing en hoge douanekosten vanaf.  In de bus naar Havana vergat ik het incident toen ik paard en kar, oldtimers en Chinese bussen samen op straat zag. Hoog in de lucht cirkelden gieren. Alles kwam hier uit een avonturenboek, nergens hing reclame. Wel communistische slogans en afbeeldingen van Ché. In Havana stonden kerels bij bolvormige mototaxi's, enorme geel-groene eieren. Een taxichauffeur bood me een rit aan. In dat lage voertuig tussen het drukke verkeer, voelde ik me vrij. Mijn chauffeur reed naar het wisselcentrum waar ik veel Cubaanse dollars voor toeristen afhaalde, en amper wat Cubaanse pesos voor de gewone Cubaan. Wat later ontdekte ik dat Cubanen al te graag een dollar van je wilden om voor veel pesos in te ruilen. Daartoe drogeerde een man twee hondjes en zette ze een sombrero op, zodat toeristen met ze op de foto zouden gaan. Ik liet me portretteren met een van die versufte hondjes. Nog geen minuut later werd ik achtervolgd door een kleine fanfare die ‘Besame Mucho’ speelde, ook voor een dollar.  In mijn eerste verblijf, een Casa Particular bij Cubanen thuis, woonden Clara en Tommy. Ze hadden allebei kunstgeschiedenis gestudeerd, maar verkochten postkaarten in de kerk en herstelden auto’s. Clara miste een uitdagende job, zei ze. Dat ze getuige van Jehova was, hielp haar door de dag. Hun vriend, een dokter, vertelde dat een taxichauffeur meer aan toeristendollars verdiende dan een dokter aan zijn honorarium. Binnenkort zou hij de overtocht naar Miami wagen. Clara keek bezorgd maar zei ook dat ze jaloers was. Op haar telefoon toonde ze foto’s van familie in de VS, met een grote SUV en een villa. ‘We mogen het niet te luid verkondigen, want de afgevaardigde van het Comité ter Verdediging van de Revolutie woont hieronder.’ In elk huizenblok zag een van hun leden erop toe dat de bewoners niet meer eten in huis haalden dan hun rantsoenboekje toeliet. Clara en Tommy verstelden al jaren dezelfde kleding. Zelfs de koloniale woning die ze overgeërfd hadden, met hoge ramen en antieke meubels waar je in België een fortuin voor zou neertellen, bracht geen schittering. De verveling stond op hun gezicht af te lezen. ‘Es una vida ociosa’, zei Clara. Een leven op het einde van een te lange zomervakantie.  De laatste dag van mijn verblijf, toen ik mijn rolkoffer naar beneden wou dragen, priemde er een metalen staaf door het open raam. Zonder waarschuwing spoot die insecticide de woonkamer in. Alsof de overheid haar bewoners wou verdelgen. Toen ik even later in een Chinese autocar oostwaarts reisde, hoorde ik rugzaktoeristen panikeren over een cholera-uitbraak in Santiago De Cuba. Haïtiaanse migranten zouden de ziekte hebben meegebracht na de aardbeving in hun land. In de krant van Fidel, Granma, stond daar niets over. Alleen over de mislukte oogsten in Noord-Amerika. De toeristen waren erg bezorgd om ziek te worden en vroegen Cubanen in Viñales en Trinidad om raad. Sommige beweerden dat zelfs het gebotteld water in Santiago gevaarlijk was, andere stelden gerust: ze konden zonder problemen doorreizen. Onder de vrolijkheid van carnaval, rum en salsa lag angst, machteloosheid en vooral verveling. Een dictatuur met zeezicht. Ik wou het tijdens de lezing voor mezelf houden, maar toen de zoveelste activist de loftrompet stak over Cuba, werd het me te veel. Ik fluisterde het allemaal in het oor van mijn vriendin. ‘Het heeft toch veel te maken met dat Amerikaans embargo’, antwoordde ze fel, ‘Zeg nu zelf, hoe kan je dat na al die jaren nog verdedigen!’ ‘Maar dat Comité de Defensa de la Revolución dan? Die hebben in elke straat hun mannetjes.’ ‘Die geven uitleg over vaccins en klimaatrampen,’ glunderde mijn vriendin. ‘Ze controleren mensen en luisteren hen af, zoals de Stasi in Oost-Duitsland vroeger.’ ‘Maar elke Cubaan zal je vertellen dat het onderwijs en de ziekenhuizen erg goed functioneren. Daar zijn ze trots op. Ze stuurden zelfs dokters naar Italië tijdens de coronacrisis.’ Het was waar, van die dokters. Maar al het andere dan? ‘Ik heb zin in een mojito’, zei ze. Ik scrolde door krantensites op mijn telefoon terwijl mijn vriendin van haar cocktail sipte en honderduit praatte met de Zuid-Amerikanen. Een Belgische vrouw die net verteld had hoe ze met haar vereniging kelders had leeggepompt bij slachtoffers van watersnood, deelde schouderklopjes uit aan haar strijdmakkers. Ze zamelden ook kledij in voor de kwetsbaarsten. En wat deed ik eigenlijk? Op mijn eentje de ‘waarheid’ koesteren? Mijn vriendin danste uitgelaten terwijl ik graag naar huis wou, maar het niet over mijn hart kreeg om haar avond daarmee te verpesten. Ik zette wat houterige passen op de salsamuziek die me overdreven uitbundig scheen, en vervloekte mezelf om mijn gematigdheid. Toen de zaal om drie uur bijna was leeggelopen, geeuwde mijn vriendin en zei ze dat ze naar bed verlangde. Op de fiets vertelde ze over mensen die ze had teruggezien. ‘Met Leila woonde ik toen in dat studentenhuis, ze heeft intussen twee kinderen, maar haar man verliet haar en toen werd ze op de koop toe ziek. Nu is ze weer beter en schrijft ze een boek.’  Ik voelde me erg loom toen ik de volgende ochtend wakker werd van het wekkergeluid op haar gsm. Alsof ik van ergens diep onder water naar het oppervlak zwom. Ik hoorde mijn vriendin op afstand en besefte pas na enkele zinnen dat ze het tegen mij had. Ze moest die zaterdag werken, ze had niet kunnen ruilen met een collega, maar het was niet erg, ze had dat nog gedaan, werken na een feestje. Dat houdt je jong. Ik dacht eraan voor de volgende logee een bordje aan de deur te hangen: ‘Hier slaapt men acht uur!’ Na mijn eerste vlaag ochtendhumeur, perste ik sinaasappelen hoewel ze zei dat dat niet nodig was. Samen aten we boterhammen voor we naar het station fietsten. ‘Laten we snel nog eens afspraken’, zei ze terwijl we elkaar ten afscheid knuffelden. Ze leek de sympathiekste blauwbloes ter wereld in haar uniform. De maandag erop perste ik sinaasappelen voor mezelf, fietste naar het station en parkeerde in de stalling tegenover de stationsklok, zodat ik mijn fiets bij thuiskomst snel zou terugvinden. In de trein zocht ik een plek bij het raam. Er cirkelden geen gieren in de lucht en de weilanden leken in niks op mangroves. Er waren geen hondjes met hoeden, geen salsa en de andere treinreizigers zaten met hun neus in een boek of over hun telefoon gebogen. Ik zou ruim op tijd zijn voor de vergadering.        

Pons
0 0