Zoeken

8 000 000 bef

Met de urne tegen zich aangedrukt smijt ze de autokoffer dicht. Koffie zus? Ja hoor! Ze komt binnen met natte wangen, het was een betraande rit. Ik neem de urne van haar over, zet mijn moeder op het salontafeltje. Mijn zus zoekt een zakdoek die ze niet kan vinden, ik reik haar de rol keukenpapier aan. Ik zet twee tassen neer, sla mijn arm om haar schouder, mijn blik op de urne gericht. Bij het opruimen, snottert ze, in één van de dozen vond ik het zwart op wit. Ze huilt nu luider, geeft zich over aan verdriet.  Waar heeft mijn zus het over? Het lijkt zo ongepast om nu koekjes op tafel te zetten. Haar huilbui neemt af, vertraagt als een trein die op bestemming aankomt. Vertel, zeg ik. Mama, onze mama, erfde acht miljoen in negentienvijfentachtig! Ik moet terugspoelen. Wat zei mijn zus zojuist? Dat onze mama veel geld heeft geërfd toen Dorianne 19 was, ik 24? Waaaat? Ik werp een blik op de urne, mijn moeder kijkt me niet eens aan. Ik denk, jij vals mens! Ik vond het bewijs, zegt ze. Mama was rijk. Twee jaar later stonden er appartementen te koop, nieuwbouw, ze had er vier kunnen kopen. Ik slik iets weg, misschien is het as? Je méént het niet? Toch wel.  En je bent niet boos? Nee, zegt ze, en leunt achterover in de bank. Ik buig me naar een kop, sta recht, neem de thermos koffie. Ik hoor dat mijn zus rustiger wordt. Waar zetten we de urne? Geen idee, zeg ik. Eigenlijk interesseert het mij niet maar dat verzwijg ik. Mijn moeder moet nu echt wel uit de weg, de koppen willen op tafel! Bij die gedachte grijp ik de urne en loop ermee naar de keuken. Onze poes doet me struikelen, de urne valt uit mijn handen, dit is zo voorspelbaar.  Oh god, roept mijn zus uit. Ik denk: Oh poetsvrouw zuigt mijn moeder op.  

Ingrid Strobbe
14 0

Babel. Of het voorgeslacht van Ikaros

In de warme woestijnlucht aan de oever van de Eufraat hangt rozenwater, vanille, oranjebloesems en jasmijn. In het mythische Babylon groeit een gigantische ziggurat, een door mensen gebouwde toren, een opgestoken middelvinger naar de Schepper. Er klinkt geroep, de werklieden hijgen en kreunen terwijl ze zware stenen omhoog hijsen met katrollen. Ezels en kamelen sjokken tussen de werken door. Mannen die uitgeput neervallen worden weggehaald en prompt vervangen. In de smidse brandt dag en nacht het vuur. Het gekletter van hamer op aambeeld, van metaal op metaal klinkt onafgebroken. Het heuvelachtige landschap lijkt in het niets te verdwijnen achter de toren en achter haar belofte van wat zal zijn. De hitte blaakt op hen neer, alsof de zon tracht te verhinderen dat het voorgeslacht van Ikaros dichterbij komt. Terwijl de bewoners van Babylon werken en sleuren en afzien en nog meer werken en sterven en worden vervangen, is er één man die met strenge blik alles gadeslaat. Op een nabijgelegen heuvel kijkt hij toe hoe zijn bouwwerk vordert. Zijn mantel en hoofdbedekking zijn vervaardigd uit dure ossenbloedrode stoffen. De staatsmantel wordt van de grond gehouden door een jonge knaap. Nonchalant leunend op zijn staf, luistert hij naar de verslagen van zijn raadsheer. De man heeft donkerbruine ogen, een verzorgde zwarte baard, een olijfkleurige huid met strakke gelaadstrekken. Hij is Nimrod, de Allereerste Koning van alle mensen, de Gigant, het legendarisch archetype voor alle jagers, degene die rebelleert tegen God, zoon van Kush, kleinzoon van Cham, achterkleinzoon van Noach, incarnatie van Marduk, echtgenoot van Semiramis. Hij heerst over Babylon, over Uruk, over Akkad en over alle steden.

LeenB
25 1

De overschildering van de Mona Lisa

Wat er gaande is volgens mij: Misschien begonnen mensen alleen te bewegen als ze honger hadden De nivellering van het gevoel zal de taal nooit bereiken  De categorisering van de wereld introduceert een onderscheid in mij Voorstel De ingang van de kentering is niet de resolutie  Een gelukkig intellectueel is diegene die het overzicht van het tegendeel als theorie van zijn problemen bewaart Een gezond intellectueel is diegene die het tegendeel van zijn problemen als overzicht voor zijn theorie gebruikt  De inspanning ervaart een wereld zonder vertaling Mentale problemen beleven wat je in de toekomst nooit zal meemaken  Het water is op   Niemand heeft ooit worden een mogelijke vorm van zijn toegedicht Vaarwel aan mijn geest De wanklank van het eerste weerhoudt het behoud van alles Ik zie een helderder licht, maar de wereld is verdwenen  Na verloop van tijd verzamelt alles zich in de as Jij zal je nooit haasten De huidige verhouding van onze gedachte is interferentie    De bloem rukt zich los van zijn verlangen om te vliegen, verliest het niet De omgekeerde vogel wordt zichtbaar in uitworp Het woord verleent zijn vorm aan een tweedeling echter Laat ons eerlijk zijn Dit is niet wat we gaan schilderen  Dit is wat we gaan schrijven  Wat is er nu onvermijdelijk aan die dauwregen die mijn ogen verpest Tweespalt onder gelijkzame roeiers  Dan blijven we de bloem beteugelen met bijentongen zonder betrekking terwijl ze rationeel wordt  Een incisie nalaten en de wonde analyseren  Wat is er niet hetzelfde aan wanneer het gekruist paard mijn voorkeur opvangt in mijn lenden zonder dat ze zichtbaar wordt? De werkelijkheid stapt verder met de contradictie aan herinnering over de schouder  Letterlijk ziet ze helemaal niets  Het teken van een appropriate werkwijze wordt geduid in mijn formuleringsdrang  Als een paard zich ooit overeen kan stemmen met de aard van bijen? Wordt haar toekomst uitgetekend door de uitvoering van verwachting? Omdat hij wil aanduiden betreft een hoger gelegen vlek moreel  Wie heeft de penselen ingelegd in de bewijsvoering van haar beduidenswaardigheid    Hun gebrek schittert in conventie dezelfde beoordeling  Omdat de taal mij niet toelaat verder uit te spreken, blijf ik haar getuige  Ze is het gezicht en het gevolg van de omgekeerde vogel die zich toespitst op mijn voorgaande  De mogelijkheid van een gefnuikte intentie die toeklapte naarmate de verlossing naderde op de werkelijkheid  Hoe kunnen zij dat voelen aankomen?   Tegelijk is er aan uw verpozing naar het toilet niets aan te merken behalve hetgeen ik U niet zeg: Zijn kleuren noodzakelijk als je ze begint onder te verdelen over een driehoek Uw kunstmerk geometrie stelt de vraag in oogschaduw  Hoeveel informatie heb ik nodig om uw antwoord zelf in te vullen  Zolang u mij de verf niet wil aangeven schieten daden mij inderdaad tekort om mijn overgang te bewerkstelligen  Tot alles wat u wil zeggen verdwijnt    Wat is er nu gebeurd? Dat schoonheid het proces wordt van verfijning in haar eigen waardeoordeel  Waarom bepaalt mij dat? Ik mis in Uw overgang inderdaad de queeste naar fout Ik kan mij niet vereenzelvigen met doek als intonatie impliceert dat het in verleden tijd gevallen is Na acht dagen terug  Is U diegene die mij onderbreekt dan kan ik u niet waarnemen  Voorwaarde om te vliegen is ingevuld in mijn penseel De verkeerde toets die ik aanbreng verwikkelt zich mits fijn stof in het proces  De vlucht dient herhaald te worden  serveert weeral oorsprong aan aarde Ik drenk mijn schuldbewustzijn in de juiste kleren alvorens ik haar sporen kan uitwissen De omgekeerde vogel lokt een redenering uit bij mensen in algemene waarneming    De verbinding tussen zijn volgorde en zijn staart met een inktkneep bij de verfborstels  Sympathie waait nu over naar links en de waarheid van de wereld wordt ontvallen De gordijnen die Maria draagt filteren haar besef op grintkorrels in herinnering  Ze is bij dit uitstek het mooiste beeld van de klas Dichtkunst is een afleiding  Ze wil zelf het aantal indrukken in haar vacht nagaan, nagelbijten moet ze tot in der treure van de leraar  Die denkt dat de wereld een kubus is waarin spiegels zich om voorbeeld wentelden Dat is het onderwerp  De restvariatie na synchronisering die mij overkomt Op een manier dat het gegadigd en stellig aanvoelt zo  Esthetiek wedijvert nog altijd om reden Ik verval in trots en dat betekent dat de wereld niet veilig is Zolang ik stilsta beweegt, bestaat mijn opponent niet    Daarom is Maria hier, om mij eten te komen brengen  In ruil geef ik haar mijn arm met verstrekkende mogelijkheden die eindigden in gedacht Heeft de werkelijkheid zijn achtersteven nodig om een website te creëren? Wanneer paarden het zullen vinden met vogeleieren kan ik terug beginnen kruipen  Ik hef mijn hand op naar mijn instructie  Overbodige woorden worden gedetecteerd niet langer dan nodig afgewogen  Zelfliefde vervloeide het meest vanzelf van de inkt naar verwachting  Een interventie in spiegelschrift introduceerde citrus over de juiste woorden  Aan toeval onderhevig treft herhaling resultaat  U bent niet voor rede vatbaar  Wat is het gewicht van de sterren als ze afglijden uit mijn behoudensgezindheid, meneer? Anders riep mij op om naar voor te gaan in een kamer met een centrum  Het is al voorbij  De rede heeft mij voortijdig ingehaald in samenspraak met verleden woorden  Theorie bekomt nu het bevelschrift van de koning  De enige mogelijke mooiste wereld wordt vastgesteld als een herinnering  Personen die zich daaraan niet kunnen houden worden bevestigd  voor ze hun eigen ogen in beschouwing nemen    Een gelaten interactie, dat is de werkelijkheid gegund in zijn straten  Wie wil zich opofferen om daar te gaan staan? Het kralensnoer van mijn computer begint in te stemmen  Ik treed terug in bewustzijn  De voldoening die het mij schenkt om iets concreets te plezieren, staat in contrast met de constante van mijn leven  Redenering  Toch heeft connotatie iets om slagschip mee te voeren, voorkennis van de oceaanbodem  De verklaring valt vroeg in de ochtend voor ironie, iedereen    Wie zal daar blijven rechtstaan? Aan mij is nu de keuze van drie antwoorden  U, ik, of de beste  Niemand die kan verkiezen mag ik na het zwijgen spreken  Ik ben dermate beoordeeld dat ik mijn muilkorf verder aanspan Twee dingen, en toen nemen ze mijn vermogen  Maria heeft nooit gerust wanneer ze tot stilstand komt waar we nog altijd naartoe gaan  is de hoofdstad    Uit plichtsbewustzijn? Dan zal ik jouw sterke hand kiezen en een vliegtuig tekenen  Dat is durven, dat is bepaald  Het resultaat is nu bereikt met de koning  Hij heeft geen hoogte  Bij ingreep volstaat de droom  Ik ben liever niet alleen op aarde met een omgekeerde vogel  Laat staan met een concept    Als we eerst de letters schilderen, kunnen we recycleren tot honing  De middeleeuwse klas streeft, maar vindt de dood in het onverwachte  De moderniteit neemt opnieuw de mogelijkheid  Iedereen beseft dat ze niet dom zijn, iedereen  Er is iets enorm vrijgeestig aan hoe ze hun concepten benaderen    De mediator moet naar voor treden  Hij kondigt het al aan, haar werk  Ze gaat geknield voor haar meesterwerk en verdrijft de dinsdagse demonen  Haar indeling in dagen is haar niet slecht bevallen  Ze heeft haar voorgaande gelaatsuitdrukkingen opgegraven  De uitwisseling met de omgekeerde vogel pleziert haar    Het is al haar derde idee vandaag  Voor ik begin te schrijven moet ik iets uitzonderlijk vaststellen  Iets zoals ik het wil Waarom is het dan een uitzondering?   Hun verf is gecalibreerd met honing en ze ruiken dat als ze dat denken  Dat weet ze nog van haar jeugd  Nu is het makkelijk  Verdiend is het niet maar een interventie is slechts levensvatbaar als je jezelf vooropstelt  Wat ik daarmee bedoel is dat ze het goed doet  Ze let niet op Nu mag ze niet draaien  De verwijzing wordt concreet en geladen    Ziedaar het leven van mijn penseel  Ik ben opgegroeid zonder  Ik wil daarnaar terug  Ik wil daar niet meer zijn  Ik wil deze kamer mogen verlaten  Het is enkel mijn advies maar je bank is verdwenen  Ik heb je een voetje gegeven zodat je bij je idee kan   Voor de zoveelste keer word ik afhankelijk  Ik moest tweemaal met mijn ogen knipperen naar de ventilator van de vlieggeschiedenis  Mijn brein is veel rijker dan lengte, tussen takken kan je de wereld al zien  Benoem hem niet te vaak terwijl je al weg bent    Schijnheilig is het hoe hij mij de taal oplegt Daarvoor maakt hij slechts gebruik van mijn verwondering  Een uitdrukking raakt niet aan de toon, dat is het probleem van verf Hij verbrandt het merkpunt in veelvoud  Na acht dagen vlucht is het terug zondag  De felicitaties volgen uit de feestdagen  Ze verkiezen vrede    Een doffe stilte staat boven de erker  De spiegel wordt versmolten tot een kolkende loodlijn Mits inpassing van de as, heb ik mijn vertrouwen in mijn herberg gevonden    De weerkaatsing van de hoogmoed verklaart voor het eerst durf Ik ben getuige Toen mijn twijgje knakt, wordt ze terug zichtbaar  Ik stond bij haar in de krijtlijnen, onvermijdelijk    Beroepen die zich nu vanuit de rug van de leerlingen interveniëren  Het hart is ze er niet van in, zo herken ik haar De overdracht wordt voltooid in gekozen woorden  Extra moeite eigenlijk, de geometrie bepalen  Kunde overziet het boek eigenlijk  Extra moeite wordt waargenomen    Terwijl we aan het vallen zijn kiest ze voor de volledige beschrijving  Schijnheilig berust ze in mijn overwinning  De kans op een tweede wedstrijd is uitgesloten  In het midden kaarten we voor besluit en eer   Hier ben ik niet is het patroon van de vermoeide mensen  Waarom zijn ze vermoeid?   Je twijgje heeft teveel weg van een geknoopte zakdoek, pas je kleurgebruik aan  Mijn grijze verfijning kent temptatie  Zou het tot leven komen voor kleur?   Haar gebroken hart staat rechtstreeks op het midden  Ik heb dat niet gezegd, destijds  Ik wou alleen maar worden  Dank u, leraar    Het ontbeert mij momenteel door onderzoek aan overzicht  Ik heb hem Het klimaat voelt warm aan bij het verlies van een twijgje  Revolteer de pioenen van de kunst om de spanning op te drijven    Waar bent u? In een deken van wetmatigheid doet ze boete  Haar mogelijke levens vervullen mij met inkeer  De korsten van de wonde schuren aan de werkelijkheid  Dat zullen wij nooit worden, de interventie           

Robijn Bodijn
12 0

Gevouwen geluiden (Hoofdstuk 10/10)

De nacht viel als sneeuw. Niet bruusk, niet volledig. Maar in vlokken.Vlokje duister na vlokje duister.Traag dwarrelend — het donker wilde zich niet opdringen, maar verlegen zichzelf uitnodigen. Een zachte val. In de woonkamer, waar boeken half geopend op planken lagen, nauwelijks hoorbaar nagalmend van hun eigen woorden, bracht kaarslicht de sfeer in de juiste stemming. De kaarsen weerstonden het donker niet heroïsch, wel koppig, elk omsingeld door hun eigen kleine kring van licht. Het was geen strijd, eerder een soort van verdrag tussen licht en nacht. Lys en Mauro zaten verstopt in een sofa die duidelijk niet gewend was aan dramatiek. Een blozende sofa. Met ervaren plooien en zachte kussens die zich graag stilhielden. De sofa wist: Dit is niet mijn scène, ik ben slechts de omarming. Ze zaten dicht. Nog net niet tegen elkaar. Via de geringe lucht tussen hen in voelden ze elkaars temperatuur. Hun schouders: dichte buren. Hun knieën: toevallige passanten. De stilte tussen hen was geen leegte. Ze was geladen, net als de wolken voor een zomers onweer dat nooit echt losbarst. “Het is vreemd,” fluisterde Lys, zonder te weten waarom ze precies fluisterde. Misschien wilde ze met haar stem de kaarsen niet laten uitdoven. Mauro keek haar aan. Niet rechtstreeks. Diagonaal. In een poging haar dubbel te zien. Een hartendame. “We zijn een beetje…” Hij zocht het juiste woord. “…heel zwakke magneten.”Ze knikte traag, overtuigd van het feit dat ze haar hoofd nog maar pas kon bewegen.“Zwakke magneten… zonder pool.” De sofa, zijn discrete zelf, haalde diep adem, werd een fractie zachter. Een verre herinnering ophalend aan hoe het voelt om geliefden te dragen. Toen gebeurde het.Niet gepland.Niet als besluit.Wel als nachtvlinder. Een eerste kus.Hij fladderde binnen.Werd niet gezocht.Werd niet gevangen.Maar vond een plek. Op haar lippen, tegen zijn bovenlip. Een aanraking die zachter was dan elke stof. Minder tastbaar dan een droom, veel duidelijker dan welke taal dan ook. Een stoel keek beschaamd weg. De plant naast de sofa begon iets sneller te ademen. Een boek viel dicht, zonder wind. Ze bleven daar, hun voorhoofden tegen elkaar, in het midden van iets wat nog geen naam had. De ademhaling synchroon, handen als nieuwsgierige diertjes op zoek naar een plek om te rusten. De sneeuw van de nacht bleef vallen.Onhoorbaar.Onmerkbaar.Bescheiden echt.En in die langzaam dichtvallende wereld waren Lys en Mauro een kleine stille vlam, omsingeld door elke mogelijke toekomst.

Piet V.
156 2

Gevouwen geluiden (Hoofdstuk 9/10)

De afwas begon halfhartig. In het oranje licht van de ondergaande zon leek de keuken van Mauro zich te transformeren. Alles kreeg een zachte gloed, omdat er niets meer te bewijzen viel. De besmeurde pan, de vuile borden, de druipende kraan — ze werden plots geen taken meer, maar decorstukken. Alles was doordrenkt met dat melancholische licht dat niet verdrietig was, maar wel zachtjes afscheid nam. Zacht zuchtend: Ik was hier graag, maar moet nu echt weg. Lys stond aan de wasbak, haar handen in het warme water, haar armen glinsterend van spetters. Mauro droogde af. Hij hield de vaatdoek meer vast als een vergeten accessoire dan als iets functioneels. Er waren nog borden, er waren nog glazen, bestek. Maar de tijd had zich ergens tussen hen opgerold en lag nu te slapen op het aanrecht. Toen klonk er geen muziek, maar wel iets anders. Een geluid dat je eerder voelt dan hoort: het schrapen van voeten op tegels, het zachte glijden van een ademhaling langs een nek, het magnetisch klikken van blikken die blijven hangen. Mauro legde de vaatdoek neer op een stoel. Lys veegde haar handen af aan haar broek, haar ogen op zijn borst gericht, alsof ze daar iets wilde lezen dat ze niet hoefde te onthouden. Ze begonnen te bewegen. Niet synchroon, wel als twee kinderen die vergeten waren hoe gêne werkte. Eerst was er een halve draai.Dan een stap achteruit.Mauro stak zijn hand uit, zonder verwachting.Lys legde haar vingers erin, alsof ze water proefde met haar vingertoppen. Een soort wals vormde zich, maar alleen in hun knieën. Een tango, alleen in hun blikken. Zijn rechtervoet streelde haar linker scheenbeen. Zij excuseerde zich door hem dichter naar zich toe te draaien. Haar haar raakte zijn kin. Zijn neus haar slaap. Ze dansten niet op ritme, maar op herinnering. En dan… in één beweging die nergens op leek, maar alles betekende, tilde Mauro haar hand op en draaide haar langzaam rond. Ze lachte. Niet luid. Diep. Verankerd in haar borst. Lys begreep op dat moment exact wat zijn grootmoeder bedoelde met 'portulana'. Terwijl ze draaide, haperde het zonlicht even. Het strekte zich languit voor een laatste zucht. De keuken vulde zich met lange schaduwen die niet donker waren, eerder zacht als kussens. Tussen een halve afwas en een halve dans bestond niets meer buiten wat hun voeten, hun vingers en hun adem besloten samen te doen. Buiten stond de wereld op pauze. Binnen was er alleen het geritsel van warmte die langzaam haar plaats vond in twee lichamen die elkaar voorzichtig begonnen te raken.

Piet V.
77 1

Gevouwen geluiden (Hoofdstuk 8/10)

In het schemerlicht van Mauro’s keuken, waar de muren net niet wit genoeg waren om steriliteit uit te stralen en de vloer zachtjes kraakte bij elke stap, stonden Lys en Mauro tegenover elkaar. Tussen hen in lag een houten snijplank waarop tomaten, basilicum en een handvol bonen lagen als schuchtere figuranten in een scène die nog niet geschreven was. “Wat dacht je van iets eenvoudigs?” stelde Lys voor terwijl ze een tomaat doormidden sneed. “Zo’n gerecht waar je achteraf niet van weet of het ontbijt of avondmaal was.” Mauro knikte. “Perfect. Tijdloos voedsel.” Hij trok een kleine, vierkante tinnen doos uit een kastje boven zijn hoofd. Op het deksel stond niets. Geen merk, geen opschrift. Alleen een lichte deuk in een hoekje. Hij opende het met een soort voorzichtigheid die men normaal voorbehoudt aan oude brieven of libellen met fragiele vleugels. Binnenin lag een stof, korrelig en okergeel. Schijnbaar een samenvloeiing van tedere kurkuma en zachte kaneel. Mauro schepte een halve theelepel op en liet het poeder haast achteloos in de pan glijden waarin de bonen al zachtjes sisten. Lys keek op. “Wat is dat?” Hij glimlachte. Zijn mondhoeken één halve graad hoger dan gewoonlijk. “Een familieding. Mijn grootmoeder noemde het ‘portulana’.” Ze liet haar mes even rusten. “Is het… pittig?” “Niet op je tong,” sprak Mauro zacht. “Meer… in je hoofd. Het opent dingen.” Lys lachte, maar voelde een lichte spanning achter haar ogen. Net alsof haar pupillen zich wilden uitstrekken als kattenpoten in zonlicht. “Wat voor dingen opent het?” “Soms ramen. Soms deuren. Soms hele gangen waarvan je niet wist dat ze bestonden,” haalde Mauro zijn schouders op terwijl hij de pan televisiekok-gewijs even opschudde. Toen ze even later samen op de vloer zaten, hun bord balancerend op hun knieën, stoelen ongebruikt, proefden ze samen hun creatie. Het gerecht was warm en aards, met een onbestemde diepte. Smaken die zich heel ver uitstrekten naar vroeger, naar hun kindertijd. Traag glimlachte Lys. “Mauro… ik herinner me ineens hoe mijn moeder vroeger haar vingers aflikte na het snijden van sappige perziken. Ik proef die perziken. Hoe kan dat?” Mauro keek haar aan, zijn ogen een seconde langer rustend op haar gezicht dan zijn woorden. “Soms liggen herinneringen verborgen achter deuren die nooit open gaan. Tenzij je niet probeert ze te openen.” “En jij probeert niet?” “Soms weet ik hoe ik niet moet proberen,” prevelde Mauro. Ze keken elkaar aan. Er klonk een zacht ‘klikje’ van het raam boven de gootsteen. Het stond nu op een kier. Niemand had nochtans iets aangeraakt. Niets geprobeerd.

Piet V.
70 1

Gevouwen geluiden (Hoofdstuk 7/10)

Zo stonden ze ineens weer op vaste grond. Een flard vislucht was het enige dat deed doorschemeren dat er net iets onverklaarbaars gebeurd was. Het stoepkrijt was verdwenen. De cirkels opgelost in het vloerpatroon van wat nu onmiskenbaar was: Mauro’s appartement. Of toch een versie ervan. Want niets was exact zoals het hoorde. De planten leken net iets te aandachtig te luisteren. Het raam open, alleen maar stilte binnenlatend. Uit de koffiezet ruiste een kabbelend beekje, alsof Mauro ooit vergeten was de instellingen van zijn realiteit aan te passen. Lys keek rond. Schijnbaar een kamer binnenglijdend die ze nog niet kende, maar waarvan ze op de een of andere manier de geur herkende. “Is dit … je huis?” vroeg ze. Mauro knikte. “Min of meer toch.” Ze dwaalde naar de boekenkast. Haar hoofd schuin. “Je boeken staan niet alfabetisch,” fluisterde ze. “Ze staan op geur. Wil je ruiken?” Hij reikte haar een boek aan. De kaft was oudroze, met een titel die zich weigerde te tonen. Lys opende het, rook eraan. Een mengeling van asfalt, sinaasappel en lichte melancholie. “Dit ruikt naar oktober,” ademde ze met woorden. Mauro glimlachte. “Exact.” Ze namen plaats, zittend, op de vloer. Tussen een verzameling aan vinylplaten en cassettebandjes die zich langzaam groepeerden, als waren ze ook nieuwsgierig naar het vervolg. En daar, zonder veel ceremonie, begonnen ze samen iets te doen wat ze nog nooit eerder samen deden: zwijgen. Geen lege stilte. Vol. Zwijgen als een bord soep op een koude dag. Als kruimels op de grond en niemand in de buurt om ze op te ruimen. Mauro stond op. Bewoog door de stilte naar een kast. Hij nam een grote jampot en opende die. Zacht gefluit ontsnapte. Een melodie van ergens ver weg. “Wat is dat?” vroeg Lys zacht. “Een herinnering die ik had gevangen. Ik weet alleen niet meer van wie.” Ze luisterden. Aandachtig. Dit was het moment waarop de vis, die al die tijd als stille getuige op de vensterbank had gelegen, de lucht in dook, door het open raam. Zonder geluid. Zonder afscheid. Hun blikken kruisten en raakten elkaar. “Hij vindt ons wel terug,” zuchtte Lys. Mauro knikte. “Of wij hem.” De lucht in de kamer vergeelde tot een oude foto van zachte wolken. Lys stond op en begon de boeken te herschikken. Niet op geur. Niet op kleur. Op het geluid dat ze maakten als je ze opensloeg. Ergens wist ze, voelde ze: dit is misschien nog niet het echte begin, maar het was een hoofdstuk dat zichzelf heel graag zelf wilde voorlezen. Opnieuw en opnieuw.

Piet V.
52 1

Gevouwen geluiden (Hoofdstuk 6/10)

Het visje lag tussen hen in. Zonder water. Levend. Teder spartelend. Alsof het geen water nodig had, maar herinnering. Mauro bukte zich, nam het voorzichtig in zijn hand. Iets in zijn blik trilde. Lys keek hoe hij het visje op zijn vlakke hand legde. Zij wist het. Het was een kompas. Niet gericht naar het noorden, maar naar iets wat ze samen konden bereiken. De krijtman stond stil nu. Zat zijn taak erop? Hij draaide zich om zonder een woord en liep de trap op, achterwaarts. Alsof hij terugkeerde naar een verleden dat hem ter verantwoording riep. Mauro en Lys bleven achter. De lucht voelde intenser. Zachter. Zwaar van mogelijkheden. Lys boog zich naar de grond, raapte het stoepkrijt op dat was blijven liggen. Ze keek Mauro aan. “Zullen we?” Hij knikte. Niet als antwoord op de vraag. Gewoon, voelend wat reeds in de lucht hing. Samen knielden ze opnieuw. Lys tekende een cirkel op de vloer. Groot genoeg voor hen beiden. Mauro nam het krijt over. Zijn hand tekende symbolen in de cirkel. Golven, spiraaltjes, onbestaande woorden. De hand werkte onafhankelijk van Mauro’s kennis. Een halve klok. Een gesloten deur. Appel met vergezicht. Het visje gleed van Mauro’s hand af, en begon traag de lijn van de cirkel te volgen. Eén keer. Twee keer. Bij de derde ronde klonk een geluid alsof iemand een dik, belangrijk boek opensloeg in een kamer die eeuwen leeg was gebleven. De ruimte scheurde.Niet in twee.Maar in véél meer. Elke keuze, elke variatie, van dit moment evenwaardig. Alleen anders afgekruid. Lys en Mauro kozen dezelfde kruiding: tijm en honing. Alsof hun zielen door de catalogus scrolden en in koor “Die!” riepen. Ze stonden samen op. In een ander landschap. Nog altijd in het gebouw, maar het gebouw was nu een bos. Of eerder een ruimte die zich voordeed als bos. Een illusie van stammen, takken en bladeren. Zonlicht als plafond. Levend behang van insecten en zacht zingende vogels. De vis zweefde boven hen alsof hij nooit iets anders deed: zweven.“Dus…,” zei Mauro, “volgen we hem?” Lys knikte en nam zijn hand weer vast. De lucht rook naar karton. Oude dozen met geheimen. Naar het begin van iets dat nog geen naam heeft. En het visje? Het begon te zwemmen. Vooruit, de lucht in, een kronkelend pad volgend tussen schijnbomen en herinneringen.

Piet V.
70 1