Zoeken

Laatste noot

Ik kijk uit het raam. Een lantaarnpaal, een auto, een hele rij bomen, weer een auto… Het is krap op de achterbank. Ik zit helemaal links, mijn kleine broer Arno naast me en zijn vriend aan de rechterkant. Een tikkend geluid verspreidt zich in de auto. Een tijd lang is het gewoon een vervelend geluid, maar later valt het wel mee. Sterker nog, ik begin er een beat in te voelen. Tekst komt in mijn hoofd op zoals regen in de aarde sijpelt na een bui. Ik grijp naar mijn rugzak en trek mijn schrijfblok en pen eruit. De inkt vloeit uit de pen. Mama zit achter het stuur. Plotseling trapt ze op de rem. De auto stopt abrupt en maakt een scherpe bocht naar rechts. Bijna had ik een streep door mijn tekst getrokken die nu al ongeveer een pagina lang is. De auto rijdt de oprijlaan op. Eenmaal boven glijden de schuifdeuren van ons grijze volkswagenbusje open. Eén voor één stappen we uit. Mama en papa zijn als eerste uitgestapt en beginnen de boodschappentassen uit de auto te halen. Bij ons, achterin, duurt het langer. We zaten met ons drietjes op de derde rij, dus moeten we eerst wachten tot oma en opa van de tweede rij zijn uitgestapt. Oma is al wat minder goed te been, dus help ik haar nog even. Hun huis staat schuin tegenover dat van ons. Terwijl onze grootouders naar hun huis wandelen, moeten Arno en ik nog wat zakken uit de auto naar binnen dragen. De garagepoort staat al open. Met mijn halfopen rugzak over mijn schouder hangend, mijn schrijfblok en pen in mijn handen, sjouw ik drie grote tassen de trappen in de garage op. Boven aangekomen, duw ik met mijn rug tegen de deur naar de berging en zet de zakken naast de wasmachine neer. Meteen daarna snel ik door de keuken, de eetkamer, de trappen en gangen, twee verdiepingen omhoog naar mijn kamer. Daar gooi ik mijn rugzak naast mijn bed en leg mijn tekst en pen op het bureau. Ik ga op mijn blauwe bureaustoel zitten en pak mijn gitaar uit de staander tussen het bureau en een nachtkastje. Eerst tokkel ik maar wat, en een paar minuten later heb ik een prachtig akkoordenschema. Ik speel het een aantal keer en begin de tekst erboven te zingen. Ondertussen ben ik al een half uur bezig, en ik denk dat ik klaar ben. Er is nu wel één ding dat me een beetje stoort. Het akkoordenschema klinkt heel mooi en vrolijk en dat is natuurlijk heel leuk, maar het klopt niet helemaal. Het onderwerp van de tekst is allesbehalve passend bij de gitaarklanken. Het lied gaat over oma. Zij is wel altijd vrolijk en is een echte levensgenieter, maar niemand behalve ik, mama, papa en opa weten wat er aan de hand is. Zelfs Arno weet het niet. Oma heeft verschillende allergieën en lijdt aan een of andere ziekte waardoor ze altijd pijn heeft aan haar gewrichten en moeilijk kan ademen. De laatste tijd wordt het steeds erger, en ze is zelfs naar het ziekenhuis gebracht tijdens het straatfeest. Ik mocht toen samen met opa met haar mee in de ziekenwagen. Ze had toen enorm veel pijn, maar in het ziekenhuis werd ze goed verzorgd door de verplegers. Er was toen ook een specialist bij haar langsgekomen, die haar helemaal onderzocht. Ik herkende haar nog van een andere keer, alleen was haar donkerbruine haar de tweede keer korter geknipt. Terwijl het onderzoek bezig was, zaten opa en ik in de cafetaria. Een halfuurtje later kwam de specialist ons halen en gingen we terug naar de kamer waar oma lag. De specialist keek ons serieus aan. Ik zag aan opa's blik dat hij bezorgd begon te worden. Toen kregen we voor het eerst te horen dat oma nog maar twee jaar te leven zou hebben. Daarstraks in de auto dacht ik terug aan wat de specialist drie maanden geleden had verteld. Daardoor kwam ik op het idee om een lied over oma te schrijven. Een lied over haar positiviteit, haar doorzettingsvermogen, haar kracht, goedheid en ook over wanneer ze er niet meer zou zijn en hoe ik me dan zou voelen. Eerlijk gezegd kan ik me dat niet goed inbeelden. Ze is er al sinds... Sinds... Ze is er gewoon al sinds altijd. Dat zij er niet meer is, bestaat gewoon niet. Elke dag na school eten we bij haar en maken we samen ons huiswerk. In het weekend spelen Arno en ik spelletjes met haar, en wanneer we op vakantie gaan, komt zij mee en stippelt de mooiste wandelroutes voor ons uit. Ondanks dat ik niet goed weet hoe ik me dan zou voelen, is het me wel gelukt om er een lied over te schrijven. Ik denk dat ik de gitaarakkoorden gewoon zo vrolijk ga laten, maar er moet wel nog een ander instrument bij. Misschien een vioolintro en wat piano om het af te werken. Dat lijkt me een goed idee. Ik haal mijn microfoon uit mijn lage, witte kast in de hoek van mijn kamer en verbind deze met de computer. Het opneemprogramma opent vanzelf. Ik klik op "Play" en begin te spelen. Eerst de gitaar, dan in een nieuwe track de vioolmelodie, daarna de gezongen tekst en ten slotte de piano. Die moet ik beneden opnemen omdat de piano in de woonkamer staat. Gelukkig zijn Arno en zijn vriend in de tuin aan het spelen en is het hier niet te lawaaierig. Ik zing het einde van het lied. Alles is nu opgenomen. Na een uurtje werken aan de tracks heb ik ze mooi samengevoegd en is alle achtergrondruis verdwenen. Ik ga naar het bureau op de eerste verdieping waar mama en papa zitten te werken. Ik laat ze het lied horen. Tijdens het afspelen zie ik mama meebewegen op de beat van de muziek, terwijl papa niet echt geïnteresseerd lijkt. Als de laatste noot in de kamer heeft geëchood, geeft mama me een miniapplaus. Meteen roept ze bijna: "Dit gaat de grootste hit ooit zijn, je moet dit echt uitbrengen!" Bij die woorden schieten er wel duizend gedachten door mijn hoofd. Meent ze dit nu, of is ze sarcastisch? Vindt ze het echt mooi? Kan ik dit lied überhaupt uitbrengen? Ik ben nog maar vijftien jaar. Ik kijk haar in de ogen en meteen zie ik dat ze het meent. Alsof papa mijn gedachten kon lezen, vertelt hij met zijn serieuze stem: "Ik weet al hoe je je lied publiek kan maken terwijl je vijftien jaar oud bent." Hij opent een website op zijn laptop en meldt zich aan. Een paar minuten later staat mijn lied online. Ik weet niet zeker of het lied goed genoeg is om het aan de wereld te laten horen. Even dacht ik nog te vragen om het toch offline te halen, maar net op dat moment verschijnt er een melding op de laptop dat iemand het lied is begonnen te luisteren. Niet veel later staat er bij het hartje onder het lied een één, en dan een twee, vier, zeven… De hartjes blijven maar oplopen. Na een paar uur heeft het lied al bijna 50 hartjes. Misschien is het maar goed dat ik het niet offline heb gehaald. Een week later komt papa plotseling mijn kamer binnen. Ik ben net bezig met mijn boekentas klaar te maken voor school. Papa vraagt of ik even met hem mee wil gaan naar zijn bureau. Hij trekt aan een hendeltje aan het bureau, dat plots in beweging komt. De tafel staat ineens zo hoog dat de laptop die erop staat gelijkkomt met mijn schouders. Papa zet de helderheid van het scherm wat hoger en wijst met zijn vinger naar een getal: 87.462. Dan verplaatst hij zijn vinger iets naar beneden. Nu wordt duidelijk wat het getal aangeeft. Dit zijn de hartjes die mijn lied heeft gekregen. Even ben ik sprakeloos. Dan scrolt papa naar beneden, naar de reacties op het lied. Veel mensen hebben een reactie achtergelaten. "Wauw, ik hou van deze song!, #MijnNieuweLievelingslied", "Waar heb je de inspiratie vandaan gehaald?", "Echt een topsong!", en er zijn nog veel meer reacties. Nog wat verder naar beneden staat er een recensie van XtremeRecords. Ik lees wat er staat, en mijn mond valt letterlijk open: "Hey daar, we hebben gezien hoe populair je song is. Zo veel mensen vinden het geweldig. Wij hebben een aanbod voor je. Als je wil, kun je deze song groots maken in samenwerking met onze platenmaatschappij. We zoeken nog iemand met talent. Zin om mee te doen? Ik kan het nog steeds niet geloven. Ik kijk papa aan, en dan mama, die naast me is komen zitten. Ze hebben de tekst volgens mij al eerder gelezen. Ik kijk ze aan met mijn "mag het alsjeblieft"-oogjes. Ze knikken. Papa zegt dat hij al contact heeft opgenomen met de maatschappij en dat ik er morgen naartoe moet gaan. "Maar dan heb ik toch school?" vraag ik, waarop mama antwoordt: "Deze keer niet." Ze lacht en geeft me een knuffel. Dan vraag ik of oma het lied al heeft gehoord, en of ze het niet erg vindt dat het over haar gaat. Het blijkt dat oma er geen probleem mee heeft, en het zelfs leuk vindt. Ze is heel trots op mij, maar dat was ze altijd al. Vandaag is het eindelijk zo ver! Ik spring uit bed en kleed me aan. Vliegensvlug ren ik naar beneden en eet het ontbijt dat mama al voor me heeft klaargezet: een kommetje met haar zelfgemaakte granola met melk. Ik schrok de maaltijd op en maak me klaar om te vertrekken. Ondertussen is het al halfnegen. De auto staat al klaar. Snel stap ik in en sluit de deur. Na een uurtje rijden ben ik er eindelijk. Ik sta voor een groot gebouw vol antennes, recht voor een grote deur. Aarzelend stap ik richting de glazen deur. Deze opent vanzelf. Plots sta ik in het midden van een reusachtige inkomhal. Ik ga naar de balie en vertel waarom ik hier ben. De man achter de balie weet meteen waarover ik het heb en drukt op een knop. Het lichtje boven de knop kleurt rood en plotseling komt er uit een van de gangen een grote man op me afgewandeld. Hij heeft een wijde zwarte jeans aan met daarboven een sweater. Zijn haar zit wat in de war en hij draagt een achterstevoren pet. Deze eerste indruk geeft me meteen een goed en welkom gevoel. Ik draag een short en een hoodie met een tekening van een skelet met een gitaar op de achterkant. Het is wel jammer dat je dit niet kunt zien, want mijn lange blonde haren liggen erover. De man in de sweater omhelst me meteen en begroet me vriendelijk. Zijn accent klinkt licht Spaans. De man stelt zich aan me voor. Zijn naam is Alejandro Mora. Hij is een van de bekendste Mexicanen in de buurt. Hij neemt me mee door de gangen naar een kleine studio. Ik moet achter een glazen plaat gaan staan, waar een microfoon aan het plafond hangt. Alejandro geeft een teken dat we gaan beginnen met opnemen. Een man die verantwoordelijk is voor alles wat met de computers en het opnemen te maken heeft, begint aan knoppen te draaien en hendeltjes over te halen. We nemen het lied opnieuw op. Deze keer is er ook een zangcoach, Lien, bij die me extra tips geeft. Ook zijn er nu professionele gitaar-, piano- en violisten en kan ik zingen zonder afgeleid te worden door voorbijrijdende auto's of zoemende airco's. Aan het einde van de dag hebben we al veel vooruitgang geboekt. We hebben afgesproken dat ik elke zaterdagnamiddag naar de studio zou komen. Zoals afgesproken word ik de eerstvolgende zaterdagnamiddag weer afgezet voor het gebouw. Deze keer ken ik mijn weg al en hoef ik niet meer de man achter de balie om hulp te vragen. Het is de eerste gang naar links, bij de zithoek naar rechts, aan het einde van die gang de trappen op, en dan is het bij de bloembakken aan de linkerkant. Ik klop zachtjes op de deur. Er komt niemand opendoen. Ik wacht nog eventjes op het bankje voor de deur. Niet veel later vliegt die open en staat Alejandro in de deuropening. Een grote glimlach staat op zijn gezicht en er komen tranen uit zijn ogen. Hij trekt me naar binnen. Onbegrijpend kijk ik rond. Ook de man achter het opneempaneel en Lien hebben de slappe lach. Ik snap niet wat er gaande is. "Laat ik iedereen horen. Dat weten wij ook niet!" schatert Lien. "Waarom lachen jullie dan zo?" Alejandro neemt de muis van de computerman en speelt iets af dat ze net hadden opgenomen. "Hoor je het nu?" vraagt hij me. Een lied speelt zich af. Het klinkt als Alejandro's stem. Een beetje later komt er een instrumentaal deel. Plots horen we drie klopjes op een deur midden in het lied. Ik begin te begrijpen waarom ze zo lachen. Beschaamd zet ik een stap achteruit. Alejandro pakt me vast en zegt dat het helemaal niet uitmaakt. "Dat doet me denken aan toen ik voor de eerste keer naar een studio ging. Toen klopte ik ook aan midden in een opname. Het enige verschil was dat ik bij de verkeerde studio had aangeklopt en dat het een live-uitzending was op de radio." Zijn slappe lach begint te verdwijnen en ik begin me alweer wat beter te voelen. "Maar waarom moesten jullie dan zo hard lachen?" vraag ik aan Lien en de paneelbestuurder. Volgens mij weten ze het zelf niet goed. Ze kijken elkaar aan. "Ik moest gewoon lachen door Alejandro. Zijn lach is zo aanstekelijk," zegt Lien. De computerman knikt hevig. Uiteindelijk beslist Alejandro dat we aan het werk moeten. Zoals de vorige keer ga ik weer achter het glazen paneel staan. Een aantal uur later is het opnemen klaar. Mijn keel is uitgedroogd als een vis in de woestijn. We laten de computerman en de mensen die de instrumenten bespelen achter ons en gaan met ons drieën naar de zithoek. Onderweg maakt Alejandro al bekend dat mijn lied, dat we in de studio hebben opgenomen, straks op alle radiozenders te horen zal zijn. We komen aan bij de zithoek en nemen plaats in oranje zetels. Daar tovert Alejandro drankjes en wat koekjes tevoorschijn. Wanneer mijn glas cola bijna leeg is, voel ik iets trillen in mijn broekzak. Het is vast mijn gsm. Ik trek hem uit mijn achterzak en ontgrendel hem. Mama heeft me een bericht gestuurd dat ze over vijf minuutjes hier is en dat ik al buiten moet gaan staan. Alejandro en Lien staan op en lopen met me mee naar buiten, waar mama de auto al had geparkeerd. Ik neem afscheid van Lien, druk Alejandro de hand en stap in. Wanneer we vertrekken, vertel ik mama wat ik allemaal heb gedaan en dat mijn lied straks al op de radio zal komen. Ze is echt trots op mij. Dat voel ik gewoon. Ondertussen zijn we bijna thuis en mijn lied begint te spelen op de radio. Plotseling rinkelt mijn gsm. Ik haal hem weer tevoorschijn en klik op "oproep beantwoorden". Nog geen seconde later hoor ik Liens stem. Ze klinkt heel erg opgewonden. "Jana, je moet dit echt horen! Ik heb superbelangrijk nieuws voor jou. Je lied is op dit moment aan het draaien en de likes komen het dak uit! We hebben nog nooit zo'n grote hit gehad! Dit is nog niet alles. Op dit moment krijgen we tientallen telefoontjes van producenten die naar jou vragen. Voorlopig zeggen we nog dat we eerst jouw toestemming moeten vragen voordat we hun toestemmingen mogen geven voor hun projecten. We houden je nog op de hoogte. Daag." Lien haakt af. Ik kan mijn oren gewoon niet geloven. Had ze dat nu echt gezegd? Ik weet niet meer wat ik hierop moet zeggen. De auto vertraagt en neemt de afslag naar rechts. Dan haalt mama de handrem over. We doen tegelijkertijd de deuren open. Mama heeft bijna de hele rit niets gezegd, maar nu we zijn uitgestapt, vraagt ze: "Wat wil je vanavond eten?" Natuurlijk antwoord ik dat ik lasagne wil, de zelfgemaakte lasagne van opa met mama's salade. Volgens mij wist ze al dat ik dat als antwoord zou geven, want op het keukeneiland liggen alle nodige ingrediënten en opa zat ons al op te wachten in de eetkamer. Ik ga in de beige leren zetel zitten in mijn favoriete hoekje, helemaal rechts met een kussen in mijn handen en een blauw dekentje over me heen. Dan zet ik met de afstandsbediening, die naast me ligt, de tv aan. De muur wordt verlicht door de lampjes aan de achterkant van de tv. Onze tv neemt de helft van de muur in beslag en heeft een heel scherp beeld. Ik zap naar zender één. Het is acht uur en het nieuws gaat net beginnen. Het is al een tijdje geleden dat we het nieuws hebben gekeken. De man aan de andere kant van het scherm begint: "We starten vandaag het nieuws in Antwerpen. Daar is vanochtend…" Het eerste deel let ik niet goed op. Ik val bijna in slaap. Zingen en muziek maken is heel leuk, maar best vermoeiend om de hele dag te doen. Mijn ogen beginnen dicht te vallen en ik schuif onderuit in de zetel tot ik iets hoor dat ik zeker niet wil missen. "Dan gaan we nu naar een bijzondere plek, want we hebben daarstraks een zeer uniek bericht binnengekregen. We gaan vandaag een kijkje nemen bij platenmaatschappij XtremeRecords. Jana, een meisje van vijftien jaar, heeft ons daar bewezen dat je niet oud hoeft te zijn om hoge prestaties neer te zetten. Dan gaan we nu door naar onze live reporter." "Ik sta hier nu ter plaatse bij platenmaatschappij XtremeRecords en het eerste wat me opvalt is dat het hier enorm druk is. Een vijftigtal mensen staan hier aan de deur te wachten om binnen te mogen. Gelukkig mogen wij als nieuwsreporters langs de achterdeur naar binnen… Ik sta hier nu bij Lien Goesers. We volgen het gesprek tussen Lien en een producent. Zo te zien wordt er gevraagd om Jana mee op tournee te nemen. Lien belt nu naar…" Mijn telefoon rinkelt. Het is Lien. Ik spring uit de zetel en ren de gang in. "Hallo Lien…" "Hey Jana, ik had je verteld dat ik je nog zou terugbellen. Er staat hier een producent bij mij die je heel graag even wil spreken." Ik geef toestemming. Dan hoor ik wat gerommel aan de andere kant van de lijn. "Ja, ja, hallo?" Ik zeg ook nog hallo terug. "Ik voel me vereerd om met u te mogen praten. Ik heb uw song gehoord en vind deze even indrukwekkend als alle andere mensen die hier nu staan te wachten. Daarom wil ik u om een gunst vragen. Het zou me zeer vereren als u met mijn team op tournee zou willen gaan. Over twee weken spelen we op een concert in Brussel en Sint-Truiden, de dag daarna nog in Parijs en een week later in Amsterdam. Heeft u misschien zin om zich bij ons aan te sluiten?"  Ik vraag aan de man aan de lijn om een minuutje geduld te hebben. Ik spurt terug naar de keuken om aan mama te vragen of het mag. Nog voordat ik iets kan zeggen, steekt ze haar twee duimen in de lucht en wijst nog even naar de tv om duidelijk te maken dat alles uitgezonden wordt. Ik stem in met de man. Na het telefoontje en het nieuws wordt het weer wat rustiger. We eten, maken ons klaar om te gaan slapen, en gaan naar bed. Het is nu al bijna twaalf uur en iedereen slaapt al, behalve ik. Ik ben veel te opgewonden. Morgen moet ik het contract gaan ondertekenen, en als dat is gebeurd vertrekken we al meteen. Na een lange tijd wachten wordt het dan toch nog donker en heerst de stilte en rust in mijn hoofd. Het is ochtend en ik heb niet goed geslapen, maar ik heb geen tijd om moe te zijn. Het is nog maar zeven uur en er staat al een zwarte auto voor de deur. Nog voor er gebeld wordt, open ik de deur. Een man met een zwarte zonnebril houdt het document dat ik moet tekenen voor mijn neus. Ik schrijf mijn handtekening onderaan, en vertrek terwijl mijn ouders en kleinere broer me uitzwaaien. Ze waren speciaal vroeger opgestaan daarvoor. Eenmaal vertrokken, werd er een heel strak schema doorlopen. De volgende vier weken verliepen volgens dat schema. Ik heb de leukste tijd van mijn leven meegemaakt. Twee jaar gingen voorbij, en ik heb ondertussen al een veertigtal concerten gegeven. Tijdens die momenten kreeg ik les van een privéleraar omdat ik niet meer naar school kon, en wanneer ik dan wel naar school ging, werd ik niet meer uitgesloten en was iedereen aardig tegen me. Eindelijk ben ik weer eens thuis, eet ik thuis, slaap ik thuis, en zie ik mijn familie terug. De eerste week eten we weer allemaal samen, ons gezin en oma en opa. Oma’s gezondheid was nog steeds hetzelfde als toen ik vertrok. De dokter had waarschijnlijk gewoon een fout gemaakt en bedoelde misschien geen twee jaar, maar twintig! Het is heel gezellig aan tafel. Ook al is de zon buiten nog niet helemaal onder, geven de kaarsjes in het midden van de eikenhouten tafel wel veel sfeer. De avond vloog voorbij en we zijn helemaal bijgepraat. Zo weet ik nu ook dat de hond van de buurvrouw is bevallen van vier pupjes. Het wordt al laat en iedereen gaat slapen. Alleen ik slaap deze keer weer niet meer. En ja, ik leg de nadruk op niet meer. Ik was namelijk al in slaap gevallen, en was zelfs al beginnen dromen, maar de beltoon van mijn gsm weergalmde weer eens door de gangen. Met mijn oogleden nog half over mijn ogen neem ik op. Ik lijk wel een zombie. Iemand aan de andere kant van de lijn begint te praten. Het is de man die mij meenam naar al die concerten. Hij vraagt me of ik mee wil met hem naar een groter concert. Een concert waar meer dan twintigdubbel zoveel mensen gaan zijn dan waar ik tot nu toe heb opgetreden. Plots voelde ik me weer springlevend. Dan vertelt hij verder. We vertrekken morgen om vijf uur en nemen het vliegtuig om zes richting Miami. Daar zal je optreden plaatsvinden. Je oma gaat trots op je zijn als ze hoort dat je het lied over haar voor bijna de hele wereld gaat zingen. Ik bedank de man, en leg af. Ik ga terug in bed liggen, weer klaarwakker terwijl ik naar het plafond staar. Zou oma daar wel echt blij mee zijn? Ik heb wel een lied over haar gemaakt, maar ze gaat erin dood. Ik weet niet of ze dat zo leuk gaat vinden. Gelukkig gaat ze toch nog niet sterven, want dan zou ze er al langer dan een half jaar niet meer zijn. Terwijl al deze gedachten door mijn hoofd dwalen, val ik in slaap. Mijn wekker gaat af. Het is vier uur. Ik schrijf een briefje voor mama met daarop dat ik wegga voor ongeveer twee weken. Ze had me gezegd dat wanneer ik weer zo laat een telefoontje krijg om mee te gaan de volgende ochtend, en ik dat graag wou, ik gewoon mee mag gaan. De regel was wel dat ik dan een briefje op de eettafel zou leggen. Zoals beloofd legde ik het briefje meteen op de tafel, mooi in het midden. Na zo lang wachten was het tijd. Ik was vertrokken en zit nu op het vliegtuig. Ik mag vliegen in eerste klasse, maar zie dat iedereen naar me zit te kijken. Gelukkig mocht Alejandro ook mee en zit hij naast mij. Naast hem voel ik me veilig. Hij heeft vroeger toen hij in het middelbaar zat aan vechtsport gedaan. De dagen strijken voorbij en het concert nadert. Over een aantal minuten moet ik op. Zes minuten voor het opgaan kwam Alejandro met een zeer betreurd gezicht naar me toe, met zijn gsm in zijn linkerhand, en omhelsde hij me met zijn andere arm. "Het spijt me, echt waar. Ik kon er niets aan doen!" Ik kijk hem met gefronste wenkbrauwen aan. Ik ben niet mee met wat er gaande is. "Alejandro, wat is er? Ik moet bijna op." Alejandro duwt de telefoon in mijn handen. "Hallo?" zeg ik. "Ik moet u zeer slecht nieuws meedelen," klinkt het alsof er een jonge vrouw aan de lijn is. "Je grootmoeder is een aantal minuten geleden heen gegaan. Ze had een bepaalde soort noot gegeten uit een notenmix. Ze kreeg daar waarschijnlijk een zware allergische reactie op. De ambulances kwamen zo snel als het kon, maar alle hulp kwam te laat. Het spijt me." De telefoon glijdt uit mijn handen. Lien, die ondertussen ook bij ons was komen staan, had hem nog net op tijd gevangen, vlak voordat het toestel de grond raakte. Tranen hopen zich op in mijn ooghoeken. Ik probeer het nog in te houden, maar dat lukt gewoon niet. Ik barst in tranen uit. Lien en Alejandro proberen me te troosten, maar het is gewoon onmogelijk. Zij leerde mij alles. Zij gaf mij alles. Zij was mijn alles, en nu is ze niets. Dat kan toch niet? Waarom? Ik heb er niet veel meer woorden voor. Het kan gewoon niet! De medewerkers van het concert komen naar me toe met een microfoon. "Je moet over dertig seconden opgaan." Ze zien wel dat ik verdrietig ben, maar de show staat vast, daar kan ik niet meer omheen. Alejandro veegt met de mouw van zijn sweater mijn tranen weg en geeft me een klein duwtje richting het podium. "Je kan het wel, ik geloof in je. Wij geloven in je. Doe het voor je oma, dit is wat ze had gewild!" Is dit echt wat ze wou? Ik begin eraan te twijfelen. Vlak voordat ik de eerste stap op het reusachtige podium zet, meen ik nog een filmpje te horen waarin oma zegt dat ze superblij is voor mij, wil dat ik mijn dromen najaag en dat ze in mij gelooft. Ik loop verder. Iedereen juicht en klapt voor me. De muziek start en ik begin te zingen. Ik heb deze song nu al zo vaak gezongen, maar het voelt toch anders. Deze keer is het niet zomaar iets wat ik zing omdat het mooi klinkt. Deze keer is het niet meer zoals anders. Deze keer is het niet meer doodnormaal. Deze keer… Deze keer is het écht. De song loopt bijna op zijn einde, net zoals oma. Toen weerklonk de laatste noot.

JanaT.
6 1

EEN GEWAARSCHUWD MENS

Toen Rikkie mij vroeg om samen een drankautomaat te plunderen, wist ik dat hij de ware was.  Het was vrijdagavond, en ik zat aan een tafel bij het raam in het café waar we hadden afgesproken, toen ik iemand zag gebaren dat ik snel naar buiten moest komen. Ik herkende Rikkie niet. Ik had hem nog nooit in het echt gezien en op zijn foto’s droeg hij nooit een boerenpet. Sterker nog, als ik had geweten dat hij een boerenpet droeg, was ik nooit met hem op date gegaan.  Ik maakte een verrekijker van mijn handen en hield hem tegen het raam. Niemand anders had zulke oren, zonder één keer in de ring te hebben gestaan. Ik wees naar mijn volle glas bier, waarop Rikkie zijn portefeuille uit zijn achterzak haalde en erop tikte als een goochelaar. Met één arm in mijn jas liep ik naar buiten. ‘Kom mee,’ zei hij. ‘Ik wil je iets laten zien.’ Rikkie was een van mijn zesjes. Om het lot een rol te laten spelen op Tinder, sloot ik iedere zesde foto mijn ogen en swipte naar rechts. Soms waren zesjes knap, soms spuuglelijk. Maar om wekenlang mee te chatten waren ze net zo vervelend als al de rest. Behalve Rikkie. Rikkie was niet als eerste met mij beginnen te chatten, en daarom had ik besloten met hem op date te gaan. Ik hield van zijn onderkoelde reactie. Alsof hem iets gratis werd aangeboden wat hij eigenlijk niet nodig had. Waarom ook niet? ‘Wil je niet weten wat het is?’ vroeg hij. Hij liep zo snel dat ik moest rennen om hem bij te houden. ‘Nieuwsgierigheid is de remedie tegen verveling.’ Hij stopte en keek me onderzoekend aan. Het haar in mijn nek kwam overeind. Een van de voortekenen. Maar ik negeerde het. ‘We gaan bijklussen vanavond,’ zei hij ten slotte. ‘Die date doen we wel een andere keer over.’ Ik schudde met mijn hoofd. ‘Hij is precies goed zo.' We liepen verder en Rikkie praatte over mensen die hij kende en dingen die hij had meegemaakt, en zo nu en dan, als het onderwerp het toeliet, las ik tussen de regels dat hij me slim vond, of dat hij dacht dat ik zo door hem gezien wilde worden. Hij praatte veel, maar niet op de luide, domme manier van iemand die dronken was, en maakte weinig zinnen af, alsof hij meteen spijt kreeg van elke gedachte waaraan hij begon. Toen, na een wandeling van vijf minuten, trok hij me een donker steegje in. Het stonk er naar pis en afval en keukenlucht van goedkope restaurants. Het soort steegje waar vrouwen in films werden verkracht. Ik keek achterom. Niemand hier op dit uur. Zelfs geen keukenhulpje dat na een drukke service namaaksigaretten stond te roken. Halverwege, bij een grauwe gevel waarvan de onderkant enkele meters terugsprong, hield Rikkie halt. Zijn blik zocht naar bevestiging. Ik keek rond, maar ik zag niets wat de moeite waard was om te laten zien. Er zat een verroeste poort in de terugsprong, en ernaast tegen de muur stond een stoffige drankautomaat. Ik kon me niet voorstellen dat er achter die poort iets waardevols werd bewaard. En wat de automaat betrof, het was een oud model. Dat zag ik aan het paneel. Bovendien brandde de verlichting niet, en dus dacht ik, net als iedereen die erlangs liep, dat het ding buiten werking was. ‘Telkens als ik er een zie,’ zei Rikkie, ‘druk ik op de muntretourknop. Een oude gewoonte. We hadden niet veel geld thuis. Maar let nu goed op.’ Rikkie liep naar de automaat en drukte op de knop. Het geluid van iets zwaars dat in een holte naar beneden tuimelde. Hij bukte zich en grijnsde me toe, voordat hij zijn hand door het luik stak en een blikje Coca-Cola tevoorschijn haalde. ‘Alsjeblieft,’ zei hij. ‘Voor daarnet.’ Ik hield het blikje ondersteboven. Het was niet over datum. ‘En hij doet dat iedere keer?’ vroeg ik. Rikkie knikte. ‘Hoeveel denk je dat erin kunnen?’ ‘Geen idee,’ zei ik. ‘Doe een gok.’ ‘Honderd.’ ‘Tweehonderd tot vijfhonderd,’ zei hij. ‘Afhankelijk van het model.’ Rikkie had geen auto, en aangezien hij degene was die de automaat had gevonden en we afspraken om de buit gelijk te verdelen, leek het me fair dat we mijn wagen gebruikten. Maar eerst gingen we terug naar het café om mijn fiets te halen. Daarna liepen we, ik met mijn fiets aan de hand, in de richting van mijn appartement. Toen we bij het gebouw aankwamen, vroeg ik Rikkie om beneden te wachten, wat hij niet erg vond.  In de lift zei de stem in mijn hoofd: ‘Je kunt nog stoppen. Het is nog niet te laat.’ Maar toen ik door het raam in mijn appartement naar beneden keek en Rikkies boerenpet zag, deed ze er het zwijgen toe. Ik liep naar mijn slaapkamer en kleedde me uit. In de plaats van de rode jurk trok ik een zwarte jumpsuit aan. Dat leek me gepaster bij de gelegenheid. Enerzijds wilde ik dat Rikkie zag dat ik het serieus meende. Anderszijds was ik bang dat hij me zou uitlachen. Ik bekeek mezelf in de spiegel en stiftte mijn lippen. Toen ik op de benedenverdieping uit de lift stapte, was Rikkie al in de hal. Hij stond voor de glazen deur te wachten tot ik opendeed. Ik beeldde me in dat de hal een gevangeniscel was en dat hij me smeekte om hem vrij te laten. Ik moest me door mijn verbeelding hebben laten meeslepen, want ik leek uit een droom te ontwaken, toen hij mijn naam riep en met zijn vinger op het glas tikte. Samen liepen we de wenteltrap naar de ondergrondse garage af. Toen hij mijn bestelwagen zag, die in het enige vak stond waarboven geen armatuur hing, verstijfde hij. ‘Wat is er?’ vroeg ik. ‘Waarom hangen er belletjes aan?’ ‘O,’ zei ik, bijna vergeten hoe zonderling andere mensen mijn wagen vonden. ‘Ik kocht hem vijf jaar geleden van een man die in de nesten zat en snel geld nodig had. Tweeduizend euro. Op voorwaarde dat hij hem op elk moment van mij mocht terugkopen. Wat hij nooit deed. Ik heb de bestickering er proberen af te halen, maar dat is niet zo goed gelukt, zoals je kunt zien. Ik zweer het je, het gaat snel vervelen, dat gebons op je deur telkens als je ergens stilstaat. Maar ik gebruik hem vooral als camper, stop mijn bagage in de vriezers. Het is verbazend hoeveel erin past.’ Rikkie maakte aanstalten om weg te gaan. ‘Waar ga je naartoe?’ vroeg ik. ‘Weg.’ Ik liep achter hem aan en pakte zijn arm beet. ‘Waarom?’ ‘Waarom?’ zei hij. ‘Het is een ijscowagen. Je kunt net zo goed je identiteitskaart achterlaten op de plaats delict.’ Ik liet zijn arm los. ‘Je doet net of we een moord gaan plegen.’ ‘En jij doet net of we een asbak gaan stelen.’ ‘Het zijn maar een paar blikjes,’ zei ik. ‘En het is niet eens jouw wagen. Als ze ons betrappen, zeg dan dat je me niet kent, dat we op date zijn. Je hoeft niet eens te liegen.’ Rikkie bewoog zijn getuite lippen heen en weer. Toen liep hij naar het portier en stapte in. ‘Je hebt gelijk,’ zei hij, zodra ik achter het stuur ging zitten. ‘Dit is een date.’ Ik startte mijn wagen en reed de ondergrondse garage uit, een beetje geïrriteerd door het feit dat hij de belletjes had opgemerkt, maar niet mijn jumpsuit. Toen hij zijn pet op het dashboard legde, zag ik dat hij kalend was. Daar zat ik niet mee. Zijn hoofd had een mooie vorm. Ik dacht erover hem een compliment te geven, over de vorm van zijn hoofd, maar ik was bang dat het een gevoelig onderwerp was. Waarvoor droeg hij die anders? Toen we bij het steegje aankwamen, aarzelde ik om het in te rijden. ‘Wat is er?’ vroeg Rikkie. ‘De schuifdeur,’ zei ik. ‘Ik begrijp het niet.’ ‘Hij zit aan de verkeerd kant.’ Rikkie tuurde het steegje in. Toen zei hij: ‘Dan rijden we er toch gewoon aan de andere kant in?’ Een luide motor haalde ons in. Ik wachtte tot hij weg was. ‘Te nauw,’ zei ik. ‘Als er een tegenligger opdoemt, mogen we achteruit terug. Vijfhonderd meter, oog in oog, voorruit tegen voorruit. Nee, ik heb een beter idee.’ Ik deed mijn richtingaanwijzer aan en sloeg linksaf het steegje in, de rijrichting volgend. Ik reed traag, hield mijn spiegels nauwlettend in het oog en negeerde Rikkie telkens als hij voorstelde om uit te stappen. Als ik hulp nodig had, zou ik het wel vragen. Toen ik in het donker de automaat ontwaarde, trok ik mijn handrem omhoog en deed mijn raam omlaag. De motor liet ik draaien. Daarna klauterde ik de laadruimte in, pakte een handdoek van het schap en gooide hem in Rikkies schoot. ‘Iemand haalt de blikjes eruit,’ zei ik. ‘En iemand blijft in de wagen om ze aan te nemen en in de vriezers te stoppen. Ik stel voor dat ik in de wagen blijf, aangezien ik de chauffeur ben.’ ‘Waar dient de handdoek voor?’ vroeg Rikkie. Zijn vraag verbaasde me. ‘Om het geluid te dempen.’ Zeven seconden deden we erover om op de retourknop te drukken, het blikje uit de automaat te trekken, drie stappen te zetten, het blikje door te geven, en het in de vriezer te leggen. Op die manier zouden we al snel een uur zoet zijn. Nadat ik nog een blikje in de vriezer had gelegd, zocht ik naar een krat zodat Rikkie niet voortdurend heen en weer hoefde te lopen. Onder de bestuurdersstoel vond ik een ingeklapte plooibox van Collect&Go. ‘Hier,’ zei ik, toen hij weer aan mijn raam verscheen. ‘Dat gaat sneller.’ Rikkie klapte de box uit, zette hem voor de automaat neer en begon hem te vullen. Maar in plaats van dat hij de blikjes op hun zij legde, zette hij ze recht, hoewel hij er zo veel minder in zou krijgen. Ik besloot er niets van te zeggen. Ik wilde niet bazig overkomen.  Maar wat zou hij straks doen terwijl ik de box leegde? Ik schudde met mijn hoofd. We hadden hier niet goed over nagedacht. Niet goed genoeg. Maar de volgende keer zou het vlotter gaan. Snelle voetstappen. Terwijl ik ons werk stond te evalueren, zag ik Rikkie door de voorruit wegrennen. Hoewel ik meteen zag dat hij het was, duurde het enkele seconden voordat ik het echt geloofde.  Ik keek door de achterruit. Een struise politieagent beende in de richting van mijn ijscowagen, pratend in de portofoon hoog aan zijn borst. Achter hem, in de smalle strook van de overstaande gevels, piepte de stompe neus van een patrouillewagen. ‘Fuck.’ Wat moest ik doen? Als ik wegreed, leek ik verdacht. Als ik niet wegreed, werd ik het misschien.  Ik kon niet kiezen. Ik ging achter het stuur zitten en deed mijn gordel om. Kon hij me daarvoor tenminste al geen bekeuring geven.  Tien meter. Negen. De dispatcher zei iets over een steekpartij. Ik moest iets doen. Ik griste mijn smartphone uit het vakje in het dashboard en belde het laatst gebelde nummer terug. Voicemail. ‘Rikkie,’ zei ik. ‘Ik ben het, Lilly.’ En weerstond de verleiding om in mijn achteruitkijkspiegel te kijken. ‘Ik bel gewoon om te zeggen dat ik het leuk vond vanavond. Hopelijk vond jij dat ook? Ik denk dat je het leuk vond. Maar vond je het ook zo leuk dat je nog een keer wilt afspreken? Je was plots weg. Zoiets hoor je aan het eind van een date te zeggen, Rikkie, of je dat wilt. Je mag een meisje niet in het ongewisse laten. Daar …' Toen verscheen de agent aan mijn open raam, met zijn rug naar de automaat en de handdoek en de voor de helft gevulde plooibox. Ik deed of ik schrok. Beleefd sneed de agent met zijn vinger zijn keel door. ‘Ik moet ophangen,’ zei ik. ‘Bel me terug, oké? Bye.’ 'Juffrouwtje,' begon de agent. ‘Ik vind het helemaal top dat u uw voertuig aan de kant zet om te bellen. Maar u blokkeert de doorgang. Er kan zelfs geen fietser meer langs.’ Hij wierp een blik opzij. Ik stak mijn hoofd door het raam. Achter me stond inderdaad een fietser. Waar kwam die ineens vandaan? ‘Het spijt me,’ zei ik tegen de agent en trok mijn hoofd weer naar binnen. ‘Ik had mevrouw niet gezien. Anders was ik meteen doorgereden.’ Hoelang stond ze daar al? En waarom had ze niets tegen de agent gezegd? ‘Voor één keer zal ik het door de vingers zien,’ zei hij. ‘Maar denk eraan, een gewaarschuwd mens telt voor twee.’ ‘Dank u, meneer de agent. Dank u.’ De struise man keerde zich om en liep terug naar zijn patrouillewagen, zonder iets te hebben opgemerkt.  Toen ik mijn motor wilde starten, hoorde ik een snerpend geluid. Hij draaide nog. Ik pakte mijn stuur vast, ademde in en uit. Vervolgens ontgrendelde ik mijn handrem en reed weg, met de fietser in mijn kielzog, en in haar hoofd, mogelijk, het geheim van onze misdrijf. Ik weet niet wat me bezielde, maar ik ging terug en maakte de klus af. Het had zomaar gekund dat de agent nog eens langs het steegje was gereden en mij daar weer had zien stilstaan. De smoes van het telefoontje zou niet meer hebben gewerkt. Maar dat deed hij niet. De volgende dag zat ik op de grond in mijn appartement en telde de blikjes, die boven me uit torende als stalagmieten in een grot. Honderdachtennegentig. Meer dan ik in mijn eentje kon opdrinken. Minder dan Rikkie had gehoopt. Zou hij me ervan verdenken een deel achter te houden? Ik stuurde hem een appje. Ik repte niet over wat we hadden gedaan. Dat zou onprofessioneel zijn. Ik schreef alleen dat ik zijn pet had - ze lag nog steeds op het dashboard, waar hij ze had achtergelaten - en dat ik ze hem, al hield ik er eigenlijk niet van, op onze eerstvolgende date zou teruggeven.✦  

Kenny De Thaey
3 0

Zeg maar Cas

                                                                            "The sunrise is the closest I’ll get to heaven…”                                                                                  City of Angels                                                                             "Lots of empty canals and streets at night…"                                                                               Tad Williams, “The Dirty Streets of Heaven” De avond had de hitte van de voorbije zomerdag gebroken. Een lichte bries bracht wat verkoeling van de warmte die nog steeds uit de aarde opsteeg. De zon stond laag en al voorbij het westen. Ik reed in de richting van de Noord-Zuidverbinding zodat ik een flink eind gewoon rechtdoor kon gaan met mijn verstand op een zo laag mogelijk pitje.  Zeven overlijdens had ik behandeld die dag en ik had het wel zo’n beetje gehad. Wat voor werk deed ik ook? Mensen waren meestal dankbaar en voelden zich opgelucht als het allemaal goed was gelopen, maar toch kwam het telkens binnen. Vaak harder dan ik wilde. Misschien maar goed. Het toonde aan, zei ik tegen mezelf, dat het me raakte, dat ik niet onverschillig was. Dat ik het mooie en liefdevolle van een afscheid kon zien. En dat zag ik zeker. Maar het nam niet weg dat ik moest bekomen. Dus ging ik eerst op zoek naar ruimte in mijn hoofd voor ik terug naar huis keerde. De snelweg sneed als een diep kanaal door het groen van de omliggende weilanden en bossen. Het asfalt lag te rusten in de lange avondschaduw. Op dit uur was er bijna geen verkeer. Zo’n honderd meter voor mij reed een knalrode Volkswagen Golf 2, zo’n model dat nog uit de jaren tachtig stamde. De auto reed niet veel harder dan honderd, ongeveer net zo hard als ik. Ik kwam niet dichter, hij reed niet van me weg. Het gaf me een vreemd soort gevoel van verbondenheid. En zo trokken we samen op in de richting van het zuiden.  Het maakte me, zoals ik gehoopt had, rustiger. Mijn gedachten werden weggevoerd door de wind om mijn oren. Gebiologeerd volgde ik de auto voor me. Een zwarte BMW XM knalde ons met hoge snelheid voorbij. In een zucht was hij weer uit het gezicht verdwenen. Even later stond hij met vier pinkers aan op de pechstrook. De rijzige man, donkere haren en helemaal in een zwart kostuum, stond in de berm met veel gebaren te telefoneren. Altijd hetzelfde met die snelheidsduivels, dacht ik, maar daarna liet ik me weer gedachteloos leiden door de rode Volkswagen.  Een paar kilometer verder gebeurde het. De stoplichten van mijn voorganger lichtten plots helrood op. Het kleine autootje slingerde een paar keer en trok zwarte slipsporen op het wegdek voor hij rechts over de berm tegen de vangrails vloog en in een bosje gekatapulteerd werd. Aan de overkant van de weg zag ik nog net de donkere schimmen van een familie everzwijnen wegvluchten. Het was in een flits gebeurd en het drong slechts met vertraging tot me door, waardoor ik pas vijftig tot honderd meter verder tot stilstand kwam. Over de pechstrook wandelde ik terug. Twee auto’s passeerden zonder te stoppen, de BMW was er niet bij. Zo had mijn leven de laatste tijd ook aangevoeld, alsof ik wandelde langs een snelweg waar iedereen voorbij raasde. De Volkswagen was, waar hij tussen de bomen beland was, helemaal aan het zicht onttrokken van andere bestuurders. Hij lag half op zijn rechterzijde, met de voorkant rond een esdoorn geplooid. Overal lagen de grote afgeschudde bladeren. De motor draaide niet meer, maar de autolichten brandden nog wel en herschiepen het bosje in een spookachtige wereld. Sommige van de opgeschrikte vogels, vooral kraaien aan het gekras te horen, nestelde zich weer in de boomtoppen. De bestuurderszetel was leeg. Ik keek rond en zag haar silhouet buiten het bosje op een kleine glooiing staan. Ze keek in mijn richting, haar lange rode haren helemaal verwilderd, bloed over de sproeten in haar gezicht, op haar gescheurde blouse, jeansrok, armen en benen. Op haar witte sneakers. Ze stond over haar hele lijf te trillen. Ik herkende de vrouw van rond de vijfendertig onmiddellijk. Daar gaan we, dacht ik.  “Waar is mijn bril? Heb je mijn bril gezien?” “Die heb je nu niet nodig, Maggie, het is toch Maggie, niet? Hoe voel je je? Heb je ergens pijn?” Ze schudde van nee en keek mij even aan. Ze herkende mij niet. Het maakte niet uit. Het was ook al zo lang geleden.  “Wie ben jij?” vroeg ze, “Ken ik jou?” “Cassiël,” zei ik, “maar zeg maar Cas.” “Jij bent precies niet van hier.” “Ik heb nochtans mijn hele leven hier gewoond.” “O,” zei ze, “sorry.” Daarna zweeg ze. Ze draaide zich om naar de ondergaande zon en ging zitten op het natte gras. “Heb je de hulpdiensten gebeld?” “Ik heb geen gsm.” “Geen gsm? Dat is nieuw. En een beetje raar… De mijne is stuk.” Ze haalde haar gsm uit de achterzak van haar jeansrok. Het glas van de smartphone was gebarsten en hij was helemaal krom. Daar kon je inderdaad niets meer mee. “Mag ik naast je komen zitten, Maggie?” Ze haalde haar schouders op. “Het maakt niet meer uit, zeker?” “Wat maakt niet meer uit, Maggie?” “Nu ja, dit.” “Dat weet ik niet.” Ik ging naast haar zitten en sloeg mijn handen om mijn benen. Ik keek in de richting waar zij naar keek en zag wat zij zag. “Heb jij het niet koud?” “Een beetje.” “Hier is mijn jasje.” Voorbij de horizon was enkel nog het schijnsel van de ondergaande zon zichtbaar. Het verbaasde me telkens hoe snel een zon onderging. Ook hoe snel hij opkwam, maar dat was nu niet het geval. “Wanneer zullen de hulpdiensten er zijn? Iemand moet toch de hulpdiensten gebeld hebben.” “Ik denk dat ik de enige was die het effectief heeft zien gebeuren. Het was laat en er was weinig verkeer, weet je, maar de remsporen zijn zichtbaar en er liggen brokstukken op de weg. Wees maar niet bang, ze zullen er snel genoeg zijn.” “Ben je zeker dat het te laat is?” “Dat weet ik niet, zeg nooit ‘nooit’. Maar ik denk het wel.” “Hoe lang duurt het?” “Moeilijk te zeggen, maar het zal dadelijk wel beginnen.” “Het is net alsof … alsof…” “Op het einde blijft enkel het beste over, Maggie, daar mag je vanop aan.” Terwijl we zo wachtte, vertelde ze me over haar zoontje, Robke, dat op zesjarige leeftijd gestorven was aan een hersentumor, over haar dochter Roos. “De vreugde in haar leven,” zei ze, “en haar man, haar lieve man. Iemand moest hen toch verwittigen dat ze, dat ze… nu ja, dat dit hier.” “Alles op zijn tijd, Maggie.” “Oké.” “Hij hield zo van dino’s,” zei Maggie, “ik heb nog dozen vol met tekeningen van dino’s op de zolder staan. Alles wilde hij erover te weten komen, maar het mocht niet zijn. Het deed zo veel pijn, zo veel pijn, kan je dat begrijpen?” Voor ons, als in een tekenfilm, zag ik haar zesjarige zoontje lachend tussen de levensgrote dino’s spelen. We zaten op een bankje voor hun huis met achter en naast ons de rozenstruiken die in bloei stonden. Rode, roze en witte rozen. Hun geur zachtzoet. Het tafereel dat zich voor ons afspeelde voelde zo onwezenlijk dichtbij en tegelijk veraf. Maggies tranen trokken strepen op haar bebloede gezicht. “Sorry,” zei ze, “sorry, dat ik je hiermee lastig val.” “Je hoeft je niet te excuseren, Maggie. Het is niet niks wat je hebt meegemaakt. En tegelijk heb je toch ergens voor geleefd. Voor Roosje en je man. En in zekere zin ook voor Robke. Dat is mooi, Maggie. Dat is heel mooi.” “Zo voelt het niet. Het voelt alsof ik tekort geschoten ben, alsof ik…” “Verdriet kent haar eigen wetten, Maggie, dat ligt buiten jouw wil. En er is altijd Liefde. Dat heb je gevoeld, nietwaar Maggie? Voel je dat nu ook?” Ze hief haar hoofd van mijn schouder en keek me met haar grijsgroene ogen aan. Zonder te knipperen. “Nu herken ik je pas,” zei ze, “Jij was de papa van Marte. Is het niet? Marte zat bij Robke in de kleuterklas.” Ik knikte. Zij glimlachte. “Dankjewel,” zei ze. Tegelijkertijd begon haar huid eerst zilverachtig en dan goudkleurig te gloeien. Daarna werd ze doorzichtig en loste ze op in het duister. Het was voorbij. Eens het zo ver was, ging het altijd sneller dan verwacht.  Achter me hoorde ik in het bosje geritsel. De BMW-bestuurder was ook over de vangrails gestapt. Op fluistertoon sprak hij in zijn telefoon. Even keek hij in mijn richting en zag ik hoe zijn ogen me vanuit diepe, donkere oogkassen aankeken. Daarna verdween hij weer.  Niet snel daarna hoorde ik in de verte de sirenes. Ik bleef zitten zoals ik zat, terwijl de brandweer achter me met veel lawaai het autowrak openwrong. De zwaailichten verlichtten aan en af het duister rondom me. Pas toen een hele tijd later de zwaailichten vertrokken, keerde een soort van rust over het bosje en de velden. Ik nam mijn jasje op van het gras, trok het aan en wachtte tot de eerste zonnestralen mijn koude rug opnieuw verwarmde. De kalmte van de voorbij uren werd door de eerste pendelaars op de snelweg verbroken. Met een bezwaard gemoed kwam ik thuis aan, keek vanuit de keuken toe hoe Lief als eerste van boven naar beneden de trap af kwam. Op stille kousenvoeten zoals altijd. Haar pyjama gekreukt, haar peignoir losjes en ongeknoopt om haar schouders. Ze was altijd al een vroege vogel geweest. Sinds kort had ze haar lange donkerblonde, golvende haren laten knippen. Met een kleurenshampoo waste ze de eerste grijze sprieten weg. Ik moest eraan wennen, maar het stond haar. Alles stond haar. Naast me maakte ze voor twee een spiegeleitje. Dit was het moment dat ik het meest koesterde. In dat lege moment ’s ochtends dichtbij de vrouw te staan van wie ik hield, alsof er niets veranderd was. Ik was nochtans altijd degene geweest die langer in bed bleef liggen, net zoals haar nieuwe man, en net zoals ook Marte, die pas rond een uur of tien uit haar bed kwam gekropen en zich rechtstreeks en languit in de zetel installeerde met haar smartphone. Ze keek nog amper naar de foto links op het derde schap van de boekenkast. De kaars die ervoor stond, was al lang niet meer aangestoken. “Wil jij ook een eitje?” vroeg Lief. “Neuh,” was het antwoord. Ook ik had zoveel gehad om voor te leven en zo weinig om voor te sterven. Een warm elektrisch gevoel tintelde in mij. Ik keek naar mijn armen of er niets van zilver doorschemerde.

Hans Van Ham
21 1

De Backpackersbijbel

Luid kreunend pakt ze de rugzak op met haar rechterhand en zwiert hem zo snel mogelijk op haar rug. Sarah maakt de gespen vast aan haar middel en springt een paar keer op en neer om te zorgen dat alles goed zit. Alsof het een Olympische sport is: rugzak heffen. De gouden medaille zal ze niet winnen, want na maanden onderweg kost het haar nog steeds een enorme moeite om het gedrocht onder controle te houden. Ze kijkt nog snel naar haar telefoon, neemt dan de kleinere rugzak die ze op haar buik draagt, en vertrekt. De zon staat hoog in de hemel en Sarah’s gehaaste passen door de brede laan vol verkeer en stinkende uitlaatgassen doen het zweet snel langs haar rug druppelen. Een groepje keuvelende senioren op een bankje kijkt zoals gewoonlijk op wanneer ze voorbij marcheert. Deze keer zal ze niet stoppen om hen te vertellen waar ze vandaan komt en hoe ze hier is terechtgekomen, maar beperkt ze zich tot een vriendelijke “buenas tardes, señores!” Als ze snel is, kan ze nog een horchata drinken voor ze de bus op moet. Met dat vooruitzicht versnelt ze haar pas nog wat, tot ze plots een boek ziet liggen op het trottoir. Niemand anders lijkt het op te merken, een dik exemplaar, maar met een kleurrijke kaft, dat kan geen bijbel zijn. Opnieuw gepaard met een luid gekreun, zakt Sarah door haar knieën en grijpt ze het boek. Shantaram, ook wel bekend als de bijbel voor backpackers. Ze streelt de kaft zachtjes… Achter zijn boek ziet ze enkel zijn donkergroene ogen, die erg geconcentreerd aan het lezen zijn. Ze probeert zich in te beelden hoe de rest van zijn gezicht eruit ziet, wanneer hij niet druk bezig is met deze kloefer. Af en toe kijkt ze uit het raampje en bestudeert ze het voorbijflitsende landschap, zodat het niet té erg opvalt. Terwijl ze de kaft van het boek bekijkt, staart hij plots recht in haar ogen. Uh-oh.“Have you read it?” Hij laat het boek zakken en glimlacht. Oh, wat een knapperd.“Sorry?” stamelt ze, nog niet klaar om te spreken. Ze doet haar oortjes uit.“The book, Shantaram, have you read it?” Oh waw, zelfs zijn ogen lachen mee.Ze beginnen een gesprek dat begint bij de protagonist van het boek, maar al snel overgaat in persoonlijke anekdotes en bekentenissen. Sarah voelt de vlinders haar hele lichaam overnemen. “Oh, you picked it up!”Verward kijkt Sarah een blond meisje met blauwe ogen aan. Die draagt een duur uitziende rugzak en is duidelijk minder zwaar beladen. Zeker een Duitse, die hebben altijd de beste spullen mee. Sarah glimlacht en geeft haar het boek terug.“ Don’t worry, I wasn’t going to keep it, read it already and it’s too heavy to hold on to.” Ook al weegt het 936 pagina’s tellende boek beduidend minder dan haar liefdesverdriet. 

Sietske
7 1

De hond in de bar

Ik voel me als de hond op de grond. Uitgeput ligt hij neer, een poot te kort, mank en diep ademend. Het was veel, erg veel. De haren zweven over de vloer en verraden de tijd. Een wat oudere frêle dame komt langs en ziet hem liggen, ze heeft compassie, gaat door de knieën en streelt zijn blonde vacht, het dier hijgt diep. Ja, zoiets, zo voel ik me, alleen bukt er geen dame om me even te strelen. Ik sip wat aan m’n Alkmaarse Blonde, het lokaal gebrouwen bier dat men hier overvloedig serveert. Ik kom hier elke vakantie en voel me er thuis. Zeker in dit cafeetje met lekkers en volgestouwd met jaren tachtig objecten die te koop zijn, zoals een He-Man pop en een oude typemachine. De barvrouw, Senly, spreekt de knuffelende dame aan:“Oh, ik was je vergeten.”“Ach, ik zat hier bij hem, hem wat aandacht te geven, dat heeft hij graag.” De hond kreunt nog eens en hijgt hunkerend na als ze opstaat. De arme stakker. Ik zit achter mijn laptop en volg het gesprek. Focussen lukt nu toch niet meer, niet na een derde Blonde. Zij begint over de kat van de buren, die ook zoveel aandacht vraagt.“Ja, en ik was een tijdje vegetarisch,” popt de stem op van Olijfje, de dochter van de bazin, die iets verder zit en haar vriend aangeeft dat ze nu wel een stukje vlees lust. Hij glimlacht opgetogen. Ze banen zich weg, stoelen krassen over de vloer, getrippel naar boven.De kattendame doet alsof ze niets merkt en vervolgt haar verhaal.“Ik was heel goed met katten. Als ik naar school ging, gaf ik alle katten onderweg eten.”“Nou ik helemaal niet," antwoordt de cafébazin kortaf.“Nee, jij bent geen kattenmens.”“Het zegt me niets.”“Dat snap ik, katten zijn heel apart, net als ik.”“Ik vind ze vreselijk. Ik ben met katten opgegroeid en kreeg er huiduitslag van, maar mijn  moeder bleef ze binnenhalen. Ik moest er maar mee leren leven.” De dame zet zich aan tafel en staart voor zich uit.“Ik trek dat aan?”“Wat?”“Ja, zo.”“Van die dingen die aandacht vragen en je dan zomaar achterlaten wanneer ze er zin in hebben?”Ze knikt.“Net als bij mijn moeder.”  Het is even stil. “Nou, uh geef mij maar een deca, volgende week moet ik nieuwe medicijnen nemen en dan mag ik geen cafeïne meer, dan neem ik alleen nog cichorei met haverdrank.”  “Bah, vind ik vreselijk.”“Nou heerlijk vind ik dat.” Senly zet de koffiemachine aan en neemt vervolgens een pan die ze achteraan de toog op een elektrisch vuurtje zet, waarna ze olie, eieren, sojascheuten en tomaten bij elkaar gooit. “Nou bamboe, dat smaakt pas nergens naar.”“Ja, juist.” Een Franstalige muziekzender staat op en vult de leemtes in. Ze brengt haar de deca. De hond kijkt op naar zijn bazin. De geuren van tomaten, eieren en zoete gebakjes openen de neusgaten. Koffiemokken zijn opgestapeld. Mijn drank is op. Ik heb zin in een sigaar, dat is lang geleden. Neen, ik blijf ervan af. Mhh, toch echt wel zin in. Die fantasie keert af en toe terug. De geuren die doen herinneren aan leuke en minder leuke dingen. “Wat ruikt het hier lekker?” zeg ik spontaan. “Dat ben ik,” reageert Olijfje, wanneer ze de trap afdaalt die ergens naar de woonruimte boven het café leidt. Achter haar geen vriend te zien, alsof hij nog aan het bekomen is van de tonnen aandacht die het net kreeg, of moest geven. Met haar lange wimpers kijkt ze me glimlachend aan. Wat later gaat het alarm af.  “Dat is m’n peukie,” roept de dame die net in de deuropening is gaan staan met een sigaret. “Nou geen probleem, ik zet het wel af en blijf jij dan nog maar even buiten staan.” De sfeer is hier optimaal.  Het lijkt wel alsof ik bij mijn oma ben, in een huis uit een ver verleden, vol met oude dingen uit de jaren tachtig en mensen uit de buurt die hier om de haverklap binnenspringen en hun ei komen leggen. En als je te veel klaagt, moet je betalen. Zeuren kost hier 1,5 euro. De kattendame betaalde al veel fooi.     Onderdeel van de roman waaraan ik werk.

Bart Vermeer
39 0

Is Jan er?

“Is hij naar Cuba geweest? Jan kwam toch langs? Ik dacht dat hij naar Cuba was geweest?”“Nou, niet dat ik weet.” "Bang, bang!" klinkt door de boxen, een Japanse cover van Nancy Sinatra's hit die werd gebruikt in de animatiefilm Minions, The rise of Gru. Ik kijk even op. Een man verdwijnt, een stel komt binnen en zet zich naast me. Ze zijn duidelijk op doorreis, als zwervers die rondtrekken en alle bagage achterlieten, enkel elkaar, dat is wat ze nodig hebben om te overleven. Ja, dat is mooi. Ze kunnen niet van elkaar afblijven en lachen hysterisch. Nu ja, dat gaat erover voor me. Ik merk ondertussen dat mijn batterij van m’n gehackte Mac bijna leeg is, een vervelend nevenverschijnsel van een update die ik via een omweg deed.  Een zestiger staat in de deuropening van het café: "Is Jan er nog niet?”“Neen, die komt zaterdag.”“Terug uit Cuba?”“Nou hij is al langer terug hoor, maar komt pas maandag naar hier.” De bardame Senly, een wat oudere fijngebouwde dame met Oosterse trekken, serveert het paar hun drank: zij een koffie met ijsblokjes, hij een echte koffie. Zij knikt “danke” en staat op, richting toilet, de hond blokkeert de weg. Ze streelt hem, en ook dat dier krijgt overdreven veel aandacht. Daarna stapt ze over hem. De man aan de deur, steekt zijn hoofd nog even binnen.“Nou, tot maandag dan!”“Tot dan!” Jan blijkt een bijzonder man te zijn hier in de buurt.  Als de vagebonddame terugkeert, neemt ze haar glas met koude koffie vast en vraagt ze extra ijsblokjes, “nicht genug kalt”, geeft ze aan. De hond blijft ongestoord in het middenpad liggen. Een man aan de toog vraagt:“Wat krijg je van me Senly?"“Drie pilsjes, is negen euro.”"Alsjeblief, houd de rest maar.” “Wat ga je eten?”“Nou vissticks met frambozen.”"Nou, het klinkt lekker! Dou-oug!”“Ja, doei, tot Jan er is he.”“Ja, Jan, komt wel.” Een zeer ranke jongedame, die wat verder zit naast een druk op de laptop tokkelende jongeman, staat recht en komt naast haar staan. “Mams, gaat het met je?”“Ja hoor, ze zijn zo blij die hufter terug te zien. Dat is goed voor de klanten.”“Maar niet voor jou.”Ze zwijgt en gooit een euro in het mandje waarboven staat, zeuren kost hier 1 euro.“Tja, maar, het is paps, je weet hoe hij is, toch?”“Ja, ik weet het, hij heeft zijn goede kanten, hij is sociaal in het kwadraat, to social, zelfs voor mij. Toch, ik had ermee kunnen leven, als hij tenminste niet… Je weet wel.”“Ja, maar dat is Jan mam, zo is hij. En hij is een topvader, ik had nooit zoveel van de wereld geleerd zonder hem.”“Klopt, schat, klopt. Je hebt veel van hem geleerd.”Ze kijkt haar wat teleurgesteld aan.“Nou, geleerd hoe het niet moet he mams. Van jou heb ik weer andere dingen geleerd.”Ze krijgt een zuinige glimlach terug. De vriend van de dochter staat op.“Heb je nog een slaapplek voor hem?”“Ja, hoor, ik heb een dunne matras, die ik kan uitwerpen, van de Decathlon nog. Er hebben al meerdere mannen op geslapen, dus dat zal hem ook wel lukken.” knipoogt ze naar hem.“Ja, oké, ik ga dan maar.”“Is je verslag af?”“Ja hoor, ik ga nu naar mijn moeder.”“Oké, dan zie ik je morgen wel.”“Oké.” De hond die er ligt zucht. Hij kijkt naar het dier. Hij aarzelt. “Kom hier, dat ik jou ook nog even vastpak.” Terwijl ze naar hem beent. Zijn gezicht klaart op, ze knuffelen elkaar.“Ja, tot morgen of maandag, als Jan er is.““Ja, als hij er is.” De koffiemachine pruttelt. Het Duitse koppel zit op elkaars schoot. Mijn batterij is helemaal leeg. Tijd om te vertrekken en na te denken over wat ik nog ga corrigeren aan die stapels gedichten. Een à twee gedichten redigeren per dag is al genoeg, wanneer je nog meer ligt te prutsen aan nog meer van die diepe gedachten, loop je verloren, zeker hier met al die prikkels om je heen.  Net als Jan, wil je dan weg, en pas terugkomen als je er klaar mee bent. Ik stap op. Waneer ik op weekend ben in Alkmaar, is dit mijn favorite uitblaasplek. Het leeft er en ik mag ongestoord meeluisteren. "Wat ben ik je schuldig?” vraag ik aan de dochter van de bazin, het olijfje van de bar.“Een Fritz, een Klaroenblazer en een koffie met appelgebak, dat maakt dan 14,50.”“Met kaart.”Ik tik af. Voor me staat een spaarpot met daarop: tippers have better sex. Ik tast wat naar kleingeld in mijn vest en haal er vijftig cent uit.  “Dank je.”“Geen dank, ik doe het vooral voor die better sex”“Nou, dan ben je in elk geval niet de enige.” zegt ze plagend.Ik kijk verlegen weg. “Nou, tot ziens.”“Tot ziens.” Morgen kom ik terug. Misschien zie ik Jan ook eens. Hij doet me denken aan mijn vader, of toch aan de verhalen die ik over hem hoorde.     Onderdeel van een roman waaraan ik werk.

Bart Vermeer
0 0

Roodborstje

Hij had zich opgehangen aan een dik touw en hing stil in de grote hal. Zo te zien was Zijn nek gebroken. Zijn mooie pantalon vertoonde natte vlekken in Zijn kruisstreek. Haar blik had eerst Zijn schoenen gezien. Ze was niet geschrokken. Het touw was vastgemaakt aan de radiator op de overloop, die hing scheef uit de muur. Hij moest naar beneden gesprongen zijn. Terwijl ze zo naar Hem keek, zag ze in gedachten hoe Hij als een duiker op het muurtje moest gestaan hebben, en hoe Hij met Zijn duim en wijsvinger Zijn neus dicht hield, hoe Hij Zijn lippen opeenperste en Zijn ogen dichtkneep, alsof Hij in het zwembad in het diepe sprong om de bodem te raken. Hij had een blauw kostuum aangetrokken dat ze niet kende. Hij droeg twee stroppen: één kundig gemaakte van een dik jutte touw en een andere, goudkleurige zijden.  Hij hield niet eens van stropdassen, dacht ze, die gaven Hem het gevoel dat Hij stikte. Op Zijn  ivoorwitte hemd hing een slordig geschreven briefje.  Sorry Hou van je X Het was helemaal verkreukeld alsof Hij het eerst opgefrommeld had en daarna toch weer wilde gebruiken. Petra was net thuisgekomen van haar nachtshift. Het eerste licht van de dag streek door het grote raam, dat zich uitstrekte over de twee verdiepingen, naar binnen. Zijn lange schaduw verscheen tegen de muur. Ze voelde zich uitgeput en ging zitten op de koude zwarte tegels die Hij een paar maanden geleden zelf in de chape gelegd en ingewassen had. Ze had er wel eens aan gedacht wat ze zou doen als Hij er niet meer zou zijn, maar het enige wat ze over zich voelde komen, was die intense vermoeidheid. Ze schoof de deurmat dichterbij, legde haar hoofd op haar rugzakje en viel in slaap.  Toen ze een paar uur later wakker werd, stijf van de kille ondergrond, wist ze nog precies wat er gebeurd was. Het felle middaglicht deed Zijn blauwe kostuum blinken in de zon. Ze liep naar de keuken achteraan het huis, haalde een groot mes uit de lade en sneed het touw door. De radiator veerde gedeeltelijk terug op zijn plaats. Op de plaats waar het touw over het muurtje had gehangen was wat verf en pleister weg. Dat kreeg ze wel bijgewerkt. Beneden in de hal lag Hij met Zijn gezicht op de vloer, armen gestrekt naast Zijn lijf, de strop nog rond Zijn nek, een deel van het touw op zijn rug.  Ze borg het eindje touw dat nog aan de radiator hing en dat ze losgeknoopt had op in haar rugzakje. Het touw rond Zijn nek kreeg ze veel moeilijker los. Ze had geen plaats om met het mes achter het touw te geraken en sneed uiteindelijk met een zucht in het vlees van Zijn nek. Er sijpelde een klein beetje bloed uit de wonde, niet veel. Ze rolde Hem op Zijn rug wat door Zijn stijfheid verbazend makkelijk ging en keek Hem aan. Ze schikte Zijn kostuum en probeerde Zijn nek recht te leggen, maar dat ging niet. Ze trok het bloemetjesdonsdeken van het bed en drapeerde het over Zijn lichaam, duwde een kussen onder Zijn hoofd. Ze sloot de deur achter zich toen ze naar de keuken ging. Ze hield het mes even onder een waterstraal en legde het weer in de juiste lade. Ze draaide aan de knop van de radio.  Bob Marley & The Wailers. One Love.  Ze neuriede mee, nam een pannetje uit de kast onder het kookvuur, boter en twee eitjes uit de ijskast. Het brood was bijna op. Op het voederbankje in de pas aangelegde tuin zat een roodborstje dat elke andere vogel die dichterbij kwam, wegjoeg. De zon scheen. Het zou een mooie herfstdag worden, dacht ze. Fijn, dan kon ze een fietstochtje maken en op de terugweg even langs de bakker passeren.

Hans Van Ham
28 3

Ieper

De weg naar Ieper is lang en saai ook op één van de eerste zonnige dagen dit voorjaar. In de auto heerste sereen de stilte die er kan zijn wanneer twee mensen die onvoorwaardelijk van elkaar houden in dezelfde ruimte verkeren. Met mijn zoontje van net geen 10 reden we op weg naar zijn eerste wielerwedstrijd. De fiets rammelde in de koffer, het fietsrek was niet op tijd geleverd. Nerveus parkeerden we de auto ver voor het afgesloten parcours. We moesten dringend plassen dus we liepen een eindje een veldje in en schuilden achter een boom. Ondertussen kwamen campers, mono volumes en andere station wagons slag om slinger de andere parkeerplaatsen bezetten. Beter voorbereidde vaders voelden met hun handen in de lucht of er wind was, hoeveel wind er was en waar die wind vandaan kwam. Tevens inspecteerden ze de weg. Ze fietsten zelf een ronde op het parcours en bekeken daarbij de staat van het asfalt. ‘Ik leg er de Schwalbes op’ hoorde ik een vader in feilloos Vlaams Brabants stamelen tegen zijn kind. Hij haalde de sleutelkoffer uit een onzichtbare schuif en begon de juiste wielen vast te draaien. Wij aten ondertussen peperkoek met onze pishanden. Met parelsuiker. We stapten het parcours op om ons in te schrijven. Ik probeerde professioneel te ogen door af en toe wat onbestemd met mijn voet op de grond te stampen en te proberen op een intelligente manier te spieden naar de bochten die voor ons lagen. Indruk maakte ik niet. Links de inschrijfstand, rechts de drankstand. Beter kijken deed me beseffen dat ik niet de enige vader met een korte broek was, wel één van de weinigen die z’n beenharen niet geschoren had. Gelukkig kon ik met payconiq betalen. Het hamburgerkraam ging open, de barbecue aan. Krakende boxen deed schlägermuziek schallen. Ik twijfelde om een hamburger te nemen, zoals ik altijd twijfel om een hamburger te nemen. We zochten nog even verkoeling en rust in de auto. De bass achtervolgde ons. Soundtrack bij de heersende stress. Ik voelde okselvijvers. Ik kon ze ruiken ook. Ik depte mijn voorhoofd met zijn handdoek. Hij dronk en at, zoals we van te voren hadden afgesproken. We snoerden zijn nummer op en begaven ons naar de startzone. ‘Doe niks gek, probeer gewoon uit te rijden’. Hij knikte alleen maar. Als drukke mieren verzamelden alle rennertjes zich in de buurt van de meet. Een jongen was zijn schoenen vergeten en stond daar met fiets op slippers. Kwaad woei hij zijn moeder verwijtend toe onmiddellijk de schoenen te gaan halen. De moeder, haar knieën verrieden een zwaar leven, schoot in colère naar de auto, druk bellend met papa die ‘godverdomme’ die schoenen toch wel had kunnen meebrengen. We keken elkaar nog een keer aan vanonder onze zonnebril. Iemand schoot, een pistool knalde. Ik was hem kwijt. Het gemis kwam in golven. Iedere rond werd de afstand groter. Ik miste mijn eigen vader, hoe die daar gestaan had bij mijn eerste koers, toen. Ik coachte niet, klapte amper. Ronde drie van zeven herstelde hij zich enigszins. In het geroezemoes rondom mij herpakte ik mezelf ook een beetje. Ik voelde, nu de rust was neergedaald, een zekere leegte. Waarschijnlijk mis ik gewoon mezelf. Ronde vijf was er contact. Onze ogen berusten in dit moment. Ik hield van hem, wilde dat roepen. Dat ik van hem hield. Hoe hij daar fietste.   Hij finishte anoniem achteraan het peloton. We waren blij. Ik weet niet waarom hij vrolijk was maar ik was trots op hem, op zijn lokken die als manen wapperden, op zijn lijfje sterk en buigzaam. Op dat wie hij is kortom en waar hij het mee zal moeten doen.

Thomas De Mulder
23 0
Tip

Het laatste woord is aan de clown

Noortje De Wit is bijna onherkenbaar. Ze draagt accessoires die ik twintig jaar geleden nooit met haar zou associëren: pumps van Louboutin en een handtas en zwarte blazer van Louis Vuitton. Toch houdt haar imago van humeurig, lichtjes geperverteerd schoolmeisje nog altijd stand, hoewel ze ondertussen een vrouw van achtendertig is. Net als vroeger verbergt ze haar ware gelaat achter een masker van zwarte eyeliner, lippenstift en een hoornen brilmontuur zonder glas. Haar haren zijn donkerrood geverfd en steken in piekjes omhoog. Enkel het toeval heeft ons herenigd. Daarnet nog schreed ze met opgeheven kin van de laatste tram richting Linkeroever naar de exit van het nachtelijke metrostation Opera. Nu kijkt ze op me neer met ogen van gegalvaniseerd staal, een blik die duidelijk maakt dat ze nooit de wens heeft gekoesterd om me opnieuw te ontmoeten. Dat verlangen is helemaal wederzijds. Noortje en ik hebben meer gemeen dan ons lief is. We werden geboren in hetzelfde ziekenhuis van dezelfde nabijgelegen provinciestad, groeiden op in dezelfde woonwijk van hetzelfde slaapdorp en zijn gedoopt door dezelfde pispaal van een pastoor. We gingen naar dezelfde school, keken naar dezelfde zenders en frequenteerden dezelfde dokter, een man die ons om dezelfde verkeerde redenen dezelfde foute medicijnen voorschreef. Later, toen we reeds schaamhaar hadden, bezochten we dezelfde cafés en laafden ons aan hetzelfde lauwe pisbier. We kusten zelfs dezelfde jongens, daar het aanbod al net zo beperkt was als ons vermogen des onderscheids. Op ons beiden rustte de vloek van het Vlaamse Verkavelingsland. Maar terwijl Noortje het kind van de duivel was, was ik hoogstens zijn verwaarloosde stiefzoon. Noortje was zeventien toen ze op een vrijdagochtend in mei rode inktpatronen had verstopt in het zitkussen, waarop onze klastitularis (mevrouw Lutgart Goossens) die dag zou plaatsnemen. Mevrouw Goossens had immers de gewoonte om, in tegenstelling tot haar jongere collega's, zittend les te geven ('om mijn rug te sparen') en daarbij geregeld haar achterwerk te verschuiven ('want die stoelen zitten zo ongemakkelijk'), wat Noortje op het idee bracht dat die inktpatronen moeiteloos zouden exploderen 'onder het gewicht van haar vette reet'. Die inschatting bleek correct te zijn. Na een les van vijftig minuten over matrices (om meer dan één reden de langste vijftig minuten van mijn leven) stond mevrouw Goossens op, draaide zich om, bukte zich en nam haar handtas. Toen pas merkte Noortje het slagen van haar opzet. De gehele klas, die op dat moment doorgaans overging tot een zacht gemurmel en gegiechel, hield de adem in. Op het achterwerk van mevrouw Goossens had zich een rode vlek ontwikkeld, waarvan dikke druppels dropen en een plas vormden op het vinyl, wat bij mij de opmerking ontlokte dat mevrouw Goossens haar regels er 'deze maand wel erg vroeg bij zijn'. De timing van die opmerking was zo perfect dat de hele klas in lachen uitbarstte. Zowel Noortje als ik belandden ten gevolge van dergelijke incidenten met enige regelmaat in het kantoor van directeur Van Gompel. Die dacht dat we in tandem handelden. Noortje was het genie, en ik was de nuttige idioot. De waarheid was echter dat we elkaar niet konden luchten. Tussen ons beiden liep immers de dunne grens tussen sadisme en clownerie. Noortje was als de titel van een befaamde rockhit uit de jaren ‘90: 'Only happy when it rains'. Ze lachte bijna nooit. Enkel als haar omgeving in rouw was gehuld, verscheen op haar lippen iets wat leek op de schaduw van een glimlach. Noortje was een rebel without a cause, maar met een feilloze methodiek. Bij mij was het net omgekeerd. Ik was geen opstandeling, maar een gestampte boer. Het huis van God betrad ik met stront aan mijn schoenen. Waar ik ging, ontsproot chaos in mijn voetsporen. Mijn opstand was een opstoot van mijn onderbuik. De onrust die ik stichtte kwam niet voort uit kwaadwilligheid, maar uit onwetendheid en een slechte bedrading van mijn hersenen. Noortje was te perfectionistisch om mij deelgenoot te maken van haar plannen. Het enige probleem (voor haar, voor mij, voor iedereen) was dat ik mijn mond niet kon houden. Noortje hanteerde de zweep, maar ik zorgde voor de knal. Hoe feilloos haar plannen ook waren, het hoogtepunt viel altijd net na hun voltooiing. Het was mijn scherts die de onthutsing van het eerste moment omkeerde in een lachbui, waar soms zelfs de slachtoffers van Noortjes sadisme enige troost in konden vinden. Het laatste woord was aan de clown. Misschien was dat wel de bron van onze onmin: een artistiek meningsverschil. Volgens Noortje was ik een faker. Zij daarentegen was the real thing. “Ik weet dat ik verdorven ben”, zei ze vaak over zichzelf, “Maar ik ben tenminste authentiek.” Als bewijs van haar echtheid luisterde ze naar Marilyn Manson en riep zichzelf uit tot satanist. Toen ik haar op een dag smalend vroeg of ze dan ook verplicht is om haar cavia te offeren aan de Gehoornde God, rolde ze met haar ogen achter dat brilmontuur zonder glas en verklaarde dat ik er niks van begreep. Wat Noortje in die cavia zag, heb ik inderdaad nooit begrepen. Ze was dol op dat beest. Haar verdriet was dan ook onpeilbaar toen ze op een zondag in juni, tijdens het opruimen van haar kamer, per ongeluk een boek uit haar handen liet glippen, waardoor het koddige hoofdje van haar geliefde Plukkie uiteenspatte onder het gewicht van The Satanic Bible van Anton Szandor Lavey. Of ze ook uit dit verdriet geluk heeft geput, heb ik nooit geweten. Enkele weken na dit incident studeerden we immers af: Ik met de hakken over de sloot en Noortje met de grootste onderscheiding. Ook dat was op en top Noortje, ze was even succesvol in haar betrachting om de ander onderuit te halen als in haar streven om zelf de hoogste te zijn. Het leek wel alsof de duivel ermee gemoeid was. Het was het laatste wat ik over haar had vernomen. Tot een halve minuut geleden het tipje van haar rechterplump bleef haken achter de hoek van het kartonnen bord waarop ik lag te dutten. Bijna dacht ik dat het een droom was, maar nu ik de prut uit mijn ogen heb gewreven, zie ik onder dat zwarte masker duidelijk haar welbekende snoetje met de blauwe aders en het trillende oogwit. Haar frons is net zo giftig als vroeger, maar hij is onleesbaar geworden. Is het een hebbedingetje dat hoort bij haar status als nouveau riche, een hek dat de grens bepaalt tussen Noortje het succesverhaal en Simon de stumperd? Of is het toch een blijk van herkenning, haar manier om te zeggen dat we ons nog steeds verhouden als de faker tot the real thing? Of is ze gewoon bang voor de knal aan het einde van de zweep? Ik sta op en merk tot mijn verbazing dat ik twee koppen groter ben. In mijn herinneringen was ik altijd het kleine broertje. Mijn echte groeispurt kwam pas na het middelbaar. Ik ben een laatbloeier, altijd geweest. Ik begroet haar ("Dag Noortje!") en lach de resten van mijn tanden bloot. Haar frons snijdt dieper in haar hoofd. Ze drukt haar handtas tegen haar borsten, draait zich om en wandelt snel naar de roltrappen, die ze met twee treden tegelijk bestijgt. Ik achtervolg haar. Eenmaal boven zet ze het op een lopen, maar haar vlucht wordt bemoeilijkt door haar Louboutins. Enkele meters voor de laatste roltrap naar de begane grond zakt ze door haar benen en smakt met haar hoofd tegen de vloer. Haar Louis Vuitton valt op de grond en schuift enkele meters van haar weg. Ze draait op haar rug. Haar borstkas wipt op en neer als een dolgedraaide pomp. Ik kniel en leg haar hoofd tussen mijn knieën. Eyeliner druipt over haar slaap en vermengt zich met een straaltje bloed dat uit haar voorhoofd stroomt. Ik neem een papieren zakdoekje uit de achterzak van mijn broek en dep de wonde boven haar wenkbrauw. Ze staart me aan en perst haar lippen in haar mond. Ik wrijf met mijn vinger over haar voorhoofd en ontcijfer het geheimschrift van haar frons. Ik lach. Het laatste woord is altijd aan de clown. Pieter Van der Schoot  

Pieter Van der Schoot
167 0