Zoeken

Cursus

Johan kwam eerst op de bouw aan, nog voor Frans en Jakob, die beloofd hadden deze week voor hun rekening te nemen. Ze trokken hun wenkbrauwen hoog op toen ze hem zo vroeg in de weer zagen. De najaarszon kwam nog niet boven de bomen en de daken uit en er hing een bijna vloeibare nevel over de omliggende weilanden. Johan kon niet van dat uitzicht genieten. Daar stond zijn hoofd niet naar. Hij moest zich afreageren. En dringend. Jakob zei goedemorgen met een stijgende intonatie, maar Johans gegrom en de driftige manier waarop hij een schop in de grote berg gele zand stak, deden hem niet verder aandringen.  Ons Hannah zal zich niet van haar beste kant hebben laten zien, dacht Jakob bijna hardop. Haar kennende had het allicht iets met geld te maken, dacht hij onterecht. Al klopte het dat het Hannah niet zinde dat Johan die cursus in de Ardennen ging geven. “Een week weg op de bouw,” had ze gezegd, “En dat voor een veredelde vrijwilligersvergoeding. Dat begrijp ik niet.” Geld was nu eenmaal belangrijk voor zijn zus, wist Jakob. In alles wat ze deed, hield ze het financiële plaatje in de gaten. Johan en Hannah woonde nog niet samen. “Als we alle twee thuis blijven wonen, dan sparen we keiveel geld uit,” was haar argument. En ze hield voet bij stuk. Zoals altijd. Of: “We doen zo veel mogelijk zelf op de bouw. Dan duurt het misschien langer, maar daar kunnen we het meeste winst op maken.” Dat die ‘we’ niet op haarzelf sloeg, maar vooral Johan, zijn vader en hemzelf betrof, was wel duidelijk. Hij kreeg soms al de ‘stopkes’ van zijn zus, dus laat staan Johan. Maar het had dus niets met geld te maken, al leek dat voor Jakob het aannemelijkst. Frans had er nog minder benul van wat de rol van zijn dochter kon zijn. Toen Johan na een uur nog steeds even hard met de schop te keer ging, zei hij: “Ik denk dat hij kwaad is. Wat zou er gebeurd zijn?” “Vraag dat maar aan ons Hannah.” “Denk je?” “Je kent haar toch.” “Misschien. Zou hij die hele berg zand uiteendoen?” “Aan dit tempo krijgt hij dat vandaag nog voor mekaar.” “Dat is zinloos. Dat gingen we door een grondwerker laten doen. Als je dat laat doen door een grondwerker met het nodige gerief, dan ligt alles meteen pas en hebben we daar ook niet te veel werk mee als we het terras willen aanleggen.” “Ga jij het hem zeggen?” “Misschien beter van niet.” “Dat denk ik ook. Laat Johan maar gerust nu.” Nog één keer probeerden Jakob en Frans contact met Johan te maken, rond de middag. Of hij misschien een ‘zjatje’ koffie wou. Een korte, wilde ‘nee’ was het antwoord. Voor de rest lieten ze hem doen. Het was ook hun zaak niet. Ondanks de tijd van het jaar werd het zo’n vijftien graden die dag. Er waren weinig wolken en de zuidwestenwind voerde zachte lucht aan. Johans bleekgewassen, rode T-shirt geraakte doorweekt van het zweet. Toen hij tegen de avond met zijn knalgroen Citroën Saxootje naar huis reed, kreeg hij kou. Hij stopte aan de kant van de weg, deed zijn T-shirt uit en trok zijn trui over zijn blote bast aan. Beter zo, dacht hij, anders ben ik straks ziek en dat wil ik er niet ook nog bij hebben.   ***   “Ik had dat niet mogen doen, denk ik,” zei Hannah. “Denk je?” “Maar ik heb toch ook niet gezegd dat je moest terugkomen van de cursus. Dat heb ik helemaal niet gevraagd.” “Nee, dát niet nee. Maar wat had je dan gedacht, dat ik vrolijk ging verder doen na zo’n telefoontje?” “Ik voelde me gewoon niet zo goed in mijn vel. En nu hier bent, kunnen we er toch van genieten dat we samen zijn. En ik heb echt niet gezegd dat je moest terugkomen, dat zei je net zelf.” Ze legde haar hand op Johans bovenbeen.  “Zal ik even?” zei ze, “Om het een beetje goed te maken? Rij hier maar even dat straatje in.” Haar lichtblauwe lange gelnagels staken scherp in de huid van zijn penis terwijl ze bezig was. Hannah keek voortdurend om zich heen. Bij elk autolicht dat passeerde, hield ze even op en stopte ze met Johans trui alles onder. Omdat hij er zijn gedachten moeilijk kon bijhouden, duurde het lang. Toen het dan toch gebeurde, ving Hannah het witte kleverige vocht op met het papieren zakdoekje dat ze had klaargelegd. “Dat werd tijd,” zei ze, “Ik kreeg bijna een kramp.” Daarna reden ze door naar de Kinepolis en hadden ze het er niet meer over. Voor Hannah was dat omdat het voor haar een gedane zaak betrof, voor Johan omdat hij het gevoel had dat hij niet werkelijk tot haar doordrong. Telkens hij aan de hele situatie dacht, leek het voor Johan alsof er een bezweet T-shirt op zijn lijf plakte.   ***   “Geen sprake van, Johan, dat we jou alleen laten rijden. Ik begrijp heel goed dat je naar huis wilt, maar kijk hoe je hier zit. Je trilt van top tot teen. In deze toestand kan je niet rijden.” “Misschien niet, nee.” “Dit is wat we gaan doen. Ik rijd jou naar huis met jouw auto en Dirk rijdt met onze auto achter ons aan.” “Het is ver rijden.” “Daarom wachten we niet te lang. Haal je pakken maar en we vertrekken.” En dus zaten ze tien minuten later al in de auto. Koen had aangedrongen dat hij zou rijden, maar Johan wou er niet van weten.  “Ik moet iets hebben om me op te concentreren. Ik moet iets doen.” Tijdens de volgende twee uur en tweeëntwintig minuten hielp het voortdurende praten van Koen om zijn gedachten niet naar het telefoontje van Hannah te brengen.  “Johan, ik heb alles gezien in het circuit. Ik zeg niet dat ik alles zelf geprobeerd heb, maar ik heb het wel gezien. In een klooster in Engeland namen de paters ’s avonds poppers om daarna met elkaar … je weet wel. Ik heb zelf uiteindelijk niet meegedaan, maar jongens jongens die waren met z’n allen zo geil als een gieter. Er waren twee Belgische confraters op bezoek en dat moest precies gevierd worden.” “Wanneer heb je eigenlijk beslist om niet in te treden.” “Niet lang daarna. Ik kwam Dirk tegen in het jeugdwerk en ’t was coup de foudre. Helemaal tot over mijn oren, niks aan te beginnen. De paters maakten er geen problemen van, van hen mocht ik gerust affaires hebben, en dat zeiden ze ook letterlijk zo, maar ik wilde geen affaire, ik wilde Dirk.” “Hoe lang zijn jullie samen?” “Bijna tien jaar, Johan. Dat wil toch al iets zeggen, niet? Nee, het was de juiste beslissing. Ik zou in het klooster ook helemaal niet zo gelukkig kunnen zijn. Niet dat ik het geloof heb laten vallen, absoluut niet, dat weet je. Ze noemen ons niet voor niets de vromo’s van de stad. Daar zijn we trots op. Trouwens, de seks met Dirk, die is pas goddelijk, ik hoef je niet te veel te vertellen, maar het is nog net zo goed als tien jaar geleden. Je zou het hem niet geven als je hem zo zag, maar hij is een beest in bed. Een lekker beest. En wat een lijf! Ik denk dat ik hem op de terugweg een flinke pijpbeurt geef.” “Huh?” “Oké, oké, sorry, dat hoef je niet te weten, en misschien is het niet zo’n goed idee terwijl hij rijdt. We zullen zien. Maar je ziet, ’t is niet omdat je totaal verschillend bent dat je niet bij elkaar kan passen. Dirk is introvert en soms aan de stugge kant, hij heeft vaak meer tijd nodig om zich aan te passen aan een nieuwe situatie dan ik, maar dat wil niet zeggen dat hij niet met een extraverte losbol een werkend koppel kan vormen. Je moet elkaar gewoon genoeg vrijheid geven om jezelf te kunnen blijven, dat is het geheim. Onthoud dat maar goed, Johan. Ik weet bijvoorbeeld heel goed dat Dirk het helemaal niet erg vindt om alleen met de auto achter ons te rijden. Hij zet van die akelige klassieke muziek op, of zelfs helemaal geen muziek en hij rijdt. Hij hoeft met niemand te babbelen en hij hoeft al helemaal geen pinten te drinken in de bar in Heer-sur-Meuse. Dat vindt hij verschrikkelijk zo tussen het lawaai en de hyperkinetische cursisten.” “En hij krijgt er een gratis blowjob bij straks.” “Wat zou hij nog meer willen?” Bij Johan thuis omhelsden de drie elkaar. Dirk hield hem even bij de nek en drukte zijn voorhoofd tegen dat van hem. Daarna gaf hij er een zoen op. “Hou je haaks, kerel.” Johan keek hoe ze achteruit weer de oprit afreden. Koen bootste met zijn tong en zijn linkerhand pijpbewegingen na. Johan lachte reflexmatig. Hij wuifde. Nu de twee weg waren en het stil werd rond hem, diende zich het gevoel van paniek en verslagenheid dat in zijn borst huisde, weer volop aan. Even later in zijn bed veranderde het in een taaie en allesoverheersende woede. Hij had zo hard naar die cursus uitgekeken.   ***   Twee jaar later vormde Johan samen met Myrthe een team op de cursus. Myrthe was een kleine ietwat mollige vrouw van rond de veertig. Ze liep graag op hoge hakken en droeg korte rokjes om haar verbazend ranke benen in al hun glorie te laten zien. Ze had roodgeverfde, korte, opgeknipte haren, met krullen op de kruin, een soepele en elegante nek. In haar decolleté, tussen de malse borsten die op haar buik steunden, hing een witzilveren hangertje waarin een oranje topaz verwerkt was. Ze lachte vaak en uitbundig, waarbij ze haar roodgestifte lippen wijd opensperde en je tot tegen haar huig kon kijken. Nagelwitte rechte tanden. Ze noemde zichzelf een goedgezinde boulet op pootjes en droeg die zelfgekozen titel met trots. Ze was totaal niet het type dat Johans blik zou blijven volgen als ze voorbij zou wandelen, maar wanneer hij bij Myrthe in de buurt was, voelde hij hoe haar positieve ingesteldheid ook op zijn humeur inwerkte. Als hij zijn ogen sloot en haar zachte parfum gewaarwerd, voelde hij de neiging om dicht tegen haar aan te liggen.  Ze zouden dit onderdeel van de cursus beginnen met theoretische uitleg. Myrthe had een lijn op het eerste blad van de flipover getekend. Aan het ene uiteinde stond in het rood ‘subassertief’, aan het andere ‘agressief’. In het midden in groene drukletters ‘ASSERTIEF’. Aan de hand van kaartjes met allerlei stellingen konden de cursisten positie innemen in de ruimte om aan te geven of ze volgens hen hoorde bij één van de drie termen. Daarna herhaalden ze het spel, maar met uitspraken en als laatste lieten ze situaties naspelen waarin één partij zich ‘subassertief’ of ‘agressief’ opstelde. Dat laatste zouden ze na de pauze doen en daar hadden ze veel tijd voor uitgetrokken, ook om die situaties telkens te kunnen bespreken in de groep. Johan en Myrthe hadden afgesproken wie waar het woord zou voeren en wie eventueel zou aanvullen. ’s Avonds vlak voor ze in de bar nog iets zouden gaan drinken, bespraken ze de dag met elkaar. “Dat ging vlot, Johan.” “Dank je, dat vond ik ook.” “En dit jaar geen huilers, dat is ooit ook anders.” “Echt? Ik weet niet. Dit is de eerste keer dat ik dit onderdeel gegeven heb. De vorige keer was ik er niet toe gekomen.” “Ja, daar heb ik van gehoord. Koen heeft het me verteld. Hij zei ook dat je intelligent was en goed iets kon overbrengen, maar dat je nog wat ervaring miste. Vandaar dat hij jou bij mij gezet heeft, zei hij, want ik had eigenlijk liever weer bij Kato gestaan zoals elk jaar. Ik moest ervaring in ons duo brengen, zei hij, maar als ik eerlijk mag zijn, heb ik er niet veel van gemerkt. Je spreekt rustig en beheerst. Je voorbeelden zijn er boenk op. Grappig soms. Je kan een groep onderhouden. Op voorhand was ik er bang voor, maar ik ben blij dat Koen ons samen gezet heeft.” “En jij kan ergens echt vaart in brengen en enthousiasmeren. Dat moet ik nog leren. Je geeft met veel vuur cursus. Als er even iets misgaat, dan heb jij dat heel snel gezien en stuur je supersnel bij. En je kent al iedereen bij naam gewoon.” “Ja, dat vind ik belangrijk. Zullen we nu onderdeel per onderdeel eens kijken hoe het gelopen is en kijken wat eventueel anders kan en of we volgende keer eens iets anders willen proberen?” “Goed, ja, natuurlijk.” Johan bukte zich om naast zijn stoel zijn voorbereidingen uit zijn lederen boekentasje te halen en keek steels langs Myrthes benen omhoog. “Mijn God,” zei Myrthe toen ze zijn notities zag. Die zijn bijna even netjes als die van mij. Ik ben onder de indruk.” “Tja,” zei Johan, “Dat zal de schoolmeester in mij zijn.” “Heb je ooit de notities van Koen gezien?” “Nee.” “Anders, zal ik maar zeggen. Goed. Laat ons beginnen bij de opening.” Johan hoorde even niet wat Myrthe zei en staarde dromerig naar hoe Myrthes mond bewoog. Hij rook een zweem van haar parfum. “Wat denk jij?” “Wacht, sorry Myrthe, ik was eventjes afgeleid. Waar waren we?” “Of we uitspraak zeven er niet beter uithalen, of dat we haar vervangen door een andere.” “Welke uitspraak was dat weer?” “Ik ontplof wel eens en kwets daarmee andere mensen.” “Als we daar iets aan toevoegen, dan is dat duidelijker subassertief. Bijvoorbeeld: ik ontplof wel eens en kwets daarmee andere mensen. En dan: dat gebeurt heel zelden, maar ik vind dat heel erg en voel me er schuldig over.” Even schrok Johan toen er een gsm rinkelde, maar dat kon onmogelijk de zijne zijn. Die had hij thuis achtergelaten. “Laat maar rinkelen,” zei Myrthe, “Dat zal mijn dochter zijn. Die bel ik dadelijk wel even terug.”   ***   Toen Johan voor het eerst Myrthes uitgebreide parfumcollectie zag, was het huis al verkocht en woonde hij in studio in het stadscentrum.  “Amaai,” zei hij, “jij hebt precies wel wat keuze.” “Ik weet het,” antwoordde Myrthe, “Het is een beetje uit de hand gelopen en ik geef er veel te veel geld aan uit. Wil je er een paar ruiken?” “O nee, sorry, liefje, dan gaan de geuren te zeer door elkaar, daar kan ik niet tegen. Je hebt trouwens al lang door dat als je dat ene parfum van op de cursus opdoet, dat ik dan écht nergens heen ga.” Myrthe trok Johans T-shirt over zijn hoofd. Johan knoopte Myrthes blouse los. Ze keken elkaar zonder knipperen in de ogen. Naakte huid tegen naakte huid. “Blijf je vannacht?” vroeg Myrthe. “Wat vind jouw dochter daarvan?” “Dat zullen we morgenvroeg wel zien. Eerst douchen. Kom je mee?” Johan drukte Myrthe tegen zich aan, rook haar geur vermengd met haar parfum.  “Of, wil je eerst nog?” “Nogal,” zei hij. “Ik merk het,” zei ze.   Eerst bereed zij hem. Haar zilveren hangertje schommelde tussen hen in. Toen ze klaarkwam, schudde haar hele weelderige lijf. Buik, borsten, billen. Het wond hem nog meer op. Zonder haar opengesperde ogen van hem af te wenden, ademde ze een paar keer diep in en uit en wisselden ze van positie. Met lange nek en open mond ontving Myrthe elke stoot. Ze hield haar beide handen om zijn billen en trok telkens zo hard dat het leek alsof ze hem dieper wilde duwen dan mogelijk was. Hij hijgde zwaar en zij kreunde amper hoorbaar met hoge stem. Zweetdruppels parelden op hun lijven.      

Hans Van Ham
14 0

Moederkoek en kattenkruid

  Houd die teller schoon op nul. Gebood het mij dat eindeloze. Lees dit niet. Vergaap je niet aan lama's die zich zomaar voeden met dat argeloze groen. Kom hier niet langs. Staar niet naar de schimmel op die dode takken van onfeilbaarheid. De tijd smeult in de verte. Broedplaatsen van ijzervogels, geestesroest en schele dogma's. Vuur geeft hen het volle pond. Geen vlam die iets begrijpt. Wie was de aap die koos om toch maar mens te worden. Wel is geweten. Veel te warme dagen zijn op komst. Nochtans werd lang geleden, op een frisse dag, de onschuld al verbrand. Overal werd er daarna gebouwd. Kerken. Torentjes van Pisa. Babylon. Intussen krabt een kauw zich  aan dat laatste grijs terwijl een vrouw zich braaf de schede kuist. Moederkoek was voor het blinde kind. Kattenkruid heb ik geplant om weerwolven te lokken. Alles was zeer kort. Gelijk een slak op reis. Nu is hij weer terug. De Zweedse kok. Hij was in Hongerland. Vulkanen zaten op een ei te broeden. Vagina's voelden zich doelloos leeg. Ik heb niemand verkracht. Geen zon gekocht. Zo prevelde de nacht. Keukenprinsesjes slikken liefst designerdrugs. Gelukkig maar. Slaapt en zegt. Dat ik alles vergeten mag, ik nimmer zomaar van je houden hoef. In lust alsnog en voor altijd het niets. Onwetendheid. Pure azijn. Ze smaken zo veel beter. Soms. Dan hoor ik dat. Ineens ontstonden goden die zich driftig vullen wilden. Mens. Waar is dat buffet? De kom mag nog eens vol. Maria'tjes in wit licht geel een vleugje roze. Redbull dronk die zot. Het was voor zijn verrijzenis. Straks. Dan maak ik soep. Met hoop. Met room. Kalmeermiddel. Voor alle bange geesten, hen die honger voor verklaring in zich dragen. Ja. Vreest. Opnieuw. Weer. Een beetje zure regen. Verse kul en droge moederkoek op een bezeikt plateautje. God save the queen and her fascist regime. Bartje zal de plaat afzetten en dan. Around midnight. I shall do it. Kill the poor. Om daarna zo rond een uur of vier, helemaal zen, in mijn potje stoofvlees, pruim met domoor te roeren Rustig. Niet eens in een acht en boor de gelovigen zal ik een slaatje voorzien. Vooral veel blaadjes kul, olie met parfum van hogerhand, een takje kattenkruid. Braaf. Slaap en wacht. Mijn hondje licht. Straks. Weer languit te dromen. Echt. Het zou zo gaarne nog eens beestig  kauwen.  Schaap of geit in wolvenvacht. Zo lang. Zo diep. Het mag van mij. Door merg en bot.     uit de reeks 'Duivelsverzen' 

Bernd Vanderbilt
0 0

Fresh Rain Intoxication

  For real. Punk is not dead. Poepeloere wat staan afgeven op elke mens die deftig leeft. Lekker full speed wat geluid staan spijkeren. De aderen wat zuiveren. Restjes moederzuivel uit de blaas staan plassen. Of dat allemaal geen deugd doet en daarna. Trokken wij dan weer een keer naar Alfreds frietkot. Bosbrand kan soms blijven smeulen. Het is ook de naam die kleeft op zijn cabine. Neen. Niet op het strand. Gewoon hier op de rand van bestaan en deze wereld. Het is er krap en klein. Men kan er door een raampje hengelen naar hoop.  De bloempot onderaan dat venster is helaas een beetje leeg. Hij dient veeleer om in te zeiken zeggen reglementen van het huis. De zieke bourgeoisie zit mijlen verderop te kotsen in een restaurant met echte sterren. Oesters uit Utopia. Ze zijn lang onderweg. Misschien. Dan toch. Een beetje rot. Hier weet men dat. De Bosbrand is echt niet te mijden. Het verleden evenmin. Oelewappers zijn hier altijd welkom. Dapperen, zij steken hier wel eens een vinger in het vet. Ook Ricky heeft goed afgezien. Destijds en gisteren. Toen vroeg hij het. Mag. Ik. Ook. Komen. Hij spreekt nooit snel. Nam de kusttram helemaal ginds aan de horizon en zo tot in Oostende. Dan de InterCity. Nog wat ongetelde stappen. Alles in het teken van de lieve lust. Heb er wat voor over. Voor zo'n optreden dat alles wegspoelt. Daarna dus een afterparty hier in deze friterie en ook Herman Brusselmans hij wilde komen, vroeg dat aan Ignace. Ignace Somers is de secretaris van die ganse boel en bende. Antwoordt soms aan iedereen. Op slechte dagen minder en wat zoekt Herman? Er hangt bij god geen openbare webcam in dit kot. Hier zouden wij zijn grappen direct onderwerpen aan de frietpot, gelijk men vaak bacteriën verdelgt. Ignace. Hij is voor één keer zeer beleefd gebleven, heeft geschreven op een gele briefkaart aan die man uit Gent. Alsnog komen de B, de V niet voor in het woord PUNK. Droog. Humorloos en bovendien. Het is genoeg geweest. We zullen eerst wat frieten fretten. Terwijl buiten. Overal regen. De perkjes schoon vergiftigt.     uit de reeks 'Alfred Frietkabouter'

Bernd Vanderbilt
0 0

Vrijdagochtend

Om kwart voor zeven hoor ik Robin door de gang naar de kamer van Arthur trippelen. Even later zijn hun gedempte gesprekken te horen. Af en toe gegiechel van Robin. Normaal moeten ze in bed blijven liggen tot het zeven uur is, maar ik ben nog te moe om op te staan en de jongste terug naar haar eigen bed te sturen. Ik voel me zelfs te loom om naar toilet te gaan. Tien minuten later wordt het te nijpend en kan ik niet anders. De gesprekken in de kamer naast me zijn niet meer gedempt en ze hebben veel plezier die twee. Beneden is Joke aan het sukkelen om het brood uit de bakvorm te krijgen. Ze slaat met vlakke hand op de bakvorm. Ik hoor haar sakkeren tot boven. Vooruit, Hans, de ochtend is begonnen. Licht aan, rollen omhoog, bedden opengooien en eindelijk, eindelijk die volle blaas verlossen. Hans: “Wie is hier voor zeven uur uit zijn bed gekropen?” Arthur: “Robin.” Robin: “Ikke. Ik kon niet meer slapen.” Hans: “Je blijft tot zeven uur in je eigen bedje. Dat is de afspraak, zus. En wat zijn jullie eigenlijk aan het doen. Met knuffels gooien? Straks breek ik mijn benen hier. Vooruit opruimen die knuffels en naar beneden.” Klats water in mijn gezicht. Tanden poetsen. Pyjama uit, kleren aan. Niet vergeten mijn pillen te nemen, die moeten op nuchtere maag. Achterdeur ontsluiten, krant uithalen. Er zit een briefje bij van de buurman in het begin van de straat. Zaterdag is het mototreffen bij hem in het clubhuis. Er gaat in de namiddag lawaaihinder zijn van startende motoren en van een live muziekbandje, maar we mogen iets komen drinken. Ik laat het briefje zien aan Joke. Die knikt en wijst naar de omgekeerde bakvorm op het aanrecht. Met een halfflexibele plastic spatel ga ik tussen het brood en de bakvorm. Zo krijg ik het brood er meestal uit. Ook deze keer. Ik snij het brood. Opletten. Even concentreren. Geen stukje van mijn vingers snijden, alstublieft. Hans: “Arthur. Je boekentas staat hier in het midden van de living. Zet die op zijn plaats bij de achterdeur. En doe kleren aan. Je pyjama ligt gewoon op de vloer.” Robin zit netjes aangekleed aan tafel. Joke gaat een paar keer met haar vingers door de haren van haar dochter. Joke: “Hoe wil je ze?” Robin: “In een vlecht.” Joke: “Twee vlechtjes of één grote vlecht?” Robin: “Eén grote.” Ik bind een icepack op mijn gezwollen knie en wil de boterhammen van de kinderen smeren. Robin: “Ik wil maar één boterham mee naar school.” Hans: “Maar eentje, zus? Ben je zeker?” Robin: “Ja.” Hans: “Ga je dan genoeg hebben? Zal ik er toch geen twee smeren, dan kan je nog altijd zien?” Robin: “Nee. Ik wil er maar eentje.” Hans: “En wat wil je er dan op?” Robin: “Kleurenchoco.” Hans: “Oké, dan, één boterham met kleurenchoco voor jou.” Arthur: “Ik wil mijn stockbrood van gisteren mee. Ik had die nog niet helemaal op.” Joke: “Nee, Arthur, die was veel te hard. Die heb ik in de kippenbak gegooid.” Huilen. Roepen. Pruilen. Onaangekleed in de zetel liggen. In het donkere hoekje aan de boekenkast wegkruipen. Opnieuw huilen. Zijn pyjama nog steeds op de vloer, zijn boekentas nog steeds niet opgeruimd. Ik haspel erover als ik een glas water voor Robin wil halen. Dan is het even stil. Nog steeds in zijn blote billen, schiet Arthur de keuken in. Ik hoor de waterkraan. Arthur: “Hier, papa. Ik heb hem afgespoeld.” Hans: “Nee, Arthur, dat kan niet. Die heeft in de kippenbak gelegen. Die mag je echt niet meer opeten.” Joke: “Nee. Arthur, die zit vol schimmel en bacteriën, daar word je ziek van als je dat nog opeet.” Opnieuw huilen. Tussen het snikken roept hij boos. Arthur: “Ik had die speciaal bewaard voor thuis en ik was het gisteren gewoon vergeten. Ik wou die nog opeten en nu kan dat niet meer. En ik mis mijn meter.” Joke gaat naast Arthurs naakte opgekrulde lichaampje zitten in de zetel. Joke: “Mama heeft dat stokbroodje weggegooid omdat het helemaal hard was geworden. Je wilt je nieuwe tanden toch niet stukbijten op zo’n hard stukje stokbrood, Arthur. Dat wil je toch niet, eh! Mama heeft dat gedaan om goed te doen, niet om jou te pesten. Kom eens even op mijn schootje zitten, grote jongen. Kom eens hier. Zo ja. Zal mama de volgende keer opnieuw stokbrood meebrengen van de winkel? Heb je dat graag, stokbrood?” Arthur knikt van ja en veegt zijn traantjes af. Even later zitten we samen aan tafel. Robin en Arthur krijgen een warme boterham met grillworst. Zelf eet ik zoals elke ochtend drie boterhammen: eentje met kaas, eentje met pindakaas en eentje met honing. Joke eet haar kom yoghurt gemengd met cruesli, cruesli met stukjes chocolade, en neemt geen boterhammen mee naar het werk. Het is vrijdag vandaag. Ze bestelt wel een broodje. Even later vertrekt ze. De kinderen wuiven haar na van achter het grote raam aan de voorkant. Ze gooien kushandjes en vormen hartjes met hun vingers.  Hans: “Vooruit, Arthur, tijd om je boekentas ein-de-lijk op te ruimen en je pyjama in de badkamer te leggen. Robin kom onder die tafel uit en eet je boterham op.” Robin: “Ik heb genoeg.” Hans: “Je hebt niet genoeg. Je moet je korstjes ook opeten. En je vitamientje ligt er ook nog. Kom onder die tafel uit. Eén… twee… drie… Moet ik jou eronderuit komen halen?” Robin: “Ik was al aan het komen.” Hans: “Arthur als jij klaar bent, ga dan nog eens naar het toilet kaka doen. We moeten dadelijk vertrekken.” Ik doe de icepack van mijn knie, leg de sjaal waarmee ik hem op de plaats hield terug op het rekje boven de kapstock en ruim de tafel af. Veeg met een schotelvod over het tafelblad. Wil de borden en het bestek in de afwasmachine plaatsen, maar zie dat die nog vol zit met proper gerief. Dat is dan voor straks. Eerst de kinderen naar school brengen. Ik hoor Robin in de zetel hardop huilen. Arthur komt net van het toilet. Arthur: “Ben je verdrietig, Robin?” Robin: “Nee, ik doe maar alsof.” Arthur: “En heb jij echte tranen?” Robin: “Ja.” Arthur: “Waaw, kan jij dat?” Ja, dacht ik. Dat kan je zus. Heel erg goed zelf. Hans: “Kom op, kindjes. Schoenen aan, jas aan. We vertrekken.” Robin: “Vandaag moet je niet gaan werken, eh papa.” Hans: “Nee, zus, op vrijdag moet papa niet gaan werken.” Robin: “Gaan we dan met de fiets?” Hans: “Dat gaat niet, meisje. Het is al te laat en het regent. Dat zal vandaag niet gaan.” Robin trekt een pruillip van jewelste. Hans: “Geen traantjes eruit persen, meisje, dat helpt niet. We gaan vandaag met de auto.” Arthur: “Kom jij vanavond mee?” Hans: “Ja, Arthur. Papa gaat niet zwemmen vandaag en komt voor jullie supporteren op de loopwedstrijd.” Arthur: “Ben jij ook een beetje zenuwachtig, Robin?” Robin: “Nee.” Arthur: “Ik wel. Ik weet niet zeker of ik ga winnen.” Hans: “Dat maakt ook niet uit, Arthur. Je hoeft echt niet te winnen.” Arthur: “Jef is de snelste van de klas.” Hans: “Ja, Arthur, maar die is van januari en ouder dan jij, daar hoef jij niet van te winnen. Sowieso hoef je niet te winnen, dat weet je.” Arthur: “Ik ben ook kleiner. Ik ben de kleinste van de klas. Maar ik ben wel de snelste van het gezin. Ik ben sneller dan jou, eh papa.” Hans: “Ja, jongen. En nu snel de auto in. Vooruit, anders zijn we te laat. Je zus zit al in de auto.” Arthur: “Wacht even, ik ben mijn tekening voor juf Claudia nog vergeten.” Onderweg naar school luisteren we twee keer naar “Bam Bam” van Camila Cabello featuring Ed Sheeran en naar “Beautiful People” van Ed Sheeran featuring Khalid. Dat willen de kinderen zo. Al de hele week. Ze zingen de twee liedjes van voor tot achter fonetisch mee. We rijden de parking van Arthurs school op. Robin blijft in de auto naar muziek luisteren. Hans: “Veel plezier, jongen. Papa komt je straks halen.” Hij laat zich op zijn hoofd zoenen en hij slentert de speelplaats op. Zijn boekentas hangt scheef op zijn rug. Robin heeft de muziek luider gezet en is ondertussen naar voren gekropen in de auto. Ze staat op de passagiersstoel te dansen. Een grootvader en een moeder lachen als ze passeren en wuiven naar haar. Hans: “Zitten en gordel aan, zus.” We parkeren de auto bij collega An en Robin loopt al vooruit naar het kleine zijpoortje van de kleuterschool. Ik sjok achter haar aan met haar rugzakje. Aan het poortje wacht ze me op. Ze heeft haar Pieter Konijn nog vast en houdt één hand beschermend tegen de regen over de knuffel. Ik doe haar rugzakje om. Hans: “Pieter Konijn mag niet mee naar het klasje, zus.” Ze kust hem en duwt hem dan ruw in mijn handen. Ze huppelt zonder omkijken naar het afdak terwijl de schoolbel gaat.  Ik zucht. Ze zijn op tijd in school geraakt. Ik sluit het poortje achter me. Een mama die vlak naast de school woont, twee kleuters aan de hand en een baby in een draagzak op haar buik, komt het hoekje om. “Goeiemorgen,” zegt ze opgewekt. “Goeiemorgen.” Met de auto onderweg naar brasserie ’t Onderwerp voor een koffie, vraag ik me af hoe ik in godsnaam een gewone ochtend als deze tegen het vergeten kan beschermen. En dan zie ik Jef, het klasgenootje van Arthur, te laat. Een lichte tik, zo lijkt het. Geen fiets over de capeau, enkel een kindje in het midden van de straat vlak voor de auto en een gebroken nekje.  

Hans Van Ham
14 0

Broodsnijmachine

  Zolang het brood zich niet te zot vermenigvuldigt, hoopt dit ding. Goudvissen zijn bovendien gemakkelijk te klonen. Elke bokaal die wat bescheiden is, hoopt dat het niet gebeurt. Geestelijke rijkdom leeft het best in bliktrommels die zich niet vullen met alwetendheid. Intussen kan ik lezen. In de Fabeltjeskrant. Die ene God die nimmer eenzaam is omdat er links en rechts steeds iemand. Wel. Toch droomt hij daar nog van. Godinnen kunnen immers veel creëren. Kinderzielen baren om ze dan aan touwtjes neer te laten in talloze kribben. Wezens te begeisteren. Zo schoon. Van bovenaf. Ik zou het nog geloven ook. Toch na een Duveltje of drie. Intussen. In dat hoekje zit hij weer te piekeren. Jozef denkt na. Hoe en waarom. In bijbels allerhande, muffe boekjes staat zeer weinig over die geslachtsziektes. Of het misschien daaraan heeft gelegen dat zijn zoon zich vreemd en goddelijk gedraagt. Uitermate wijs. Dat zijn ze plots. Die koningen gekomen uit het Oosten, moeten alles kracht bijzetten. Aristoteles. Hij kende al die trucjes van de foor. Het bulkt in al die Boekjes van het Vals Betoog. Morgen komt ze langs. De Winkeljuffrouw heeft zo'n netje en twee ogen. Zuiver. Oh zo schoon. Immers en tenslotte. Ze mogen eens gevangen worden al die goden en verzinsels. Zolang de motten, echte vlinders voor een liefdesbuik gespaard blijven. Ja, dan is het goed en straks steek ik een bisschop in die snijmachine. Die Winkeljuffrouw. Echt. Het is een Schat. Wij zullen alles samen opdweilen, die schijfjes brengen naar een Zoo. De leeuwen zullen daar niet twijfelen en ginds, in dat hoekje, zit hij weer. Te piekeren. Gedacht wordt er misschien een Einde aan te maken. Wegen die vernedering. Zo immens groot en uit diezelfde broodsnijmachine zullen ze komen. Sinaasappelschijfjes. Aan frisheid kan mijn Winkeljuffrouw zich heerlijk laven. Ik geloof dat en daarenboven. Dat ding is een echt multimedium. Het kan zelfs functioneren zonder dat men stemmen meent te horen uit de hemel na een lang gebed. Zolang de 's' van Kattenpis zich nooit die rechte lijn zal wanen. Dan is er eigenlijk zo veel niet aan de hand. Het is pas als de twijfel sterft, de uitleg zich onfeilbaar heeft verklaard. Dan mogen ze gaan branden. Flikkerlichtjes ginds in de Alarmcentrale van Bescheidenheid. Onwetend. Zo ben ik blij. Ook als die seconde mij dan toelaat haar de ommgen in te kijken. Zij heeft trouwens een zeer verlegen mond. Toch spreekt zij en ze vraagt of ik dat nog zal doen. Dan zet zij. Emmer. Dweil. Zuiver water. Alles al gereed. ik voel het al gebeuren. Want. Morgen zal ik met haar vlinders vangen. Daarna. Alles. Eindeloos bevrijden.     uit de reeks 'Duivelsverzen'  

Bernd Vanderbilt
6 0

Gustaaf gaat naar een lezing

Gustaaf drinkt zijn vierde en laatste tas koffie van de dag. Rond zeven uur doet hij zijn zware, leren jas aan. Hij twijfelt tussen zijn gele petje en zijn grijze petje. Hij gaat naar een lezing. Misschien wordt het een soort van gesprek. Het onderwerp: schoonheid en toeval.   Marie start vroegtijdig met een anekdote over een duif die op Art Brussels kunstwerken in een Japanse galerij ondergescheten heeft. Ze voegt eraan toe: ‘Hier gebeuren dingen.’ Ze bedankt de bib van T. voor het mooie salon en de ontvangst. Haar gesprekspartner tijdens deze lezing is kunsthistorica Leen die op haar beurt ook start met een dankwoordje. ‘Dank u voor de uitnodiging.’ Ze feliciteert Marie ook met haar lichtvoetige boek. Na roze, lichtblauw en rococo is het de beurt aan Marie om felicitaties te geven. Ze feliciteert haar gesprekspartner met een ‘Proficiat’ omdat ze in Basel echt getroffen werd door een kleine Vincent van Gogh. In tegenstelling tot bij Rubens stonden er geen mollige mensen op. ‘Opeens snap je het,’ zegt Leen. Naadloos gaat het over naar de Lentefee.    Na een uitgebreide uitweiding over Breughel, details, de papieren krant, traagheid, de Altiora-uitgeverij, ophouden, Eugène van Mieghem, concentratie en observeren doet Marie een bekentenis. ‘Ik ga niet naar de coiffeur. Ik doe dat zelf. Kijken, observeren kan een tekst worden. Het doelloos tot iets komen.’ Daarna heeft ze een vraag: ‘Is dat toeval?’ Leen negeert de vraag en gaat door over erotische en esthetische maniëristen die akelig perfect schilderijen fabriceerden, waardoor ze in Firenze belandde. Via de Kempen en een groot oom kunstenaar komen ze tot de lievelingskleur van Leen: geel. Marie geeft toe: ‘Ik had bijna mijn geel kostuum aangedaan.’ Gustaaf heeft Marie al een keertje in dat ribfluwelen, kanariegele kostuum gezien. Langs rododendrons, de tuin van het ouderlijk huis, natuurfragmenten, een atleet-verzetsman uit 1899 en zo meer komen we bij een order van een overleden vader: ‘Kom we gaan wandelen!’ Leen is het niet volledig eens met de opvatting van Marie dat de natuur een troostend effect heeft en ja, ook rustgevend is.  De kunsthistorica doet een filosofische bekentenis: ‘Binnen de week ben ik opgegeten!’ Het verbaast Gustaaf dat Marie daar geen humoristisch kwinkslag aangeeft, maar hij vindt het wel een leuk gesprek.   Marie laat erg rustig en aandachtig haar gesprekspartner aan het woord die nog meegeeft dat ze: ‘in de lente altijd vogels hoort.’ Hoe ze beiden tot het volgende onderwerp komen, weet Gustaaf niet meer; de zee en het verhaal van Tristan en Isolde die niet per toeval liefdesdrank drinken, maar per vergissing. In een boek met een weinig originele titel ‘La plage d’Ostende.’ komt een personage voor, een jonge vrouw die verliefd wordt op een oudere kunstschilder. Om hem te verleiden gaat ze zich kleden in zijn kleurenpalet. Ze doet dat heel slim en geraffineerd. Uiteraard loopt het slecht af. Gustaaf vindt het een leuk idee voor een prozastukje of een kortverhaal, maar twijfelt of dat boek een goed boek is. Hij fantaseert even, maar blijft luisteren.    Ondertussen zijn we wel aan een leuk onderwerp toegekomen: kledij. Na een biezonder korte opmerking over de Lentefee volgt een hilarische anekdote over de koningin van Denemarken, Margerete, een kettingroker, maar dat wordt niet vermeld. De koningin had een keer een eigen regenkostuum ontworpen door twee toile cirées, een geel en één met een bloemetjesmotief, aan elkaar te naaien. ‘Het zag er goed uit,’ weet Leen. Marie merkt laconiek op: ‘Als ge dan toch koningin zijt? Wat houdt u tegen?’ Gustaaf vindt dit het hoogtepunt tot nog toe. Hij zit al gans de tijd lichtjes te gniffelen, nu moet hij even hardop lachen. Leen houdt van goed geklede mensen op straat. Opnieuw heeft ze een leuke opmerking in petto. In het Victoria en Albert museum in London zag ze een keer een collectie van een dame die uit elke haute couture presentatie het lelijkste stuk had gekozen. Gustaaf glimlacht. Er volgt een kort woordje van Marie over het kostuum dat ze vanavond draagt en dat Gustaaf al weet. Wat hij niet wist is dat kunstenares Frieda zelf in eerste instantie reageerde met een: ‘Is dat niet een beetje overdreven?’ Waarop Marie toegeeft: ‘Ik had er in die mate zin in …, Ik vind dat zo plezant …, Er zal zich een speciale gebeurtenis voordoen.’ Gustaaf vindt het magnifiek. Hij zit opnieuw te gniffelen en amuseert zich. Leen meldt nog even dat er in Afrika stammen zijn die het fenomeen ‘kledij’ niet kenden.   Via een korte omweg over boeken, ‘Lolita’ van Nabokov en ‘Oud papier’ van Leen, komen we bij het onderwerp: het tot leven wekken van personages en het belangrijkste boek van de avond: ‘Het boek van schoonheid en toeval’. Leen bewierookt dat; ‘je durft dat!’, ‘Goed gedaan op een onnadrukkelijke en natuurlijke manier’, ‘ik hoor AMVK praten’, ‘geen notities en je kan dat allemaal onthouden!’, poëtisch, … Gustaaf weet dat het een biezonder boek is, want het is het enige boek in de bib van T. waarvan er een exemplaar bij Nederlands Romans staat en een exemplaar bij Non-Fictie Kunst. Dankzij Liliane Saint Pierre komen we bij religieus textiel en de drijfveren van Marie om dat boek te maken. Gustaaf begrijpt het als volgt. Als kind moest Marie zich regelmatig verdedigen in de familie. Doordat de omgeving rustiger werd, en zijzelf misschien ook, durfde ze onbevreesd al die mensen te benaderen. ‘Uw vraag richten tot iemand’, ‘Wat heb ik te verliezen?’, en een overtuigd: ‘Ik ga dat proberen.’ Leen luistert niet aandachtig, want ze vervolgt met een detail over de huwelijksjurk van Fabiola, een ontwerp van Balenciaga. Gustaaf wordt ook een beetje onaandachtzaam, want er volgt een lang relaas over familienamen en meer bepaald die van Leen. We komen tot een middeleeuwse mystica die op extreme wijze pestlijders verzorgde, Danny Devos, een Ursullinnenklooster, een fichebak, revolutionaire heilige-levens, de vraag: ‘Geen kamelen?’, een boekenkast uit de jaren zeventig, tekeningen met een BIC die mooi, blauw produceert, en tot slot de vaststelling: ‘we kunnen nog uren doorgaan.’ Gustaaf is blij dat het einde in zicht is.    Marie gaat een stukje voorlezen uit haar boek. Mooi zo, denkt Gustaaf. Er staat een lampje en Leen vraagt zich hardop af of lezen bij zo weinig licht wel kan. Marie zegt gedecideerd: ‘Het gaat lukken.’ En ‘Ik zoek het stukje in het park.’ Eerst is er nog een leuke intro over Liliane Saint Pierre, die na wat twijfelen zelf ook vol overgave had gemeld: ‘Ik kom naar Willebroek!’ Gustaaf legt zijn notitieboekje weg en luistert ontroert en aandachtig. Het is inderdaad poëtisch, met oog voor detail, een beschrijving van een natuurlijk verloop van een eenvoudige en oprechte ontmoeting tussen twee mensen. Opnieuw denkt Gustaaf: ‘mooi zo!’ en ‘ik hoop dat ik op een dag dat boek kan ruilen tegen een dwaas kunstwerkje van eigen hand.’ Hij weet niet goed hoe zich te gedragen en vraagt zich af of hij de twee gesprekspartners nu uitgebreid moet begroeten, feliciteren en danken. Het beperkt zich tot een wat weifelend handjesgeschud en een sociaal verantwoord: ‘Ik kijk er al naar uit!’ Het compliment als zou hij veel verbeelding hebben heeft hij niet verstaan. Bij het passeren van café Barzoen hoort hij live rock ’n roll muziek. Hij verlaat het cultuurhuis rokend met nog steeds een glimlach op de lippen.                    

Hubert Grimmelt
7 0

Eén minuutje maar

Twee jaar geleden kondigde mijn vrouw aan dat ze wou scheiden. Zij had een vermijdende hechtingsstijl had en ik een angstige, daardoor kon het nooit echt iets worden. Ik zei haar dat het toch al vijftien jaar iets was. Dat was alleen maar onze indruk geweest, zei ze. En dat ik nu maar eens mijn eigen boontjes moest doppen. Ze regelde een appartement voor me en besprak onze scheiding met de notaris. Mijn zoontje Max was één van die kinderen die zelfs in oorlogssituaties zouden gedijen. Meestal droeg hij zijn voetbal onder zijn oksel en speurde door zijn te lange krullen naar een plek om te sjotten. Een berm met wat plastic of het verlaten plein voor de kerk. Hij trapte zijn bal naar me of trok aan mijn mouw om me een eekhoorn te tonen. In de week dat hij bij mijn vrouw verbleef, zat ik op het kerkplein. Toen ik zijn bal van ver hoorde stuiteren, liep ik op hem af en tilde hem op. ‘Niet doen, papa’, lachte hij. Voor Max bleef ik in het dorp. Parallel aan mijn scheiding verdwenen in het dorp drie restaurants, vijf kroegen, een bank en het stationsloket. Alsof die ook tot mijn inboedel behoorden, die ik zag halveren. Er waren geruchten dat de apotheker te weinig omzet draaide, waardoor mensen vreesden dat ze binnenkort kilometers moesten rijden om een pijnstiller te kopen. Die angst verdween toen bleek dat je alles online kon bestellen. Bestelwagens reden van deur tot deur, mensen namen in pyjama hun pakje in ontvangst. De straten werden leger, alsof die bestelwagens de bewoners van het dorp één voor één ontvoerden. Het leven keerde terug toen een internetgigant besloot om zijn loods naast het dorp neer te poten. Een honderddertig hectaren groot magazijn waar online-aankopen verwerkt werden. De spullen die in fotoformaat in een computer pasten, besloegen honderden vierkante meters magazijn. Er kwamen arbeiders naar ons dorp, uit Portugal, Italië, Bulgarije, Polen, Marokko en ook uit België. Het bedrijf liet een bungalowpark voor hen bouwen. Ik had als ober gewerkt één van de failliete restaurants en bood me aan als order picker. Het magazijn herbergde alles wat de wereld te bieden had: De Bijbel, hondenbrokken, panty’s, poetsproducten en condooms. In een van de rekken glimlachten tientallen Michelle Obama’s me toe, haar boek ‘Becoming’ verkocht goed. Minstens twintig keer per dag laadde ik het op mijn karretje. Ik wilde Michelle’s verhaal lezen tot net voor het hoofdstuk waar ze doorbrak en het maakte, want daar werden de meeste biografieën voorspelbaar en oninteressant. Had ze die Barack maar nooit leren kennen. De internetgigant financierde in het dorp een supermarkt met spullen uit de loods. Arbeiders die genoeg gespaard hadden, startten een pitta-zaak. Ik smulde van die vettige kost, blij dat ik niks hoefde te koken. De apotheker had weer klanten genoeg. Twee weken voor Black Friday werden er tweehonderd extra arbeiders aangenomen.  De verweerde houten planken van onze trolleys scheerden rakelings langs elkaar heen, voortdurend in beweging als de vierkantjes van een caleidoscoop. De internetgigant loofde elke week een prijs uit aan de snelste werkkracht, meestal iets elektronisch. Game consoles waren populair en televisieschermen waarmee je je living omtoverde tot home cinema. Ik holde me te pletter om Max te verrassen met een Playstation. Hij was altijd bij me, al zat hij fysiek op school. In mijn dagdromen hield hij zich vast aan het handvat van de trolley en joelde hij terwijl ik hem voortduwde. Ik dicteerde de bestellingen en Max haalde de producten uit de rekken. We reden iedereen eraf. Onder de nieuwe arbeiders was er een man die het spel niet begreep. Hij slenterde op zijn versleten sandalen achter zijn kar, nam op zijn dooie gemakken een item uit de rekken, liet zijn trolley in het gangpad staan en dwarsboomde zo de perfecte golven van ons trolley-verkeer, de hoge- en lagedrukgebieden op de plattegrond van ons magazijn. Deze stilstaande man was even verwoestend als een orkaan. ‘Zet je trolley toch aan de kant, kerel!’, schreeuwde ik. De man, wiens sluik donker haar en groene ogen een vreemde rust uitstraalden, draaide zich om, stak zijn wijsvinger in de lucht en zei ‘Eén minuutje maar!’ ‘Proficiat, u heeft gewonnen.’ Op vrijdag ging de bel tien minuten vroeger en nam ik mijn prijs in ontvangst. Nadat ik ‘dank u’ had gepreveld tegen de personeelsverantwoordelijke, scheurde ik de kartonnen doos open. Ik trok de plakband eraf, plooide de flappen om, voelde een grillige vorm in plaats van een platte bak en vreesde het ergste. Ik trok het matte plastic eraf en zag dat het ergste een understatement was. Geen playstation maar een keukenrobot. Waarschijnlijk één van de geretourneerde exemplaren waar ergens een kras op zat, of waarvan de motor sputterde. Moeilijk door te verkopen. De maalschroef in de ijzeren kom had vervaarlijke tandjes. Max vond hem prachtig. Zoals de robot twee gardes omhoog hield, leek hij op die enorme sprinkhanen in documentaires die hun voorpoten in de lucht hielden, zei hij. Ik keek naar de roodgelakte machine en zag de bidsprinkhaan. Dat weekend testten we alle functies van de keukenrobot, Max verzon er geheime missies bij. Daarna voetbalden we in het zwakke winterlicht. Na het weekend bracht ik Max terug naar zijn moeder.  Voor we aanbelden, gaven we elkaar een geheimzinnige handdruk, vuistje – wave -spray – pang- vuistje. Toen glipte Max even gretig mijn voormalige huis binnen, naar de kamer waar ik hem vroeger voorlas. ‘Er zijn pannenkoeken’, riep mijn ex hem na. Over haar schouder heen, op het einde van de gang, zag ik een man in de keuken. Hij was me niet helemaal onbekend. Zijn lange haar hing over zijn beige hemd met donkergroene palmbomen, zijn ogen straalden een haast christelijke ernst uit. De trage man uit het magazijn dronk koffie aan mijn ex-keukentafel. ‘Proficiat met uw prijs’, riep hij, ‘en tot morgen.’

Pons
19 0

Een nieuwe realiteit

Met zijn zevenen stonden we in voor het organiseren van de werkelijkheid. Daartoe hadden we een beige koffiethermos met gestileerde oranje blaadjes. Op een namaakhouten dienblad lagen pistolets met kaas waarvan de harde rand de ouderdom aangaf. Er waren zakjes suiker en melkpoeder, niet te verwarren met elkaar. Ze zaten in metalen kannen met twee oren, zodat we elkaar niet hoefden aan te raken bij het doorgeven. Aan de muur hing een poster van een lang vervlogen evenement. Vijf collega’s plus ikzelf zaten in twee rangen tegenover elkaar, enkel Dirk ontbrak nog. Onze herfstjassen ontdubbelden onze lichamen en vormden een tweede gezelschap aan onze rugleuningen. Ik haakte mijn voeten rond de metalen stoelpoten. Op tafel lag een blad met onze algemene doelstelling: Organiseren van de werkelijkheid ‘Wie zal er beginnen?’ vroeg Peter. Zijn adamsappel had zich met de jaren duidelijker afgetekend en dirigeerde hem bij het praten. We wisten wie er zou beginnen. Birgit had net nog gekookt en instructies gegeven aan haar man om de avond met de kinderen in goede banen te leiden. Ondanks de avondfile veroorzaakt door een gekantelde oplegger, was ze op tijd in de vergaderzaal. Anna, die een paar jaar jonger was dan Birgit, hoorde het aan. Ze schommelde heen en weer op haar stoel en eindigde in een soort contrapunt, steunend op haar rechterbil en op haar linker-ellenboog, zodat ze haar lichaam even te slapen kon leggen terwijl haar geest wakker bleef. Haar uk van twee had het saboteren in de vingers, vertelde ze haast elke dag. De veel te luide speeltjes die haar ouders voor haar dochter hadden gekocht, bliepten nog na in haar hoofd. Op tafel lag een kopietje met de blanco keerzijde naar boven, dadelijk zou Birgit het omdraaien met de boodschap dat ze thuis al wat had nagedacht. Naast Anna beet Lore in haar ongeschilde peer. Ze ging er prat op dat haar krullen nog nooit een kam gezien hadden. Haar nonchalance had iets onberispelijks, een kapper was uren zoet om haren in zulk een perfecte warhoop te leggen. Alles was wild en ging vanzelf bij Lore, wat haar erg aantrekkelijk maakte bij mannen. Collega Luc ervoer die sensualiteit als intimiderend, doch niet zo bedreigend als tunnels of het vliegtuig, dat hij niet kon nemen zonder ‘pammetje’. Lorazepam was zijn favoriet. Toch vroeg hij net aan Lore een blad papier, die er in één haal één uit haar schrift scheurde. ‘Asjeblieft!’, zei ze. ‘Dank u,’ mompelde Luc terwijl hij zijn balpen aan klikte. De koffie verspreidde een muffe geur van aangebrand gruis in de kamer, een geur die me verzadigde zonder dat ik ooit koffie had gedronken. Anna klaagde over het gebrek aan parkeerplaats in de buurt, toen Birgit ons aanspoorde om er eens in te vliegen. ‘Stappen zal ook gaan’, knipoogde Lore naar Luc. ‘Met jullie goedkeuring licht ik mijn ideeën even toe voor de visietekst over de werkelijkheid,’ begon ze, ‘uit de mindmap die we vorige keer schetsten,…’ Net toen kwam Dirk binnen. ‘Pardon’, zij hij toen zijn rijzige gestalte tegen mijn rugleuning botste. Er vielen wat regendruppels in mijn nek. ‘Niet erg’, zei ik. Hij droeg zijn fietshelm nog en had reflecterende strips om zijn arm. ‘Excuses, ik zat op een andere vestiging. Fout genoteerd.’ ‘Goed dat je er nu bent’, zei Birgit. Hij ging op de enige vrije plaats zitten aan de kop van de tafel. ‘Ik heb op internet al eens naar visieteksten over de werkelijkheid gekeken’, zei hij, ‘Ik zie niet in wat daar nieuw aan is. Dat hebben we toch allemaal al eens bedacht, een paar jaar geleden?’ ‘Sinds we gefusioneerd zijn, zijn er weer andere noden en behoeften, die nieuwe subdoelen en actieplannen impliceren.’ zei Birgit. ‘En moeten wij hier met ons zevenen wat over de werkelijkheid beslissen, terwijl andere teams ook een plan bedenken? Eigenlijk zou er toch gewoon één overkoepelend orgaan moeten zijn.’  ‘Laten we voor vandaag even onze werkgroep voor ogen houden. Daarvoor zijn we hier samengekomen,’ antwoordde Birgit. ‘Bovendien blinken die teksten uit in wolligheid,’ ging Dirk verder, ‘Allerhande abstracte termen waar je om het even wat kan in zien en waar wij niks mee opschieten.’ ‘Dirk, het moét nu eenmaal gebeuren. We moeten verder met de andere groep, we hebben procedures nodig waarin zowel zij als wij ons kunnen vinden.’ Aisha’s duidelijke stem was een gave in de protesten waar ze vaak aan deelnam. In kleine ruimtes klonk ze net iets te luid, maar iedereen wist dat dat niet persoonlijk bedoeld was. Ze droeg een vestje uit India, waar ze ooit een jaar had gewoond, en ze rook altijd licht naar kaneel. ‘Goed,’ ging Birgit verder, ‘dat brengt ons bij het hoofdpunt: ‘het bereiken van een gedragen en consistente visie over de werkelijkheid.’  ‘Excuses’, zei Aisha, ‘waarom noemen we het eigenlijk ‘werkelijkheid’. Was er niet afgesproken dat we voor internationaler klinkende benamingen zouden gaan?’ ‘Zoals ‘realiteit’’, suggereerde Anna terwijl ze gemorste koffie van de tafel depte met haar servet. ‘Exact’, zei Aisha, ‘door het met ’werkelijkheid’ aan te duiden, een woord dat geen wortels heeft in andere talen, lijken we onze actieradius te beperken.’ ‘Ach’, zei Peter, ‘kunnen we niet beter een nieuw woord bedenken, als we dan toch voor iets compleet nieuws gaan.’ ‘Oude wijn in nieuwe vaten’, herhaalde Dirk. ‘Alles is al bedacht.’ ‘Vanuit jouw perspectief, misschien’, zei Aisha. Luc vouwde het zilverpapier van zijn chocolaatje fijn tussen zijn vingers. Hoe meer de spanning steeg, hoe sneller hij met het papiertje schoof, als een krekel die zijn poot over zijn vleugels wreef. ‘Hoe moet die Esperanto-versie van de werkelijkheid dan wel klinken?’, zei Dirk smalend. ‘Misschien kunnen we een neologisme maken van het Chinese Xianshi en Vaastavikata in het Hindi,’ stelde Aisha voor. ‘Het wordt tijd dat er wat meer gelijkheid komt. Dat minderheden stilaan hun invloed hebben en krijgen,’ beaamde Lore. ‘Vaastakiksjanshi, dus,’ zei Peter, ’of Ksjanstavikata, dat bekt lekkerder.’ Hij probeerde beide varianten een paar keer uit. ‘Beslist, Ksjanstavikata is de winnaar.’ ‘Laten we die kwestie van de naamgeving nu even rusten,’ stelde Birgit voor,’ en ons focussen op de wijze waarop we ons doel, een visie over de werkelijkheid…’ ‘De Ksjanstavi…,’ zei Peter, terwijl Birgit en Aisha hem neerbliksemden met hun blik. ‘realiseren’, articuleerde Birgit duidelijk. ‘Hoe gaan we straks onze bevindingen overbrengen en een procesmatige ontwikkeling realiseren?’ ‘Excuseer,’ onderbrak Lore, ‘kan je een ontwikkeling realiseren? Een ontwikkeling is niet altijd intentioneel, het kan ook een proces zijn dat je waarneemt, terwijl de term ‘realiseren’ dit toch fel tegenspreekt.’ ‘Welke van de twee woorden wil je aanpassen, maken we van ‘ontwikkeling’ ‘vooruitgang’?’ ‘Dat is dan weer erg ideologisch gekleurd’, zei Aisha,’ ‘voortgang’ is wat neutraler.’ ‘een procesmatige voortgang realiseren, sjonge jonge, daarom krijg ik dus hoofdpijn van die vergaderingen.’, zei Dirk, ‘Luc, geef me de thermos nog eens.’ ‘Ik verander het wel in de tekst’, zei Birgit, ‘kijken jullie ook nog eens naar de formulering van onze andere doelstellingen?’ Door de doelstellingen heen tekende ik de torens die achter de dakramen hun top lieten zien. Het plein piepte binnen via hun lange nekken. En de straten waar mensen enkel oog hadden voor hun paraplu, nu het al dagen regende. Uit de kijkgaten van de torens bulderde de lach van kinderen die beneden kwajongensstreken uithaalden. Hun moeder maande hen aan om verder te wandelen. Haar taal was niet van hier, wat ze zei kon iedereen begrijpen. Ze kruiste een man die vreselijk tekeer ging, waarschijnlijk via de telefoon, want ik hoorde geen gesprekspartner. Hij ergerde zich omdat de andere hem niet begreep: ‘Ik gaf ze mijn drie laatste loonfiches, hoor je, zoals ze hadden gevraagd, maar er waren vijf kandidaten met een hoger loon. Vijf, ja! En het was niet eens een mooi appartement, de deuren van de kasten hingen los, het waaide binnen. Je zegt niks, hoor je me nog? Zeg, luister je wel? Moet je echt afwassen terwijl ik met je bel?’  De stem van de man deemsterde weg. ‘Wat denk jij, Elke? Nog opmerkingen?’ vroeg Birgit. ‘Niks aan te merken,’ zei ik. ‘Alles lijkt me ok.’ Dirk grinnikte. ‘Dan moeten we enkel nog onze volgende afspraak vastleggen?’ ‘Kan dat ditmaal wel binnen de werkuren?’ vroeg Anna. ‘Dat kan ik niet garanderen, Anna, de werkuren liggen bij iedereen anders.’ ‘Maar mensen met kinderen kunnen toch voorrang krijgen?’ ‘Ik heb ook kinderen,’ zei Dirk. ‘Jonge kinderen, bedoel ik, ‘zei Anna. Geluidsgolven vleiden zich langs de gevels van de torens, die als een oortrompet de verhalen van de voetgangers tot in de kamer brachten. Maar waarom hoorden mijn collega’s niks van de vrouw die zei: ‘Ach, val ik te vaak ziek uit, dan krijg ik mijn seevier en wil ik een dag minder werken zonder uitkering te vragen, dan mag dat ook niet. Niet goed voor mijn pensioen, zeggen ze. Als dat hier zo verder gaat, haal ik mijn pensioen niet eens. Alsof ik niet liever op tafel wil dansen. Maar ik brokkel af, mijn ruggengraat schuurt en ge kunt mijn knieën horen piepen. Wist ge dat ik nog maar een meter vijfenvijftig groot ben, terwijl ik vroeger een meter zestig mat?’ De zon priemde door de wolken.  ‘Past dat ook voor jou, Elke?’ Birgit had een datum gevonden voor de volgende bijeenkomst. Anna zweeg over haar kinderen, Lore over het uurrooster van de bus. Luc tikte met zijn voet op de grond als een stil eenmansorkest. Peter mijmerde, misschien wel over een volgend schilderij, dat hij met restjes lipstick vervaardigde. ‘Goed, ik mail jullie binnenkort het verslag, samen met onze eerste nieuwsbrief,’ zei Birgit. Sturen jullie dat ondertekend terug?’

Pons
5 0

Het pak

Janna koos het grootste karton in de Post, maat 9, drie euro negenentachtig cent. De loketbediende vouwde het in geen tijd voor haar om tot een doos. Buiten rekte Janna haar snelbinders tot het uiterste om de doos vast te maken op haar fiets. Maar telkens als ze de elastiek vasthaakte, schoof de doos weg en sprong het andere eind van de elastiek los. De haakjes van de snelbinder belandden net naast haar oog. Ze wreef over de zere plek en probeerde het opnieuw. Een man die naar alcohol rook en een leren aktetas droeg, bood zijn hulp aan. Ze trokken elk even hard aan één kant van de snelbinder tot de doos stabiel op de bagagedrager zat. Janna bedankte de man, die een hand opstak en tevreden wegwandelde.    Behoedzaam stuurde ze haar fiets van het voetpad en trapte ze naar huis toe. In haar straat blonken de kasseien in de zon, wat haar aanmoedigde om er met de schokkende doos over te bollen. Even later nam ze de Timberlands, maat 44 onder haar bed vandaan en legde ze in de doos. Uit de kleerkast haalde ze twee medium jeansbroeken en large T-shirts, stopte ze in een plastic zak en gaf ze een plek naast de schoenen. Manuel was zes weken geleden vertrokken. Dat had zij beslist omdat hij de taal niet onder de knie kreeg en hier geen werk vond. Ze vulde de gaten tussen zijn schoenen met zijn wanten, zijn kousen en een paar onderbroeken. Ze nam zijn handboeken Engels uit de lade van het bureau en legde ze bovenop de kleren. Toen ze, bij het doorbladeren van zijn schriftje, zijn handschrift zag, schrok ze ervan hoezeer de stille letters zijn karakter opriepen. Het geurde vroeger tot in het bureau naar tomatenpuree als hij voor haar kookte. Sinds hij weg was, drong de grijze hemel haar huis binnen. Traag stalde ze ’s avonds brood en kaas uit voor zichzelf. Ze stemde de tv af op een zangwedstrijd en supporterde voor de kandidaat die te graag wou winnen omdat hij er eigenlijk niet in geloofde. En ze ruimde op, ze vernieuwde zich door op te ruimen, ze won terrein terug op Manuel, want wat was het spannend dat ze weer haar eigen leven leidde zonder dat ze op iemand moest wachten. Nu was de slaapkamer aan de beurt. Naast zijn kant van het bed lagen Engelse detectiveromans die ze ooit op een rommelmarkt hadden gekocht. Sherlock Holmes was een mooi aandenken aan die dagen, daar zou hij blij mee zijn. De boottocht voor de kust van Cádiz, dacht hij daar nog aan, aan de Spaanse oma’s die de cijfers van hun bingospel afriepen voor het hele strand, aan het goedkope hotel dat hij had geboekt om haar drie dagen lang een echte vakantie te gunnen, hij had ervoor geleend bij zijn moeder? Ze boog de flappen van de doos om en haakte de omslag vast in de gleuf aan de voorzijde. De kieren plakte ze toe met tape, de doos was nu een pak. Nu het wat meer gewicht had, bleef het makkelijker op de bagagedrager zitten. Janna was blij dat ze het zonder hulp kon vastmaken. Ze fietste in rechte lijn naar de Post, haalde het pak van de bagagedrager, trok een nummertje en vulde het adres van Manuels ouders in op een aanplakbiljet. Ze betaalde twintig euro voor de track-service waarmee ze kon volgen waar het pak zich bevond. Terug thuis stuurde ze Manuel een bericht. ‘Ik wou je laten weten dat ik je spullen opgestuurd heb. Over een paar dagen komen ze aan bij je ouders.’ Pas een uur later stuurde hij terug: ‘Had je ze maar allemaal weggegooid.’ Janna vond het jammer dat hij zo verbitterd was. Na vier jaar was hun situatie geen millimeter gevorderd: hij teerde op een paar Spaanse klanten voor zijn IT-projecten, zij vroeg hem geen huur. Hij vroeg haar nog steeds uitleg bij de menukaart als ze uit eten gingen. Ze stopte haar oordoppen in tijdens zijn Spaanse detectiveserie en las een boek. Hij knuffelde haar honderd keer per dag, kende films bij de vleet en had een zachte buik om op te liggen. Ze brachten elke zomer door in zijn Spaanse dorp met twee bars en evenveel vrienden, op drie uur rijden van de zee. Hij ging tijdens de werkweek pas om twee uur naar bed nadat hij uren tv had gekeken, hij raakte niet in slaap. Dat mooie dingen tegelijk de allermoeilijkste waren, vatte ze nog steeds niet. Ze dacht aan de nonnen die haar als kind hadden ingeprent dat er op grote zaligheid vaak straf volgde. Misschien kon ze wat lollen met iemand op Facebook. Terwijl ze de computer opstartte, viel Manuels blauwe regenjas haar op, aan de kapstok tegen de deur van het bureau. Zoals de jas aan de haak hing, herkende ze er zijn lijf in. Ze legde haar hoofd tegen zijn schouder en dacht aan de keren dat hij in de hoogste versnelling achter haar door de regen had gefietst, zijn kap zo strak vastgebonden dat zijn gezicht een cirkeltje leek. Zou hij het cynisch vinden dat ze hem zijn regenjas opstuurde? Maar hij had ervoor betaald, en in Spanje kwam zijn jas in de winter goed van pas. Dus fietste ze naar de Post, kocht een tweede doos en propte de jas erin. Het aanbod van de loketbediende om dit pak ook te laten tracken, wuifde ze weg. Zonder opvolging kostte het zeven euro minder. Enkele maanden later, in augustus, begon de zondagavond van het jaar. Zo voelde Janna het aan wanneer de winterlaarzen in de etalages klaar stonden om de straten over te nemen. Bij het grote plein waar de toeschouwers op zondagochtend oesters slurpten, drongen donkere wolken samen. Ze holde naar de luifel van de boekenwinkel en ging er schuilen. Van alle kanten verdrongen mensen zich tegen de plenzende regen. Tegen haar arm schuurde een blauw geribbelde regenjas. De man die hem droeg had een verweerd gezicht en grijs kroezelhaar. Ze liet haar vingers even over de stof glijden. ‘Heb je het pak gekregen?’, vroeg ze Manuel per sms. ‘Ja, met de schoenen en de boeken. Bedankt, maar ik zei toch dat je die moest weggooien,’ antwoordde hij. ‘Maar het tweede pak met jouw regenjas.’ ‘Daar weet ik niks van,’ schreef hij.

Pons
0 1

EXAMEN

Het was waar wat zijn vader tegen hem had gezegd, dat het binnenkort mei was en dat hij nog steeds dezelfde stomme liedjes speelde als in september. Josse was al blij dat hij ‘liedjes’ zei, en niet ‘gepingel’. Intussen was het mei en had Josse enkele inspanningen gedaan, maar veel hadden die niet opgeleverd. De eerste vier maten kwamen er vlot uit. Daarna was het behelpen. Maar juf Marleen zou hem er wel doorlaten. Ze had gezegd dat hij talent had. Op de bus gaapte een meisje Josse aan. Ze zat omgekeerd op haar stoel met haar kin op de rugleuning. Haar moeder, die naast haar zat, was bang dat ze op haar tong zou bijten als de bus over een hobbel reed. Toch bleef het meisje kijken. Ze dacht waarschijnlijk dat hij Rodrigo van Rodrigo y Gabriela was. Of iemand anders als ze die niet kende. Dat vond Josse nou zo leuk aan een gitaar op je rug. Zolang de hoes dicht bleef, wist niemand of je er ook wat van kon. En de meesten gaven je het voordeel van de twijfel. Terwijl er toch meer slechte dan goede gitaristen rondliepen. Toen hij via de poort naar binnen wilde, bleek die op slot te zijn. Een pijl op een blad wees naar rechts. 'De deur is open,' zei een voorbijlopende man in overall. Alsof Josse die niet had kunnen vinden zonder zijn hulp. Binnen in het oude gebouw hingen nog meer pijlen. Josse volgde die waar juf Marleen op stond. Na een poosje wist hij niet meer of de uitgang zich voor of achter, boven of onder zich bevond. Te veel trappen, op en neer. Te veel bochten, naar links en naar rechts. Maar om straks de uitgang terug te vinden, hoefde hij alleen maar de pijlen in de omgekeerde richting te volgen. Waarom zat juf Marleen trouwens niet in haar normale lokaal? De laatste pijl was geen pijl, maar een woord, namelijk examen. De leerling vóór hem moest net naar binnen zijn gegaan, want Josse hoorde doffe, beleefdheden uitwisselende stemmen. Hij haalde zijn gitaar van zijn rug en ging op een van de stoelen zitten tegenover de deur. Juf Marleen klonk een beetje geirriteerd, vond hij, boog al haar zinnen naar beneden af. Tja, het moest verschrikkelijk zijn voor iemand als zij om de hele dag naar knoeiers te moeten luisteren, en het niet te mogen laten merken. De mannenstem - Tristan? - gaf korte gehoorzame reacties. Voorzichtig boog Josse naar voren en las de namen op het schema onder het blad met examen. Zijn naam was als enige doorgehaald en opnieuw geschreven. Hij had nochtans geen moeilijke naam. Er stond iemand op die Guilherme heette en dat had juf Marleen meteen goed geschreven. Josse dacht dat het de Portugees was, die volgens hem te goed speelde om les te volgen. Hij speelde fado. Twee noten maar, zei hij altijd met een zwaar accent. Fa en do. Om te begrijpen wat er toen gebeurde, hoefde Josse niets te kunnen horen. Voetsteun open, bladmuziek op pupiter, gitaar uit zak - altijd hetzelfde. Een gewone les eigenlijk. Behalve dan dat je er een cijfer voor kreeg. Een belangrijk cijfer. Een héél belangrijk cijfer. Een cijfer dat bepaalde of je slaagde. Maar er werd altijd rekening gehouden met het volledige schooljaar. Met de evolutie die je had doorgemaakt. Toch? Toen werd het stil. De eerste noten weerklonken. Josse herkende het stuk niet. Hoewel het hetzelfde moest zijn. Toen begreep hij dat het kwam doordat Tristan het op een bijzondere manier speelde. Maar het was wel degelijk hetzelfde. Tegelijk volgde hij slaafs de partituren en week er radicaal van af. Josse vond het prachtig, en na enkele maten kon hij zich al niet meer voorstellen dat je het op een andere manier zou spelen, alsof zijn verbeelding door die van Tristan met stomheid was geslagen. Nog even koesterde hij de hoop dat Tristans vingers moe zouden worden en steeds klunziger zouden beginnen te spelen, als marathonlopers tijdens de laatste meters. Maar, zo moest Josse toegeven, naarmate het stuk vorderde, speelde hij zelfs beter dan aan het begin. En toen kwam de finale. Met de fis. Met het barré-akkoord. Met de positieverandering, die Josse telkens in moeilijkheden bracht. Zijn hart bonsde in zijn keel. Tristan ging het klaarspelen! Tristan was bezig met het klaar te spelen! Tristan speelde het klaar! Terwijl de laatste noten van het stuk langzaam wegstierven, merkte Josse dat hij van opwinding was gaan staan en liet zich neervallen in zijn stoel. Dit zou hij nooit kunnen. Hoe vaak hij ook zou oefenen. En gitaar was Trinstans tweede instrument! Zijn eerste was piano. Piano! Die moest je met twee handen tegelijk bespelen. Twee handen en twee voeten als je de pedalen meetelde. Ineens was de irritatie in juf Marleens stem weg. Toen hij handgeklap meende te horen, hield Josse het niet meer uit. Hij stond op, pakte zijn gitaar en beende weg. Aanvankelijk voelde hij zich opgelucht. Hij kon dit zomaar doen. Hij kon weglopen van een examen en niemand kwam vanachter een krant tevoorschijn om hem te arresteren. Hij was vrij! Hij had niet durven omkijken en was even bang geweest een andere leerling tegen het lijf te lopen, die hem natuurlijk zou vragen hoe zijn examen was geweest. Maar zodra hij een straat was afgeslagen, gleed alle spanning van hem af. Bijna alle spanning. Het was nog niet te laat. Hij kon nog terugkeren. Maar zijn benen gehoorzaamden niet. Ze brachten hem steeds verder weg van de muziekschool, steeds dieper de stad in, waar het leven al vollop op gang was. Onwillekeurig kocht hij een ijsje in een kraam en ging het opeten in de zon op een kade. Een toeristenbootje voer langs. Twee meerkoeten trapten naar elkaar in het water. Hij keek naar de toren achter zich. Zeven over tien. Als hij nu niet meteen vertrok, zou juf Marleen hem een onvoldoende geven. Dat had ze duidelijk gemaakt in haar mail. Wie meer dan tien minuten te laat komt, zonder vooraf te verwittigen, mag niet deelnemen aan het examen. En ook nog: Om deel te mogen nemen aan het herexamen in augustus, moet de leerling tijdig een geldig ziektebriefje kunnen voorleggen. Josse draaide zijn ijsje rond in zijn hand en likte de druipers op. Tot de volgende bus doolde hij maar wat rond. Hij ging een paar winkels binnen en keek naar het waar, zo nu en dan interesse veinzend als er een verkoopster naar hem toe kwam. Zogenaamd onopvallend. Zag hij er soms uit als een dief? Hij zat op een bankje, liep rond, zat nog wat op een bankje. Toen hij in een openbaar toilet een man met een saxofoonzak op zijn rug passeerde, sloeg hij de ogen neer en keek naar de grond. Met het wisselgeld dat hij van zijn moeder had mogen houden kocht hij een cola in een brasserie. Terwijl hij naar de mensen buiten op het terras keek, zag hij in de verte een magere jongen met zwarte krullen lopen. Hij kneep zijn ogen tot spleetjes. Toen de jongen breed glimlachend zijn hand naar hem opstak, wist hij het zeker. Het was Tristan. Vlug legde hij zijn gitaar op de grond, schoof ze onder de bank waar hij op zat en verzekerde zich ervan dat de riemen niet uitstaken. 'Kwam jij niet na mij?' vroeg Tristan, toen hij de brasserie binnenkwam. Hij zette zijn gitaar tegen de muur en nam plaats aan het tafeltje bij het raam. 'Waar is je gitaar?' 'Ik ben gestopt,' zei Josse. 'Gestopt?' 'Met les.' Tristan keek verbaasd uit zijn ogen. 'Wat vinden je ouders daarvan?' Josse haalde ze schouders op. 'Zo oneerlijk!' stootte Tristan uit. 'Als ik zou stoppen met gitaarles, als ik zelfs nog maar over stoppen zou beginnen, zouden mijn ouders mij vermoorden. Eerst mijn vader, dan mijn moeder. Stoppen? Geen optie bij de Wittoucks.' Tristans ouders waren allebei klassieke muzikanten. Toen vroeg hij: ‘Maar waarom ben je hier dan?’ De vraag overviel Josse. Maar voor hij iets kon bedenken, begon Tristan al over iets anders. 'Ik heb juf Marleen afgedroogd,' zei hij. 'Gewoon wat neo gespeeld en het mens at letterlijk uit mijn hand. Mijn vader heeft gelijk over haar. Ze is een uitstekende lerares voor kinderen. Ik denk dat ik haar ga ditchen. Wil jij nog iets te drinken?' Josse bleef in de brasserie tot Tristan weg was, waardoor hij zijn bus miste. De volgende kwam pas vijfentwintig minuten later, zonder meisje erop. In tegenstelling tot wat hij had gevreesd merkte niemand zijn laattijdige terugkomst op. In zijn kamer pakte hij zijn gitaar uit de zak, ging ermee op de rand van zijn bed zitten en speelde zo hard als hij kon, hopend dat ze daardoor beneden de televisie niet meer zouden horen.✦     Foto: Andrea Riondino  

Kenny De Thaey
5 0