Zoeken

DE AFKOPPELINGSDESKUNDIGE

Er was eens een jongen die van water hield. Hij woonde met zijn familie in een grote ivoren toren, in een klein dorp waar nooit wat gebeurde. Het leven was er goed en gezapig. Het land en de vrouwen waren vruchtbaar, de vakbonden tevreden en de kleine zelfstandigen hielden hun hoofd net boven water. Maar laat dat nu het enige zijn dat er niet in overvloed was: water. Er stroomde alleen een kleine beek door het centrum van het dorp, die geen begin- en eindpunt had, voor zover de jongen had gehoord, want hij was er altijd nieuwsgierig naar geweest. ‘Stel niet van die onnozele vragen!’ antwoordde zijn vader telkens, eerste minister van Belangeloze Zaken en Aanknopingspunten. ‘Je zou beter wat meer studeren, of denk je soms dat politieke kennis aan de bomen groeit?’ De jongen wist ook dat zijn vader verlangde, nee, ervan uitging dat hij in zijn voetsporen zou treden. Al zijn familieleden waren namelijk minister van iets. Maar hij voelde zich geen minister. Hij voelde zich vooral eenzaam in die ivoren toren. De toren was veruit het hoogste gebouw, hij leek uit de grond omhoog te rijzen, gedragen door Dorische verzuiling. Op de hoogste verdieping een enorm glazen plafond. Maar dat boeide hem allemaal niet. Hij had geen interesse in esthetiek, begrotingstekorten of oeverloze discussies over de overkapping van de ring. Er was niet eens een ring. Maar, zo had zijn vader gezegd: ‘Het is de taak van een minister om preventief te werk te gaan. Nee, hij verveelde zich steendood. Het enige dat hem interesseerde, was water. Dat was ook waar zijn talent in schuilde: het onderscheiden van verschillende soorten water. In één oogopslag kon hij regenwater naast water van de rivier herkennen. Hij onderscheidde stilstaand water van sterk water en kon bruiswater en spuitwater uit elkaar houden. Er was iets met water dat hem zin gaf. Niet alleen in de erotische zin van het woord, maar ook in de filosofische. Maar wat kon je nu met zo’n talent? De enige min of meer watergerelateerde carrièremogelijkheden waren beperkt tot minister van Weggegooid Badwater, preventieadviseur Bedwateren en minister van Adekwater Beleidvoering. Zoals alle protagonisten in een sprookje wilde hij wat graag op avontuur vertrekken, liefst naar de wijde wereld, hij had gehoord dat daar veel avonturen naartoe waren vertrokken en dat er geheid water aan te pas zou komen. Hij verzon een smoes om zijn odyssee te verkopen bij zijn familie. Omdat de regering altijd op zoek was naar aanknopingspunten, wist hij wat hen zou overtuigen, vooral zijn eigen vader moest hij overhalen. Hij had hen verzameld in de Zaal voor Zinvolle Vergaderingen, die hij met wat mazzel had kunnen reserveren via het daarvoor recent ontwikkelde online systeem, dat bijna altijd overbelast was door vergaderingen over het nut van zo’n online systeem. Gelukkig was hij goed met woorden en beschikte hij over een bijzonder gewiekst redeneringsvermogen, toch iets dat hij deelde met zijn ouweheer. ‘Vader, beste familieleden, ik heb besloten een grote taak op mij te nemen. Een taak die zo imminent en onoverzienbaar is dat waarschijnlijk niemand eraan heeft gedacht om ze op een to-do-lijst te zetten.’ Hoewel zijn vader zijn snor fronste, had hij toch oren naar wat zijn malle zoon kwam te zeggen. ‘Ik ga de wijde wereld intrekken, op zoek naar aanknopingspunten.’ Na deze woorden bleef het stil in het bescheiden publiek. ‘Stilte!’ riep zijn vader, die er een punt van maakte de dingen altijd te benoemen. ‘Waarom moet jij per se de wijde wereld intrekken? Denk je soms dat aanknopingspunten aan de bomen groeien?’ Er klonk twijfel in zijn stem. Een klein krakje, een nauwelijks hoorbaar toonverschil, maar het was genoeg om door iedereen opgemerkt te worden. En hoe bedreven zijn vader ook was in het stellen van retorische vragen – hij was zelfs regionaal kampioen geweest in zijn jonge jaren, waarbij hij menig tegenstander vragen voorschotelde die zodanig retorisch van aard waren, dat zijn uitdagers een anti-vervreemdingskuur moesten volgen bij een erkende levenscoach die gebaseerd was op een gewaagde combinatie van ademhalingstechnieken en havermelk – toch klonk zijn commentaar nu onzeker, en dat had alles te maken met het feit dat niemand eigenlijk wist wat aanknopingspunten waren, laat staan waar ze groeiden. Dat neemt niet weg dat de regering er wahnopig naar op zoek was. Zeker zijn vader, die de belangen ervan behartigde. Ooit had de minister van Voortdurende Legislatuur en Belangenvermenging met misplaatste trots het werk van zijn kabinetsmedewerker de hemel in geprezen, nadat deze in een stuk braakliggend industrieterrein een aanknopingspunt had gevonden, maar het bleek een wilde ethernetkabel. Het werd toen een heel mediaschandaal en de kabinetsmedewerker werd in zijn eigen kabinet opgesloten om nooit meer vrij te komen. Zijn vader had nog steeds niets gezegd. Iedereen wachtte bang af. Er stond duidelijk iets op zijn gezicht te lezen, alleen wist niemand wat. Gelukkig had hij niet door dat de queeste van zijn zoon naar aanknopingspunten een dekmantel was om op zoek te gaan naar water. De hersenpan van zijn vader was gloeiend heet van het denken. Aan de ene kant wilde hij zijn zoon na zo’n domme uitspraak die getuigde van blindheid voor alles waar ministers voor stonden graag stante pede defenestreren. Aan de andere kant echter, vond hij die beschamende overmoed van zijn eigen bloed zo onvergeeflijk, dat hij hem graag tegen de lamp zou zien lopen. Mede omdat het scenario van het defenestreren erg bemoeilijkt werd door de afwezigheid van vensters – hij overwoog bijna het glazen plafond. Maar wat als zijn zoon van die kale reis terugkwam? Dan droeg hij die schaamte mee en zou zijn eigen blazoen ook besmet worden! Dat kon niet gebeuren. Het is niet omdat hij minister van Belangeloze Zaken is, dat hij maar alles zomaar moet accepteren! ‘Zeg, dinges, zoon, ik heb er even over nagedacht.’ Maar toen hij opkeek, was er niemand meer. Iedereen was al lang iets anders gaan doen. Hij had daar meer dan een veertig minuten staan reflecteren en zijn zoon was al op avontuur vertrokken, zei een aangetrouwde tante, die net een paar witgewassen begrotingen uit de wasmachine haalde. Hij vouwde zijn lange puntbaard op, dat pleegde hij te doen ter ontspanning. Misschien is het zo slecht nog niet, dacht hij, nu kan ik Ontroerend Goed, wat in het toekomstige mandje van zijn zoon lag, aan mijn eigen mandje toevoegen. Het stemde hem gerust dat dit belangrijke thema niet door zijn zoon verprutst kon worden, maar tezelfdertijd maakte het hem mismoedig dat hij als vader gefaald had. Ach ja, dacht hij, dat is dan maar zo. De jongen was ondertussen al een heel eind verder, maar de wijde wereld was nog 233 kilometer rijden. Door een goede bewegwijzering op de autosnelweg kwam hij er tegen valavond eindelijk aan. Hij was helemaal niet doorweekt want het had niet geregend. Deurne-Centraal, las hij op een bordje dat niet officieel geplaatst leek te zijn geweest. Hij vermoedde dat het een aftands dorp betrof waar hij een bescheiden slaapplaats zou moeten bedingen, zoals het een avontuur betaamt, maar hij kwam in een mooie wijk terecht waar prachtige huizen stonden uit de fin de siècle. Alleen hing er wel een vreselijke geur. Hij besloot ergens aan te koppen omdat hij hongerig en slaperig was. Dit kon wel eens lang duren, wist hij. Hopelijk zou er uiteindelijk een brave ziel zijn die hem een bed en een voedzame maaltijd zou aanbieden. Terwijl hij op de bel drukte (want er was geen klopper) hij had zonder het te weten aangebeld bij een hippe bed and breakfast met nog enkele vrije plaatsen en bovendien een solide 9,3 op Tripadvisor. Viel dat even mee. Na een heerlijke nacht en een provinciaal ontbijt, ving hij de check-out iets op over geurhinder, ofschoon het niet geheel duidelijk was, aangezien de man die erover klaagde met een vreemd accent sprak en hij ‘heurginder’ zei, waardoor het leek alsof hij de vrouw bedoelde die enkele meters verderop een reismagazine stond te doorbladeren. ‘Er moet dringend iets worden gedaan aan die stank!’ bevestigde iemand anders. Alle omstaanders knikten. ‘U moet de afkoppelingsdeskundige roepen!’ bulderde nog iemand. Ze leken allemaal hun verontwaardiging te richten aan het adres van het personeel. De jongen besloot zijn licht op te steken bij de menigte. ‘Excuseer, ik ben hier nieuw en ik ben hier misschien ook maar tijdelijk, maar ik kom uit een dorp waar nooit wat gebeurt en ben dus maar op avontuur vertrokken. Is er iets waarmee ik kan helpen?’ Er trok een sarcastische glimlach door het gezicht van de man met het accent. Omdat niemand van de ondertussen tot een kleine massa aangegroeide menigte reageerde, zei het meisje achter de balie dat ze heus begrip had voor de mensen van Deurne-Centraal die misnoegd zijn over de stank, maar dat haar handen gebonden waren. De jongen maakte haar los, maar dan nog kon ze niets veranderen aan de situatie. ‘De enige afkoppelingsdeskundige is buiten strijd, er is gewoon geen aanknopingspunt!’ Had hij had goed gehoord? ‘Sorry, maar wie of wat is een afkoppelingsdeskundige?’ Hij stelde blijkbaar een erg moeilijke vraag, aangezien een tiental mensen dat snel aan hem wilde duidelijk maken maar niet verder kwamen dan ‘euh, wel… dat is… nu ja…’ Tot er plots iemand van achteraan gilde: ‘Dat is iemand die de kak van de regen kan scheiden!’ ‘Ja, daarmee is het in feite gezegd’, gaf de medewerkster toe. ‘En die is, door het ontbreken van aanknopingspunten in een serieuze depressie gesukkeld en ligt hier nu al een maand of twee met een burn-out in een van onze kamers. En zoals ik zei: er is maar één deskundige. Er zijn genoeg afkoppelingsamateurs, afkoppelingsdebutanten, afkoppelingssemiprofessionals en afkoppelingsassistenten, al dan niet op rust, maar geen deskundigen. De jongen krabde aan zijn oorlellen en dacht diep na. Daar nam hij zijn tijd voor. Negentien uur en zeventien minuten om precies te zijn, en dat viel niet in de smaak bij al die mensen, die ondertussen dringend naar het toilet moesten en honger en dorst hadden gekregen. Maar het loonde de moeite: hij had een aanknopingspunt gevonden! En het lag de hele tijd zomaar voor het oprapen. Het voelde vlezig en warm, had een mauve kleur en een grillige vorm. Er stonden enkele weerbarstige haren op. ‘Ik heb een aanknopingspunt gevonden’, sprak hij bedachtzaam. ‘Ik zal de nieuwe afkoppelingsdeskundige worden, ik ken alles van water.’ Hij vermoedde zware tegenstand en vitriool, maar zijn woorden werden op luid applaus onthaald. En zo geschiedde: de jongen scheidde in een recordtempo het riool- van het regenwater en gebruikte verschillende aanknopingspunten en wat Tec7 om alles goed af te dichten. Bovendien vond hij eindelijk de bron van de rivier die door zijn dorp stroomde en werd hij gepromoveerd tot waterdeskundige. Hij sprak met zijn oeverloze en peilloze kennis over water en zijn verfrissende charisma de troebele geesten van de jeugd aan, die op hun beurt massaal afkoppelingologie of algemene deskundigheid gingen studeren. Velen combineerden die echter in hun masterjaar en bijgevolg is nu bijna iedereen afkoppelingsdeskundige. Er is echter nood aan een politiek systeem. Er is nood aan ministers. Aldus ging men weer op zoek naar aanknopingspunten.

Lennart Vanstaen
44 2

Brooddronken, deel 2 hoofdstuk 5

5In de Groeningekaai is het rustig. Het is ongeveer tien uur en Marjolein maakt eindelijk aanstalten om de dag te beginnen. Vandaag is de eerste dag sinds voor Kerstmis waar Reginald niet als een koning uit zijn zetel regeert, de vliegenmepper als zijn scepter tegen de zijkant van zijn fauteuil slaand. Marjolein denkt er aan om haar schoondochter op te bellen. Ze kon het op het kerstfeest best wel vinden met Célestine en ze heeft het gevoel dat dat best wel wederzijds was. Het telefoonnummer verkrijgen zou niet moeilijk zijn, Billy zou haar dat wel geven. Tobbend zit ze op het bed, twijfelend of ze nu wel of niet die stap zou zetten. Dan beseft ze opnieuw dat Reginald de touwtjes strak in handen heeft. Zelfs al zou ze kunnen bellen, zoiets verberg je niet. Zeker niet voor een man die zijn post rechtstreeks van de postbode krijgt, in het postkantoor, en ter plekke de telefoonrekening uitpluist naar nummers die er niet zouden mogen in staan.Maurits krabt aan de deur. Nog zo’n probleem dat voor verdere situaties kan zorgen. Iemand heeft de trapdeur laten open staan – de accordeondeur die de leef- van de slaapruimtes onderscheidt. Hoogstwaarschijnlijk is het Reginald zelf, die subtiel de deur open laat waardoor licht zichtbaar is tot op de muren van hun slaapkamer, om toch maar Marjolein uit haar slaap te wekken. Aan de andere kant is het nooit Reginald zelf, zelfs al is het Reginald die de deur openlaat, want hij verplicht steevast de andere huisgenoten die deur te sluiten, en hij maakt geen fouten.Marjolein verlaat het bed en waggelt naar de deur. Het is best mogelijk dat Reginald de dunne klauwmarkeringen van Maurits nog over het hoofd ziet, of er gewoon niet op let, maar als Maurits in het bed geraakt en de immer muitende kat er zijn stempel achterlaat in de vorm van fijne rosse haartjes, dan zullen de poppen wél aan het dansen gaan. Het is dus zaak voor Marjolein om zo snel mogelijk de slaapkamer uit te zijn, voordat Maurits zijn kans schoon ziet en langs haar naar binnen kan schieten.Dat lukt haar wonderwel. Weer iets om van de lijst te schrappen. Volgende taak is het terug verbannen van het fonduestel naar “het kot” en daarna haar Flair Kerstspecial verder uitlezen in de steevast krakende bruine lederen zetel. Ze maakt zich zorgen. Ze maakt zich zorgen over haar zoon Billy, die wellicht nu de strapatsen van zijn vriendin moet verdragen, omdat hij haar niet genoeg had gewaarschuwd voor de bruut die Reginald blijkt te zijn. Ze maakt zich zorgen over Jimmy, die haar al in vertrouwen had genomen en had gezegd dat hij dit echt niet ziet zitten, om die job tot het einde van zijn dagen uit te voeren, een einde dat wat hem betreft wel eens vroeger dan later mag komen. En ze maakt zich zorgen over de staat waarin Reginald zal terugkeren. De periode die aanbreekt is immers die van de dreupels, de flessen cognac die Reginald op ronde zal krijgen als beloning van weer een jaar puik werk – of als onderpand voor het komend jaar, opdat hij zich afdoend van zijn taak zal kwijten – en het drinkgeld waarmee hij zich weer een ferm stuk in de kraag zal drinken. Ze denkt terug aan vroeger, toen ze nog samen met haar ouders en haar zus Zulma Martha en de tweeling Eufrazie en Eulalie de Middenstand in de Lange Steenstraat uitbaatte en feestdagen nog een bron van plezier waren, in plaats van de oorzaak van veel verplichte miserie, jaar in, jaar uit.Eén van haar taken is het uitkiezen van het middagmaal. Haar oog viel op de half met ijs bedekte dozen met macaroni met kaas en ham van Bistro Diner. Bistro Diner is nu al een tijdje van naam veranderd en de houdbaarheidsdatum is bedekt met ijs, maar toch kiest Marjolein de macaroni. Immers, dat wordt toch niet slecht in de diepvries, denkt Marjolein, ook stamt de diepvries uit de jaren zeventig.De voormiddag gaat voorbij. De macaroni staat op de radiatoren te ontdooien – dat scheelt alweer wat tijd in de microgolf. Marjolein zelf houdt het voor deze middag op een boterham met stierenboter en een roerei.

Miguel
5 0

Roos

Hij volgde met zijn vingertoppen de diepe nerven van de eikenhouten tafel. Zijn nagels waren vergeeld, de muis van zijn hand bedekt met levervlekken, de levenslijn in zijn palm onderbroken. Hij had geleefd. Hij vroeg zich even af waar de groef hem naartoe zou leiden, maar hij wist het antwoord al. De enige weg die er was, was de weg terug. Sentimentaliteit was hem niet vreemd. Hij kon dwepen met zijn roemrijke verleden. Ja, dat was toen. Hij streelde met zijn vereelte vinger over de weg van de rand naar niemandsland. Een fijne, netjes gemanicuurde hand greep zijn schouder beet. Of hij zin had in een snelle wip? Ze ratelde haar menu en haar tarieven af als een automaat. Met condoom, zonder. Werd dat tegenwoordig nog gedaan zonder? In zijn tijd werden de beste momenten slechts een enkele keer overschaduwd door een of andere venerische ziekte waar zijn huisarts wel een middeltje tegen had. Of die ene keer toen hij een pak briefjes van honderd op de tafel gooide voor de abortuskliniek. Dat de vrucht die zonder liefde werd gemaakt, zonder wroeging werd afgedreven, was iets waar hij niet langer dan een seconde bleef bij stilstaan.  Hij had geen zin in een snelle wip, maar de kracht der gewoonte deed hem in zijn broekzak graaien. Een pijpbeurt met condoom kon hij nog net betalen. Dan moest hij geen kamer huren, dat kon nog net onder het schamele afdakje waar de cafébazin het leeggoed bewaarde en waar de slijter in het verleden al meer dan eens zijn kwakje in een zakje tussen de flesjes cola moest hebben gevonden. Hij was dat waarschijnlijk al gewoon. Net als Roosje, zijn ex, die jarenlang bij Zara op de Meir had gewerkt totdat dat vuile kankerbeest haar uit de confectie en zijn leven had gerukt.  Roosje had menig koppeltje in innige omhelzing uit het pashokje weten strompelen. Dan wist ze: die zijn verliefd en hebben elkaar passioneel gezoend. Dat volstond, omdat de avond nog veel voor hen in petto had. Maar als eerst de man nonchalant met een truitje uit het pashokje dook en zich er haastig vanaf maakte met een weifelende beweging van het hoofd die zowel ja als nee kon betekenen op de vraag of de maat goed was, wist ze dat de vrouw ongemakkelijk met een papieren zakdoekje het zaad van tussen haar benen aan het deppen was. Pashokjes van Zara: soms kreunen ze van de passie, maar nog vaker van ellende. Wie het thuis niet vond, vond het zeker niet achter de damasten blauwe gordijnen met zilverkleurige ringen die altijd met volle geweld de wereld van de uiterlijke schijn dienden werden ingeschoven. Roosje en hij deden het nooit in de pashokjes van Zara op de Meir. Overal, maar niet daar. Daar had ze een grondige hekel aan. Waarom Roosje bij Zara was blijven werken, had hij nooit begrepen. Het was een komen en gaan van verkoopsters die de Spaanse keten geen warm hart toedroegen en de winkel zagen als hun persoonlijke dressing. Zo koos Lara elke donderdag haar outfit: ze feestte tot in de vroege uurtjes en hing vrijdagmorgen rond tienen de door rook en alcohol doordrongen feestkledij nonchalant bij de retours. Dat de andere verkoopsters geen argwaan koesterden, kon er bij Roosje niet in. Roosje, te goed en te vroeg heengegaan. Lara kon goed pijpen. Dat kon ze wel, maar voor Zara had ze geen respect. Wat haar naam was, en of ze echt zonder condoom pijpte? Dat moest ze echt niet doen. Daar kan je van sterven, weet je wel? Seks kan dodelijk zijn, op den duur. Hij kwam, schokkend. Roos - want zo heette ze - schrok ervan. Dat zo een ouwe vent dat nog met zoveel poeha kon, had ze niet verwacht. Ooit had hij vijf vrouwen aan elke vinger. Dat wist zij niet, maar hij was dat niet vergeten. Dat doet ouderdom met een man. Vroeger zou hij haar de briefjes van honderd naar het hoofd hebben gegooid, maar met de jaren kwam ook de compassie. Roosje zat daar voor iets tussen. Na haar korte en verloren strijd tegen die verdomde kanker, was hij beginnen beseffen hoe broos het leven was. Sindsdien praatte hij ook altijd even met de meisjes. Zo vertelde Roos dat ze een vreselijke jeugd had gehad. Haar moeder had haar op haar zestiende gekregen, een vader was nooit in beeld geweest en de potentiële vaderfiguren die 's morgens om beurten naast de toiletpot pisten, kwamen sneller dan ze bleven. Zij was er gekomen nadat de zoveelste een pak briefjes van honderd op de tafel had gegooid en had geroepen: "Voor de abortuskliniek." Haar moeder had de huur ermee betaald en er een wieg mee gekocht.

Véronique Scheyvaerts
38 2

Daarvoor moet je gelukkig zijn

Gelukkig ben ik er niet van geworden van ’s nachts met een bootje varen. Natuurlijk niet. Geluk hangt niet af van dergelijke kleine dingetjes. Daarvoor moet je gelukkig zijn. Maar ik heb wel gelachen. Dus ja, misschien was het inderdaad een goed idee van ons Saartje. Ik houd nochtans niet van haar ideeën, nooit gedaan, zeker niet als ze van mij verlangen om gezellig mee te doen. Is het niet genoeg dat ik elke dag geconfronteerd moet worden met pijnlijk opgewekte huisgenoten. En maar babbelen en tetteren. Over wat eigenlijk? En al die vragen? “En wat ga jij doen vandaag, Geertje? Heb jij die toets voor Frans ook vandaag of heb je die morgen? Ik heb goed geleerd, ik kan het.” Saartje kan altijd alles. En ik ook wel, denk ik, maar veeleer per ongeluk. “Dat jullie samen in mijn baarmoeder gezeten hebben,” zegt mama wel eens, “Jullie zijn nog erger dan ying en yang. Zo verschillend.” En dat is ook zo. Zo blond en irritant breed lachend Saartje is, zo… zo… anders ben ik. Als papa niet zo nukkig kon zijn, zou ik denken dat ik een andere vader had dan haar. En mama? Saartje is mama. Naïef en altijd blij. Nochtans is mama degene die elke ochtend een pilletje neemt. Niet papa. Die gromt zich meestal door de dagen. Net zoals ik. Maar papa is bijna nooit thuis. De idee om met een bootje te gaan varen in het donker was natuurlijk van Saartje, dat had ik al gezegd. Ze kwam het me vertellen, net toen ik buiten onze bungalow stiekem een sigaretje stond te roken. Ik moest wat bekomen van al dat vermoeiend blije aan tafel bij het avondeten. Zelfs papa, zelfs papa was opgewekt en had al twee keer zijn favoriete mop van een grote papagaai die nootjes wil, verteld. Fucking hell! Iemand zou voor minder naar een sigaret grijpen. De eerste keer had ik nog de moeite genomen om te lachen, daarna kon hij voor mijn part de boom in. Bij de derde trek aan de troost die ik mezelf gunde, verscheen Saartje van achter het hoekje. Ik schrok mezelf een ongeluk en hoewel Saartje wist van mijn stiekeme sigaretjes, verborg ik haar instinctief achter mijn rug en duwde haar uit tegen de bast van een den. “We gaan varen in het donker, Geertje, goed idee, eh! Papa gaat ook mee.” “Fijn, zeker. Ik heb net mijn beha uitgedaan en een gemakkelijk T-shirt aangetrokken. En ik wou dadelijk douchen.” “Doe je toch snel weer aan. Zo gefikst. Of niet. Dat merkt toch niemand met die dikke jas.” “Ik heb eigenlijk geen zin. Ik wil liever gewoon op bed liggen en naar muziek luisteren.” “Dat heb je gisteren al gedaan. Kom nu. Varen in het donker is toch spannend.” “’t Is maar wat je spannend vindt.” “Echt. Het wordt leuk. Beloofd.” “Het is al goed. Ik ga wel mee.” Anders zou ik nooit van haar gezaag af geraken, dacht ik. Om het hoekje verscheen nu ook het hoofd van mama. Toch goed dat ik mijn sigaret gedoofd had. “Kom we zullen eerst samen snel de afwas doen en dan vertrekken we. Komt Geertje ook mee?” “Ja-a, ik heb al ‘ja’ gezegd net.” “Joepie!” riep Saartje en ze gaf me een knuffel. Altijd die knuffels. En dus was ik meegeweest. In dat bootje. In de ijzige wind. En heb ik gelachen om papa’s mop van twee bananen op het strand, of eigenlijk meer met zijn hoestbui zodat de clou in stukjes en beetjes uit zijn strot kwam. Papa was grappig en daar moest ik een foto van nemen. En iedereen moest lachen omdat ik er een foto van wilde nemen. En ik heb ook gewoon gelachen. En geglimlacht, bij de stilte op het einde van de boottocht. Toen iedereen uitverteld was. De koude nacht vroor niet alleen letterlijk, maar ook het uitzicht leek te bevriezen, en mijn hoofd. En het geluid. Het geklop van de motor viel bewegingloos neer. Klop na klop. Saartje had gelijk gehad. Dit was leuk. Ik had hen allemaal willen vastpakken en zo samen willen bevriezen. Nu hebben Saartje en ik onszelf net ontdooid in de gloeiend hete waterstralen van een lekker lange douche, terwijl mama en papa dicht tegen elkaar aan kropen in de sofa. Samen in de douche, had Saartje gezegd, hoe lang was dat geleden? Maar het was erover. Van het goede te veel. Walgelijk gewoon.

Hans Van Ham
14 0

De lucht tussen mijn vingers

Alleen nog in mijn helderste dromen zag ik je, al lag je elke nacht naast me. Soms zag ik je van dichtbij, soms van ver. Maar nooit was ik er zelf bij. Eens zat ik op een terras, al bestond ik niet, en jij stond op het strand met je rug naar mij, zo ver weg dat je tussen mijn vingers gezien nog een halve centimeter was. Dat was alles wat ik nog van je kon krijgen, wat ik zag in de lucht tussen mijn vingers.  Je maakte praatjes met voorbijgangers die bij je gingen staan om mee te kijken door jouw ogen. Ik wist dan dat je niet de horizon zag, en niet de zee. Maar wat je wel zag was niet om met mij te delen. En dat was wanneer ik wist dat ik verloren was. Van pure wanhoop werden mijn dromen zo helder dat ik zelfs jouw dromen in de mijne begon te zien. Maar zelf zou je ze nooit meer met mij delen. Mijn best mogelijke leven zou door iemand anders geleefd worden.  Zelfs mijn ogen van dichtbij in de spiegel, en het vlees achter mijn oogleden leek al van iemand anders. De kleedjes waar je me zo mooi mee vond, al vond ik toen van niet, passen me nu niet meer.  Vanmorgen reden we samen naar Rijsel waar je de trein zou nemen naar je tweede leven.  Ironisch hoe zacht en windstil het was in de stad. Terwijl de trein nog een uur zou wachten op het einde van ons twee dronken we op een terras in de zon elk een verschillend bier dat we niet kenden. Een residu van hoe we als koppel waren geweest. We namen nog een foto samen, en al zou ik je op die foto nog lang nakijken, je was al lang niet meer bij mij. Ik ging nog mee om je te zien van me weggaan, terwijl je me zou uitzwaaien. Het was alsof ik het was die vertrok, ik moest van je weg, jij moest niets en was vrij. Ik had als kind geleerd om pijn te doorvoelen terwijl het zich voordoet, dat alles dan sneller voorbij gaat. De spetters op je schouder had je niet gevoeld. Dat mijn mascara uitgelopen was zou ik pas later zien in de spiegel van een toilet voor magere dwergen. Je straalde. Je had al eerder moeten vertrekken en je moest al jaren terug zijn. De reizen die we intussen al hadden kunnen maken, samen. De keren dat we erover hadden kunnen vertellen ‘s avonds, als was het een van de vele kleine herinneringen die we zouden gevonden hebben tussen de sterren en een fles wijn.  Ik liep terug de stad in, op zoek naar wat nog van ons rest. Ik passeerde het terras waar we voor de laatste keer samen hadden gezeten. Onze glazen stonden er nog, leeg, enkel opgedroogd schuim hield zich nog vast aan de binnenkant. Ik moest denken aan het zeeschuim rond onze voeten, op een van onze beste dagen. Het lijkt wel vier levens geleden.  In stoffige vensters van gesloten nachtwinkels, waar ik over mijn schouder mezelf zocht, zag ik hoop. In het dubbel glas zag ik mijn randen twee keer. Mijn huid liep als vloeibaar goud uit die donkere diepte. Het kon in gelijk welke vorm gegoten worden. Het beeld was vaag, maar het was waar ik mee verder kon, en werkelijk alles was mogelijk, maar niet meer met jou.  Ik wandelde door straten die ik niet herkende, om zo snel mogelijk te verdwalen. Om me te verstoppen voor een gevoel dat me achterna zat. Langs de asgrijze stenen van een eeuwenoude kerk voelde ik je restwarmte. De warmte die mijn ziel op temperatuur zal houden voor de rest van mijn leven. De warmte die ik gevoeld had alle keren dat je me verteld had over wat lang geleden is ontstaan, en over vele zekerheden. Zoals Griekse mythes, kansberekening, elektronen en logaritmes, en de mensen rond me leken als ontsnapt uit je verhalen over de Romeinen. Als onderzoeker dacht je in het engels, want het was ‘the language of science’. En voor alles wat ik opmerkte, had je een engelse term. Daar was ik zo wild van omdat het voor mij ‘the language of poetry’ was. Het gaf mij een draagvlak om te dromen over een poëtisch leven. Dat leven heeft me intussen gevonden en ik leef alsof ik in verbinding sta met een versie van mezelf die alles observeert vanuit de hemel. I look at clouds from both sides now. Ik zie helder hoe fouten gemaakt worden, hoe aanstekelijk ze zijn en hoe ze ons als mens typeren, in alle lagen van de bevolking. En hoe het ene leven voor het andere opgeofferd wordt, of je het nu wil of niet, zelfs binnen één en hetzelfde leven.  De bewondering die ik voor je bewaarde was groter dan wat ooit gebouwd of ontdekt werd. Je had me nog zoveel te vertellen gehad, als je had geweten hoe belangrijk dat voor me was, als ik je maar één keer had laten voelen hoe belangrijk jij voor me was en als je jezelf niet had verloren in alles wat je voor ons had gedaan. Ik zou mijn eigen bestaan ongedaan gemaakt hebben, mocht dat jou sneller tot jezelf gebracht hebben.  De kerk beschermde me tegen de wind die in de smalle straten ontstaan was door de wet van Castelli. Je had me veel geleerd, maar vooral had je me leren zien wat ik zelf kon. Een plotse leegte, een verschroeiend vacuüm. Ik voelde tranen van onder mijn zonnebril lopen, zweet over mijn wangen. Had je nu bij me geweest dan had ik ons doen stilstaan en je tegen de kerk geduwd, je roze wangen in mijn handen gelegd, je gekust, je schouders gevoeld, in dit moment dat van ons had kunnen zijn, maar niets was ooit van ons geweest. We hadden nooit iets anders gedaan dan alles achterna lopen. Als je ooit terug bij me bent, dan is alles van ons, voor altijd, en als altijd geweest.  Op een rokersterras bestelde ik een trappist tegen de uitdroging. En ik kreeg die, na een tijd waarin ik je had kunnen vragen om alles over te doen, al zou er niets veranderen en zou ik hier terug belanden na 15 jaar, om mijn falen gepresenteerd te krijgen als een donker kasteelbier, in een vreemd glas, zonder schuim, terwijl iemand op het tafeltje voor me mijn Westmalle Trippel kreeg. Ik dacht aan de kookprogramma’s waar we naar gekeken hadden, de jaren voor de kinderen er waren. En alle kritiek die we riepen, als voetbalfans bij voetbal op tv. Ik had nog kunnen wisselen, maar ik zweeg en nam een slok van wat voor me stond, om de krop in mijn keel door te spoelen, samen met alle mogelijke scenario's.  Ik heb vandaag heel de stad gezien, als was het onze tijd samen. Ik heb de eerste stenen gezien en ik heb lichten zien aan- en uitgaan tegen de avond. Opweg naar huis kreeg ik zin om van ons huis een paradijs te maken en ik maakte plannen voor morgen.   

Fanny Wildemeersch
76 2

Urenlang

Urenlang staarde hij voor zich uit in de hoop dat de woorden komen zouden.In rijen van tien,drie dik,woorden in zinnen,alinea's in bladzijden,hoofdstukken in bundels,in één gargantueske gulp van grenzeloze grandeur,geschreven als door God Hemzelve,gelezen en goedgekeurd door de Zoon,de Maagd Maria en de Heilige Geest,Amen.Wat kwam waren niet de woorden gegoten in de volgorde van de perfectie,maar de wezenloze waas van de wanhoop,tastbaar als een mes in de rug,als een van de tering wegrottend been in Middeleeuwse tijden,nog voor Copernicus de wereld rond verklaarde ,en anesthesie nog gewoon anaisthesia heette en bestond uit het wachten op een door Hades zelf ingegeven einde van het bewustzijn.Het verliezen van het bewustzijn op een houten tafel omringd door zelfverklaarde mensenslachters en snijgrage barbieren,gewapend met ijzeren tuig dat niet mis zou staan op het slagveld,het leek hem een welkome afwisseling op het schier eindeloze,quasi-lucide schermstaren,achtervolgd door de Griekse God Cursor,immanente God van de Twijfel.Nu verteerde slechts dat,de twijfel,hem.Wanneer men in middeleeuwse tijden een van je beider benen van de rest van je corpus ging scheiden was je tenminste nog zeker van de uitkomst.Een plus een was ook toen al twee.Je brein,tegenwoordig van geest als het altijd al was,zou zich neerleggen bij de situatie,twee min een is immers ook nog altijd een en beter dan geen.Zo simpel was het leven toen al.Maar hier was niks simpel.Zelfs het zachte tikken van de klok leek moeite te kosten,iedere tik afzonderlijk geconcipieerd en individueel onthoofd,elk uur verdeeld in bloed, zweet, en tranen.

runoffthemill
13 0

Haar onvoltooide

“Het gaat niet goed met haar, Tristan, ze is plots erg ziek geworden en is opgenomen in het ziekenhuis. Jouw overkomst zou ze erg op prijs stellen”“Ik boek meteen een ticket, Harold.”Terneergeslagen leg ik de telefoon neer. Wat is haar overkomen?  Inmiddels beroemd, maar steeds haar eenvoudige zelf gebleven, was zij het die in mijn talent bleef geloven. Dat ik vandaag op vele podia sta, is aan deze muzieklerares te danken. Onlangs vertelde zij mij dolenthousiast over de opdracht die ze van het Concertgebouw kreeg om een pianoconcerto te componeren.Iets later brak brand uit in haar appartement in de stad. Gelukkig kon ze zich tijdig veilig stellen, samen met Bas, haar lieve labrador.  Alles werd vernield. Van haar vleugelpiano bleef geen spaander over. Toen haar echtgenoot nog leefde, hadden ze die samen uitgekozen. “Mag het die Bechstein zijn, lieverd?”Onvermoeibaar kreeg ze door haar aanstekelijk optimisme met de hulp van vrienden snel een nieuw pand, meubels en een piano aangeboden. Ze had zich meteen terug aan het werk gezet. Toen ik haar laatst zag voor ik naar het buitenland vertrok, werkte ze aan de finale van het concerto.Op de spoedafdeling kijkt ze mij glimlachend aan: “Je bent er, Tristan. Wat goed. Luister, ik ga het niet lang meer trekken, dat voel ik. Mag ik twee dingen vragen? Kan jij zorgen dat Bas weer een goede thuis krijgt? Ik worstel nog met de slotakkoorden van mijn concerto. Wil je Harold verzoeken om het af te maken?” Ik stel haar gerust en zeg dat ze het binnenkort zelf wel zal afwerken.De dag nadien overlijdt ze. Bij de première van het pianoconcerto krijg ik te horen dat ik de enige erfgenaam ben van de rechten op haar ganse oeuvre.

Vic de Bourg
17 3

Dialoog tussen een anus en een stoma

Haspengouw, voorjaar 2023 De lentezon stijgt ter kimme als de Heiland omringd door stralenkransen. De bloesems van appel- en perenbomen overheersen de Haspengouwse heuvels als een tapijt in roze en witte tinten. Scholieren trekken in korte broek de straat op, terwijl de zon in hun bleke kuiten bijt. Tieners lachen en vrijen achter heggen met frisgroen gebladerte. Boeren bezaaien hun akkers, burgermannen maaien hun grasperkjes en te midden van deze bedrijvigheid – bijna onopvallend in het geheel der dingen – bemest een doodeenvoudige anus de haartjes rond zijn kringspier. It’s a dirty job, but someone’s gotta do it. Zijn buurman – een jonge stoma – kijkt werkloos toe. Lachrimpeltjes verschijnen rond zijn roodbruine mond, alsof hij wacht op een kans om de anus te vernederen. “Zeg anus.” De anus zucht, een nauwelijkse hoorbare wind stijgt op uit de vallei tussen zijn billen. “Herinner je jou nog die vakantie vorig jaar, anus? In Bristol, op het strand?” De anus laat zijn meststroom trager vloeien. “Hoe kan ik dat vergeten…”, sist hij. “Sjongejonge, was me dat een zicht!”, zegt de stoma, “De godganse dag lag ons baasje met zijn gat – met jou dus – in de lucht, de randen van je hol ingesmeerd met een factor 5.” De anus knijpt zijn kringspier dicht. Zijn billen worden rood van woede. De vernedering is nog even tastbaar als de dag van gisteren. Maar de stoma ratelt door. “Ik begrijp je wel hoor, anus. Je hebt een perineum om U tegen te zeggen! En je was aan het trainen voor het EK Bilnaadbruinen in Bristol.” “WK!”, snauwt de anus. “WK, EK, BK … Maakt het uit? Feit is: Je bent nog jong. Beschouw het als een eer dat je mocht deelnemen.” De anus draait zijn mesttoevoer dicht. “Ik kon goud winnen”, zegt hij, “als jij me niet zo nodig te kakken moest zetten.” De stoma grinnikt, luchtbelletjes ploppen uit zijn gat. “Wel, wel. Denk je nog altijd dat het mijn schuld is” De anus ontspant zijn kringspier, opent zijn hol en blaast een weeklacht van jewelste de wereld in. “Het was een zegetocht!”, zegt hij en gooit bij gebrek aan handen zijn aambeien in de lucht, “De ene concurrent na de andere verbleekte in de schaduw van mijn glanzende bruine anjer. Daar stond ik dan in de finale, oog in oog met de gebleekte reet van Kourtney Kardashian, die zo mooi contrasteerde met haar mokkabruine bilnaad. Toen ik onder haar vagina de contouren van een beginnende mee-eter ontwaarde, kon ik de overwinning al ruiken. Maar jij, jij voelde plots ‘de hoge nood’ opkomen. En de rest … is geschiedenis.” “Ik heb het je al duizendmaal gezegd, beste buurman. Stoma’s hebben geen controle over hun ontlasting.” “Alsof je het zo erg vond, dat ik daar in de shit stond.” De stoma gniffelt. “Ik geef toe dat een beetje leedvermaak me niet vreemd is”, zegt hij, “Maar hoe zou je zelf zijn als je buurman en partner in crime met alle aandacht gaat lopen. Niet enkel op de dag van de wedstrijd, maar ook tijdens de trainingen op het naaktstrand. Jij lag open en bloot voor de ganse wereld, terwijl ik – die al het vuile werk van jou overneemt – de ganse dag platgedrukt op de grond lag, mijn hele mond vol zand.” De anus fronst zijn bilnaad, want een wenkbrauw heeft hij niet. “Jij moet me geen les geven in vernedering, stoma.” “Beschouw het als een les in bescheidenheid”, zegt de stoma, “Wees dankbaar. Dankzij mij kan je jouw leven aan topsport wijden en relatief strontloos door het leven gaan. Behalve die ene keer in het voorjaar , want die aarshaarwortels voeden zichzelf niet.” “Ik was al een professional voor jij op de proppen kwam!”, roept de anus, “En als ons baasje twee jaar geleden zo stom niet was om die slecht doorbakken kipfilet te vreten, dan was ik nu kampioen en kon ik mijn gazon bemesten zonder het gezeur van een eigenwijze stoma rond mijn kop. Maar nee, hoor! De dokters wilden koste wat het kost een stoma plaatsen, want anusje was ziek, anusje had rust nodig. En de stoma zou daarbij helpen. Helpen!” Hij spuugt het woord uit als de restanten van een Thaise curry. “Voor mij ben je zelfs geen noodzakelijk kwaad, stoma. Je bent een parasiet, geboren uit mijn vernedering. Onthoud dit goed: Als ik beter ben, dan is het gedaan met jou. Dan vertrek je naar je finale bestemming: het stort. Dan kan je wegkwijnen tussen baxters, luiers en injectienaalden.” De anus draait zijn mesttoevoer terug open en buigt zich over zijn aarshaartjes, hopend dat de buurman zijn lesje heeft geleerd. Maar de stoma rukt zijn stomazakje af en spuit geelgroene druppels recht in het schijthol van de anus. “Hoe durf je?” roept de anus. “Ik zei toch dat ik mezelf niet in de hand heb.” De stoma lacht en trekt zich terug in zijn onderhuidse hol. De anus blijft achter op de rand van zijn haarperkje. Stomaklodders branden gaten in zijn mooie, bruine gazon.

Pieter Van der Schoot
3 0

De zonde bril

In de lente van 2019 verbleef ik een aantal nachtjes op het Indonesische eiland Gili Trawangan. Een eiland met een schoon en wit strand, in een kraakhelder stuk oceaan. Mijn baan als marketeer bij een snelgroeiende startup in Utrecht had ik opgezegd. Als 21-jarige was ik namelijk niet tevreden met mijn leven als fulltime werknemer. Mijn vriendinnen waren immers de hele dag dronken, brak en vooral vrij. Dat laatste wilde ik ook dus boekte ik een reis naar Indonesië.  Op het eiland waren er alleen fietsers, wandelaars of paard en wagen wat het erg idyllisch maakte. Ik had een hostel geboekt waar ik vanaf de haven van het eiland naartoe kon lopen. Het hostel heet Gili La Boheme en iedereen liep op blote voeten. Het meubilair was erg kleurrijk en er hingen hangmatten in de binnentuin. Dit maakte het erg knus en intiem. Het mooiste? Er was er geen luxe, maar de gezelligheid maakte het comfortabel. Bij aankomst werd ik door een klein Indonesisch meisje naar mijn kamer geleid. Toen ze de deur voor me opendeed zag ik één tweepersoonsbed en één eenpersoonsbed. Het tweepersoonsbed was duidelijk beslapen want de lakens lagen rommelig op het matras en rondom om het bed lagen her en der wat spullen verspreid zoals een camera en een oplader. Prima vond ik, dus ik legde mijn backpack op het eenpersoonsbed. Het bed stond naast een raam en in het vensterbankje lag een zonnebril en met een fles zonnebrandcrème ernaast. De fles zat onder het zand en aan het tuitje kleefde hard geworden restjes crème. Duidelijk vergeten door de vorige backpacker. Leuke zonnebril, dacht ik.  De volgende ochtend raakte ik aan praat met een groepje andere backpackers. Mijn kamergenoot zat ook in dit groepje. Een Noorse jongen met een grote bos blonde krullen. Hij was een kop groter dan ik. Hij reisde alleen en was al een nachtje eerder aangekomen. Hij had een vrij norse uitstraling en was altijd een beetje chagrijnig en kortaf, maar hij vond het wel leuk om mee te gaan met de groepsactiviteiten. De dagen daarna bracht ik door met mijn nieuwe vrienden en zijn we wezen snorkelen, hebben we een pub crawl gedaan en deden we in de avond kaartspelletjes in de binnentuin van het hostel. Het waren magische dagen vol zon, strand en drank. Na vier dagen besloot iedereen verder te reizen en was het tijd om in te pakken en afscheid te nemen. Toen ik mijn backpack op het eenpersoonsbed legde en ik de laatste spullen in mijn tas probeerde te proppen viel mijn oog weer op die zonnebril in de vensterbank. Ik blies het zand eraf en ik stopte hem in mijn tas. ‘’Zonde als niemand deze meer gebruikt’’ dacht ik. De zonnebrandcrème met het vieze tuitje liet ik natuurlijk staan.  De groep had zich ondertussen verzamelt bij de receptie van het hostel om afscheid te nemen. Ik zou terugreizen naar Bali met twee mensen en de rest, waaronder mijn kamergenoot, de boot nemen naar Lombok. Terwijl ik nog even kletste met een van mijn reisgenoten stormde mijn Noorse kamergenoot opeens binnen vanuit de binnentuin. Zijn wangen waren vuurrood aangelopen en hij riep boos en gechoqueerd: ‘’Someone stole my sunglasses!?’’. O my god, dacht ik. De zonnebril die ik in mijn tas gestopt had was van hem en nu denkt hij natuurlijk dat ik die gestolen heb. Mijn wangen werden rood en het zweet brak me uit. Terwijl de groep zich bekommerde over mijn Noorse kamergenoot wist ik me geen houding te geven. Ik wilde wel zeggen dat het een misverstand was, maar ik kon niks uitbrengen. Mijn kamergenoot legde uit dat de zonnebril in de vensterbank lag naast het bed waar hij zijn eerste nacht in geslapen had. In plaats van de bril terug te geven en te zeggen dat ik de bril in mijn tas gedaan had, stond ik er verstijfd bij. Gelukkig moesten we enigszins opschieten omdat onze boten zouden vertrekken en werd het afscheid snel in gang gezet. Het moment kwam dat ik gedag moest zeggen tegen mijn Noorse kamergenoot. Hij opende zijn armen, trok me tegen zijn lichaam aan en hield me stevig vast. Daarna boog hij zijn hoofd naar beneden en fluisterde in mijn oor: ‘’I know you have my sunglasses’’. Hij hield mij een lange seconde vast en terwijl onze bezwete lijven tegen elkaar aan gedrukt waren liep er een koude rilling over mijn rug.  Met een steen in mijn maag reisde ik door naar Canggu, een surfdorpje op Bali. Ik voelde me erg slecht over de hele gebeurtenis. Als ik direct had gezegd dat het een misverstand was en zijn zonnebril had teruggegeven was er niks aan de hand geweest. Toen ik op een middag een surfplank had gehuurd en in het water lag kwam er een grote golf aan vanachter. Ik had nog nooit eerder gesurft en werd direct van mijn board geslagen. Onderwater maakte ik een koprol en voelde ik de zilveren ring die ik altijd om mijn rechter middelvinger droeg, eraf glijden. Samen met mijn ring, gleed het schuldgevoel van de afgelopen dagen van mij af. Toen ik weer boven kwam wist ik het. Bad karma.  Na mijn reis in Indonesië vloog ik door naar Australië en Nieuw-Zeeland waar ik een geweldige, vrije tijd heb gehad. Eenmaal onderweg naar Nederland moest ik overstappen op Hong Kong Airport. Mijn overstap was in het holst van de nacht waardoor het erg rustig was op het vliegveld. De hele vlucht was ik niet naar de wc geweest dus toen ik nog wat slaperig het toestel verliet zocht ik vrijwel direct naar een toilet. Niet eerder was ik op Chinees grondgebied geweest dus hoopte ik op een toilet met aan de zijkant allerlei knopjes waarmee je je jezelf kon reinigen na de beurt. Helaas was het niet zo uitgebreid. Er was ook nog een andere reden waarom ik graag naar het toilet wilde. Daar kon ik namelijk in alle rust iets achterlaten, wat ik niet dubbelzinnig bedoel. In de toiletruimte opende ik mijn handbagagetas en haalde ik de zonnebril eruit, die ik inmiddels al zo’n drie maanden niet meer gezien had. Deze heb ik vervolgens weggegooid in het prullenbakje bij de toiletten. Die slechte karma wilde ik namelijk niet mee naar huis nemen en de eigenschap om niet op te durven staan wanneer het nodig is ook niet. Ik liet het beide achter me

Renske ten Kleij
6 1