Zoeken

Stationsgesprek

Het is een bloedhete dag en ik ben redelijk vroeg aan het station van het naburige dorp. Onze jongste arriveert er met de trein, wegens geen aansluiting naar ons stadje. Het terras aan de achterzijde van het stationsgebouw ligt voor een groot stuk in de schaduw. Ik heb graag zon, maar een hele dag bakken en braden is aan mij niet besteed. Ik ben dan als een lasagne in een hete oven. Als hij begint te pruttelen, moet je hem eruit halen. Ik heb nog een kwartier. Aan mijn linkse kant zijn twee oudere dames in gesprek met de eigenaar. Dat het warm is en dat het bij de coiffeuse onder de droogkap nog warmer is. De geur van hun haarlak is herkenbaar. Ik zie de bruine bus met de witte dop thuis nog in de kast staan. Aan mijn rechtse zijde zit een grote man met een zomerhoed. "Ik ben zjust in de schaduw gaan zitten", spreekt hij met het smakelijke accent van ons naburig dorp. "Ik hem ne nieuwe vélo gekocht”, gaat hij meteen verder, alsof we oude bekenden zijn. Hij wijst naar de driewieler tegenover ons, vastgebonden aan de lantaarnpaal. "Drie ruggenwervels gebroken", zegt hij. Er gaat meteen een rilling over mijn rug. Hij vertelt over zijn zwaar ongeval en dat een gewone fiets moeilijk is om op en af te stappen. Het is zijn evenwicht waar het nu aan schort. "Ik verschoot van de prijs. Daar kon ik hem niet voor laten staan. Rij hem maar naar buiten, zei de man van de Kringloopwinkel tegen mij. Ik ga eens zien of ik hem thuis krijg”, zegt hij, waarna hij zijn glas uitdrinkt. Hij maakt het slot los en stapt voorzichtig op zijn fiets. Het gaat hem goed af. Ik zwaai nog even. Alsof we oude bekenden zijn.

Rudi Lavreysen
21 0

Het terras

“Je bent te laat,” begroette Eva hem. “Je bent nog niks veranderd in die vijftien jaar.” Het verwijt was hypocriet, dat wist ze wel. Ze was zelf een kwartier te laat. Robin trok een wenkbrauw op; zijn wenkbrauwen waren dikker sinds hij ze niet meer trimde. “Niets veranderd? Jij ziet niet goed. En trouwens, ik zag je uit de auto stappen toen ik aankwam. Je bent hier zelf maar net.” Allebei hadden ze niet degene willen zijn die op de ander moest wachten, zeker als die ander besloot niet op te komen dagen. En toch waren ze hier nu, op het terras, Eva met haar zonnebril in de haren en ogen tot spleetjes geknepen tegen het daglicht, en Robin, breder en hariger dan ze zich herinnerde, maar tegelijkertijd toch heel herkenbaar. Robin plofte neer in een lege stoel en kamde een hand door zijn vetkuif. De schouderlange krullen van voorheen waren verdwenen, net als de zwarte mouwen die zelfs in de zomer voorbij zijn vingertoppen hadden gereikt. “Zullen we het kort houden?” vroeg hij. “Wat jij wil.” Eva bestelde een glas rosé, Robin spuitwater. Zij grinnikte. Hij negeerde haar en sloeg zijn armen overeen. In het zonlicht staken de littekens, die hij nu droeg als oorlogswonden, fel af tegen zijn gebruinde huid. Zijn nagels waren kort geknipt (niet kort gebeten), zijn armen sterk en afgetraind. Dit was niet het lichaam van een angstige tiener, maar dat van iemand die zichzelf heruitgevonden had. Haar ogen dwaalden over zijn gezicht en bleven rusten op zijn lippen, die ze in haar tienerjaren met haar eigen mond nog duchtig had verkend; een tijd waarin baardgroei nog een vreemde onbekende was – voor zover de schrale sprieten op zijn bovenlip als baardgroei telden, alleszins. Vreemd genoeg maakten die hem juist minder man. Als de serveerster even later hun drankjes bracht, bleef haar blik te lang op Robin hangen, haar voorhoofd in een frons. “Valt er soms wat te zien?” bitste Eva, die de halve euro fooi in haar hand weer in haar tas liet vallen. De serveerster mompelde iets onverstaanbaars en maakte zich uit de voeten. Eva zuchtte. “Je ziet er goed uit. Meer dan ooit jezelf. Zag iedereen dat maar.” Robin ontvouwde zijn armen en legde een hand op haar knie. “Dank je,” zei hij, heel even weer dat meisje van zeventien dat Eva’s hart gestolen had. En toen opeens niet meer.  

Caronaut
32 2

Wat Karel nog genoodzaakt was te melden over Pientje

Wel get-ver-dem-me. Het potje, waar Karel zo zorgvuldig zijn straal in had gemikt, zoals voorgeschreven zijn eerste handeling na het opstaan, bleek, bij het openen van de rugtas op het bureau van de huisarts, niet zo goed te zijn dichtgedraaid. Met in zijn ene hand een vochtig dekseltje en in zijn andere hand een halfleeg potje stond hij er verloren bij.    ‘Lekker bezig,’ zei zijn huisarts. ‘Morgen nog een kans, het slaat niet op een dag.’ De arts liep naar een kabinet rechts in de hoek van de spreekkamer, naast het geopende gordijn voor de onderzoeksbank. Zij rommelde in een la en toonde triomfantelijk een schoon en vooral droog potje. ‘Doe je er voorzichtig mee?’ zei ze met een grijns en wees naar de gang. ‘Tweede deur rechts is het toilet als je nú aandrang hebt, maar verwacht je niet meer dan een paar druppels eruit te persen, dan graag thuis afvullen tot het streepje en morgen inleveren.’   “Zeikwijf,” dacht Karel en hij deponeerde de twee natte onderdelen in de prullenbak naast het bureau, waste zijn handen, pakte het schone potje en keek weer in zijn rugzak. Shit, zijn bammetje voor tussen de middag was prut, vettige gele kringen doorweekten het vetvrije papier om zijn lunch. Zijn notitieboekje onderin klonterde als dampend papier-maché.    De arts stond achter hem en zei: ‘Volgens mij heeft u klamme plekken op uw jas.’ Het vrolijke toontje irriteerde Karel. Dit was niet zijn dag, wat zouden zijn collega’s denken? De geur alleen al. Hij zou zijn jas op de gang hangen en niet over zijn bureaustoel, dat hielp misschien.    En het zal vast geen goede indruk maken op zijn Tinderdate. Karel had zijn bed verschoond, zijn kamer gelucht en de afwas gedaan, dan kom je niet stinkend naar pis aanzetten. Uurtje eerder naar huis om te douchen en nieuwe kleren dan maar.  Maar waar Karel het meeste mee zat, waar hij chagrijnig van was, wat zijn dag verpestte en waar zélfs geen tien succesvolle Tinderdates verschil konden maken, was het broodprutje in zijn rugzak. Niet het brood zelf was het probleem, maar de door urine doorweekte eiersalade.   Dit was geen gewone eiersalade. Het was zelfgemaakte eiersalade. In Karels familieclan was dit generaties lang de enige manier om eiersalade te maken. Met een klein beetje paprikapoeder, ui en een klein teentje knoflook voor extra pit. Zelfgemaakte mayo erdoor en stukjes augurk. Het resultaat was een kano door een waterval, veel wendingen en onverwachte schokken, niet zo flauw als die fabriekstroep. Oma Adelheid sloeg hem drie jaar geleden een bloedneus toen ze proefde dat hij de gore moed had om gember toe te voegen, het clanrecept was heilig. De reden van zijn chagrijn was Pientje, niet het heilige recept. In deze portie zat haar laatste ei, de laatste creatie van zijn favoriete rode ADHD kip die altijd vrolijk aan kwam lopen. Pientje was eergisteren door de Pitbull van de buren zó bewerkt dat de dierenarts haar een spuitje gaf. Na een korte sectie op het kippenlijk, bleek het ei, dat gelegd zou zijn als Pluto (hoe verzin je het?) niet was losgebroken, al volgroeid. De dierenarts peuterde Pientjes laatste ei uit het warme kadaver en dumpte het in de groene bak. Karel redde het uit de troep en nam het mee naar huis. En zijn tupperwarebakje eiersalade met het finale ei van Pientje was leeg, helemaal leeg. De laatste lik zat op zijn lunch en plakte nu met vetvrij papier aan de bodem van zijn rugzak.   Hij peuterde alles los en flikkerde de natte kwak brood in de prullenbak. Meestal gaf hij restjes brood aan de kippen, die aten alles. Juultje, Kwik en Tokkie waren nog over, maar om die de resten van de hun neefje of nichtje te voeren ging te ver.  Die kutarts had nog steeds dat arrogante lachje rond haar mond. ‘Morgen inleveren bij de balie, met de deksel vast alstublieft.’    Klote pis.

MCH
14 1

Klaar bij het testen

‘Je hebt toch tot vijf uur?’     ‘Ik kreeg eerder vrij.’     ‘Waarom?’     ‘Laten we het een principekwestie noemen, je weet: ik heb sterke normen en waarden. Daar valt niet aan te tornen.’     ‘Principe?’     ‘Ik sta daar bij die ontvangst van alles te regelen, in mijn blauwe plastic ziekenhuisjurk en met een spatkap én mondlap op de kneiter, komt zo’n kakmoedertje met een jochie van een jaar of zes aanlopen. Ze geeft mij de papieren en vraagt naar de kindvriendelijke locatie, balie twee.’   ‘Dus?’   ‘Nou, ik zag het in een oogopslag: dat kind was een weekdier, die moeder verwende dat knulletje te veel. Thuis een vader die de afwas doet, weet je wel: zo’n lullletje zonder ballen. Dat weerspiegelde in haar ogen, dat de ballen bij haar hangen en niet bij hem. Leer mij die serpenten kennen. Ik verwees haar naar balie vier en zei tegen dat jong. “Jij moet niet zeuren, kleine. Gewoon wapper in de neus en effe doorbijten.” Laten we eerlijk zijn, dat heeft een kind nodig.’    ‘Toen ben je weggestuurd?’   ‘Nadat ik dat zeikwijf een geruststellend tikje gaf.’   ‘Peter! Alweer?’   ‘Ik gaf een lichte, correctief bedoelde klap om de dame tot de orde te roepen. Ze reageerde  hysterisch toen ik dat joch bij zijn nekvel pakte en naar vier duwde en het mokkel toonde hoe ze moest opvoeden.’   ‘Zo ben je Janet en de kinderen ook kwijt geraakt.’   ‘We kweken alleen maar watjes op de wereld. Te weinig mannen.‘   ‘En nu?’   ‘Volgende week voorkomen, daarna zie ik wel verder.’   ‘Pint?’   ‘Alsof je het nooit zou vragen.’

MCH
12 1

Foxy Foxtrot

Na een wandeling in een dorp dat niet het onze is, belanden we op een terras. Vooral om van mijn gezeur af te zijn. In de laatste kilometer heb ik tien keer gezegd dat ik dorst heb. Nadat de kastelein onze drankjes heeft geserveerd, houdt hij halt bij de man aan de tafel naast ons. 'Heb je het gehoord van José?', fluistert hij. "Speelden jullie ooit Chinees fluisteren?", vraag ik aan mijn vrouw. "De eerste fluisterde een zin in het oor van de tweede en zo ging het de hele klas door. De laatste zin was altijd anders." "Dat ken ik", zegt mijn vrouw. "Zo gaat het ook met geroddel. Als een gerucht rondgaat, wordt het alsmaar erger. Al heb ik nooit geweten waarom het spel ‘Chinees fluisteren’ noemt.” "Dat weet ik ook niet. Ik was als klein manneke gek op het liedje Foxy Foxtrot van Nico Haak. Mijn meter hield er ook van. Dan zongen we het samen en deed ik allerlei gekke danspasjes." "Je had het over Chinees fluisteren", zegt mijn vrouw. "Juist, ik mocht een keer beginnen met het spel en ik fluisterde een zin uit dat liedje. 'Oh Foxy Foxtrot met je elastieken benen.' De meester deed ook mee. Hij zat laatste. Weet je wat de voorlaatste hem in het oor fluisterde? 'Fons heeft drie plastieken tenen.' Geweldig toch." “Ken je trouwens het laatste stukje van Foxy Foxtrot? Wacht, ik zing het even.” “Doe maar niet”, zegt mijn vrouw. Ik zing het stilletjes. ‘Ik hoop nog één ding te beleven: dat ik de honderd nog eens haal. Dan zal het dansen van zo'n foxtrot niet zo een-twee-drie meer gaan. Maar dan dans ik wel een Engels walsje met mijn eigen Sjaan.’ “Nico Haak”, zegt de cafébaas, die me toch hoorde zingen. “Zo maken ze niet meer”.

Rudi Lavreysen
11 1

Honger

Ik heb honger, en niet zo’n klein beetje. Lastig. Het hotelrestaurant is dicht. Ik ben te verlegen om op straat elk menu naast de deur te lezen en ter plekke te beslissen. Bang wat mensen denken. Als de ober naar buiten komt, móet ik naar binnen, als vegetariër stapte ik zelfs een Steakhouse binnen.    De enige optie voor een onafhankelijk antwoord op de eetvraag, staat voor de deur. Ik haal diep adem en repeteer in mijn hoofd “waar kan ik iets eten?” Hup, door de draaideur en ik sta op straat. Ik draai om naar de portier. De portier heeft een imponerende snor, zo’n Oostenrijksekeizerssnor. Kraaienpootjes geven ogen vaak vermoeidheid. Dit is bij hem anders, de kraaien hebben vriendelijkheid en vrolijkheid rond zijn ogen gepoot. Zijn geur van Old Spice doet aan mijn vader denken.   Wat denkt hij van iemand die om half elf ‘s avonds nog wil eten? Precies een half uur nadat de keuken van het hotel dicht is? Is dat niet vreemd? Een voorverpakte sandwich bij roomservice kan toch? Of chips, pinda’s en cola uit de minibar?   ‘Weet u … misschien … waar ik… op dit tijdstip …’   De portier knipoogt en zegt: ‘Geen probleem, mijnheer.’ Uit de zak van zijn lange, rode jas haalt hij een mobiel en smoest erin. ‘De taxi rijdt binnen vijf minuten voor, mijnheer. Waar gaat de voorkeur naar uit, als ik niet te onbeleefd ben om het u te vragen?’   Ik stamel wat over geen voorgerecht en iets lichts.   ‘Begrepen, mijnheer. En bent u van de rechtopenneer? Als ik weer niet te onbeleefd ben.’   Waar heeft hij het over? Hij ziet mijn twijfel aan voor ontkenning.   ‘Meer van de bal in de mond en plets op de kont?’ Hij knipoogt. ‘Weten we wel raad mee, mijnheer.’    Ik hoop niet dat hij gehaktballen op het oog heeft, zoals gezegd: ik ben vegetariër.    Hij monstert mij als een paardenhandelaar en zegt: ‘Ik bespeur een bepaalde klasse, daar houden we wel van.’   De taxi stopt, hij duwt mij kordaat op de achterbank en zegt tegen de chauffeur: ‘Peter, deze is voor Rooie Mien, special treatment. Zeg dat ze de kelder eerst een sopje geven, deze heer is niet van de straat. Laat Mien de rekening naar ons sturen.’ Hij klopt geruststellend op mijn schouder. ‘We zetten het op de rekening als diner, dan zeurt de boekhouder niet over de bonnetjes.’ Hij licht zijn hoed en sluit de deur. Weg zijn we.   Ik heb honger, en niet zo’n klein beetje.

MCH
15 2