Zoeken

Brooddronken hoofdstuk 24

24   De deurbel gaat. Maurits springt van de zetel waar hij lag te soezen sinds Billy en Célestine naar het kot waren en stormt de trap op, naar Jimmy’s kamer. Niemand maakt echt aanstalten om de deur te openen. Noch Jimmy, die boven de kat gaat halen, noch Marjolein die voor de tigste keer die korte avond de borden en stoelen kaarsrecht op elkaar afstemt. Had ze geweten wat het was, ze had zichzelf op de borst kunnen kloppen een marginale versie van Feng Shui uitgevonden te hebben. Billy zelf is langs het achterpoortje de ketel in de Leie gaan leeggieten, op de voet gevolgd door een nog steeds rillende Célestine. De deurbel gaat opnieuw en Jimmy en Marjolein beseffen, elk samen maar toch apart, dat er geen ontkomen aan is, willen ze de avond redden. De tijdsspanne tussen de twee beldrukken is lang genoeg om repercussies te hebben, maar te kort om nu al effect te hebben. Met andere woorden, dit heeft géén gevolgen voor het feest, maar de dagen er op zouden wel eens beeld zonder klank kunnen zijn – of erger. Als ogen doden konden, dan is er zopas in de Schaekenstraat een afrekening gebeurd. Maar dat doen ze niet dus verder dan een giftige blik in Marjoleins richting komt het niet. Reginald gunt haar slechts dat en gaat dan naar de eetkamer annex keuken, op de voet gevolgd door Jules. Reginald heeft een pakje onder zijn schouder. Rood met een gouden lint rond. Het fonduestel pruttelt. Het is donker en de kamer wordt slechts verlicht door het sporadisch knipperen van de kerstverlichting van een strategisch geplaatste kerstboom. Zowel boom als verlichting zijn te ver heen maar doen dapper hun dienst, zoals ze al dertig jaar doen. ‘Waar is zijn negerin?’ vraagt Reginald terwijl hij een sigaret opsteekt. Jules grinnikt. Een vette grinnik die het midden houdt tussen een beginnende hartaanval en een paard met obesitas. Hij waggelt naar zijn vaste plaats aan het hoofd van de tafel, omdat er geen plaats is voor een tweede stoel. ‘Billy en Célestine zijn uw ketels van uw keuns gaan uitgieten. Ze heeft het zelfs aangeboden,’ zegt Marjolein. ‘Zoveel te beter,’ antwoordt Reginald, ‘als die domme kalle bij die vette leegaard wil blijven, gaat ze toch het werk moeten doen.’ ‘Ge gaat toch uw manieren houden hé, als ze binnen zijn?’ zegt Marjolein. Reginald antwoordt niet. Hij heeft daar ook geen tijd voor, want Jimmy komt de trap af met de kat op zijn schouder. ‘Allez, nummer twee is daar ook,’ zegt Reginald. ‘Pa. Pepe Jules.’ Jules bromt iets, maar wat het juist is, heeft iedereen, als ze dat al hadden gewild, het raden naar. Het kan zowel een groet zijn als, wellicht dichter bij de waarheid, een verwensing. ‘Waar zit uw broer?’ ‘Weet ik veel, ik ben net de kat gaan halen naar…’ Te laat realiseert Jimmy zijn fout. ‘Hoeveel keer heb ik al gezegd dat ge de deur naar boven moet toe doen en toe laten?’ Reginald haalt uit naar Maurits. De kat zet zijn nagels in de schouders van Jimmy en lanceert zich richting de porseleinen poppen van Marjolein. Het vrouwtje wankelt een tijdje, om dan kennis te maken met de vloer. Ze barst in stukken vanéén. Zonder één kik te geven, als een automatisme, neemt Marjolein stoffer en blik. Als ze al huilt vanbinnen, is ze getraind om geen teken van zwakte te geven. Ze veegt de pop bijéén. Ondertussen gaat de achterdeur open en staan Billy en Célestine in de keuken. Deze laatste ontdoet zich van de rubberen laarzen en stapt kordaat op Reginald af, met uitgestoken hand. Reginald kan niet anders dan deze schudden. ‘Dag meneer Sabbe. Ik ben Célestine. Célestine Onyewu. Aangenaam.’ Achter haar rug wisselen Billy, Marjolein en Jimmy blikken uit, alsof ze net een halsmisdaad heeft begaan. ‘Zeg maar… zeg maar Reginald.’ Reginald gaat naar de keuken en wast zijn handen. ‘Dat is dus mijn pa, Célestine. Die gaat dus nooit zijn handen wassen nadat hij gaat gaan pissen of schijten, zelfs niet voor het eten. Maar godbetert als hij een zwarte de hand schudt. Dan wél, natuurlijk.’ Billy schudt het hoofd. Célestine kust hem op de wang. ‘Alsof ik dat niet had verwacht. Maar ik heb hier zoveel andere redenen om er een leuke avond van te maken. Jij, je broer, je mama, je opa… Laat hem maar in zijn sop koken, schat.’ Jules knort van het lachen. ‘Dacht ge echt dat pa de ergste was?’ vraagt Billy. ‘Ik denk dat de olie nu wel warm genoeg is,’ zegt Marjolein, ‘aan tafel.’

Miguel
5 0

Brooddronken hoofdstuk 23

23   De sfeer in het huis is omgeslagen van een leuk bezoekje naar die ongeduldigheid wanneer je mensen verwacht voor een feest. Dit nog eens verzwaard door het feit dat geen van de verwachte mensen, zijnde Jules en Reginald, eigenlijk echt gewild zijn in het huis. De tafel is gedekt. Voor zes plaatsen borden, voor vijf fondueprikkers. Het fonduestel aangesloten, de tv uitgeschakeld. Célestine en Billy zijn in het kot waar het konijn en de haan zitten. ‘Wat een mooi konijn,’ zegt Célestine. ‘Schoonheid heeft hier geen thuis,’ zegt Billy, ‘het maakt ook geen reet uit hoe het beest er uit ziet. Kweken moet ze doen. Anders heeft pa er geen nood aan en dan…’ Hij wijst naar de hoek van het kot. Aan roestvrij stalen haken hangen karkassen van drie konijnen, de buiken geopend en net als een vlieger een houten kruisje er in, zodat de wonde open blijft. Hun bloed valt in klodders naar beneden, het meeste opgevangen in een emmer. Zonder verpinken trapt Billy tegen de emmer. ‘Hij is vol genoeg,’ zegt hij, ‘ik zal ‘m straks uitgieten in de Leie. Als het donker is.’ Célestine houdt haar hand voor haar mond. Voor haar zijn het drie huisdiertjes die opgehangen zijn, hun snoetjes van het vel ontdaan, een dertigtal centimeter bungelend van de grond. ‘Dit is… dit is toch barbaars?’ ‘Het merendeel van de konijnen is bestemd voor de verkoop aan collega’s van pa… Hij heeft ze allemaal verkocht maar ze moeten nog versneden worden.’ ‘Versneden?’ ‘Ja, pa heeft het mij ooit geleerd als kind. Ik kan een konijn versnijden, ja. Zo hoort dat nu eenmaal.’ ‘Vind jij dat oké?’ Billy haalt de schouders op en neemt een ketel mee. In de ketel zit maïs en nog wat andere graansoorten. ‘Als ge hier al problemen mee hebt, dan heb je Armand nog niet gezien.’ Hij opent de deur van het kot. In het duister zit een haan, blauw-met-goud van kleur. ‘Dat is een kip?’ vraagt Célestine. Billy knipt het licht in het kot aan. ‘Zeg nooit zomaar kip tegen een vechthaan,’ zegt hij, ‘specifiek is dit een Brugse vechter.’ ‘Een Brúgse vechter? En jij weet dat?’ Door Célestines stem klinkt ongeloof. Alsof haar vriend zulke dingen niet hoort te weten. ‘Ja, ik weet dat. Heeft uwe pa u nooit meegenomen naar het voetbal of zo?’ Nu haalt Célestine de schouders op. ‘Ja, als klein meisje. Eén keer. Maar het zei me niets dus hij pushte me niet.’ ‘Wel, toen dat ik nog thuis woonde, was het regelmatig elke zondagochtend naar het hanengevecht.’ ‘Hánengevecht? Is dat niet verboden?’ ‘Hier wel,’ zegt Billy en hij gooit een handvol graan naar een haan die wel korte lellen maar verder de fysiek van een imposante haan heeft, ‘over de grens niet. In Frankrijk mag dat nog, in de Nord.’ ‘En wat moet ik me daar dan bij voorstellen?’ ‘Gewoon, twee hanen die in een ring tegen elkaar staan en dan er op los pikken en slaan met hun sporen.’ ‘En dat doet jouw vader dus?’ zegt Célestine. Haar hele houding schreeuwt één woord uit: ongemak. Billy daarentegen is wel wat weer gewoon en vertelt heel stoïcijns. ‘Ben jij daar zelf wel eens naar toe geweest?’ vraagt Célestine. ‘’t Zal wel zijn. Ik had vroeger ook een haan.’ ‘Jij?’ ‘Tuurlijk. Alhoewel,’ zegt Billy terwijl hij nog een hand graan naar de haan gooit, ‘voor mijn verjaardag kreeg ik een haan, onze Nestor. Van onze pa. Maar ’t was eigenlijk meer een cadeau voor zichzelf.’ ‘En toen?’ Célestine heeft het koud, maar met de temperatuur buiten, amper boven het vriespunt, heeft het niets te maken. Ze rilt, ze huivert. ‘Lang heeft het niet geduurd,’ zegt Billy, ‘gelukkig maar. De andere had sporen. Dat doet het een beetje sneller gaan. Nestor heeft niet lang moeten afzien.’ ‘Sporen?’ Billy wijst naar twee ringen van leder, met een grote nagel aan vastgemaakt. ‘Ja, sporen. Ze doen dat rond de poot. Dan komen hun slagen harder aan.’ ‘Maar dat is vreselijk!’ Célestine kokhalst. ‘Nu, zeg dat maar niet vanavond tijdens het diner, onze pa en zijn beesten, dat…’ ‘Ik wil hier weg,’ zegt Célestine, ‘terug naar binnen. Hier is teveel leed geweest, ik voel dat.’ ‘Wacht tot ge een tijdje binnen in huis zijt. Ge hebt nog niets gevoeld,’ zegt Billy op een onheilspellende toon. ‘Ik begin te denken dat je gelijk had, Billy… Of dat je serieus aan het overdrijven bent.’ ‘Kom,’ zegt Billy en hij doet Célestine uitgeleide uit het kot, terwijl hij de emmer meeneemt, ‘ze gaan er nu alle moment zijn.’ Hij neemt de emmer mee en knipt het licht uit.

Miguel
3 0

Verrijken

Ze waren met twee en hingen rond op perron 15 in één van de meest dubieuze stations van België: Brussel Zuid. Ik hing daar ook. In anticipatie van de trein naar Gent.  Ze waren me meteen opgevallen. Hij, getooid in een diep zilveren pak, de strass in combinatie met de perfecte lichtinval zijn sterke ronding extra in de verf zettend. Zij, minder rond, meer grijs en minder opvallend. Ze hobbelde heen en weer en speurde het perron af, terwijl hij zijn opmerkzaamheid liet ronddwalen over het komen en gaan van reizigers en het af en aan van denderende stellen.  Haar hobbelen was me meteen opgevallen. Ze miste een voet en een stuk van haar been en steunde bij het wandelen op de overgebleven stomp, zich daar absoluut niet over opwindend of een spoortje blijk gevend van de inspanning die het haar gekost moet hebben. Ik kon mijn ogen er niet van afhouden. Mijn bewondering en afschuw lagen in innige omhelzing te worstelen in mijn onderbuik.  De bewondering nam uiteindelijk de bovenhand. Ik denk dat het de combinatie was van haar onschuld en zijn liefdevolle blik. Hij bleef haar maar volgen met die indringende ogen terwijl hij met zijn uitstraling haar omgeving leek te vrijwaren van eender welk onheil dat zich zou kunnen aandienen. Ze waren zich van geen kwaad bewust en wentelden zich in hun eigen kleine bezigheid op het perron. Apart en toch verbonden.  Een doorrijdende trein maakt een einde aan het schouwspel. De luchtverplaatsing moet haar gewaarschuwd hebben. Nog voor het gevaarte voorbij is, verdwijnt ze uit mijn zicht. Hij volgt. Lichtvoetig snel.  Soms zou ik willen dat ik ook meer duif dan mens was. Doen en niet langer denken. Kunnen vertrouwen op de ogen van de ander en mijn eigen vleugels die mij dragen zullen, elke keer als het tijd is om uit te vliegen. 

Magali
10 0

Brooddronken hoofdstuk 22

22   De sfeer in het rust- en verzorgingstehuis de Korenbloem kan je met één woord samenvatten: kerst. Het personeel tracht met de moed der wanhoop een persoonlijke toets aan de door bovenaf opgelegde kerstversiering te geven. De hele anders zo steriel witte gang, die aan de rechterkant begrensd wordt door ramen die uitgeven op een rij bomen die een park moet voorstellen, is voor de decembermaand getooid in rood en groen en slingers in zilverkleurig engelenhaar. De feeërieke muurbekleding wordt abrupt onderbroken voor en rond kamer 12, bij de verpleging ook gekend als kamer 666. Daar verblijft immers, sterk tegen zijn zin, de vader van Reginald, Jules Sabbe. Postman op rust, nagel aan de doodskist van zijn klanten destijds en het verzorgend personeel nu. De enige waarvoor hij – en iedereen – een al dan niet terechte schrik heeft is de verpleegster genaamd Zulma Martha Van Suypeene, ook Zulma geheten. Zulma is een beer van een vrouw die vroegtijdig de menopauze is ingedoken, met grijzend krulhaar dat op één of andere manier wordt gekleurd, of een poging tot, waardoor het een paarse schijn heeft. Ze is niet echt om te zeggen een reuzin, een standaard meter zeventig groot, maar ze geeft de indruk minstens even wijd te zijn als ze hoog is en eerder gespierd dan dik te zijn. Ze rolt de kar met het eten de kamer van Jules binnen en gooit, met een zekere accuratesse alsof ze niet aan haar proefstuk is, het avondmaal op een diep bord als een discus op de tafel van Jules, zonder dat er iets gemorst wordt. ‘Hier,’ snauwt ze, ‘vreet op. Ik vermoed dat ge straks toch nog iets zult krijgen bij die klootzak van een zoon van u.’ ‘Wat vind ik het jammer,’ antwoordt hij, ‘dat we hier niet in Duitsland zitten. Anders ben ik zeker dat Krampus u zou meepakken. Als hij niet van benauwdigheid in zijn broek schijt, tenminste.’ ‘Als die Krampus zijn muil hier durft te vertonen, schop ik hem in zijn kloten. Waar blijft die onnozelaar van u? Dat ik mij kan bezig houden met oudjes die het wél waarderen wat ik voor hen doe.’ Een klein detail dat nog niet vermeld werd: Zulma Martha Van Suypeene is de zus van Marjolein Van Suypeene, de eeuwig gekwelde huisvrouw, -moeder en -slaaf van Reginald Sabbe. Zij was het die tijdens het huwelijk geroepen heeft dat haar zus zich in haar ongeluk zou storten, iets wat niet in dank is afgenomen door Reginald die sindsdien alleen maar het hoog- en broodnodige heeft gewisseld met haar, wat woorden betreft. Reginald stapt het WZC binnen. Het verzorgend personeel dat hem tegenkomt, weet wie hij is. Hij is de zoon van die bruut in kamer 12. Zelf ook een hoogst onaangenaam persoon, de indruk gesterkt door de verhalen die, overdreven of niet, Zulma meebrengt wanneer ze op de koffie gaat bij haar zus Marjolein. Ze ontzien hem, omdat ze weten dat hij ook maar een product is van zijn vader, het bedrijf waar hij werkt en de tijd en armoede waarin hij is opgegroeid. Ze weten dat hij nooit een moederfiguur heeft gekend, omdat deze zich van kant heeft gemaakt na de zoveelste afrospartij door Jules, waardoor deze laatste overbleef als voorbeeldpersoon voor het vormen van het karakter van Reginald. Jules is een held, dat is waar, hij heeft deelgenomen aan de bevrijding van Kortrijk bij het verzet en was niet te beroerd om een collaborateur neer te kogelen, maar het vermoeden gaat dat het verzetslidmaatschap een goed excuus was om diegenen om zeep te helpen die hem een strobreed in de weg hebben gelegd, áls ze maar konden verdacht worden van collaboratie. Desalniettemin is Jules een held en heeft die oorlog hem gevormd, misvormd, tot de persoon die hij nu is. Gelukkig is het geen lange weg naar kamer 12 want Reginald voelt de blikken op zijn rug, het stil oordelen en veroordelen, de verzachtende omstandigheden, de grimassen. Hij staat in het deurgat van de kamer en kijkt achter zich naar het taartje dat ondertussen van de ruit is afgegleden en herleid is tot een kwakje met een stukje kiwi op. Hij draait zich om. ‘Pa,’ zegt hij terwijl hij kijkt hoe zijn vader als een wild roofdier de door het rusthuis aangeboden kalkoenbout verorbert, ‘is dat uw werk?’ ‘Heb ik stront geropen? Neen. Dus hou uw muil.’ Jules knaagt verder aan de bout. Hij maakt knor- en snuifgeluiden. Voor een oude man barst hij van vitaliteit wanneer hij eet. De jus heeft zijn wit slabbetje reeds bruin gemaakt. ‘Sorry, pa.’ Reginald slaat als een mak lammetje zijn vader gade, alsof die een herdersstaf bij heeft die elk moment keihard op Reginalds hoofd kan neerkomen. De er door de jaren ingedramde en ingeramde nederigheid van Marjolein verbleekt bij die van Reginald wanneer hij en zijn vader zich in dezelfde kamer bevinden en er geen vreemden bij zijn. ‘Zijt ge gereed, pa?’ ‘Ge gaat mij niet opjagen, hé. En doe godverdomme de deur dicht, mijn kamer is het huis van Oostenrijk niet.’ ‘Sorry, pa.’ Jules schraapt de rest van zijn aardappelpuree bijeen en lepelt die in zijn mond. Het is alsof de schrik hem om het hart slaat als zou Reginald het idee krijgen deze van hem af te pakken. Hij blijft snurken en brommen. ‘Straks,’ zegt hij terwijl hij de rest van de jus naar binnen giet, ‘gaan die klootzakken mijn factuur weer omhoog jagen. Omdat er teveel gestookt wordt.’ ‘Het is toch het OCMW die dat betaalt, wat kan u dat schelen.’ ‘Hoor ik u nog?’ vraagt Jules. ‘Neen, pa, sorry, pa.’ ‘Bon,’ zegt Jules en hij laat een boer, ‘ik ben klaar. Tijd om naar het feest te vertrekken.’ Eindelijk, denkt Reginald.

Miguel
3 1

Brooddronken hoofdstuk 21

21   Na een uitputtende fietsrit, eerder emotioneel en psychisch dan fysiek, komen Reginald en Jimmy thuis. Reginald duwt de voordeur open en steekt zijn fiets binnen, gevolgd door Jimmy, die door Reginald met uitgestoken hand wordt tegengehouden. ‘Wat denkt ge wel dat ge gaat doen?’ vraagt Reginald. Jimmy duwt nog eens met zijn fiets. ‘Mijn vélo binnenzetten, tiens.’ ‘En wat geeft u het recht om te denken dat die vélo binnen mag staan? Alléén postfietsen hebben dat voorrecht – omdat ze dienen om te werken. Ge weet waar de uwe moet staan. En avant,’ zegt Reginald. ‘Maar, pa, er is toch nog net plaats genoeg voor mijn vélo? Als ge nu de paraplubak verzet…’ Reginald balt de vuisten. ‘Ei. Gij gaat nú uw velo aan de reling van de kaai vastmaken. Hebt ge dat goed verstaan? Of moet ik het er in kloppen?’ Marjolein komt de gang binnen. Ze ziet haar man met gebalde vuisten tegenover haar zoon staan. ‘Jimmy, doe wat hij zegt. Ge kent hem. Hij is baas.’ Jimmy gaat terug naar buiten, vloekend, en Reginald ontspant terug. Hij hangt zijn kepie aan een kleerhaak en ontsteekt een sigaret. ‘Waar is den anderen?’ vraagt hij. ‘Billy,’ zegt Marjolein, met nadruk, ‘is uw beesten gaan eten geven.’ ‘En is zijn wijf mee? Allez, wijf, scharrel.’ ‘Ja. En ge zult uw manieren houden ook, vanavond.’ Marjolein klinkt meer vastberaden dan ze is, maar Reginald heft zijn hand op. ‘Of anders wat? Denkt ge dat ik benauwd ben van u, stom foorwijf?’ Instinctief zet Marjolein een stap achteruit. Reginald doet zijn uniformjas uit en trekt zijn zondagse vest aan. ‘Maar goed,’ zegt hij, ‘dat zal moeten wachten. Ik moet achter pa gaan, sinds den anderen het nodig vond zijn negerin met míjn auto te gaan halen. Ge moogt de auto dan uitkuisen als ze weer weg is, dan hebt ge nog iets gedaan vandejaar.’ ‘Reginald, ik wil niet dat je zo’n woorden gebruikt als Célestine, want dat is haar naam, Célestine, bij ons aan tafel zit.’ Reginald heft zijn been op en laat een forse wind. ‘Dat is wat ik denk van Célestine,’ zegt hij en hij trekt de gangdeur dicht. Marjolein hoort de Lada starten en wegscheuren. Ze slaakt een zucht van verlichting.

Miguel
6 1

Brooddronken hoofdstuk 20

20   De Lada doet zijn uiterste best om het koppel Sabbe – Onyewu naar de Schaekenstraat te brengen. Uit dankbaarheid naar de wagen toe, die luid protesteert, draaien ze eerst nog eens af richting Sint-Jan, waar Billy in het buurtwinkeltje een slof Camels koopt. Daarna gaat het richting Schaekenstraat langs de Veldstraat. Dit is het hart van stad Kortrijk. Célestine kijkt haar ogen uit. Voor haar is het hart van een stad monumenten, bijna kilometerhoge appartementen, parken en de ene winkelstraat na de andere. In Kortrijk echter betekent dat een aaneenschakeling van soms slecht onderhouden sociale woningen, met in het midden één kerk die een al dan niet geslaagde renovatie heeft ondergaan. Bij één van die sociaal aandoende woningen staat Marjolein in het deurgat. Bij het passeren langs het huis, in de Lada, lacht Célestine haar parelwitte tanden bloot en zwaait naar haar toekomstige schoonmoeder. Marjolein is haar gewoonlijke gemoedelijkheid zelve. Ze zwaait en ook haar tanden, niet zo recht en al helemaal niet wit, ontbloten zich. ‘Wat een leuke vrouw is je moeder,’ zegt Célestine terwijl ze haar hand op het been van Billy legt, die met veel moeite de Lada achterwaarts probeert te parkeren tussen twee even aftandse auto’s in. Uiteindelijk slaagt hij in zijn opzet en stappen ze samen uit. ‘Zij is ook het enige goede in dat kot,’ zegt Billy en hij neemt een teug niet zo frisse lucht. ‘Ruik je dat?’ vraagt hij, ‘dat is Kortrijkse Leielucht. Als je dacht dat die in Gent al stonk, wees bereid om een totaal nieuwe ervaring op te doen. En één of andere ziekte, als je pech hebt.’ Een rat schiet tussen hun benen door en Célestine staat verstijfd. ‘Was dat…?’ ‘Ja, natuurlijk is dat een rat. Je zit aan het water en je zit in Kortrijk. Waarom zou je dan géén ratten hebben?’ antwoordt Billy. Ze wandelen richting het huis. Marjolein opent haar armen om er Célestine in te sluiten. ‘Welkom, Célestine, welkom. Billy heeft niet overdreven toen hij over je schoonheid begon,’ zegt ze. ‘Dag mevrouw.’ ‘Marjolein, alstublieft. Maar kom toch binnen.’ De colonne, want voor twee mensen naast elkaar is er geen plaats, wandelt het huis binnen. ‘Wat gezellig!’ roept Célestine uit terwijl ze haar ogen de kost geeft. ‘Oh?’ Célestine scoort punten bij Marjolein. ‘Ja, die poppen, hier,’ zegt ze en ze wijst naar een koppel poppen, gezeten op meubeltjes van gevlochten riet, waarvan het mannetje precies het snot in zijn neus probeert op te trekken en een bedenkelijk gezicht trekt. ‘Mijn ouders hebben die ook, maar enkel het vrouwtje. Rufus, onze hond, heeft ooit het mannetje tegen de grond gewerkt en opgegeten,’ zegt Célestine. Marjolein lacht, maar alleen wanneer ze ziet dat Célestine het voorval verwerkt heeft en zelf ook grinnikt wanneer ze de anekdote wereldkundig maakt. ‘En wat een mooie poes!’ roept ze uit. Maurits ontwaakt uit zijn gendarmeslaap en kijkt Célestine aan. Hij komt naar haar toe gewandeld. ‘Let maar op, straks krijgt ge een klauw,’ zegt Billy, die instinctief de afstand tussen hem en het beest vergroot. Het is niet dat Maurits een stoute kat is, het is dat Maurits niet graag uit zijn slaap wordt gewekt. Célestine steekt haar hand uit en Maurits snuffelt er eventjes aan. ‘We gaan hier een belangrijke les leren, ma,’ zegt Billy, ‘namelijk dat Maurits niet op vreemden gesteld is.’ Maurits kijkt naar de hand die hij zopas besnuffeld heeft en geeft Célestine een kopje. ‘Kijk nu,’ zegt Célestine, ‘is dat die gevaarlijke sofatijger waar je het altijd over hebt?’ Ze trekt haar hand terug en Maurits gaat op zijn twee poten staan en houdt haar hand vast met zijn poot, de klauwen ingetrokken, om verder te kunnen likken. ‘Krijg nu wat,’ zegt Billy. ‘Zeg, Bill, gaat gij de rest van de beesten nog eten geven?’ vraagt Marjolein. ‘Oh, heb jij nog huisdiertjes?’ vraagt Célestine, ‘die wil ik wel zien!’ ‘Zeg dat ze mijn botten aandoet om naar achter te gaan,’ zegt Marjolein en ze wijst naar een paar gummilaarzen die bij de verwarming staan. ‘Huisdiertjes niet echt,’ zegt Billy, ‘maar je zal ze ooit wel leren kennen, dus waarom nu niet.’ Ze gaan naar buiten, waar Billy naar de koterijen wijst. ‘Hierachter ligt de Groeningekaai,’ zegt Billy. Habiba, de buurvrouw, is ook buiten en ze ziet het koppeltje. Ze roept van achter de omheining. ‘Dag Billy, is dit nu jouw vriendin?’ ‘Ja,’ zegt Billy, die zijn trots amper kan verbergen. ‘Dag juffrouw,’ zegt Habiba en ze steekt haar hand uit, ‘ik ben Habiba El Kaddouri.’ ‘Dag mevrouw El Kaddouri. Mijn naam is Célestine Onyewu.’ ‘Habiba, alstublieft,’ zegt Habiba, ‘en heb je hier beetje naar je zin?’ ‘Oh ja,’ antwoordt Célestine, ‘Marjolein is zó lief. Wat een warme vrouw!’ ‘Reginald al ontmoet?’ ‘Is dat je papa?’ vraagt Célestine. Billy knikt en maakt subtiel een beweging naar Habiba dat hij liever wil dat het over iets anders gaat. Habiba begrijpt de hint. ‘Is het al zo laat? Wel, wel… Omar komt gauw thuis van het speelplein. Tot nog eens, Célestine.’ ‘Dááág!’ Célestine en Billy gaan “het kot” binnen.

Miguel
8 1

Een dag uit het leven van E. (of hoe een meisje van plezier ten prooi kan vallen aan acute ldvd)

   Sinds vanochtend tintelt het onophoudelijk in mijn hoofd en ik vraag mij om de haverklap af of ik niet beter een bronchitis had geveinsd, dan kon ik mij afwezig melden, mij nog eens stevig in het dikke donsdeken wikkelen en tot diep in de namiddag een gat slapen groter dan dat in de ozonlaag. Zo diep zit de pijn dat mijn hart erdoor dreigt te verschrompelen en geen medicijn ter wereld krachtig genoeg is om mij te genezen.    Vandaag zal niemand veel van mijn diensten hoeven te verwachten. Oké, ik zal doen wat er van mij verwacht wordt, het is mijn job, maar het zal op automatische piloot gebeuren, een geconditioneerd handelen – niet meer of minder. Wat er straks ook gebeurt, mijn gedachten zullen samen met de roze wolk waarop ik mij bevind door het luchtruim zweven.    Als E. onderga ik: gewillig en zonder weerwoord. Geloof mij. Wanneer je als een prooidier verstrikt zit in de val genaamd “ldvd”, is dat het beste wat je kunt doen. Roerloos op je rug blijven liggen, ogen gesloten, voor de kleinste prikkel afgesloten.    Gelukkig bestaat er zoiets als koffie om de zenuwen enigszins onder controle te houden. Zonder mijn bakje troost zouden mijn hand- en spandiensten tot mislukken gedoemd zijn. Geen cafeïne staat gelijk aan een minder emotionele en slechts matig empathische versie van mezelf. Met andere woorden: geen mens om van te houden, geen vrouw om graag te zien en geen escorte om het bed mee te delen.    Het is niet uit noodzaak. Ik heb een voltijdse baan waarvan ik oprecht kan zeggen dat ik er niet met tegenzin naartoe ga. Aan luxeproducten geef ik amper geld uit. Ik ben al lang blij wanneer ik kan eten waar ik zin in heb: dat de huur van mijn appartement kan betaald worden zonder tegen een achterstand van enkele maanden te hoeven aankijken, dat ik voor de benzine van mijn bescheiden Duitser niet iedere euro twee keer hoef om te draaien (ik haat te voet gaan of met het openbaar vervoer reizen) en ongebreideld van mijn koffie kan genieten. Rombouts: jij mag mij elke dag neuken!    Lullaby, het escortebureau waar ik ondertussen zo’n drie jaar geleden bij solliciteerde, is een uit de hand gelopen therapie. Ontstaan uit de idee dat ik mijn jeugdtrauma’s op onorthodoxe wijze een halt zou kunnen toe roepen. Het is ijdele hoop gebleken. Alsof ik mezelf door aan seksuele dienstverlening te onderwerpen van onderhuidse kwellingen zou zuiveren, ongedaan maken wat mij als kind allemaal is aangedaan. "Praat het uit met je moeder". Je moest eens weten hoe vaak ik die zin heb moeten horen uit de mond van mijn therapeut. Er valt niet te praten met een vrouw die geen gevoelens heeft, bij wie het schuldbesef ontbreekt, de wil om te veranderen, toe te geven dat ze fouten heeft gemaakt. Met dat soort ingesteldheid worden geen familiebanden hersteld. Op die manier hoeft het voor mij niet. Dan steek ik liever tijd en energie in mensen die ik van haar nog pluim ken. Mannen bij wie ik de moeder kan zijn die ik nooit gekend heb. Dat ik in ruil daarvoor intiem met hen ben, daar heb ik vrede mee. Er zijn veel onaangenamere bezigheden. Bovendien brengt pijpen en neuken geld in het laatje. Makkelijk verdiend geld. Mijn onderhuids onbehagen zal misschien nooit overgaan, maar er is gewoon minder bezorgdheid, minder onrust in mijn hoofd zolang ik deze bijverdienste in stand houd. Ik voel mij beter als ik mijn alter ego speel. Als E. sta ik zelfverzekerd in mijn schoenen en slaag ik erin om wat kleur, in het voor de rest saaie grijze leventje dat ik leid, te brengen. De verhalen die ik van mijn klanten te horen krijg zijn uiteenlopend. Van grappig en soms ietwat vreemd, tot compleet van de pot gerukt… maar meestal intriest. Er huist eenzaamheid in menig man. Gelukkig ben ik gehard door het leven en slaag ik erin, ondanks de vijfentwintig lentes die ik tel, de misserie van mijn klanten niet mee naar huis te nemen. Anderzijds zitten er geregeld grappige, ontroerende en interessante verhalen tussen al de miserie. Gesprekken waar ik vaak iets van kan opsteken. Vreemd genoeg werken ontmoetingen met wildvreemden en de daaruit voortvloeiende conversaties net dat tikkeltje heilzamer dan de gesprekken met een therapeut. Blijkbaar moet je op een soort van gelijkgestemde ladder staan vooraleer je echt in je ziel durft te laten kijken. Wanneer je met z’n tweeën naakt in een bed ligt valt er een barrière weg en wordt er sneller gezegd wat er echt speelt. Welke gebeurtenissen uit het verleden maken dat overleven zo moeilijk wordt. Ik voel mij vaak eerder psychologische dienstverlener dan sekswerkster.    Sinds kort is er een nieuwe man in mijn klantenbestand opgedoken. Hij ligt aan de oorzaak van de tintelingen in mijn hoofd die in een tijdspanne van vierentwintig uur zijn overgegaan naar het weeë gevoel dat nu door mijn gehele lichaam huist en dat niets anders is dan een acute vorm van “ldvd”.    Ik heb ondertussen tweemaal met hem afgesproken. Het is te zeggen, hij heeft twee keer met míj afgesproken. Lullaby gebeld om naar de vrije dagen in mijn agenda te informeren. En ik kan zeggen dat het… ja wat kan ik over hem zeggen? Het is eerder een gevoel waar ik mee gewrongen zit. Het was niet het soort contact dat voor rillingen zorgt. Niet het soort man waarvan ik wild word. Hij was netjes geschoren en hij droeg zijn haar in een dotje. Mannen met baarden en met korte haren zijn meer mijn ding. Maar hij had iets geheimzinnigs. Een soort waas zoals die bij wijlen over de Dijle hangt tijdens een mistroostige dag. Een beetje (gespeeld) timide misschien? Ingehouden, toen hij naast mij op het (liefdes)bed plaatsnam. Houterig de knuffel die hij gaf. Onwennig zijn lippen op mijn mond. Voorzichtig de poging tot tongzoenen… hij ontdooide pas toen hij mijn clitoris streelde en begon te vertellen over zijn schrijverscarrière en kwelduivels die hij ermee probeert te temmen.    Hij schrijft poëzie en proza en heeft een knoert van een jeugdtrauma opgelopen. Laat ik nu net een zwak hebben voor romanciers en getormenteerde geesten. Het is niet voor niets dat ik menig boekenbeurs heb afgeschuimd om een glimp van Herman Brusselmans op te vangen en zelfs met hem in discussie ben gegaan over waarom hij niet een keer écht vertelt wat er zich op Theet 77 heeft afgespeeld. Oké, Herman zijn haren zijn ook lang, en hij is eveneens baardloos, maar wat een charisma straalt hij uit! Waarschijnlijk is het door de combinatie van een ongekend moederinstinct én het verlangen om mysteries op te lossen dat ik halsoverkop verliefd geworden ben. Op een klant notabene!    In het luchthotel op het einde van de Kerkstraat ben ik kind aan huis. Het is een leuk rendez-vous hotel waar bijna de helft van al mijn afspraakjes doorgaan. Op vogelvlucht van mijn fluwelen bastion zoals ik mijn knusse appartement gekscherend durf te noemen.    Vandaag ben ik beschikbaar tot 22 uur. Mijn profiel wordt enkel zichtbaar op de site van Lullaby wanneer ik niet aan de slag ben in de eettent waar ik meer bloed, zweet en tranen laat (en dat voor een loon dat minder is dan de helft van wat ik verdien door in mijn blote billen naast, op, of onder mannen te liggen). Ik werk er in shiften. De vroege zijn het hatelijkst. Ik ben geen ochtendmens.    Aangezien er zonet een of andere pipo zo dom geweest is om een afspraak met mij te maken kan ik niet anders dan uit mijn nest te komen en mij klaar te maken. Lullaby heeft een voicemail ingesproken. Of ik om kwart over drie ter plaatse kan zijn en of ik asap kan terugbellen om de afspraak te bevestigen.    Zal ik mijn rode jurk aantrekken vraag ik mij af? Mannen houden niet van lange broeken. Dan blijft er minder ruimte over voor hun fantasie. Misschien moet ik toch die leuke gele broekrok nemen. Geel is mijn lievelingskleur. Geel is alleen weggelegd voor vrouwen die niet met zichzelf in het reine zijn. Geel is een hoe-je-je-door-het-leven-laveert-weerspiegeling-van-labiele-jonge-dames. Met andere woorden: nog erger dan “ldvd”.    Laat het alsjeblieft dikkenekkerige Ali, ranzige Freddy of groot geschapen Louis niet zijn prevel ik wanneer ik nog snel neus en wangen poeder en richting mijn Duitser stap die zoals steeds trouw als een hond aan de overkant van de straat op mij staat te wachten. Hersenloze hufters kan ik er nu echt niet bij hebben, in mijn tot de rand met intense gevoelens gevulde hersenpan.    Ik speur werktuiglijk over het rendez-vous hotel naar witte wagens. Geen enkele. Ook wanneer ik mijn Duitser het zwijgen heb opgelegd blijft het aan de horizon verdacht leeg. Het doembeeld van een hufter dringt zich op…    Net wanneer ik de hoop heb opgegeven om mijn poëet vandaag te zien en dat het misschien toch geen foute beslissing was om mijn rode jurk in de kast te laten hangen, merk ik een witte SUV op. Hij stuift rakelings voorbij en parkeert gezwind op de enige nog vrije plaats recht tegenover mijn Volkswagen Polo. Mijn adem stokt. Ik hoor hoe mijn innerlijke stem met stomheid is geslagen, voel hoe de aders rond mijn slapen pulseren. Het lijken wel mieren die onderhuidse gangen graven om hun eitjes in veiligheid te brengen. Zweetdruppels parelen over mijn voorhoofd. Ik word misselijk van pure opwinding. Iemand stapt uit. Een bruin lederen jasje… een blauwe jeans… haren in een dotje.    Hij is het. De man waardoor ik al weken met mezelf overhoop lig. De schrijver die mij zonder een woord te zeggen doet zweven, mij rust brengt wanneer hij praat, die mij laat smelten door zijn mysterieuze verhalen, mij beroert met zijn openheid. Ik ben verliefd op de schoonheid van de inkt die uit zijn pen vloeit. Ik weet hier en nu dat hij vandaag, speciaal voor mij weer iets geschreven zal hebben. Dat hij na afloop van ons liefdesspel, bij het afscheid, een enveloppe uit de zak van zijn lederen jasje zal halen. En dan zal ik als een ontroostbare bakvis (een puberend meisje overvallen door kalverliefde) zijn passionele woorden wederom een maand lang herlezen – aftellen naar een volgend samenzijn waarop ik hem opnieuw omhels, al het liefdesverdriet dat diep in mij gevangenzit loslaat.

Sascha Beernaert
4 0

Soms fietsen we samen

I. De tent is hermetisch dichtgeritst. Ik reken uit hoeveel vierkante meter we hier delen: vier. En voor hoe lang: ongeveer zeven uur. Wanneer start een ochtend als er geen wekker is? ‘Dat zien we morgen wel’, zei je. ‘Slaap wel’ zeg je.  Het is donker en ik hoor je ademhaling: twee tellen in, drie tellen uit. Mijn ogen wennen aan de duisternis en ik zie je liggen, met je rug naar me toe gedraaid. Het is niet erg, dat van je rug. We houden beiden niet van lucht recycleren, van uitademen in elkaars inademen. Je bent reeds wakker en zit met natte haren op een boomstronk voor de tent. Je handdoek, netjes uitgespreid over een struik, droogt in de eerste zonnestralen. Ik duw mijn blote voeten de tent uit, trek mezelf op mijn hurken en strek mijn benen. Ik kijk naar de lucht, naar het natte gras, naar jou. Je kamt je haren, draait je naar me toe en glimlacht. ‘Ik ben blij dat we dit nog steeds doen. Dat het iets jaarlijks is. Hoe sliep je?’. Ik glimlach terug en zeg: ‘wel oké’. Anderhalf uur later zitten we op de fiets en praten we voluit. Over jouw ouders, over mijn ouders, over de vorige keren dat we hier of elders fietsten. Over ruimtes delen. Over routes plannen. We fietsen langs maïsvelden, weilanden en melkveebedrijven. Jij moet naar het toilet. We houden halt aan een goed gelegen struik en ik houd de wacht. Er is nog maar een beetje toiletpapier over. ‘Ik ben ook blij dat we dit nog steeds doen,’ zeg ik terwijl ik strak voor me uit kijk. Het is niet evident. We zijn in de dertig en fietsen via een omweg beiden wat belangrijke levensbeslissingen tegemoet.  Provinciebelastingen, functioneringsgesprekken, renovatiepremies, eicelpuncties …  De weg naar volwassenheid is hobbelig en soms fiets jij sneller, soms ik. Soms fietsen we samen maar is er tegenwind. Soms raakt iemand achterop en verliezen we elkaar uit het oog. Het hoeft niet altijd gesmeerd te lopen.   II. Het is nog donker wanneer mijn wekker afgaat. Ik draai me op mijn rug, adem diep in (twee tellen) en uit (drie tellen) en stap uit bed. Ik denk terug aan die laatste keer samen. Terwijl ik koffie zet reken ik uit hoeveel jaren er intussen gepasseerd zijn: drie. En hoeveel keer we elkaar sindsdien zagen: nul. Ik zit met natte haren op de trap en trek mijn schoenen aan. Doorheen het raam vallen de eerste zonnestralen binnen. Ik duw mijn fiets de deur uit en strek mijn rug. Ik kijk naar de lucht, het warme asfalt, naar mijn handen op het stuur. Misschien ben je op iets vastgereden, denk ik, terwijl ik mijn fiets opstap. Zoals ook ik dat soms doe. Maar wat als we het toch nog eens proberen, die hermetische tent en dat voluit praten? De zon komt op, ik schakel een versnelling hoger en ik fiets de straat uit. 

Sarah Skoric
27 3