Zoeken

Frankie en ik

"Nu ben je precies Frankie Loosveld uit Het Eiland", zegt mijn vrouw. We staan naast elkaar voor de spiegel. Als u hem kent, weet u dat het geen compliment is. Het personage van Frankie vertoont nogal rare trekken. Grappig, maar overenthousiast en ietwat onvolwassen. Een typetje dus. Al is het niet voor die zaken dat de gelijkenis met Frankie opgaat. Het is mijn kapsel. Net als bij Frankie gaat mijn haarsnit de hoogte in. Alhoewel, snit. Ik heb opgegeven om er een model in te krijgen, zoals de term in officiële kapperskringen luidt. Bovendien groeit het zo snel als sla op een regenachtige dag in het voorjaar. Mijn kapsel is zoals een voetbalveld dat geen meststoffen nodig heeft om tweemaal per week met de zitmaaier afgedaan te worden. Als ik buitenkom bij de kapper, roept de brave man mij al terug binnen. "Het is precies weer lang geworden", zegt hij dan. Het drama is daarenboven dat ze op mijn werkplek niet één, maar twee spiegels in de lift hebben gemonteerd. Geen spier haar die je niet ziet. Als ik er met mijn handen wat schwung of nonchalance probeer in te leggen, verergert dat de zaak alleen maar.   Ik snap goed dat die kale collega telkens fluitend de lift instapt. Nog voor de lift arriveert maakt hij zijn rechterhand met wat spuug al nat. De liftdeur is nog niet dicht of hij begint zijn hoofd als een bowlingbal op te blinken. Daarnaast vertoont mijn grasveld hier en daar dorre plekken. "Och, dat camoufleren we toch", vertelt mijn kapper. "Op het moment dat je die lange spieren van links naar rechts moet leggen, haal je het zware geschut maar boven", zeg ik. "Dat is geen camouflage meer. Dat zijn noodoplossingen in oorlogstijd." Iedereen wil toch fluitend de lift instappen.  

Rudi Lavreysen
22 1

Wat als

Zoveel kruispunten in één leven.  Zoveel keuzes.  Zoveel te kiezen, zoveel gekozen.De eerste kus, de eerste fiets, de eerste kop koffie, de eerste vakantie, het eerste kind, het eerste huwelijk… Af en toe denk ik, wat als… Wat als ik op dat ene kleine moment iets anders had gekozen. Hoe zou m’n leven er dan uitzien. Neem mijn eerste kus.  Ik was helemaal niet verliefd, wél gefascineerd.  Op mijn zestiende kreeg ik mijn eerste kus.  Hij was helemaal weg van mij, ik enkel nieuwsgierig.  Eer ik begreep wat er gaande was, voelde ik een lange stijve tong in mijn mond draaien, zoekend naar iets wat ik niet begreep.  Hij smaakte vies.  De jongen in kwestie wilde nog kussen.  Ik niet.  Ik wist genoeg.  Dit hoefde niet voor mij. Stel je voor dat ik wél ingestemd had met die tweede kus, en een derde en een vierde. Stel dat ik mezelf helemaal in de liefde gesmeten had en wél verliefd was geworden. Pas véél later ontdekte ik dat tongkussen te vergelijken is met je eerste koffie. Het vraagt een beetje doorzetting eer je de smaak te pakken hebt.  Misschien was ik dan wél gegaan voor het huisje, boompje en tuintje.  Trouwen, bouwen, kindjes en de carrière. Dan had ik misschien geen 75 jobs gehad en 35 keer verhuisd.  Klinkt ongeloofwaardig, maar geloof me, dit zijn keiharde feiten.  Misschien had ik dan nu een zoon van 30 die het huis niet uitwilde en die de hele dag spelletjes lag te spelen.  Wie weet, had ik dan al twee burnout’s en een kanker overwonnen omdat het leven zo stresserend was.  Of misschien had ik dan een vechtscheiding achter de rug, waarbij ik een huis gewonnen- en vrede verloren had.Of misschien ging alles zijn gangetje en was ik tevreden. De ‘wat alsen’ zijn eindeloos.  Zoveel kruispunten passeren.  Je kan er veel nutteloze tijd aan verdoen. Mijn leven is gegaan zoals het is gegaan.  Goed of slecht.  Geen oordeel.  Voor mij is het goed.  Had het anders gekund?  Jazeker. Beter?  Welke weg je ook kiest.  Het is jouw weg.  De beste weg.  De enige weg. DIT DELEN:

Heidi Schoefs
31 0

AlleenGelukkig zijn

De schrijver vroeg zich af of je alleen gelukkig zijn in één woord of in twee woorden schrijft. ‘In één woord, het werkwoord “zijn” is wel apart,’ dacht hij. Alleengelukkig zijn. Of, met enige elegantie alleenGelukkig. Op zijn Word blad verschenen beide versies meteen in het rood. Tekenen van hoe saai en kleurloos de wereld aan het worden is, zoals het heelal ook verder en verder uitdijt. ‘En wat wil je hiermee vertellen?’ vroeg hij zich verder af. Alleengelukkig zijn is niet eenzaam zijn. Neen. Eenzaamheid staat hier ver vanaf. Het is leven zowel in het donker als in het licht. Het is wandelen op een uitgestrekt strand met in de verte grappige figuurtjes die mensen en honden zijn. Het is wandelen op een drukke stadsboulevard en beseffen dat je ook in stille straten kan wandelen. Het is gewoon in gedachten zijn of in het diepst van de nacht zich afvragen wat je op deze seksparty doet. Het is wandelen met jou zonder jou. Als verlamd staarde hij voor zich uit. Hij zag geen toekomst en hij had geen perspectieven. De verwachtingen werden niet vervuld. Het bed stonk naar de mufheid van ongewassen lakens. De vieze geur penetreerde zijn lijf. Daar lag hij. Alleen. Zonder jou. Hij had heimwee naar de toekomst. Heimwee naar beschadiging. Heimwee naar dat allesoverheersend moment dat jij er niet meer zou zijn. Hij had pijn aan de herinnering van de toekomst, het was in die toekomst dat hij jou met pijn zou herinneren en zijn beschadigde ziel had pijn nodig. Veel pijn. Hij dacht aan jou. Hij dacht aan jullie. En aan zoveel anderen. Aan de euforische effecten van de drugs. Aan de muziek. Hoe zacht en hoe hard ook. Maar er waren geen melodieën meer in de muziek. Melodieën waren in de jaren ’80 van de vorige eeuw uitgestorven en millenial zangeressen wauwelen maar wat woorden aan elkaar. Hij dacht aan de bedwelmende geuren van uitgeblazen kaarsen. Hij dacht aan wat gefantaseerd was en wat niet. Hij dacht opnieuw aan jullie en hij zag je weggaan. Hij voelde zich als een leeg en verlaten huis met veel gebroken vensters. De vochtigheid sijpelde door alle voegen. In elke ader van het huis stroomde vuiligheid. Zijn lijf deed zeer. Zijn lijf verkrampte door zoveel vochtigheid. Het huilde in hem zoals het regende in dat huis. Hij zag hoe leuk en aanlokkelijk jij op dating sites verscheen. In jouw blik lag altijd dat kinderlijke, dat betoverende en toch die geile charme. Hij zag jouw begeerte. Hij zag ook jouw breekbaarheid, jouw kwetsuren. Het was alsof hij dat doorheen het fonkelen van jouw blauwgrijze ogen kon zien. Hij zag er je angsten. Hij zag de angsten dat iemand jou zou helen, dat iemand jou met seks zou troosten. Terwijl de stellingen aan zijn eigen huis werden opgesteld, zag hij dat het huis aan de overkant afbrokkelde. Hij wou het herstellen. Hij wou zoveel… ‘Je bent, net als ik, gebroken. Ik wil je fiksen, alles aan jou repareren. Door jou te herstellen, herstel ik mezelf ook’, schreef hij ergens in een brief die hij nooit zou versturen. ‘Welk monster huist in jou? Welk monster huist in mij? Ik kruip als een bang kind onder dekens. Weg van de wereld, weg van de pijn. Waar is mijn mama?’ Mijn lichaam is geen tempel. Mijn lichaam is niet heilig. Je mag het met je schoenen aan betreden. Stilte, bezinning en wierook beheersen mijn lichaam niet. Mijn lichaam is mijn lichaam. Gewild, versierd, aangekleed en uitgekleed, bereden, gegeseld, voldaan, betraand, gehuld in fantasie. Mijn lichaam is verjaard, bedaard, getroost en verstoten. Dat schreef hij. En tenslotte schreef hij : AlleenGelukkig zijn. Daar wil ik leven. Met jou.   http://erwinabbeloos.over-blog.com/2020/01/alleengelukkig-zijn.html

Erwin Abbeloos
5 0
Tip

Een komma

‘Tien minuten per dag, meer moet het niet zijn.’ Ze veegt met de palm van haar linkerhand het streepje melk op haar bovenlip weg. De koffiemok in haar andere hand bengelt gevaarlijk nonchalant over de tafel. Wanneer ze spreekt, spreken haar armen en handen mee. Dat geeft haar een komisch uiterlijk, alsof ze zich steeds verdrinkt in het uitleg geven van iets wat de ander niet lijkt te begrijpen, alsof ze het belang van haar zeggen wil onderstrepen. ‘Het staat geschreven in handleidingen, in magazines voor trutten – al dan niet online, of erger, op zelfhulp websites voor beginnende schrijvers.’ Ik krijg elke dag wel een melding in mijn mailbox. “Grijp die kans nu!”, “Jouw laatste 12 uren gaan nu in!” en “Echt, wil je mij nooit meer terugzien? We betekenden zo veel voor elkaar.” Tien minuten discipline per dag, hoor ik haar nog zeggen. Al was het maar een woord, een slordig idee, een zin, een paragraaf of zelfs een hoofdstuk. Tien minuten per dag om te hakken, te knippen, te plakken, te verscheuren of gewoon te zuchten. ‘Ik mag toch iets verwachten van jou, toch? Ik geloof in jou, ik investeer in jou.’ Het kost me een hele dag om dit stukje neer te pennen, zeg ik haar. Haar blik komt in vriesstand. Alleen haar lichaam buigt zich in slow motion mijn richting uit. ‘Het gaat over wat achter het schrijven ligt,’ zegt ze terwijl ze met elk uitgesproken woord ontdooit en uiteindelijk door haar wilde blonde haren wrijft. Die haarstijl geeft haar een onverzorgd uiterlijk. ‘Een ochtendwandeling door Brussel, een miauwende kat, een dutje in de namiddag, de afwas, tweemaal koken op één dag, naar buiten staren en de pendelaars opmerken, de was plooien, een verjaardagskaart sturen of naar ruige porno kijken. Het moet niet altijd rekening betalen zijn. Geef eens wat geld uit.’ Ik wuif naar het meisje dat onze tafel bedient. Met een onzichtbare pen krabbel ik enkele lijntjes in de lucht en geef zo het teken dat ik wil betalen. Ze knipoogt en loopt naar de kassa. ‘Wel’, zeg ik, ‘ik heb alvast een komma verschoven in mijn vorige tekst.’ Ik haal mijn bankkaart boven en wacht geduldig op de rekening. Mijn uitgever glimlacht genoegzaam. ‘Zie je wel dat je het kan!’ en ze neemt haar handtas. Ze staat op. ‘En schrijf nu maar dat ik opsta en het restaurant verlaat.’ Ze is het restaurant uitgewandeld. Eén komma is verschoven en het manuscript werd herschreven.   http://erwinabbeloos.over-blog.com/2020/01/een-komma.html

Erwin Abbeloos
162 3

Toastjes met kip curry

Het overkomt zelfs de meest ervaren klanten. Als een snelwandelaar een aantal keren de volledige supermarkt rondlopen, zeg maar vijfduizend stappen, en die laatste boodschap op je briefje blijft onvindbaar. Op het moment dat ik wanhopig, bijna zoals een man die zijn kinderen kwijt is in het pretpark, op zoek ga naar een verkoopster, spreekt een mevrouw me aan. Een collega-zoeker, zo blijkt. "Meneer, mag ik u wat vragen?", stelt ze meteen een vraag. Ik zeg niet dat ze me net al iets gevraagd heeft, maar ik antwoord bevestigend. "Weet u toevallig de toastjes liggen? Om kip curry op te doen." Nu zeg ik niet dat toeval niet bestaat, maar die heb ik net in mijn winkelkar gekieperd. Voor de paté die ik bij de slager gehaald heb. "Zeker", zeg ik. "Volgt u maar." Nadat de toastjes de weg naar haar winkelmandje gevonden hebben, vraagt ze of ze me nog iets mag vragen. "Zou u mijn winkelbriefje willen voorlezen? Ik heb het thuis met de loep geschreven en omwille van mijn slechtziendheid kan ik het nu niet lezen." Nu pas valt mijn oog op haar sterke bril. "Natuurlijk", zei ik. "Met plezier." Terwijl ik haar boodschappen voorlees, steekt ze telkens een vinger op en zegt ze 'ja' als het in haar winkelmandje ligt. Enkel de peperkoek heeft ze nog niet. "Die ligt helemaal achteraan, bij de koeken", zeg ik. Na een 'dank je wel' en een 'met plezier' vervolgt ze haar weg. Terwijl ik haar nakijk besef ik dat ik die uienkonfijt nog altijd moet zoeken. Dat was het laatste item van mijn boodschappenlijst. Een winkeljuffrouw neemt me mee naar de vaste plek van de uienkonfijt. Ik ben er minstens vijf keer gepasseerd. Dat zal je altijd zien, de rode uienkonfijt is uitverkocht. Had ik ook maar kip curry meegebracht.  

Rudi Lavreysen
77 1

Waar ben ik aan gehecht?

Mijn woonkamer is gelegen op de derde verdieping. Geen lift dus neem ik de trap. Die is van steen. Geen tapijt want een tapijt zou wijzen op welstand en dat standje ken ik niet. Als ik de voordeur van mijn appartement bereik zie ik meteen dat er iets niet klopt. Wat klopt hier niet? Er is iets mis met het slot. Ik zie dat er iets mis is met het goedkope slot. Op het matje ligt een donker ding. Ik buk me, raap het op, kijk nog eens naar het slot. Wat in mijn hand ligt is er een onderdeel van! Heel veel denkvermogen heb ik niet nodig om te beseffen dat het slot geforceerd werd. Is het zo? Het is inderdaad zo! Het luidruchtig kloppen van mijn hart maakt me zenuwachtig. Ik probeer het te kalmeren. Met de ene hand open ik de deur, met mijn andere maak ik een denkbeeldige vuist. Er zijn slechts twee stappen nodig; een, twee. Ik zet ze. Stoere stappen richting woonkamer. En dan zie ik hem. Hij ziet mij. Hij schrikt, ik ook. 'Wat doe jij hier?' De nadruk ligt op JIJ! De JIJ van een vijand. De JIJ van een belager, een indringer, een schoft! Hij zegt niets, ik loop naar buiten, weg uit mijn eigen woning. De treden lijken me te helpen bij het wegrennen; ze geven de bal van mijn rechtervoet een duwtje, de hiel volgt, de andere bal een duwtje, de andere hiel volgt. Meteen sta ik terug op het trottoir. Ren de rijweg over, oef, er reden geen auto's in volle snelheid voorbij. Ik duik de bloemenzaak binnen.  'Een telefoon! Nu! Geef me een telefoon!' Op de agenten hoef ik niet lang te wachten. Ze brengen mijn gedachten terug naar de inbreker, staat hij nog steeds in mijn woonkamer, zoekend in mijn kasten naar waardevolle spullen? Naar geld? Zal hij iets stelen waar ik gehecht aan ben? Waar ben ik aan gehecht?    

Ingrid Strobbe
24 0

Fietsslim - mensdom

  Echo Benieuwd is een wezentje, een mysterieus en eenvoudig figuurtje.  Zijn lichaamsvorm is moeilijk te beschrijven.  Hij wordt één met zijn omgeving.  Hoe hij zich beweegt, is nog een groter vraagteken.  Rollend, kruipend en slepend komt waarschijnlijk het dichtst bij de manier waarop hij zich voortbeweegt. Tegen alle verwachtingen in beweegt hij zich vrij vlot.  Lucht houdt hem in leven.  Hij huist ergens op de buiten in een klein dorpje onder een spoorbrug gelegen op een geliefde fietsroute.  Zonder overdrijven, op een mooie winter-lente-zomer-herfstdag fietsen wel honderden fietsers het bruggetje onderdoor. Iedereen of bijna iedereen roept dan iets naar Echo Benieuwd toe.  Mensen zien hem niet.. Hij is onbestaande en ook weer niet.  Horen doen ze hem wel. Kinderen houden ontzettend veel van hem.  Ze willen hem telkens opnieuw horen.  Volwassenen katapulteert hij terug naar hun onbezonnen kindertijd, al is het maar voor even.  Hoe gehaaster of gestresseerde de rijders ook zijn, bij een kreet onder de brug is de ontlading gegarandeerd een troef.  Helaas vergeten gespannen mensen de deugd van uiting dan het vaaks.  Op dat moment zou Echo Benieuwd niet liever willen dan die mensen te helpen.  Hoe hij ook probeert in alle mogelijke bochten, het lukt hem niet.  Soms loopt hij gebukt onder zijn eigen niet kunnen en vervloekt hij zijn beperkte echokunde. Is hij jaloers op de mens met zijn kunnen en zijn creaties. Hij kijkt naar de fiets als voorbeeld.  De verscheidenheid ervan is enorm groot. Bakfietsen om spullen of kinderen te vervoeren.  Racefietsen om snel te fietsen.  Mountainbikes voor de bossen.  Ook hier onder het bruggetje op het beton zijn ze welkom.  Crossfietsen zijn dan weer geschikt voor elke ondergrond.  Ligfietsen bevinden zich heel laag tegen de grond.  Fietsen met fietszakken en kinderzitjes.  Grote en kleine twee- drie- of eenwielers. Rolstoelgebruikers klikken hun handbike vast en fietsen met hun handen. Fietsen hebben dikke, dunne, gladde of geribbelde banden .  Sturen hebben ook allerlei vormen.  Elektrische ondersteuning op het stalen ros zorgt nog eens voor een variant.  Kortom voor ieder, groot, klein oud of jong bestaat er een rijwiel in alle soorten, kleuren, gewichten en formaten.  Aan diversiteit en verscheidenheid geen gebrek.  Elk mankement aan een fiets wordt verholpen door een mens.  Geen fiets of mens die klaagt.  Bewonderingswaardig. ‘Hallo, hallo’ is zowat het meest voorkomende woord dat geroepen wordt in alle tonen en volumes.  Onmiddellijk daarna weerklinkt de klanknabootsing ‘hallo, hallo’ van Echo Benieuwd.  Wanneer mensen ’Hallo Echo’ roepen dan voelt Echo Benieuwd zich erg vereerd en geliefd.  Hij zegt het mooi na zoals het hoort.  Vooral kinderen kunnen er niet genoeg van krijgen, keren terug apart of met meerdere samen, zeggen het mogelijke, onmogelijke om hem uit te dagen. Soms gieren ze het uit van de pret en staat de verbazing op hun gezicht te lezen.  Echo Benieuwd valt niet te kloppen.  Keer op keer echoot hij hen perfect na. Hoogtepuntmomentjes. En dan die scheldmomenten.  Vreselijk.  Dieptepuntmomentjes.  ‘Hey makak , loser, hoer, janet, debiel of gekapte,…’ roepen mensen naar elkaar in zijn bijzijn. Hoe dom kan een mens naar mens niet zijn?  Waar is de mens nu met al zijn kennis en kunde?  Oplossingen en waarderingen voor mensendiversiteit blijven zoek.  Hoe kan dat nu?  Fietsslim maar mensdom.  Dat gaat Echo Benieuwd zijn verstand te boven.  Hoe hard hij ook ineen kruipt, probeert in alle talen te zwijgen, niets helpt.  Het is sterker dan hemzelf.  Opnieuw zegt hij het lelijks en het vernederendst na.  Het lijkt alsof hij, Echo Benieuwd, er nog een schepje bovenop doet met al zijn nabootsing.  Niets is minder waar.  Voor Wolk Amadeus wordt het pijnlijke hem te veel en begint hij te huilen.  De zon houdt stand.  Met haar zonnestralen dringt ze vastberaden binnen in een regendruppel.  Kort daarna schittert de regenboog in al zijn pracht aan de hemel.  Voor iedereen gelijk.  De rijkdom van de natuur.  Iets of niemand kan dat ontkennen.  Wolk Amadeus en Echo Benieuwd vinden het ook mooi. En dan komt Marieke enthousiast aangefietst en roept:’ Joepie, ik leef!’ ‘Joepie, ik leef’ echoot Echo Benieuwd blij!!!.   Ann Stuckens 03-01-2020      

Ann Stuckens
30 0

In alle eerlijkheid

Het is zover. Ik heb er eentje. Onze oudste confronteerde me er mee. We waren een dag gelijk op pad en hij hoorde het iets te vaak. "Pa, stop daar eens mee", zei hij. "Je zegt het bijna na elke zin." Het was me wel eens opgevallen, maar dat het zo erg was, wist ik niet in alle eerlijkheid. Kijk, daar is het opnieuw. Mijn stopwoord: 'In alle eerlijkheid'. Ik had nooit gedacht dat ik iemand zou zijn met een stopwoord. Om de paar zinnen komt het er automatisch uit. Zoals de koekoek elk uur uit zijn koekoeksklok springt. Het is klokvast. Het moet eruit. Ik kan het niet meer controleren. Ik heb voor de aardigheid enkele zinnen genoteerd. Zinnen waarin het bijna automatisch voorkomt. "Er is in alle eerlijkheid niks met een portie bitterballen.” "Ik proef het verschil ook niet in alle eerlijkheid." "Ik snap dat wel in alle eerlijkheid." Dat zijn er nog maar drie, maar u snapt mijn probleem. Het is alles bij elkaar een gek ding. Soms betrap ik er mezelf andermaal op dat 'in alle eerlijkheid' uit mijn mond komt en dan begin ik te vloeken. Dan lijkt het alsof ik het syndroom van Gilles de la Tourette heb. Nee, er moet iets aan gedaan worden. Voor je het weet gaat het zijn eigen leven leiden en beginnen de mensen je een naam te geven. Zoals bij mijn kennis de Wittewel.   Het goede nieuws is dat ik in de eerste fase van mijn probleem zit. De herkenningsgfase. Ik ben me bewust van mijn probleem. Een zelfhulporganisatie is daarom geen slecht idee. Maar die zal wellicht nog niet bestaan voor mensen met deze aandoening of stoornis. Wat denkt u bijvoorbeeld van de Storende Stopwoordgebruikers? Al is de afkorting daarvan in alle eerlijkheid niet het beste idee.  

Rudi Lavreysen
24 1

Maar Michel toch

Mijn krant ging onmiddellijk naar beneden. Had hij dat echt gezegd? Ik keek met grote ogen naar het tv-toestel. Van het schrikken. Zoiets zeg je toch niet? Ik heb zelfs luid “Maar Michel toch” geroepen. “Naar wie zit je te roepen?”, vroeg mijn vrouw. Maar wacht, laat me eerst de plaats van het gebeuren meegeven. Er was een veldrit op de tv. Die dag eentje voor vrouwen. Een passieve activiteit die ik combineer met het actief lezen van de krant of een boek. Kwestie van me niet schuldig te voelen voor het complete nietsdoen terwijl de wielrenners zich het zweet uit het fietspak koersen. De Michel naar wie ik riep, is de vaste wielercommentator bij het veld- en wegwielrennen. Hij had het wel degelijk gezegd. In exact deze bewoording: "Maar kijk eens naar dat gat nu weer." Zelfs de co-commentator reageerde niet. Er was echter geen wielrenster te bespeuren. Ook niet in achteraanzicht, wat je zou verwachten bij een dergelijke uitspraak. Alleen een beeld uit de lucht van een modderige vlakte. De ‘weer’ in zijn uitspraak duidde erop dat hij nog een achterwerk gezien had. Net op het moment dat ik de terugspoelknop meende te gebruiken, zag ik het ‘gat’. Alsof iemand het licht aanknipte in het donker. Het 'gat' waarvan sprake was het gat of de ruimte tussen een aantal wielrensters. Hij kan toch ook vragen om naar de voorsprong te kijken? Afijn, dat krijg je natuurlijk als je ogen op de krant en niet naar de tv gericht zijn. “De krant lezen en tegelijk tv kijken gaat duidelijk niet”, zei ik. Ik zweeg over mijn misinterpretatie van het gat van Michel. Al had mijn echtgenote, die weet hoe ze als vrouw twee zaken tegelijk kan doen, meteen een oplossing. “Maak dan een gat in uw krant”, zei ze.  

Rudi Lavreysen
69 0

Langteen en Schommelbuik

"Ik zeg het. Ze moeten Jef Nys een standbeeld geven." De man onder ons spreekt het uit als 'Jef Naas'. Het is volop zomer en we zitten op een Antwerps terras. Bij het basketpleintje aan het Sint-Jansvliet. We zitten voor het raam op barkrukken en kijken over het terras. Als een stel schippers die over de boeg van het schip turen. Het viertallige gezelschap lijkt niet naar huis te gaan vooraleer ze de klimaatzaak opgelost hebben. "In de jaren '60 bracht hij het stripverhaal De Straalvogel uit. Over een vliegtuig dat op waterstof vliegt. En begin jaren '70 De Grasmobiel. Over een auto die op gras rijdt. Zeg nu zelf.” "Ja Eddy", zegt zijn buurman terwijl het bierschuim van zijn lippen veegt, "maar dat is pure fantasie. Die toestellen werken niet.” "Elke uitvinder heeft zijn dromen Roger", gaat hij verder. "Nys was een visionair. Ik zal zelfs meer zeggen. Lang voor de computers heeft hij de sociale media voorspeld, zoals Facebook en Instagram. Het was een figuurtje dat maar twee zinnen kende. Ik meen dat het “Dat vind ik leuk” en “Dat vind ik niet leuk” was. Geef toe, meer doen we op sociale media toch niet.” De anderen zijn onder de indruk. “En wanneer heeft hij dat voorspeld?” “Begin jaren zestig. Nog voor Jommeke, in de albums van Langteen en Schommelbuik. Dat waren kabouters. ”De andere drie komen niet bij van het lachen. “Kijk, ik ben ook Schommelbuik”, lacht de meest corpulente van het gezelschap terwijl hij zijn buik vastneemt. Ze schudden van het lachen. Ik besluit om me niet te moeien. Maar Jef Nys heeft inderdaad die reeks gemaakt. Ik moet nog een exemplaar hebben. Thuis ga ik op zoek. Inderdaad, kabouter Knaagtand zegt alleen maar “Ja, dat zie ik graag” en “Nee, dat zie ik niet graag”. Geef toe.

Rudi Lavreysen
601 1

Patatten met snottebellen

Een man van pakweg zeventig jaar, al kan het ook een jong uitziende tachtiger zijn, speurt in een taverne naar een vrijstaande tafel. In zijn kielzog schuifelen twee jongemannen. "Opa met zijn kleinzonen", zeg ik. Het koppel naast ons zwaait naar de man. De vrouw maakt daarbij ietwat overdreven lipbewegingen, zonder een geluid voort te brengen. "Wij vertrekken zo", liplees ik. "Dat is vriendelijk", zegt de man. Ik begrijp dat ze net voordien samen een grote militaire begraafplaats bezocht hebben. De kleinzonen zijn onder de indruk. "Opa heeft nog gezien dat ze de stoffelijke resten van de soldaten met vrachtwagens tot hier brachten", zegt hij. Grootouders spreken vaak in de derde persoon over zichzelf. "Misschien vertellen zijn kleinkinderen dat verhaal volgende week wel in de klas", fluister ik. "Of hij kan het er beter zelf vertellen. Een verhaal uit eerste hand blijft altijd meer hangen." De oudste van de twee kleinzonen heeft de leeftijd om een pintje te bestellen. Opa knikt goedkeurend. Als hij even later een foto neemt van zijn kleinzonen, zegt de oudste dat hij die maar niet naar hun papa moet sturen. Aan hun accent hoor ik dat de kleinkinderen aan de andere kant van het land wonen. De jongste heeft onlangs een voetbalwedstrijd in de streek van Brugge gespeeld. Op een slecht veld. "Een patattenveld dus", zegt opa. Waarna hij moet uitleggen waar die naam vandaan komt. "Alsof ze net aardappelen hebben uitgedaan op het veld", verklaart hij. "Ik heb vroeger vaak op echte patattenvelden gezeten", zeg ik tegen mijn vrouw. "De aardappelen gerooid in de tuin of op het veld. Op onze knieën. Onze pa met de riek en ons ma met een rode doek op haar hoofd. Ik zie ons nog zitten. Met de ijzeren mand om de aardappelen in te doen. Het leek wel eens scène uit een oud schilderij. Op zich leuk om te doen, maar af en toe graaf je een rotte aardappel op. Behoorlijk vies, zoals snottebellen." "Zeg, we gaan dadelijk wel eten", zegt mijn vrouw. "En als je dan 's avonds in bad ging", ga ik verder alsof ik het niet gehoord heb, "zag het water achteraf zo zwart als de nacht. Precies alsof er inkt in plaats van water in het bad zat. Het groene schuursponsje lag klaar, samen met de gele bus Cif, om achteraf het bad terug netjes te maken. Drie dagen later kwam er nog zand uit mijn neus." "Jij moet later ook van die verhalen vertellen", zegt mijn vrouw. "Opa heeft vroeger nog veel patatten geraapt, kan je dan zeggen." Net op dat moment brengt de ober ons eten. "Inderdaad", zeg ik. "Patatten met snottebellen."

Rudi Lavreysen
5 0