Zoeken

Hij is dood

‘Ik dacht dat jij in Spanje zat?’‘Alleen zeker?!’‘Hoezo?’‘M’n vriend is toch dood’‘Oei dat wist ik niet’ Ik zag hoe de vrouw op haar lip beet en in stilte verder ging met haar boodschappen op de band te leggen. De facelift die ze ooit had gehad zag er uitgezakt uit. Het verdriet had alles naar beneden gesleurd. Ze zag eruit of ze weggelopen was uit een theaterstuk met een dramatisch einde. Het theater van het leven. Wellicht was ze jaren geleden, na de scheiding van haar eerste man, dol-verliefd geworden. De man van haar leven. Een avontuurlijke sterke jonge vent, tien jaar jonger dan zij. Het leven lachte haar toe. Zij zag er toen jong en fris uit voor haar leeftijd. Hij had haar meegenomen op zijn avonturen in het buitenland.  Zijn werk noopte hem tot veel reizen. En zij mocht altijd mee. Ze gaf haar job en carrière met plezier op. Hij verdiende toch genoeg voor twee. Na jaren uit een koffer geleefd te hebben , vestigden ze zich uiteindelijk in Spanje. Het klimaat, de gezonde lucht, het lekkere eten, vrienden.. het waren allemaal doorslaggevende factoren die hen tot deze beslissing brachten. Op aandringen van haar vriend had ze alle schepen in haar thuisland achter zich verbrand. Hij kocht een beest van een villa, met zwembad en zicht op zee. Ze waren gelukkig. Maar het noodlot sloeg onverbiddelijk toe. Covid overspoelde de wereld en eiste zijn tol. Toch was niet Covid de grote schuldige. Nee, na drie vaccin’s en een vierde booster zakte haar sterke jonge vent als een pudding in elkaar. Dood. Oorzaak: een Tia. Aangezien er op praktisch vlak nog niets geregeld was voor haar, ging de villa automatisch over naar zijn oudste zoon. Zij was verplicht terug naar België te keren, zonder geld, zonder huis. Zijn kinderen hadden géén ruimte voor de vrouw die hun vader gestolen had van hun mama. Ze weigerden om het anders te zien. De vork zat echter anders in de steel. Hun papa was hun mama al jaren moe geweest en wilde al lang weg van haar. Toen hij de knoop doorhakte, werd de vrouw waar hij verliefd op werd, uiteraard de zondebok. Zij woont nu bij haar dochter en zoekt naarstig naar werk. Zonder resultaat. Overal vinden ze haar te oud. Over twee jaar mag ze met pensioen…

Heidi Schoefs
27 0

Brooddronken hoofdstuk 19

19   Het postkantoor Kortrijk 1, 1ste afdeling maakt zich op om de werkdag, althans van de postmannen-uitreikers, te beëindigen. De namiddagploeg is aangekomen om te sorteren. Dat is alles wat zij doen ’s namiddags. Sorteren en af en toe wat post versturen die in de namiddag toekomt. De meeste uitreikers zijn binnen. Reginald zit voorovergebogen over een pint aan zijn werkpost zijn rekening te maken. Hij draait zijn rekeningblaadje wel drie keer om en krabbelt telkenmale iets in een vakje. De liftdeur gaat open en even later ook de deur van de postmannenzaal. Zoals veel dingen in het postgebouw is het aan vervanging of toch minstens herstel toe en wie dag in, dag uit daar zou werken, zou horendol worden van het gekraak en gepiep van scharnieren die smeken om wat olie. Chef Rik gaat naar de werkpost van Reginald. ‘Uw vrouw heeft gebeld,’ laat hij Reginald weten. ‘Ah, ligt ze dood?’ Daar kan chef Rik niet mee lachen. Hij is zelf een weduwnaar. ‘…’ ‘Ja, dat kan moeilijk, anders… ging ze niet gebeld hebben. Wat moet ze-ze… nu weer hebben?’ Reginald kijkt niet op en krabbelt lustig verder op zijn rekeningenblaadje. ‘Ze zegt dat Billy zijn vriendin gaan halen is met de Lada en dat ge nog niet direct achter Jules gaat kunnen gaan.’ ‘Godverdomme, hé, daar gaat mijn siësta. Of mag ik een postauto le…nen om pa te gaan halen?’ Chef Rik kijkt hem aan. Dicht genoeg om olfactorisch te kunnen peilen naar het alcoholgehalte van Reginalds bloed. ‘Ge hebt gezopen, zeker?’ ‘Nee. Ja.’ ‘Dan krijgt ge geen postauto.’ ‘Merde,’ vloekt Reginald, ‘dat is toch… altijd hetzelfde. Kan ik hier mijn siësta niet doen?’ ‘Reginald, we gebruiken de slaapzaal al jaren niet meer. De bedden zijn al lang weggenomen.’ Ondertussen passeren Bruno en Jimmy, die net terug zijn van op ronde, langs de werkpost van Reginald, op weg naar de rekenplichtige om hun rekening af te geven. Reginald staat op, maar heeft moeite om zijn evenwicht te behouden. ‘Ah,’ stamelt hij, ‘wie er daar… is.’ ‘Dag Reginald,’ antwoordt Bruno. ‘Is hij een… beetje braaf… gew-geweest?’ Reginald kijkt dwars door Bruno naar Jimmy met een blik die zegt dat als er klachten zijn, hij zijn zoon de kop in zou slaan, maar alleen wanneer ze alleen en/of thuis zijn. ‘Geen klachten, Reginald. Ik zie het wel goed komen.’ Chef Rik pikt in. ‘Het is ook nog maar de eerste dag, hé. Enfin, mannekes, ’t is drie uur, tijd om naar huis te gaan. Enfin, hier kunt ge niet blijven, dat toch.’ ‘Jimmy, wij gaan samen naar… huis,’ zegt Reginald. De stilte waar Jimmy zo naar verlangt, zal nog een tijdje uitblijven. Ofwel wordt het een tumultueuze rit naar huis, ofwel wordt het wel degelijk stil – een ongemakkelijke stilte. Voor de storm. ‘Doe maar,’ zegt Bruno, ‘ik ga mijn rekening naar boven dragen en dan ben ik ook naar mijn kot.’ ‘Ver…tel eens, Jimmy, hebt gij die vriendin van onze Billy al eens ge…zien?’ Reginald stamelt terwijl hij alle moeite heeft om zijn regenbroek aan te trekken. ‘Ja.’ Ze stappen samen de lift binnen. ‘En, hoe is ze?’ Reginald is veel te nieuwsgierig, vindt Jimmy terwijl hij op de knop drukt die hen naar -1 voert. ‘Dat zult ge vanavond zien, hé.’ Jimmy weet dat dat geen vraag is, maar een verzoek, een eis, om informatie. Jimmy moet vertellen hoe ze er uit ziet, wat voor karakter ze heeft en nog meer van zulke zaken. Het wordt een lastige rit.

Miguel
3 0

Brooddronken hoofdstuk 18

18   De Lada hoest en proest het uit maar heeft het toch tot aan het station uitgezongen. Op de parkeerplaats van het Conservatoriumplein is er nog één plekje vrij. De gratis parkeerplaatsen zijn in zwang, zeker op een feestavond waar de mensen als uitstekend geconditioneerde hamsters al het eten vergaren en naar hun schuilplaatsen brengen. Het is alsof een groot monster de stad beloert en zal toeslaan iets rond 19 uur en om het beest te plezieren, moet iedereen in de late namiddag aan het kokkerellen slaan (als ze dat al niet deden de dag er voor) om een zo exorbitant mogelijke maaltijd op tafel te toveren en er dan van te schransen. Billy trekt de handrem op. Hij gooit twee stukken van vijftig in de parkeermeter, dat zou ruimschoots voldoende moeten zijn. De trein zou bijna moeten gearriveerd zijn, dus haast hij zich naar het perron. Hij ziet de trein komende van Gent arriveren. Het lijkt alsof het een scène uit een romantische film is. Voor hem lijkt het althans een film. Hij, Billy Sabbe, uitgescheten door zijn vader als eeuwige broekverslijter en nietsnut, komt op kerstavond naar het station van zijn stad om er zijn vriendin op te halen. Zíjn vriendin. Hij wacht op het afgesproken perron, handen diep in zijn zakken, zijn hoofd gebogen. En wacht. Hij kent zijn leven, een leven van net niet goed genoeg, van het beste alternatief als niets anders werkt, van het vijfde wiel aan de wagen of een vork in een wereld van soep te zijn. Het zal toch geen waar zijn dat Célestine, want zo heet zijn vriendin, nu ergens met haar vriendinnen zich leuk zit te maken over die domme kloot van een Billy die in al haar verleidingspogingen – en zo subtiel waren ze nu ook weer niet – was getrapt en nu voor haar zelfs bij zijn familie een bord heeft gezet om speciaal voor haar gehaald vegan-eten te kunnen serveren? De twijfel maalt rond en ergens is er van de zelfverzekerde kerel die hij was in de aanloop naar de feestdagen – hij bracht zomaar eventjes zijn vriendin mee naar huis, zijn vriendin met wie het deze keer wél zou lukken, zijn vriendin die eens niét met zijn voeten en zijn hoofd zou spelen – niet veel meer over. Er wordt op zijn schouder getikt en twee wollen handen bedekken zijn ogen. Het parfum, Eau Revoir, zou hij uit duizenden herkennen, ook al hadden die duizenden anderen net dezelfde geur, toch was haar geur net iets anders. Célestine Onyewu. Donkerbruine huid, groene ogen, die heeft ze van haar moeder en parelwitte tanden. Schouderlang pikzwart krulhaar en een lijntje om door een ringetje te halen. Telkens Billy haar aankijkt, beseft hij dat hij net als zijn vader het mooiste meisje van de stad heeft kunnen strikken. ‘Hai,’ zegt ze. Ze glimlacht, al kan Billy dat niet zien. Het is alsof haar glimlach door haar warme handen wordt gekanaliseerd, wat op zijn beurt weer bij een glimlach bij Billy zorgt, die zich omdraait. ‘Hey. Ben je er klaar voor?’ Célestine lacht. ‘Het is precies alsof ik naar de slachtbank word geleid. Dat zal echt wel goed mee vallen, hoor, ontspan je nu maar eens.’ ‘Dat denk je maar. Je kent mijn pa niet. Hij is nog erger dan mijn grootvader en ze zullen er allebei zijn,’ zegt Billy. ‘Ach, daar geloof ik niets van. Jij bent toch een bovenste beste kerel? Uit een perenboom vallen toch geen appels, of wel soms? Wees eens wat meer in de kerst-spirit!’ Billy draait met de ogen. Ze zou beter moeten weten. Zíj zou beter moeten weten.

Miguel
3 0

Het woonzorgcentrum

Rustig, maar toch een beetje zenuwachtig, sloft Staf rond de eikenhouten tafel. Af en toe steunt hij op de leuning van een stoel terwijl hij de schilderijen aan de muur bekijkt. Echte kunst was voor hen wel onbetaalbaar, maar deze werken uit het atelier van Martin Douven blijven voor hem nog steeds mooi. Terug in de salon laat hij zich zuchtend in zijn zetel zakken. Zo neemt hij weer even de tijd om rond te kijken. Hoe lang is dat hier al onveranderd?In de gang hangt een zeer speciaal werk, waar hij dikwijls voor blijft staan. Nu ook wil hij bij “de herder” herinneringen laten komen. Hoe dikwijls heeft hij het moment van aankoop niet terug beleefd? Zijn Stanske en hij zagen haar vader hierin afgebeeld, bruine pet op de grijze haren, pijp in de mond. Was dat niet dezelfde pijp als vaders favoriet? In de achtergrond een boerderijtje zoals er in de Kempen zoveel te vinden zijn. Het had wat gelijkenis met het ouderlijk huis, vonden ze toen. Staf zucht en schudt zijn hoofd, waar is de tijd dat ze in de winkel fantaseerden over dit schilderij. Tree per tree bestijgt hij de trap. Dit wordt toch te moeilijk om dagelijks te doen. Boven het bed, waar hij sinds het overlijden van zijn Stanske nu twee jaar alleen moet inkruipen, hangt nog steeds dat mooie bloemverkoopstertje. Toen ze het kochten was de vrouwelijkheid te uitgesproken, waardoor het wel in de intimiteit van de slaapkamer belandde. Toen de kinderen nog klein waren, mochten ze daarom ook niet in hun kamer komen. Wanneer ze dat toch deden om stiekem naar dit verboden werk te kijken, kregen ze een vermanende vinger te zien en vlogen ze direct naar hun kamer. De verkoper had met het overtuigend van de uitzonderlijke prijs. Later zou dit een gegeerd kunstwerk worden. Staf grinnikte bij het tellen van het aantal keren hij hetzelfde schilderij bij kennissen had weten hangen. Dat moet zijn dochter zijn. Elke vrijdagmiddag komt zijn dochter om te kijken hoe het hem vergaat. 'Boven in de kamer, wacht, ik kom wel.' 'Laat maar, Guido is er ook bij en we willen onze kamer van vroeger nog wel eens zien.' De kinderen zijn ondertussen natuurlijk ook vader en moeder geworden. Er is geen reden meer om hen uit de slaapkamer te weren. 'Ach, ach. Ben je weer naar je schone madam aan het kijken', lacht zijn zoon. 'Neen kinderen, ik ben afscheid aan het nemen. Bedankt dat jullie een plaats voor mij gevonden hebben. Vandaag zat de brief in de bus. Ik word volgende maand in het woonzorgcentrum verwacht.'

Luc Van Roosbroeck
0 0

Toevallige ontmoeting

Bij het begin van de wintersolden is de keuze weer enorm dit jaar. De inkopers hadden duidelijk slechter weer verwacht. Peter heeft zijn voorzorgen genomen om binnen zijn budget te blijven. Hij noteert nauwkeurig alle uitgaven en beperkt zijn aankopen per winkel. Hierdoor kan hij als toemaatje voor zijn vriendin in de vrouwenafdeling van Zara op zoek naar een truitje. Zij spreekt toch steeds over de mooie keuze die ze daar vindt. Aangezien zij tot de tweede afslag wacht, kan hij haar verrassen. Na enkele stuks uit de grote verscheidenheid in de eerste bak vergeleken te hebben, vindt hij de gepaste maat. Maar hij is niet alleen. Een andere mannenhand heeft die gelijktijdig vast. Peter kijkt omhoog, ziet een kerel van rond de veertig. Toch is het een leuk truitje dat hij te pakken heeft. Gelukkig voor hem lijkt het niet de beste keuze voor die andere man, zo snel laat hij los. Tevreden met zijn buit loopt Peter naar de kassa. Jan weet het niet meer. Marie is woest op hem. Waarom? Is het zo erg dat hij bij vrienden bleef overnachten na een veel te lange nacht? Natuurlijk had hij beter een sms-je gestuurd. Veel verschil had dat wel niet gemaakt. Marie zou daar toch ook de verkeerde conclusies uit trekken. Daarbij is he tniet de eerste keer dat Marie boos op hem is. Toen hij een week geleden vlees had klaargemaakt op vrijdag, was ze ook beginnen schelden. Voor die ene keer dat hij nog eens vlees bij het gerecht had gekozen, was dit ongepast geweest op vrijdag. Moet je nu nog rekening houden met oude gewoonten ook? Het was dan wel zeker een jaar geleden dat zij samen besloten hadden minder vlees te eten, deze ene keer viel het duidelijk verkeerd. In zichzelf gekeerd was hij hun huis uitgelopen. Woorden hielpen niet, dat was hem de laatste tijd duidelijk geworden. Een verzoenend gebaar was steeds beter. Nu met de solden kan hij misschien wel iets leuk voor haar vinden, zonder dat ze kwaad zou worden over de prijs. Hij moet echter wel opletten dat hij haar met zijn keuze niet gaat kwetsen. Hij loopt een winkel binnen, grabbelt in een ton met zwarte truitjes. Zijn snelle keuze botst blijkbaar op weerstand. Hij trekt nog even en ziet dan een mannenhand welke de andere mouw vastheeft. Ach, wat doet het er toe. Hij zucht en vertrekt.

Luc Van Roosbroeck
1 0

Brooddronken hoofdstuk 16

16   Jimmy en Bruno komen aan bij het Ring Shopping Center. Dat Kortrijk is maar iedereen zegt er Kuurne tegen. ‘Zo,’ zegt Bruno, ‘we zijn er bijna. Dit is Ringlaan 34. Ofte het shopping center maar je kent dat zelf ook wel, natuurlijk.’ ‘Ja, dat ken ik inderdaad,’ antwoordt Jimmy. Zelfs het irritant open-dicht-en-weer-opengeluid van de schuifdeuren werkt hem niet op de zenuwen. Hij is allang blij eens van dat harde fietszadel te zijn en gewoon op zijn twee voeten te staan, ook al ligt er een geribbeld tapijt onder. Op dat geribbeld tapijt ligt een legerzak met een hangslot aan. ‘Doet gij maar het molslot open,’ zegt Bruno, 'dan ga ik ondertussen een sigaretje smoren.' Jimmy doet wat hem gevraagd wordt. ‘Ge hebt twee pakskes gemaakt vanochtend. Ge hebt één pakske voor de wijk hierachter en één pakske voor ’t shopping. Gaat eerst uw fiets vullen, dan hebben we tijd genoeg om die brieven hier weg te steken.’ Zo gezegd, zo gedaan. Jimmy steekt het pakje brieven in zijn ransel met wat platte stukken er bij. Bruno slaat het gade met een sigaret tussen zijn lippen. ‘Wat doet ge met de dagen?’ vraagt Bruno. Jimmy antwoordt terwijl hij de fiets verder laadt. Hij rolt de legerzak op en steekt hem in een lege fietszak. ‘Nu vanavond is ’t eten met pa, ma, pepe, Billy en zijn vriendin.’ ‘Billy is dan uw broer, toch? Die heeft ook nog bij ons gewerkt.’ ‘Ja, dat is waar. Nadat die is weggelopen, heb ik het mogen ontgelden. Tegen Billy kon onze pa niets meer doen, hé,’ zegt Jimmy. ‘En die zit nu in Gent?’ Bruno steekt een verse sigaret op. De fiets wordt zodanig stuntelig geladen dat er nog tijd is voor een tweede. ‘Ja,’ antwoordt Jimmy, ‘en zijn vriendin komt ook mee. Dat wordt lachen.’ ‘Is dat zo raar dat Billy een vriendin heeft?’ vraagt Bruno. ‘Dat niet,’ zegt Jimmy en hij is ondertussen klaar met het laden van de fiets. De post van het Ring Shopping wordt per winkel vakkundig in de brievenbussen gedropt. Dat gaat verbazingwekkend snel en dat is ook Bruno niet ontgaan. ‘Dat hebt gij nog gedaan,’ zegt hij. Jimmy antwoordt en houdt ondertussen zijn ogen niet van zijn brieven af. ‘Ja, dat klopt,’ zegt hij, ‘ik ben hier nog stagiair geweest, een goed anderhalf jaar geleden. Dat helpt, want sommige winkels werken met hun maatschappelijke zetel voor hun post. En dan is de naam niet juist en zo.’ Ruben is onder de indruk dat het zo vlot gaat. Jimmy mag misschien wel niet van de handigste zijn als het op fietsen laden aankomt, maar nog nooit heeft hij één nieuweling zo snel de post van het shopping center in de bus zien steken. ‘Ziet ge ’t zitten om de recommandés weg te brengen naar de winkels? Ge weet ze toch zijn, hé, tegen dan is mijn safke op.’ ‘Oké.’ ‘En ge moet nog naar die biowinkel, uw kaas gaan halen.’ ‘Juist. Tot binnen een tien minuutjes dan maar,’ zegt Jimmy en hij vertrekt op zijn queeste, zijn zwart tasje tegen zijn borst geklemd alsof zijn leven er van af hangt en misschien is dat wel zo. Want hij wil op zijn eerste dag geen model 9.

Miguel
5 0
Tip

Buitenverblijf

Voorzichtig maakte ze het gat groter, de regen en smeltende sneeuw van de afgelopen veertien dagen hadden het een beetje doen inzakken. Dan strooide ze er een  handvol verse potgrond in. Haar hart klopte een beetje sneller dan gewoonlijk. Het was haar eerste keer sinds jaren, en haar eerste keer alleen. Het gat bleef er koud en ongastvrij uitzien. Maar het moest nu, nog wachten kon niet. ‘Binnenpakken, maar nooit langer dan veertien dagen!’ Elk jaar opnieuw had haar vader dat verkondigd, met grote stelligheid. En telkens had ze zo genoten van de warme gulheid van het binnenpakken, en zo moeten vechten tegen het kille schuldgevoel bij het terug buitenzetten.  Ze veegde haar haar uit haar gezicht, voelde de natte modder op haar wang. Toen keek ze naar de boom naast haar. Hier en daar blonk nog een dun sliertje engelenhaar, daar moest ze om glimlachen. Ze voelde voorzichtig in haar jaszak. Ze had een onbreekbare uitgekozen, maar toch. Ze deed haar handschoenen weer aan, ze was van kindsbeen allergisch aan naaldenprikken. ‘Heb je handschoenen aan? Anders krijg je weer van die vieze bulten. Tot op je schouder zaten die, gewoon door de top vast te houden, dat heb ik nooit verstaan!’ Ze had het hem nooit uitgelegd. Het binnenhalen en terugplanten was iets van hen beiden, maar dat andere, dat was tussen haar en de bomen. Ze haalde diep adem en tilde de boom in het gat. Kon een boom onthouden, vergeten, bang zijn? Zou hij de plaats herkennen? ’t Was geen slechte plaats, gewoon het verste hoekje van haar nieuwe voorstadstuin. Beschut en eigenlijk wel gezellig, het had niets van de onherbergzaamheid van het bos uit haar jeugd, dat koppig in haar gedachten schemerde. En toch. Fantasie haalde het altijd van de realiteit, zelfs toen. Ze hadden de boompjes uit de bosrand gehaald, vlakbij een vriendelijk open veld, maar zij had alleen de sprookjesachtige donkerte verderop gezien, en zich nooit kunnen voorstellen dat ze daar gelukkig groeiden. Ze gooide het gat terug dicht, stampte de aarde goed aan en gaf water.  Dan nam ze de kerstbal uit haar jaszak en stak hem diep tussen de takken, tot helemaal tegen de stam.  “Zo ben je niet alleen”, fluisterde ze, en draaide zich snel om. Soms vroeg ze zich af of iemand ze ooit zou opmerken, die zeven ondertussen volwassen dennen aan de rand van een ver donker bos, met elk een kerstbal in hun hart. 

Janna Herremans
126 7

Brooddronken hoofdstuk 15

15   ‘Eruit! Stom schijtwijf!’ Het getier weergalmt door de gang. ‘En neem uwen brol ook maar terug mee!’ Een gebakje vliegt door de open deur van de kamer en kwakt tegen het raam van de gang. Het druipt langs de ruit tot achter de radiator. Een jonge vrouw in een wit uniform loopt snikkend weg, tot consternatie van haar collega’s. ‘Hij weer?’ vraagt iemand terwijl ze voorbijsnelt.   Wie zegt nooit een mens gezien te hebben die quasi volledig uit vierkanten bestaat, heeft Jules Sabbe nooit gekend. Alles aan hem is vierkant. Zijn postuur, zijn hoofd, tot de randen van zijn brilmontuur en het patroon op zijn hemden en zijn bretellen. Zijn tanden, echt of vals, want een Sabbe praat niet over zijn gezondheid, zijn opvallend vierkant. Het lijkt alsof hij een slecht gebouwd Lego-mannetje is. Helaas voor het verzorgend personeel van WZC de Korenbloem is hij maar al te echt. De meest nors uitziende verzorgende wordt er op afgestuurd. Zulma, een blok beton in een verpleegstersuniform, laat niet met zich sollen. Zelfs niet door Jules. Ze duwt met veel geweld de deur volledig open, zodat de klink zich begraaft in het gat in de muur, achtergelaten door eerdere incidenten. ‘Awel?’ brult ze. ‘Awel wat?’ antwoordt Jules. De twee zijn aan elkaar gewaagd. Het is als een stierengevecht, al lijkt het niet duidelijk wie de stier en wie de toreador is. Zulma briest. ‘Was dat nu nodig, zo tieren op dat meiske?’ Ze staat bijna boven Jules gebogen. ‘Moet ge er ook een beetje hebben misschien?’ Jules heft zijn vierkante vuist op. ‘Ik zou maar heel wat minder van mijnen tak maken,’ zegt Zulma, ‘het zou maar eens kunnen zijn dat ik een weekje mijn vaste dienst afgeef om keukendienst te doen. Ik heb nog wat laxeermiddel thuis staan. Het zou jammer zijn als…’ De vuist gaat weer naar beneden. ‘En wilt ge nu eens zeggen waar dat drama voor nodig was?’ ‘Die geit zit godverdomme mij te behandelen als een klein kind. Of ik nog een taartje moet hebben, mijn beddeke moet gemaakt worden, ik moet mijn slufferkes aandoen, enzovoort. Godverdomme, ik heb de Duitsers nog op de riek gestoken. Ik!’ ‘Ja zeg, we zijn dat ook opgelegd van boven, hé.’ ‘En dan komt dat wijf aanzetten met een merveilleuxke met een stukske kiwi op. Ik mag geen kiwi.’ Zulma zucht. ‘En dat kunt ge niet op een normale manier zeggen?’ ‘Ik moet juist niets. Straks komt mijn kleinzoon mij halen. Ga ik misschien eens deftig eten hebben, ook al zal het vast wel keun of kieken zijn. Het gaat in elk geval beter zijn dan de stront die ik hier moet vreten.’ ‘Dat uw kleinzoon maar gauw komt, dat ge hier weg zijt.’

Miguel
2 0

Brooddronken hoofdstuk 14

14   Ondertussen is in de Schaekenstraat wat verderop – een heel stuk verderop – Marjolein begonnen aan de voorbereiding van het kerstdiner. Dat betekent dat de zware eiken tafel die eerst nog in de lengte stond, vergeleken met het aanrecht, nu aan datzelfde aanrecht moet staan, zodat de kabel van de fonduepot lang genoeg is om tot aan de tafel te geraken. Marjolein heeft moeite om de eiken tafel op te heffen. De deurbel gaat. Maurits de kat springt van de tafel en spurt naar de zetel. Als er bezoek is, wil hij altijd het beste plekje. De deurbel gaat opnieuw. ‘Ja, ja, ik kom,’ roept Marjolein. De kans dat de persoon aan de deur het heeft gehoord, is erg groot, daar de muren flinterdun zijn en van bedenkelijke kwaliteit. Marjolein wandelt door de gang en opent de deur. In het deurgat staat haar oudste zoon Billy. Ze omhelst hem innig, het is anderhalf jaar geleden dat ze elkaar nog gezien hebben. Billy ziet er uit als de academische versie van Jimmy. Hetzelfde sluike haar, een toch wel minder pokdalig gezicht dan zijn broer en een bril met overdreven grote ronde glazen. Een quasi rond gezicht, net als zijn broer en konijnentanden. Reginald heeft al dikwijls de grap gemaakt dat Marjolein de konijnen geen eten mocht geven omdat de rammelaar al één kind met haar had gemaakt. Toch was ook voorzien van de typische Sabbe-trekken, zodat Reginald niet kon ontkennen minstens één hand in zijn creatie te hebben gehad. De Droopy-ogen en de neus die op weg is een knobbelneus te worden zijn alweer een stuk prominenter aanwezig dan de vorige keer dat Marjolein hem zag. Billy, misschien nog meer dan Jimmy, was op weg om een evenbeeld van zijn vader te worden. ‘Is uw vriendin niet mee, jongen? Maar waar zijn mijn manieren, kom binnen, kom binnen.’ De gang blijkt te smal voor twee toch redelijk corpulente mensen en zo gaat Marjolein voorop. ‘Ge zijt als van den hemel gezonden, jongen. Ik moet die tafel nog tegen de watersteen krijgen.’ ‘Kunt ge dat aan pa niet vragen,’ vraagt Billy, terwijl hij plaats neemt aan één kant van de tafel. ‘Uw vader…’ zegt Marjolein. ‘Juist, vergeten. Hoe is het met Jimmy? Ik hoor hem zo weinig?’ ‘Jimmy is nu vandaag bezig aan zijn eerste dag in De Post,’ antwoordt Marjolein. ‘Ik vraag me af hoe lang hij het zal volhouden.’ Billy heft de tafel op, naar de instructies van zijn moeder, die aan de andere kant hetzelfde doet. ‘Maar waar is uw vriendin, kwam die niet mee?’ vraagt Marjolein. ‘Ja, maar ze zit nu nog in Gent. Ik moet er straks achter gaan. Mag ik de Lada gebruiken daarvoor?’ Marjolein zucht terwijl ze de laatste aanpassingen doet om de tafel zo recht mogelijk te laten aansluiten aan het aanrecht. ‘Manneke, ge weet dat uwe pa u nooit met zijn Lada gaat laten rijden.’ Billy denkt even na. Zijn specifieke denk-tic speelt weer op. Hij duwt zijn mond naar de linkerkant. Marjolein kent dit. Rechts is leugen en links is denken. Al van toen hij klein was, was dat zo. ‘Rookt hij nog altijd Camels?’ ‘Ja.’ ‘Ik ga hem een slof Camels kopen dan. Voor zijne kerstdag.’ Billy grist de sleutels van de Lada van het haakje aan de muur in de gang. ‘Hebt gij nog iets nodig, ma?’ ‘Neen, jongen.’ ‘Oké.’ ‘Of wacht. Uwe pa heeft gisteren nog een kieken geplukt en geslacht omdat ik denk dat we met een keun te weinig gaan hebben. Breng nog een potje kipkruiden mee.’ ‘Oké. Tot straks!’   Wanneer Billy het huis verlaat, botst hij tegen een gesluierde vrouw op. Hij herkent haar als Habiba, de buurvrouw van in de Groeningekaai zelf. Hun tuinen grenzen aan elkaar. Met brede glimlach zwaait ze naar hem. ‘Oh, dag Habiba,’ roept hij uit. ‘Dag Billy! Blij dat je terug bent. Is het maar voor even?’ Billy draait zich om met zijn handen in zijn zakken. ‘Ja, kerstavond en zo. Ge kent dat hé. Voor onze pa zou ik het niet doen, maar ons ma staat er op, met dat ik vorig jaar niet afgekomen ben.’ ‘Uwe pa is speciale man. Zeg, hebben jullie onze huiskip niet gezien? Hamza en ik zoeken er al een hele dag naar. Hakim is troosteloos.’ ‘Ja, Habiba, hoe is dat met Hakim? Hoe oud is die nu?’ Billy voelt al nattigheid maar kan het niet opbrengen dat hij wellicht exact weet waar de kip zich bevindt. ‘Ah, zes jaar hé, hij wordt een flinke jongen.’ ‘Tof om dat te horen. En de andere kinderen?’ ‘Omar gaat nu naar het middelbaar. Hij mist de tijd dat jullie ballen naar elkaar overgooiden.’ ‘Ja, vanuit Gent gaat dat moeilijk he.’ Billy lacht. ‘En Yasmine, die gaat nu naar het conservatorium. Trompet leren.’ ‘Wat had ik graag gehad dat het viool was. Onze pa zou zot komen.’ ‘Uwe pa is geen slechte mens, hoor. Als hij er niet was, toen…’ ‘Ja, dat is waar. Maar soms vraag ik mij af hoeveel kwaad een mens kan doen tot zijn positieve karma weer is uitgewerkt. Maar ik moet nu wel door. Tegen dat ik de Lada aan de praat gekregen heb, zal mijn vriendin in het station aangekomen zijn.’ ‘Het was fijn je nog eens gezien te hebben, Billy.’ ‘Insgelijks, Habiba. Doe de groetjes aan Hamza en de kinderen.’ Ze zwaaien elkaar vaarwel en Billy kruipt in de Lada, die stinkt naar de drank en de sigaretten. ‘Arme Habiba,’ zegt hij tot zichzelf, ‘toch nog geen kwaad woord kunnen horen over onze pa. Nu ja.’ Hij start de auto en na een paar minuten wachten draait hij de sleutel over. Luid protesterend, de uitlaat is nog steeds niet gefikst, komt de Lada tot leven en rijdt Billy richting het station van Kortrijk.

Miguel
4 1

Eindelijk

Eindelijk; het is gezegd. Ik ga bij je weg. De manier waarop ik het je vertelde is geen doen. Daar ben je nu nog niet mee bezig, maar binnenkort en voor lange tijd zie ik het je vertellen op café met ogen en mond wijd open om het op te blazen bij je vrienden en je vuisten op tafel daverend dat het bier uit de glazen klutst.  Als weerwoord op de roddels die mij te beurt zullen vallen zal ik zeggen dat er geen goed moment is om zoiets te doen. Dat geloof ik natuurlijk zelf niet. Je nodigt iemand uit tot een gesprek hiervoor en je vertelt het voluit, zonder omwegen en zonder verbloeming, doch met enig medeleven voor de pijn die je veroorzaakt. Dat weet ik zonder medicatie ook wel. Maar om duidelijk te maken dat ik gek word bij jou kon een rechtschapen gesprek geen duiding brengen. Mensen geloven geen woorden tot er strijdlustige emoties uit barsten. Zelfs jij niet.  Dat ik tot het einde der tijden de grootste liefde voor je zal hebben, heb ik ook niet gezegd. Je zou niet begrijpen dat ik toch bij je weg moet.  Ik had tien jaar eerder al bij je weg kunnen gaan om dezelfde reden. Maar ik was zo moe, en ik kon even goed bij jou de roes van mijn leven uitslapen. Jij leek sowieso al altijd ergens van te moeten bekomen.  Nu zit ik hier opgesloten in kamer 403, met een helder uitzicht over alles waar ik altijd had kunnen zijn, maar blind voor was door jou. Ik heb altijd mijn rug gekeerd naar alles wat binnen handbereik was, om mijn focus op ons te richten. Ik wil leren wat het is om alleen te zijn. Om te moeten zoeken en de dingen rond mij te zien. Ze moeten mij zeggen wie ik ben. Of wie ik was, voor ik jou was.   

Fanny Wildemeersch
51 1

Newborn

Ik voel het aan de diepe druk op mijn borst. Alles schuift. De wereld onttrekt zich van onder mijn voeten. Ongeacht hoe snel ik ren. En ik kan snel rennen. Tien weken ver in mijn marathonschema haal ik mijn beste tijden ooit. Strava-records aan diggelen, week na week. Maar nu niet. Deze race tegen niet alleen mezelf kan ik onmogelijk winnen; wil ik niet winnen. ‘Als je nu niet springt, ben je verloren’, hoor ik mijn vader me toeschreeuwen. Vijf meter nog. Van het einde van de trap tot de deuropening van de trein. Ik richt mijn grauwe blik op mijn vaders bloedblauwe ogen. Twee loden koffers onder mijn armen trekken me terug. Ik los mijn laatste adem en spring niet. De trein trekt zich op gang onder een piepend geluid van sluitende deuren. Vanop het perron zie ik huizenhoge vlammen de lucht in schieten. Dikke korrels as vallen als regendruppels neer. Ik duizel bij het zicht van de brandende gebouwen. Het vuur ontneemt alle zuurstof die de stad me geeft.                                                                          ***   In zwart geblakerde met donkere as bekladde kleren banen we ons een weg doorheen de mensenstroom. De heuvelrug op. Studentenresidentie Holleberg ligt binnen ons bereik. Hoe dichter we schuiven hoe benauwder we het krijgen. De kale beuken langs de weg drammen luidkeels: ‘de residentie is bezet, dit heeft geen zin!’ Schouders duwen. Een bitse ellenboog prikt Jarik in de zij. Hij wankelt en zet een stap terug. De mensenrij zwiept.  -‘Verdomme, klootzak’, schreeuwt Adina hem toe, ‘je vertrappelt mij’. -‘Fuck off bitch, aan jouw kant is nog plaats, zie je dat niet?’, een sneer scherper dan de steek van een schorpioen.  -‘Jij godverdomse vuile klootzak van anderhalve meter benen! Nog één woord en ik vermoord je!’ Haar Balkan bloed kolkt. Donkerrode wangen gloeien als een vuurtoren onder haar zwarte kap. ‘Echt waar, kerel, ik vermoord je. De hele dag loop je te zeiken als een zieke giraf, terwijl je veilig boven iedereen uittorent. Heb je enig idee hoe het voor mij voelt om met minipassen tussen reuzen van mensen te trappelen en te blijven ademen?’ De mensenmassa zwelt aan. Met vuisten, ellenbogen en venijnige kniestoten stuwt de achterste rij de mensen voor zich steeds hoger de heuvelrug op. Nog dertig meter tot de top waar de gelukkigen één voor één als door een trechterhals het residentiekamp binnendruppelen.  Jarik verliest alle rust. Met een impulsieve ruk draait hij zich om en duwt het meisje dat achter hem loopt terug. Een golfslag spoelt door de mensenzee. Geraas en gevloek weerkaatst door de bladerloze bomen. Voeten, benen, armen, hoofden strompelen. Maar Jarik heeft daar geen oog voor. Hij draait een kwartslag en valt Adina frontaal aan: -‘Wat is jouw probleem? Je kan toch overal onderdoor? Als jij wat meer lef had, kon je Holleberg al binnen zijn. Je had ons alle drie al kunnen aanmelden. Maar nee, de tamme muis in jou houdt zich weer gedeisd, zoals steeds, jouw hele laffe leven lang!’ Het leven draait als een aardbol om Adina heen. Beelden van rauwe executies en haar negenjarige vlucht door de bossen van Macedonië doemen op. Haar ogen worden duister. Het geknetter van de opdringerige massa weerklinkt als een salvo. Ik werp me tussen Adina en Jarik in.  -‘Nu niet, dit is niet het moment! Nog twintig meter. De poort is nabij.’ Ik grijp Adina bij de arm en stop Jarik een koffer toe. -‘Hup giraf, draai jouw lange nek en gebruik jouw slanke poten. En vooral, hou je stomme kop. Je hebt nog een heel leven om te praten.’                                                                          ***   Het water wast het vijf dagen brandende vuur weg. Grijsgrauwe wolken stromen onophoudelijk. Dag na nacht. Eerst slaan ze de oplaaiende haarden neer. Vervolgens sissen ze de smeulende korven in de ondergrondse holtes van de vallei. Vogels zwijgen. Het vocht van dikke druppels heerst over de lucht. Het sussende water drijft de uitgeputte vluchtelingen van Holleberg in een diepe regenslaap. Als opgerolde makrelen rusten we met acht tot tien personen in te kleine barakken, in stapelbedden en op de vloer bedekte matrassen, langs elkaars warme lijven, verstrengeld in andermans ledematen.  Na vijf dagen oeverloos stromen rijst het water voet per voet op uit de vallei. Het vult de vlakten, overspoelt de wegen en sijpelt langs spleten en kieren de huizen in. Wanneer het geruisloos zacht de barakken binnenglijdt, doordringt het de lakens en matrassen. Rimpelloos strijkt het over onze lichamen. De natte stralen door mijn haren maken me wakker. Ik draai door het water, eerst langzaam en nadien meer zelfbewust. Met de plotse slag van een stevige staart stuw ik me naar boven. Ik sper mijn kleine ogen open en zie mezelf zwemmen tussen kolkende kamerobjecten. Het licht onder water geeft mijn bruine vacht een rossige aanschijn. Ik aanschouw mijn korte poten en duw mezelf af. Door mijn zwemvliezen te kantelen zet ik koers richting de deur. Met mijn voorste klauwen probeer ik de klink te omklemmen, maar mijn onhandige greep mist zijn doel. Ik maak omslag, doorklief de besloten kamer en bereid mezelf voor op een herlancering. Met gesloten ogen stouw ik mijn stompe kop opnieuw naar de deur. Ik plant mijn kromme nagels in het houten blad en knaag me een weg naar buiten. Vooraleer ik het gat doorkruis, maak ik nog één diepe sprong naar de kluis. Onder het linker stapelbed ontfutsel ik het cijferslot en grijp twee koffers. Terwijl ik opwaarts zwem, ontwaak ik met mijn staart zeven soortgenoten. Eén voor één zwemmen ze me achterna, de te herbouwen vrijheid tegemoet.                                                                            ***                                                                                 Boven op de brug voel ik de droge lucht tegen mijn slapen drukken. In strijd met de wind houden de sluitspelden mijn borstnummer strak gespannen. Ik maal stevige passen. ‘Eén meter tien centimeter per stap’, hoor ik mijn coach roepen. In duikvlucht naar beneden haal ik dit moeiteloos. Straks als de weg oploopt, wordt andere koek. Eén meter tien centimeter is de helft van de paslengte van Mo Farah. Een giraf op snelheid haalt vier meter vijftig centimeter. De Pristina-marathon is een boemerang. Over de brug ontloop ik de stad waarheen ik straks terugkeren zal. Hoge Sovjetblokken slinken achter mijn rug. Ik zak en zak. Lager Miradi. Adina laat Jariks hand los. Met een ruk wentelt hij de rode carrousel rond. Haar gestreepte broekkousen gieren van plezier.  Een hemels gewelf van groene bladeren draait om haar heen. Slag om slag kantelt de tijd. Bij het binnendringen van het park verzetten mijn benen zich tegen een oplopende strook. Ik probeer tred te houden. Het steile, glibberige bospad slaat de trossen lopers genadeloos uiteen. Op de top zie ik het spandoek 'Miragona - 21 km'. Miragona is het keerpunt. Aan haar moeders hand nadert Adina de ronkende bussen. Ze draagt een plastiekzak met fruitsap en vanillekoekjes. Om haar schouders hangt haar schooltas met een pyjama, een tandenborstel en een dikke trui. Zware armen tillen haar in een stofblauwe stoel. Bedwelmd door de muziek van een halfzachte radio verzinkt ze in een donkere slaap. Miragona, het panorama waar ze Jarik voor tien jaar uit het zicht verloor. Ik lig achter op mijn tijd. Twee uren zijn verstreken wanneer ik in een u-bocht rond de nieuwe, in baksteen opgerichte wooneenheden keer. Jonge gezinnen juichen me toe met spandoeken en ballonnen. ‘Nog één keer dezelfde afstand, maar dan andersom’, schreeuwt iemand uit het publiek. Een race naar het begin. De najaarszon begeleidt me weemoedig door de stilzwijgende bossen naar beneden. Ik kruis achterop geslagen lopers. Hijgend. Verdreven door het startschot. Wanneer ik de voet van de heuvel bereik, ligt Lager Miradi er verlaten bij. Ik passeer langs stille huizen een verre metgezel achterna. Jariks ouderlijk huis toornt boven het lege marktplein uit. In omgekeerde richting laat de vier verdiepingen tellende Ottomaanse bouw een versterkende indruk na. Ik verbeeld me hoe hij en zijn vier zussen een speelse ziel door de met tapijten en lage banken ingeklede ruimtes jaagden. Een vervlogen thuis die hij na zijn vlucht nooit meer betrad. De kilometers schuiven steeds trager onder mijn zolen. Mijn benen lopen vol bij het naderen van de brug. Met stroeve steken rijg ik me een weg naar boven. ‘Komaan, nog vijf kilometer!’ Jariks krijgersstem weergalmt door mijn hoofd. Ik werp mijn blik naar rechts, maar mis hun gezicht. In een stroom van gedachten baan ik mij een weg door de tijd die me nog rest. Ik zie Adina voor me liggen in de zetel. Een studentenkamer, half lege glazen en een uitpuilende asbak. Een mars van jonge Albanese studenten. Ze laten hun vlag niet los. Jarik lacht in de lens. Doorheen een muur van pijn heffen mijn benen mij naar de finishlijn. De eindeloos lange Moeder Theresa Boulevard. Zwarte dubbelkoppige adelaars op een rood schild wapperend in de wind. Langs de fris opschietende betonnen skyline hijs ik me naar het centrale plein waar de groeiende stad haar naam met een nieuwe slogan in grote blokletters eert: NEWBORN. Fototoestellen flitsen. Een zingende menigte viert onze terugkomst. Ik laat mijn armen zakken. Achter mij joelt mijn vader: ‘knap gedaan, de aanhouder wint!’ Ik kijk hem aan. Hij lacht en omhelst me. Dan stopt hij mij twee koffers toe. Ik knik zwijgzaam en knijp mijn ogen dicht. Blindelings laat ik me door het feestgedruis naar de kleedkamers leiden. Ik leg de koffers op de bank en knoop mijn schoenen los. Stuk voor stuk trek ik mijn zout bezwete kleren uit. Mijn naakte voeten raken de kille vloer. Ik kniel voor de bank en klik de sloten open. Uit elke koffer lichten vier staarten op. Ze klappen op en neer, en verdwijnen in het water dat overvloedig uit de stromende kranen klotst.     

Roger Martin
6 1

Een geval van snoesteren

Op oudejaarsdag heb ik de traditie om samen met onze mannen in de namiddag naar het oudste café van het dorp te trekken. We zwaaien daar het afgelopen jaar uit. Zeg maar een evaluatie van het afgelopen jaar, al klinkt dat wat serieus voor de zever die er verteld wordt. Ik herken hem meteen als we de deur van het café opendoen. We zetten ons aan het tafeltje naast hem. “Dag Mark”, zeg ik. Hij kijkt op van zijn krant. Hij moet precies even nadenken maar dan herkent hij me toch. Ook al is het meer dan 20 jaar geleden dat we elkaar hebben gezien. Na zijn studie voor tolk is hij in Brussel gebleven. Hij is een van de vele ‘Marken’ van onze generatie. Samen met de Dirken, de Patricks, de Eriken en de Rudi’s. In elke familie waren ze vertegenwoordigd. Of een Johan, Luc, Bart, Gert, Tom, Geert, Ronny en Peter. Alsof er geen andere namen bestonden. “Ik ben bij mijn ouders voor het weekend”, zegt hij. “Vanavond en morgen vieren we samen nieuwjaar. De kinderen zijn er ook bij. Mijn vrouw is samen met ons ma met het eten bezig. Ik dacht: ik kom even tot hier. Dat is lang geleden.” Het laatste woord kan hij maar amper uitspreken. Hij laat een luide hoest horen, waarbij hij een paar keer naar adem moet happen. Ik moet hem zelfs op zijn rug kloppen. “Gaat het?”, vraag ik. Ik laat hem eerst rustig uithoesten en vraag het dan nog eens. “Jawel, ça va wel. Het is alleen een duidelijk geval van snoesteren.” Ik kijk wat hij voor zich op het tafeltje heeft staan. Maar het is toch een koffie. “Een geval van wat?”, zeg ik. “Je hebt me goed gehoord”, zegt hij. “Een geval van snoesteren. Wacht, ik ga je het allemaal vertellen, maar we gaan eerst iets drinken.” Hij zwaait naar de waardin. “Hebben jullie Guinness stout?” vraagt hij aan de waardin die ondertussen aan zijn tafel staat. Ik waan me even in het boek ‘Lijmen/Het Been’ van Willem Elsschot, waarin Frans Laarmans in het begin ook een Guinness bestelt. Een moment denk ik dat hij het gaat aanvullen met ‘In Dublin gebotteld? Zonder gekheid?’ zoals Frans Laarmans in het boek van Elsschot, maar hij moet het met een andere stout doen. Ze hebben geen Guinness. Ik ben benieuwd naar zijn verhaal. Want verhalen vertellen kon hij vroeger al goed. Hij lulde zich overal uit als hij weer eens een taak niet had afgemaakt. “Het is, zoals ik dus zeg, een geval van snoesteren. Maar ik zal het hele verhaal vertellen”, steekt hij van wal. “Ik heb al een tijdje last van snurken. Alhoewel last. Het is vooral mijn vrouw die er last van heeft. Al word ik er zelf ook ooit van wakker. Dan schrik ik en denk ik dat er iemand in de kamer zit. Maar het was echt geen doen. Ik ging regelmatig in de kamer van onze jongste slapen. Die blijft vaak bij zijn vriendin. Maar ook daar was het niet beter. We moesten de deuren dichthouden en dan ging mijn gesnurk nog overal doorheen. Bijna door de geluidsmuur.” Hierna laat hij een lach en een luide hoest horen. Na een slok van zijn stout gaat hij verder. “Afijn, ik heb dus een afspraak gemaakt met het ziekenhuis. Voor een apneutest. Heb je dat ooit gedaan? Ze hangen je vol draadjes, niet normaal. Ze testen de hele nacht hoe je slaapt en hoe je ademhaalt. Wacht, ik laat je een foto zien.” Hij haalt zijn telefoontoestel uit zijn jas en vindt snel de foto die hij bedoelt. “Hier, moet je kijken”, zegt hij. Het lijkt inderdaad op een afbeelding uit een sciencefictionfilm waarbij een robot op de operatietafel ligt. Je ziet door de draadjes en buisjes amper zijn gezicht. “Maar het is op niets uitgedraaid. Geen sporen van apneu. Dus ik ben dan maar terug naar de huisdokter gegaan. Dat was begin deze week. Hij had al snel een diagnose klaar. ‘Het is duidelijk een geval van snoesteren’, zei hij dus. Ik keek net zoals jij daarnet. ‘Een geval van wat?’, zei ik. ‘Een geval van snoesteren’, herhaalde hij. ‘Dat is een combinatie van snurken, hoesten en snotteren. Snoesteren dus. Wegens die zware bronchitis die je hebt. Daar moet je eerst van af. Dan zal het snurken ook wel minderen.’ “Het is dus geen echt woord?”, vraag ik. “Tja, dat weet ik niet. In de dokterswereld misschien wel. Ofwel zegt hij het zo. Het is nogal een flapuit, die dokter van mij. Ik heb het niet gevraagd. Maar ik heb het thuis wel zo tegen mijn vrouw verteld. Ik kwam binnen en ze vroeg meteen hoe het bij de dokter was. ‘Tja’, zei ik. ‘Ik heb de ziekte van snoesteren.’ ‘Welke ziekte?’ zei ze. ‘De ziekte van wie? Snoesteren?’ “Ik schrok er zelf van toen ze het herhaalde. Door ‘de ziekte van snoesteren’ te zeggen in plaats van ‘een geval val snoesteren’ klinkt het behoorlijk serieus. Mijn vrouw was meteen bezorgd. Ze heeft het ook niet opgezocht op het internet. En het goede nieuws? Sindsdien slaap ik terug in ons bed. Ze verwent me, niet normaal. Gisteren heeft ze een stuk chateaubriand van 500 gram gebakken. Met champignons, frietjes en een flesje rode wijn. Geweldig lekker.” “Dat is zeker niet bevorderlijk voor al dat snoesteren”, zeg ik. Mark moet lachen en laat nog een luide hoest horen.

Rudi Lavreysen
26 1