Zoeken

Zwaar te moede

Het is weer de tijd dat velen in de pen kruipen om de kleurenpracht van het najaar te beschrijven. De beelden in het fotoalbum tonen dat ook wij ooit tolden in de geelrode bladeren in het tanende zomerlicht. Voor ons is de herfst van het leven al een tijdje aan de gang en de winter nadert met rasse schreden. Jij gaat nog haast dagelijks op wandel in de omliggende velden. Op je eentje, net als de ontelbare keren dat je er alleen op uittrok. Er is ooit iets heel erg fout gelopen en de breuk is nooit hersteld, omdat ieder voor zich er van overtuigd is dat er niets meer goed te maken valt. Maar wij bleven samen en leven in vreedzame co-existentie. In mijn tuin ruim ik wat bladeren, de eekhoorn in de walnotenboom van de buren tuurt naar mij. De pimpelmees en het roodborstje komen vlakbij kijken wat ik aan het doen ben. De vijgen zijn klein en onrijp gebleven maar de appels, die de aanvallen van insecten en vogels hebben overleefd, zien er dit najaar verrukkelijk uit. Elk ander mens zou dolgelukkig zijn met deze momenten. Ik kan mij niet ontdoen van een gevoel van onbehagen. De melancholie houdt mij in haar greep. Neen, het is niet het gegeven dat de natuur nu op haar mooist is en toch langzaam aan het sterven is. Ik weet dat het geen sterven is maar slechts een lange winterslaap, een tijdelijke verdoving tot alles straks weer tot bloei komt. In gedachten hoor ik Bette Midler zingen: Just remember in the winter, far beneath the bitter snows, lies the seed that with the sun's love, in the spring becomes the rose. Dan besef ik dat ook deze herfst de weemoed mij zal blijven overmannen, alle luister van de natuur ten spijt.    

Vic de Bourg
8 1
Tip

Martine

Zelden ruikt Jeroen bij het thuiskomen na school de geur van brood, soep of gebakken aardappelen.  Er is enkel de stank die uit het tapijt komt, de kussens, de gordijnen en zelfs uit de vacht van de hond. Altijd hangt er ook een zoete geur doorheen waardoor hij verwacht elk moment aan de vloer te blijven kleven.       In zijn rechterooghoek ziet hij door het doorgeefluik zijn moeder liggen. Hij stapt de keuken binnen, haalt zijn drinkbus uit zijn tas en kijkt kort naar haar. Ze ligt op de donkerbruine linoleumvloer met zeshoekenmotief waar hij altijd al een hekel aan had. Ze lijkt bijna deel geworden van de vloerbekleding zoals ze daar onbeweeglijk ligt op haar zij, met één arm voor zich uitgestrekt, de gele vingers naar het aanrecht wijzend en de benen slordig over elkaar. Haar ogen zitten verborgen achter stinkende krullen, haar mond hangt halfopen. De hond ligt naast haar, het is onduidelijk wie naar wie ruikt.       Hij zet de drinkbus op het aanrecht naast de fles die zijn moeder vandaag heeft verleid ondanks haar eerdere beloftes. Hij neemt vier passen en dan nog een grote vijfde, over haar heen, tot in zijn kamer. Hij zet zijn rugzak op het bed en sluit de deur achter zich.       ---Vanuit de cabine van zijn vrachtwagen ziet Patrick dat er geen licht brandt in de living. Vreemd, denkt hij, Martine werkt niet vandaag en Jeroen moet al lang thuis zijn van school. Wanneer hij de voordeur opent, valt hem meteen de stilte op. Aan de geur is hij gewend geraakt. Hij wandelt op de tast naar de schakelaar naast het doorgeefluik en ziet wanneer het licht aanflitst zijn vrouw op de grond liggen. Ze ligt net voor Jeroens deur met de hond wakend naast haar. Hij valt op zijn knieën en roept: “Martine, Martine, hoor je mij?”       Er komt geen antwoord, maar de deur gaat open.      “Jeroen! Heb je mama niet horen vallen?”      “Nee, pa.”      “Je moet dat toch gehoord hebben, je kamer is hiernaast!”      “Ze lag hier al toen ik thuiskwam.”

Harlinde Bormans
182 2

Vuur spuwen

Van pispaal tot benige omarming. "Ze raast al een storm voorbij, toch naar mij toe.  'Oh god, kijk eens naar jezelf. Dan weet je dat spiegels breken in miljoenen stukken. Dat elk stuk een deel van jouw zwartgallige en bekrompen ziel weerspiegelt.' spuwt ze uit, récht voor mijn voeten.  'Daar sta ik dan als pispaal, word ik ook nog eens aan de schandpaal genageld.' Met duizende sussende antwoorden op mijn lippen, slik ik elke letter in, totdat ook die er op één of andere verdoken manier er later opnieuw - lelijk - zullen uitkomen. 'Jij kauwt, jij gorgelt, jij zwanst, als een gans.' tiert ze uit. 'Mij benoemen om mijn huishoudelijke talenten, is het enige wat jij nog kan. Wat er in mijn hoofd of hart omgaat, gaat jou voor geen haar aan.' Een traan van frustratie rolt van tussen haar wimpers op mijn losse veters. Daar sta ik dan... Geen weet of ik ontploffen zal, of me wil oprollen als egel, veilig in zijn schulp. Al flitst het door mijn hoofd: 'gelijk heeft ze, verdorie.' Met mijn beide voeten als makke lammetjes aan het parket gespijkerd, blijf ik staan. Hulpeloos is het enigste wat ik nog kan bedenken: 'dringend mijn verslaving voeden.' Ik steek dan maar een sigaret op, en kalmeer bij elke trek. Zij, met ogen die moord en brand schreeuwen: is mijn spiegel. En, in diezelfde spiegel omarmen we elkaar in een benige en bloedige omhelzing, een teken dat zelf in een ander universum liefde en leed nu en dan vuur spuwen, naar elkaar."   Geïnspireerd en gebaseerd op het werk 'over mens en dier' van Berlinde de Bruyckere en het werk 'Weinende Frau' van Thomas Schütte. Geschreven proza op zondag 23 oktober 2022 voor de Workshop 'Zondag, schrijfdag in 't S.M.A.K' gegeven door Christina Vanderhaeghe

Zonsondergangdromen
79 2

Een schat die blikkert in de zon

  Overpeinzingen bij een weggegooid blikje RedBull  “Il faut cultiver notre Jardin” Voltaire   Als ik goed keek, was het blikje RedBull dat zo schitterde in de zon niet het enige blikje dat ik zag liggen. Van al het afval dat ik op mijn dagelijkse wandelingen tegenkwam, waren weggegooide blikjes ruim in de meerderheid. Meestal waren het blikjes waarin energiedrankjes hadden gezeten. De vreemde logo’s en felle kleuren suggereerden een hallucinogene drug, maar het was niet veel meer dan een stevige koffie met veel suiker. Ik kon niet anders dan me vragen stellen over de gezondheid van degenen die zulke blikjes dronken, zeker als ik van die grote halveliterblikjes zag liggen. Hoeveel cafeïne en suiker werkten sommige mensen naar binnen? Niet normaal. Dat zag ik al in de leraarskamer van de school waar ik lesgaf. Niet dat daar energiedrankjes in de automaat zaten, maar koffie wel. Ik kende collega’s die per dag wel zes mokken koffie naar binnen werkten. Hoe konden die ’s nachts in slaap geraken? Zelf dronk ik enkel nog deca’s, of ja, thuis wist ik nogal zeker dat er geen of weinig cafeïne zat in de espressomachine, maar op café was dat iets minder zeker. Zelfs als ik een deca bestelde, voelde ik soms aan de spastische bewegingen van mijn darmen dat er misschien wel een deca’tje besteld was, maar niet geserveerd. Dan moest ik me vaak haasten om bij de wc te geraken. In brasserie ’t Sujet was dat bijvoorbeeld het geval. Voor mij waren koffie en energiedrankjes een garantie op een slapeloze en opgejaagde nacht, maar dat nam niet weg dat ze, voor mij onbegrijpelijk genoeg, heel populair waren. Energiedrankjes had ik na mijn eerste en enige ervaring ermee zelfs volledig afgezworen. Als student had ik een blikje van het nieuwe product “Red Bull geeft je vleugels” in het station van Leuven als reclame in mijn handen geduwd gekregen. Daarna, op de tweeëneenhalf durende treinrit naar huis, had ik een boek als een razende TGV uitgelezen. De volgende dag wilde ik aan het boekverslag beginnen en lukte dat voor geen meter. Het boek De donkere kamer van Damocles heb ik grotendeels opnieuw kunnen lezen. Ik was er in een rotvaart doorheen geraakt, maar ik had er veel te weinig van onthouden. Cafeïne of oppeppers waren geen goede studiemethode, besloot ik. Ik dronk zelfs geen cola meer onder de examens, zo was ik onder de indruk van de ervaring. Dat ik geen koffie, cola en andere cafeïnehoudende dranken dronk, zorgde ervoor dat mijn maag- en darmsysteem, dat nogal gevoelig was voor stressprikkels, veel minder vaak in de knoop lag, net zoals mijn lakens en dekens ’s morgens ook veel minder overhoop lagen. Als ik dat vergeleek met Wouter… Die kon als we nog iets gingen drinken na het zwemmen, om tien uur ’s avonds nog doodleuk een koffietje als afsluiter bestellen en toch slapen. Niet iedereen heeft hetzelfde gestel, zullen we maar zeggen. Door al die blikjes langs de weg had ik een negatief beeld ontwikkeld van degenen die zwerfvuil veroorzaakten. In mijn hoofd leek het alsof alle nuttigers van energiedrankjes de gewoonte hadden om hun blikjes uit het raam van de auto te gooien. Dat was natuurlijk niet zo. Zo lagen er een paar jaar geleden ontzettend veel blikjes Cara-pils in de berm bij ons in de straat. Ik werd kwaad op alle vuile alkoholiekers tot ik besefte dat als er één iemand bij het naar huis fietsen van zijn werk elke dag een blikje dronk en dat bij ons in de straat de kant in ketste, dan lagen er op jaarbasis 364 blikjes, of ja, toch rond de 230, want er waren 260 werkdagen en als die naar huis fietsende alcoholicus wat vakantie nam – om zich, wie weet, eens echt te kunnen bezatten – dan kwamen we natuurlijk aan wat minder blikjes, maar 230 was nog steeds heel veel. Het afvalprobleem in een straat kon met andere woorden veroorzaakt worden door één persoon. Eén specifieke groep viseren had geen zin en zou weinig tot niets bijdragen aan de oplossing van het probleem. Wat echt zou helpen, was dat er iets potentiële blikjeswerpers zou weerhouden om gevolg te geven aan hun reflex. Even stilstaan bij het effect van hun daad kon al genoeg zijn. Door opvoeding en preventie kon je mensen aanleren om ‘even stil te staan’, maar er waren helaas ook slecht opvoedbare individuen, die zich amper of niet verbonden voelden bij hun omgeving. Zolang er geen statiegeld op blikjes kwam, en zelfs dan, zouden zij hun afval uit de auto kieperen. In mijn handen hield ik een half opgegeten appel. Vijftig meter voor mij zag ik hoe een blikje uit een auto gegooid werd. Het belandde tussen de bramen. Fijn, dacht ik, dat krijg je er ook nog zomaar niet uitgevist. In een opwelling wierp ik de halve appel naar de auto toen hij voorbij reed. Hij belandde door het open raam in het interieur van de uitgebouwde Volkswagen Golf. Of nee. Ik had een steen in mijn hand en mikte die driftig door de achterruit van de voorbijrijdende BMW. Het glas veranderde onmiddellijk in een spinnenweb. De auto slipte zich tot stilstand. Twee zwarte sporen op het wegdek. Ik had er nog graag een klapband bij gehad, dus ja, doe dat ook maar. Stond hij ook nog op een velg, net goed. Een klein geblokt manneke stapte uit de auto, liet de portier open staan en brieste op mij af. Hij riep. Of ik zot was ofzo. Ik behield mijn kalmte. Ík, zei ik, waarom? Ik had toch niks gedaan. Gingen we het zo spelen. Hij ging de politie bellen. Doe maar, ik heb niks gedaan. En die steen door mijn ruit dan. Was ik niet. Doe niet onnozel. Hij kreeg een rood en roder hoofd. Even dacht ik dat hij met zijn gsm naar mij zou gooien, maar dat deed hij niet. In plaats daarvan stak hij hem terug in zijn achterzak en kwam nog verder mijn richting uit. Tot vlak bij me. Hij duwde me, of beter, hij probeerde me te duwen. Net op tijd zette ik een stapje opzij waardoor hij bijna zijn evenwicht verloor. Met mijn 1m88 was ik ruim een kop groter dan hij en in vergelijking met zijn gespierde armen en schouders leek ik een lange slungel. Maar dan wist hij natuurlijk niet alles. Hij probeerde me tegen de schenen te schoppen, maar weer miste hij doel. Zijn driftige natuur steeg hem ten top en hij wilde me vastnemen. Voor hij besefte wat er gebeurd was, lag hij met zijn gezicht tegen het tarmac met een knie in zijn nek. Dat was natuurlijk allemaal erg onwaarschijnlijk. Zoiets kon ik helemaal niet. En trouwens, wat daarna? De driftkop zou niet zomaar afdruipen en nooit meer blikjes uit zijn auto gooien. Al had ik wel eens zo iemand terug in zijn auto willen zien kruipen en willen zien vertrekken, hobbelend op drie banden en een velg, met een erg beperkt achteruitzicht. Het waren idiote heldendagdromen, maar ik kon ze niet tegenhouden en meestal liet ik ze maar wat passeren. Het was een oermenselijke drang om problemen met geweld op te lossen, om onrecht met geweld op te lossen. Vandaar al die supermanverhalen die het zo goed deden in strips en in films. Misschien moest ik het ook allemaal eens in een verhaal verwerken, of een echt supermanverhaal schrijven. Het liefst zou ik een Neo-achtige figuur - uit de Matrixfilms, je weet wel - opvoeren, die zo snel bewoog dat hij zelfs kogels kon ontwijken. Nog voor het blikje uit de auto de grond raakte, zou het alweer in de auto liggen. Veel minder geweld, trouwens, en misschien ook wel een veel bevreemdender effect bij de overtreder. Die zou niet weten wat hem overkwam en zou nooit zo driftig kwaad worden, want iemand die driftig kwaad werd die geloofde nooit dat hij ongelijk had, hoogstens kreeg hij spijt dat hij zo driftig kwaad was geworden. De steen in zijn achterruit zou hij nog steeds onrechtvaardig of buiten proportie gestraft vinden. Misschien zou ik wel de schuld krijgen van zijn klapband ook. Dat bracht dus niks op. Als ik zo’n supersnelle superheld was, kon ik op een heel andere manier het afvalprobleem hier in de omgeving oplossen. Ik zou weten wie hier in de zomermaanden zijn tuinafval in het bos komt droppen en nog voor die man met zijn aanhangwagen terug thuis was, zou hij het gemaaide gras en snoeisel gewoon weer in zijn voortuin zien liggen. Het blikje van het kleine geblokte manneke zou niet eens tussen de bramen geraken, maar als een weerlicht terug op de passagierszetel terechtkomen. Ik zou het hele procedé oneindig keer herhalen, zo lang als nodig. Zo lang dat sluikstorters niet meer zouden weten wat echt was en wat niet, ze zouden huilend op hun stuur kloppen en om hun moeder roepen. Ik denk niet dat ze daarna nog zouden sluikstorten. Of zouden ze? Het was een leuk idee, maar ik was geen superheld, en ik twijfelde of ik dit blikje zou laten liggen of oprapen. Ik kon niet elke keer dat ik een wandeling deed al die blikjes oprapen. Eén of twee keer per maand was meer dan voldoende. Dan nam ik de kindjes mee en een bolderkar om de vuilzakken in te doen. De kindjes kregen handschoentjes aan en knijpertjes mee. Dat vonden ze fijn. Zeker Karel vroeg er soms achter. Wanneer gaan we nog eens vuil oprapen, papa? Ook al deed hij het graag en waren het goede werken, toch hield ik me ervan om het te veel te doen, want de auto’s op de weg hier reden soms snel en in hun enthousiasme keken de kindjes niet altijd even goed uit. Een plastiekje was voldoende om ze zonder omzien de straat te doen oversteken om, competitief als ze waren, als eerste bij dat stukje zwerfvuil te komen. Ze vochten er soms om en dan moest ik een beurtrol opstellen. Voortdurend moest ik op mijn qui-vive zijn en al des te meer omdat er her en der aan de bosrand restanten van een oude prikkeldraadafsluiting lagen. Mijn oudste broer was als achtjarige ooit met zijn gezicht in zo’n verroeste prikkeldraad gelopen. Het litteken liep nog steeds, zelfs na wat plastische chirurgie tijdens zijn tienerjaren, van onder en over zijn kin, langs zijn lippen tot op zijn wang. Ik wou niet dat dit met één van mijn kindjes zou gebeuren. Vorig jaar had ik een lange tekst geschreven over hoe er in onze buurt een meervoudig afvalprobleem was. Enerzijds was er het ‘gewone’ zwerfvuilprobleem langs de straat, er was het typische aan-de-rand-van-het-bosafvalprobleem, namelijk grotere stukken huishoudelijk afval, zoals zetels, tuinafval en dergelijke. Anderzijds had je ‘toeristisch’ afval van alle jongeren die hier in de zomermaanden aan de rand van het meer kwamen drinken, barbecueën, zwemmen, vissen… En omdat het meer ontstaan was door zandwinning en dit dus een oude zandgroeve was, had je daarbovenop te maken met achtergelaten industrieel afval: stukken muur, ijzeren palen in de grond, prikkeldraad, stukken omheining… En toch, toch werd dit gebied als een van de mooiste stukjes natuur uit de omstreken beschouwd: het Parelstrand. Ideaal om te komen genieten en om te komen wandelen met je hond. O, dat is waar, dat had ik nog niet eens in die lange brief vermeld, dat de eerste driehonderd meter voorbij de parking aan de rand van het bos, stonken naar de hondenuitwerpselen. Aan beide zijden van het brede pad had je een meter tot anderhalve meter waar je geen stap kon zetten zonder in een hondendrol te schuiven. Hoe vaak had ik al stront van onder de zolen van kinderschoentjes moeten poetsen. En hondendrollen zijn ook een vorm van afval, zeker in de hoeveelheden zoals je ze hier aantreft, en zeker als het baasje de hondendrol toch in een poepzakje gevangen had, maar het daarna het bos in gekeild had. Soms hingen die zakjes laaghangende takken. Dat was écht geen zicht. Tijdens de barbecue van de ‘mooimakers’ uit de stad had ik in een discussie wat te luid opgeroepen om rond het meer geen afval meer op te ruimen. Laat die vervuilers maar in hun eigen vuilnis zitten, was de redenering. Ik schaamde me achteraf wat over die stoere uitspraken. Vuil trok alleen maar meer vuil aan, en op de lange duur had je een openbaar stort in het midden van een erkend natuurgebied liggen. Ik had trouwens in de zomer nooit afval geruimd rond het meer. Dus wat ik had gezegd op die barbecue had niet eens betrekking op mezelf. Het geroep en de veel te lawaaierige muziek, de geur van sigaretten en joints, deden me het strandje rond het meer mijden en ik wandelde langs een ander pad het bos in. Tot ver in het bos kon je een mix horen van de boomboxen die de groepjes jongeren met een verschillende muzieksmaak tegen mekaar opgesteld hadden. Mooi weer en lange zwoele avonden stonden hier gelijk aan veel decibels. Die ene lange brief over het afval hier in de buurt had ik nooit opgestuurd naar een krant of het stadsbestuur, omdat hij wel erg lang was geworden en ik dus zeker wist dat niemand hem echt ging lezen. Nee, ik maakte me geen illusies, als ik dit probleem wou oplossen, dan zou ik het anders moeten aanpakken. Ik kon geen superheld zijn en ook met lange klachtenbrieven zou er niks bereikt worden. Er moest een andere manier zijn, alleen wilde ik niet meer dat soort negativist zijn en enkel nog een klein beetje een deel van een oplossing zijn. Met de kindjes af en toe wat zwerfvuil oprapen, was fijn en goed, meer moest dat niet zijn. De rest was politiek en daar werd ik zo moedeloos van. In ieder geval blonk dit blikje nu mooi in de zon. Het zag er, als je er met wat fantasie naar kon kijken, uit als een stukje zilver of goud dat hier zomaar voor het oprapen lag. Ik bukte me en stak het toch in mijn jaszak bij het klokhuis van mijn appel, ook al vond Tine dat een verschrikkelijke gewoonte en ook al wist ik dat de kans groot was dat als ik morgen of overmorgen mijn hand in mijn jaszak zou steken, ik er een halfvergaan plakkerig klokhuis en een uitgedrupt blikje in zou vinden.

Hans Van Ham
33 0

Agnes. 

‘Waarom neem je in hemelsnaam vijf kuikens mee naar binnen?’ Ik keek mijn moeder aan. Het broekpak dat ze aan had stonk naar zweet. ‘Het is droog,’ zei ik. ‘Ze mogen drinken.’ Ik zette de piepende diertjes in de wasbak, gevuld met wat water.  ‘OK, ik zet ze straks wel weer terug, anders slaap ik niet.’ Mijn moeder tikte ongeduldig tegen het aanrechtblad. Het was vijf voor drie. Bijna mocht ik gaan. Iedere vrijdagmiddag ontvluchtte ik het huis. Het huis dat vol kakelende en miauwende dieren nooit rustig was, het huis dat naar paardenmest rook, waar ’s nachts uilen langs vlogen en waar alleen op zaterdagen gewassen mocht worden. Het huis waar de bliksem ooit binnenrolde, waarvan het gat nog steeds zichtbaar was en waar soms ’s nachts water doorheen lekte. Het huis dat aan een flinke schoonmaakbeurt toe was. Of aan een open raampje, al wilde mijn moeder dat niet omdat onze vogel weg zou vliegen. Het hok van Kanariegrietje moest en zou openblijven. ‘Ik ga naar Tuur,’ zei ik. Mijn moeders oogleden begonnen al te zakken. We woonden al vijftien jaar met zijn tweetjes in dit grote huis in het bos. Iedere week liet mijn moeder me alleen naar de stad fietsen. Als het aan mij lag verhuisde ik naar mijn oom. Helaas was ik nog niet oud genoeg. Nog drie jaar moest ik het in ons konijnenhol volhouden.   Alleen vrijdag was voor de stad en mocht ik naar de plek gaan waar ik het liefste was, waar ik veel kon zien. Met mijn grote ronde bril op dan, want zonder bril zag ik alsof iemand een sloot water op zijn cameralens had gekregen. ‘Jammer dat je bij Tuur zijn leuker vindt dan hier met mij,’ Mijn moeder deed haar armen over elkaar en keek bezorgd. ‘Of met een vriendin.’ ‘Dat zeg ik toch niet?’ zuchtte ik. Ik dacht er wel zo over. Vriendinnen had ik niet. En als ik thuisbleef moest ik naar operamuziek luisteren en werkten we in de moestuin. Mijn moeder gaf me uitleg over hoe je tomatenplanten kon dieven, hoe je wilde slierten uit de rododendrons kon halen en hoe giftig bepaalde paddenstoelen konden zijn. Ik luisterde altijd maar half.  ‘Veel plezier dan maar,’ hoorde ik achter me, terwijl ik maar mijn oude meisjesfiets liep. Die stond met slierten aan het stuur klaar tegen de schuur.   ‘Zo kan ik je goed zien aan komen wapperen,’ had Tuur tegen me gezegd toen hij jaren geleden de fiets cadeau gaf. ‘Doei mam,’ riep ik toen ik ons pad affietste.   Dennenappels plopten onder mijn fietsbanden vandaan en helikopterblaadjes dwarrelden langs mijn oren. Van het eenzame bospad kwam ik snel op het asfalt, waar auto’s me voorbij scheurden. Eén ervan had een bak op het dak met stickers van wel twintig pretparken. Het was gewoontjes voor anderen, het was mijn wilde vrijdag.   ‘Moontje!’   In de verte zag ik zijn halflange haar al uit het raam waaien. Ik duwde de metalen deur open om mijn fiets te parkeren.   ‘Dag nichtje van me,’ zei Tuur toen ik binnenkwam. Nog hijgend van de fietstocht en de zes trappen gaf ik hem een omhelzing. ‘Is er weer een tapijt bij gekomen?’ vroeg ik hem. Tuur knikte naar de Pers op de muur. De tapijten die hij op de muur hing waren tegen het geluid van de buren. ‘Dat vormde ruzies om tot doffe gesprekken en maakte hun gekletter met servies tot kleine triangelconcerten,’ zei Tuur een keer. Mijn moeder vond het abnormaal. Ik vond Tuur ook abnormaal, en ook de meest creatieve, leukste persoon op de wereld. Hij was tekenaar en maakte gekke portretten van mensen uit de stad. Alsof iemand lucht in hun mond blies en ze opzwollen. Hij verkocht ze boven op de langste brug van de stad, meestal aan langslopende toeristen. Af en toe ging ik op zaterdagochtend mee, soms bleef ik thuis en mocht ik pianospelen. ‘Muntthee, Moon?’   Ik knikte en keek naar de muren. ‘Portretten hangen daar niet. Die mensen kijken me eng aan. Ik maak liever mijn eigen behang,’ had Tuur me uitgelegd.   Ik liep door het huis, naar de slaapkamer. Ik mocht overal komen behalve in zijn kledingkast. Sinds hij het me verbood wilde ik niets liever dan een kijkje nemen. Ik stond voor de goud geverfde deuren. Er waren bloemen opgetekend en bovenaan hingen gelukspoppetjes. Midden op het hout hingen leren hendels. Ik greep er eentje.   ‘Daar mag je niet komen!’ had Tuur me ooit gewaarschuwd. Dat er alleen saaie pakken inzaten, geloofde ik niet. Net toen ik me om wilde draaien zag ik dat de kastdeur op een kier stond. Mijn neus kon ik precies door het smalle gat drukken. Ik slikte moeizaam en mijn handen werden warm.   Toch bleef ik staan. Ik kneep één oog dicht zodat ik met het andere beter zag. Het was een ruime inloopkast en in het midden stond een etalagepop zonder benen of hoofd. De pop droeg een groene jurk met rode bloemen en een strik aan de zijkant. Ik zocht een reden waarom hij daar hing. De jurk was wel tien maten te groot voor mij en Tuur had het nooit over vriendinnen. ‘Een hazelnootkoekje?’ Tuur zijn stem kwam dichterbij.   ‘O, eh, lekker.’ Snel liep ik naar de bank in de woonkamer. De kussens hadden een kuil aan de linkerkant waar ik inzakte. In mijn borstkas klopte mijn hart zo hard dat ik hem bijna hoorde bonzen en ik wist dat mijn nek vol rode vlekken zat. ‘Spook gezien, Moon?’ Tuur kwam grijnzend de kamer binnen en gooide een koekje in mijn schoot. ‘Geen spook nee,’ stamelde ik.     Die middag zei ik er niets over, al bleef de jurk door mijn hoofd spoken. We fietsten naar een kunstgalerie waar we standbeelden bekeken en na een ijsje liepen we een winkel in. Eentje met een ontelbaar aantal etalagepoppen. Met schoenen, tweedehands kleren en muren vol leren tassen. Veel tassen waren lelijk, vond ik. Op de schoenenafdeling paste ik schoenen, zwarte met glitters. Alsof je door een zonnebril naar de sterrenhemel keek. ‘Dit mag ik nooit van mijn moeder.’ Twijfelend hield ik de schoenen omhoog.  ‘Dan laat je ze toch gewoon bij mij?’ Tuurs ogen glinsterden. ‘Dit zijn gewoon je stadschoenen!’   ‘Je mag ze aanhouden,’ zei de verkoopster. Ik stopte verbaasd mijn versleten gympen in Tuurs rugtas.   Terwijl ik mijn nieuwe veters strikte, zag ik dat mijn oom bij de kassa afrekende en ook grote oorbellen kocht. Even voelde ik aan mijn oor, alsof ik even niet meer wist dat ik nooit gaatjes had gemogen van mijn moeder. Misschien waren ze voor de vrouw die de jurk ging dragen, bedacht ik me. Mijn wangen werden heet.   Die avond keken we een film en mocht ik met een maag vol popcorn in het stapelbed op de logeerkamer slapen. Toen mijn ogen bijna dichtvielen hoorde ik Tuur praten. Was hij aan het bellen?   Ik probeerde te slapen, maar van alle cola die we die avond dronken moest ik plassen. Terwijl ik van het trappetje afging, hoorde ik Tuur weer praten. ‘Je bent een sterke vrouw,’ hoorde ik hem zeggen. Ik liep naar het toilet op de gang en zag hem voor de spiegel staan, al wilde ik eigenlijk niet kijken.   In zijn haar had Tuur een hoge knot en eronder hingen de gouden oorbellen. Hij droeg de jurk en gleed met zijn handen over de plooien van de rok. Ik zag hoe zijn voeten in hakken waren gedrukt, met achterop in zwarte letters Prada geschilderd. Mijn hoofd bonkte van nieuwsgierigheid.   Ik moest van mezelf weer in mijn bed gaan liggen. Net toen ik me omdraaide, kraakte de vloer onder me. Shit! ‘Moon? Oh nee…’, zuchtte Tuur. ‘Kom maar binnen, je hebt me vast gezien.’ Ik duwde de deur open. Mijn oom ging met een somber gezicht op de bank zitten. Tegenover hem stond zijn fluwelen kuipstoel, waar ik in ging zitten. ‘Ik had het willen vertellen, maar ik dacht dat je het gek vond,’ zei Tuur met zijn handen gevouwen op zijn schoot, ze waren rood van het knijpen.   ‘Dat je soms jurken draagt?’   ‘Ben je niet nieuwsgierig? Je bent boos,’ ratelde Tuur. ‘Of je wilt vast naar huis.’  Hij wreef in zijn ogen. De oranje oogschaduw werd naar zijn slapen gewreven. Hij leek wel een superheld. Ik grinnikte. ‘Nee hoor. En ik draag zelf geen jurken, maar als jij dat mooi vindt...’. Ik haalde mijn schouders op. ‘Ga je er ook mee naar buiten?’ ‘Dat nooit,’ antwoordde hij en toen keek hij trots. ‘Ik heb wel een naam. Voor mezelf. Agnes!’ Ik stak mijn hand uit. ‘Leuk je te leren kennen, Agnes.’ ‘Dank je wel, Moon.’ We zeiden elkaar welterusten en de ochtend erna racete ik terug. Was het maar vast volgende week. ‘Ik heb een nieuwe vriendin in de stad, mam,’ zei ik. ‘Wat fijn,’ zei ze. Haar ogen glinsterden. ‘Kun je dan voortaan bij haar blijven slapen?’ ‘Ik denk van wel.’ ‘Dan ben ik blij.’ Mijn moeder gaf me een stevige knuffel. ‘Ze heet Agnes trouwens.’

FrederiekVerb
4 0

Na het leven

‘Je mag nu niet verzwikken, stom ding,’ stammelde Marten. Zijn enkel wankelde licht terwijl hij door de woonkamer liep. Na drie rondes greep hij snel de deurpost voor een pauze. Genoeg geoefend. Hij deed zijn pols in de lucht en de linnen mouw schoof naar beneden.  ‘Nog negen minuten!’ riep hij.  Er viel een stilte.  ‘Bijna klaar,’ zei de persoon die vanuit de gangspiegel tegen hem sprak. Hij keek omlaag naar de hakschoenen. De blauwe lak zat er nog prachtig op. Moest hij zich over het type schoen laten informeren? Voor als buurvrouw Bep moeilijke vragen ging stellen, waar hij dan met rood geblonken kaken geen antwoord op zou weten. Bij welke winkel de hakschoenen vandaan waren bijvoorbeeld? ‘Online zeg ik dan wel,’ zei Marten, terwijl hij de laatste spullen bij de kapstok pakte: de beige regenjas en de handtas. Dat lukte, dat was slechts een stap van een meter. Hij wilde zijn jas aandoen, tot hij het post-it briefje op het tasje zag. Het gele vel plakte niet goed meer en dwarrelde op de grond. Samen met de vijf uitroeptekens lag het daar maar, op de zachte vloerbedekking. Wachtend om opgepakt te worden, eenzaam bijna. Hij liet het liggen, bukken lukte nu zeker niet.  Hij kneep zijn ogen halfdicht om te kunnen lezen. De tas is van leer, mag niet nat worden, niet nat!!!!!  ‘Shit, de tas moet eerst, de tas moet eerst,’ gromde hij zacht.  Onhandig zocht hij met het handtaskoord naar zijn schouder en probeerde de jas eroverheen aan te doen. De linnen mouw bleef rond zijn elleboog haken. Hij herhaalde mopperend de poging. Het lukte, al struikelde hij bijna. Marten gniffelde toen hij weer recht stond en keek hoopvol om zich heen. Niemand grinnikte mee. Met een donker gezicht deed hij de acht knoopjes van de jas dicht. Hij had de wandeling van dertig meter gered zonder te vallen. Alleen was er een nieuw probleem ontstaan: de sterke wind had de grijze lokken voor zijn oren gewaaid. Snel duwde hij met trillende vingers de losgeschoten haren terug in de speld en keek om zich heen of iemand hem al had gezien. Op straat liepen wat voetgangers, alleen geen bekenden.  En naast de bakkersvrouw – hij kon zich herinneren dat zijn vrouw haar Miesje noemde - was hij de enige voor de kraam.  Neuriënd stond Miesje met haar rug naar hem toe gedraaid. Hij kuchte kort. Ze draaide zich met een ruk om en trok wit weg, alsof ze ontdekte dat een muis zich door al haar versgebakken speltbrood heen had geknaagd. ‘Maa, ma, maar… His, Hiske? Wat, hoe…,’ begon de vrouw stamelend. Miesje was klein en het merendeel van haar lichaam stond verscholen achter de stapel krentenbroden, pistoletjes en chocoladecroissants. Hij zag de vlekken in haar nek. Die kropen op tot vlak onder haar kin. Hij had het met haar te doen, maar hij moest volhouden. Dat had hij zo beloofd. Trillend pakte Miesje haar bakkersmuts. ‘Bent u het echt, Hi… Hoe…?’  Ze legde haar hand op haar voorhoofd in de hoop een koortsdroom te ontdekken. ‘Geen zorgen mevrouw,’ zei hij met een hoge stem. Hij kuchte, de hele ochtend had hij nog niets gezegd en de woorden kwamen nog rauw uit zijn mond. ‘U bent niet in een droom beland.’ ‘Oké, eh, wilt u hetgeen u altijd neemt, His...’. Even leek Miesje als een standbeeld zo stijf. Marten hield zijn lippen stijf op elkaar. Ze vervolgde haar gestotter: ‘me…, mevrouw Abbink?’  ‘Ja, dat is goed,’ antwoordde Marten zacht. Zijn stem was opgewarmd. ‘Hiske voor u.’ ‘Ja, Hiske dus. Neemt u mij niet kwalijk. Hiske.’ Even was ze stil. Haar onderlip trilde.  Hij knikte, legde het briefje van vijf op de verzameling broden en liep door naar een paar kraam verderop. De kerkklokken, die ieder kwartier pingelden, overstemde het gejammer van Miesje helaas niet. Hij keek niet om, dat leek hem beter.  ‘Hiske, mevrouwtje, gezellig dat u er weer bent. Tijd niet gezien! Bent u ziek geweest of zo?’ ratelde de jongeman een paar kramen verder. Hij stond zonnebloemen stond te sorteren. Hoe de jongen heette wist hij niet. Al was het wel altijd dezelfde Turkse jongen die luid over het plein riep dat er nog wat frisanten of toverbollen voor de helft van de prijs waren. Toen boog hij zich over de bossen heen en fluisterde: ‘Er zelfs gezegd dat u onder de grond lag, zonder kloppend hart en zo hè. Maar u bent hier, springlevend! Wat kan ik voor u doen?’ ‘Ja, even weggeweest inderdaad,’ antwoordde Marten. ‘Lelies alsjeblieft.’  Eenmaal thuis ontdeed Marten zich uit alle overbodige kleren en plofte hij neer in zijn leren hangstoel. Hij aaide de leuningen.  ‘Martens schoot noemde je deze stoel altijd,’ zei hij in zichzelf. Hij glimlachte en dacht terug aan hoe zijn vrouw precies hier zat toen ze haar plan op een briefje aan hem presenteerde. Hij moest en zou het dorp de stuipen op het lijf jagen.  ‘Anders ga ik bij je spoken,’ zei ze giechelend.  ‘Spoken mag altijd.’ ‘Niet leuk spoken dan. Dan ga ik de radio steeds op een andere zender zetten, of je sloffen laten verdwijnen.  ‘Ik beloof je lieverd, dat ik liever andere mensen bang maak dan mezelf,’ had Marten haar gezegd. ‘Wat is je plan?'

FrederiekVerb
6 0

(il)legaal homohuwelijk

Er is volk op straat, veel volk. Het lijkt wel alsof heel het land hier plots op straat is gekomen. Of ik nuvoor me kijk, of achter me, overal zie ik mensen. Mensen van allemaal origine. Terwijl ik zo rond mekijk, zag ik je plots. Jij met je hoofddoek aan, die je straks gaat verbranden, jij tussen allemaal anderevrouwen. Achter jou loopt een kind. Een kind van een jaar of tien. Het zou je dochter kunnen zijn.Maar daarvoor ben je nog te jong. Zelfs bij een tienerzwangerschap zou het kind hoogstens een jaarof 7 zijn. Het komt naar je toe, en vraagt je iets. Ik sta te ver van je, en er is te veel lawaai van al deandere betogers, dat ik je niet kan horen. ‘Ow, excuseer.’ Terwijl ik naar jou zit te kijken, botst plots iemand tegen mij. Ik besef maar half dat ikecht zit te staren naar jou, en dat iedereen verder gaat. Langzaamaan kom je dichterbij. Ik zit zo hardnaar jou te staren, dat het opvalt. Je ziet het, en wandelt naar mij. Voor zover dat je het wandelenkunt noemen. In een betoging gaat het nooit vlot. Maar in mijn gedachten sta je onmiddellijk naastme. ‘Is er iets? Je kijkt zo naar me?’ Zeg je. Wat een stem. Ik val in zwijm voor jou. Hopelijk kan ik het eenbeetje verbergen. Op homoseksualiteit staat hier, in Iran, nog altijd de doodstraf. ‘Huh, uh… nee, er isniets,’ antwoord ik. Hopelijk klok de paniek in mijn stem niet hard door. Ik wil namelijk niet dat mijnlaatste uren geslagen hebben. En zeker met al de undercoveragenten van de overheid, weet je nooit.Zelfs tegen mijn verloofde kan ik niets zeggen. Als ik iets te veel zeg, waaruit zou blijken dat ikverliefd op je ben geworden, kan dat onmiddellijk mijn dood betekenen. Maar wat doe ik dan hetbest? Ik kan toch moeilijk heel mijn leven blijven zitten met het idee dat ik elk moment kan wordenopgepakt. Terwijl ik al deze bedenkingen aan het maken ben, wandel je een beetje verder. He! Is dat daar eenstukje zwart haar dat ik zie, onder je blond haar, dat weggestoken zit onder je hoofddoek? Ja hoor.Maar dat betekent dat… Je bent geen vrouw, maar een undercoveragent! En deze betoging wasenkel voor vrouwen! Om jou te ontmaskeren, moet ik rap zijn. Ik neem je hoofddoek en je blondeharen vast, en trek eraan. Hoe kan dat nu? Je bent… mijn verloofde? ‘Sinds wanneer loop je rondverkleed als vrouw op een betoging die enkel voor vrouwen is?’ ‘Wel, ik ben undercoveragent voorde Iraanse overheid. Ik moest infiltreren om zo te achterhalen wie allemaal aanwezig is op dezebetoging.’ Antwoord je op mijn vraag. Nu wordt me wel veel duidelijk. Waarom je altijd weg wastijdens grote gebeurtenissen, waarom ik voor je stem viel, waarom ik je plots herkende, … Het toeval wil, dat we volgende week gaan trouwen. Zo kan ik toch nog, zonder de doodstraf tekrijgen trouwen met ‘de vrouw van op de betoging’. Pff. Wat moet een echt homokoppel toch nietallemaal meemaken in een land zoals Iran.

buitencirkel
5 0

Worstkaasscenario eten we vegan

Dennis rolt de steekwagen met zwarte plastiek stapelbakken en kartonnen dozen de winkelruimte met aan beide zijden een etalage in: ‘Voilà, dit is het laatste van de levering van de traiteur, Beppie!’  Hoge receptietafels met mooie minibloemstukjes staan tussen de winkelrekken en de toonbank verdeeld.   ‘Zeg, veel volk op de gastenlijst. En niet de minste, zelfs de burgemeester komt af!’, roept hij naar de dame op het aluminium inklapbaar trapladdertje met twee treden. Hij zet de steekwagen neer en trekt zijn afgezakte joggingsbroek op tot boven zijn navel: ‘Oei, de rek van mijn broek is kapot’, en knoopt op goede hoop het elastisch koord in een schoenveterknoop.  De kokette kleine dame, gekleed in donkergroene kokerjurk met bijpassende zilveren pumps draait zich minutieus om, op de bovenste trede van het trapladdertje met het einde van een gouden slinger in haar rechterhand: ‘Ja, ons Trea mag trots zijn. De opening van haar eigen zaak. Een speciaalzaak in houten lepels. Dat bestaat in heel Vlaanderen nergens niet!’ Ze draait zich terug om, strekt zich volledig en probeert met een punaise de slinger vast te pinnen. Maar het lukt niet: ‘Lap hè, ik ben te kort’ Dennis grabbelt naar zijn leesbrilletje in de buidelzak van zijn grijze kaptrui, plooit de twee benen open en zet hem op zijn neus. Hij leest de bestelbon: ‘Beppie? Beppie! Kom eens! Dat zijn hier problemen! Dat klopt hier niet. De bestelling is niet compleet!’ ‘Oei, bel de traiteur dan maar op! Binnen een halfuur begint dat hier. En u niet laten doen, hè! Die zelfstandigen met hun smoesjes altijd. Mijn gsm ligt daar, op die tafel. Gebruik die maar!’ Ze probeert nog een tweede keer en mompelt: ‘Komaan Beppie! Op 3, en dan volledig strekken. 1… 2… 3…!’ , strekt zich volledig en staat op de toppen van haar tenen. Maar het lukt niet. Ze zucht: ‘Lap hè, ik ben te klein’ Dennis duwt gefrustreerd de gsm uit: ‘Ik kan de traiteur niet bereiken. De helft van de levering is niet gebracht. Enkel de dozen en bakken met ‘vegan’ op zijn geleverd.’   Beppie geeft het op en laat de gouden slinger voor wat het is. De laatste dertig centimeter bengelt naar beneden, net tot boven de toonbank. Ze stapt statig van het trapladdertje: ‘Laat mij eens kijken!’ , en grijpt de bestelbon uit Dennis’ handen . Ze snuffelt controlerend in de dozen en bakken: ‘Ja, lap! En de drank is er ook al niet bij! En nu? Wat gaan we nu doen? Binnen een half uur staat ons Trea hier. Samen met de burgemeester en de rest van al het volk’  Dennis neemt zijn leesbril in zijn linkerhand en denkt na: ‘Hmmm… Worstkaasscenario eten we vegan, hè’ Hij haalt zijn schouders op. Ze trekt een bedenkelijk gezicht: ‘Hoe? Wat? Worst? Kaas?’ ‘Awel, zo zeggen ze dat toch? Worstkaasscenario, in het allerslechtste geval, eten we vegan. Zo slecht kan dat toch niet zijn?’  ‘Ah, ge zijt in het Engels bezig. Worstcasescenario! Ja, oké! Nu snap ik het. Hoe? Kunnen we dat wel maken? Zo, alleen maar vegan en dat zonder drank? Dan doe mij sowieso maar met extra mayonaise.’ Ze trekt een verontrustend gezicht: en volgens mij ben ik allergisch aan avocado’s. Doeme toch!

Evelien Meulders
32 1
Tip

Jules, een portret

In al die jaren heeft hij me nooit bij mijn naam genoemd. Misschien is hij die vergeten, of heeft hij hem nooit geweten. Allicht interesseert het hem geen moer. Kinneke, noemt hij me. Of meiske. Zelf noem ik hem steevast Jules. Een man die mijn grootvader had kunnen zijn spreek ik niet aan met een troetelnaam.  Vaak zie ik hem bezig in het tuintje voor zijn appartement, vol planten en bloemen en keien eronder, en rotspartijen en beelden waartussen hij paadjes heeft aangelegd, met van die grote witte stapstenen. In de kerstperiode flikkeren daar vele lichtjes en schitteren plastic sterren tussen de talloze kerst- en sneeuwmannen. Zijn ogen fonkelen dan nog het hardst van al, en zijn toch al grote rode neus lijkt te glimmen. “Toch gezellig he meiske,” zegt hij dan. “Zeg nu zelf.”  Als hij niet in zijn voortuintje te vinden is, dan allicht aan de overkant van de straat. Daar onderhoudt hij nog een kleine lap grond die de eigenaar destijds liet verloederen. Sluikstorters vonden hier het ideale plekje om hun afval te dumpen, het bracht stank en ratten met zich mee. Jules ging toen van zijn oren maken bij de gemeente en bekwam een mooie overeenkomst: hij zou het terrein grondig opruimen als hij het daarna mocht onderhouden zolang het niet verkocht of bebouwd werd. En zo geschiedde. Sinds ongeveer 12 jaar ligt daar nu een grote groentetuin en scharrelen er kippen rond. Met afvalmateriaal allerhande heeft hij serres gebouwd, bewaarbakken, een kippenhok, een werkhuis en een vernuftig irrigatiesysteem. Dat knutselen heeft hij naar eigen zeggen in oorlogstijd geleerd. “Kinneke, dat was niet gelijk uw jongens zalle. Wij hadden niks! Met de binnenband van een fiets en een stevige tak maakten wij een katapult, en daarmee schoten wij ons eten uit de lucht. Maar pas op, ik was een klein manneke, voor mij was dat wel een schone tijd. Ik heb toen veel geleerd, alles maakten we zelf. Ge ziet het he meiske, ik kan wel wat knutselen. Zeg nu zelf.” Jules werkt graag in zijn tuintjes, maar als er iemand passeert legt hij met veel plezier alles neer ‘om een klapke te doen’. Hij kent Jan en alleman, maar wel enkel van gezicht. Hij weet ook wie in welk huis woont, en soms hoe men de kost verdient. Maar meer ook niet, want een klapke doen met Jules betekent vooral dat hij vertelt en de voorbijganger luistert. Honderduit babbelt hij dan. Over zijn achillespees en de heupoperaties van zijn vrouw, Wize. Over de zeiltochten die ze samen ooit gemaakt hebben, en hoe hij ooit de krant gehaald had toen hij in zijn eentje de wereld rond wilde zeilen. Hoe dat niet gelukt is, is het verhaal dat zijn vrouw dan vertelt. Over het kapsalon dat hij had op de Veemarkt. Over de poedels die hij en Wize fokten en de prijzen die ze ermee gewonnen hebben. Over de ruzie die hij heeft met de bovenbuurvrouw omdat zij haar dekens dagelijks uitschudt boven zijn tuintje.  Als ik bij Jules ‘een klapke ga doen’, of als ik er met mijn zoontjes de kippen eten ga geven, krijg ik altijd verse eieren. Of een courgette. Of een pompoen. “Want meiske, ge moet goed eten, en uw klein mannen ook.”  Mijn klein mannen. Bij beide bezorgde ik een geboortekaartje aan Jules en Wize. Ze staan er nog steeds allebei op de kast, verscholen tussen porseleinen beeldjes, tinnen borden en gedroogde bloemen. De namen van mijn zoontjes staan in grote letters vooraan, maar hij heeft hen nooit zo genoemd. Misschien is hij ze vergeten, of interesseert het hem geen moer. Klein mannen, noemt hij hen. Of jongens.  “Kinneke, komt snel nog eens af met uw klein mannen.” Zo neemt Jules steevast afscheid. En snel terugkomen doen we steeds. De jongens genieten ervan tussen de kippen te rennen of te kruipen, en ik haal mijn hart op aan de verhalen van Jules. Want zeg nu zelf.   

Hilde Christens
202 5