Zoeken

Gezegde-nijd

Ik lijd tegenwoordig aan gezegde-nijd. Pure nijd omwille van het feit dat ik de gezegdes niet zelf uitgevonden heb.  Dit resulteert dan in het niet beëindigen van de gezegdes op tijd ofte er ongebreideld een vervolg aan breien, waarmee ik onbewust insinueer dat ik betere gezegdes formuleer of beter, nog beter doordacht. Met andere woorden; Jaloezie tot op het bot! Zo was ik laatst zeer op dreef bij een eerste kennismaking van mijn potentiële schoonzoon. Geheid heb ik een niet aflatende indruk gemaakt met mijn kennis van gezegdes en spreuken die in het gehoor blijven hangen. Hij hing bij wijze van spreken aan mijn lippen. Bij dit gezegde uiteraard géén aanhangsels, want het zijn mijn lippen, waar ik geen afbreuk kan aan doen. Zoals ik reciteerde mét aanhangsels en vooral zonder onmededeelzaamheid; Blaffende honden bijten niet, maar ze kunnen wel meppen nadat ze uitgeraasd zijn, soms zelfs tijdens het razen. Bij nadere beschouwing is blaffen in wezen een bijtbeweging, maar dan zo snel dat de hond buiten adem raakt en daarbij blafgeluiden voortbrengt. In ieder geval is het aan te raden geen rendez-vous te plannen met een blaffende hond. Weten waar Abraham de mosterd haalt, maar niet weten of Jezus wel eens een broodje gesmeerd heeft en of hij daar in het geniep van hield en of ook hij wel eens liep te lummelen en de pummel uit hing puur uit verveling en ergernis aan zijn apostelen? Hij was een visionair timmermanszoon; Zag voor zich al wat hij zou kunnen verwezenlijken met CNC houtbewerkingsmachines en dergelijke. Het was kwestie van een katholieke maatschappij te stichten; de ideale basis voor kapitalistische maatschappij die zou uitmonden in een industriële revolutie enzovoorts, enzoverder...Nu moest hij het stellen met een stelletje prehistorische apostelen die visionair niet eens aan zijn voetzolen reikten... De appel valt niet ver van de boom, maar wat als de appel overrijp is en de splutters overrijpe appel in het rond vliegen? Krijgt de vader dan alles in het gezicht? De prut van zijn zoon? Moet de vader dan schoon zoon zeggen? Wat als de boom een pruimelaar is en de vrucht een overrijpe appel? Behoef ik dan enige vragen aan de vrouw of zij wederkerig aan mij? Wat als de appel een pruim wordt of de boom overrijp wordt en op de vrucht valt? Wat als ik een vrucht zondermeer een vrucht noem, zonder te verwijzen naar enige identiteit? Wat te denken als mijn vrouw haar notelaren boekenplank afstoft met suggestieve vegen en ik haar de veelbetekenende wenkbrauw geef? Vragen, vragen ook voor het nageslacht of bij deze; Behoeft dit geen zorgen in deze woke tijden? Of behoeft één en ander uit het literature-idioom geweerd, zoals het gezegde van de appel en het woord appel zelfs voor alle zekerheid? Appel kan met enig doorredeneren tot vele associaties leiden...

Manuel Van den Fonteyne
1 0

Brooddronken deel 2, hoofdstuk 1

1 Kerstmis is zo’n speciale dag, dat in de Eerste Wereldoorlog jongens, die geen reden hadden om elkaar naar het leven te staan maar elkaar toch lustig afslachtten, samen voetbalden in de loopgraven. In de Tweede Wereldoorlog, zo leert Wannes Van De Velde ons, werden er geen bommen uit de lucht gestrooid en waren de kanonnen met een kerstboom getooid. Dus mag de facteur ook eens een dagje vrij hebben. Eéntje maar, natuurlijk. De dag er op was het terug onder het juk. Normaal zou iedereen blij zijn met een dagje verlof, zelfs al was het er maar ééntje, zeker in de eindejaarperiode waar het leeuwendeel van de mensen sowieso toch al thuis zijn. Een facteur niet. Een facteur weet immers dat hij van alle ambtenaren er het meest bekaaid af komt. Als een trein niet rijdt, rijdt hij niet. Als het stadhuis dicht is, is het dicht. Maar als de postbode niet werkt, stapelt het werk zich op. Alsof er ergens in de posterijen slecht gesyndiceerde duivels blijven verder sorteren, omdat ze met Kerst geen vrijaf kregen, of omdat ze geen vrijaf willen met Kerst of om de facteurs te beduvelen, clue’s in the name. Geen mens die het weet. Maar toch is een dagje verlof altijd welgekomen, ook en zeker voor de postbode, dus gebeurt er die dag niet veel ten huize Sabbe. Billy is terug naar Gent gereden met de Lada en Célestine. De eerste moet hij nog terugbrengen, van de tweede is het niet zeker of ze ooit nog de Groeningekaai zal (willen) zien. Ook Jules zit terug mooi opgehokt in de Korenbloem, nadat hij een half verrassingsbrood in allerhande Tupperwarepotjes meegekregen heeft. Die stukjes met gehakt zou Reginald wel zelf oppeuzelen. Maar er gebeurt dus niet veel op Kerstmis in het leven van een postbode, dus gaan we verder op Tweede Kerstmis, 26 december. Dan is het wel aan de slag voor alle postbodes. Ze zouden misschien eens gewoon worden van twee dagen na elkaar thuis te zijn. Het is woensdag. Dat betekent traditiegetrouw dat de Knack mee is. Gelukkig voor de postbodes is het tussen Kerstmis en Nieuwjaar best wel oké wat de abonnementen betreft. Al iets meer in uniform, getooid in allerhande bijeen geschooide kledingstukken, komt Jimmy binnen in de postmannenzaal. Na zich door de wolken rook te hebben gewerkt en zijn werkpost te hebben teruggevonden, neemt hij een rode bak mee en licht hij zijn vakkasten. De man rechts van hem is nieuw. Hij was er niet op Kerstavond. Hij stelt zich voor als Marc Jolicoeur en steekt zijn hand uit. ‘Steekt uw pishandje maar weg,’ snauwt Reginald van achter de vakkasten. Hij houdt de boel nauwlettend in de gaten. ‘Of wel ja,’ gaat hij verder, ‘misschien past ge nog goed samen.’ Het daagt Jimmy al gauw dat Marc homoseksueel is, al kan hem dat niet veel schelen. ‘Steekt maar een assiette in uw broek,’ zegt Reginald, ‘of ge gaat straks niet goed op uw velo zitten.’ Marc lacht de opmerkingen weg, maar Jimmy bezit genoeg empathie – dat heeft hij van zijn moeder – om te beseffen dat dit glad ijs is, waarop een wespennest ligt waar hij zijn neus beter niet in steekt. Toch schudt Jimmy hem de hand. ‘Jimmy Sabbe. Zoon van,’ zegt hij. Hij heeft de vakkasten van de sortering geleegd en deze per soort gezet. De diepe rode postbakken dienen voor de grote stukken en de ondiepe rode bakken voor alles wat briefformaat is. Nu is het wachten op Bruno. Ondertussen eet Jimmy nog een stuk van het verrassingsbrood dat hij heeft kunnen verdonkeremanen. Het brood is in de derde dag van het bestaan ervan doordrenkt met de mayonaise waarmee deze belegd was. Jimmy trekt een zuur gezicht want het stuk verrassingsbrood ziet er beter uit dan het smaakt. ‘Eet anders een broodje als ge op ronde zijt,’ hoort Jimmy zeggen. Hij draait zich om en achter hem staat Bruno met een rode brievenbak vol met restproduct, dat zijn kleintjes en grote na elkaar, tegen zijn heup. ‘Hebt ge uw sorteerplan bekeken?’ vraagt Bruno. ‘Op een vrije dag? Krijg ik daar overuren voor?’ antwoordt Jimmy. ‘Ge zult me nog dankbaar zijn,’ zegt Bruno, ‘als ge op tijd buiten en weer binnen geraakt. Want dat zijn ook dagen zonder overuren. Ik heb nog gehoord van een kerel die daarvoor een model 9 kreeg, omdat hij, en ik citeer, “niettegenstaande de hulp die hij krijgt er niet in slaagt het kantoor tijdig te vervoegen”.’ ‘Dat meent ge niet,’ zegt Jimmy, ‘een model 9 omdat ge te traag zijt?’ ‘Toch wel. Dus bekijk dat sorteerplan maar eens. Hebt ge een blad papier?’ Jimmy haalt een blad papier uit de lade. ‘Goed,’ zegt Bruno, ‘leg uw brieven eens aan de kant. Ge moet denken dat dit hier uw tafelblad is.’ ‘Oké.’ ‘Goed, en dan maakt ge uw volgweg gelijk dat ge hem zoudt aflopen. Dus we beginnen in de Weversstraat, onpare kant. Dus legt ge alles wat Weversstraat onpare kant is, hier, in de linkeronderhoek van uw tafel. Daarboven legt ge alle pare nummers van de Weversstraat. En dan daarboven de Izegemstraat, die drie huizen aan de overkant. En ga zo maar door.’ ‘Oké. Ik versta het.’ ‘’t Is te hopen dat ge ’t verstaat, hé,’ zegt Bruno. Jimmy knikt en smijt zijn dienst verder uit. Bruno kijkt toe. ‘En wat hebt ge gedaan met Kerstavond?’ vraagt Bruno. ‘Gegeten. Gelijk alle Kerstavonden. Heeft pa u daar nog nooit van verteld? ’t Is pertank elk jaar hetzelfde. Fondue met verrassingsbrood en ijstaart, al zijn we niet aan de ijstaart geraakt dit jaar.’ ‘Hoedat niet?’ vraagt Bruno. ‘Wel ja, onze pa vond het nodig om het lief van Billy te schofferen.’ Bruno denkt na. ‘Billy, dat is dan uw broer die hier nog een paar weken heeft gewerkt?’ ‘Ja, en die dan hals over kop naar Gent is weggelopen om te gaan studeren.’ ‘Allez. En hoe heeft die dan zijn vriendin geschoffeerd?’ Jimmy legt het pakje brieven uit zijn handen op een uitschuifbare lade. ‘Célestine is een half-Afrikaanse of zoiets. Ik moet er geen tekeningske bij maken wellicht?’ vraagt hij. ‘Ja. Ja, neen, inderdaad, ik kan mij er al iets bij voorstellen. Nog ene die ge nooit meer gaat zien. En wat gaat ge doen met Oudjaar dan?’ vraagt Bruno. ‘Wat denkt ge? De olie zit nog in de fonduepot, die kappen dat niet weg, hoor. Dus ja, fondue met verrassingsbrood en ijstaart, denk ik, al denk ik niet dat Billy en Célestine er bij gaan zijn.’ ‘Allez gij, dat meent ge niet. Ge zijt hoe oud juist? Negentien of zo? Dan moet ge toch uitgaan met uw maten? Ge zijt maar ene keer jong, zulle.’ ‘Ik heb eigenlijk niet zoveel maten,’ zegt Jimmy, ‘dat kwam bij ons niet binnen. Ze zijn alle twee van het gedacht dat ge met maten niets zijt, tenzij ge graag messen in uw rug hebt.’ ‘Serieus?’ vraagt Bruno. ‘Ja,’ zegt Jimmy en hij neemt een nieuwe handgreep brieven uit de laatste bak. ‘Dan heb ik slecht nieuws voor u,’ zegt Bruno, ‘als ge geen maten hadt voor dat ge in De Post begon, gaat ge er nu ook geen meer bij krijgen, zulle. Ge zult geen sociaal leven hebben. Als uw leeftijdsgenoten feesten, kunt gij in de nachtsortering zitten. Ge hadt beter een andere stiel gekozen dan.’ Hij lacht. Van de andere kant van de sorteerkasten komt een brommend geluid dat de postmannen herkennen als een goed ingedronken Reginald Sabbe. ‘Moeit gij u maar in uw menage,’ zegt hij, ‘maakt uzelf ne kleinen en stookt die een beetje op. Maar ’t beste dat gij al gemaakt hebt is nen mongool. Ge kunt in elk geval niet zeggen dat het de uwe niet is, ook al is uw wijf de matras van de Damastweversstraat en omstreken.’ ‘Reginald, dat pakt ge terug,’ zegt Bruno. ‘Ik pak juist niets de kloten terug,’ antwoordt Reginald, ‘mijne pa heeft mij altijd gezegd dat ik niet mag liegen. En stop met de kop van Jimmy te vullen met onnozeliteiten. Werken moet ie. De tamzak.’ ‘Reginald, ik ga naar de chef hoor!’ dreigt Bruno. ‘Awel, ik ga mee gaan, moet ik uw handje vasthouden,’ antwoordt Reginald, ‘onnozelen puppebukker.’ ‘Pa, alstublieft hé zeg. Drinkt anders nog eens een pinte.’ Jimmy schrikt wanneer hij dit zegt. Aan de andere kant van de sorteerkast klinkt het geluid dat heel dicht bij een koebel ligt, van twee sorteerblokken die worden neergeplaatst. Reginald staat op van zijn werkpost en waggelt naar die van zijn zoon. ‘Gij moet uw muil houden, hebt ge dat goed verstaan? Of ge gaat tegen mijn vuist lopen. Ik ga u slaan tot ge rookt. Of ge doet mee met mij, of ge houdt uw trape, maar ’t is niet omdat ge hier op ’t werk zit, dat ge nu ommenekeer een felle muile moet opzetten, snotneuze!’ buldert hij terwijl hij zijn vinger ergens in de brede omgeving van zijn zoon wijst. Hij duwt zijn sigaret uit op Jimmy’s hemd. Daarna waggelt hij weer terug naar zijn werkpost en opent hij een nieuw flesje bier.

Miguel
10 0

Brooddronken hoofdstuk 28

28   Reginald bekijkt de box met elpees in en zet deze aan de kant. De woorden draaien rond in zijn mond en in zijn hoofd en hij maakt de bijhorende kinbewegingen als zou er een stukje vlees tussen een afgestorven tand zitten, dat hij met zijn tong tracht los te peuken. Na een klein minuutje richt hij zich tot Célestine. ‘Dit moet toch een paar duizend frank gekost hebben.’ Was Célestine blank, dan zou ze gebloosd hebben, denkende dat ze toch een klein barstje heeft gemaakt in de muur rond Fort Reginald. ‘Dat maakt niets uit, het is een cadeau. Omdat ik van u ook het mooiste cadeau heb gekregen,’ zegt ze en ze kijkt smoorverliefd naar Billy. Marjoleins hart smelt bijna. ‘Dan moet ge toch redelijk rijk zijn,’ zegt Reginald. Célestine weet niet wat ze daar op moet antwoorden. De stilte wordt doorbroken door de brommende stem van Jules. ‘Ik ben ook rijk,’ zegt hij zonder opkijken of te verpinken, ‘ik stak mijn vinger in mijn gat en alles wat er rond was, was van mij.’ Een vettige lach volgt op deze boutade, die menig maag zou doen keren, mochten die Jules niet gewoon zijn. Jules smakt verder aan een stukje biefstuk. De schotel loopt op zijn laatste benen. ‘Ik heb ook iets voor u,’ zegt Reginald, ‘om u in de familie te verwelkomen, zeg maar.’ Hij haalt de rode doos met gouden strik boven en zet deze op tafel. Célestine kijkt naar de grote doos en naar Billy, die zijn schouders ophaalt. Heel secuur, alsof de strik echt van goud is en de doos zelf uit het duurste scharlaken sandelhout dat op de planeet te vinden is, wordt de doos van zijn verpakking ontdaan. Daaronder opnieuw een doos. Paars. Van Milka. Melocakes. Célestines mond valt open. Jules lacht. ‘Als ’t een preutse doos is, heeft hij alijk nog negerinnentetten gezien,’ proest hij uit. Reginald vindt het hilarisch. De rest van de tafel iets minder. Célestine neemt heel ostentatief de eerste melocake uit de verpakking en eet die in één beet op, naar Reginald kijkend, die dat nooit verwacht had. ‘Het zijn goede,’ zegt ze nadat ze het eindelijk doorgezwolgen heeft. Reginald had op consternatie gehoopt, maar alleen stilte is zijn deel. Stilte en het einde van de avond, dat stilaan in zicht komt. Er schieten nog een tiental stukjes vlees over. Niemand neemt nog iets. Geen honger. De sfeer. Wie zal het zeggen? ‘Niemand nog iets?’ probeert Marjolein. Ze legt plastiekfolie over de schotel. De fonduepot wordt toegedekt. ‘Je mag drie keer raden wat op het menu staat met oudjaar,’ zegt Billy. ‘Met dezelfde olie?’ vraagt Célestine. ‘Hier wordt zelfs het zilverpapier hergebruikt,’ zegt Billy. Het verrassingsbrood ziet er nog redelijk compleet uit, behalve de kant waar de krabsalade zat. Jules heeft in alle stilte al de stukjes brood met krabsalade opgepeuzeld. Ze moesten maar eens een oorlog meemaken.

Miguel
1 0

MIJN GELIEFDE MANNEN. a

Mannen zijn niet gemaakt om teVECHTEN OF TE DODEN.Mannen zijn erom te dansen,te dichten,te sporten,en met elkaar in competitie te gaan.Mannen zijn niet gemaakt omWAPENS te dragenom elkaar te doden,wapens die zij haten.Mannen dienen alleenter entertainment.Hun dansen, dichten, sporten en competitiedienen om vrouwen en meisjeste verblijden, verleiden, verschalken en te behagen.Of elkaar.WIE BEZORGT HEN DIE WAPENS?Misdadigers zijn het.Wapens zijn niet gemaakt voor mannen,omdat mannen zo fragiel zijn,veel kwetsbaarder dan vrouwen.Omdat mannen zo fragiel zijn,zo beeldig, zo kunstig geschapenals pauwen.Maar wie verbiedt hen zich als pauwen te gedragen?De man: zo kunstig, zo schoon,om in een schoot die hen kiestde vooruitgang te maken.Als er te velen zijn die de schoot verlaten,al hun vrouwen in verlangen achterlatend...Slinger hun naakte armen en benen om elkaar,zonder wapens of dolken die de mannen haten.Welke misdadiger geeft hen die wapens,die alleen dienen om elkaar dodelijk te raken?Waarom laat men hen nietzwieren en zwaaien,om zo de vooruitgang te bewaken?     "Alles in de natuur heeft een nut. Misschien is homoseksualiteit wel het middel van de natuur om overbevolking, en daarmee een massale dood, te voorkomen. Denk aan Paaseiland, waar een dodelijke competitie met goden werd gevoerd. Nu de goden van hun voetstuk zijn gevallen, is het tijd om de natuur haar gang te laten gaan.Gooi de wapens weg, haal de schalmeien en gitaren weer tevoorschijn en laat je meevoeren in de bedwelming van het leven. Het grootste drama van de mens is een lichaam dat niet meer als 'lekker' wordt ervaren – of dat nu uit eigen beweging is of omdat het verplicht wordt. Let wel: ieder lijf, hoe het ook gevormd is, is aantrekkelijk. Dat leer ik van mijn 'gehandicapte' vrienden. Die klootzakjes versieren en verslijten meer mannen dan ik; misschien ben ik wel de gehandicapte. Hihi! De grootste gehandicapte is de wapendrager, de doder. De grootste beperking is het doden."Opgedragen aan een van mijn beste vrienden Igor en zijn vriendin Lena. FOTO gallery https://www.2dehands.be/q/verf+ed+/

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser. BIO.
18 0

LEUVEN DE MUNTSTRAAT. a

LEUVEN DE MUNTSTRAAT. De eerste TOEK op mijn gezicht.   De eerste klap, van mijn leven in mijn gezicht kreeg ik in de Muntstraat, een zijstraatje achter het stadhuis van Leuven. Er was daar een kroegje waar geen studenten kwamen, maar uitsluitend jonge Leuvenaars van mijn eigen leeftijd. Het was een café waar naast bier af en toe ook een joint werd gerookt. Een paar weken daarvoor had ik Wikke ontmoet, een rasechte Leuvenaar. We besloten al snel om samen te gaan wonen en dat hebben we een jaar lang gedaan in Korbeek-Dijle. Maar ons stamcafé bleef in de Muntstraat, een vredige plek waar we onze vrije tijd doorbrachten.Veel van de jongeren die er rondhingen, werden door de buitenwereld als gevaarlijk beschouwd; sommigen werden zelfs geschaduwd door de politie. Op een dag kwam er echter een groepje dronken mannen binnen die de rust verstoorden met hun luidruchtige gedrag. Een van mijn vriendinnen werd belaagd door een man die in zijn dronkenschap dacht dat hij haar de liefde kon verklaren. Toen ik wilde ingrijpen, kreeg ik een klap in mijn gezicht. Dit was totaal onverwacht in ons vreedzame ‘cannabisclubje’, zeker in een stad als Leuven waar men geacht werd het bij bier te houden.   Toen ik vanaf de oude markt de middelste kleine straat naar beneden liep richting de Parijstraat, belandde ik bij DEN DELPER, een café dat weinig last had van studenten. Daar ontmoette ik Erik en we werden onafscheidelijk. Ik nam hem mee naar alle plaatsen die ik kende en op een dag vroeg hij me om mee te gaan naar de plekken waar hij normaal rondhing, namelijk de cafés rond de Statie. Toen we het café binnenkwamen, omhelsde een man Erik. Het leek wel meer dan gewoon vriendschap. Het was dezelfde man die mij eerder een klap op mijn oog had gegeven. Ze noemden zichzelf de bende van de Statie en Erik was de bendeleider, beter bekend als zwarte Erik. Er was geen enkele overheidsinstantie te bekennen in de buurt. Het was veel makkelijker om vreedzame cannabisgebruikers te stigmatiseren en te criminaliseren dan om een groep gewelddadige alcoholisten aan te pakken. De meeste agenten waren zelfs bang voor hen. Alcohol was een beschermde drug, vooral in Leuven. De burgemeester beschermde deze drug persoonlijk en werd er zelfs voor beloond, maar dit werd allemaal buiten het zicht gehouden. foto gallery verf ed https://www.2dehands.be/q/verf+ed+/ 

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser. BIO.
16 1

De komma (herwerkt)

Dit is een herwerkte versie van de lezerstip "De komma" enige tijd terug. De criticus wou meer van "Abbeloos", wel hier is alvast een voorsmaakje. ‘Tien minuten per dag, meer moet het niet zijn.’ Met de palm van haar linkerhand veegde ze het streepje melk op haar bovenlip weg. Dat heb je met hippe koffies van tegenwoordig, dacht ik. Meer schuim dan koffie. De witte koffiemok waarop haar voornaam met krijt in schoolschrift stond geschreven, bengelde gevaarlijk over de tafel. De letter ‘T’ was weggeveegd waardoor ze nu Marine heette. Wanneer ze sprak, spraken haar armen en handen mee en golfde haar lichaam heen en weer. Praten met Martine was als zeeziek zijn, alsof ze zich steeds verdronk in het uitleg geven over iets wat de andere niet leek te begrijpen, en zo het belang van haar eigen spreken extra wou benadrukken. ‘Het staat geschreven in handleidingen, in magazines voor dummies, al dan niet online, of erger, op zelfhulp websites voor eeuwig beginnende schrijvers.’             Ze had geen ongelijk. Ik kreeg elke dag wel een melding in mijn mailbox voor wie droomt van een literaire carrière. ‘Grijp die kans nu!’, ‘Jouw laatste 12 uren als beginnende schrijver gaan nu in!’ en ‘Echt, wil je me nooit meer terugzien? We betekenden zoveel voor elkaar,’ stalkte een ongekende literaire coach me ooit.             Tien minuten discipline per dag, hoorde ik haar woorden nazinderen. Al was het maar een woord, een slordig idee, een zin, een paragraaf, misschien zelfs een hoofdstuk. Tien minuten per dag om te hakken, te knippen, te plakken, te verscheuren of gewoon te zuchten. ‘Ik mag toch iets van jou verwachten, neen? Ik geloof in jou, ik investeer in jou.’ Ik schonk me nog wat witte wijn in, een Chardonnay die me vannacht zuur zal opbreken.              Mijn aandacht verplaatste zich naar een jonge twintiger met een overdosis hyaluronzuur in de lippen en die sashaying à la Ru Paul in divastijl voorbij wandelde. De lange zwarte cape die levenloos over zijn rank lichaam hing oogde goedkoop. Je zag de witte draadjes als lijkwormen uit de naden kruipen. Maar misschien is het een nieuwe mode. ‘Kijk, daar kunnen we gaan zitten,’ riep hij met een hoge mannenstem tegen zijn volger en wees naar een leeg tafeltje aan het venster. Verwijfd, dacht ik bij mezelf maar ik mag die gedachten niet meer hebben. Goedkope hakjes tikten in sneltempo op de houten vloer. Ik merkte de lange witgelakte nagels op, het had iets van een opgepimpte heks. Hij liet een kwetsbare indruk achter maar het leek allemaal gespeeld, de linkerhand rond zijn witte hals accentueerde het drama maar het kwam toch wat jeannetterig over – weer zo’n slechte gedachte. Rond zijn smalle heupen bengelde een minuscuul rood handtasje waar amper een gsm in kon. Hij wandelde alsof hij in het verlengde van de catwalk liep, hoofd en schouders recht, de blik op ongeïnteresseerd en oneindig, de heupen swingden doorheen het hele restaurant. Focus, girl, focus. Hij wilde drama opwekken maar wat zong Liesbeth List ook alweer? “Als je een stuiver bent, speel dan niet voor een piek.” Nou ja, zeg nu zelf, dat soort volk.              ‘Ik ken die gast,’ fluisterde Martine mijn richting uit. ‘Altijd cinema, hij, enfin zij of hen, zegt een rolmodel te willen zijn voor de lgbt-community.’ Een gemeenschap die allang geen gemeenschap meer was, dacht ik. De slinger was er allang doorgeslagen. Er was geen greintje humor meer te vinden in die nieuwe rolmodellen. De regenboogvlag werd in een neoliberaal jasje gestoken – je kon nu ook al sokken met de regenboogvlag kopen bij C&A maar evenzeer ondergoed, pseudo bio t-shirts, sleutelhangers en potloden. Allemaal voor gay rights. De regenboogvlag was het uithangbord van onverdraagzaamheid geworden. Ik bepaal wat jij moet denken of zeggen. Niemand wist nog wat de oorsprong van de regenboogvlag was. De regenboogvlag was een verlengstuk naar het neoliberalisme. Je bent wie ik zeg dat je moet zijn. In 1985 heb ik daar zelfs nog een leuke column over geschreven.             Ik zuchtte. Het waren rare tijden. Ik herinner me een mailtje van Senne Misplon toen ik hem vroeg om te begrijpen wat zijn deelname aan het homofobe en seksistische Slimste Mens ter Wereld kon bijbrengen omdat hij van zichzelf vindt een belangrijk dan wel een voorbeeldfiguur te zijn. Annemie Struyf heeft om die redenen vriendelijk bedankt maar die vindt dan weer dat in interviews nooit gesproken wordt over de leeftijd van mannen, terwijl in datzelfde blaadje Koen Wouters het heeft hoe hij zich als vijftigplusser voelt. Soit. Voor De Slimste Mens werd er blijkbaar uren vooraf gebrainstormd over wat wel wat niet en hoe je iets mag zeggen en vooral welke woorden je kan, je niet kan, mag en vooral niet mag gebruiken. Soit, een hele gebruiksaanwijzing haalde die jongen boven. “Ik heb ze moeten ‘educaten’, antwoordde hij me en ik dacht: voilà, we zijn het kwijt. Ik had geen goesting meer in welke gemeenschap dan ook.  Martine rolde met haar ogen en zette haar koffiemok neer. Ik zag alleen maar een vulgaire travestiet die uit de donkere hoeken van gore sekscinema’s van de jaren ’70 leek te zijn gekropen. Als je de échte transgenders uit het Bois de Boulogne en Montmartre gekend hebt, was dit maar een triest vertoon. De catwalk van de Primark.              De geur van zijn parfum verspreidde zich over het restaurant, ik zag mensen hun servetten voor hun neus houden, kuchen en zwaaien met de handen alsof ze een pikante peper ingeslikt hadden. Het was het soort parfum dat oude mannetjes droegen, babytalk in extra dosis. Achteraan de diva liep een donkere lookalike te tokkelen op haar gsm alsof de wereldvrede ervan afhing. De ober bracht het marginale duo naar het tafeltje aan het raam, de twee vlijden zich neer en kregen de menukaart. De jongeman hield zijn gsm naar boven en nam in nog geen vijf seconden enkele selfies. Het zoveelste duckface pollueerde zonet het internet. Ik hoorde de flashes van het apparaat tot aan onze tafel. De tuitlippen, de prinsesjes ogen, het scheef hangende hoofd, die witte nagels die leken vast te zitten in de haren– of was het pruik, het hoorde er allemaal bij. Na de sessie legde hij het apparaat op tafel, rechtte de rug en de schouders, zwaaide wat met de handjes om zweetdruppels te voorkomen en liet uiteindelijk met een diepe en luide zucht zijn goedkope cape over de leuning van zijn stoel glijden. De man zat nu halfbloot en leek zich niet bewust van enige elegantie of etiquette. Het was allemaal aanstellerij. Goedkope porno in een chique eettent. Ik draaide me terug naar Martine die met haar vingers op tafel tokkelde om het ongenoegen ‘over zo’n mensen’ te benadrukken. ‘Wie voor een dubbeltje geboren is, zal nooit een kwartje worden.’ Sashay away! Waar waren we gebleven, dacht ik en concentreerde me opnieuw op ons gesprek.

Erwin Abbeloos
9 1

Doe nooit wat onkuisheid is, deel 1

Het kantoor van Obsolete Interim aan de Leiestraat in Kortrijk zit volgestouwd met mensen, uitgespuwd door de maatschappij, die om een job bedelen aan verscheidene bureaus. Het is alsof het midden van zo’n bureau een scheidingslijn is zoals je die kan vinden ergens in Zuid-Amerika, waar het brakke water van de rivier het heldere water van de zee ontmoet. Ze schurken beiden tegen elkaar aan, zonder in elkaar over te gaan. Datzelfde contrast is te zien in het interimkantoor – aan de ene kant van het bureau zit een kokette dame, een juffrouw nog, eigenlijk, met een kaarsrechte rug en een piekfijne manicure – wellicht zelf aangebracht tijdens de werkuren – op een mooie bureaustoel, lekker zacht, met lichte vering, foto van de geliefde en/of de kinderen voor zich. Ze is getooid in een mooi mantelpakje met daaronder enkellaarsjes en op de borst een naamkaartje met daarop “Elien” vastgespeld. Een zachte stem, waar een zeker optimisme uit weerklinkt. Dat ze toch zo tevreden is een job voor de man in kwestie, voor haar gezeten, heeft kunnen versieren. Maar er is één probleempje. Of de man ook zou kunnen in ploegen werken, nacht- of weekendarbeid en andere zaken niet schuwt. De man, meestal is het een man, is zowat het tegenbeeld van de dame aan het bureau. Een gezicht dat al te veel shiftwissels en alcohol gezien heeft. Een voorovergebogen houding, uit vermoeidheid, of ontreddering na het zoveelste ontslag, of geweigerde baan, wie zal het zeggen. Die zal zeker akkoord gaan met alle verregaande maatregelen die een potentiële tijdelijke baas hem oplegt, ook al werkt hij er nog niet, al was het maar om niet tot de categorie te behoren waar men op sociale en andere media keihard op afgeeft, namelijk de werklozen. Hij zit op zijn beurt ook aan de andere kant van de scheidingslijn, namelijk die van de mensen die als stront behandeld worden en daar een loon voor krijgen, tegenover de mensen die als stront behandeld worden en daar een leefloon voor krijgen. Getooid in een werkersbroek, want hij komt wellicht rechtstreeks van zijn huidige of zijn vorige baan, met verfspatten of olieplekken er nog op. Het mooie snoetje van Elien kan niet verbergen dat ze een zeker dedain voelt voor die ongeschoolde kinkel voor haar, niet wetende, of net wel, dat het enige wat haar van hem onderscheidt, haar door de maatschappij wél als knap aanvaarde gezicht is. Dat zij ook kuisvrouw kon geweest zijn, godbetert, mochten haar vormen iets voller geweest zijn of haar lichaam op andere plaatsen hadden geaccentueerd. Desalniettemin voert ze haar toneelstukje perfect op en zegt ze dat ze toch zo blij is wanneer ze kan vertellen dat degene voor haar zowat hetzelfde zal verdienen als haar, wat bij de kandidaat-magazijnier of waarvoor hij ook solliciteert op trots en ongeloof wordt onthaald. Daar zal hij mee kunnen uitpakken bij de voetbalmakkers of bij het vrouwtje vanavond bij de patatjes. Wat ze er niet bij vermeldt, is dat hij in een ploegensysteem net niet aan de ketting zal worden gelegd om zich af te beulen, misschien wel langer dan acht uur per dag, met kak- en rookpauzes er uit genomen, want er moet geponst worden, en zij, op deze donderdag, zoals altijd uitkijkt op een verlengd weekend, omdat de karige uren dat het interimkantoor nog open is, passen in de filosofie van Obsolete Interim dat werk en privé in balans moeten zijn. Vier halve dagen werken, per week, en dan nog, is meer dan genoeg voor de nuffen aan hun bureautjes. Het is alsof ze de dankbaarheid die over haar heen wordt gestrooid écht noch verwacht, noch verdiend acht, maar eigenlijk is ook dat maar schijn. Ze kickt op de goede gevoelens die oprecht van haar klant worden afgestraald, op haar, ook al is ze de erkenning van de marginaal voor haar liever kwijt dan rijk. Vanavond gaat ze squashen, gisteravond was het Zumba, en ze zit met haar gedachten reeds bij haar squashpartner, niet toevallig ook de manager van het kantoor waar ze tewerkgesteld is. Als ze nu nog maar van die halve zool kan af geraken, die voor haar in zijn stoel hangt. Voor hem geen squash of Zumba, maar gewoon, als het even kan, voor de kinderen thuis komen nog snel het bed in en de muizenissen en spinnenwebben uit het hoofd wegslapen. Als slapen een optie is, want de grens tussen zoete dromen en inzettende onderkoeling is in de sociale woning, die hij betrekt mijn zijn drie kinderen uit twee huwelijken, met al z’n problemen flinterdun. Te langen leste gaat hij opgelucht de deur uit. Het is bijna tijd om het kantoor te sluiten, wanneer op het nippertje er nog een klantje, zoals zij dat plachten te noemen, binnenkomt.

Miguel
3 1

De paddentrek

‘Wat komt ge hier feitelijk doen jong?’ Zijn met woede gevulde ogen schoten vuur mijn richting uit. Zwiepend en zwaaiend met beide armen, benen half geplooid, alsof hij een poppenkastpop was die met één trek aan het koordje de meest waanzinnige capriolen maakte. Jan Klaassen van de waanzin.   ‘Wel, wat komt ge hier doen?’ Stilte, enkel mijn ademhaling was te horen, piepend en krakend als een kuiken. Hij en zijn vrouw keken naar het smalle weggetje dat was omgevormd tot een waanzinnige modderstrook, waar ik me tot voor enkele seconden met mijn auto een weg probeerde door te banen. Zijn vrouw sloeg de armen ten hemel, het hoofd heftig schuddend van neen. Ik, in mijn blauwe citroën C3, mijn raam halfopen, mijn gps die maar bleef herhalen dat ik rechtdoor moest.  ‘Voor de laatste keer makker, wat komt gij hier doen?’  Wat ik daar kwam doen viel niet zo makkelijk uit te leggen. Ik had hier afgesproken met makkers om samen het weekend door te brengen in ware festivalstijl.  De rit was lang en vermoeiend geweest, helemaal van Gent naar de Kempen die, naar ik had vernomen, voornamelijk stil zouden moeten zijn. de locatie was geprikt op google maps, een vaag filmpje van de organiserende vrienden als handleiding, meer was er niet. Nota bene had ik blijkbaar thuis onvoldoende gecommuniceerd dat ik daadwerkelijk het godganse weekend weg zou zijn. Dus vertrok ik met de beeltenis van een rouwende vrouw, en onthechte kinderen. En ja, ik had een vermoeden dat ik verkeerd aan het rijden was en ik raakte daardoor steeds meer in de war. Zeker nu deze briesende stier en zijn kenau voor mij stond druppelde het zweet me van het voorhoofd en kon ik simpelweg geen cohesie in mijn verhaal krijgen. Dus hield ik het op stamelen zonder inhoud, verzuchtingen zonder kern.  ‘Euh, ik moet hier zijn.’‘Gij moet hier zjsust niet zijn, maakt maar dat ge weg komt, of ik bel den boswachter.’‘Maar ik kom hier parkeren.’‘Godverdekke, parkeren, hij komt hier parkeren, hoort ge dat?’‘Ja ik hoor het’, beaamde zijn vrouw. Hun beider gezichten werden nu zo rood dat ik begon te vermoeden dat ze alle momenten zouden ontploffen. Of wegvliegen naar de andere kant van het heelal, de donkere kant van de maan.  Ik bedoelde natuurlijk kamperen, maar in de stress van het moment had ik mij klaarblijkelijk vergist en waren de letters in quasi willekeurige volgorde mijn mond uitgeglipt.  ‘Kom jong, weg!! Weg zeg ik u!!’ Zijn armen beschreven en onderlijnden wat hij bedoelde.  ‘Ja, maar, ik kan hier niet weg. Ik heb hier afgesproken.’‘Maar gij moet hier niet afspreken jong.’‘Jawel, ik kreeg deze coördinaten door, ik moet hier zijn.’ Telkens wanneer ik dacht dat er enige rust zou zijn om wat ik gezegd had reageerde de vrouw met draaiende oogbollen en afwijzende blikken, klinkend gezucht en doorzakkende knieën.  ‘Nu is’t genoeg geweest, ik bel den boswachter, die zal u wel een campingplek voor vannacht voorzien, ergens anders.’ Nu begon zijn vrouw alles te papegaaien wat de man zei. ‘’t Is genoeg geweest’, ‘elders kamperen vannacht’, ‘boswachter’.  Meer en meer begon ik te beseffen dat mijn vrienden hier toch ergens moesten zijn en meer en meer begon ik te beseffen dat het plan illegaal was en meer en meer wist ik dat ik mijn vrienden moest redden, ik wilde niet degene zijn die het weekend vergalde. Ik heb namelijk al een paar verknallingen op mijn conto staan. Zo viel ik ooit flauw tijdens een concert van Guns ’n Roses, na amper het derde nummer. Één van mijn vrienden nam me mee naar de EHBO, we arriveerden daar net toen ze “november rain” begonnen te spelen. Dat was die vriend zijn openingsdans geweest van zijn gestrand huwelijk. Hij huilde terwijl ik te versuft was om hem te troosten. De verpleegster van dienst gaf geen krimp en steggelde verder op sandalen met sokken.  Neen dit keer zou ik het slagveld verlaten voor ik het erger kon maken.  ‘Jullie hebben gelijk, ik ben mis. ’t Is goed, ik ben al weg. Maar ik moest hier toch echt zijn, ik weet dat het onhandig is, maar wat is het probleem eigenlijk?’ De man zuchtte kortstondig en blies zijn longen vol.  ‘Het probleem, jongen, is dat er hier waar jij rijdt met je auto, duizenden paddenjongen momenteel aan het voorbijtrekken zijn. Duizenden. En al die padden die komen onder uw banden terecht en gaan dood. Gij vermoordt duizenden padden door hier door dit gebied te komen rijden.’ Hij berustte in zijn pleidooi. Ik hapte naar adem.  Ik was een paddenmoordenaar. Ik had een genocide gepleegd onder Kempense paddenbevolking.  ‘Waar komt gij vandaan?’ De rust was blijkbaar ook in zijn stem teruggekeerd. ‘Gent.’ ‘Ja, maar dan, Gent, jong. Ja kijk, hier is natuur hé makker en in de natuur doet ge niet zomaar uw ding. In Gent kan dat wel zijn, maar hier moeten we rekening houden met het tempo van de natuur.’‘Sorry, ik dacht dat ik hier moest zijn, er zou hier, niet ver van de zwarte vijver, een plek om te kamperen moeten zijn, met chaletjes, of stacaravans, daar hadden we afgesproken.’  Misschien verknalde ik het nu toch door zomaar de locatie door te geven van ons potentieel bacchanaal.  Maar, ik zag het luttele seconden later, er veranderde iets in het gelaat van het koppel dat zich blijkbaar als patroonheiligen van de padden had opgeworpen. Hun gezichten werden zachter en ik zag een flintertje schaamte in hun ooghoeken, leek het wel.  ‘Ach, ge moet naar de zwarte vijver, maar zo moogt ge rijden. Alllé volgens het boekje mag je tot daar rijden, we kunnen u niet tegenhouden, doe het maar, we kunnen u niet tegenhouden.’  Nu hielden ze elkaar vast alsof ze getuigen waren van iets vreselijks, iets wat niemand verdiende mee te maken. Ze zouden met eigen ogen zien hoe ik met mijn rammelende wagen padden zou blijven vermorzelen.  Het ging ook mij te ver.  Ik reed achteruit, ook nu bleven padden aan mijn velgen hangen maar ik moest wat. Ze keken me verward aan. Parkeerde mijn auto op het weggetje waar ik dacht dat hij veilig was, nam mijn slaapzak uit de auto, mijn tas en mijn tent. Ik stapte door de modder op de mensen af, gaf hen een knuffel, tuurde richting waar ik dacht dat de zwarte vijver moest liggen en stamelde: ‘ik doe dit voor de padden, voor alle padden.’ Nadien stapte ik weg, het feest tegemoet. Met in mijn tas, herwonnen respect en sympathie. Padden kwaakten, als teken van dank. Ik liet ze maar. Want dat is het mooiste: bijna zomer, vrienden en vrede en een kalme paddentrek. 

Thomas De Mulder
30 1

Voldragen volharding

Het oude vrouwtje in mijn hoofd, onder mijn beenderwitte binnenste, wacht geduldig de paradijselijke vooravonden af, om er te zijn voor mij, tot ik ouder word, later, veel later en ik haar vervoeg. Ze breit haar zuivere wachten tot knieverwarmers en kunstige kantwerkjes. Echter, het bruisend breekbare wijfje, te trots om te brillen, vergist zich wel eens van draaddikte of naait zomaar geel aan oranje, met haar fysiek gevoel voor symmetrie, zonder onderscheid te zien. Dat de storing vlekt in mijn ogen maakt haar helemaal niet uit; In haar permanent bedrijvige beuzelarijen, streeft ze haar eigen zuivere zielseffecten na. Draad na draad en draadje en lap na lap en nog eens een lap. Aan enthousiasme heeft zij geen broertje dood. Als ik dan uiterst geconcentreerd een steekje laat vallen, laat haar dat geheel onverstoord. Haar klosjes garen zijn eindeloos. Doch, rekenschap is me aangeraden, wanneer ik zou besluiten ammoniaderivaten en cokedampen te snuiven, zou zij wel eens kunnen besluiten om te brijen, een potje brijen welteverstaan. Haar lekker potje, haar hersenstamppotje frist ze op met wat snedige termen, een associatie of drie, een handjevol alliteraties en dat alles samen gaat haar nuffig kruidenbuiltje in. De finishing touch een blokje bouillon van de neocortex. En dan maar laten trekken. En daar ga ik dan en de rest laat zich raden... Als ik al besluit mijn ongebreidelde capriolen de vlucht te gunnen, is het haar moment de schaft in te lassen. Ja, van klinkklare logica is zij gespeend. Aan de andere kant, de rechterhemisfeer, onder het blinkend witte gewelf, loopt de rivier van de taal. De oude visser bevist hem al jaren. De gewezen bureaucraat wijkt niet, want nu hij in pensioen is, kan hij al zijn muggenziftende bureaucratische krachten op zijn geduldig ingehouden passie werpen. Hij heeft al tonnen talige vissen opgevist en werpt ze steeds weer terug. Hij werpt ze terug om ze nog wat te laten groeien, tot ze voldragen zijn. Hij wil enkel de monsterachtig grote snoek vangen, de oeroude God van de rivier. De ene, die hem steeds te snel af is. Maar de waarheid is, zijn lijn is veel te zwak en bij elke aanslag breekt de lijn onverhoopt veel te snel. Maar ik, ik doe door en moet me tevreden stellen, soms met clichés, soms met een redelijke vangst. En hij, hij ziet veel te goed en acht zijn draad, weigerend en ongelovig, veel dikker dan hij in feite is. Ik had hun al voorgesteld de koppen bij elkaar te steken. Zij zou hem een sterkere draad kunnen uitkiezen en hij zou onder het vissen haar de juiste kleur garen kunnen aanwijzen. Wat meer is, ze zouden onder het beuzelen wat hartig kunnen keuvelen. Maar zij willen van geen trouwen weten en trouwens de brug van Noord naar Zuid, de rivier over, was toch al veel te smal.

Manuel Van den Fonteyne
2 0