Zoeken

Brooddronken hoofdstuk 26

26   Met de soep achter de kiezen is het tijd om terdege aan de fondue te beginnen. Zoals het in een roedel hoort, kiest de leider, hier Reginald, het eerst. De sappigste en grootste stukken rood vlees moeten er aan geloven en ploft Reginald in het fonduestel. Maurits krijgt ook zijn stukje vlees, rauw uiteraard, daarna is het aan Marjolein en dan pas mogen Billy en Jimmy toetasten. Célestine kijkt het, als studente Psychologie, met lede ogen aan, hoe deze geoliede machine onbewust de hiërarchie, voor mocht daar nog aan getwijfeld worden, voor haar tentoonspreidt. Ondertussen worden zwanworstjes doormidden gesneden en gescheiden door een klein strookje kaas met spek omwikkeld en onder de fonduepot gelegd. Reginald maakt de vegankaas soldaat terwijl hij nog een sigaret opsteekt. Hij neemt een beet van de dikke plak die hij heeft afgesneden. ‘Wat is dát?’ vraagt hij, terwijl hij de kaas opzij gooit. ‘Dat is een vegetarisch en diervriendelijk alternatief voor dierenleed – ik bedoel kaas,’ zegt Célestine. ‘Alternatief, alternatief, ze is daar weer hoor, met haar geleerde woorden.’ Mocht de afkeur niet van Reginalds gezicht te lezen zijn, dan kun je er donder op zeggen dat die zeker uit zijn stem te horen is. ‘Alternatief is toch geen geleerd woord?’ vraagt Célestine. ‘Zoet,’ zegt Billy, ‘je moet er rekening mee houden dat alles wat Grieks of Latijns van oorsprong is en meer dan twee of hoogstens drie lettergrepen telt, in dit huis automatisch als geleerd woord wordt aanzien.’ ‘Dierenleed,’ gaat Célestine verder, ‘zoals dieren doden voor de sport.’ Marjolein laat haar vork vallen om haar handen voor haar mond te brengen. Dit komt niet goed. Daar is de stilte weer. Uiteindelijk begint Marjolein toch te spreken. ‘Zég toch zoiets niet, Célestine. Reginald mag toch ook zijn plezier hebben?’ ‘Plezier? Denk je echt dat hij daar zijn plezier uit haalt?’ Er klinkt ongeloof door de stem van Célestine, die in de kiem gesmoord wordt door Jimmy, die bevestigend knikt. ‘Wees daar maar zeker van. Zijn haan is ook kampioen geweest,’ zegt hij. Reginald glundert. ‘Dat klopt. En preus dat ik was!’ ‘Preus?’ ‘Trots,’ zegt Billy, ‘hij was trots.’ ‘Zij maar zeker,’ gaat Reginald verder, ‘wat er van die andere overschoot, was nog niet genoeg om in de fonduepot te smijten. Ik heb ‘m meegekregen en hem een deftig afscheid gegeven, op de messing.’ Célestine kijkt haar schoonvader vragend aan terwijl ze nog wat blaadjes sla in de mayonaise dept. ‘Messing. Kent ge dat niet? Uw soort komt ook van daar,’ zegt Reginald. Jules buldert van het lachen. ‘Ik zie het al voor mij, een negerin in de messing,’ grinnikt hij. ‘Wat is er nu zo grappig? Billy, wat is dat, een messing?’ Billy draait met de ogen. ‘Een messing, dat is een mesthoop. Enfin ja, een mesthoop waar van alles wordt opgegooid. Maar vooral, tja, stront.’ ‘En u vindt dat ik daarop thuis hoor?’ vraagt Célestine, Jules aankijkend. ‘Ba, neen, nee, niet echt.’ Beschaamd kijkt Jules weg. ‘U zei het toch net? Een negerin in de messing, ik zie het al voor mij.’ ‘Gij zijt nog één van de goeie,’ tracht Jules nog de meubelen te redden. ‘Ja, die goeie waar ik altijd van hoor, wat is dat dan juist?’ vraagt Célestine. ‘Wat maakt van mij nu precies een goeie?’ ‘Pa moet zich nergens voor schamen,’ pikt Reginald in, ‘houdt nu uw mond en fret verder van uw kaas.’ ‘Ik snap het wel, hoor,’ antwoordt Célestine. ‘We mogen toch nog eens lachen, zeker?’ vraagt Reginald. ‘Ja, wat een dijenkletser,’ zegt Jimmy. ‘Heb ik u gevraagd? Als ik stront roep, moogt ge ook wat zeggen,’ briest Reginald, ‘eet nu verder en zwijg.’ ‘Maar…’ protesteert Jimmy. ‘Klep! Toe!’ brult Reginald. ‘Uw misandrie is tenminste niet kleurgeïnspireerd, dat is toch een punt voor u,’ zegt Célestine. ‘Madame,’ antwoordt Reginald terwijl hij een trek neemt van zijn sigaret, ‘ik moet van u geen punten krijgen. En stop met uw dikkenekkenparlé. Anders, daar is het gat van de timmerman.’ Célestine kijkt naar Billy voor verduidelijking. ‘De deur. Daar is de deur, bedoelt hij.’ ‘Neen,’ antwoordt Célestine en ze geeft Billy een kus op de wang, haar ogen op Reginald gericht, ‘ik denk dat ik nog wat blijf.’   Net op het moment dat Reginald zijn vinger opheft op haar de levieten te lezen, gaat de deurbel. ‘Ter gaan kijkt eens wie dat het is,’ zegt Reginald, die met zijn rug het dichtst bij de gangdeur zit, maar die het vertikt om van zijn plaats weg te gaan, bang als een roofdier dat de lager gerangeerden ook hun deel zouden opeisen. Het is Célestine zeker niet ontgaan dat na de eerste schermutseling, waar Reginald als overwinnaar uit de bus kwam, alle door hem gegeven orders zonder tegenstrubbelingen, ja zelfs gedwee, worden opgevolgd. Deze keer is het slachtoffer Billy. Zijn ogen vertellen zoveel aan Célestine, die tussen haar liefde voor hem en haar expertise als uitblinkend studente psychologie doorheeft dat Billy hier aan langetermijndenken doet – misschien zou het vandaag niets uitmaken, maar het gelag wordt altijd betaald en het gelag is hier een grote mond opzetten tegen Reginald. Billy sloft de eetkamer uit, door de smalle gang en opent de deur. Nog geen minuut later keert hij terug. ‘Wie was het?’ vraagt Reginald. ‘Habiba,’ antwoordt Billy en hij zeult een grote fruitmand mee. ‘Ze zei dat ik dat aan u moest geven.’ ‘Een biermand kon weer niet zeker? Die muzelmannen ook altijd,’ schertst Jules, ‘ze mogen geen alcohol drinken van hun god maar alcohol is wel een Arabisch woord.’ Reginald neemt de mand in ontvangst en zet deze in de badkamer. ‘Na een paar dagen is het goed voor het konijn,’ zegt hij. Célestine schrikt op. ‘U bedoelt echt dat u zo’n mooie fruitmand gewoon aan uw konijn gaat geven?’ ‘Ja, kijk eens aan, ze verstaat Vlaams. Natuurlijk dat!’ roept Reginald uit. ‘Maar waarom toch,’ vraagt Célestine terwijl ze de fruitmand van ver gade slaat. ‘Omdat er weer van die vieze exotische troep zal in zitten,’ zegt Reginald, ‘dadels, vijgen, misschien nog andere dingen die ik niet kan uitspreken.’ ‘En wat den boer niet kent, lust hij niet, natuurlijk.’ Célestine is ontdaan door het gedrag van Reginald en laat dat duidelijk blijken. ‘Het zou me verwonderen als gij al eens een boer van dichtbij gezien hebt, in Chakamaka.’ ‘Pa, ze komt uit Gent. Niet uit Chakamaka.’ Billy zucht. ‘Da’s allemaal hetzelfde.’ ‘Nu ben ik eens benieuwd waarom u zo’n mooie fruitmand zou laten verpieteren, gewoon omdat het van een allochtoon komt. Maar wat er nog curieuzer is, is waaróm u überhaupt zo’n mooie fruitmand zou krijgen van iemand die u veracht.’ ‘Da’s voor mij een weet en voor u een vraag, madammeke.’ ‘Vertel het mij dan,’ zegt Célestine, met gekruiste armen, ‘ik ben benieuwd.’ Maar Reginald doet er het zwijgen toe. De stilte, die ongenode gast op het feest, doet opnieuw zijn intrede.

Miguel
6 0

Doodskopvlinder

  Vadertjelief. Misdadiger en slachter van de onschuld. Vadertje. Vortzakje. Die al het zonlicht aan de nacht verried.   Hij zit daar. Smoeltje op een stoeltje. Uit zijn kist getild. Iedereen joelt. Alleman wil. Dat hij weer ogen krijgt.   Meneer Illusionist. Schenk aan dit zeer macaber wezen. Zicht. Besef. De visie van een scherpe microscoop.   Eeuwenlang. Hoop ik al. Hem eens te mogen pluimen. Hij was de zieke haan die zomaar pikte in een hart.   Het kriebelt in mijn handen die hem wurgen willen. De oehoe fluistert echter. Dat ik beter kalm kan zijn.   Het schip ligt immers volgeladen aan de bierkaai. De matrozen zopen zich te pletter. Zijn al veel te zat.   Straks komen ze amok maken. Zich laven aan het leed. Het is die uil die mij bedaart en het lawaai bezweert.   Alle dieren uit de ark. De trommel drumt. Ze worden tam. Meneer Illusionist en Tovenaar. Kom op. Begin nu maar.   Doe wat niemand kan. En geef mijn ziel een kans. Dat hij de dans ontspringt zou zonde zijn. Dat wil ik niet.   Ieder wonder weet nochtans. Dat er geen oord van rust bestaat. Er is geen cirkel die zijn eindpunt vindt. Geen hemelrijk.   Geloof me maar. We dolen allen door ons eigen dal. Terwijl in deze tent toch iets gebeurt. Zijn kop beweegt.   De vader draait zijn drieste hoofd opnieuw. Bij god. Iedereen is eerst verbaasd. Daarna door het dolle heen.   Kijk hoe hij verschijnt. Langzaam uit één oorgat kruipt. Zich dapper beide vleugels strekt, naar leven snakt.   Het is de doodskopvlinder die na onvergeten jaren. Weer de lucht ontdekt. Me uit mijn schuilplaats lokt.       deel 5 van 'Cirque sans soleil' uit de reeks 'Over eelt en zurkelteelt'

Bernd Vanderbilt
0 0

Brooddronken hoofdstuk 25

25   Xavier De Baere zingt in de radio van “formidabele kerstmis”. De hit dateert al van 1993 maar in een gezin waar de muziekcollectie behoudens schlagers vooral bestaat uit tweedehands-cd’s die voor een prijsje op de kop getikt werden – of gratis weggeschonken – doet deze klassieker elk jaar opnieuw weer zijn werk. De elektriciteit van Reginalds huis is in dergelijke staat, dat, zo hebben ze ooit berekend toen Reginald in een aanspreekbare bui was, het op kerst- en eindejaarsfeestjes de volgende toestellen tegelijkertijd kan laten draaien: fonduestel, hifi-keten, kerstboom. Het inschakelen van de Bulex zorgt er voor dat de hele boel plat gaat. Dranken als thee en koffie worden dus op kerstavond niet genuttigd ten huize Sabbe wanneer het fonduestel werkt. ‘En hoe gaat dat dan in de rimboe,’ vraagt Reginald aan Célestine, ‘eten jullie dan met stokjes of met jullie handen?’ ‘Reginald,’ antwoordt Célestine, ‘ik ben geboren in Gent en ben evenveel Belg als u. Ik ben hier opgegroeid, dus ik zou niet weten hoe ze het in de rimboe, zoals u het noemt, zouden doen.’ ‘Het is meneer Sabbe voor u. Ik eis respect in mijn eigen huis.’ ‘Ik heb altijd gehoord dat je respect moet verdienen.’ Onder de tafel balt Reginald de vuisten. Een vrouw die hem tegenspreekt en dat dan nog in zijn eigen huis, zou gauw de hoeken van de kamer zien. Jules zit te likkebaarden wanneer Marjolein de plateaus met het fonduevlees op de uitgeschoven lade van de tafel plaatst. Daarnaast zet Jimmy het verrassingsbrood. Het is een traditie dat ook verrassingsbrood op het menu staat, al is er een stilzwijgend verlangen van elke tafelgast, behoudens Jules – ze moesten maar eens een oorlog meemaken – om dat achterwege te laten. Elke gast heeft twee fondueprikkers. Er is een bolletje bovenaan de prikker die aangeeft van wie het fonduestokje is. Jules wil altijd de twee lichtblauwe bolletjes en vandaag is dat niet anders. Marjolein weet dit en als een op het einde van de rit of avond vergeefs zoenoffer, heeft ze reeds twee gehaktballetjes doormidden gesneden en op een prikker geprikt. Eén rood en een geel gehaktballetje. Zij gaan als eerste het fonduestel in en de olie knettert wanneer het vlees er mee in aanraking komt. Ondertussen dient Marjolein de soep op. Tomatensoep uit blik, met gehaktballetjes, van Unox is het enige wat ze zich in grotere hoeveelheden kunnen veroorloven – voor soep met echte ingrediënten moeten we terug naar de tijd dat Marjolein nog in de Chicken Express werkte en ze af en toe restjes mee naar huis kreeg of achterover drukte. Célestine vist er de gehaktballetjes uit en Reginald heeft dit gezien. Ze ziet dat hij het ziet, maar doet lustig verder. De ongemakkelijke stilte wordt doorbroken door het geslurp van Jules met tussen elke slurp een knor voor de afwisseling. ‘Jimmy, ga eens een fles cola halen voor uw grootvader.’ Reginald zit het dichtst bij de deur van de kelder, maar hij vertikt het om ook maar één vinger uit te steken. ‘Hij is nu toch soep aan het drinken, pa. Dat kan straks ook.’ ‘Jimmy, ik zeg dat gíj nú een fles cola gaat halen voor uw grootvader. Of ik sla de tanden uit uw bek.’ Célestine schrikt van die laatste opmerking. ‘Meneer Sabbe, u meent toch niet…’ ‘Dat doet hij wel,’ antwoordt Billy, ‘als je niet doet wat hij vraagt, dan zwaait er wat.’ Met grote ogen eet Célestine haar soep verder in stilte op. Met een sardonische grijns, als demonstratie van het feit dat híj het is die de touwtjes in handen heeft, voor de vreemde eend in de bijt, eet Reginald verder. Zij gaat geen knuppel in het hoenderhok gooien, of ze zal er kennis mee maken. ‘Zo, Jimmy,’ zegt Célestine, die duidelijk geen genoegen neemt met de feestelijke stilte in de kamer, ‘ik heb gehoord dat jij vandaag begonnen bent als postbode?’ ‘Ja,’ knikt Jimmy. ‘En, doe je het graag?’ Reginald kijkt naar Célestine. Wat subtiliteit betreft zijn beiden aan elkaar gewaagd. Hij wéét dat ze weet dat ook Jimmy liever had verder gestudeerd – dat zal die idioot van een Billy haar al verteld hebben. Célestine kijkt naar Réginald en dan terug naar Jimmy. ‘Bwa… Ik weet het niet,’ antwoordt Jimmy, ‘het is nog maar de eerste dag, hé.’ ‘Ik vind dat je moet doen wat je gelukkig maakt. Zo leef ik toch. Pluk de dag. Carpe diem.’ Jules pulkt aan zijn baard en wiegt zachtjes heen en weer. Zulke onzin verkopen als zelfbeschikking, of doen wat je gelukkig maakt, in het huis van zijn zoon. Marjolein kijkt naar haar toekomstige schoondochter met angst in de ogen. Met de cd-speler op repeat begint Xavier De Baere nogmaals aan “formidabele kerstmis”. ‘Ik ben blij,’ zegt Reginald ten slotte na, behoudens “formidabele kerstmis”, misschien de meest ongemakkelijke stilte tot nu toe, ‘dat ze in Gent genoegen nemen met minder, als ze maar gelukkig zijn. Maar hier zijn we van het principe dat als je werk hebt, je het moet houden. Stop dus met die zever in mijn zoon zijn kop te steken. Ge hebt er al één onnozel gemaakt, de tweede gaat facteur zijn.’ Jimmy kijkt naar beneden, alsof hij in zijn bord soep naar de bodem speurt. ‘En facteur blijven. Hebt ge dat goed verstaan? Goed. Ga nu maar mijn sigaretten halen. En rap een beetje.’ ‘Ja, pa.’ Jimmy staat op en gaat naar de gang waar de sigaretten van Reginald op een bijzettafeltje liggen. Wat later keert hij terug en gooit hij het pakje naar Reginald, die het voorbij laat zoeven. ‘Gij gaat nu dat pakske sigaretten oprapen, of het zal uw beste dag niet zijn.’ Slaafs gehoorzaamt Jimmy aan het gebod van zijn vader. Reginald haalt een sigaret uit zijn pakje en biedt Célestine met diezelfde sardonische grijns een sigaret aan. ‘Neen?’ vraagt hij. Hij stopt de sigaretten in zijn broekzak. ‘Ook goed,’ gaat hij verder en hij steekt de sigaret op. Hij blaast de rook richting Célestine, die, doordat ze recht voor hem zit, de walm niet kan ontwijken. ‘Geeft het, meneer Sabbe, dat ik eet terwijl u rookt?’ ‘Doe maar,’ zegt Reginald.  

Miguel
2 0

Ik; Ilse.

Ik moet zo'n vier jaar geweest zijn , toen het knallend salvo van een jachtgeweer me verjoeg van mijn ouderlijke thuis.Het gedrocht dat me opjaagde was duister en immens woest. Ik zette het daarna op een lopen. Ik bevond me in een lege buurt. Iededereen zat binnen bij flauw kamerlicht weg te dommelen met ramen en deuren potdicht.Geen kat die lucht had van mij. Met mijn rubberen laarsjes aan spurte ik, zo goed en kwaad als dat ging,blind de straat over en kruiste het doornhegje van de buren naast het maisveld.De wind woei wild in mijn gelaat, ik snelde het ongewisse tegemoet.Het koude zweet parelde onder mijn jasje over mijn trillende rugje.Met spleetoogjes en klapperend gebit ging ik snuivend van het snot door met hardlopen. Ik verdween steeds dieper in de landerijen die overwoekerd werden door taaie gewassen. Uiteindelijk stopten de schoten, maar ik was ver van huis gedwaald. Ik bevond me in het hol van Pluto. Alles was ver en vreemd.Ik werd ingesloten door een diepe benauwende nacht. Mijn handen en voeten werden snel klam van de koude en ik hurkte neer om in een bolletje te gaan liggen. De sterren waren veraf maar dicht bij mijn gelaat,fluwelig en zacht. Ik sloot mijn oogjes bij het bleke maanschijnsel en dommelde in.Mijn lange haren kriebelden mijn neusje, met de muis van mijn hand veegde ik de aarde van mijn mond.Het was inmiddels klaar geworden en de zon ging felrood in sluiers gehuld. Maar het gekwetter van de vogels daarboven klonk mij toch zo droef in de oren. Want ik was alleen en nog maar heel erg klein, zei iedereen. Ik zag mijn trieste oogjes weerspiegeld in de dauwdruppels die langs de lange grashalmen omlaaggleden. Op de vochtige aarde stukspatten en verdwenen.Mijn keeltje schuurde droog en ik zoog snikkend van de dauw.Wat heerlijk!Maar hoe vreselijk de honger die ik voelde! Met mijn knuistjes krabbelde ik in de aarde. Daar bevond zich letterlijk vanalles; wormpjes met lange haren, kevers en spinnen.Een tweeledig monstertje met acht poten keek me nors aan. Ik besloot me niet uit mijn veld te laten slaan door het onding en bracht het snel naar mijn mondje waar mijn tanden het vermaalden.Ik at ook nog wat natte aarde en enkele kleine grassprietjes.Daarna legde ik mijn hoofdje en huilde even bitter. Voor eeuwig en altijd alleen op de wereld. Overdag waadde ik verwonderd en suf door hoge gewassen.Ik was voorgoed verdwaald, dat was me zonneklaar. Elk ogenblik knaagde in mijn maagje maar uiteindelijk besefte ik dat honger en dorst mijn zuiver hart niet raakten. Ik was overgeleverd aan dag en nacht die kwamen en weer gingen, aan regen en wind en het ochtengloren. Zo werd mijn aanvankelijke droefenis verwondering om het leven zelve. Alles in de natuur klopte met dezelfde zachte bas van mijn eigen hartje. De tijd vergleed en zo kwam langzaamaan toch uitputting opdagen. Mijn broze levensgeluk werd ernstig verstoord daardoor. Ik begreep als geen ander de impact van ontbering op mijn lichaam dat zou worden geruineerd, het meeste nog door dorst.Ik voorzag dat mijn nieren het later zouden begeven en zo zou ik dan ook sterven.Ik werd wanhopiger. Echt geluk is van korte duur en zo ging het ook. De zon scheen inmiddels hard en onvernietigbaar op mijn schedel en maakte me trager dan ooit tevoren.Plots hoorde ik het. Het naderend gekletter van een nieuw groot gedrocht.Toch begreep ik als in een flits dat dit een dorsmachine was! Nu moest ik echt alles op alles zetten en maken dat ik wegkwam! Ik spande elke vezel in mijn lichaam aan en besloot de uiteindelijke terugreis in te zetten. Ik waggelde verder van het lawaai vandaan en besloot door te gaan. Uiteindelijk kwam ik op een stoffig wegdek terecht.Mijn gelaatstrekken waren hard en verweerd maar ik zou niet opgeven. Even verder was een spoorweg die ik voorzichtig overstak.Ik schoof onopmerkzaam langs bakstenen huizen die vreemder dan ooit waren.Langs een stuk weiland waar een log boerenpaard met de klodden manen zwaaiend de vliegen van zich af sloeg.Angstvallig spiedde ik heen en weer. Geen haan die naar me kraaide.Links van mij leidde en keurig getegeld pad naar een massieve deur die toevallig op een kier stond. In elk raam stond een bloempot waarin miniscule paarse viooltjes me lachend groetten.Even verder naast het huisje stond een groene tractor met laadbak waarop een massa aardappels lagen. Snel stak ik mijn hongerige verwaaide kopje om de deur.Wat schamel licht viel in de inkomhal op een groot kader met geschilderde paardebloemen. Toen zag ik mezelf in een flits, onherkenbaar , vuil en bizar, in een spiegel die schuin op het gerafelde tapijt stond.Ik was intens geschrokken werkelijk even de kluts kwijt toen ik plots een scherpe lucht rook als van gezuurde melk.Ik liet me leiden door mijn neus en kwam zo de keuken binnen. Die was dus leeg afgezien van een rossige kater die snel wegstoof.Daar naast een smerig kattenbakje stond op een plakkerige vloer een metalen bus melk.Ik stak mijn beide armpjes afwisselend diep genoeg om zo uit mijn handen rijkelijk te drinken.De melk was vettig en droop langs mijn kin,maar ik dronk in een roes verder met gezwollen oogjes.Even later echter was het spel uit want een rijzige man stond zwaaiend met een borstel achter me en riep luidkeels; Mormel, maak dat je wegkomt , scharminkel hoepel op! Diep gekwetst en geschrokken rende ik naar buiten .Daarna hinkte ik doorheen de zomerse straten snel terug huiswaarts, weliswaar. Na een doodstocht van een dag stond ik kapot maar mooi op het plazoensel van mijn ouders. Daarna ging het snel. Ik brak het huis binnen en mijn broers keken met bolle ogen dwaas naar mij. Mijn moeder omhelsde me even nam mij op en bracht mij naar het bad , want ik stonk enorm. Daarna werd ik naar de verkoelende rust van mijn eigen bedje gebracht.Mijn ouders kwamen nog even bij me en zeiden; We zijn allemaal heel erg blij dat je terugbent maar loop nooit meer weg ,meid! Met sluikse ogen keek ik hen aan .Zij zouden mij nooit begrijpen. Ik draaide me om op mijn kussen en wist dat het leven zelf voor altijd van mij alleen was... .

Molly
1 0

Stevie Wonderland

  Mensen wel maar dieren niet. Die dragen nooit een masker. Er zijn soorten die zich tooien met gekleurde pluimen. Echt. Nooit vals. Dat is zoals een vlieg niet liegen kan.   De enquête van Meneer de Uil werd fatsoenlijk ingevuld. Er was enkel een draak die om een namaak rolex vroeg. Een lynx die schreef dat hij geen scrabblewoord wou zijn.   Een eekhoorntje twijfelde. Of het de staart had van een vos. Alleen de koekoek wou zijn ware aarde niet laten zien. Vermeldde enkel luiheid als voornaamste zwakke punt.   Mensen wel maar dieren niet. Die liggen altijd zomaar dood. Het is de man die liever in een maatpak slaapt. Voorgoed. De vrouw die uit haar garderobe nog iets koos voor achteraf.   Hallo. Meneer De Uil. Bedankt. Zo leer ik weer iets bij. Het is een kleine oehoe die vergroeide met mijn sleutelbeen. Hij weet heel veel. Echt waar. Mij noemt hij dom en dwaas.   Maar goed. We zijn hier nu. In deze tent van nu en toen. Hier is het begin. Dag meneer de tjoolder met je karretje. Cashewnootjes voor mijn uil. Merci. Voor mij echt niets.   Waarom ben ik gekomen. Liep ik weg uit een verleden. Dacht ik werkelijk dat duisternis voor rust kon zorgen. Dat die schaduw die ik zo verafschuw zou verdwijnen.   Het is de neerslag van een oude wolk met grijze druppels. Welkom kinkel. Zegt nog een tweede keer die malle hottentot. Hij wil mijn uil een keertje aaien. Maar dat wil het beestje niet.   Het kent mijn broos verdriet. Weet dat het mijn oog beroert. Helder zien. Dat kon ik snel niet meer. Al bij de eerste barst. Het wit verloor zijn kleur. Sindsdien zitten de tranen stevig vast.   Als in een spleet. Een kloof. Waarin geen lach bewegen kan. Geloof me maar als ik beweer dat het te veel geworden is. Die ganse reutemeteut en het geroezemoes hier rondom mij.   Ik verkoos om nergens nog deel van uit te maken. Zie mij nu. In deze tent beladen vol met alle wezens uit een nachtmerrie. De circusdirecteur roept plots zeer luid. Er is een special guest.   Steve Wonder komt een liedje zingen. Een macaber melodietje. Voor de blinde mol misschien. Of voor de oren van een spin. En hij begint terwijl ik nog een slok neem. Dat komt ervan.   Want Lazarus zit in dit flesje. Dankjewel. Meneer Illusionist. Merci. Gij uiltje met je losse nek en hart dat mij verdragen kan. Ik ben er klaar voor. Ja. Meneer de Hoogheid. Sandokan.   Loods mij naar het einde van de strijd.       deel 4 van 'Cirque sans soleil' uit de reeks 'Over eelt en zurkelteelt'

Bernd Vanderbilt
0 0

Fanta voor de goudfazant

  Bergappelsienen uit de Himalaya en bier van het merk Lazarus. Meer is niet nodig om te overleven. Dat beweert de Hottentot. Hij zit naast me. Die Afrikaan met zotte muts op de kop.   Die Hottentot hij krabt de ganse tijd al aan zijn strottenhoofd. Hij lijkt me ongezond en terminaal. Een haan met keelkanker. Het wordt intussen aardig donker in mijn achterhoofd.   Eén trommel en trompet verspreiden veel kabaal en wreed geschal. In Kaboel. Zo weet die Hottentot. Daar is het altijd boel. Straks dan zal het mot zijn. Hier. Den duvel is al onderweg.   Dat zeg ik hem zodat hij tijdig vluchten kan. Maar goed. Direct nog niet. De goudfazant wil eerst een coca. En mevrouw de duizendpoot verlangt een fanta in een glas.   De koala wil een rietje voor zijn blikje prik met appelzuur. Genoeg getreuzeld en getuurd. De show mag nu beginnen. Waar blijft hij toch. Is de illusionist zijn wereld kwijt.   Want de vader zit al op die stoel, dat veel te zacht schavot. Het is de moeder met haar pop die niet eens kijkt. Ze paait de ganse tijd haar zuigeling en streelt het valse haar.   Ik neem een slokje Lazarus. Dat brouwsel van alhier. Het echte doorslikken. Dat komt misschien wel nooit. Al vindt dat bier zijn weg gelukkig naar mijn maag.   Hoera. Olé. Gepraat wordt door tumult en ophef overstemd. Hij komt. Hij komt. We klappen met een hand of twee. Meneer illusionist. Hoera. Olé. Je hebt het kistje mee.   Je brengt vijf zwaarden voor mijn hand en straks. Jawel. De circusdirecteur kondigt het aan. Die klooi daar op zijn troon. Hij mag erin. Sta op en kruip. Maar in die doos.   En alles gaat zoals gedroomd. Ik mag de beul. De bloedhond zijn. Die hem naar zijn hemel. Of de haaien helpt.     deel 3 van ‘Cirque sans soleil’ uit de reeks ‘Over eelt en zurkelteelt’

Bernd Vanderbilt
0 0

Getrommel en het trammelant

  Omdat ik in een trommel woon. Niet van een fanfare of dat scheel orkest. De spanning wordt straks opgedreven door geroffel. Maar. Dat wil ik niet. De stokken om te slaan. Ze liggen daar. Er is een stem die alles overroept. Nochtans werd het al aangekondigd door de directeur. Best wel lang geleden.   Zie. Hij zit er al. Die ouwe zonder neus. Op die stoel. Hij kwijlt wat slijm. Man. Wat is er veel te doen en trammelant. In het publiek zit er een gier. Naast die reus met enkel oog dat hij niet droog kan houden. De snotterkop! Hopeloos verdriet en roos plastiek. De vrouw ze heeft een vaal gelaat.   Ze wil ginds achterin haar popje zogen zonder veel gegluur. Maar hoe vermijdt, versnijdt men dolle blikken en de kikker. Ja. Die is er ook. Een ark lijkt in een beek vlak nabij te hebben aangemeerd. De loopplank heeft ze van hun lot verlost en gans vooraan zitten er twee.   Het koppel mieren uit de klaagmuur praat daar vrolijk over winterweer. Mijn god. Wat een bedoening. Uit het bos van Niemendal zijn ze gekomen. Alle dieren, beesten die dat heerschap op die troon aanschouwen willen. Bedaar. Wees stil. De show begint. Mijn trom begint zijn vlies al uit te rekken.   Straks breekt zij weer los. De hel. Verschijnen tien demonen uit het niets. Voor elke vinger één. Als ik ze strek. Dan kunnen ze als vliegen landen. Straks. De eerste mep. Het komt. Geluid in overvloed en hier onder mijn vel. Daar waar de bloedluis slaapt. Zal enkel herrie, heisa heersen.     deel 2 van 'Cirque sans soleil' uit de reeks 'Over eelt en zurkelteelt'

Bernd Vanderbilt
0 0

Brooddronken hoofdstuk 24

24   De deurbel gaat. Maurits springt van de zetel waar hij lag te soezen sinds Billy en Célestine naar het kot waren en stormt de trap op, naar Jimmy’s kamer. Niemand maakt echt aanstalten om de deur te openen. Noch Jimmy, die boven de kat gaat halen, noch Marjolein die voor de tigste keer die korte avond de borden en stoelen kaarsrecht op elkaar afstemt. Had ze geweten wat het was, ze had zichzelf op de borst kunnen kloppen een marginale versie van Feng Shui uitgevonden te hebben. Billy zelf is langs het achterpoortje de ketel in de Leie gaan leeggieten, op de voet gevolgd door een nog steeds rillende Célestine. De deurbel gaat opnieuw en Jimmy en Marjolein beseffen, elk samen maar toch apart, dat er geen ontkomen aan is, willen ze de avond redden. De tijdsspanne tussen de twee beldrukken is lang genoeg om repercussies te hebben, maar te kort om nu al effect te hebben. Met andere woorden, dit heeft géén gevolgen voor het feest, maar de dagen er op zouden wel eens beeld zonder klank kunnen zijn – of erger. Als ogen doden konden, dan is er zopas in de Schaekenstraat een afrekening gebeurd. Maar dat doen ze niet dus verder dan een giftige blik in Marjoleins richting komt het niet. Reginald gunt haar slechts dat en gaat dan naar de eetkamer annex keuken, op de voet gevolgd door Jules. Reginald heeft een pakje onder zijn schouder. Rood met een gouden lint rond. Het fonduestel pruttelt. Het is donker en de kamer wordt slechts verlicht door het sporadisch knipperen van de kerstverlichting van een strategisch geplaatste kerstboom. Zowel boom als verlichting zijn te ver heen maar doen dapper hun dienst, zoals ze al dertig jaar doen. ‘Waar is zijn negerin?’ vraagt Reginald terwijl hij een sigaret opsteekt. Jules grinnikt. Een vette grinnik die het midden houdt tussen een beginnende hartaanval en een paard met obesitas. Hij waggelt naar zijn vaste plaats aan het hoofd van de tafel, omdat er geen plaats is voor een tweede stoel. ‘Billy en Célestine zijn uw ketels van uw keuns gaan uitgieten. Ze heeft het zelfs aangeboden,’ zegt Marjolein. ‘Zoveel te beter,’ antwoordt Reginald, ‘als die domme kalle bij die vette leegaard wil blijven, gaat ze toch het werk moeten doen.’ ‘Ge gaat toch uw manieren houden hé, als ze binnen zijn?’ zegt Marjolein. Reginald antwoordt niet. Hij heeft daar ook geen tijd voor, want Jimmy komt de trap af met de kat op zijn schouder. ‘Allez, nummer twee is daar ook,’ zegt Reginald. ‘Pa. Pepe Jules.’ Jules bromt iets, maar wat het juist is, heeft iedereen, als ze dat al hadden gewild, het raden naar. Het kan zowel een groet zijn als, wellicht dichter bij de waarheid, een verwensing. ‘Waar zit uw broer?’ ‘Weet ik veel, ik ben net de kat gaan halen naar…’ Te laat realiseert Jimmy zijn fout. ‘Hoeveel keer heb ik al gezegd dat ge de deur naar boven moet toe doen en toe laten?’ Reginald haalt uit naar Maurits. De kat zet zijn nagels in de schouders van Jimmy en lanceert zich richting de porseleinen poppen van Marjolein. Het vrouwtje wankelt een tijdje, om dan kennis te maken met de vloer. Ze barst in stukken vanéén. Zonder één kik te geven, als een automatisme, neemt Marjolein stoffer en blik. Als ze al huilt vanbinnen, is ze getraind om geen teken van zwakte te geven. Ze veegt de pop bijéén. Ondertussen gaat de achterdeur open en staan Billy en Célestine in de keuken. Deze laatste ontdoet zich van de rubberen laarzen en stapt kordaat op Reginald af, met uitgestoken hand. Reginald kan niet anders dan deze schudden. ‘Dag meneer Sabbe. Ik ben Célestine. Célestine Onyewu. Aangenaam.’ Achter haar rug wisselen Billy, Marjolein en Jimmy blikken uit, alsof ze net een halsmisdaad heeft begaan. ‘Zeg maar… zeg maar Reginald.’ Reginald gaat naar de keuken en wast zijn handen. ‘Dat is dus mijn pa, Célestine. Die gaat dus nooit zijn handen wassen nadat hij gaat gaan pissen of schijten, zelfs niet voor het eten. Maar godbetert als hij een zwarte de hand schudt. Dan wél, natuurlijk.’ Billy schudt het hoofd. Célestine kust hem op de wang. ‘Alsof ik dat niet had verwacht. Maar ik heb hier zoveel andere redenen om er een leuke avond van te maken. Jij, je broer, je mama, je opa… Laat hem maar in zijn sop koken, schat.’ Jules knort van het lachen. ‘Dacht ge echt dat pa de ergste was?’ vraagt Billy. ‘Ik denk dat de olie nu wel warm genoeg is,’ zegt Marjolein, ‘aan tafel.’

Miguel
5 0

Brooddronken hoofdstuk 23

23   De sfeer in het huis is omgeslagen van een leuk bezoekje naar die ongeduldigheid wanneer je mensen verwacht voor een feest. Dit nog eens verzwaard door het feit dat geen van de verwachte mensen, zijnde Jules en Reginald, eigenlijk echt gewild zijn in het huis. De tafel is gedekt. Voor zes plaatsen borden, voor vijf fondueprikkers. Het fonduestel aangesloten, de tv uitgeschakeld. Célestine en Billy zijn in het kot waar het konijn en de haan zitten. ‘Wat een mooi konijn,’ zegt Célestine. ‘Schoonheid heeft hier geen thuis,’ zegt Billy, ‘het maakt ook geen reet uit hoe het beest er uit ziet. Kweken moet ze doen. Anders heeft pa er geen nood aan en dan…’ Hij wijst naar de hoek van het kot. Aan roestvrij stalen haken hangen karkassen van drie konijnen, de buiken geopend en net als een vlieger een houten kruisje er in, zodat de wonde open blijft. Hun bloed valt in klodders naar beneden, het meeste opgevangen in een emmer. Zonder verpinken trapt Billy tegen de emmer. ‘Hij is vol genoeg,’ zegt hij, ‘ik zal ‘m straks uitgieten in de Leie. Als het donker is.’ Célestine houdt haar hand voor haar mond. Voor haar zijn het drie huisdiertjes die opgehangen zijn, hun snoetjes van het vel ontdaan, een dertigtal centimeter bungelend van de grond. ‘Dit is… dit is toch barbaars?’ ‘Het merendeel van de konijnen is bestemd voor de verkoop aan collega’s van pa… Hij heeft ze allemaal verkocht maar ze moeten nog versneden worden.’ ‘Versneden?’ ‘Ja, pa heeft het mij ooit geleerd als kind. Ik kan een konijn versnijden, ja. Zo hoort dat nu eenmaal.’ ‘Vind jij dat oké?’ Billy haalt de schouders op en neemt een ketel mee. In de ketel zit maïs en nog wat andere graansoorten. ‘Als ge hier al problemen mee hebt, dan heb je Armand nog niet gezien.’ Hij opent de deur van het kot. In het duister zit een haan, blauw-met-goud van kleur. ‘Dat is een kip?’ vraagt Célestine. Billy knipt het licht in het kot aan. ‘Zeg nooit zomaar kip tegen een vechthaan,’ zegt hij, ‘specifiek is dit een Brugse vechter.’ ‘Een Brúgse vechter? En jij weet dat?’ Door Célestines stem klinkt ongeloof. Alsof haar vriend zulke dingen niet hoort te weten. ‘Ja, ik weet dat. Heeft uwe pa u nooit meegenomen naar het voetbal of zo?’ Nu haalt Célestine de schouders op. ‘Ja, als klein meisje. Eén keer. Maar het zei me niets dus hij pushte me niet.’ ‘Wel, toen dat ik nog thuis woonde, was het regelmatig elke zondagochtend naar het hanengevecht.’ ‘Hánengevecht? Is dat niet verboden?’ ‘Hier wel,’ zegt Billy en hij gooit een handvol graan naar een haan die wel korte lellen maar verder de fysiek van een imposante haan heeft, ‘over de grens niet. In Frankrijk mag dat nog, in de Nord.’ ‘En wat moet ik me daar dan bij voorstellen?’ ‘Gewoon, twee hanen die in een ring tegen elkaar staan en dan er op los pikken en slaan met hun sporen.’ ‘En dat doet jouw vader dus?’ zegt Célestine. Haar hele houding schreeuwt één woord uit: ongemak. Billy daarentegen is wel wat weer gewoon en vertelt heel stoïcijns. ‘Ben jij daar zelf wel eens naar toe geweest?’ vraagt Célestine. ‘’t Zal wel zijn. Ik had vroeger ook een haan.’ ‘Jij?’ ‘Tuurlijk. Alhoewel,’ zegt Billy terwijl hij nog een hand graan naar de haan gooit, ‘voor mijn verjaardag kreeg ik een haan, onze Nestor. Van onze pa. Maar ’t was eigenlijk meer een cadeau voor zichzelf.’ ‘En toen?’ Célestine heeft het koud, maar met de temperatuur buiten, amper boven het vriespunt, heeft het niets te maken. Ze rilt, ze huivert. ‘Lang heeft het niet geduurd,’ zegt Billy, ‘gelukkig maar. De andere had sporen. Dat doet het een beetje sneller gaan. Nestor heeft niet lang moeten afzien.’ ‘Sporen?’ Billy wijst naar twee ringen van leder, met een grote nagel aan vastgemaakt. ‘Ja, sporen. Ze doen dat rond de poot. Dan komen hun slagen harder aan.’ ‘Maar dat is vreselijk!’ Célestine kokhalst. ‘Nu, zeg dat maar niet vanavond tijdens het diner, onze pa en zijn beesten, dat…’ ‘Ik wil hier weg,’ zegt Célestine, ‘terug naar binnen. Hier is teveel leed geweest, ik voel dat.’ ‘Wacht tot ge een tijdje binnen in huis zijt. Ge hebt nog niets gevoeld,’ zegt Billy op een onheilspellende toon. ‘Ik begin te denken dat je gelijk had, Billy… Of dat je serieus aan het overdrijven bent.’ ‘Kom,’ zegt Billy en hij doet Célestine uitgeleide uit het kot, terwijl hij de emmer meeneemt, ‘ze gaan er nu alle moment zijn.’ Hij neemt de emmer mee en knipt het licht uit.

Miguel
3 0