Zoeken

Strak plan

De achtergrondmuziek van Radio 2 probeert de wachttijd korter te doen lijken.  Samen met een gebrilde medemens, zit ik in de wachtzaal van de oogarts voor mijn jaarlijkse controle. De zwarte goedkope kuipstoelen uit kunststof hangen per drie aan een metalen onderstel. De andere gebrilde patiënt zit in de hoek op de volgende driezitter. Ik wemel en strek mijn rug. Een kussen zou hier wel op zijn plaats zijn. Wat een harde stoel! Op het lage tafeltje in het midden liggen kleurrijke tijdschriften en roddelboekjes met in het oog springende titels. De aanwezigheid van planten wordt hier niet getolereerd. De steriele look, een modetrend die nooit mode werd, wordt versterkt door het witte industriële licht van de tl-verlichting, waarvan één buis de geest schijnt te willen geven, door onregelmatig kortstondig te flikkeren. Synchroon met de gebrilde man, zuchten we en kijken we op onze horloge. Het is fijn om hier zo snel mogelijk weg te zijn. Verveeld, snuister ik door de boekjes met opvallende titels en tips.   ‘Nooit meer diëten!’ ‘Eet de regenboog! Strak de zomer in met het kleuren-eetplan! Welke kleur eet jij?’ ‘Bekende Vlaming, bekend van die ene film en andere bekende serie vertelt: Sinds ik deze afslankpillen neem, ben ik tientallen kilo’s verloren! Zonder enige inspanning!’ Rond het tijdschrift is een omslag met tegoedbonnen geniet, om de pillen te kopen met een flinke korting. ‘Sporten gaat vanzelf met deze handige oefeningen! Voor thuis, op je werk, overal!’ Naast de bonte titel pronkt een slanke, blakende dame in een stretch sportoutfit. Ze lacht en is duidelijk blij met het resultaat. Ik lees verder over turnoefeningen om thuis te doen en over een fruitdieet, volledig uitgeschreven om tot drie kilogram per week af te vallen. Elke dag één soort fruit met als start op de eerste dag enkel ananas op je bord. Enkel dag ananas? Ik geloof dat ik niet goed word. Ik voel me misselijk. Ben ik dan echt zo slecht bezig? Die afslankpillen op de voorlaatste bladzijde zien er aanlokkelijk uit. Zeker, als ik zo’n tegoedbon gebruik. Zucht! Ik heb nood aan een strak plan met structuur, doelen, discipline en geen gezeur. Ik zak achterover in de kuipstoel en sluit mijn ogen. Opeens hoor ik iemand mijn naam roepen: ‘Mevrouw Verdict? Mevrouw Verdict? U bent de volgende! Onderzoekskamer 2. Oei? Alles goed? U ziet zo bleek.'

Evelien Meulders
60 0
Tip

Ze zijn geknoopt, Mevrouw

  Mag ik dan eens schuilen. Heel af en toe. In je kelder, in dat bakje met de kaarsresten. Als een gesmolten Icarus die weer eens viel, er altijd iets aan overhoudt, al was het maar gedachten dat er ergers is. Dat er bergen zijn te hoog, waar zuurstof helemaal ontbreekt. Ik wil je nog bedanken. Voor de waardebonnen die ik kreeg. Ik weet niet eens hoeveel. Gewoon omdat ik niet goed tellen kan, de boel verwar met scheepwerfjes voor bootjes van papier, de kronkels in mijn hoofd niet volgen kan. Ze zijn geknoopt, Mevrouw. Ze zijn door al die jaren heen geworden tot een kabelboom waarin de stroom zijn weg nog amper vindt. Die waardebons. Oh ja. Vooreerst wat korting op drie schoenen. Ik hoop daarbij dat ééntje zowel links als rechts gedragen kan. Dan is die anarchie gelukkig, mild en best nog nederig. De boekenbon. Ik ben geweest. De kleine lettertjes, ik moest ze lezen sprak een kassa uit zijn bekje vol met geld. Enkel geldig voor het boek ‘De Roze Hondjes in een Broze Toekomst’. Uitverkocht. Helaas. Dat bonnetje voor ‘wandeling aan zee’, dat lijkt me dan nog lang niet slecht. Ik zal het wegstoppen. De wereld knabbelt overal aan alles, schaamt zich zelfs niet voor het wonder, maar ik zal en ik beloof, veel beetjes voor je redden. Lach niet als ik daarvoor slechts een netje heb voor vlinders, middenin voluit gescheurd omdat ik ze niet kwetsen wil. Een aankoopcheque ‘voor mini-mummy, muis voor Tommy in een winkeltje verborgen langs de Nijl’. Een waardebon ‘voor koekjes die voorzichtig smelten in een sauna, doch onlikbaar zijn, omdat anders al wat los wil aan je mondje plakt’. Ik weet het echt niet meer, Mevrouw, waarvan ik de voorbije nachten droom en overdag dan kook ik maar een beetje zot. Met sap van varens die de liefde in hun sporen spaarden. Bergmunt uit het diepste dal, het zweet van Icarus zit in een troebel potje en vooral, Mevrouw, ik wil vandaag eens schuilen onderin een bloem die onrust vreet. Ik spaar je graag. Ik zeg je niet waarom.     uit de reeks 'Waanhoop'

Bernd Vanderbilt
74 2

De strijd van het voedsel.

Soms denk je dat je goed bezig bent. Dat je als moeder alles doet voor je kind met autisme. Soms denk je dat je faalt en dat door andere mensen. Waarom denk je nu?  Je gaat op reis wetende dat je kind overprikkeld zal worden en zich dan zal afzonderen in zijn eigen wereld. Dat je kind bijna tot niets zal willen eten, omdat dit jammer genoeg één van zijn problematieken is van zijn autisme.  Alles gaat behoorlijk goed eenmaal aangekomen op de vakantiebestemming, hij doet het goed. Er zijn nog twee kinderen met autisme en zij stellen het ook goed.  Maar dan komt het moment dat hij moet eten. Het moment van zijn grootste struikelblok. Hij wil niet eten, hij weigert ,maar neemt na een lange tijd toch een hap. (Ja de overwinning voor mama, hij heeft een hap genomen, hij heeft gegeten onder druk. Wat voor hem moeilijk is.Een strijd die we al lang hebben verloren: "De strijd van het voedsel.") En dan hoor je die woorden die je niet wil horen. Wel niet tegen jou bedoelt want je staat om de hoek net klaar om binnen te wandelen. 'Bij mij zou dit geen waar zijn.' Je voelt jouw falen terug opkomen, iemand weet het beter. Maar ik weet één iets, ze weten het niet beter. Ze zouden mijn zoon een week bij zich moeten hebben dan zullen ze zien wat voor een dagelijkse strijd ik moet aangaan. Dan zullen ze zien dat er ook kinderen zijn met autisme die zich niet volproppen met van alles wat ze lusten (omdat zij enkel deze vorm van autisme kennen). Dan zullen ze zien dat "De strijd van het Voedsel" in de handen ligt van het kind met autisme en iedere kleine hap van nieuwe en oude dingen die in de categorieen "dat lust ik niet" of "dat ken ik niet" liggen, een overwinning zijn voor vele ouders met kinderen met een eetprobleem.   Eén iets weet ik zeker. Ik weet dat ik goed bezig ben en blij ben, dat mijn omringende vrienden en familie mijn zoon kennen en aanvaarden.    Deze mama zal "de strijd tegen het voedsel" nooit helemaal winnen, maar iedere kleine overwinning is een grote zegen die ik met open armen aanvaard.  

T.S. Cobbe
19 1

Als(of) de donder roffelt…

Inzending Write Now 2020 “Dit stuk is gewaagd. Zeker vanuit dit perspectief. Toch voelde ik me er niet volledig afgeschrikt door en bij. Dit verhaal zou en zal geschreven worden. Is het niet door mij, dan is het door iemand die uit ervaring geput het zou of zal neerpennen. Nadat zijn of haar littekens verbleekt zijn, maar niet vergeten, zal zij of hij uit de as herrijzen en roepen: dit verhaal moet verteld worden, zodat onze daden en die van anderen niet vergeten zullen worden. Voor eeuwig zijn deze een les, maar er uit leren doen we amper?! Toch geloven wij dat wij kunnen veranderen en (bij) leren. Telkens weer opnieuw, keer op keer, dag op dag. Verandering komt, zal gebeuren en daarom zullen wij ons aanpassen. Zo alleen overleven we en worden we sterker en menselijker, niét machtiger, want dat is geen doel om na te streven. ‘Vreedzamer, gelijker en menselijker, … dat zijn de doelen waar wij naar streven’.” De jongvolwassen (van eender welk land, afkomst, geslacht of geloof) met hun littekens die langzaam verbleken, maar niet verdwijnen - ‘NU is het éindelijk genoeg geweest’, het rolt haast uit mijn mond, deze zin doordrenkt van pijn en vooral: ‘onmacht’. Alsof het al die tijd smekend om aandacht op het puntje van mijn tong lag. Onaangeraakt en ongenaakbaar, toch onbewust sluimerend aanwezig. Ik schrik van de kracht, van de impact die mijn bloedeigen woorden op mij hebben. Ik klem mijn handen rond mijn kop koffie. Mijn knokkels verkleuren. Is het niet van de warmte, dan is het van de spanning die ik nu voel. Het draaft doorheen mijn lichaam als een op hol geslagen kudde paarden. PETS. Kwaad sla ik met mijn hand op de onaangetaste en tevens lege bundel papieren op mijn bureau. Mijn trots is gekrenkt. Iedereen zal én moet het weten en ook voelen – maar vooral ik eigenlijk -. BAM. ‘Alsof de donder roffelt in de verte … Oh moest je eens weten’, ik zucht en kerm, tegelijkertijd. Een seconde daarna kraakt het raam. Een immense stofwolk kringelt voorzichtig naar beneden. Als in een trance kijk ik er naar, alsof het de inkt is die ik nodig heb om mijn bundel lege papieren te vullen met letters. Op zijn beurt zullen die letters zich omvormen tot woorden, zo tot zinnen en zo tot …? ‘JA? TOT WAT EIGENLIJK?’ ik schreeuw het uit. Als ik opkijk, zie ik de opgezette dwergooruil me kil aanstaren vanuit de vitrine. Ik heb dat beest nooit gemogen. Niet dat ik iets tegen dieren heb en al zeker niet tegen vogels. Nee. Het is de door mij niet te begrijpen innerlijke drang van mensen om beesten op te zetten. BAM. ‘OCH, stop er toch mee!’ tier ik, opnieuw, in het niets. ‘Alsof het iets zal uitmaken, Amine, mijn jongen’, zegt de stem, die toebehoort aan mijn grootmoeder, die onopgemerkt mijn studeerkamer is binnen geslopen.  Alsof ze haar kousen tot haar knieën heeft getrokken – wat goed mogelijk is – , haar ouderwetse pantoffels is vergeten en zo mijn kamer nonchalant is binnengewandeld. Zonder te kloppen. Huisregel één? Genegeerd en geschonden! Voordat grootmoeder haar zin kan afmaken, loopt het mis. Ik schrik me een ongeluk, spring recht - of in de omgekeerde volgorde – waardoor mijn grootmoeder nog erger schrikt. Ze laat de plateau met heerlijk ruikende koffie, inclusief zelfgebakken zandkoekjes, vallen … Theatraal kletst de koffie op de grond … BAM. Opnieuw het ijzingwekkend geluid uit de verte, waar iedereen en alleman, van kloeke grootvaders tot de moedigste tieners en de stoutste meisjes, het begeven en van in hun broek doen – ook ik -. Ons huis schudt en beeft. Het raam kraakt, stof valt opnieuw naar beneden, mijn ijle hoop dat er letters door deze gevormd zullen worden gaat in rook – of beter gezegd stof – op. De koekjes rollen van de in scherven gevallen plateau naar de scheve hoek van mijn kamer en komen onder de kast terecht. Daar blijven ze liggen. Alsof het zo hoorde te wezen! Eén ontsnapt zandkoekje blijft rusten in de hoek van de kamer. Daar staart het me met een lachend gezichtje uit kleurstof aan.  Al die tijd gaap ik grootmoeder aan. Ook grootmoeder kijkt me aan, haar hoofddoek is een centimeter scheef gezakt, waardoor haar haar niet langer onbedekt is. Een grijze noch zwarte krul bengelt vanonder de hoofddoek. Haar glimlach die daarvoor nog zo zorgend, lieflijk en goedbedoeld was, is volledig van haar gezicht verdwenen en maakt nu plaats voor een misplaatste en teleurgestelde uitdrukking. Grootmoeder vloekt. Luid, duidelijk én als een rasechte Arabische vrouw. Dat doorbreekt de staarwedstrijd. Ik sla mijn blik neer. Mijn wangen kleuren rood, alsof het mijn schuld is. Deze hachelijke situatie. Alsof ik een jochie van acht ben, en geen jongeman van 20 lentes. Mijn kousen zijn zichtbaar onder mijn zwarte broek. Ik bestudeer ze dan maar, want nog steeds durf ik haar niet aan te kijken. Het zijn mijn favoriete kousen – regenboog kousen -. Volgens velen misplaatst en niet toepasselijk, én al zeker niet draagbaar in onze cultuur. ‘Wat is onze cultuur dan volgens u?’ vraag ik dan telkens wanneer ze het lef hebben om me erover aan te spreken. Op een typische stoutmoedige wijze, alsof ik zojuist mijn stoute schoenen – noem het eerder mijn stoute kousen – heb aangetrokken. Velen kijken me geschokt of verbaasd aan om mijn reactie, té ontmoedigd om daar nog op te antwoorden. Nog anderen vloeken me toe, nog anderen slaan het gebed teken ‘De Salat’ en werpen hun blik naar boven, naar de hemel, naar Allah. Als ze dat doen, maak ik me snel uit de voeten. De toorn van Allah wil ik me nog nét niet op de nek halen. Dat is exact wat mijn grootmoeder nu doét. Bidden tot Allah. Ik  hoor haar prevelen. Mijn oren beginnen te suizen, haast te piepen. Het haar op mijn armen komt recht. Ik beef. ‘Gebruik je manieren, jongeman’, ze draait zich om, maar vervolgt toch haar zin, ‘en raap dat verloren koekje daar onder de kast alsjeblieft op.’ ‘Dank je, moe’, prevel ik opgelucht. De deur valt met een klap dicht en weg is ze. Opnieuw staar ik voor me uit naar de lege stapel papieren, die deskundig uitgespreid liggen over mijn bureau. ‘Zo gaat dit niet meer verder’, besluit ik. Ik wrijf gefrustreerd door mijn warrige haren. ‘Dan maar een luchtje scheppen.’ Geen normaal mens zou zich nu nog op straat wagen, maar ik ben dan ook geen normaal mens. Ik zuchtte. Nogmaals. Wanneer ging er een eind komen aan deze waanzin, waar we nu al negen jaar in leefden? In gedachten verzonken loop ik door de verlaten en verwoeste stad. Er is geen ziel op straat aanwezig, hier en daar een zwerfkat of hond, daar blijft het bij. Iedereen houdt zich klaar voor wat komen zal. Iedereen die besloot te blijven. De rest, die is op de vlucht. Op het voetpad blokkeren gigantische stenen, afkomstig van een ingestort gebouw verderop, mijn route. Behoedzaam neem ik een sluipweg en begeef me in de schaduwen van de huizen. Enkel nog een zware metalen deur verspert me de weg tussen mijn leefwereld en het contact met de buitenwereld. Nadat ik wat kracht uitoefen op de deur komt er beweging in. De weg naar het binnenplein ligt voor me open. Het binnenplein, mijn schuilplek, mijn geheime plek, maar vooral mijn rustplek. Ik scan de omgeving. Ik voel mijn hart kloppen in mijn keel. Verderop zie ik dat één van de muren is ingestort. Aan de voet van de ingestorte muur valt me een schim op. Een dier? Een mens?! Het wezen wordt deels belicht door de laatste stralen avondzon, die gebroken door een glasraam naar binnen vallen. Ik nader, tergend traag en heel erg voorzichtig. ‘N…n…ee…neee’, stamel ik uit en laat me op mijn knieën zakken. Voor mij, beschenen door het laatste avondlicht, ligt een meisje. Een jong meisje, nog een kind. Ze ademt heel moeilijk, rasperig en met horten en stoten.  Als ik haar aankijk, stoot ze een snerpende gil uit. Het geluid gaat door merg en been.  Ik blijf een hele tijd knielend zitten helemaal verdwaasd en als aan de grond genageld. Elke rationele gedachte wordt naar de achtergrond geduwd. Enkel emotie en gevoel overheersen. Haar lot ligt in mijn handen en ik besef het amper. De tijd kruipt voorbij, net zoals de kans om hulp te zoeken. Haar ravenzwarte krulletjes zijn doordrenkt met gruis en stof. Haar hoofd is bebloed. Bloed dat afkomstig is van een lelijke, gapende wonde aan haar rechterslaap. Haar blauwe kleed is helemaal besmeurd. Haar ogen, zo donker als de nacht, zijn gericht naar de helderblauwe hemel, naar het laatste avondlicht. Haar blik heeft iets levendig en leegs tegelijkertijd. Alsof ik het leven langzaam uit haar lichaam zie verdwijnen. In haar rechterhand houdt het meisje een popje geklemd, in haar ander hand een boek. Zaken die ik nu pas opmerk. Het meisje begint te beven en te schokken. Ik weet niet wat te doen en tegelijkertijd kom ik bij mijn positieven. ‘Hulp, HULP’, schreeuw ik.  Wetend dat geen levende ziel mij nu nog horen kan, buiten de wachters misschien. Ik ben te ver van thuis. Afgedwaald door de stad naar mijn rustplek. Eén keer beweegt het meisje nog. Haar blik wordt koud en ze staart ijzig naar boven, naar het laatste restje zonlicht. Moedeloos met mijn handen over mijn knieën geslagen, blijf ik zitten. Mezelf wiegend. Tot rust? Weg van deze situatie? Eén gedachte sluimert er door mijn hoofd, iets wat ik maar niet kan of wil begrijpen. ‘Waarom kwam er niemand?’ Mijn eigen antwoord dringt zich op aan het oppervlak : ‘Mensen zijn bang, heel erg bang, Amine. Angst vernietigt alles. Elke rationele gedachte verbrokkelt bij angst. Een angst om alles en iedereen waar je van houdt kwijt te raken. Het is erger dan de dood. Daarom kwam niemand toegesneld. Het ligt niet aan jou, noch aan hen, noch aan het meisje.’ Een volgende gedachte vormt zich, een hoopvolle: ‘Maar één iets is sterker dan angst, één iets zorgt er voor dat je jouw angsten aankan, dat je moedig wordt en dat is “hoop”.’ Een warme gloed in de vorm van hoop verwarmt me nu. In mijn twintig lentes, heb ik al veel aanzien. In de 9 jaren dat ik in oorlogsgebied woon, hebben veel zaken me gehard. Het zadelde me op met trauma, maar gaf me ook moed. Een innerlijke kracht om nooit op te geven, om altijd te blijven doorzetten. Eenmaal ik die kracht omarm, maakt het niet uit hoe donker mijn pad wordt. Ik sta op en sluit voorzichtig de ogen van het meisje. Het boek en het popje zijn uit haar handen gegleden. Het popje leg ik naast haar. Het boek neem ik vast. Zij, het onbekende meisje, het zoveelste oorlogsslachtoffer? Ik weet niet precies hoe ze aan haar einde is gekomen. Hadden de brokstukken haar geraakt? Waarom was ze alleen? Was ze een wees? Overlevend op straat? Vragen waar ik nooit de antwoorden op zal weten. De onmacht overvalt me opnieuw.  Het is donker geworden rondom mij. Dat lijkt me tot rust te manen. Nog één keer kijk ik naar het meisje, met tranen in de ogen. Waarom raakt dit me zo hard?! Ik draai me om, de tranen verbijtend. Als in een trance geraak ik thuis. Grootmoeder zit comfortabel in de opgelapte zetel, een boek te lezen. Ze negeert het feit dat ik langs de voordeur binnenkom. Wat ik normaal gezien nooit doe. Ik vermoed dat ze al lang af weet van mijn avondlijke sluiptochten door onze verwoeste stad. Toch zegt grootmoeder er nooit iets op. Nu ook niet. Dankbaar wandel ik naar mijn slaapkamer. Het boek van het onbekende slachtoffer heb ik nog steeds in mijn handen geklemd. Eenmaal op mijn kamer sla ik het open. Tranen vullen zich opnieuw in mijn ogen. ‘H..h..h...et is een dagboek’, stoot ik uit. Kriebelige hanenpoten staan neergepend op vuile en stoffige bladeren. Toch versta ik elk woord dat ze geschreven heeft. ‘Oh, wat was jij slim’, tranen wellen opnieuw op. Een hele avond lees ik in haar dagboek. BAM. Opnieuw dat ijzingwekkend geluid. Altijd vrezend of hopend dat het de laatste keer is dat je het zal horen. Ik leg haar boekje langs de kant, neem mijn pen in de hand en begin te schrijven. Waar het me nog geen enkele uren geleden aan alle inspiratie ontbrak, stroom ik er nu van over. Een hele nacht schrijf ik. Ochtendzon kietelt mijn oogleden. Vermoeid rek ik me uit. Alles komt als in een waas terug. Ik rep me naar buiten, negeer alles dat ik tegenkom. Het enige dat me bezighoudt is de teksten veilig en wel bij hun doel bezorgen. Zodat dit meisje niet voor niets gestorven is. Als zovelen gestorven door een toedoen groter dan ieder van ons begrijpen kan, een machtsspel dat zij nog amper bevatten kon. Veilig overhandig ik mijn teksten en zeg luid en duidelijk: ‘zij moét de laatste zijn.’  

Zonsondergangdromen
44 0

Toontje lager

‘Sorry, sorry! Mijn bus was te laat. Het is zaterdag vandaag, hè! Dan zijn de uren anders. Nog eens sorry dat ik te laat ben!’, roep ik door de half openstaande toegangsdeur van de concertzaal. Op het podium zingt een twintigkoppig koor een gregoriaans muziekstuk. De twee verchroomde afzetpalen met daartussen een donkerrood fluwelen toegangskoord beletten me om de zaal binnen te gaan. De zaalstoelen zijn dichtgeklapt, geen publiek. De dirigente op het podium laat haar dirigeerstok zakken. Ze draagt haar kapsel in een strakke french twist. Haar zwarte kokerrok past perfect bij de elegante beige blouse. Haar lange oorbellen fonkelen in het spotlicht van de bühne. Het koor stopt met zingen. Ze draait zich om en kijkt me scherp aan. Eenentwintig blikken kogelen me bijna neer. ‘U bent te laat!’, zegt ze op een luide strenge toon, vanop het verre podium. Amai! Wat een stem! ‘U bent te laat, mevrouwtje!’, maant ze me overtuigd aan. Hoewel ze meters van me af staat, voel ik me niet op mijn gemak. Zou ik nog iets durven antwoorden? Of is er geen vraag? Ik zwijg wijselijk en sta vastgenageld aan de grond voor het toegangskoord. ‘Aangezien u zelf niet vertrekt! Laat dan maar horen wat u kan!’, daagt ze me uit. Ze lacht hautain en kruist haar armen. Enkele koorleden gniffelen als support. Super! Hiervoor ben ik gekomen! Ik doe me schoudertas af en zet ze tegen een verchroomde afzetpaal. Ik adem in en zing uit volle borst: ‘BAMMM BOOOO LEI JAAAAAA BAM BOOO LEI JOOO!!’ De dirigente slaat met haar stok op de pupiter: ‘Genoeg! Genoeg! Afgekeurd! Denkt u dat dit hier voor te lachen is?! U kan gaan! We zijn een uitmuntend koor, dankzij discipline en professionaliteit. En daar hoort U NIET bij!’ Ze draait zich met haar rug naar me toe, richt haar blik op de koorleden en zwiept een maatsoort in de lucht, waarop de alten hun zangstonde terug inzetten. Waarom mag ik er niet bij? Stom koor! Ik grijp mijn schoudertas, wandel beteuterd het concertgebouw uit en slenter verzonken in gedachten de namiddagzon in, op het beklinkerde concertplein, wanneer er melancholische muziek me tegemoet komen. In het midden van het plein speelt een straatmuziekkant op een peervorming houten instrument. Hij slaat de twaalf snaren aan en zingt weemoedig een levenslied.  De fadoklanken werken op mijn gemoed. Ik wandel droevig tot bij hem. Zijn olijfkleurig overhemd hangt half open. Hij speelt een hoogtepunt op zijn viola de fado. In de openstaande instrumentenkoffer liggen koper- en zilverkleurige munstukken, biljetten en zelfgemaakte cd’s. Wauw! Da’s klasse! Hij heeft zelfs een eigen cd. Ik gooi een biljet in de koffer en koop er eentje met fadoklassiekers. Hij stopt met spelen: ‘Bedankt! Come estàs? Je kijkt zo triste? Is het mijn muziek? Of is het leven, de reden?’ ‘Goh, ja! Ik heb net auditie gedaan. Daar! Binnen! Bij het zangkoor van het concertgebouw. Ik mag niet meezingen. Ik ben afgekeurd’, mopper ik: ‘Ik mag dus niet mee doen, zeg!’ ‘Ai ai ai, dat is niet simpàtico! Maar dat is ook geen probleem! Dan zingen wij toch samen! Ons levenslied…’ Mijn humeur fleurt op: ‘Ja? Echt? En kan jij Gypsy Kings op je fadogitaar?’ ‘Ja, zeker en vast! Die liedjes beginnen met een si mol…’ en hij slaat een snaar aan: ‘La la! Si mol,  si mol! Laaa! Si mol , si mol… Klaar? 3… 2… 1…’ ‘BAMM BOOO LEEII JAA !!! BAM BOOO LEII JOOO!!’ , zingen we samen uit volle borst: ‘Porque mi vida yo la prefiero vivir así’ Hij stampt met zijn olijfkleurige instapper op de grond en ik zing: ‘Bem, bem bem bem, bem bem bem!’  Twee toeristen, een man en een vrouw komen erbij staan. Elk gekleed in dezelfde sportkledij met bijpassend Nordic Walkingstokken. ‘Amai goed goed! Dat is tenminste nog eens muziek! Dat is nog eens sfeer! Allez, Leo geeft eens 5 euro aan die muziekkanten hier. Goed!’ De vrouw klapt enthousiast mee. De man zoekt naar geld in zijn portemonnee.  Een gepensioneerde bebaarde man met een beige schoudertas komt aangezoefd op zijn elektrisch step. Hij grabbelt een hoopje muntstukken uit zijn broekzak en gooit ze samen met een kleurrijk briefje in de openstaande instrumentenkoffer.  Op de vrolijke flyer staat: ‘Lokale talenten gezocht voor wekelijks optreden in de tuin van de plaatselijke bibliotheek!’ Hij knipoogt, steekt zijn duim omhoog en zoeft weer weg. Yes! Onze carrière is gestart. We worden beroemd!

Evelien Meulders
39 0

Vergeet-me-nietje uit Testerep

Ik ben hier ooit geweest maar ik weet niet of ik er nog écht ben. Soms kan je me zien. 's Avonds, in de schemering. Of 's ochtends, bij het ochtendgloren wanneer je, bijvoorbeeld, occasioneel, vanop de dijk van Oostende naar het westen kijkt - noordwesten eigenlijk - En je tussen de glinsteringen op het water, reflecties van de paarsroze zon, en harmonieus begeleid door een koor van wulpen, woudapen en zilvermeeuwen, de contouren van mijn verzonken aanwezigheid ziet verschijnen. Ik ben er nog, ook al ben ik er niet meer. Ik trok een streep door het landschap en onder het geheugen van de Oostendenaar. Ze zullen me niet vergeten. Toch?   Ooit was ik een oase Een baken van schorren en duinen  in een woestijn van water. Een buffer tussen jou op het land en de Grote Noordzee met tussen jou en mij niet meer dan een ondiepe, natte snee Ik torste de branding. Ik slikte het zout. Ik huisde leven, heel veel leven. Herders lieten hun schapen me begrazen maar de mensen zelf kwamen niet mee. Mijn land was te woest, de zee te wild om ook voor hen een veilige haven te zijn.   Tot de graven ons graf kwamen graven.   Margareta had beschikt. Ik zou kapituleren, zij kapitaliseren. Mijn duinen werden afgevlakt. De geul drooggelegd, De polders ingemetst. Ik had geen weerwoord. Niet tegen de mens, niet tegen de mijn, niet tegen de stad. Niet tegen het water. En het water sprak, woest. Een paar natte kletsen en toen een orkaan. Zo ben ik komen te gaan. Het is te zeggen, ik ben gebleven. Ik ben er nog.   Geen mens die me nog wil. Geen slikken of schorren meer. Geen rots in de branding. Mijn fiere zang, mijn pracht en praal verwerden tot een ijl stemmetje en een ordinaire zandbak.   Maar ik ben er dus nog, ergens ten noordwesten van de dijk van Oostende. Ik voel nog elke dag het water klotsen Proef het zilte van de zee. Eb en vloed blijven me bespelen. Schepen varen om me heen.  Ik heb nog een verhaal te vertellen.   Mijn ijle stemmetje luidt de echo's van een ver verleden. Een jaar of zestienhonderd geleden toen alles nog beter was. Of toch voor mij. Toen ik nog mijn waarden kon leven. Het land beschermde met de macht van een stoere zeebonk en de gratie van een vorstin. Want het is waar: In mijn schoot ontstond de koningin der badsteden. Mijn mijnen voedden het volk. Ik wist waarvoor ik bestond. Wie ben ik nog, nu jij me hebt verlaten? Mens Je hebt me bezocht, beroofd, bebouwd. Verbouwd en ontkracht. Ontmanteld teruggegeven aan de zee. En alle mooie gebouwen van het eerste Oostende nam ik met me mee. Maar ik ben er nog. Begraven onder het water. Bepist door de hond. 's Avonds, wanneer het donker wordt kan je mijn stem nog horen. Zodra de stilte is neergedaald over de appartementen op de dijk. Dan fluister ik je toe: Mens, ik heb je altijd liefgehad. En nu nog steeds. Maar luister en herinner mijn verhaal. Voor je het weet wordt het pas écht herrie in de keet.  

MarijkeD
26 2

De documentaire

Het is niets voor mij, maar toch, op zo’n momenten moet je er staan. Het beantwoorden van de vragen ging vlot. De aanzet was aangrijpend, bij het op het podium komen van haar werd het stil. Ze huilde. Ik nam haar vast bij de schouders en troostte haar. Jezelf terugzien in moeilijke situaties op groot scherm is erg confronterend, ook al deed ze er - voor het publiek - graag een schepje bovenop.  Mijn documentaire over asiel werd vertoond in het cultuurcentrum van mijn thuisstad. Een belangrijk moment omdat eindelijk familie en vrienden konden zien wat me die afgelopen jaren bezig had gehouden. Magda, hoofdpersonage van de film, was aanwezig. Na de film beantwoordden we samen de vragen van het publiek. Daarbij zaten mijn kinderen, Blauw mijn partner en haar ouders. Mijn moeder. Mijn vader niet. Leda, mijn jongste, maakte indruk. Vijf jaar en vragen stellen en plein public waar iedereen aan dacht maar niet durfde: “Waarom sloeg de mama haar kindje?” Een moment waarna je de muizen kon horen lopen. Magda legde uit hoe de omstandigheden en haar opvoeding in Albanië zulke dingen nu eenmaal met zich meebrachten. Dat ze het zo niet meer zou doen, maar ze wuifde het ook niet weg. Zij had zulk een opvoeding meegemaakt en het ging toch goed met haar: ‘je ne fume pas, je ne prends pas d'alcool ou de drogues, je respect les gens...’ Midden in het gewoel van een uitvoerig met hapjes en drank gevulde receptie, kreeg ik eindelijk het gevoel dat het verhaal geslaagd was: het had indruk gemaakt en was visueel stijlvol, zei men. Dat ik het kracht had kunnen bijzetten door het nawoord met Magda te verzorgen was een mooie bonus. En net als haar, kon ook ik me nu eindelijk tonen. Ik dronk nog eens goed door van de gratis aangeboden cava en voelde me heel even bijzonder sterk. Ja, zo mag het zijn. Op dat moment klampte mijn moeder me vast: ‘We moeten spreken, uw vader is erg ongelukkig, al een tijdje in depressie, dat weet ge, en dat heeft met u te maken, omdat gij uw naam hebt veranderd, dat is heel respectloos.’‘Maar ik heb mijn naam niet veranderd, ik heb gewoon de S toegevoegd tussen mijn voornaam en achternaam?!’‘Neen, ge zei dat ge uw naam ging veranderen tegen de psycholoog, weet ge nog, en in uw mails staan ook uw beide namen en het ergste van al, ge hebt uw kinderen daarbij betrokken.’ Ik viel, ik brak, ik kotste. ‘Euh… ik wilde er geen taboe van maken. De kinderen moeten ook het verleden kennen. En zij kiezen zelf. Zij gaan hun achternaam niet veranderen. Ze zijn zo geboren. En ik wilde het toelaten, dat stukje van mezelf.’ Maar dat drong niet door. Ze trok me weg uit de massa die passeerde en fluisterde. ‘We moeten afspreken, ik wil dat ge met hem praat. En dat is niet alles…’ ‘Neen mama, nu niet…waarom nu?!’ Ze zei vervolgens nog wat dingen die ik snel wilde vergeten. Waarna ik me losrukte en verder ging met een brede glimlach, wat met de mensen keuvelde over de film en de thematiek van de vluchteling in België. Binnenin schreeuwde ik, zoals alleen ik dat kan, met een strakke glimlach terwijl de wereld instort. Tegen dat de drukte geluwd was vroeg ik mijn moeder om dit verder uit te klaren. Ze vertelde hoe dat het hem gekwetst had en dat hij er nu nog mee zat. ‘Maar dat was drie jaar geleden, toen ik zelf in volle identiteitscrisis zat! Waarom kom je er nu pas mee af?’ Stilte. Ik voelde wel dat er een zekere afstand was gegroeid tussen ons, maar er werd nooit over gepraat.  Alles werd zoals steeds in een minzame wurggreep verzwegen, zo ging dat, totdat het zich keihard manifesteerde. ‘Waarom begin je er nu over? Nu op deze avond?!’‘Ik moest wel, 't is bijna kerstmis… en het duurt al zo lang.’‘Had me dan gewoon gebeld en ik was afgekomen en dan zou ik het wel uitleggen, waarom en hoe het toen in mijn hoofd zat, in zoverre ik het zelf al zou kunnen vatten.’ Ze kon nu eenmaal niet anders. Ik zei haar dat ik de volgende dag, als ik Magda aan het station had afgezet, wel langs zou komen. Rond middernacht was iedereen weg en ik thuis. Blauw omarmde me en troostte me zo goed als ze kon. Zoals gewoonlijk viel zij snel in slaap. Ik niet. Het zette me weer aan het twijfelen, over mezelf, over wie ik ben, over Bart V, de geadopteerde of Bart S de genegeerde of... In alle vertwijfeling stond ik op en haalde in mijn e-mailhandtekening, op de website en zo goed als kon online, overal, de S weg.  En toch, en toch. ‘Je oorsprong ligt in de S, je levensweg in je V.' Zei Blauw me nog.‘Mijn eigen weg ligt in Bart, in diegene die ik nu ben.’‘Ja, en als je voelt dat die S daarin thuishoort dan is dat oké.’  Ik glimlachte even. Ja, het kan ook de S zijn van Sexy en Superpappa en…  Later sprak ik met mijn moeder en mijn vader, waarvan ik de achternaam geadopteerd had gekregen. Ik probeerde alles te kaderen en de gemoedstoestand weer tot een normaal niveau te brengen. Een ander verhaal. En die S? De S verdween op zolder in een oud fotoalbum met hem, mijn natuurlijke vader er niet bij in. En een rapport van het eerste studiejaar met mijn echte achternaam. Weg, onder het stof in een plastic bak.  Sinds die avond heb ik niets meer gefilmd dat echt van mij was.     Bart (S.) Vermeer

Bart Vermeer
73 1

onderhuids 4

Ik drink mijn chocomelk terwijl mama met een vriendin praat over een gebeurtenis in haar jeugd. Omdat ik het verhaal al van kop tot staart ken, richten mijn oren zich op de tafel langs ons. Daar verkopen twee mannen elkaar vunzige praat. 'Ik heb eens een hoer geneukt die de prijslijst getatoëerd had op haar rug,' zei de een.'Dat is nog niets, ik heb eens een trio gehad met de zangeressen van..' ging de ander verder.Ik kijk naar buiten en zie een vrouw lopen, ze lijkt verdacht veel op het meisje. Of was het de zon?'Ik moet naar toilet,' zei ik. Mijn moeder knikte zonder haar verhaal te pauzeren.Ik glipte van mijn stoel en manouvreerde me tussen de tafels. Grote mensen hebben de neiging niets op te merken onder de één meter twintig. Er kwam een grote groep oudere dames binnen, de voorste praatte nog tegen de achterste terwijl ze naar een lege tafel marcheerde.Tegen dat de groep binnen was, was het meisje weg.Ik ging terug naar binnen, botste tegen iemand aan. Het was mijn moeder.'Ik denk dat ik iemand zag,' zei ik. We zaten terug aan tafel en ik eigende me een krant toe. De kruiswoordraadsels waren ingevuld, de sudoku maar half. Toen zag ik dat er twee negens in een vak zaten en liet het maar zo.Op een andere pagine stond een review van een boek. Het ging als volgt:Het hoofdpersonage is saai, hij beschouwt van alles, maar doet niets. Hij wil niets, of doet er geen moeite voor, dat maakt het plot zo goed als onbestaand. Dat en de verleden tijd gebruiken doet het boek zo traag aanvoelen dat het huiswerk wordt. Een boek om langs de wc te houden bij darmproblemen. Het kreeg drie sterren van de vijf.Ik voelde mijn hoofd vervagen, alsof ik in een mistbank fietste. En de lamp niet meer verlichte dan de mist voor me. Er stond een gedicht geschreven, in zwarte inkt. Los over een pagina reclame voor een all-in vakantie. Sporen in het korenKoren zingen, opgaande zonDoornen verdwijnenDuizend klingen verschijnenAan de horizon Een koe en haar lammetjeKauwend op het grasNat van dauw, net glinsterend glasEen vogel springt van een takIk wou dat ik het was Ik schreef verder, in blauwe inkt -mijn moeder had altijd wel een pen op zak- een zelfgemaakte rijm. Of ik denk dat ik het schreef, want ik hield de pen vast. Ik ben te kleinAls medicijnMaar helicopter boven jouw pijn Ik luisterde verder naar het verhaal van mijn moeder. Het werd een soort mantra, een verankeringspunt. Alsof heel haar psyche gebaseerd was op dat ene verhaal. Maar waarom vond ik het dan zo onbelangrijk? Welk verhaal zou ik de wereld vertellen? Ik dacht aan de review, aan het eind van het leven. Drie sterren.Mijn wang rustte op de palm van mijn rechter hand. Mijn linkerhand speelde met het rietje van de chocomelk. Drie sterren, vier als ik het meisje vond.

Stelselmatig
0 0
Tip

Kamer met uitzicht

De ryokan-eigenares in Aska laat ons de kamer zien. ‘Keurig,’ zeg ik. De acht tatami mat kamer is klein, maar ziet er netjes uit. De prijs is heel schappelijk. ‘Prima voor een nacht,’ zeg ik. ‘Ik zal zo de bedden voor jullie opmaken,’ zegt de eigenares. ‘De toiletten en het gemeenschappelijk bad zijn aan het einde van de gang. Ik laat het jullie even zien.’ We sloffen achter haar aan. ‘Jullie zijn vast moe van de reis.’ We knikken. ‘Het valt gelukkig mee. We komen niet van ver,’ zegt A. We lopen langs een andere kamer. ‘Als jullie willen, kunnen jullie ook deze kamer nemen.’ De eigenares schuift de deur open. Ze stapt naar binnen. Het is een ruime 12 tatami kamer. Met een alkloof van berkenhout. Aan de muur hangt een roltekening. Bergen in de mist. ‘Deze kamer heeft een mooi uitzicht.’ Als we de andere kant opkijken, slaken we een kreet van bewondering. Door het raam, rolt de natuur zich, in de late namiddag zon, in prachtige pastelkleuren voor ons uit. We zien trapvormige rijstvelden. We zien bergen. Het uitzicht is een plaatje. ‘De kamer kost wel meer,’ zegt de hoteleigenares alsof ze een kunsthandelaar is die een schilderij verkoopt. Ze noemt het dubbele bedrag van de kleine kamer. ‘Maar dan heb je wel een prachtig uitzicht!’ ‘Welke kamer zullen we nemen?’ vraagt A. Meer voor de vorm. Want een blik van mij en hij weet genoeg.  ‘Zullen we deze kamer nemen? Het uitzicht is prachtig.’ ‘Ok. We nemen deze kamer.’ De eigenares knikt tevreden. Als de bedden zijn opgemaakt, trekken we onze yukuta aan en gaan in bad.  Hoe groot is onze teleurstelling als we terugkomen in onze kamer. De dure roltekening is opgerold. De avond is gevallen. Buiten is het pikdonker.        

Margaretha Juta
74 3

Jobstudenten aan de macht

De airconditioning blaast op 12. De muziek dreunt 28. Welkom op Camping Summer Bash Supermarkt! “This ain't nothin' but a summer jam. We're gonna party as much as we can”De overheid kondigde gisterenavond een hitteplan af. Als een brave burger met burgerzin winkel ik in de voormiddag en schuil voor de rest van de dag, thuis met de rolluiken dicht. Eindelijk, ik heb de zelfscankassa bereikt. Ik wil hier weg! Mijn maag krimpt voor de zoveelste keer in elkaar. Waarom staat die airco zo koud? En de muziek zo luid? Ik word oud.Ik scan haastig mijn laatste boodschappen: nog één krop botersla en vier tomaten. ‘Hallo mevrouwtje! Even controle van uw boodschappen!’ , een zestienjarige in een donkerblauw t-shirt met op zijn rug in witte letters “Jobstudent”, spreekt me iets te vlot aan.Ah, zo wordt hier de rangorde bepaald. Ik kijk terug de supermarkt in: vandaag zijn er alleen maar donkerblauwe t-shirten aan het werk. ‘Moet dat echt? Ik heb net alles in mijn rugzak gestoken. Alleen nog deze tomaten…’‘Ja, sorry mevrouwtje, ik doe ook maar mijn werk’, zegt hij met kalme stem en laadt mijn rugzak terug uit. Hmmm… De sfeer tussen ons zakt tot onder het vriespunt. Als hij hier de regels maakt… Wat een sfeerspons! ‘Ben jij dan ook verantwoordelijk voor de airco en de muziek? Moet ik voor mijn bezorgdheden daarover bij jou zijn?’ , antwoord ik bits. Hij reageert extreem ontspannen: ‘Nee mevrouwtje, daarvoor moet je bij Jeffrey zijn. Hij zorgt voor de coole sfeer en de heerlijke beats. Zal ik hem voor u oproepen? Hij is vanachter de camion aan het lossen’ en tikt op zijn zwarte walkie-talkie-headset. Lap! Hier weet ik geen repliek op. Dju! Ik weet niet wat zeggen. Op mijn plaats gezet door een zestienjarige jobstudent. Ik prop verongelijkt mijn boodschappen in mijn rugzak en zwier hem op mijn rug. Ik marcheer met mijn neus in de lucht naar buiten en scoot weg, als een hippe vogel op mijn elektrische step. ‘Zucht! De jeugd… Sinds wanneer hebben die het hier voor het zeggen…’

Evelien Meulders
44 1

Mijn Del

Omdat alle Samsonite koffers op elkaar lijken heb ik een Delsey koffer aangeschaft. Via een vriend, die voor het Franse merk werkt, heb ik hem voor een schappelijk prijsje op de kop kunnen tikken. Hij is lichtblauw en super solide, klein van afmeting, maar net groot genoeg voor de spullen die ik doorgaans nodig heb tijdens mijn businesstrips. Het enige wat ontbreekt, maar hem dan ook weer onderscheidt van andere koffers, zijn wieltjes. Naast het vroegere Tempelhof in Berlijn, Orly in Parijs en Gatwick in London heeft het bagagepersoneel in tientallen luchthavens mijn famous blue suitcase in handen gehad. Blijkbaar dwingt het ding respect af, want na vele reizen is de koffer nog in erg goede staat. Vandaag is het Kloten, ik bedoel, kom ik toe in de luchthaven van Zurich. Zwitsers zijn zoals hun klokken en horloges. Haast alles loopt er op wieltjes, efficiënt en precies. Ik ben nog maar net door de douane en paspoortcontrole of de lopende bagagebanden zetten zich reeds in beweging. Van ver zie ik reeds mijn valiesje, mijn blauwe Del, binnenrollen. Ik rits het van de band en loop snel naar de taxistand.  Mijn taxi zet mij af aan het Kameha Grand Hotel. Ik koos het omwille van hun slogan op internet: ‘Life is grand and so are you’. In de knotsgek ingerichte lobby met drie grote kroonluchters in de vorm van Zwitserse koebellen word ik in een mum van tijd ingecheckt.  In mijn luxueuze kamer lees ik dat er een splinternieuwe Spa is geïnstalleerd in het  hotel. Precies wat ik nu nodig heb: heerlijk relaxen in de sauna en het stoombad. Eerst even mijn koffer leegmaken. Hemeltje, ik schrik me rot. Dit is Del niet. Mijn kreukvrije hemden,  mijn ondergoed, sokken en toiletgerief zijn vervangen door in zwarte plastic verpakte dingen. Daar gaat mijn saunaatje. Ik moet aan de slag om mijn koffer terug te krijgen en om de eigenaar van deze mysterieuze pakjes te vinden.  Voor ik iets kan ondernemen, rinkelt de vaste telefoon in mijn kamer. Het is de receptie met de vraag of ik bezoek verwacht. Ik zeg dat ik hier voor zaken ben en pas morgen een afspraak heb met een klant in het restaurant van het hotel. Op de achtergrond hoor ik een zware schreeuwerige stem : “Welches Zimmer?” De lijn wordt verbroken. Alvorens ik goed besef  wat er aan de hand is, hoor ik gestommel op de gang en wordt er op mijn deur gebonkt.„Mach auf, öffne diese Tür“, schreeuwt de stem, die ik meteen herken van daarnet.   Met helden heb ik mij nooit vereenzelvigd, dus snel ik naar de deur en open ze. Twee kale kleerkasten met fitnessabonnementen en zonnebril stormen binnen. Gelukkig, denk ik dan, merken ze meteen de geopende koffer op het bed. Eén van de heren in Armanipakken toont me een identieke blauwe koffer en vraagt of ik de gozer ben, wiens naam op het adreslabel staat. Ik knik en stamel: “Das ist mein Del, ja, vielleicht verwechselt  auf Kloten.”Bij het woord Kloten beginnen beide ongure  types onbedaarlijk te lachen. Een van hen telt de pakjes in de andere Del, knikt voldaan en scheurt één pakje open. Hij toont mij de inhoud: bankbriefjes in Zwitserse Franken met een waarde die mij even doet duizelen. Hij neemt twee bankbiljetten uit het pakje en deponeert ze op het nachtkastje. “Für dich”, zegt hij met een grijns. Dan verdwijnen de twee zo snel ze gekomen zijn. Niet overtuigd dat het Zwitsers zijn, roep ik hen nog na: “Grüezi mitenand.” Ik heb nog maar net de biljetten van tweehonderd Zwitserse Franken in mijn portefeuille gestopt wanneer er terug op de deur wordt geklopt.Het is de driekoppige security van het hotel die komt kijken of alles in orde is.“Kein Problem”,  zeg ik, “ein kleines Missverständnis, falscher Koffer in Kloten.” Ik wijs naar Del die op het bed ligt. De drie kijken elkaar verdwaasd aan, halen de schouders op en verlaten de kamer.Dan toch nog een saunaatje, juich ik, maar ga eerst na of alles nog in mijn koffer zit.  

Vic de Bourg
15 1

Dirty money

Onze vakantiepot is een restant uit de periode dat onze mannen uitkeken naar het tellen van de 2 eurostukken die we door het jaar samen hadden verzameld, zodat ze leerden om te sparen. U kent ongetwijfeld het principe. Nog steeds verdwijnt er af en toe een stuk van 2 euro in de vakantiepot. Soms lijkt het alsof ze uit mijn portefeuille rechtstreeks hun weg naar de pot vinden. Ook dit jaar gaan de muntstukken uit de vakantiepot mee naar de kust. Na een verkwikkende, doch behoorlijk forse strandwandeling door de felle wind nestelen we ons op een terras. De ober is gelukkig snel bij ons, want de dorst is groot. Zijn Nederlands is nog niet perfect, excuseert hij zich meteen. "Francais? English?", vraag ik. "Nee, ik probeer Nederlands", antwoordt de jongeman. Onze bestelling wordt door hem netjes herhaald, alsof hij in de les Nederlands zit. Ik verduidelijk dat het voor mij drie garnaalkroketten mogen zijn. "Drie? Toe maar", zegt mijn vrouw. "Jawel", zeg ik. "Stel dat ze dit jaar kleiner zijn, dan ben ik zeker." "Met de kaart of cash?", vraagt de jongeman nadat we hebben verzekerd dat het eten voortreffelijk was. "Cash", zeg ik, waarna we een biljet en stapeltje 2 eurostukken op tafel leggen. "Dat is inderdaad cash", lacht hij. Ik meen iets te zeggen over de vakantiepot, maar besluit het niet te doen wegens allemaal te ingewikkeld. Met cash geld betalen wordt langzamerhand een curiosum. De jongeman kijkt ons aan alsof we net een lunapark hebben overvallen. We zien er na de wandeling door de zeebries dan ook behoorlijk verwilderd uit. "It’s dirty money", lach ik, wat de toestand niet meteen verbetert. Ik twijfel of ik de term 'zwart geld' correct heb vertaald (toch wel blijkt later). Het slaat trouwens nergens op en de jongeman moet de 'vuile' muntstukken nog meenemen. Misschien had ik hem toch het verhaal van onze vakantiepot moeten vertellen.

Rudi Lavreysen
15 1

Nietszeggend

Sjors en Femke: dat is het enige dat ik herinner, hun namen. En dat vind ik een hele prestatie van mezelf. Ook al lopen deze nieuwe buren na het voorstellen, op dit moment, ons grindpad af op weg naar de overburen.    Het lijkt mij niet een leuk stel, maar ook geen niet-leuk stel. Een gewoon stel, zou je dan zeggen, maar nee, dat is het ook niet.    Al tijdens het monotoon, nasale praten van Sjors probeerde ik uit te vogelen wat voor types ze waren. Femke keek schuin naar beneden langs mij, alsof in het verlengde van mijn rechterelleboog een stip op de keukendeur was getekend die ze niet uit het oog mocht verliezen. Verlegen mensen kijken ook vaak naar beneden en naast je, maar die gluren héél af en toe naar je kin en als de sfeer goed is, schampt hun blik je neus. Ze keek niet verlegen, je zou kunnen beargumenteren dat ze niet keek, of preciezer geformuleerd: ze keek niet bewust, ze had haar ogen open uit gewoonte, maar zonder verder doel.    Ze waren niet saai, want saai is een kwalificatie van een vervelend alledaags karakter waar je van gaat gapen of waarvan je juist onrustig wordt omdat je zoekt naar een ontsnapping. De term karakter was het probleem, ze toonden noppes-en-nullemans karakter.   Leeg dan? Dat ook niet, mensen die met lege ogen naar je kijken, tonen in die blik en bijbehorende houding vaak de geschiedenis waardoor die leegte is ontstaan. Het leven is hard voor ze geweest, waarbij een verlies van een geliefde of kind of het verraad van de wereld een diepe krater in hun gevoel heeft geslagen. Leegte is zonder twijfel een duidelijke kwalificatie van karakter, je zou kunnen argumenteren dat dit een sterk karakter weergeeft, omdat de schrijnende geschiedenis er doorheen gloeit.    Sjors en Femke waren karakterloos. Waarbij ik aan moet geven dat dit niet bedoeld is als een negatief keurmerk, niet op de manier zoals vaak een gewetenloze crimineel wordt beschreven die ouderen oplicht en voor de rechter zonder berouw grinnikend vertelt over Oma Flus die met aandacht haar spaarvarken voor hem kapot tikte.    Zij waren zonder iets, een lichtgrijze vlek op een lichtgrijze achtergrond. Begrijp mij goed, dat is iets anders dan een zwarte vlek op een zwarte achtergrond of een witte op een witte. Zwart en wit zijn krachtige kleuren, al vindt de purist dat zwart geen kleur is en wit alle kleuren, je weet wat ik bedoel. Zwart en wit spreken met een flink volume in de ruimte, ze hebben het vermogen ruimte in hun bezit te nemen om deze niet meer te afstaan. Zwart en wit zijn in staat een ruimte te definiëren.    Sjors en Femke niet, die namen nauwelijks het drie-bakstenen-diepe richeltje in bezit dat wij ons stoepje noemen. Ze zullen vast een schaduw hebben gehad, maar zelfs die was onzichtbaar.    Nietszeggend, dat is de beste omschrijving die ik kan geven. Het dekt niet de hele lading, want enige lading zit er bij hun niet in, maar dit woord komt goed genoeg in de buurt. Ze waren nietszeggend.   Hun gezichtstrekken vervaagden binnen een seconde nadat ze omdraaiden, ze zijn het grindpad af en ik ben de kleur van hun kleren vergeten. Al hadden ze in hun poedeleniksie voor mij gestaan, ik zou het niet meer weten.   Ik vind het al een hele prestatie dat ik de namen Sjors en Femke heb onthouden.   Sjors en Femke. Om eerlijk te zijn klinken die namen niet eens beroerd. Die kan ik tot morgen onthouden.   'Ze lijken mij wel ok,' zegt Janet en ze sluit de deur, 'maar zeker weten doe ik het niet.' Ze kijkt mij peinzend aan alsof ze heel diep nadenkt en schudt haar hoofd waarbij het lijkt of haar iets ontschoten is en niet meer terug schiet. Ze haalt haar schouders op en vraagt: 'Wat vind jij van Sjoerd en Veerle?'

MCH
22 1