Zoeken

Brooddronken hoofdstuk 16

16   Jimmy en Bruno komen aan bij het Ring Shopping Center. Dat Kortrijk is maar iedereen zegt er Kuurne tegen. ‘Zo,’ zegt Bruno, ‘we zijn er bijna. Dit is Ringlaan 34. Ofte het shopping center maar je kent dat zelf ook wel, natuurlijk.’ ‘Ja, dat ken ik inderdaad,’ antwoordt Jimmy. Zelfs het irritant open-dicht-en-weer-opengeluid van de schuifdeuren werkt hem niet op de zenuwen. Hij is allang blij eens van dat harde fietszadel te zijn en gewoon op zijn twee voeten te staan, ook al ligt er een geribbeld tapijt onder. Op dat geribbeld tapijt ligt een legerzak met een hangslot aan. ‘Doet gij maar het molslot open,’ zegt Bruno, 'dan ga ik ondertussen een sigaretje smoren.' Jimmy doet wat hem gevraagd wordt. ‘Ge hebt twee pakskes gemaakt vanochtend. Ge hebt één pakske voor de wijk hierachter en één pakske voor ’t shopping. Gaat eerst uw fiets vullen, dan hebben we tijd genoeg om die brieven hier weg te steken.’ Zo gezegd, zo gedaan. Jimmy steekt het pakje brieven in zijn ransel met wat platte stukken er bij. Bruno slaat het gade met een sigaret tussen zijn lippen. ‘Wat doet ge met de dagen?’ vraagt Bruno. Jimmy antwoordt terwijl hij de fiets verder laadt. Hij rolt de legerzak op en steekt hem in een lege fietszak. ‘Nu vanavond is ’t eten met pa, ma, pepe, Billy en zijn vriendin.’ ‘Billy is dan uw broer, toch? Die heeft ook nog bij ons gewerkt.’ ‘Ja, dat is waar. Nadat die is weggelopen, heb ik het mogen ontgelden. Tegen Billy kon onze pa niets meer doen, hé,’ zegt Jimmy. ‘En die zit nu in Gent?’ Bruno steekt een verse sigaret op. De fiets wordt zodanig stuntelig geladen dat er nog tijd is voor een tweede. ‘Ja,’ antwoordt Jimmy, ‘en zijn vriendin komt ook mee. Dat wordt lachen.’ ‘Is dat zo raar dat Billy een vriendin heeft?’ vraagt Bruno. ‘Dat niet,’ zegt Jimmy en hij is ondertussen klaar met het laden van de fiets. De post van het Ring Shopping wordt per winkel vakkundig in de brievenbussen gedropt. Dat gaat verbazingwekkend snel en dat is ook Bruno niet ontgaan. ‘Dat hebt gij nog gedaan,’ zegt hij. Jimmy antwoordt en houdt ondertussen zijn ogen niet van zijn brieven af. ‘Ja, dat klopt,’ zegt hij, ‘ik ben hier nog stagiair geweest, een goed anderhalf jaar geleden. Dat helpt, want sommige winkels werken met hun maatschappelijke zetel voor hun post. En dan is de naam niet juist en zo.’ Ruben is onder de indruk dat het zo vlot gaat. Jimmy mag misschien wel niet van de handigste zijn als het op fietsen laden aankomt, maar nog nooit heeft hij één nieuweling zo snel de post van het shopping center in de bus zien steken. ‘Ziet ge ’t zitten om de recommandés weg te brengen naar de winkels? Ge weet ze toch zijn, hé, tegen dan is mijn safke op.’ ‘Oké.’ ‘En ge moet nog naar die biowinkel, uw kaas gaan halen.’ ‘Juist. Tot binnen een tien minuutjes dan maar,’ zegt Jimmy en hij vertrekt op zijn queeste, zijn zwart tasje tegen zijn borst geklemd alsof zijn leven er van af hangt en misschien is dat wel zo. Want hij wil op zijn eerste dag geen model 9.

Miguel
5 0
Tip

Buitenverblijf

Voorzichtig maakte ze het gat groter, de regen en smeltende sneeuw van de afgelopen veertien dagen hadden het een beetje doen inzakken. Dan strooide ze er een  handvol verse potgrond in. Haar hart klopte een beetje sneller dan gewoonlijk. Het was haar eerste keer sinds jaren, en haar eerste keer alleen. Het gat bleef er koud en ongastvrij uitzien. Maar het moest nu, nog wachten kon niet. ‘Binnenpakken, maar nooit langer dan veertien dagen!’ Elk jaar opnieuw had haar vader dat verkondigd, met grote stelligheid. En telkens had ze zo genoten van de warme gulheid van het binnenpakken, en zo moeten vechten tegen het kille schuldgevoel bij het terug buitenzetten.  Ze veegde haar haar uit haar gezicht, voelde de natte modder op haar wang. Toen keek ze naar de boom naast haar. Hier en daar blonk nog een dun sliertje engelenhaar, daar moest ze om glimlachen. Ze voelde voorzichtig in haar jaszak. Ze had een onbreekbare uitgekozen, maar toch. Ze deed haar handschoenen weer aan, ze was van kindsbeen allergisch aan naaldenprikken. ‘Heb je handschoenen aan? Anders krijg je weer van die vieze bulten. Tot op je schouder zaten die, gewoon door de top vast te houden, dat heb ik nooit verstaan!’ Ze had het hem nooit uitgelegd. Het binnenhalen en terugplanten was iets van hen beiden, maar dat andere, dat was tussen haar en de bomen. Ze haalde diep adem en tilde de boom in het gat. Kon een boom onthouden, vergeten, bang zijn? Zou hij de plaats herkennen? ’t Was geen slechte plaats, gewoon het verste hoekje van haar nieuwe voorstadstuin. Beschut en eigenlijk wel gezellig, het had niets van de onherbergzaamheid van het bos uit haar jeugd, dat koppig in haar gedachten schemerde. En toch. Fantasie haalde het altijd van de realiteit, zelfs toen. Ze hadden de boompjes uit de bosrand gehaald, vlakbij een vriendelijk open veld, maar zij had alleen de sprookjesachtige donkerte verderop gezien, en zich nooit kunnen voorstellen dat ze daar gelukkig groeiden. Ze gooide het gat terug dicht, stampte de aarde goed aan en gaf water.  Dan nam ze de kerstbal uit haar jaszak en stak hem diep tussen de takken, tot helemaal tegen de stam.  “Zo ben je niet alleen”, fluisterde ze, en draaide zich snel om. Soms vroeg ze zich af of iemand ze ooit zou opmerken, die zeven ondertussen volwassen dennen aan de rand van een ver donker bos, met elk een kerstbal in hun hart. 

Janna Herremans
126 7

Brooddronken hoofdstuk 15

15   ‘Eruit! Stom schijtwijf!’ Het getier weergalmt door de gang. ‘En neem uwen brol ook maar terug mee!’ Een gebakje vliegt door de open deur van de kamer en kwakt tegen het raam van de gang. Het druipt langs de ruit tot achter de radiator. Een jonge vrouw in een wit uniform loopt snikkend weg, tot consternatie van haar collega’s. ‘Hij weer?’ vraagt iemand terwijl ze voorbijsnelt.   Wie zegt nooit een mens gezien te hebben die quasi volledig uit vierkanten bestaat, heeft Jules Sabbe nooit gekend. Alles aan hem is vierkant. Zijn postuur, zijn hoofd, tot de randen van zijn brilmontuur en het patroon op zijn hemden en zijn bretellen. Zijn tanden, echt of vals, want een Sabbe praat niet over zijn gezondheid, zijn opvallend vierkant. Het lijkt alsof hij een slecht gebouwd Lego-mannetje is. Helaas voor het verzorgend personeel van WZC de Korenbloem is hij maar al te echt. De meest nors uitziende verzorgende wordt er op afgestuurd. Zulma, een blok beton in een verpleegstersuniform, laat niet met zich sollen. Zelfs niet door Jules. Ze duwt met veel geweld de deur volledig open, zodat de klink zich begraaft in het gat in de muur, achtergelaten door eerdere incidenten. ‘Awel?’ brult ze. ‘Awel wat?’ antwoordt Jules. De twee zijn aan elkaar gewaagd. Het is als een stierengevecht, al lijkt het niet duidelijk wie de stier en wie de toreador is. Zulma briest. ‘Was dat nu nodig, zo tieren op dat meiske?’ Ze staat bijna boven Jules gebogen. ‘Moet ge er ook een beetje hebben misschien?’ Jules heft zijn vierkante vuist op. ‘Ik zou maar heel wat minder van mijnen tak maken,’ zegt Zulma, ‘het zou maar eens kunnen zijn dat ik een weekje mijn vaste dienst afgeef om keukendienst te doen. Ik heb nog wat laxeermiddel thuis staan. Het zou jammer zijn als…’ De vuist gaat weer naar beneden. ‘En wilt ge nu eens zeggen waar dat drama voor nodig was?’ ‘Die geit zit godverdomme mij te behandelen als een klein kind. Of ik nog een taartje moet hebben, mijn beddeke moet gemaakt worden, ik moet mijn slufferkes aandoen, enzovoort. Godverdomme, ik heb de Duitsers nog op de riek gestoken. Ik!’ ‘Ja zeg, we zijn dat ook opgelegd van boven, hé.’ ‘En dan komt dat wijf aanzetten met een merveilleuxke met een stukske kiwi op. Ik mag geen kiwi.’ Zulma zucht. ‘En dat kunt ge niet op een normale manier zeggen?’ ‘Ik moet juist niets. Straks komt mijn kleinzoon mij halen. Ga ik misschien eens deftig eten hebben, ook al zal het vast wel keun of kieken zijn. Het gaat in elk geval beter zijn dan de stront die ik hier moet vreten.’ ‘Dat uw kleinzoon maar gauw komt, dat ge hier weg zijt.’

Miguel
2 0

Brooddronken hoofdstuk 14

14   Ondertussen is in de Schaekenstraat wat verderop – een heel stuk verderop – Marjolein begonnen aan de voorbereiding van het kerstdiner. Dat betekent dat de zware eiken tafel die eerst nog in de lengte stond, vergeleken met het aanrecht, nu aan datzelfde aanrecht moet staan, zodat de kabel van de fonduepot lang genoeg is om tot aan de tafel te geraken. Marjolein heeft moeite om de eiken tafel op te heffen. De deurbel gaat. Maurits de kat springt van de tafel en spurt naar de zetel. Als er bezoek is, wil hij altijd het beste plekje. De deurbel gaat opnieuw. ‘Ja, ja, ik kom,’ roept Marjolein. De kans dat de persoon aan de deur het heeft gehoord, is erg groot, daar de muren flinterdun zijn en van bedenkelijke kwaliteit. Marjolein wandelt door de gang en opent de deur. In het deurgat staat haar oudste zoon Billy. Ze omhelst hem innig, het is anderhalf jaar geleden dat ze elkaar nog gezien hebben. Billy ziet er uit als de academische versie van Jimmy. Hetzelfde sluike haar, een toch wel minder pokdalig gezicht dan zijn broer en een bril met overdreven grote ronde glazen. Een quasi rond gezicht, net als zijn broer en konijnentanden. Reginald heeft al dikwijls de grap gemaakt dat Marjolein de konijnen geen eten mocht geven omdat de rammelaar al één kind met haar had gemaakt. Toch was ook voorzien van de typische Sabbe-trekken, zodat Reginald niet kon ontkennen minstens één hand in zijn creatie te hebben gehad. De Droopy-ogen en de neus die op weg is een knobbelneus te worden zijn alweer een stuk prominenter aanwezig dan de vorige keer dat Marjolein hem zag. Billy, misschien nog meer dan Jimmy, was op weg om een evenbeeld van zijn vader te worden. ‘Is uw vriendin niet mee, jongen? Maar waar zijn mijn manieren, kom binnen, kom binnen.’ De gang blijkt te smal voor twee toch redelijk corpulente mensen en zo gaat Marjolein voorop. ‘Ge zijt als van den hemel gezonden, jongen. Ik moet die tafel nog tegen de watersteen krijgen.’ ‘Kunt ge dat aan pa niet vragen,’ vraagt Billy, terwijl hij plaats neemt aan één kant van de tafel. ‘Uw vader…’ zegt Marjolein. ‘Juist, vergeten. Hoe is het met Jimmy? Ik hoor hem zo weinig?’ ‘Jimmy is nu vandaag bezig aan zijn eerste dag in De Post,’ antwoordt Marjolein. ‘Ik vraag me af hoe lang hij het zal volhouden.’ Billy heft de tafel op, naar de instructies van zijn moeder, die aan de andere kant hetzelfde doet. ‘Maar waar is uw vriendin, kwam die niet mee?’ vraagt Marjolein. ‘Ja, maar ze zit nu nog in Gent. Ik moet er straks achter gaan. Mag ik de Lada gebruiken daarvoor?’ Marjolein zucht terwijl ze de laatste aanpassingen doet om de tafel zo recht mogelijk te laten aansluiten aan het aanrecht. ‘Manneke, ge weet dat uwe pa u nooit met zijn Lada gaat laten rijden.’ Billy denkt even na. Zijn specifieke denk-tic speelt weer op. Hij duwt zijn mond naar de linkerkant. Marjolein kent dit. Rechts is leugen en links is denken. Al van toen hij klein was, was dat zo. ‘Rookt hij nog altijd Camels?’ ‘Ja.’ ‘Ik ga hem een slof Camels kopen dan. Voor zijne kerstdag.’ Billy grist de sleutels van de Lada van het haakje aan de muur in de gang. ‘Hebt gij nog iets nodig, ma?’ ‘Neen, jongen.’ ‘Oké.’ ‘Of wacht. Uwe pa heeft gisteren nog een kieken geplukt en geslacht omdat ik denk dat we met een keun te weinig gaan hebben. Breng nog een potje kipkruiden mee.’ ‘Oké. Tot straks!’   Wanneer Billy het huis verlaat, botst hij tegen een gesluierde vrouw op. Hij herkent haar als Habiba, de buurvrouw van in de Groeningekaai zelf. Hun tuinen grenzen aan elkaar. Met brede glimlach zwaait ze naar hem. ‘Oh, dag Habiba,’ roept hij uit. ‘Dag Billy! Blij dat je terug bent. Is het maar voor even?’ Billy draait zich om met zijn handen in zijn zakken. ‘Ja, kerstavond en zo. Ge kent dat hé. Voor onze pa zou ik het niet doen, maar ons ma staat er op, met dat ik vorig jaar niet afgekomen ben.’ ‘Uwe pa is speciale man. Zeg, hebben jullie onze huiskip niet gezien? Hamza en ik zoeken er al een hele dag naar. Hakim is troosteloos.’ ‘Ja, Habiba, hoe is dat met Hakim? Hoe oud is die nu?’ Billy voelt al nattigheid maar kan het niet opbrengen dat hij wellicht exact weet waar de kip zich bevindt. ‘Ah, zes jaar hé, hij wordt een flinke jongen.’ ‘Tof om dat te horen. En de andere kinderen?’ ‘Omar gaat nu naar het middelbaar. Hij mist de tijd dat jullie ballen naar elkaar overgooiden.’ ‘Ja, vanuit Gent gaat dat moeilijk he.’ Billy lacht. ‘En Yasmine, die gaat nu naar het conservatorium. Trompet leren.’ ‘Wat had ik graag gehad dat het viool was. Onze pa zou zot komen.’ ‘Uwe pa is geen slechte mens, hoor. Als hij er niet was, toen…’ ‘Ja, dat is waar. Maar soms vraag ik mij af hoeveel kwaad een mens kan doen tot zijn positieve karma weer is uitgewerkt. Maar ik moet nu wel door. Tegen dat ik de Lada aan de praat gekregen heb, zal mijn vriendin in het station aangekomen zijn.’ ‘Het was fijn je nog eens gezien te hebben, Billy.’ ‘Insgelijks, Habiba. Doe de groetjes aan Hamza en de kinderen.’ Ze zwaaien elkaar vaarwel en Billy kruipt in de Lada, die stinkt naar de drank en de sigaretten. ‘Arme Habiba,’ zegt hij tot zichzelf, ‘toch nog geen kwaad woord kunnen horen over onze pa. Nu ja.’ Hij start de auto en na een paar minuten wachten draait hij de sleutel over. Luid protesterend, de uitlaat is nog steeds niet gefikst, komt de Lada tot leven en rijdt Billy richting het station van Kortrijk.

Miguel
4 1

Eindelijk

Eindelijk; het is gezegd. Ik ga bij je weg. De manier waarop ik het je vertelde is geen doen. Daar ben je nu nog niet mee bezig, maar binnenkort en voor lange tijd zie ik het je vertellen op café met ogen en mond wijd open om het op te blazen bij je vrienden en je vuisten op tafel daverend dat het bier uit de glazen klutst.  Als weerwoord op de roddels die mij te beurt zullen vallen zal ik zeggen dat er geen goed moment is om zoiets te doen. Dat geloof ik natuurlijk zelf niet. Je nodigt iemand uit tot een gesprek hiervoor en je vertelt het voluit, zonder omwegen en zonder verbloeming, doch met enig medeleven voor de pijn die je veroorzaakt. Dat weet ik zonder medicatie ook wel. Maar om duidelijk te maken dat ik gek word bij jou kon een rechtschapen gesprek geen duiding brengen. Mensen geloven geen woorden tot er strijdlustige emoties uit barsten. Zelfs jij niet.  Dat ik tot het einde der tijden de grootste liefde voor je zal hebben, heb ik ook niet gezegd. Je zou niet begrijpen dat ik toch bij je weg moet.  Ik had tien jaar eerder al bij je weg kunnen gaan om dezelfde reden. Maar ik was zo moe, en ik kon even goed bij jou de roes van mijn leven uitslapen. Jij leek sowieso al altijd ergens van te moeten bekomen.  Nu zit ik hier opgesloten in kamer 403, met een helder uitzicht over alles waar ik altijd had kunnen zijn, maar blind voor was door jou. Ik heb altijd mijn rug gekeerd naar alles wat binnen handbereik was, om mijn focus op ons te richten. Ik wil leren wat het is om alleen te zijn. Om te moeten zoeken en de dingen rond mij te zien. Ze moeten mij zeggen wie ik ben. Of wie ik was, voor ik jou was.   

Fanny Wildemeersch
51 1

Newborn

Ik voel het aan de diepe druk op mijn borst. Alles schuift. De wereld onttrekt zich van onder mijn voeten. Ongeacht hoe snel ik ren. En ik kan snel rennen. Tien weken ver in mijn marathonschema haal ik mijn beste tijden ooit. Strava-records aan diggelen, week na week. Maar nu niet. Deze race tegen niet alleen mezelf kan ik onmogelijk winnen; wil ik niet winnen. ‘Als je nu niet springt, ben je verloren’, hoor ik mijn vader me toeschreeuwen. Vijf meter nog. Van het einde van de trap tot de deuropening van de trein. Ik richt mijn grauwe blik op mijn vaders bloedblauwe ogen. Twee loden koffers onder mijn armen trekken me terug. Ik los mijn laatste adem en spring niet. De trein trekt zich op gang onder een piepend geluid van sluitende deuren. Vanop het perron zie ik huizenhoge vlammen de lucht in schieten. Dikke korrels as vallen als regendruppels neer. Ik duizel bij het zicht van de brandende gebouwen. Het vuur ontneemt alle zuurstof die de stad me geeft.                                                                          ***   In zwart geblakerde met donkere as bekladde kleren banen we ons een weg doorheen de mensenstroom. De heuvelrug op. Studentenresidentie Holleberg ligt binnen ons bereik. Hoe dichter we schuiven hoe benauwder we het krijgen. De kale beuken langs de weg drammen luidkeels: ‘de residentie is bezet, dit heeft geen zin!’ Schouders duwen. Een bitse ellenboog prikt Jarik in de zij. Hij wankelt en zet een stap terug. De mensenrij zwiept.  -‘Verdomme, klootzak’, schreeuwt Adina hem toe, ‘je vertrappelt mij’. -‘Fuck off bitch, aan jouw kant is nog plaats, zie je dat niet?’, een sneer scherper dan de steek van een schorpioen.  -‘Jij godverdomse vuile klootzak van anderhalve meter benen! Nog één woord en ik vermoord je!’ Haar Balkan bloed kolkt. Donkerrode wangen gloeien als een vuurtoren onder haar zwarte kap. ‘Echt waar, kerel, ik vermoord je. De hele dag loop je te zeiken als een zieke giraf, terwijl je veilig boven iedereen uittorent. Heb je enig idee hoe het voor mij voelt om met minipassen tussen reuzen van mensen te trappelen en te blijven ademen?’ De mensenmassa zwelt aan. Met vuisten, ellenbogen en venijnige kniestoten stuwt de achterste rij de mensen voor zich steeds hoger de heuvelrug op. Nog dertig meter tot de top waar de gelukkigen één voor één als door een trechterhals het residentiekamp binnendruppelen.  Jarik verliest alle rust. Met een impulsieve ruk draait hij zich om en duwt het meisje dat achter hem loopt terug. Een golfslag spoelt door de mensenzee. Geraas en gevloek weerkaatst door de bladerloze bomen. Voeten, benen, armen, hoofden strompelen. Maar Jarik heeft daar geen oog voor. Hij draait een kwartslag en valt Adina frontaal aan: -‘Wat is jouw probleem? Je kan toch overal onderdoor? Als jij wat meer lef had, kon je Holleberg al binnen zijn. Je had ons alle drie al kunnen aanmelden. Maar nee, de tamme muis in jou houdt zich weer gedeisd, zoals steeds, jouw hele laffe leven lang!’ Het leven draait als een aardbol om Adina heen. Beelden van rauwe executies en haar negenjarige vlucht door de bossen van Macedonië doemen op. Haar ogen worden duister. Het geknetter van de opdringerige massa weerklinkt als een salvo. Ik werp me tussen Adina en Jarik in.  -‘Nu niet, dit is niet het moment! Nog twintig meter. De poort is nabij.’ Ik grijp Adina bij de arm en stop Jarik een koffer toe. -‘Hup giraf, draai jouw lange nek en gebruik jouw slanke poten. En vooral, hou je stomme kop. Je hebt nog een heel leven om te praten.’                                                                          ***   Het water wast het vijf dagen brandende vuur weg. Grijsgrauwe wolken stromen onophoudelijk. Dag na nacht. Eerst slaan ze de oplaaiende haarden neer. Vervolgens sissen ze de smeulende korven in de ondergrondse holtes van de vallei. Vogels zwijgen. Het vocht van dikke druppels heerst over de lucht. Het sussende water drijft de uitgeputte vluchtelingen van Holleberg in een diepe regenslaap. Als opgerolde makrelen rusten we met acht tot tien personen in te kleine barakken, in stapelbedden en op de vloer bedekte matrassen, langs elkaars warme lijven, verstrengeld in andermans ledematen.  Na vijf dagen oeverloos stromen rijst het water voet per voet op uit de vallei. Het vult de vlakten, overspoelt de wegen en sijpelt langs spleten en kieren de huizen in. Wanneer het geruisloos zacht de barakken binnenglijdt, doordringt het de lakens en matrassen. Rimpelloos strijkt het over onze lichamen. De natte stralen door mijn haren maken me wakker. Ik draai door het water, eerst langzaam en nadien meer zelfbewust. Met de plotse slag van een stevige staart stuw ik me naar boven. Ik sper mijn kleine ogen open en zie mezelf zwemmen tussen kolkende kamerobjecten. Het licht onder water geeft mijn bruine vacht een rossige aanschijn. Ik aanschouw mijn korte poten en duw mezelf af. Door mijn zwemvliezen te kantelen zet ik koers richting de deur. Met mijn voorste klauwen probeer ik de klink te omklemmen, maar mijn onhandige greep mist zijn doel. Ik maak omslag, doorklief de besloten kamer en bereid mezelf voor op een herlancering. Met gesloten ogen stouw ik mijn stompe kop opnieuw naar de deur. Ik plant mijn kromme nagels in het houten blad en knaag me een weg naar buiten. Vooraleer ik het gat doorkruis, maak ik nog één diepe sprong naar de kluis. Onder het linker stapelbed ontfutsel ik het cijferslot en grijp twee koffers. Terwijl ik opwaarts zwem, ontwaak ik met mijn staart zeven soortgenoten. Eén voor één zwemmen ze me achterna, de te herbouwen vrijheid tegemoet.                                                                            ***                                                                                 Boven op de brug voel ik de droge lucht tegen mijn slapen drukken. In strijd met de wind houden de sluitspelden mijn borstnummer strak gespannen. Ik maal stevige passen. ‘Eén meter tien centimeter per stap’, hoor ik mijn coach roepen. In duikvlucht naar beneden haal ik dit moeiteloos. Straks als de weg oploopt, wordt andere koek. Eén meter tien centimeter is de helft van de paslengte van Mo Farah. Een giraf op snelheid haalt vier meter vijftig centimeter. De Pristina-marathon is een boemerang. Over de brug ontloop ik de stad waarheen ik straks terugkeren zal. Hoge Sovjetblokken slinken achter mijn rug. Ik zak en zak. Lager Miradi. Adina laat Jariks hand los. Met een ruk wentelt hij de rode carrousel rond. Haar gestreepte broekkousen gieren van plezier.  Een hemels gewelf van groene bladeren draait om haar heen. Slag om slag kantelt de tijd. Bij het binnendringen van het park verzetten mijn benen zich tegen een oplopende strook. Ik probeer tred te houden. Het steile, glibberige bospad slaat de trossen lopers genadeloos uiteen. Op de top zie ik het spandoek 'Miragona - 21 km'. Miragona is het keerpunt. Aan haar moeders hand nadert Adina de ronkende bussen. Ze draagt een plastiekzak met fruitsap en vanillekoekjes. Om haar schouders hangt haar schooltas met een pyjama, een tandenborstel en een dikke trui. Zware armen tillen haar in een stofblauwe stoel. Bedwelmd door de muziek van een halfzachte radio verzinkt ze in een donkere slaap. Miragona, het panorama waar ze Jarik voor tien jaar uit het zicht verloor. Ik lig achter op mijn tijd. Twee uren zijn verstreken wanneer ik in een u-bocht rond de nieuwe, in baksteen opgerichte wooneenheden keer. Jonge gezinnen juichen me toe met spandoeken en ballonnen. ‘Nog één keer dezelfde afstand, maar dan andersom’, schreeuwt iemand uit het publiek. Een race naar het begin. De najaarszon begeleidt me weemoedig door de stilzwijgende bossen naar beneden. Ik kruis achterop geslagen lopers. Hijgend. Verdreven door het startschot. Wanneer ik de voet van de heuvel bereik, ligt Lager Miradi er verlaten bij. Ik passeer langs stille huizen een verre metgezel achterna. Jariks ouderlijk huis toornt boven het lege marktplein uit. In omgekeerde richting laat de vier verdiepingen tellende Ottomaanse bouw een versterkende indruk na. Ik verbeeld me hoe hij en zijn vier zussen een speelse ziel door de met tapijten en lage banken ingeklede ruimtes jaagden. Een vervlogen thuis die hij na zijn vlucht nooit meer betrad. De kilometers schuiven steeds trager onder mijn zolen. Mijn benen lopen vol bij het naderen van de brug. Met stroeve steken rijg ik me een weg naar boven. ‘Komaan, nog vijf kilometer!’ Jariks krijgersstem weergalmt door mijn hoofd. Ik werp mijn blik naar rechts, maar mis hun gezicht. In een stroom van gedachten baan ik mij een weg door de tijd die me nog rest. Ik zie Adina voor me liggen in de zetel. Een studentenkamer, half lege glazen en een uitpuilende asbak. Een mars van jonge Albanese studenten. Ze laten hun vlag niet los. Jarik lacht in de lens. Doorheen een muur van pijn heffen mijn benen mij naar de finishlijn. De eindeloos lange Moeder Theresa Boulevard. Zwarte dubbelkoppige adelaars op een rood schild wapperend in de wind. Langs de fris opschietende betonnen skyline hijs ik me naar het centrale plein waar de groeiende stad haar naam met een nieuwe slogan in grote blokletters eert: NEWBORN. Fototoestellen flitsen. Een zingende menigte viert onze terugkomst. Ik laat mijn armen zakken. Achter mij joelt mijn vader: ‘knap gedaan, de aanhouder wint!’ Ik kijk hem aan. Hij lacht en omhelst me. Dan stopt hij mij twee koffers toe. Ik knik zwijgzaam en knijp mijn ogen dicht. Blindelings laat ik me door het feestgedruis naar de kleedkamers leiden. Ik leg de koffers op de bank en knoop mijn schoenen los. Stuk voor stuk trek ik mijn zout bezwete kleren uit. Mijn naakte voeten raken de kille vloer. Ik kniel voor de bank en klik de sloten open. Uit elke koffer lichten vier staarten op. Ze klappen op en neer, en verdwijnen in het water dat overvloedig uit de stromende kranen klotst.     

Roger Martin
6 1

Een geval van snoesteren

Op oudejaarsdag heb ik de traditie om samen met onze mannen in de namiddag naar het oudste café van het dorp te trekken. We zwaaien daar het afgelopen jaar uit. Zeg maar een evaluatie van het afgelopen jaar, al klinkt dat wat serieus voor de zever die er verteld wordt. Ik herken hem meteen als we de deur van het café opendoen. We zetten ons aan het tafeltje naast hem. “Dag Mark”, zeg ik. Hij kijkt op van zijn krant. Hij moet precies even nadenken maar dan herkent hij me toch. Ook al is het meer dan 20 jaar geleden dat we elkaar hebben gezien. Na zijn studie voor tolk is hij in Brussel gebleven. Hij is een van de vele ‘Marken’ van onze generatie. Samen met de Dirken, de Patricks, de Eriken en de Rudi’s. In elke familie waren ze vertegenwoordigd. Of een Johan, Luc, Bart, Gert, Tom, Geert, Ronny en Peter. Alsof er geen andere namen bestonden. “Ik ben bij mijn ouders voor het weekend”, zegt hij. “Vanavond en morgen vieren we samen nieuwjaar. De kinderen zijn er ook bij. Mijn vrouw is samen met ons ma met het eten bezig. Ik dacht: ik kom even tot hier. Dat is lang geleden.” Het laatste woord kan hij maar amper uitspreken. Hij laat een luide hoest horen, waarbij hij een paar keer naar adem moet happen. Ik moet hem zelfs op zijn rug kloppen. “Gaat het?”, vraag ik. Ik laat hem eerst rustig uithoesten en vraag het dan nog eens. “Jawel, ça va wel. Het is alleen een duidelijk geval van snoesteren.” Ik kijk wat hij voor zich op het tafeltje heeft staan. Maar het is toch een koffie. “Een geval van wat?”, zeg ik. “Je hebt me goed gehoord”, zegt hij. “Een geval van snoesteren. Wacht, ik ga je het allemaal vertellen, maar we gaan eerst iets drinken.” Hij zwaait naar de waardin. “Hebben jullie Guinness stout?” vraagt hij aan de waardin die ondertussen aan zijn tafel staat. Ik waan me even in het boek ‘Lijmen/Het Been’ van Willem Elsschot, waarin Frans Laarmans in het begin ook een Guinness bestelt. Een moment denk ik dat hij het gaat aanvullen met ‘In Dublin gebotteld? Zonder gekheid?’ zoals Frans Laarmans in het boek van Elsschot, maar hij moet het met een andere stout doen. Ze hebben geen Guinness. Ik ben benieuwd naar zijn verhaal. Want verhalen vertellen kon hij vroeger al goed. Hij lulde zich overal uit als hij weer eens een taak niet had afgemaakt. “Het is, zoals ik dus zeg, een geval van snoesteren. Maar ik zal het hele verhaal vertellen”, steekt hij van wal. “Ik heb al een tijdje last van snurken. Alhoewel last. Het is vooral mijn vrouw die er last van heeft. Al word ik er zelf ook ooit van wakker. Dan schrik ik en denk ik dat er iemand in de kamer zit. Maar het was echt geen doen. Ik ging regelmatig in de kamer van onze jongste slapen. Die blijft vaak bij zijn vriendin. Maar ook daar was het niet beter. We moesten de deuren dichthouden en dan ging mijn gesnurk nog overal doorheen. Bijna door de geluidsmuur.” Hierna laat hij een lach en een luide hoest horen. Na een slok van zijn stout gaat hij verder. “Afijn, ik heb dus een afspraak gemaakt met het ziekenhuis. Voor een apneutest. Heb je dat ooit gedaan? Ze hangen je vol draadjes, niet normaal. Ze testen de hele nacht hoe je slaapt en hoe je ademhaalt. Wacht, ik laat je een foto zien.” Hij haalt zijn telefoontoestel uit zijn jas en vindt snel de foto die hij bedoelt. “Hier, moet je kijken”, zegt hij. Het lijkt inderdaad op een afbeelding uit een sciencefictionfilm waarbij een robot op de operatietafel ligt. Je ziet door de draadjes en buisjes amper zijn gezicht. “Maar het is op niets uitgedraaid. Geen sporen van apneu. Dus ik ben dan maar terug naar de huisdokter gegaan. Dat was begin deze week. Hij had al snel een diagnose klaar. ‘Het is duidelijk een geval van snoesteren’, zei hij dus. Ik keek net zoals jij daarnet. ‘Een geval van wat?’, zei ik. ‘Een geval van snoesteren’, herhaalde hij. ‘Dat is een combinatie van snurken, hoesten en snotteren. Snoesteren dus. Wegens die zware bronchitis die je hebt. Daar moet je eerst van af. Dan zal het snurken ook wel minderen.’ “Het is dus geen echt woord?”, vraag ik. “Tja, dat weet ik niet. In de dokterswereld misschien wel. Ofwel zegt hij het zo. Het is nogal een flapuit, die dokter van mij. Ik heb het niet gevraagd. Maar ik heb het thuis wel zo tegen mijn vrouw verteld. Ik kwam binnen en ze vroeg meteen hoe het bij de dokter was. ‘Tja’, zei ik. ‘Ik heb de ziekte van snoesteren.’ ‘Welke ziekte?’ zei ze. ‘De ziekte van wie? Snoesteren?’ “Ik schrok er zelf van toen ze het herhaalde. Door ‘de ziekte van snoesteren’ te zeggen in plaats van ‘een geval val snoesteren’ klinkt het behoorlijk serieus. Mijn vrouw was meteen bezorgd. Ze heeft het ook niet opgezocht op het internet. En het goede nieuws? Sindsdien slaap ik terug in ons bed. Ze verwent me, niet normaal. Gisteren heeft ze een stuk chateaubriand van 500 gram gebakken. Met champignons, frietjes en een flesje rode wijn. Geweldig lekker.” “Dat is zeker niet bevorderlijk voor al dat snoesteren”, zeg ik. Mark moet lachen en laat nog een luide hoest horen.

Rudi Lavreysen
26 1

Eenzaamheid

Het is snikheet, maar ik voel koude rillingen, sta aan de grond genageld, ik verstijf nu ik hem zie. Vijf jaar lang deelden wij lief, leed en bed, maar toen was het voorbij. Zonder boe of bah verdween Bernard met de noorderzon. Ik had er het raden naar wat er fout was gelopen. Gelukkig kregen wij nooit kinderen, wat volgens hem alleen aan mij lag. Hij had geen probleem met zijn voortplantingsorgaan, maar in nakomelingen was hij niet geïnteresseerd. Vermits er geen huwelijk was, moest er ook niet gescheiden worden. De weinige spullen die van hem waren en die hij zondermeer achterliet heb ik door de kringloopwinkel laten ophalen. De huurovereenkomst van het appartement en het gros van de meubels en toestellen kon ik door een bevriend paar laten overnemen. Met twee volle koffers persoonlijke bezittingen trok ik in bij vader die inmiddels weduwnaar was geworden. De ouderlijke woonst was sowieso te ruim voor hem alleen. “Ik vind dat je er dringend  tussenuit moet”, zegt Pa. “Kijk, ik heb voor jouw verjaardag een reisje naar Portugal geboekt. Lissabon, daar hou je toch zo van?” Lissabon, inderdaad, Bernard en ik, hoe dikwijls struinden wij niet door  ‘onze witte stad’. Nu dwaal ik hier moederziel alleen en uitgerekend hem loop ik tegen het lijf. Hij is niet alleen, er loopt een beeldschone vrouw naast hem. Ik schat haar rond de dertig. Aan haar hand loopt een knulletje met pikzwarte haren. Ze stappen op tram 28. Ik weet niet wat mij bezielt, spring op dezelfde tram. Mijn zonnebril en strooien hoed houd ik op, ik wil niet herkend worden. Na de tramrit gaat het naar een brasserie. Ik geneer mij, voel mij als een stalker maar zet mij toch in hun buurt op het terras. Even ben ik afgeleid wanneer de ober mijn bestelling opneemt. Als ik terug hun richting uitkijk is het jongetje verdwenen. Plots staat het joch aan mijn tafel. Ik verstijf een tweede keer vandaag. Hij kijkt mij aan met twee helderblauwe kijkers. Ik herken dit blauw. Die ogen van dit kind, van zijn kind, van hun kind.“Bent u alleen?” vraagt de jongen. “Ik merk aan de tekst op uw tas dat u van Antwerpen komt. Ik spreek een beetje Nederlands.”“Hoe heet jij?”“Pablo, mijn mama heet Bernarda en mijn papa Bernardo, grappig hè?”“Hoe oud ben je?”“Ik ben negen.”De ober is er.De jongen keert terug naar zijn ouders, die druk met elkaar in de weer zijn. “Dag mevrouw. Nog een prettige dag.”“Dag Pablo,... dag lieve Pablo.”Ik moet hier weg, drink mijn koffie en haast mij naar buiten. Aan de uitgang kijk ik nog even achterom. Pablo wijst mij na. Ik verdwijn snel in de menigte. Uit een fadokroeg klinkt de stem van Amália Rodrigues: Triste amor, o amor de alguém, quando outro amor se tem abandonado…Ik ken dit  lied Solidão van buiten: ‘…Trieste liefde, liefde van iemand in de steek gelaten door een andere liefde…’

Vic de Bourg
13 3

Naar huis

Angst is er omdat we niet willen voelen. Ik moet voelen, niet wegredeneren, zegt mama. En praten. I. Mijn uitwisseling zit erop. Op de trein van Londen naar België lees ik een boek over een auteur die op zoek is naar zichzelf. Op een bepaald moment neemt ze een interview af met een invloedrijke vrouwelijke auteur die haar duidelijk een beetje intimideert. De dame is van een andere generatie en vertelt haar dat het ik-perspectief het meest angstaanjagendste is wat er kan zijn. De zin weerklinkt in mijn lichaam. Ik las onlangs in een oud fragment van mijn dagboek dat  angst sijpelt in elke spleet van mijn bestaan.  Ondertussen vind ik het wat overdreven, maar toch. Daarbij staat er nog iets anders in dat boek. Of ja, het staat er niet expliciet in, maar zo lazen we het in onze les moderne literatuur. De auteur, het hoofdpersonage, heeft een soort affaire met een andere auteur tijdens een of andere schrijversresidentie op een warm eiland. Dat snap ik wel, ik heb ook een avontuurtje gehad hier en daar afgelopen zomer. De warmte hitst mensen op en een heleboel auteurs vinden dat best spannend. De scene in het boek ging ongeveer zo: Vrouw zit met man aan een gezellig terrastafeltje, lekker warm, lekker spannend. Ik ruik de man en zijn borsthaar door de gedrukte letters heen, maar dat ligt misschien aan mij. Zijn indringende adem. Trappist, look, sigaret. Veel te geruststellend. Ik voel zijn warme, stevige, dertig jaar-oude kuiten tegen de mijne aanwrijven en het voelt erg fout. Maar voor de protagonist voelt het natuurlijk niet fout, want zij zijn een match, in leeftijd en -wereld. De man vertelt haar dat ze niet steeds in twijfel en tegelijkertijd moet schrijven. ‘Je schijft iets of je schrijft het niet.’ De man zegt haar dat ze wat minder tussen haakjes moet typen (en dan doet ze het lekker toch).  Terwijl we erover spraken in de les, wou ik ‘herkenbaar’ zuchten. Mannen (mensen) die hun ongevraagde mening geven. Nou ja, ongevraagd. Misschien vond het hoofdpersonage dat niet zo vervelend. En op de avond die mij zo innerlijk deed zuchten, had ik zelf ook eerst om zijn mening gevraagd.  II. Ik had namelijk net mijn allereerste toneelstuk ooit opgevoerd. Het kleine studententoneelgroepje was in een roes, de lente was aangebroken en we dartelden naar de Ossenmarkt. We vierden een succesvolle afloop in de grote kotkeuken van de Kwaadaardige Hertogin. De wijn maakte ons luider en luider. Hertogin, niet meer kwaadaardig, wel -in de meest positieve zin- compleet losgeslagen, stond op de tafel feilloos en met talent de choreo van Rihanna’s ‘Umbrella’ na te dansen (inclusief paraplu). Ik, Ridder, stuiterde op en neer, klapte en joelde, het was geweldig. Er werd op de deur geklopt, Regisseur Van Het Ander Stuk en zijn acteurs kwamen party crashen. Ze hadden wodka en fruitsap. De sfeer zat erin.  Ik voelde me moedig die avond en had het gevoel dat ik iets was (wat toen dus ben moest zijn). Het eerste semester was niet zo makkelijk geweest, maar ik had eindelijk wat gedichten geschreven die ik leuk vond. Het ging veel over kernen, huppen en zwieren, over stiltes en mijn lievelingen. Mijn lievelingen, mijn vrienden, waarover ik in Londen zo veel heb nagedacht. Ze hebben mij vorig academiejaar opgeraapt en verzoend met mezelf. Ik dacht aan hoe ik eigenwaarde vond in voor hen te zorgen. Aan hoe we nieuwjaar vierden op de dokken, naast de Schelde, in een roosgroene mensenmoes. En aan hoe ik hen tijdens mijn performance van het toneelstuk niet in de ogen kon kijken, omdat ik anders moest lachen. Ik dacht aan hoe ik soms een woord verzon en me dan een tovenaar voelde. Driftkikker, drijfkonijn, sloddervaar. Ik wou dat ik kon toveren. Dan was ik misschien niet zo bang.   Ik danste en danste, pakte Hertogin haar gsm en speelde ‘Diamonds’, ook van Rihanna. Zo voelden we ons: bright like a diamond. Mijn oog viel op Regisseur, met zijn gemillimeterd haar, snor en herenschoenen (wat kan er zo heer zijn aan schoenen?). Ik dacht aan het kortverhaal dat ik schreef.  ‘Ga je opnieuw een verhaal indienen voor de Studenten Literatuurprijs?’, vroeg ik.  ‘Ja. Jij?’ ‘Misschien. Ik weet het niet’, antwoordde ik. ‘Kan je eigenlijk winnen als je vorig jaar een tweede plaats hebt behaald?’  Dat was wat Regisseur vorig jaar had gedaan, een verhaal geschreven en een prijs gewonnen. Hij vroeg me waarom ik niet zou indienen. Ik zei dat ik niets had.  ‘Maar wil je dan niet schrijven?’ Hij keek verbaasd.  ‘Jawel, maar...’ Mijn wangen voelden rood en gevuld. Ik lachte en zei dat ik wil schrijven, maar niet wil schrijven. Mezelf bevestigend zei ik: ‘er zijn zo veel paden die ik wil bewandelen. Ik kan simpelweg niet al mijn tijd steken in schrijven. Ik vertoef nu eenmaal graag in tussen en tegelijkertijd.’ ‘Wauw, heel eerlijk ...’, Regisseur moest een beetje op me steunen, ‘ik wou dat ik dat ook kon. Ik kan aan niets anders denken. Ik moet schrijven. Het is een roeping. Ik kan niets anders.’ Vor een splitseconde kruisten onze blikken echt.  ‘Nou ja, voor mij is dat niet zo.’ ‘Maar weet je, Johanna’, een glimlach trok over zijn gezicht. ‘Je hebt best wel talent.’ Zijn hand gleed naar mijn middel, hij droeg gekleurde ringen en een paar vingernagels waren gelakt. Hij was een man met een plan. Ik wou dat ik kon zeggen dat ik hem had gekust -voor de spanning, weet je wel- maar ik deed het niet. Het was te nonchalant.  Of hij dit jaar weer de Studenten Literatuurprijs won, weet ik niet. Bovendien las ik nooit zijn verhaal. Alles in Antwerpen zit namelijk onder een dikke stolp. Daarboven is met dit winterweer zo een stolp eigenlijk een sneeuwbol. Ik verheerlijk het, maar toch vraag ik me af of ik naar die staat wil terugkeren. En hoe houdbaar dat zou zijn. Mijn studentenleventje, af en toe wat gedichtjes delen, koffietjes uithalen, wiet roken, shoppen en feesten. Hoe hard moet ik schudden om dat leven terug mooi te maken?  Er liggen namelijk te veel zaken onder niet-sneeuwbollen te wachten: een master kiezen, me positioneren in de maatschappij, dealen met de leefcrisis en de opwarming van de aarde, geïnformeerd stemmen, de toekomst, mijn zoetzure grootmoeder bezoeken. Ze liggen onder zo een spiegelachtige opdienstolp. Ik kan niet naar iets veilig staren, enkel naar mezelf. Ik wil ze wel opheffen, maar ze maken me bang. Het zijn onvoorspelbare stolpjes waaronder een stofzuiger is aangesloten, die mijn tijd zomaar kan opzuigen.  Plots onderbreekt een lange gebogen figuur mijn gedachtegang. Hij draagt een gekreukt, maar hemelsblauw hemd en glimlacht. De trein is een dikke tien minuten aan het rijden. ‘Je bent het dus toch aan het uitlezen.’ Het duurt even voor me. Het is mijn prof literatuur die naast me staat. Een oude man met grijs haar dat lijkt op mensen hun achtertuin tijdens Maai Mei Niet. Hij lijkt een beetje verloren. Ik ben het met die indruk eens. Hij geeft les in Londen, maar is ook een Belg. Net als ik moet hij de Noordzee over voor Kerst.  Plots ontstaan eindeloos veel mogelijkheden. Dat denk ik vaak. Hij kan nu gewoon doorwandelen. Of hij kan een ongemakkelijk, kort praatje slaan. Of net een praatje van gepaste lengte. Of erger, een uitgerekt, maar fijn maar daardoor nog ongemakkelijker praatje. Hij ploft neer in de lege stoel naast het gangpad tussen ons in. Een onvermijdelijk praatje, dus. ‘Koffie?’   III. Op kerstavond, zit ik voor oma in de mis. Ze zingt met het seniorenkoor. Het is mooi. Oma is mooi in haar sobere kerstoutfit. Ze draagt een jeans, praktische schoenen en een donkerbruine coltrui. Voor we de parking van de kerk opreden, waarschuwde ik haar dat ik doodmoe was omdat ik gisteren tot laat (vroeg, maar dat zeg je niet aan oma’s) in de kelder van het jeugdhuis had gezeten. Ze zei dat ze al vond dat ik er oud en bleek uitzag en dat ik minder decadent moest doen. De omahaartjes op haar zachte wangen maken dat ik die mondigheid incasseer, dat het omwentelt in goed ontvangen kritiek.  Het comfort van het concert doet me denken aan hoe Regisseur en ik bang waren van elkaars leefwijze. Uiteindelijk zindert een gloedgrijze kern in beide onze lichamen. Was dat wat hem betuttelend maakte, of oprecht?  Het comfort van het kerstconcert doet me denken aan het treingesprek met mijn prof. In een van de lessen hadden we het gehad over een schijnbare Bildungsroman, die op een zeer berekende manier onvoltooid bleef. Het gaat over een jonge Nederlander met een protestantse achtergrond, die theologie studeert in een Stad. Hij zit in een split tussen een religieus en seculier bestaan, tussen gemeenschap en individu.  ‘Ik moet iets opbiechten’, had ik half-grappend gezegd, aftastend naar de toon van het gesprek. Mijn prof, nu een medereiziger, lachte alsof hij wist wat er zou komen. Hij haalde een thermos boven. Daarna toverde hij een bekertje tevoorschijn, schonk wat in en gaf het aan mij.  ‘Vind je dit boek ook niet goed?’  ‘Jawel, jawel’, stamelde ik. ‘Ik wil net zeggen dat ik het ander boek, met al die e-mails en dat gekke eiland, toch goed vind.’ Ik ontweek zijn blik. Vlak voor ik antwoordde, maakte ik uit beleefdheid kort oogcontact. Ik verschrok van de heldere, jonge aard ervan.  Aarzelend vervolgde ik: ‘De wereld is een groot rek met verkoopartikelen. Dat is er mis.’ Hij nam een slok koffie en krabde in zijn zilveren kruin. Ik vroeg me af of hij kinderen had en of die kinderen er toen ze klein waren madeliefjes in staken. ‘Ik vind het boek goed omdat ik ook wil geloven. Soms grap ik daarover, dat ik gelovig ben en dat ik bid. Een keer verloor ik mijn portemonnee in de Tesco naast een metrostation en toen ik er twee uur later achter kwam, kreeg ik hem terug van een medewerker, alle cash er nog in. Toen had ik ook gebeden.’ Ik was even stil.  ‘Maar eigenlijk is dat een heel droevige grap. Ik heb waardevolle vrienden en goede ouders. Ik heb een kot en een thuis. En toch wil ik, als ik op mijn eentje ben, nog steeds dat iets de overhand neemt, een Manus Dei. Het voelt moeilijk om juist te handelen, als er zo veel meer dan mijn eigen leven van afhangt.’  Ik had mijn prof nooit een kans gegeven om te vragen of ik me eenzaam voelde. Zo een persoonlijke vraag kon hij niet luidop stellen.  Soms probeer ik mezelf gerust te stellen dat dit gevoel generatiegebonden is, we zijn met velen, ik hoef niet te spreken. Maar het tijdperk van de stem van een generatie is voorbij. We kunnen ons niet verschuilen in de massa. En tegelijkertijd heeft mijn beste vriendin ooit gezegd dat we het zo gewoon zijn om ons verloren te voelen, dat niemand het nog herkent Er klinken zo veel verschillende stemmen. Ik hoop dat het ooit uitmondt in iets polyfoons.  IV. Toen ik de Eurostar afstapte, waren er geen poortjes meer om uit te kiezen zoals in de Underground. Ik dacht aan vorig jaar, toen ik het zo moeilijk had door iets zo banaal als een break-up. Door iets zo destructief als niet-praten, alle jaren daarvoor. Ik dacht aan hoe ik mijn prof nooit meer zou spreken en ik besloot om mijn oma te bezoeken met Kerst. Ik dacht aan Regisseur, aan mijn lievelingen en aan de stem. In de wirwar van Brussel-Zuid, lichtten plots mijn moeder, zus en twee beste vriendinnen op. Een bescheiden, hartverwarmend engelenkoor. Het kleine in mij begon te wenen. Er moest iets veranderen. 

Ynys Convents
0 1

ezelbeet en de geest

5   Maar nu, al die jaren later, was een geest in een koffertje lachwekkend, of dat zou het zijn als ze niet voor een man stond die wel dubbel zo groot was als haar. Ondanks deze bijna bovennatuurlijke situatie was er maar 1 vraag die tegen de binnenkant van haar lippen bleef stoten en dat is waarom ze haar gekozen hadden. Ze had toch geen ervaring met geesten in koffertjes. Haar leven was pijnlijk eenvoudig geweest tot nu toe, en waarom zou iemand de moeite doen om daar verandering in te brengen? Er is een oneindigheid aan mensen met speciale gaven, een brein zoals een computer of spieren zo gespannen dat hun huid bijna openspringt, en Wilma behoorde tot geen één van die groepen. Het laatste wat er mocht gebeuren is mislukking, want dan zou het leven opnieuw de volle 180 graden draaien naar een onopmerkzaam en uitzichtloos bestaan.    “Wanneer u de opdracht voltooid mevrouw, krijgt u alles van ons wat u maar wilt. Een eenhoorn, knalgroene onderzeeër, een ruimteschip, elke dag kroketten voor de rest van uw leven? Alles kan, zolang het maar geen geld is.” En maar goed ook, dacht ze. Ze zou niet weten wat ze met geld zou moeten doen.  “nog vragen?” Haar vraag wilt met alle haast zijn uitweg tussen haar lippen door vinden, maar ze houdt haar kaken als verroest op elkaar gespannen. Haar angst om ondankbaar over te komen is groter dan haar nieuwsgierigheid.  “Wat voor verhalen lust de geest?” vraagt ze dan maar. “Alle verhalen die uit jezelf komen, kan hij wel smaken. Je leest best niets voor dat uit iemand anders’ brein gesponnen werd. Voor de rest maakt het weinig uit, je zal het zelf wel leren. En voor ik het vergeet, laat het kistje dicht tot wij bevelen dat het open mag.” Zijn gezicht is uitdrukkingsloos, maar niet gespannen. Het is een gezicht dat zelfs in volle ontspanning niet kwaad of opgewonden lijkt. Niet uitgeput of enthousiast. Anders dan zijn kleding was zijn gelaat compleet normaal. Zo normaal zelfs dat het er toch net weer ietsje uit sprong.     

Chloe synkineses
0 0

ezelbeet en de geest

4. Ze wist niet veel over geesten, maar het woord alleen deed haar huidoppervlakte lichtjes koelen. Haar ouders hadden haar er altijd van overtuigd dat die niet bestonden, maar als kind was ze eens meegenomen met haar grootouders naar een ander ouder koppel. Die staken een DVD van de snorkels in de speler als entertainment van de avond, maar het echte entertainment ontstond in het gesprek dat de twee koppels voerden over geesten. Het ging over een bewegend glas, verbrand leder en voorbij glijdende schimmen, wat heel wat nieuwsgierigheid opwekte voor datgene dat kinderen niet wisten en volwassenen blijkbaar wel, maar het meest verassende element voor haar was de zwijgzaamheid van haar grootvader wiens mond je normaalgezien zelfs met een klem kon dichthouden. Hij wist over alles het meeste, interessantste en daar was hij zelf nog het meeste van overtuigd. Maar nu, nu wist hij helemaal niets of net teveel. Na dat gesprek had ze maandenlang zo’n angst gehad voor geesten dat ze de slaap niet meer kon vatten en zelfs het woord niet meer durfde uitspreken, voor moest haar stem in combinatie met die 5 letters maar eens de magische spreuk zijn om de schimmen uit een ander universum naar dat van haar te brengen. “mama, ik kan niet slapen, ik ben bang voor de krokodillen”, was een verzinsel dat haar een ticket naar de kamer van haar ouders gaf. “maar kind, gij zijt nooit bang geweest, en nu opeens wel? Dat slaat toch nergens op”. Na een tijd werkte die smoes dus ook niet meer en bracht ze de nachten met opengesperde ogen onder het laken door.    Maar nu, al die jaren later, was een geest in een koffertje lachwekkend, of dat zou het zijn als ze niet voor een man stond die wel dubbel zo groot was als haar. Ondanks deze bijna bovennatuurlijke situatie was er maar 1 vraag die tegen de binnenkant van haar lippen bleef stoten en dat is waarom ze haar gekozen hadden. Ze had toch geen ervaring met geesten in koffertjes. Haar leven was pijnlijk eenvoudig geweest tot nu toe, en waarom zou iemand de moeite doen om daar verandering in te brengen? Er is een oneindigheid aan mensen met speciale gaven, een brein zoals een computer of spieren zo gespannen dat hun huid bijna openspringt, en Wilma behoorde tot geen één van die groepen. Het laatste wat er mocht gebeuren is mislukking, want dan zou het leven opnieuw de volle 180 graden draaien naar een onopmerkzaam en uitzichtloos bestaan.   

Chloe synkineses
1 0

ezelbeet en de geest

3.   Een 3-tal weken later stond ze plots weer voor mijn neus. Want ze beweegt zich alsof ze zich elke stap teleporteert naar de volgende, en deze keer belandde ze toevallig voor mij. Geen windel, pleister of ander overblijfsel van haar ezelbeet. Zoals gewoonlijk neemt ze de krant op, legt die op de tafel en blijft rechtstaan om te lezen, zodat ze moeiteloos heen en weer kan lopen om telkens een andere krant terug naar de tafel te brengen. Haar passen zijn geluidloos, maar toch lijkt het alsof ze haar voeten telkens diep de grond in duwt. Zo stevig stapt ze, alsof ze anders naar boven gaat zweven en nooit nog terug komt. Ze begint zachtjes te neurien, een liedje dat ik niet ken. Een wc-bezoek duurt altijd wel een tijdje, en soms bij sluitingstijd wacht ik daarom op haar voor ik de sleutel door de sloten van de deuren draai en naar huis ga.   Ze begint zachtjes tegen zichzelf te fluisteren. Rechtdoor is de vrouwen-wc, Rechts de mannen en links die voor gehandicapten, dat is de grootste dus daar stapt ze binnen. Ze schudt wat van de nervositeit en stapt wat rond. Het kamertje is groot genoeg om 3 stappen in elke richting te zetten, maar dan word je onderbroken door een WC en een wastafel. De spiegel breekt haar gedachtenloop en verplicht haar heel kort naar zichzelf te kijken. De tijd zuigt haar terug naar het nu en de missie die ze op dit eigenste moment hoort te volbrengen. “Maar 1 opdracht, Wilma, en dan zijt ge voor de rest van uw leven van de miserie af. Ge moet niks meer betalen, ze komen u overal met ne taxi halen” had hij beloofd. “Nee, die taxi moogt ge laten, ik rij graag met mijne fiets.” “ gij zijt toch een raar he, maarja, wat gij wilt, zolang ge uw opdracht maar volbrengt.” “Ja meneer, ik ga proberen.” “nee. Nu hebt ge mij verkeerd begrepen. Als die rat daar niet op z’n plekske beland, dan is er gene taxi, maar dan kunt ge uwe fiets ook beter wegdoen, want dan zorgen mijn mannen er wel voor dat uw korte beentjes geen stap of trap meer kunnen zetten” Moest ze nog niet zo’n ellendig leven gehad hebben, zou ze nu in tranen uitbarsten, maar ze beheerst zich, al wordt alles wat stiller, donkerder, en lijken haar organen haar langs haar benen en dan voeten te verlaten.   Even geleden, ze kan niet meer zeggen wanneer, werd er in haar kamer een brief onder de deur geschoven. Daarin werd ze verwittigd verkozen te zijn door het geheime Sinklaarse comité om een opdracht te volbrengen. Woensdag, 9 uur ’s morgens moest ze klaar staan aan de achterkant van de kerk om verdere instructies te ontvangen. “Een geheim comité?” dacht ze, “Weten die niet dat het woensdag marktdag is?”. Woensdag om half 9 stond ze klaar. Nog nooit had ze zo’n brief gekregen, nog nooit was zij persoonlijk uitgekozen, en dan wel nog door een geheim comité. Ze was geen vrouw om stil te staan, ze had grote handen en voeten, graafde daarmee graag in de grond, ging overal met de fiets naartoe, bleef zelfs rechtstaan bij het lezen, maar die woensdag bleef ze stijf staan, zo’n halve meter van de kerkmuur verwijderd. Hoe moest ze weten wanneer haar afspraak er was? En hoe kenden ze haar eigenlijk? Een belangrijke vraag die verdween in de gedachte dat ze eindelijk eens werd uitgekozen voor haar kwaliteiten, en niet uit compassie. 9.10 uur. Wanneer ze om de hoek kijkt ziet ze uit de menigte een figuur dichter en dichter komen. Het is een man minstens een 40 cm hoger dan de andere mensen op de markt, met strakke en lage, donkerbruine hoed, en donkere rubberen laarzen. In die laarzen zit een wijde broek gepropt en de kleren aan zijn bovenlichaam lijken maar wat lukraak geknoopte lappen stof. Of is dat fashion? Hij lijkt iets met zich mee te dragen in zijn linkerhand. Vreemd genoeg kijkt niemand op van zijn nogal ongewone gedaante. Maar zij, zij wordt onrustig en begint wat te giechelen, tot de man echt dichtbij komt.    “meneer” knikt ze. “Overbodige woordenuitwisseling is hier niet op zijn plek. Straight to the point. In mijn koffertje hier zit een geest. Jij zal ervoor zorgen dat die geest op de juiste plek in het stelsel terechtkomt, en dat doe je met de kaart die nu in je jaszak zit. Daarop heb ik aangeduid waar je precies moet zijn. Een maand lang ga jij wekelijks die plek bezoeken, en pas wanneer je een telefoontje van ons krijgt, laat je de geest los.”  In haar gedachten ontvouwt zich een eeuwigheid aan vragen, maar er is geen ruitme tussen de woorden van de reuzenman om ze te stellen. “In tussentijd houd je de geest in leven door hem verhalen te voeden en val je zo weining mogelijk op wanneer je de aangeduide plek gaat bezoeken. Dat is de essentie van je opdracht.”

Chloe synkineses
2 0

ezelbeet en trampoline

1. Langs de zijkanten is haar korte coupe spierwit, vanboven wordt het grijs. Haar gezicht heeft iets weg van een kleine cartoon-kikker. Of is het hij? Telkens wanneer ik haar zie draagt ze iets wat doet denken aan een motorjack, met daarover een fluovest. Ik lees “Vermarc sportswear”. Haar schoenen lijken wandelschoenen voor een wat makkelijkere ondergrond. Een te grote, rode fleece, een donkerbruine wandelboek en een bril met dunne, zwarte montuur voorkomen haar van de naaktheid. “ Ik heb een boete”. Wanneer ik denk dat er ruimte komt voor een antwoord lijmt ze een verhaal vast aan haar opmerking. “ de ezel heeft in mijn hand gebeten dus ik kon niet komen.” Ze is moeilijk te verstaan, maar ze steekt haar hand omwikkeld met wit verband in de lucht en dat gebaar maakt het iets duidelijker. Toch denk ik het verkeerd verstaan te hebben. Voor ik ernaar kan vragen ratelt ze verder; “ja, de ezel, hij heeft in mijn hand gebeten, ik heb ervan afgezien dus ik kon de boeken niet inleveren vorige week. En nu heb ik een boete. Ik was naar de ezels geweest. Ja, er had er ene mij gebeten.” Zonder nadenken glijdt “Kan gebeuren, Mevrouw” uit mijn mond. Blijkbaar kan zoiets gebeuren. Dat was meteen onze eerste ontmoeting. Ze is klein en loopt onhandig. Ik schat haar rond de 60. Na het voorval met de ezel kwam ik haar overal tegen. In de supermarkt, op de fiets door het stukje bos op weg naar huis, en natuurlijk, met een krant in haar handen aan de grote tafel in de bibliotheek, wanneer ik aan de balie zit. In het begin beschuldigde ik haar opmerkelijkheid ervan de reden te zijn dat ik haar zo vaak tegen kwam, maar later veranderde dat idee.   2. Mijn gedachten ratelen me wild vandaag. Een aantal keer probeer ik mijn ademhaling te controleren, maar het frustreert me enkel. Het doet me denken aan een ex-vriendin. Dat woord ex-vriendin gebruik ik voor het eerst en is dus met een speciale intentie. Het controleren van mijn ademhaling doet me denken aan haar trucje waarmee ze alle negativiteit omkeert tot iets positiefs, meer zelfs, ze maakt het een spirituele les. Haar trucje werkt heel erg goed en ze helpt er een hoop mensen mee, maar eens je de geheimen van de goochelaar weet is er nog maar weinig aan. Alle negatieve ideeën worden verzameld in een doosje binnenin haar lichaam. Ach, misschien leg ik het wel eens duidelijker uit, maar niet vandaag. Mijn gedachten ratelen me dus wild en mijn ademhaling controleren is niet mijn redding. Ik worstel minutenlang met het idee dat mijn bestaan alle rede op planeet aarde opslorpt, al is dat niet alleen een egocentrische, maar ook een belachelijk onnodige gedachte. Wanneer mijn innerlijke paniek zijn hoogtepunt bereikt, loopt er een jongen in een grijze jas voorbij. Ik herken zijn gezicht als de volwassen versie van het jongetje waarmee ik mijn vriendschap en liefde in de kleuterklas deelde. Hij had een fijn gezicht, met wallen onder zijn ogen, vooral als hij lachte. Hij zong elke pauze de liedjes van Cluseau met al de passie die hij bevatte, een Vlaamse groep met liedjes die geen enkele andere kleuter iets kon schelen. Het is een aantal keer voorgekomen dat hij zijn trui in de klas uitdeed en schrok van het feit dat hij zijn pyjama nog onderaan had. Eentje van spiderman, tijgertje of Mickey mouse. Ik vroeg me dan altijd af of zijn moeder hem niet hielp bij het aankleden voor school. We waren vrienden omdat hij net zoals mij altijd bij de kleinsten van de klas hoorde, en omdat we elkaar grappig vonden. Op mijn verjaardagsfeestjes nam hij jaar na jaar de nep-microfoon in handen voor een speech, waarbij vooral de volwassenen heel erg moesten lachen. Ik admireerde het dat hij middelpunt van de belangstelling op zichzelf durfde richten op plekken die niet zijn thuis waren, of de school. Nooit zou ik als kind mijn mond hebben durven opentrekken op iemands verjaardagsfeestje. Hij deed dat wel, en dus was het alsof hij voor ons twee samen praatte. Tijdens het zingen op de speelplaats sprong hij aan het einde van zijn optreden van het muurtje af en belandde met zijn hoofd recht op de koude kasseien. Hij kreeg een bult op zijn hoofd in de vorm van een planeet met wit-rozig slijm over, ik denk door het rekken van zijn huid. Hij huilde niet, maar zijn gezichtje trok wit en hij bundelde alle energie in zijn petieterig lijfje samen om zijn lip niet nog harder naar beneden te trekken. Bij andere kinderen werd ik wel eens jaloers wanneer de aandacht op hen gericht was, omdat ik dan zelf mijn tekorten ervaarde, maar bij Miko was dat nooit het geval. Ik keek er graag naar wanneer hij in het middelpunt stond. Het was als een soort toneel, dat speciaal voor mij werd opgevoerd, en het was nooit saai, tot de reden van zijn aantrekking van de aandacht veranderde. Op de lagere school zong hij en praatte hij minder. Hij was niet erg uitgelaten tijdens zijn verjaardagsfeestje in zijn ouders’ sportzaal. Vroeger kon hij uren en uren over de verschillende trampolines doorpraten en nu we er waren wou hij er niet eens op springen. Zijn zus, ging in tegenstelling tot hem, tot in de eeuwigheid door met het springen en de gymnastische oefeningen op de speelplaats. En ook later bleef ze altijd 2 gevlochten staartjes dragen met dikke gekleurde elastieken. Wanneer je haar zag, kon je je zonder moeite inbeelden hoe die staartjes recht omhoog gingen staan zoals ze dat deden bij het springen en de salto’s. Ze won Wedstrijd na wedstrijd en belandde zo op de zorgende schoot van haar ouders. Miko werd een krak in wiskunde en begon pijn in zijn hart te krijgen tijdens de lessen. Zo belde de school een aantal keer zijn ouders om hem op te halen, maar dat deden ze niet, dus bleef hij tot het einde van de schooldag zijn hand op zijn hart houden.   Een aantal jaar later veranderde hij van gedachte en besloot hij zijn ouders een laatste keer trots te maken door nog eens te springen. Dit keer zonder trampoline, van de brug die over de snelweg loopt. Minutenlang stond hij heen en weer te lopen langs de railing af te lopen tijdens spitsuur. Tientallen auto’s rijden voorbij en vragen zich niet af waarom deze jonge, tengere gedaante loopt te ijsberen op de brug. Of ze vragen het zich wel af, maar niet hard genoeg om het te vragen. Hij wordt eerst geraakt door een vrachtwagen, en daarna omver gereden door een zwarte wagen. De inwoners van het dorp weten er niets anders op te vinden dan over de mensen heen te verspreiden hoe de jongen uiteen lag op de straat. Zijn arm zou meters verder gevonden zijn, zijn gezicht onherkenbaar. Anderen beweerden dat dat onzin was. Voor mij was dat slechts een detail.

Chloe synkineses
0 0
Tip

Brooddronken, een kerstnovelle. Geschreven in het Kortrijks omdat het zich in Kortrijk afspeelt.

1   Een boot vaart voorbij. Het rolluik van de slaapkamer kan niet meer volledig naar beneden, slechts één van de vele problemen die de woning van het gezin Sabbe, gelegen aan de Groeningekaai, heeft. Uitslapen zit er niet in. Uitslapen zit er nooit in, want Reginald Sabbe is postbode te Kortrijk. De straatlichten komen de slaapkamer binnen. De kamer wordt verlicht. Reginald ligt in zijn bed en draait zich om. Naast hem ligt Marjolein, zijn vrouw. Ze snurkt. Een verschrikkelijk zicht, als een walvis die is aangespoeld. Ooit was ze het mooiste meisje van Kortrijk en iedereen dong naar haar hand. Maar dat is lang geleden, denkt Reginald. Hij is zenuwachtig. Het is Kerstavond. Normale mensen zijn nu thuis of bereiden de eerste stappen van het feestmaal voor. Normale mensen. Maar Reginald is geen gewoon man. Hij is postbode. De ziekte is erfelijk. In de kamer naast die van Reginald en Marjolein ligt de jonge Jimmy. Negentien jaar. Kan niet meer slapen. Een grote dag, zowel voor hem als voor zijn vader. Zijn eerste dag in De Post. Het is koud in de kamer. De verwarming is wederom stuk. Het is kwart voor vier. Vroege vogels, want zo kondigde De Post de jonge hoopvolle postbodes in spé af, verlaten nu het nest. Reginald kruipt recht uit zijn bed. Hij laat een forse wind, eentje die al zat te draaien nog voor hij ging slapen. Als betoverd blijft hij staan en bewondert in de schemering de deurgrote poster die het wit van de deur moest opfleuren, in voorbije tijden, toen er nog gelachen werd in huis. Het is een boom en het blad wordt gedomineerd door het geeloranje van de bladeren met hier en daar wat staalblauw van de hemel. Hij verlaat de kamer en sluit de deur. Marjolein is werkloos, ze wordt pas wakker om tien uur ’s morgens. Stank of geen stank, licht of geen licht. Reginald gaat naar de kamer van Jimmy. Hij klopt op de deur. ‘Opstaan, lege fak,’ zegt hij. Verrassend snel staat Jimmy neus aan neus met zijn vader. Hij, een jonge kerel met een normale lichaamslengte, tegenover een oudere man die veel mee heeft van een bal. ‘Ik ben geen lege fak,’ antwoordt hij. ‘Dat gaan we gauw genoeg zien. Ge kunt maar zien dat ik geen rode kaken lijd met uw gedrag.’ ‘Dan hadt ge mij maar moeten laten verder studeren, pa.’ Ze gaan de trap af. ‘We hebben die discussie al gehad.’ ‘Een discussie is als twee mensen praten. Gij tierde er maar op los.’ ‘Uw bek dicht, of ik klop hem dicht.’ ‘Ja, pa.’ ‘Enfin, nu kost ge mij tenminste minder geld. Moet ik nu maar weer voor één iemand werken, dat vet wijf dat in haar bed ligt te stinken.’ De accordeondeur werkt weer tegen maar na wat gevloek van Reginaldswege verschaft deze toch de toegang tot de benedenverdieping.   Het tweetal zet zich aan de ontbijttafel. Niettegenstaande het Kerstavond is, is er geen versiering te bespeuren. De sfeer is bedrukt. Een simpele reftertafel die niet helemaal in balans staat wordt bedekt met het nodige om de brooddozen te vullen. ‘Doe door, Jimmy. Hoe eer we weg kunnen, hoe eer ge van onder mijn ogen zijt.’ Reginald ontsteekt een sigaret terwijl hij zijn boterhammen bereidt. Eén driehoekje Caprice des Dieux op een bedje van rijkelijk gesmeerde Planta-boter. En dat voor vijf boterhammen. Jimmy kiest voor chocopasta. Reginald schenkt zijn eerste glaasje cognac van de dag in. De fles gaat niet dicht, want hij vult er onmiddellijk nog ééntje. En nog ééntje. ‘Hier, opdrinken,’ zegt hij en hij schuift het glaasje over de tafel naar Jimmy. Zijn sigaret danst tussen zijn vergeelde tanden. ‘Da’s goed tegen de koude,’ grijnst hij, ‘we gaan eens een echte vent van u maken.’ ‘Geeft het, pa, als ik eet terwijl ge smoort?’ ‘We gaan kijken hoe lang gij het volhoudt wanneer ge op de baan moet gaan. Ik smoorde ook niet toen ik in De Post begon.’ Reginald neemt het glas terug, drinkt het zelf leeg en boert net niet luid genoeg om de rosse kat Maurits, die op de tafel ligt te slapen, wakker te maken. Hij opent de koelkast en onder luid gezoem neemt hij drie blikjes Carapils en steekt die in aparte zakken van zijn bodywarmer. ‘Pa, zoudt ge dat wel doen, zo vroeg drinken op de morgen?’ ‘Als ik stront roep, moogt ge ook wat zeggen. Anders is het klep dicht. Comprende?’ ‘Ja, pa.’ ‘Zijt ge gereed?’ ‘Zal ik dat ooit zijn, pa?’ ‘Spaar mij uw dikkenekkenpraat. Doe uw vest aan, we zijn weg.’   Wanneer iemand na een werkdag zegt dat hij naar “zijn kot” gaat, bedoelt die persoon dat hij naar huis gaat, waar “kot” een ietwat lacherig pejoratief is voor zijn schamele bezittingen, ondergebracht in een normaal arbeidersrijhuis. Wanneer Reginald zegt dat hij naar “zijn kot” gaat, dan bedoelt hij net dat – zijn stulpje dat slechts één stadium verwijderd is van de stedenbouwkundige definitie “bouwval”. De gang is veel te smal. Reginald duwt zijn zoon opzij en neemt zijn postfiets. Het ding kraakt, net als de vloer boven. ‘De walvis gaat pissen,’ zegt Reginald. ‘Ik heb niet graag dat ge zo over ma babbelt, surtout als ze er niet bij is,’ zucht Jimmy. ‘Dan mag ik blij zijn dat gij hier niet de man des huizes zijt, hé,’ zegt Reginald, ‘à propos, nu ge geld verdient, zult ge mogen bijdragen ook, hé.’ Ondanks het gekraak is de fiets niet één van de minste fietsen. In het hele huis zal er niets anders te bespeuren zijn dat van zo’n degelijke makelij is. Dubbel kader. Een torpedo-rem. Zwart geverfd, al is de verf op sommige plaatsen, net als in het huis, afgebladderd. Kostte ongeveer een achttienduizend frank. Voor zijn omvang is Reginald heel lenig, al kan dat ook oefening zijn van al die jaren, en opent hij de deurklink terwijl hij op zijn fiets zit. Hij stapt met zijn fiets naar buiten. Jimmy volgt hem en neemt zijn fiets die aan de reling van de kaai gesloten is. Ze rijden de Schaekenstraat uit en slaan de Stasegemstraat in. ‘Pa, wat moet ik doen als ik het niet leuk vind?’ vraagt Jimmy. ‘Het gaat er niet om wat gij leuk vindt, het gaat er om dat gij uw werk moet doen. Zelfontplooiing is iets voor de rijke.’ Jimmy zucht. ‘Dus ik moet heel mijn leven iets doen wat mij tegenzit?’ ‘Ik doe het toch,’ antwoordt Reginald, ‘en ik ben er niet van doodgegaan.’ ‘Ja, gij zijt echt het toonbeeld van joie de vivre.’ Nu is het aan Reginald om te zuchten. ‘Kijk,’ zegt hij terwijl ze samen door de Groeningekouter rijden, een verademing van bomen tussen al dat steen en glas, en zelfs met een standbeeld, ‘hou die opmerkingen voor jezelf. Pa was facteur, ik ben facteur, gij wordt facteur. En al die tralala, hou dat maar achterwege. Het enige wat ik vandaag uit uw mond wil horen is “ja, chef”, “ja, meneer de postmeester” en “ja, meneer de inspecteur”. Begrepen?’ ‘Pepe Jules heeft altijd gezegd dat De Post een apenkot is. Hij zong er zelfs constant over.’ ‘Ja, ja, Jimmy, dat ken ik. Parlez-vous enzovoort. Maar als ik u op zoiets betrap tijdens de diensturen, krijgt ge een vuist in uw gezicht. Gij gaat niet de familie te schande brengen.’ ‘En wat als ik nu liever…’ Ze zijn nu ter hoogte van de Veemarkt. De stad herneemt haar ritme van beton. Eén enkeling laat haar hondje uit. Ze woont op het appartement aan de rechterkant. ‘Livre, dat is een boek. Stop nu met zagen, we zijn er bijna.’ Door de Wijngaardstraat rijden ze naar boven en komen ze aan in de Doorniksestraat, waar het postkantoor is. De nachtsorteerders vertrekken net op hun krantenronde. Eén van hen kijkt nog achterom en zwaait. Ongemakkelijk steekt Jimmy zijn hand op. ‘Ziehier, Jimmy, Kortrijk 1, 1ste afdeling,’ zegt Reginald en dat klinkt plechtstatiger dan hij heeft gewild. Jimmy haalt onverschillig de schouders op. ‘Gaat gij al maar gereed naar binnen,’ zegt Reginald en hij wijst naar een grijze half-openstaande poort, ‘ik moet nog een keun verkopen.’ Jimmy staat voor het gebouw en zet zijn eerste stapjes in het postwezen.   2   Lezer! Wat u nu net gelezen hebt, is een scene van een blije ochtend ten huize Sabbe. Vader Reginald, zoon Jimmy en moeder Marjolein. Zoals in vele families is het zo dat het beroep wordt overgeleverd van vader op zoon. Denken we maar aan dokters, notarissen,… helaas voor Jimmy is Reginald postbode en vastberaden om ook van Jimmy een facteur te maken. Jimmy bevindt zich voor het postgebouw Kortrijk 1, 1ste afdeling, gelegen aan de Grote Markt in Kortrijk. Eigenlijk staat het gebouw in de Doorniksestraat, maar iedereen kent het als “de pos van op de mart (sic)”, ook later wanneer het postkantoor verhuist naar het naburige Marke, wordt nog altijd gesproken van “de mart”.   3   Met open mond staat Jimmy te kijken naar het wespennest dat zich voor zijn ogen ontplooit. Een wespennest dat nooit echt ophoudt – ’s morgens de facteurs, ’s namiddags de namiddagsortering en dan ’s nachts de nachtsortering, elkaar vervangend in een carrousel, die alleen stilligt op zondag. ’s Zaterdags worden er ook kranten gesorteerd en uitgereikt, een aan- en afrijden van vrachtwagens komende van Kortrijk 1, 2de afdeling, ook wel Kortrijk X genaamd, recht tegenover de plaats waar de sorteerders meer zitten dan in het kantoor zelf, namelijk café De Pelikaan. ‘En gij zijt dan Johnny?’ hoort Jimmy van achter zich, ietwat uit de hoogte. ‘Neen, Jimmy. Jim-my.’ ‘Ja, we horen het al, ‘t is er een met een dikke nek. We gaan eens zien hoe lang hij het zal uithouden.’ ‘Ik geef hem een dag,’ zegt een man terwijl hij passeert, met een posttas op de rug waar wat boekjes en kranten in zitten, ‘’t is ook een dag om te beginnen, hé. Kerstavond.’ Door de wolken tabak komende van verschillende merken en types rookwaar, gaande van sigaretten over sigaren tot heuse pijpen, ziet Jimmy zijn gesprekspartner amper. Zijn ogen tranen – het is nog erger dan bij hem thuis, waar hij enkel de goedkope Camels van vader moet trotseren. ‘Zijt gij dan Reginald zijne kleine?’ ‘Ja, ik ben de zoon van Reginald, ja.’ ‘Allez, dé. Ik ben Rik, chef-facteur. Gij moogt mee met Bruno op dienst 18. Zullen we direct zien uit welk hout ge gesneden zijt.’ De muren zijn groengrijs. De vloer van een soort beton dat toch hier en daar glad is maar vooral veel pokken en dalen vertoont. Aan zijn linkerkant ziet Jimmy grote sorteerkasten, waar een sorteerder alleen maar grote stukken in gooit. Geen brief te bespeuren. De stukken worden uit een container op een grote, vierkanten openingstafel gezwierd, waar een andere sorteerder deze met een heep opensnijdt. Met z’n vieren gooien ze gestaag alle stukken in hopelijk het juiste vak. Wat dieper in het kantoor zijn twee rijen van telkens zes maal drie sorteerkasten, waar grote draaistoelen bij staan. Het is de eindejaarperiode en bak na bak brieven wordt weg gesorteerd door bekwame handen. Een man met duidelijk overgewicht staat voor Jimmy. Een klein brilletje balancerend op een varkensneus wiebelt bij elk uitgesproken woord. ‘Gij zijt Reginald zijne kleine, hé? ’t Is met ik dat ge moet meekomen.’ Jimmy volgt de man tot hij uitkomt op een rij met nog andere types sorteerkasten. Ze staan genummerd. De sorteerkast naast hem is nummer 17. Achter hem is nummer 21 en 19 en naast hem aan de rechterkant is nummer 20. De postbode van nummer 17 heeft wel iets mee van een Chinees, dacht Jimmy, en die van 20 ziet er uit als een Marokkaan. Hier zal hij wel snel van het racisme dat hij door zijn vader als kind met de paplepel er in kreeg, af geraken. Reginald zelf, postbode van de ronde 10, gaat ook naar zijn werkplaats. Hij staat, gescheiden door een dubbele rij werkposten, toevallig recht tegenover Jimmy. Door een spleetje kan hij zijn zoon in de gaten houden, die dit ook door heeft. De angst in zijn blik staat in schril contrast met het arendsoog van zijn vader, die klaar staat zijn zoon, zou het nodig zijn, manu militari in het gareel te doen lopen. Hij gooit een pakje op de plaats van de postman twee plaatsen verder, postman 12. ‘Hier, uw keun. Da’s dan 500 frank.’ Postman 12 opent het pakje en bekijkt het konijn. ‘De kop zit erbij, zo weet ge dat ik u ons Mies niet geef,’ zegt Reginald. Hij steekt een sigaret op en opent een blikje bier. Nadat hij een wind heeft gelaten, opent hij zijn brooddoos en werkt hij twee boterhammen naar binnen. ‘Natuurlijk dat ge uw Mies niet zoudt geven, afzetter, anders zit uw kot binnen de kortste keren nog meer vergeven van de muizen. Hoe dat Marjolein het nog niet is afgestapt, dat…’ ‘Dat wijf is te dik om nog vijf stappen te zetten zonder naar adem te happen. Als ik had geweten dat ze zo zou vervetten en dan die aap hier tegenover mij er uit te persen, ik…’ Een “ping-pong”-geluid snijdt de conversatie doormidden. “Sabbe!” galmt door de postmannenzaal. ‘Welk één, we hebben er twee nu,’ zegt één van de postmannen, ‘alsof één nog niet genoeg was!’ De boutade wordt gevolgd door een bulderlach van iemand die zichzelf véél grappiger vindt dan hij werkelijk is. ‘Wafel dicht, Bennie, kijkt gij maar dat uw wijf geen scheve schaats rijdt in de plaats!’ “Ré-gi-nald Sab-be!” Reginald zucht en gaat naar het theater. 4   Lezer! Het theater, waarvan ik hier zopas gesproken heb, is niet de schouwburg die aan het iets verder gelegen Schouwburgplein ligt. Het postmannenwereldje anno 2001 was een kluwen van verschillende graden en rangen. Er werd komaf gemaakt met de graad van hulppostman (om dan even later opnieuw in het leven geroepen te worden, tegen véél slechtere arbeidsvoorwaarden) maar er waren postmannen helemaal onderaan de ladder, tenzij je de kantoorjongens meerekent. Dan waren er ook de bedienden, ook wel rekenplichtigen of RKP’s genoemd, die alles wat met geld te maken had, verrekenden. Daar hoorde nog heel wat bij – het geld van de pensioenen moest per postman worden geteld, de taksen gesorteerd (zendingen waarvoor de klant moest betalen),… Daarboven waren er dan de chefs, of beter, de chef-facteurs en die waren gezeten op “het theater”, een verhoog van waaruit ze de postmannen beter in de gaten konden houden, als ze door de wolken rook heen konden kijken. In Kortrijk waren er drie chef-facteurs. Daarboven had je nog wat rangen maar voorlopig is het belangrijkste dat er nog een inspecteur en een postmeester meespeelt.   5     Marjolein ligt met opengespreide armen en benen op het grote bed. Mocht Marjolein geen hangkaken hebben, dan kon ze doorgaan voor een kikker wiens kwaakblaas door perpetuele bronstigheid constant opgeblazen is. Haar kin staat daar als een rots in de branding voor haar uitpuilende ogen en, in Reginalds woorden, van domheid openhangende muil. Nochtans was het ooit anders. Reginald is altijd een lelijke man geweest en toen ze een relatie begonnen vroeg heel Kortrijk zich af hoe het in ’s hemelsnaam toch kan dat een lelijke trol als Reginald zo’n wulpse hinde als Marjolein kon hebben en, zo leek het toch, houden. Nu echter is het duidelijk voor datzelfde Kortrijk dat zij als twee spuuglelijke druppels water op elkaar leken en onbewust wedijverden voor de prijs van de zwaarst vergane glorie. Het was al na tienen en ze besloot de dag aan te vatten. Ooit was zij het meest begeerde meisje van Kortrijk, als je de Sint-Antoniusstraat niet meerekent. Daar woonden immers de mooiste meisjes, omdat ze zo mooi waren dat ze reeds vroeg in het leven met een kind opgezadeld zaten. Vaak waren de mannen die ze hielpen maken ooit om sigaretten gegaan en nooit meer teruggekeerd. Marjolein zelf was een geboren en getogen Overleise. Nadat ze op haar vorig en enig werk in de Chicken Express in Heule betrapt werd op het stelen van gemarineerde varkenslapjes die precies gekruid waren zoals Reginald het wilde en waarvan deze laatste haar af en toe onder druk zette om er met enige regelmaat achterover te drukken, en zij dus ontslagen werd, wijdde ze zich voltijds aan haar taak als huismoeder, al was het maar om Jimmy, haar zoon en oogappel, te behoeden van de losse handjes van vader Reginald wanneer deze weer straalbezopen het huis binnen waggelde na een harde werkdag. Ze gaat naar beneden. De trap kraakt bij elke stap. Zij het door haar vadsigheid of door de ouderdom van het huis. Ze schakelt de radio aan en die vult de kamer met kerstmuziek. Marjolein heeft bitter weinig gedachten en geen enkele van die gedachten gaat uit naar het feit dat er eigenlijk geen eindejaarmuziek wordt gemaakt, maar dat alle feestdagen van Kerst tot en met Driekoningen op één hoop worden gegooid die “Kerstperiode” wordt genoemd. Ze gaat naar het berghok achteraan de kleine tuin, voorbij de konijnenkoten, dat “kot” is gedoopt. Daar staat, te midden van het stof, de spinnenwebben en het steengruis een kartonnen doos met daarin een fonduepot die de discoperiode nog bewust heeft meegemaakt, een assortiment prikkers en wat schoteltjes voor de raclettekaas. Met de doos stevig tussen haar armen geklemd, schuifelt ze richting het huis. Bij de buren is het, zo hoort ze, wel alle hens aan dek. Zoals elk jaar prepareren ze een heus bacchanaal met minstens zes gangen en drie gerechten waarvan ze de naam niet kan uitspreken, alhoewel dat ook niet echt moeilijk is. De kinderen joelen, het enige geluid dat nog te horen is sinds de konijnen van dit jaar zijn verkocht om richting de kookpot te gaan. Alleen de kweekmoer zit eenzaam in elkaar gedoken op wat hooi te knabbelen. Het is koud en glad, maar Marjolein is er in geslaagd de waardevolle lading in het huis te krijgen. De tafel moet nog verzet worden opdat de fonduepot, voorzien van een korte kabel, stroom kan krijgen. Ook al betekent dat dat er geen tv kan gekeken worden ’s avonds, omdat dan de elektriciteit uitvalt. De kat krijgt zijn korrels en melk, ook al heeft ze ergens gehoord dat melk niet goed is voor katten, ze geeft het toch, want het liedje gaat weldegelijk dat de zanger lekkere melk voor een kat heeft, als die maar gauw komt. Daarna gaat het richting ontbijttafel alwaar een stuk bloedworst het tijdelijke voor het eeuwige inwisselt. Er volgen ook nog drie tassen filterkoffie en twee boterhammen met stierenboter. Eens ook die achter de kiezen zijn, gaat Marjolein naar de badkamer en trekt haar training aan. Ze bindt haar haren bovenaan haar hoofd samen. Met de Flair Kerstspecial gaat ze naar de zetel waar ze zich met veel gekraak neervlijt. Veel wordt er die dag, tot de avond, niet meer gedaan ten huize Sabbe.   6   ‘Als ge ’t koud hebt, moet ge een gazet onder uw onderbaai steken!’ wist Bruno, de man aan wie Jimmy toegewezen werd. Het leek een raad die menig normaal denkend mens in de wind zou slaan, maar, zoals de collega’s al minstens drie keer tegen Jimmy hebben gezegd, in De Post is er niemand normaal. ‘Ik denk,’ tracht Jimmy te antwoorden terwijl hij zijn eerste hand op brievensortering tracht te leggen, maar wordt abrupt afgebroken door de postman die naast hem zit. ‘Ge moet hier niet denken, De Post denkt voor u,’ beet de postman Jimmy toe, ‘allez, hoe steekt gij uw brieven nu? Is dat zo dat gij gaat werken als ge alleen zijt?’ Reginald komt over de werkpost piepen en even denkt Jimmy dat zijn redding nabij is. Als beginneling wil hij niet op een slecht blaadje staan van een overduidelijk norse veteraan. ‘Als hij u lastig valt, Marnik, moet ge hem maar een duw geven,’ zegt Reginald en hij werkt verder. ‘Smoort ge?’ vraagt Bruno en reikt Jimmy een pakje sigaretten aan. Vanuit Reginalds richting komt een waarschuwing, dat Bruno hem maar beter geen St Michels geeft, want die stinken verschrikkelijk. Als Jimmy wil roken, moet hij maar Camels kopen. ‘Nee, nee, ik smoor niet,’ antwoordt Jimmy. ‘Uwe pa is een harde hé.’ Bruno steekt een sigaret op. ‘Ge hebt er geen gedacht van. Maar ja, ’t is mijne pa, hé.’ ‘Hij was niet altijd zo, hoor.’ Bruno geeft Jimmy een bemoedigend schouderklopje. ‘Bruno, klep dicht of ik klop hem dicht,’ zegt Reginald. Na betekenisvolle blikken te hebben uitgewisseld, werken Jimmy en Bruno de sortering van hun ronde in stilte verder af. Het is tijd om op baan te vertrekken. Terwijl Bruno de laatste straten steekt, roept de chef Jimmy bij zich. ‘En, valt het mee?’ vraagt hij. Jimmy haalt de schouders op. ‘Uwe pa is een goeie kerel. Eén van de beste facteurs hier. Kon hij maar van de dreupels blijven, dan zou hij chef gebleven zijn.’ Jimmy wist niet dat Reginald ooit enige ambitie tot een carrière had. Zover hij wist, tot dan toe, was zijn vader een facteur, die elke dag stomdronken thuiskomt, de kat mishandelt en zijn siësta houdt tot diep in de namiddag. ‘Ge moet nog iets hebben waardoor dat ge bekend zijt als postier,’ zegt de chef en hij roept door de microfoon of Ringo, de tweede jongste van het kantoor, eens tot bij hem wil komen. Zo geschiedde. Ringo was een jonge kerel ongeveer van hetzelfde kaliber als Jimmy, die ongeveer een maand of drie aan de slag is bij De Post. ‘Ringo, hebt gij niets van kleren van uwe nonkel? Die is zo’n beetje ’t zelfde postuur gelijk gij en Jimmy.’ Ringo draait zich om en gaat terug naar zijn werkpost. ‘Neen, chef, ik heb zelf bijna niets. Ik heb gehoord dat het twee jaar kan duren eer ik mijn kleren heb. Geef hem een kepie, zoals bij mij. Da’s ’t enige waar wij hier een overvloed aan hebben.’ Jimmy zet de kepie die ergens stof lag te vergaren in een roestige, oude sorteerkast op zijn hoofd. Het spant. Niet te veel, maar net genoeg om een spoor na te laten.   7   Reginald opent een flesje bier aan zijn werkpost. De inkepingen die in de sorteervakjes zijn gemaakt, zijn, toevallig of niet, net groot genoeg om bierflesjes soldaat mee te maken. Hij schuift de lade uit waar zijn sorteerblokken op moeten en zet er een asbak op. De asbak heeft de vorm van een hand met een vrouwenborst in. Hij is gesierd met de slogan “ik hou van tetten en van sigaretten”. De asbak wordt gedeeld met de postman naast hem, César, die er af en toe wat as van zijn sigaren in dropt. Reginald leest Het Volk. ‘Het is een gazet voor twee dagen,’ zegt Reginald en slurpt aan zijn flesje bier. ‘Dat zegt ge altijd,’ antwoordt César, ‘tenzij het voor een verlengd weekend is, dan is ’t er één voor drie dagen. Geen wonder dat uw zoon er uit ziet als een sul, ik zou ook puite-onnozel komen, moest ik elke dag naar zo’n flauwe dei moeten luisteren.’ ‘Moet ge hier maar eens naar luisteren,’ zegt Reginald en hij heft zijn achterwerk op richting César. Hij perst er een ferme wind uit. ‘Godverdomme, Regge, met uw smerige bierscheten altijd! Ik had gedacht dat ge na uw straf in Kortrijk X wel uw les had geleerd.’ ‘Ik heb er wel veel geleerd, ja.’ César blaast en staat op. ‘Ik ga wel naar de kantine.’ ‘Wacht,’ zegt Reginald en plooit zijn krant op, ‘ik ga mee.’   De kantine is een vierkante ruimte, gelegen op de bovenste verdieping van het postgebouw, dat hoog genoeg was om de skyline van Kortrijk mee te bepalen. Iedereen die iets is in het lokale openbaar ambt, kent de kantine van de post op de Grote Markt. Een vierkanten ruimte dus, getooid in kerstversiering die, net zoals het fonduestel van Reginald, de discoperiode nog heeft meegemaakt. Aan de zwembadgroene muren, waar er geen vensters zitten, want die zijn er in overvloed, zijn er decoratieve eetborden bevestigd. Het meubilair is een toonbank, met daarvoor rijen simpele tafels en stoelen geplaatst, zoals een refter van een school. Het is er goedkoop om te eten, té goedkoop, zelfs, om rendabel te zijn, maar voor de sfeer zal je er niet blijven. Reginald eet hesp met eieren, zoals elke morgen. Daar hoort traditiegetrouw een kom soep bij – voor vijfentwintig frank heb je er al één – en een flesje bier, dat niet meer dan dertig frank kost. Alles is ook vers gemaakt, met ingrediënten van de land- en tuinbouwschool. Er is ook een kerstdiner, voor als de postmannen terugkeren van op ronde. Kalkoen met één of andere wijnrode saus. Reginald heeft er geen behoefte aan. Na de ronde gaat hij dat jong van hem terug naar huis sleuren. En dan wat muilen trekken aan de feesttafel, als Billy, zijn andere zoon, zijn nog maar eens nieuwe vriendin komt voorstellen aan de familie. Elk jaar hetzelfde en toch anders, denkt hij. Hij steekt nog een nieuwe sigaret op en hoestend leest hij de rest van zijn krant. Het is bijna zes uur, tijd om met de kranten en de bundels op pad te gaan. Hij gaat terug naar de postmannenzaal op de eerste verdieping en omgordt zijn ransel. Zesentwintig kranten en drie bundels heeft hij op zijn ronde. Normaal neemt hij een straat mee op zijn krantenronde, maar de nachtsorteerders zijn nog niet klaar met het sorteren van de vele brieven, waarvan de postmeester hen bezwoer dat ze deze nog op tijd in de bus zouden steken. Een postzegel kost maar zeventien frank, zei hij, maar er zouden veranderingen op til zijn waardoor ze geen brieven meer mochten laten zitten en nog eens hun tri moesten uithalen wanneer deze afgelopen is. Meer kon hij niet zeggen, zei hij. Alleen dat ze konden maken dat hun vakkasten geledigd werden voor ze op ronde vertrokken. Reginald neemt de lift, met de ransel kranten achter op zijn rug middels een leren riem over zijn schouder bevestigd. Eenmaal beneden aangekomen, zoekt hij zijn fiets en zet hij zijn ransel vooraan op het rek van zijn fiets. Hij draait de leren riem van zijn ransel rond zijn stuur. Met een acrobatische zwaai zit hij op zijn zadel en rijdt hij het postgebouw uit, een afslag naar links makend om de Lange Steenstraat in te rijden. De winkels zijn nog dicht, zo ook het café waar hij Marjolein jaren geleden heeft leren kennen – de Middenstand, aan zijn rechterkant. Vaak heeft hij gedroomd om er de hens in te zetten. Hij laat zijn fiets uitbollen tot hij aan de school van Onze Lieve Vrouw van Bijstand komt, die sinds september geen echte functie meer vervult. Er wordt gesproken van een shoppingcenter daar te bouwen. Dat wil Reginald nog wel eens zien.   8   Reginald rijdt door de Sint-Jansstraat. Sinds de school op de schop ging, is er in die straat niet zoveel werk meer. Maar die ligt op de weg naar de Veemarkt, of in de volksmond de Koeiemart, waar veel appartementen veel kranten betekenen. Hij heeft geen reden om vandaag in de Sint-Jansstraat op dit uur te zijn, want normaal neemt hij die straat mee maar vandaag niet. Toch is hij zoals alle postbodes een gewoontedier en rijdt hij dus door een straat waar hij niet hoeft te zijn. Ook al zou het door de Wijngaardstraat een stukje dichter geweest zijn. De winkelpanden en vergane glorie van de uitlopers van het Overbekeplein ruimen plaats voor een groot open plein met aan de rechterkant een mengelmoes van appartementen, beluiken en hier en daar een kruidenierszaak en links door vastgoedmagnaten uitgekakte eenheidsworstappartementen en het café De Pinocchio. In één van die beluikjes, het Groeningebeluik, steekt Reginald een Laatste Nieuws in nummer vijf. Mensen die De Standaard of De Morgen lezen, vind je hier niet. De vroegste vogels zijn het feestmaal aan het voorbereiden in al z’n karigheid. Mensen hier hebben niets. Veel gescheiden mensen ook, die Reginald soms stiekem benijdt. Reginald benijdt ook de postmannen die hun handschoenen niet vergeten zijn. Hij heeft normaal twee paar bij. Eén paar volledige wanten, voor het stuurwerk. En een paar handschoenen zonder vingertoppen, waarmee hij de post hanteert. Maar die is hij nu allebei vergeten. De koude bijt aan zijn vingers en zijn knokkels zijn wederom opengesprongen. Het flesje waaruit hij ’s morgens op kantoor cognac bij zijn koffie doet, maakt overuren en werkt nu fulltime. Gelukkig maar dat hij het heeft bijgevuld als hij deze ochtend van huis vertrok. De chef had nochtans gezegd dat hij geen alcohol meer mocht drinken op baan. Maar de chef zit op zijn tribune in het postkantoor en Reginald zit hier in het Groeningebeluik. De bergen zijn hoog en de keizer is ver, heeft hij ooit ergens gelezen. Een spreuk die hij al meermaals als uitleg op zijn model 9 schreef. De toppen van zijn vingers voelen gevoelloos en kogelhard aan. De Pinocchio is nog dicht. Geen warmte dus, alleen de aansporing om sneller te werken. En nog een teug van het heupflesje. Met de Veemarkt achter de kiezen, rijdt Reginald verder richting het Groeningemonument, waar de Vlamingen de Fransen hebben verslagen in 1302. Want ook daar zijn er appartementen die hongerig wachten op de postbode die hun kranten komt brengen. De traiteur in de Gentsestraat, Frank Muylle, wiens zaak uitkomt op de Vestingstraat die op haar beurt uitkomt in de Vaartstraat, waar Reginald de kleine nummers voor zijn rekening neemt, is wel open. Het is een aan- en afvoeren van verrassingsbroden, fondueschotels en andere zaken, waarvan Reginald weet dat er mensen zich in schulden zouden steken om het toch maar te kunnen betalen en als het even kan, de buren de ogen uit te steken. Niet zij, echter, want het volk dat naar die traiteur gaat, is rijk genoeg om geen buren te hebben. Hun kasteel staat in het Miljoenenkwartier, oftewel de Wolvendreef, een villawijk waar het kapitalisme een zeer grote stempel heeft achtergelaten. Reginald stapt binnen bij de traiteur. In ruil voor een gratis krant krijgt hij van de traiteur het groente- en fruitafval van de drukke dagen. Een gigantische papieren zak later, stapt hij uit de traiteurszaak waar Dirk, de eigenlijke postbode van de Gentsestraat, hoofdschuddend grimast. Hij heeft wel het volledige Plein en de Gentsestraat mee, want hij vertrok wat later uit het kantoor. ‘Awel, Sabbe, wat doet gij op mijn tournée?’ roept hij van de overkant, ‘maakt eens dat ge gauw weer op uw stuk zit!’ ‘Klep dicht, Dirk. Of denkt ge dat uw keun vanzelf zo dik wordt?’ ‘Hoe dat gij daar vijfhonderd frank durft voor vragen, voor keuns die ge vetmest met Muylle zijn groentenafval, en dan nog met een gazet van De Post, amai, zulle!’ ‘Moeit u in uw menage. Trouwens, Frank heeft gezegd dat uw pruimen klaar zijn.’ ‘Pruimen?’ ‘Voor bij dat keun, hé, dommerik! Ge zit constant achter die pruimen te vragen, awel, ze zijn gereed.’ ‘Och, God, ja, juist. Godverdomme, hé. Moet ik nu expres nog eens passeren achter die pruimen?’ Reginald haalt de schouders op en zet de grote zak in zijn posttas, achter de laatste drie kranten die hij nog moet bestellen. ‘Doet er mee wat ge wilt, ik moest het gewoon maar zeggen,’ zegt hij en hij rijdt terug de Vaartstraat in. Reginald bestelt nog de laatste drie kranten en rijdt daarna naar huis, met de gigantische papieren zak op zijn fietsrek vastgebonden.   9   Reginald zet de fiets tegen de gevel van zijn huis. Met wat geduw gaat de voordeur open. Hij ontsteekt een sigaret en gooit het pakje weg in de paraplubak in de gang. Marjolein ligt hem vanuit de zetel aan te gapen. Er staat een glas wijn op het bijzettafeltje naast haar. Reginald sleurt de zak door de woonkamer. ‘Ge kunt misschien ook komen helpen?’ zegt hij, tegen Marjolein maar eigenlijk tegen de muur. Marjolein heeft moeite om recht te staan. ‘Blijf maar liggen, ge moet vooral niet te veel moeite doen. Of ja, als het past in uw drukke bezigheden, maakt misschien een filterke. Zal dat lukken?’ Een halve natte wortel met loof vliegt naar het konijn in haar hok. De zak wordt in het berghok geplaatst. Een sigaret later is het zeven uur en wordt Reginald geacht, volgens zijn BB, klaar te zijn met zijn gazettenronde. Hij gaat terug naar binnen. Marjolein staat in de keuken met de tas waar de koffie in aan het doorlopen is. ‘Billy heeft juist gebeld,’ zegt ze. ‘Komt-ie niet? Komt goed uit, zijn alweer twee mondjes minder en een dag langer dat we van onze pla zullen kunnen eten.’ ‘Neen, zijn lief is een veganiste of zoiets.’ ‘Een wat?’ ‘Een veganiste.’ ‘Wat is dat nu weer voor beest?’ ‘Ze eet geen vlees.’ Reginald neemt de koffie en nipt aan de tas. ‘Echt. Geen vlees. Is het weer zo ééntje dat hij meebrengt uit Gent? Godverdomme, al die wijven daar met hun Amerikaanse zever. Enfin, we hebben nog de groenteschotel hé. En de kaasschotel. Geef die trut dan wat meer kaas en ik zal haar vlees wel opfretten.’ ‘Een veganiste eet ook geen kaas. Enfin, als er melk in zit of zoiets,’ zegt Marjolein. ‘Dan moet ze maar niet eten.’ ‘Reginald, enfin! Ge kunt toch kijken voor iets speciaals?’ ‘Hoor ik u nog?’ briest Reginald. ‘Ik ga niet het vel van mijn vingers werken om dan mijn geld op te doen aan één of andere domme zurkeltrut van de maand waar Billy zijn oog heeft op laten vallen. Alstublieft zeg.’ ‘Gij gaat niet werken voor uw eten, ge gaat werken om te gokken op de haantjes, dat, ja.’ ‘Zeg het anders nog een beetje luider, dat de buren het ook weten.’ Marjolein begint te huilen. ‘Bleit anders nog een beetje, dat zal helpen.’ Met beide handen omklemt Reginald de tas, om niets van de warmte verloren te laten gaan. ‘Als dat meiske nu geen vlees eet?’ ‘Ik heb mijn beste keuns geslacht voor vanavond. En dan komt ge af dat dat mens van Billy geen vlees eet?’ ‘Als uwe pa daar maar geen drama van maakt.’ ‘Mijne pa maakt drama van wat hij drama wil van maken, hebt ge dat goed gehoord? Enfin, mijn koffie is op, ik ga nog wat geld gaan verdienen. Tot vanmiddag.’ Marjolein zucht. Reginald trekt de voordeur zo hard mogelijk dicht.   10   De schamele warmte van het huis van Reginald en Marjolein ruimt al gauw plaats voor de bijtende winterkou. Zelfs warmtrappen helpt niet, heeft Reginald de indruk. Zijn tong plakt aan zijn gehemelte. Hij heeft dorst. ‘Misschien toch maar eerst die Leeuw van Vlaanderenlaan bestellen,’ denkt Reginald, ‘dat ik hem deze keer in de juiste richting bestel, met al die appartementen.’ Reginald heeft al vaker gedacht van Marjolein te scheiden en in een appartementje te trekken. Maar met hetgeen hij maar betaald krijgt van De Post, zou hij in een appartementje in de Zwevegemstraat moeten gaan wonen. Niet in deze appartementen, denkt hij, terwijl hij jaloers rondkijkt, waar de verwarming in de inkomhal hoger staat dan zijn verwarmingsketel aankan. Hij propt de kranten in de bus en steekt nog een sigaret op. Er hangt een klever aan de ruit dat er niet mag gerookt worden, maar Reginald maakt voor zichzelf een uitzondering. Niet roken, geen post. Simple comme bonjour. In het volgende appartement van de Leeuw van Vlaanderenlaan, nummer 35, is de reclamebezorger bezig met het blokkeren van de brievenbussen middels enkele stevige kanjers van streek- of weekkranten. Reginald wacht tot hij klaar is, om, nadat hij vertrokken is, deze er terug uit te halen en er zijn kranten in te steken. Dit zint de reclamebezorger niet, die terugkeert en Reginald in het gebroken Potjesfrans uitscheldt. Reginald zet zijn kepie recht en steekt de laatste krant in de bus en keer terug naar het kantoor.   11   Jimmy zit aan zijn werkpost zijn boterhammen naar binnen te duwen. ‘Rustig, jong, ze gaan uw eten hier niet afpakken, hoor!’ Jimmy kijkt achterom. Het is Bruno. ‘Ja, ik eet altijd zo snel, straks komt de generaal naar binnen en heeft hij weer commentaar.’ ‘Hier hebben we geen generaals,’ lacht Bruno, ‘maar postmeesters.’ ‘Ik bedoel die niet,’ zegt Jimmy, die onverdroten verder zijn boterhammen naar binnen werkt, ‘ik bedoel mijne pa.’ ‘Ja, Reginald is… ja, Reginald, hé. Als ge gereed zijt met eten, gaan we vertrekken. Met wat chance ontloopt ge hem nog.’ ‘Ontloopt ge wie nog?’ vraagt Reginald die achter Bruno’s rug staat. ‘De hond van Weverstraat 34. Ge weet wel, die kolos,’ zegt Bruno. ‘Ge kunt maar zien dat ge die kolos hier terugbrengt voor 15 uur. Hij moet nog achter zijn grootvader naar ’t oudemanhuis.’ ‘Ge kunt gij dat toch ook, pa?’ ‘Ja, maar ik wil niet. Uw ma heeft het zot in hare kop gekregen en ik moet voor die trut van onzen Billy veganistische kaas gaan halen. Dat wil zeggen dat ik naar zo’n biowinkel ga moeten gaan waar het stinkt naar de patchoeli omdat ze hun drugsgeur anders niet kunnen maskeren.’ ‘Ga ik anders naar die biowinkel? Kunt ge achter pepe gaan.’ ‘Awel ja, ’t is ne keer geen zever die uit uw mond komt. Maar maakt het niet te laat, want ik ga die fonduepot niet heropwarmen. Ene keer is meer of genoeg en die olie moeten we met oudejaar ook nog gebruiken.’ ‘De biowinkel ligt trouwens op onze tournee,’ zegt Bruno, ‘ge moet maar gaan tijdens uw uren.’ Jimmy staat op en trekt zijn jas aan. Bruno geeft hem zijn kepie. ‘Ge wilt niet dat de chef u zonder ziet, of ’t is uw eerste model 9.’ ‘Strooien ze daar zo mee, met die model 9’s?’ vraagt Jimmy. ‘Goh, de één al wat meer dan de ander. Hebt ge al een ransel?’ ‘Een wat?’ vraagt Jimmy. ‘En gij zijt dan zoon van een facteur. Een brieventas, zoiets,’ zegt Bruno en op zijn buik rust een zwarte, leren tas, klep open, met post in. ‘Neen, niet direct,’ zegt Jimmy. ‘Hier, pak deze maar,’ zegt Bruno en hij neemt de ransel van onder zijn werkpost, ‘deze is van Martino, die is langdurig ziek. Die heeft dat toch niet meer nodig.’ Jimmy omgordt de aftands ogende brieventas en stelt de riem een beetje bij. ‘Klaar?’ ‘Klaar,’ antwoordt Jimmy en hij volgt Bruno naar beneden. ‘Hopelijk hebt ge handschoenen bij, want voor nieuwkes is de koude aan de handen moordend,’ zegt Bruno, ‘maar… het went wel.’ De lift zet hen schokkend op de benedenverdieping af, waarna ze nog een klein trapje naar beneden gaan om in de fietsenstalling te belanden. Het is een samenraapsel van fietsen. Kapotte fietsen, platte banden, oude fietsen, nieuwe fietsen, wat wisselstukken die op de grond liggen te slingeren en hier en daar toch ook een nog werkende fiets, waarvan Bruno en Jimmy zich er elk één van toe-eigenen. Quasi instinctief zet Jimmy zijn fiets tussen zijn benen en draait hij de riem van zijn ransel rond het stuur. ‘Kijk eens aan,’ zegt Bruno terwijl hij verwonderd staat te kijken, ‘we hebben toch te maken met een natuurtalent!’ Hij neemt een rode brievenbak en giet iets in de ransel. ‘Het is niet omdat ik alles ga bestellen, dat gij niets gaat doen, hoor!’ Jimmy kijkt in de ransel. Het zijn kleine plastic zakjes, haast snoepverpakkingen. ‘Voor elke bus eentje,’ zegt Bruno, ‘het zijn zotjes van de Pabo. Ik ga er wel eentje meenemen voor thuis.’ ‘Zotjes?’ ‘Ja, ZZA’s, of zendingen zonder adres. Voor elke bus eentje, dus. En doe niet gelijk uwe pa, die gooide ze eens weg en de flikken hebben dat gezien. Een chance dat hij statutair was. Of ’t was er mee gedaan.’ Jimmy zucht. Wat voor verhalen zal hij nog over zijn vader horen? 12   Reginald steekt een sigaret op. Tijd voor het tweede ontbijt. Het is halftien. Hij schrijft zijn aangetekende zendingen. Dat wil zeggen dat hij ze op volgorde van zijn ronde steekt en erna een klein kaartje, zowat de grootte van een ansichtkaart, waarop staat in welk kantoor de klant zijn zending mag halen. Hij heeft er twee. Kortrijk 1 voor alles wat Veemarkt, Sint-Jansstraat en Groeningebeluik is en Kortrijk 5 in de Stasegemstraat voor de rest van zijn ronde. Het is Kerstavond dus gelukkig zijn er niet zoveel zendingen. Hij is klaar om zijn tweede ronde te rijden. Nadat hij zijn overlastzak voor de Groeningelaan in de container van de chauffeur die deze moet afzetten heeft gelegd, stapt ook hij naar zijn postfiets beneden om zijn ronde aan te vangen. Zijn eerste stop is het café Het Baggaertshof op de hoek van de Veemarkt en de Zwevegemstraat. Hij zet zijn fiets tegen de gevel en haalt zijn zwart tasje er uit. Dat houdt hij bij. Geen enkele postman de naam waardig zou zich ooit vrijwillig laten scheiden van zijn zwart tasje. Want daar zitten zijn postzegels en pensioenen in. Als je dat kwijtraakt, zit je pas echt in de puree. De cafébazin groet Reginald en zet onmiddellijk een tas koffie klaar. Reginald zet zich aan de toog en giet er een beetje van zijn heupflesje in. ‘’t Is dat gij niet kunt beschuldigd worden van mij zat te voeren hé, Treze.’ ‘Wat doet gij vanavond, Reginald?’ Ze legt een speculoosje bij de tas koffie. ‘Ik had gehoopt van gewoon in mijne canapé Kerstavond te overleven, maar ons Marjolein vond het nodig om volk te vragen.’ ‘Ah?’ ‘Ja, onzen Billy komt uit Gent terug, alsof die daar geen maten heeft om kerstdag mee te vieren.’ ‘Diene jongen zal blij zijn om zijne pa nog ne keer terug te zien, hé?’ Reginald sopt het speculoosje in zijn koffie en zuigt er aan. ‘Bè neen, Treze, die heeft weer geld nodig.’ ‘Hoe zat dat juist weer tussen gij en hem?’ Theresa vult de tas koffie bij. ‘Onzen Billy voelt zich te goed om facteur te zijn, en hij is op zijn achttiende na zijn school het huis uitgegaan om ergens op kosten van ’t OCMW zijn broek te gaan verslijten op de unief. Drie weken en twee dagen was hij facteur, de lamzak. En daarna al blèrend thuiskomen en zeggen dat dat niet is wat hij uit het leven wil halen. En dat hij geen twaalf uur wil werken en er maar acht betaald zijn. De janker.’ ‘Hebt gij hem zelf niet in de unief gestoken?’ Reginald slaat met zijn vuist op de toog. De asbak beweegt er van. Reginald zet hem terug op zijn plaats en dooft zijn sigaret. ‘Ik? Zijt ge zot? Dat zijn allemaal leeghangers en profiteurs. Te lui om te werken, dat.’ ‘Ahem!’ Een toehoorder schraapt haar keel en tikt Reginald op zijn schouder. ‘Meneer,’ zegt ze, ‘ik vind het niet kunnen hoe jij over universitairen praat. En dan nog over uw zoon! Foei!’ Reginald steekt een nieuwe sigaret op en blaast de rook in het gezicht van de vrouw, die verstijft. ‘Madam, gij in uw menage, en ik in de mijne, oké?’ Reginald ledigt de speciale koffie in één teug en wandelt terug naar zijn fiets buiten. De even kant van de Veemarkt wenkt. In elke bus steekt hij een paar brieven en een zending zonder adres. Het Groeningebeluik doet hij te voet. Het heeft geen zin om in het nauwe gangetje met een zware postfiets te manoeuvreren. Terug op de Veemarkt begint het op te vallen hoe druk het geworden is in het halfuur dat hij er reeds vertoeft. Het is Kerstavond en dat voelt ook Reginald. De mensen glimlachen constant, ze zijn vriendelijk tegen de postbode die hen straal negeert en hebben er geen commentaar over en ook hier is het een drukte van jewelste bij de slagers en bij de groentewinkel van Kallens. Daar liggen zijn overlastzakken. Twee stuks. Ze zijn beveiligd met een hangslot waar Reginald de sleutel van in zijn broekzak heeft. Hij opent de zak die het dichtst ligt en kijkt naar het eerste pakje brieven. Tot zijn ontsteltenis is dat een brief voor de Groeningelaan. Verkeerde zak geopend. Luid vloekend gooit hij de zak op de grond en sluit hij deze opnieuw. ‘Ook altijd hetzelfde,’ mompelt hij. Hij grijpt naar zijn heupflesje en neemt er een flinke teug uit. Een medewerkster zwaait naar Reginald en komt hem tegemoet. Reginald heeft net tijd genoeg om zich te keren en even met de ogen te draaien. ‘Ah, Reginald. Zeg, heeft Marjolein geen goesting om een beetje te komen helpen? We kunnen ze best gebruiken,’ zegt ze, terwijl ze staat te kijken hoe Reginald zit te klooien met zijn postzakken. Haar grijze trui heeft al flinke okselvijvers, ook al is de temperatuur in de hangar van de winkel amper een paar graden hoger dan buiten. Reginald grinnikt. ‘Allez, Marie. Wat dat gij nu vraagt. Ge weet toch dat dat wijf te leeg is dat ze wikkelt? Ge moogt ze gerust bellen, maar ’t kan goed zijn dat ze weer in haar fauteuil ligt te ronken, de luie doze.’ ‘’k Ga ze alijk eens bellen,’ zegt Marie, ‘we komen hier handen te kort.’ ‘Ik zou er niet op rekenen,’ zegt Reginald en hij haalt de schouders op. Hij opent de andere postzak en giet deze uit. Er zitten drie stapeltjes brieven in, bij elkaar gehouden met twee elastieken, kruiselings over elkaar gespannen en twee pakken A4-formaat-zendingen. Eén van de twee pakken met groot formaat gaat in de ransel, met daarnaast een pakje brieven. De rest wordt in de fietszakken gepropt. ‘Die onnozelaars met hun eindejaar ook altijd. Ik moet nu godverdomme twee keer weg en weer rijden, want ik krijg dat hier niet allemaal in.’ ‘’t Is niet aan u besteed he, Reginald, heel die eindejaarsperiode?’ lacht Marie. ‘Tien jaar geleden niet, twintig jaar geleden niet en dertig jaar geleden ook niet. Ze zeggen continu dat de brievenvolumes dalen en de rondes zwaarder moeten, maar met eindejaar ziet ge de bazen niet, zulle. En wij maar travakken. Ze zitten nu al hun dikke sigaren op te smoren terwijl wij hier buiten zitten te tjolen. Het is niet fair, Marie.’ ‘Gauw, volgende week is ’t nieuwjaar, er staat al iets gereed voor u.’ ‘Merci. Maar ik moet nu weer door want die bucht zal zichzelf niet bestellen, jammer genoeg.’ Met een verse sigaret in de mond rijdt Reginald richting de Konvert Interim aan de overkant van de Veemarkt.   13   Jimmy heeft alle moeite om Bruno bij te houden. Niet dat Jimmy zo’n onderdeurtje is, maar er is iets aan de fietstred van een volbloed postman, die dag na dag gekweekt wordt wanneer hij op zijn volgeladen postfiets de Kortrijkse verkeerschaos trotseert en elke dag opnieuw tot uiting komt. Elke klim wordt beloond met een helling, over de brug van de Budastraat en de Overleiestraat. Pas bij de verkeerslichten van de Sint-Jansput kan Jimmy blazend Bruno inhalen, die zich van geen kwaad bewust is. ‘Allez, vent,’ zegt Bruno lachend, ‘ge zijt al ten einde asem, en we zijn nog maar halfweg!’ ‘Ik ben niet gewoon van in velo te rijden,’ antwoordt Jimmy, die alweer moet trappen want het is ondertussen groen geworden. ‘Zijt ge niet van hier?’ ‘Van Kortrijk? Jawel.’ ‘Ja, neen, van hier, Overleie.’ ‘Neen. Ik ken hier mijn baan niet. Alles wat wij nodig hebben, ligt in Sint-Jan, hé.’ ‘Ah, ja,’ zei Bruno en hij steekt zijn hand uit om naar de Izegemsestraat af te slaan, ‘hier moet ge opletten want het zijn allemaal kasseien.’ Jimmy wordt helemaal doorheen geschud. ‘Wat gaat dat niet zijn als ge met uw velo volgeladen gaat moeten rijden,’ vraagt Bruno en hij slaat nogmaals links af, ‘we zijn er. De Weverstraat.’ Jimmy stopt abrupt en ligt bijna op de grond. Het is glad. Perfecte sneeuwcondities, perfecte dag om te beginnen, denkt hij. ‘Nu is de truc,’ zegt Bruno, ‘dat ge uw brieven kunt vasthouden, geen heel pakske maar gewoon een handje vol, en dat ge daar mee op uw stuur leunt. De rest van de brieven steekt ge aan de linkerkant van uw ransel. De rechterkant is voor uw zotten. Dat is datgeen dat gij mee hebt. Probeer het maar een keer.’ Met een zekere flair rijdt Bruno van bus naar bus en steekt de post er in, bijna zonder één keer te stoppen. Jimmy heeft het niet zo gemakkelijk, die postfietsen zijn tergend zwaar en dat stoppen en terug aanzetten is ook niet echt dat. ‘Ge zult het wel leren,' lacht Bruno terwijl hij even verderop een sigaret opsteekt. 'Uwe pa heeft het mij ook geleerd.’ Eenmaal de oneven kant van de Weverstraat er op zit, steken ze over en bestellen ze ook de even kant. Van daaruit gaat het naar de Izegemsestraat, waar ze drie nummers aan de onpare kant hebben. De Izegemsestraat is een relatief drukke straat, beslagen met kasseien, gedeeltelijk, maar gelukkig is dat deel niet voor Jimmy. Hij rijdt verder richting Heule, maar zijn mentor roept hem. Jimmy keert op zijn schreden terug. ‘Ziet ge,’ zegt Bruno, ‘daarom moet ik u niet voor laten gaan op uw eerste dag.’ Hij wijst naar het gemeentenaambord. ‘Heule,’ zegt hij, ‘is niet voor ons. Da’s voor dienst 54. Wees blij. Wij gaan nog een beetje verder en dan hebt ge aan uw linkerkant de Kleine Ieperstraat. Daar moeten we in.’ Jimmy blaast. ‘Heel uw vader,’ lacht Bruno.   14   Ondertussen is in de Schaekenstraat wat verderop – een heel stuk verderop – Marjolein begonnen aan de voorbereiding van het kerstdiner. Dat betekent dat de zware eiken tafel die eerst nog in de lengte stond, vergeleken met het aanrecht, nu aan datzelfde aanrecht moet staan, zodat de kabel van de fonduepot lang genoeg is om tot aan de tafel te geraken. Marjolein heeft moeite om de eiken tafel op te heffen. De deurbel gaat. Maurits de kat springt van de tafel en spurt naar de zetel. Als er bezoek is, wil hij altijd het beste plekje. De deurbel gaat opnieuw. ‘Ja, ja, ik kom,’ roept Marjolein. De kans dat de persoon aan de deur het heeft gehoord, is erg groot, daar de muren flinterdun zijn en van bedenkelijke kwaliteit. Marjolein wandelt door de gang en opent de deur. In het deurgat staat haar oudste zoon Billy. Ze omhelst hem innig, het is anderhalf jaar geleden dat ze elkaar nog gezien hebben. Billy ziet er uit als de academische versie van Jimmy. Hetzelfde sluike haar, een toch wel minder pokdalig gezicht dan zijn broer en een bril met overdreven grote ronde glazen. Een quasi rond gezicht, net als zijn broer en konijnentanden. Reginald heeft al dikwijls de grap gemaakt dat Marjolein de konijnen geen eten mocht geven omdat de rammelaar al één kind met haar had gemaakt. Toch was ook voorzien van de typische Sabbe-trekken, zodat Reginald niet kon ontkennen minstens één hand in zijn creatie te hebben gehad. De Droopy-ogen en de neus die op weg is een knobbelneus te worden zijn alweer een stuk prominenter aanwezig dan de vorige keer dat Marjolein hem zag. Billy, misschien nog meer dan Jimmy, was op weg om een evenbeeld van zijn vader te worden. ‘Is uw vriendin niet mee, jongen? Maar waar zijn mijn manieren, kom binnen, kom binnen.’ De gang blijkt te smal voor twee toch redelijk corpulente mensen en zo gaat Marjolein voorop. ‘Ge zijt als van den hemel gezonden, jongen. Ik moet die tafel nog tegen de watersteen krijgen.’

Miguel
74 2

Ramp in de bergen

De deur van mijn huis gaat zoals elke dag op hetzelfde uur open. Elke keer weer geniet ik van het uitzicht: de prachtige groene weides vol met margrietjes, het kabbelende beekje en de mist die als een waas voor de bergen hangt. Enkel de toppen zijn nog zichtbaar. Het zijn net vuurtorens die uitsteken boven een woeste zee. Het beloofd weer een prachtige dag te worden. Zoals dagelijks ga ik naar mijn schapen. Na een hele nacht binnen gezeten te hebben, mogen ze weer vrijuit mekkeren in de frisse berglucht. Ik laat ze los, en ze gaan spontaan naar de plek waar ze altijd naartoe willen. De plek waar het beekje wat groter is.  Vlak bij de vallei. Ik ga zitten op mijn vaste plekje, met Lassie, mijn hond, naast me. Samen kijken we toe hoe de schapen rustig zitten te grazen. Plots springt Lassie recht. Dit is niet van haar gewoonte. Ze richt zich naar de bergen. Ik begin iets te horen. Een geraas. Het wordt luider en luider. Het klinkt alsof regen en gesmolten sneeuw het beekje doen overlopen, en al het water met een stortvloed naar beneden stort. Het geluid van de Victoria Falls maal 10. En dat in mijn eigen kleine dorpje. De schapen hebben het ondertussen ook al gehoord. Ze beginnen in paniek te geraken, en lopen weg, in de richting van de stal. Ik volg de schapen. Lassie volgt ze ook, maar doet niet wat ze moet doen. Ze is in blinde paniek. Ik moet lopen om een beetje te kunnen volgen. Wat doe ik nu? Was het wel verstandig om ze te volgen? Te laat, ik kan niet meer terug. Op de berg waarvan het geluid komt, is een gigantische lawine aan het afkomen. Het is gigantisch, en het gebrul wordt ook alsmaar sterker. Ik hoop echt dat ik het overleef. Nu moet ik echt lopen alsof mijn leven ervan afhangt. ‘Lopen! Lopen!’ Oef, ik bereik op tijd mijn huis. De schapen lopen door, maar ik en Lassie kunnen naar binnen.  We zijn veilig. Gelukkig. Net als ik dat denk zie ik een deel van de lawine het dal instorten. Op het dorp beneden. Hopelijk zijn er geen doden gevallen. De lawine raast door, en komt alsmaar dichterbij. Ik voel me niet veilig. Ik voel me echt niet … ‘Huh, wat doe ik naast mijn bed? Was dit een droom of was dit een voorspelling?’ Ik ga gewoon weer rustig opstaan, en de schapen buitenlaten, zoals elke dag. Ik ga Lassie weer meenemen, zoals elke dag. En we gaan weer op dezelfde plek zitten, zoals elke dag. Naast het kabbelende beekje, tussen de margrieten op het groene veld, met in de verte de bergtoppen die boven de mist uitsteken.

buitencirkel
0 0