Zoeken

Onweer

Het is een zonnige dag, helderblauwe hemel, geen wolkje aan de lucht. Zittend op het strand, genietend van de zonnestralen op mijn nog bleke huid. De glinstering op het water weerkaatst in mijn zonnebril en veroorzaakt een kleine ophoping van traanvocht in mijn linker ooghoek. De zee roept mijn naam, tijd om de zeilen te heisen en me te laten leiden door de wind. Open zee, het zacht golvende water, ik voel me gelukkig en vrij.Ik proef het zout op mijn lippen, voel de frisse spatjes water op mijn benen en de zilte zeewind die mijn haren streelt. Innerlijke rust, blindelings vertrouwen, verder en dichter naar de horizon. Versmelting van zon en water, wordt het donker. Heldere hemel, met sterren die over me waken val ik in slaap. Een luide knal haalt me uit mijn dromen terug. Woeste zee, razende wind laat mijn schip schommelen in haar razernij. Flitsen lichten de hemel op. In de verte, tussen de regendruppels het wazige licht van twee kleine haventjes.De enige vraag die beantwoord dient te worden, zal de route bepalen. Kies ik voor mijn veilige thuishaven, daar waar me werd geleerd wat liefde is? Of voor het kleine haventje waar ik liefde vond en mijn hart verloor? Dat mooie haventje waar ik ben geworden wie ik ben of het romantische haventje waar ik me thuis voel. De wind raast door, golven slaan over het dek. Twijfelend, dekking zoekend, zet ik koers richting vasteland. De wazige lichten van mijn veilige thuishaven doven en bieden niet langer houvast voor de richting die ik uit moet.  Met een warm, maar triest gevoel vaar ik richting mijn nieuwe thuis. De haven binnenvarend gaat de storm liggen en val ik met een leeg plekje in mijn hart, in de armen van mijn nieuwe liefde.

Joni Motmans
19 1
Tip

alles, behalve

Ik voel mij onwennig in de kledij die ik gisteren heb gekocht.  Niet omdat ik niets had om aan te doen. Hetgeen ik had, een lang aansluitend zwart kleed met blote schouders, ging me té goed af. Ik had het online gekocht toen ik vijftien was en was te laat om het te retourneren. Vijf jaar later wurmde ik me er met lage verwachtingen opnieuw in en complimenteerde het plots mijn vormen. Ik heb niet veel vormen, dus het was quite the surprise. Hierna keek de spiegel me er ongemakkelijk in en kocht ik iets nieuw.  Ik sta derde in de rij.  De mensen die mij eerst benaderden werden vriendelijk verzocht op hun stappen terug te keren. Ofwel om de goede vrede te bewaren, de traditie in stand te houden of de volgorde in grootte van verdriet te waarborgen – alsof die bestaat. Ik ben erachter gekomen dat ik redelijk wat verborgen familie heb. Ik ben er ook meteen achter gekomen waarom dat best hebben blijft i.p.v. kennen. Iedereen deed alsof ze wisten wat aan te vangen met het voorwerp dat ze in hun handen geduwd kregen. Ze deden duidelijk gewoon hun voorganger na met het kruis dat ze maakten. Het was zodanig lang stil dat ik maar niet gevraagd heb of ze het thuis misschien eerst snel gegoogeld hadden. Aan de handen te zien die ik schudde - bezaaid met bloed-verdunde aders - wist ik het antwoord daarop eigenlijk al.  Ik ben verward.  De zon scheen en ik had het koud. Er liepen overschilderde elektriciteitsdraden langs het kaderment van de gegraveerde eiken deur. Ik vroeg me af waarvoor die dienden. Er waren geen lampen in de kamer. De pastoor zwierde het excentrieke broertje van een doordrenkte wc-borstel uit op de assepot. Het bleek een wijwaterkwast en ongepast om hierbij je lach in te houden. Niet omdat je niet hoort te lachen, maar omdat je niet de intentie hoort te hebben om te lachen. Ik weet dit. Ik weet ook dat je niet hoort bij te houden wie er weent en dat je niet bewust hoeft te zijn van hoe jij daar zelf niet toe behoort.  Ik denk aan alle automobilisten die niet claxonneren.  Naar het kerkhof toe liepen we de straat op, in volle verkeer, achter de lijkwagen. Ik had geen zonnecrème op mijn gezicht gesmeerd. Na drie opeenvolgende dagen was ik mijn nieuwe gewoonte om rimpels tegen te gaan, uitgerekend vandaag, vergeten. Ik liep vooraan, de wagen ging trager dan stapvoets. Ik ergerde mij aan de andere automobilisten. Ik hoorde ze niet claxonneren. Ik hoorde ze zich inhouden. Ik dacht aan wat voor een vreemde ervaring het is om in klaarlichte dag op straat te slenteren. Ik wist niet hoe ver het kerkhof was en hoe lang mijn samengeperste tenen het nog gingen uithouden. Ik dacht aan hoe snel kanker zich zou ontwikkelen na al die uitlaatgassen ingeademd te hebben en aan wat voor een goede chauffeur je niet moet zijn om zo traag te rijden en te stoppen en te rijden en te stoppen en te rijden, zonder stil te vallen. Ik dacht aan de motor in de auto en hoe spijtig het is dat die nooit eens goed kan optrekken. De bloemstukken op het dak van de wagen merkte ik pas op toen ze die eraf haalden om bij de asweide te leggen. Ik dacht aan hoe ik aan alles dacht, behalve. 

Amarant Plas
170 3

De letters in de tunnel bewegen

Shenzhen Thuiskomen, eten en douchen. Dat was mijn routine. Ik had een collega. - Een zwarte donkere dag. ik ben alleen. En op het werk ben ik al helemaal niet graag meer. Ik drink een kop koffie en ik kan weer volledig gaan. ‘Hej Shua. Hoe gaat het?’ ‘Goed, goed. Met jou?’ ‘Ook alles goed en wel.’ Ik wil geen tijd meer verliezen. De honderden microchips worden nu automatisch geconverteerd op een nieuwe chip. Dit was een rekenwerk dat er vooraf aan te pas ging, maar het rekenwerk heeft duidelijk zijn resultaat geleverd. Wanneer ik naar buiten ga, zie ik Shawnin een nieuwe werknemer, voor de intercom weer zitten. De bleke huid en de zware ogen die onder het zwarte haar uitsteken. Ik loop stil langs hem voorbij, voorbij het glazenraam, duidelijk genoeg want hij kan niet om mijn gestalte heen kijken. Zijn onschuldige blik gaat van zijn werkdesk naar boven. Verbaast door mijn mannelijke verschijning, weer zo laat voor de dag. ‘Daag Shawni’. ‘Hej’, piept ‘ie. De jongensstem uit zijn keel maakt me lichtjes verward, maar tegelijkertijd sterk aangetrokken tot hem. ‘Heb je plannen vanavond?’ ‘Nee, ik heb niets gepland voor vanavond. Hoezo?’ ‘Zin om vanavond mee naar de cinema te gaan? Ze draaien Fight club. Het moet blijkbaar echt de moeite zijn heb ik gehoord.’ ‘Oh, ja graag! Hoe laat spreken we dan af?’ ‘Mh, wat dacht je 20 uur aan de traphal van Utopolis? Ik kom vanuit mijn huis gewoon te voet.’ ‘Oké, top ideaal’ ‘Oke, tot later dan’. Hij stapt langs de voordeur van het gebouw weg. In de glasweerspiegeling van het bedrijf op de buitenbouw zie ik mijn eigen verschijning. Wat zie ik er weer goed uit vandaag en wat een berg werk heb ik weer verzet. Ze hebben me verkozen als beste werknemer van de maand. Het is onvermijdelijk mijn werk te erkennen. - Als ik ’s ochtends op het werk aankom zit hij nog aan de intercom van de vorige shift, met een plastic koffiebeker naast zich en kleine wallen onder zijn ogen. Zonder het te weten is hij bloedmooi door gewoon imperfect te wezen. ‘Goeiedag’, zoals ik zeg tegen al mijn collega’s en een schaamrood kleurt de blanke vrouwenwangen van de man. - Ik kom met de hond thuis, terwijl mijn partner al aan het werk is. De tas koffie staat nog op het keukenblad en de thermos op het aanrecht is ook meegegrist zie ik. God, wat hou ik van hem. Hij heeft zo’n jonge verschijning, dat ik wel een vijftiger naast hem lijk. De laatste dagen kringen er wallen onder zijn ogen, maar dat maakt hem sexy, kwetsbaar. Gisterenavond kwam ik hem ophalen en daar zat hij dan aan de intercom oproepen door te geven. Hij heeft dikwijls andere shiften dan ik. Ik neem hem mee aan zijn hand, open de deur voor hem. Ik behandel hem als mijn fragiele koning. Op weg naar huis in een auto met het dak opengedraaid. Aangekomen thuis leggen we netjes onze spullen weg. Alsof waar we alles legden breken kon. We hebben dan bijvoorbeeld een salontafel van glas en verder een fragiel interieur. De boodschappentas uit de auto sleur ik op tafel. Ik scherp de messen aan en nadat hij zijn jas heeft weggehangen blijft mijn blik aan hem plakken. Zo klein en fijn. Ik wil hem op mijn schoot hebben, maar het lijkt anderzijds bijna pervers da ik hem op mijn schoot claimen kan. - Het is al donker. 20 uur. Ik parkeer de auto op de oprit. Ik zie een zwarte kikker op het muurtje naast de autodeur. Een zwarte punt in het landschap. Niets betekend en vergiftigd. Zoals ik. Ik heb zin om hem dood te trappen, maar ik weet dat dit gelijkstaat aan een doodtrap geven aan mezelf. Met jeukende vingers verlaat ik het erf. Ik ben woest op mezelf. Hoe kan ik het nu zo ver laten komen. Ik kruip op de bank met mijn kleren en schoenen nog aan. Ik trek een deken over mij en treur voor een afstaande tv. Ik heb geen zin meer om deze aan te zetten. Mijn rug en nek doen pijn en ik besluit gewoon te gaan slapen. - 6:00 u. Grrr. Ik wil niet. Ik word wakker met een lege plek naast m’n bed. Met een maag die aan mijn ribbenkast plakt sta ik op. In de badkamerspiegel zie ik mijn ribben lichtjes uitsteken. Ik trek me het eerstvolgende hemd uit de kast aan en broek dat vanboven ligt. Och hoe afschuwelijk. Ik poets m’n tanden gauw. Steek fruit en toast in mijn tas van gisteren en ik ben klaar voor vertrek. ‘Hej Shawn’, ‘goeiemorgen Drik’, ‘hej Gert’, ‘hej Silvie’. Zij zijn de enigste al aanwezig op het werk. De poetsvrouw, de nachtwacht,  Het begroeten gaat me niet meer af en ik heb geen zin meer om voor anderen op voorhand te springen. Ik kruip naar mijn bureau, pin me eraan vast en wanneer de taken uitgevoerd zijn, batch ik als eerste terug uit. Het is genoeg geweest. - ‘Computeringenieurs gezocht in Abu Dhabi.’ Ik klik op de link. Een vacature voor een online sollicitatie en een chalet voor overnachting. Ik bewaar de link en tijdens het werk pas ik regelmatig mijn cv en motivatiebrief aan. Alleen een vertaler zou de brief nog moeten nakijken. Ik stuur de brief discreet door naar een collega waarvan ik weet dat hij de brief wel vertalen wil. - ‘Beste Chaoxing, wij delen u mee dat u geslaagd bent voor de sollicitatie. Graag ontvangen we u maandag 24 maart 2022 aan de hoofdingang van ons kantoor. Kantoor Digital Innovation Technology Company ‘. Ik vang de woestijnvlakte al vast in mijn hoofd. _____________________________________________________________________________________________________ Abu Dhabi 8:30 u. Ugh. Jetlag. Ik trek het klaargelegde hoopje kleren aan, scheer me en vertrek zodra ik glad ben. Computerchips programmeren in het Chinees en in het Engels. Na de metrohalte nog een straat naar rechts. Het bedrijfsgebouw is geplakt met kristallen glazen. Ik word verwelkomd door een robot aan de automatische inkomdeur. Op de welkomstmat in de inkomhal herken ik de bedrijfsnaam in Arabisch schrift. Links een leeg onthaal, en in het midden, een gigantische marmeren trap tot boven. ‘Hallo, welkom in DITC-bedrijf. Kan ik u hulpen?’ ‘Goeiemorgen, ja, ik had een afspraak met meneer Hutcheon. Hoe is uw naam? Chaoxing. Oké, ik zal heer Hutcheon belllen. U kan hier ondertussen wachten. Ze wijst naar de lage zeteltjes in de hoek. Goedemorgen. Chaoxing, toch? Ik zet een glimlach op. Klopt. Oké, super. Ik ben heer Hutcheon. We schudden elkaars hand. Ik ben van de Verenigde Staten, maar ik ben van het hoofdkantoor van Washington naar het zusterbedrijf in Abu Dhabi verhuist. Ik zal je laten zien waar het kantoor voor de computer programmatie en installatie is. De lange benen slaan de oneven marmeren treden over. De deur van het kantoor lijkt op de deur van mijn vroeger werk. Hier is het kantoor voor computerinstallatie en programmatie. Gedeeld met zes andere collega’s.  Zes Chinese werknemers, en een blanke, opereren computerchips op een rij aan een lange tafel. Ik hoor de werken van buiten, de zeelucht van buiten plakt op mijn huid tot in de kantoorruimte en een golf van geilheid dringt me binnen opeens omringd te zijn door zoveel mannelijkheid bijeen in dezelfde ruimte. Goedemorgen iedereen, dit is Chaoxing. Hij is aangenomen voor het decoderen van Chinese naar Engelse computerchips. Kan iemand Chaoxing door het gebouw leiden? Dank u. Hallo, aangenaam. Hoe heten jullie? Denver, Aslam en Terry. Waar is het toilet? Hier links, gebaart Aslam. De weerspiegeling van mezelf in de badkamerspiegel schrikt me af. Warm water, make-up lichten, marmeren muren, zwarte deuren met goude deurklinken en een automatische doorspoelknop. Ik sta verstelt van de werkomgeving van witte luxueuze draaistoelen, flatscreen teevee’s, koude bar met Libanese en Indische keuken. De nieuwe wereld komt in als een bom. Na de korte ‘tour’ door de blanke man Terry eindigen we met koffie in de koffiehoek. De computerchips veranderen op het werk is vooral gewoon codering van het Chinees naar het Engels. Computersoftware moet overgemaakt worden en het is zo’n precisie werk, dat het best denigrerend is. In China werken ze momenteel aan de ontwikkeling van universele chips. Hier zijn ze precies uit op instant-klare producten voor de markt. Ik ben sinds gisterennacht aangekomen. Vanwaar ben jij, Terry? Washington, net als Hutcheon. Ik heb Chinees gestudeerd aan de universiteit. Na m’n studies ben ik onmiddellijk gaan werken en ik heb me dan nog bijgeschoold. Zo dus ben ik hier terechtgekomen. Hoe is je eerst dag verlopen in de Verenigde Arabische Emiraten? Goed, goed. Nog geen problemen gehad. Lieg ik tegen mezelf. Het is best oké werken. Ik bedoel het land alleen al maakt het werk plezant, vult Terry zichzelf aan. Maar oké we zullen maar terug aan de slag. Als een vraag je dringt, je weet waar ik ben. Tot slot ben ik 7 uur aan het werk. Minder dan ik eerst gewoon was. Toch is er een zware druk in mijn nek waar ik maar niet vanaf kan. De klok slaat 16 uur. Ik neem afscheid, pak mijn spullen bijeen en sluit mijn computer af. Op weg naar de uitgang zet ik mijn tas koffie bij de afwas op het bureau. Eens buiten beneemt de warmte me meteen. Mijn das trek ik losser. De werkdag zit erop. Teevee kijkend val ik in de zetel van mijn nieuwe woning in slaap. Ik wil een knuffel, maar niemand is er helaas. - Ik ruik de lucht en het zand van de zee. Met mijn vogelhanden leg ik een handdoek neer. Mijn buik is verlept geworden en hangt vanvoor over mijn zwemshort. Badende mannen en vrouwen voor mij. Kinderen die glimlachend vooruitlopen. Alles is vrolijk in het landschap maar ik voel me er een olifant. Een ijsjesman geeft een clownijsje op een stokje aan een kindje. Het kindje betaalt met een biljetje vijf. De ouders staan achter hem en wonen het spektakel bij. Wat zou ik graag een ijsje samen met mijn vriend daar willen gaan halen … Pffff. Ik leg me neer op mijn handdoek. Het moment van de waarheid moet nog komen wanneer de zon ondergaat. 18 uur ’s avonds en de hemel kleurt roodblauw. Vanachter mijn zonnebrilglazen kan ik dit erotische theater voyeuristische beleven. Nu is het donker. Mijn ogen prikken. Alsof aan het einde van een yogales rol ik mijn handdoek zorgvuldig op, werp het in de rietenstrandtas van de chalet, knoop mijn hemd over mijn zwemshort en in flipflops keer ik naar de waterpomp om mijn voeten af te sprieten. Aan het perron stap ik op de bus, net zoals vele andere ouders en hun kinderen (het is immers al laat), naar de chalet terug. -- De metro raast met mij erin door het metropool-futurologische landschap. Mensen van alle soorten omringen: moslims, indianen, zwarte mannen en blanke vrouwen met vliegennetten voor hun gezicht geplakt. Blauwige licht bedrukte lucht. Een koelte dat buiten mijn gezicht beneemt; Ik voel de Indische Zee, de moskee, de havens en de werken op mijn huid drukken. Ik voel een lege luchtdruk op mijn huid drukken die zonder dieren bewoond is. De gewone luchtdruk en de zuivere zandwoestijn kleuren het land dat werd bekleed door een stadsdoek. Met mijn werktas over men rechterschouder zet ik me neer in een bar om de hoek en bestel ik een koffie voor twee. Hoewel ik me gewoon graag op een van de tredes van een gebouw neerzet, durf ik het niet in het lege landschap, onbekleed met mensen, alleen van voorbijrazende auto’s met weinig geluid. Er is geen vuilsprietje aan de gebouwen te zien. _____________________________________________________________________________________________________ De Sjeik Zayid van Abu Dahbi. Hallo, één ticket alstublieft. Dat is dan 15 Dirham, met audiogids erbij is het 25 Dirham. Met audiogids dan alstublieft. Alstublieft. De tour begint hier links. De moskee was gebouwd in 2004 en werd vervolledigd in 2007 ratelt door mijn oor. Moslims bezoeken het gebouw. De zuilen zijn verpletterend. Witte zonneschijn maakt me blind en nietig tegenover de godsdienst. ٢ عَامِلَةٌۭ نَّاصِبَةٌۭ ٣ تَصْلَىٰ نَارًا حَامِيَةًۭ ٤ تُسْقَىٰ مِنْ عَيْنٍ ءَانِيَةٍۢ ٥ لَّيْسَ لَهُمْ طَعَامٌ إِلَّا مِن ضَرِيعٍۢ ٦ لَّا يُسْمِنُ وَلَا يُغْنِى مِن جُوعٍۢ ٧ وُجُوهٌۭ يَوْمَئِذٍۢ نَّاعِمَةٌۭ ٨ لِّسَعْيِهَا رَاضِيَةٌۭ ٩ فِى جَنَّةٍ عَالِيَةٍۢ ١٠ لَّا تَسْمَعُ فِيهَا لَـٰغِيَةًۭ ١١ فِيهَا عَيْنٌۭ جَارِيَةٌۭ ١٢ فِيهَا سُرُرٌۭ مَّرْفُوعَةٌۭ ١٣ وَأَكْوَابٌۭ مَّوْضُوعَةٌۭ ١٤ وَنَمَارِقُ مَصْفُوفَةٌۭ ١٥ وَزَرَابِىُّ مَبْثُوثَةٌ ١٦ أَفَلَا يَنظُرُونَ إِلَى ٱلْإِبِلِ كَيْفَ خُلِقَتْ ١٧ وَإِلَى ٱلسَّمَآءِ كَيْفَ رُفِعَتْ ١٨ وَإِلَى وَإِلَى ٱلْأَرْضِ كَيْفَ سُطِحَتْ ٢٠ فَذَكِّرْ إِنَّمَآ أَنتَ مُذَكِّرٌۭ ٢١ لَّسْتَ عَلَيْهِم بِمُصَيْطِرٍ ٢٢ إِلَّا مَن تَوَلَّىٰ وَكَفَرَ ٢٣ فَيُعَذِّبُهُ ٱللَّهُ[i] Het water stroomt naar beneden. Ik ga door een gang waar ik alleen ben zonder andere bezoekers. De letters in de tunnel bewegen. Ze lijken te kronkelen. De Arabische letters kruipen als zwarte rupsen verder op de muur en dwingen mijn blik naar het einde van de tunnel. De uiteinden van de Arabische letters pakken mijn enkels vast. Ze knellen zich rond mijn handen en voeten. Ik val met een klap voorover op mijn gezicht. AAAH. In het witte licht. Immense gebouwen flitsen voorbij mijn ooghoeken langs. Ik zit in een draaikolk waarin het ene gebouw na de andere voorbijflitst in de volgorde waarin ik ze heb bezocht. Ik doorga terug mijn leven in reverse. Van achteren naar voor. Ik beleef de reis in Abu Dahbi terug toe naar het begin. Shenzhen Mijn eerste job. Ik weet nog goed dat ze me een job aanboden. Ik zei ‘ja’. Iets waar ik jaren achteraf spijt van had. Zweet breekt me uit, en m’n ballen jeuken. Dit is echt. Nee, is het eerste dat uit mijn mond in deze onlogische nieuwe werkelijkheid druipt. De stagementor kijkt. Je meent het. We dachten dat je hier altijd al graag zou willen werken zoals je ons al eerder verteld heb. Ik kijk. Bon. Geen probleem. Het is wat het is. Vergeet niet dat je de komende vijf jaar bij geen concurrentie kan gaan werken volgens het arbeidsrecht. Alsof ik mezelf hierna nog zag werken in een gelijksoortig bedrijf? Ik knik, maar ik vertik het om duidelijk in mijn communicatie te zijn. Ik raap de spullen bijelkaar, stop de burelen van de collega-vrienden en  een neem afscheid volgens de norm het toelaat. Dirk is mager. In die jaren moet hij veel gegeten hebben. Ik wandel alleen over het pand. Hoe echt-onecht is dit? De zon schijnt hard. De verloren 15 jaren zijn nu. in één woord rechtgezet? Fysiek ben ik 15 jaar jonger. Geen nekgevoel bedrukt me nog. Mijn geheugen herinnert zich niet meer hoe het voelt. Mijn benen gaan. goed. Dit alles lijkt een waan. Ik heb de kans men leven terug in handen te nemen. Ik neem de bus terug. naar huis? geen Chinezen kan ik meer zien in dit landschap.

paeshuyselore
3 1

Veel plezier

“Veel plezier”: riep ik nog terwijl ze naar haar vriendjes toe huppelde. Ik keek nog even na en deed het raampje weer dicht, zette de radio aan en vertrok naar huis. Een kwartiertje later drukte ik een aantal keer op het bakje van de garagepoort. Ik stapte uit, deed mijn pantoffels aan en legde mijn sleutels in het schaaltje. Ik had nog een klein hongertje en besloot dus een snelle hap te verorberen voor ik naar boven zou gaan om van een welverdiend dutje te genieten. Ik pakte een kommetje deed er wat cornflakes en melk in en plofte neer voor de TV. “Premier Verstraeten kondigde vanochtend in een persconferentie code rood aan door de aanhoudende hitte. Ze verklaarde dat het belangrijk was geen water te versp-- Breaking news! De politiechef van Brugge heeft zojuist gemeld dat er 3 vrouwen zijn ontsnapt uit de gevangenis te Sint-Kruis. Het zou gaan om …” De rest van de zin moest niet worden afgemaakt voor mij om te weten over wie het ging. De geur van Ultra Doux shampoo voor blonde haren kwam mij maar al te bekend voor. De angst verspreidde zich als een koude rilling over mijn hele lichaam. Het gevoel dat ik niet alleen was werd overdonderend. Ik besloot dat het beste wat ik kon doen, was om rustig richting mijn auto te stappen. Fientje op te halen en wachten bij mijn broer tot dit alles over was en ze eer achter slot en grendel zat. Ik stond recht. Liet de TV spelen. Pakte mijn sleutels. Ik zette mijn half opgegeten kommetje cornflakes naar op het aanrecht. Ik stapte in mijn auto en ramde meerdere keren op het bakje. De poort ging niet open. Ik probeerde nog eens, zeker wel honderd keer. De poort ging maar niet open. Ik stapte uit mijn auto om de poort met de hand te openen. Ik voelde het koude heft van het keukenmes mijn rug doorboren en zich een weg banen door mijn lichaam. Het weer langzaam uit mijn lichaam getrokken worden en er terug in kruipen en nog een keer. Elke keer sneller en met meer kracht dan de keer ervoor. Ik denk dat het na de zevende keer was dat ik mijn bewustzijn verloor. Het enige wat ik op dat moment kon denken was: “Wie gaat Fientje ophalen?” Enkele dagen later werd ik wakker in de intensive care van het Sint-Lukas. Mijn broer en moeder zaten naast mijn bed te wachten. De stilte in de kamer had ik nog maar één keer eerder gehoord en dat was enkele maanden terug toen ik in de rechtbank wachtte op de uitspraak die Lotte zou veroordelen tot 10 maanden celstraf en een contactverbod met mij en mijn dochter voor de komende 3 jaar. Mijn broer was de eerste die opmerkte dat ik was wakker geworden. “He broertje cava?” Mijn moeder had ook al snel door dat ik wakker was en bekogelde me al snel met allerlei vragen. “Lig je goed? Moet ik je kussen opkloppen? Heb je dorst? Wacht ik zal een verpleegster roepen.” Ik had de kracht niet om op al deze vragen te antwoorden. Ik wist er wel één woord uit te murmureren: “Fien” Mijn broer en moeder keken allebei weg, mijn broer naar de grond en mijn moeder uit het raam. Na een eeuwigheid zei mijn broer: “vermist” hij zuchtte “Lotte heeft Fien opgehaald bij het feestje, de vrouw wist niet van het contactverbod. Het was pas tegen 4 uur dat er alarm werd geslagen nadat je buurvrouw, mevrouw Dexters, je had gevonden in je garage. De dokter zegt dat het een mirakel is dat je nog leeft.” Het voelde niet als een mirakel. Ik had me nog nooit slechter gevoeld. Toen ik Fien de laatste keer zag, was ze gelukkig geweest en zat haar moeder, voor zover ik wist, nog achter slot en grendel. Die namiddag kwamen er nog enkele mensen op bezoek. De dokter vertelde me dat ik 17 keer was gestoken en dat het een wonder was dat ik niet was doodgebloed daar in mijn garage of op de operatietafel. Niet lang daarna kwam er een politieagent langs om enkele vragen te stellen. De inspecteur was een slanke man met gelekt haar en hij had een notitieblokje mee waar hij gedurende het hele gesprek op noteerde. “Kunt u mij vertellen wat er gebeurde vanaf dat u Fien hebt afgezet?” Ik vertelde hem exact wat er was gebeurd. Hoe ik Fien had afgezet, de weg naar huis, over de cornflakes, het nieuws en uiteindelijk over de garagepoort die niet werkte. Na mijn verhaal vroeg ik of ze iets meer wisten. “De auto van uw ex-vrouw is laatst gesignaleerd in Wattou vlak bij de Franse grens. We hebben de Franse autoriteiten ingelicht en zullen al onze bevindingen ook met hen delen, maar als uw ex-vrouw daadwerkelijk de grens is overgestoken dan is er weinig dat we hier kunnen doen. Het is een kwestie van tijd voor we een nieuw spoor vinden.” “En Fientje?” “We hebben op dit moment geen reden om te denken dat Lotte Fientje iets zou hebben aangedaan of haar hebben achtergelaten, dus wij gaan ervan uit dat ze nog steeds bij haar is.”

Dongo
6 0

Treinrit

Er lijkt geen eind te komen aan de kronkelende slang van wel vijftien rijtuigen lang, die zich sissend en knarsend tussen de perrons wurmt. Ik ben deel van de wemelende meute die zich naarstig naar binnen wringt. Terwijl de trein zich weer op gang trekt, loop ik zo ver mogelijk in tegenovergestelde richting. Door bedompte compartimenten, overvolle gangetjes en wiebelende verbindingen. Hoe verder, hoe minder rafelige rugzakken, hoe meer kans op een rustige rit. Ik plof neer op het laatste vrije zitje in een box voor vier, oog in oog met een bejaarde heer van stand, compleet met driedelig maatpak, pochetje, en oude, magere handen rond de knop van zijn wandelstok. Ik recht mijn rug zodat onze knieën elkaar niet hoeven te raken, en laat mijn blik door de coupé dwalen.  Ik zie haar weer. Sinds we elkaar voor het laatst kruisten, als onvoorspelde bliksemflitsen op heldere dag, ben ik altijd op mijn hoede. Ik betrap mezelf erop haar te zoeken. Overal, waar ik ook maar mensen tegenkom. Zodat ik op tijd kan schuilen voor het geval ik haar echt zie. Zodat ik mijn zenuwstelsel kan waarschuwen voor eventueel vallende rotsblokken.  Ik zoek en vind haar in de kastanjebruine ogen van de verkoopster in de kledingwinkel. In de ranke polsen en handen van de kleuterjuf aan de schoolpoort, zeker als die ook minstens één grote, opvallende ring aan de vingers heeft. En deze keer in het donkere, golvende haar van de jonge vrouw, zeven stoelen voor me. Maar ze is het nooit echt. Nooit meer in het echt. Ze zit tegen het gangpad, net als ik, maar dan aan de andere kant, met haar rug naar me toe. Naast haar zit een jongen van een jaar of vijf. Hij verveelt zich, kruipt tegen de leuning omhoog en monstert zijn medereizigers. Waaronder ik. Ze maant hem met een enkele beweging aan om mooi te gaan zitten. Intussen leest ze onverstoorbaar verder. Zoals ook zij onverstoorbaar kon zitten lezen, vooral in Spaanstalige auteurs. Ondertussen zat ik aan haar keukentafel mijn zeventig-of-zo gedichten over te schrijven in drie zwarte Moleskine notitieboekjes. Met vulpen. Ik had nog nooit gedichten geschreven. Tot dan. Ze kwamen uit het niets. Vielen als blauwe inkt uit mijn gedachten.  Muze was haar lievelingsgedicht. Ze neemt iets uit haar tas. Een zakdoekje. De kleine snuit er zijn neus in. Ik hield van haar. Zij ook van mij. Maar dat kreeg ze niet over haar lippen. Ik zag dan even iets vochtigs in haar ooghoek verschijnen. ‘Zulke dingen zeg ik niet snel,’ zei ze dan. Het kon niet. Het mocht niet. Waarom? Weet ik niet meer precies. De trein stopt en lost een eerste lading reizigers. Een verliefd koppeltje neemt afscheid op het perron. Bij ons eerste afscheid hebben we gevreeën zoals zij en ik nog nooit gevreeën hadden. ‘Alles met jou is zo ongezien,’ fluisterde ze, en in een pure verstrengeling lagen we ons afscheid nog wat uit te stellen. Toen vertrok ze voor een maand naar een berg in het verre oosten. Het zou alles draaglijk maken. Na die maand zouden we elkaar niet meer nodig hebben. We razen langs rommelige achtertuinen. ‘Kijk métie,’ roept de kleine. ‘Een trampoline.’Métie. Ze had een petekind, Bas. Ik heb hem een keer gezien toen ze met hem door de stad liep, waar we afgesproken hadden om elkaar toevallig tegen het lijf te lopen. Hij zat in de buggy een ijsje te verorberen. ‘Basje-baasje ijsje eten!’ riep hij triomfantelijk. En of ik ook ijsjes lustte. Bij het tweede afscheid gaf ik haar een boek cadeau. Het was ook haar verjaardag, vandaar. We wandelden door een bos, stopten om onze voorhoofden, onze neuzen en onze monden tegen elkaar te vleien, en elkaar vervolgens zowat te consumeren. Ik stopte twee eikenbladeren in het boek en zij drukte een lange kus op mijn wang. ‘Beloof me dat je altijd voorzichtig zult zijn,’ zei ze. Ik beloofde het. Ik deed alles wat ze me vroeg. Die avond schreef ik een gedicht over consumeren. We vertragen. Ze kijkt door het raam. Ik zie haar gezicht een seconde lang in profiel. De trein schokt. Een drafje in mijn borstkas. Opa met de wandelstok schrikt op. We rijden voorbij knipperlichten. Buiten staat een blauwe Volkswagen Polo voor de rinkelende slagbomen. Toeval. Zij had net zo een Polo. Op een avond in januari reden we uren aan een stuk doelloos rond. Ik zat achter het stuur, zij naast mij, Spotify in haar handpalm. We stopten op een verlaten plek en stapten uit om te dansen onder maanlicht. Nick Cave, David Bowie. Het was koud en ze knoopte haar sjaal als een hoofddoek. ‘Mooie Moslima,’ was alles wat ik kon uitbrengen, verdwaasd door haar smekende, donkere ogen. Ons laatste afscheid dateert alweer van drie jaar geleden. We vreeën niet, we kusten niet, omhelsden niet. We zijn weer vreemden nu. Niet langer heroes, for ever and ever. Niet the one that I’ve been waiting for. Het was ons definitieve afscheid. Net zoals de keer ervoor, maar dan harder. Net zoals de keer dáárvoor, alleen duurt het nu wat langer. De kleine grist iets uit haar tas. Een koek. De hele inhoud gaat tegen de vlakte: autosleutels, kleingeld, een flesje water, een portemonnee, het boek - hét boek ...‘Nee, Bas!’ roept ze, ‘we moeten hier uitstappen.’ … vrouwendingen, muntjes ... De trein stopt. Er scheurt iets. Mijn hoofdhuid? Mijn netvliezen? Kraakbeen? Deuren suizen open. Reizigers stappen uit. Stemmen op het perron. ‘Sorry, métie,’ pruilt Basje-baasje. Hij probeert te helpen, maar maakt de chaos alleen maar groter. Opa’s ogen puilen. … drie zwarte schriftjes. Samengebonden ... Mijn borst zwelt. Een huilende hengst in galop. Hij beukt door de omheining. Ze graait alles bij elkaar, de schriftjes gaan als eerste weer in haar tas. … gedroogde herfstbladeren ... Watergordijn. Er sluipt iets over mijn wang. ‘Basje, Basje, wat doe je toch!’ Deuren zuchten. Klappen simultaan dicht. De trein zet zich in beweging. Ze richt zich op. En vindt me.  (c) J.S. - juni 2021

Simon S.
1 0

De goddeloze hut in de hemel

Het is donderdag, de voorlaatste ski-dag. Mijn dochter van 12 wil nog één piste doen, maar haar broer en vader hebben geen zin meer. Ze kijkt in mijn richting en vraagt of ze samen met de jongens die ze enkele jaren geleden op diezelfde berg leerde kennen nog één piste mag doen. Hun ouders gaan ook mee zegt ze. Ik zie mijn kans eindelijk een half uurtje voor mij en mijn herder daarboven te hebben, dus zeg ik dat het goed is en dat ik ook meega. We springen alle zes op de zetellift. Het begint harder te sneeuwen. Boven aangekomen willen de jongens met hun ouders zo snel mogelijk naar beneden omdat het te hard waait en de sneeuwvlokken daardoor in het gezicht prikken, maar in plaats van alles goed dicht te snoeren klik ik mijn latten los. De mama van de jongens kijkt me aan en vraagt of ik hier blijf. Ja zeg ik, ik ga even mijn vriend bezoeken, de herder die ik al 27 jaar lang ken en bijna jaarlijks bezoek. Ze kijkt me bedenkelijk aan terwijl ik mijn dochter zeg dat ze goed bij de jongens en hun ouders moet blijven en beneden aan haar papa moet zeggen dat ik wel op tijd zal zijn voor de laatste dal-afvaart. Ze reageert enthousiast op deze verworven vrijheid en verantwoordelijkheid, maar toch draai ik me om met gemengde gevoelens: die van een slechte moeder en een vrijgevochten zestienjarige. In vijf stappen ben ik bij hut van de liftbediende, mijn herder. Nog voor ik de klink kan vastnemen zwaait hij de deur al open en verwelkomt mij met zijn Tirools accent waar ik destijds meteen verliefd op was. Hij schuift een bureaustoel naar me toe en gaat zelf ook weer zitten. Zijn ogen stralen en hij lacht zijn mooie witte rechte tanden bloot. Een warm gevoel gaat door mijn buik. Verdorie wat ziet hij er goed uit na al die jaren. Waar blootstelling aan teveel hoogtezon normaal verouderd lijkt het hem jaar na jaar te verjongen, terwijl mijn tekort aan slaap en teveel aan zorgen duidelijk sporen heeft nagelaten in mijn gezicht. Maar het maakt eigenlijk niet uit, want hij ziet nog steeds dat zestienjarig meisje, dat voelde ik enkele dagen geleden ook al op de eerste ski-dag na drie jaar corona. De hut is uit glas en staal gebouwd, wat heel anders aanvoelt als de houten hut waar we 27 jaar geleden zoveel uren hadden doorgebracht. Zijn GSM heeft de telefoon met opwindhendel en tuithoorn vervangen. Hij bezit ook geen eigen sneeuwscooter meer waarmee hij mij in duizelingwekkende snelheid de berg op kan brengen om me daar helemaal de adem te benemen met zijn vurige zoenen alvorens weer naar de hut af te dalen. Voor de rest lijkt er niet veel veranderd. Er ligt een catalogus van landbouwmaterialen, er hangt een klok en een kruisbeeld aan de muur en hij zit in een warme blauwe jas ingeduffeld vanonder zijn petje naar mij te kijken. Ik zet mijn rode ski-jas open omdat de warmte uit mijn buik naar mijn wangen stijgt. Zijn blik volgt mijn vingers en hij lacht omdat ik het heb opgemerkt en schuift dichterbij met zijn stoel op wieltjes. Ik zucht en lach terug, gooi mijn hoofd in mijn nek en draai eens rond op mijn wieltjes. Ik ben echt weer zestien. We hebben een half uur zeg ik, niet veel maar na elkaar drie jaar niet gezien te hebben ben ik blij met elke minuut. We praten, lachen en kijken. Intussen schuiven zetel voor zetel voorbij het grote raam achter zijn bureau met groene, rode en gele knoppen, hendeltjes en tellers die hij maar half in de gaten houdt. De meeste zetels zijn leeg, hier en daar een tweetal mensen die zich ondanks het slechte weer toch nog de berg op wagen en die door de laatste schok van de lift stuntelend in de diepsneeuw worden gedropt. Het lijkt alsof we onzichtbaar zijn en controle hebben over de hele berg en onderliggende vallei vanuit onze goddeloze stuurhut. Even voelt het zoals in die zomer toen we samen in de herdershut waren, totaal afgesneden van de bewoonde wereld, allebei jong, onwetend en een beetje vluchtend voor de toekomst. Wat heb ik dit gevoel gemist, de tijd die wordt stil gezet, dromen en realiteit die zich met elkaar verweven, alleen nog gisteren en vandaag, maar geen morgen. In die hut lukt het verdwijnen in de tijd zonder enige moeite, thuis moet ik me daar eerst ladderzat voor drinken en dan met een kater op het warm verlaten strand gaan liggen. Ik zucht van geluk. Hij probeert me te overhalen om te wachten tot het hele gebied sluit en dat hij me wel zal afzetten, maar zelfs mijn vrijgevochten zestienjarige had al verantwoordelijkheidsgevoel en dat schreeuwde meestal net op tijd, soms iets te laat boven het tijdloze uit. Mijn blik valt op de lege piste, de dichte mist, de sneeuw en hevige wind en even overvalt me weer de paniek van mijn onbezonnenheden die me in het verleden bijna het leven kostten. Maar de herder liet me al eerder angsten overwinnen. Ik neem afscheid, krijg heel moeizaam mijn latten aan doordat er teveel sneeuw is gevallen, maar dan suis ik door de lucht en giert de adrenaline door mijn lijf. De laatste skiër, veertigplusser en moeder van twee kinderen die even terug zestien wou zijn. Af en toe moeten we ons hoofd eens leeg maken, morgen vergeten, ons hart volgen en vertrouwen dat alles goed komt.

Fien SB
57 2

De regen valt altijd ergens

Een man laat zich met een zucht op de zetel tegenover die van mij zakken. Een obese zestiger die puft als was hij de locomotief die straks alle wagons opnieuw in beweging moet krijgen. Wellicht heeft hij gelopen om de trein te halen. En dat terwijl het buiten drukkend warm is. Er hangt onweer in de lucht. Snakkend naar adem staart hij me aan met ogen die doen denken aan een waterige soep waarin vet drijft. Zijn borstkast gaat wild op en neer terwijl zijn gelaat van rood naar vagaal wit verkleurt. Er parelt zweet op zijn voorhoofd. Ik vind het gênant, dit schouwspel, wend me af en vergis me, zoals ik me al vaak vergist heb. Ik denk dat we ons in beweging zetten, maar het is de trein op het andere spoor die vertrekt. Wij staan nog steeds stil. Ik staar naar het perron aan de overzijde. Daar is enkel een jonge vrouw achtergebleven die op een harde bank een lijvig boek leest. Ze heeft haar benen, waarop het boek rust, over elkaar geslagen en buigt licht voorover, waardoor een weerbarstige haarlok steeds weer voor haar ogen valt. Het is echter vooral het spleetje tussen haar borsten, zichtbaar doordat ze een laag uitgesneden jurkje draagt, dat mijn aandacht trekt. Spiedend naar haar, met het gehijg van de man in mijn oren, dienen in mijn hoofd zich reeds de eerste beelden van een ordinair stationsromannetje aan. Dan weerklinkt verderop een schril fluitje en een paar seconden later trekt onze trein zich traag op gang.   De ademhaling van de man is rustiger geworden. Ik blik nog steeds naar buiten, naar het landschap dat nu snel voorbijflitst, maar zie in de weerspiegeling van de ruit hoe hij met een zakdoek het zweet van zijn gelaat veegt en tegelijk zijn ogen op mij gericht houdt. Ik voel aan mijn theewater dat hij aast op een praatje. Ik blijf halsstarrig naar de donkere wolken turen en schrijf noest verder aan mijn stationsromannetje, waarin niet deze pafferige kerel maar de lezende vrouw van daarnet tegenover mij heeft plaatsgenomen. Ze is nog steeds verdiept in haar boek. Ik wacht geduldig tot ze opkijkt om oogcontact te maken en haar aan te spreken. Wat zal ik zeggen? Met welke woorden kan ik haar prikkelen zonder irritatie of weerstand op te wekken? De man kan niet langer wachten. Hij schraapt zijn keel en zomaar vanuit het niets deelt hij me mee dat het verschil tussen rouw en depressie is, dat bij rouw de buitenwereld leeg is geworden en bij depressie de binnenwereld. En dat bij hem wel eens van beide tegelijk sprake zou kunnen zijn. Dat kan tellen als opener. Ik wend mijn blik af van de wolken en frons mijn wenkbrauwen terwijl ik hem recht in de ogen kijk. ‘Zo?’ zeg ik. Nu wendt hij zich af en lijkt in gedachten te verzinken. Ik wacht. Wanneer hij weer opkijkt, zegt hij: ‘Mijn vrouw is exact twee jaar, drie maanden, één week en vijf dagen geleden gestorven.’ ‘Dat is bijzonder precies,’ zeg ik. ‘Het is alsof het gisteren was,’ zegt hij. ‘Ze had kanker. Uitgezaaid. Dat wil je niet meemaken. De dokters konden niets meer voor haar doen.’ Hij staart opnieuw naar buiten en zijn ogen lijken plots evenveel water te bevatten als de wolken die aan ons voorbij trekken. ‘Wanneer ik het moeilijk krijg, neem ik de trein.’ Zijn stem klinkt gebroken. Het druppelt buiten en binnen. De trein raast er onverschillig doorheen. ‘Vandaag ga ik naar Namen.’ Ik knik. ‘Mijn vrouw bracht daar ooit een nacht door met een vriend van mij. Dat las ik pas na haar dood in haar dagboek.’ Ook dat nog, denk ik. ‘Veel woorden heeft ze er niet aan gewijd, maar het is duidelijk wat er in die hotelkamer gebeurd is. Kun je mij vergeven? zo besluit ze die passage, alsof ze zich rechtstreeks tot mij richt. Maar ze heeft me er nooit iets van verteld.’ Het druppelen is in snikken overgegaan. Buiten striemt de regen genadeloos tegen de ramen. Ik vraag me af of hij er nadien nog met die vriend over sprak, zichzelf nog meer gekweld heeft, maar zegt niets. ‘Het lijkt nu allemaal zo futiel. Natuurlijk vergeef ik het haar,’ zegt hij grootmoedig. Voor het eerst verschijnt er een glimlach op zijn gelaat, maar buiten wordt het enkel donkerder. Geen zon die door de wolken breekt of enig ander cliché om zijn pijn te ontkrachten. Wel zorgt het duister bij dag ervoor dat de sfeer in de coupé nog intiemer wordt. Ik vraag de man of hij haar ook zo makkelijk vergeven zou hebben indien haar ontrouw al bij leven aan het licht was gekomen. Hij fronst zijn wenkbrauwen, schudt zijn hoofd en zegt het niet te weten: ‘Dat is anders natuurlijk.’ Ja, dat is anders. De doden hebben geen weerwoord. Hun levens zijn als herbruikbare flessen, eindeloos hervulbaar met telkens weer andere gedachten en motieven. Ook je verleden raak je kwijt wanneer je sterft. Het behoort niet langer aan jezelf toe. Hij verzinkt weer in gedachten en ik denk terug aan de vrouw op het perron, aan de smalle schaduw tussen haar borsten, de weerbarstige haarlok, haar gekruiste benen. Stations, onbekende bestemmingen, vreemde  steden, nieuwe gezichten, andere lijven, niet vertrouwde maar toch verleidelijke geuren, ze scherpen onze zintuigen, wekken ons verlangen, brengen onze verbeelding op gang en bieden zo de ideale voedingsbodem voor ontrouw. Hoe zou het zijn? Telkens weer die vraag? Het onbekende trekt aan ons als een afgrond. De man recht zijn hoofd en rug. ‘Ik ben haar zelf nooit ontrouw geweest,’ zegt hij, ‘nooit! Misschien heb ik daar nu wel spijt van. Het getuigt van zo weinig zin voor initiatief.’ Hij lacht weer. Het is een droevige lach, als van een kind dat een ballon oplaat en tegelijk beseft die nu voorgoed kwijt te zijn. ‘Ach, ik was best gelukkig met haar, dat is het niet…’ Hij maakt zijn zin niet af. ‘En je weet het natuurlijk nooit zeker, maar ik denk dat zij het ook was met mij. Ze is in elk geval bij mij gebleven, terwijl ze toch ook andere mogelijkheden had.’ De regen is opgehouden met striemen, maar de wolken hangen nog zwaar als gevulde uiers in de lucht. ‘Misschien was ze wat depressief en vulde ze die leegte met een andere man?’ Ik knik, als wil ik zeggen: ja, zou best kunnen. ‘Nadien kon ze weer verder.’    

Michel
10 2

De Wijnproever

De MRI-scanner gaf mij langzaam weer vrij. Het zachte gezoem van de uitschuivende ligtafel stond in schril contrast met het agressieve gehamer en geklop van zonet. Een rilling ging over mijn blote rug toen ik mij naar mijn kleedhokje begaf in het ridicule lichtblauwe schortje dat enkel de voorzijde van mijn bovenlichaam en benen bedekte. Licht verontrust, mijn kont in een kleurige onderbroek richting verpleger, hoopte ik dat de neuroloog mij goed nieuws zou brengen.“Goed nieuws, mijnheer, ik heb geen slecht nieuws voor u,” zei hij met een gevoel voor humor dat ik niet met hem deelde. “Er valt absoluut niets te zien op de scan. Ik vrees dat u er zult moeten mee leren leven.” De neus: donkere rode vruchten, pruim, sigaar. Veelbelovend. Slok één. Mijn mond vult zich met de fluweelzachte wijn. Rode vruchten overheersen, enigszins verwacht. “De oorlog in Oekraïne is zijn tweede dag ingegaan, ” zegt de nieuwslezer. Die in mijn hoofd zijn dertigste dag, schat ik. Het is een hel geweest tot nu toe, een hel van slokken en spugen. Ik neem mijn spuugbak en spuug mijn mond leeg. Mijn ‘crachoir’ wil ik die spuugbak niet meer noemen. Er hangt te veel verfijning aan die term. Slok twee. Aangename tannines. Dit is een wijn met potentieel. Niet te zwaar. Bij een lekker stukje kalfsvlees zou hij niet misstaan. Terwijl Poetin mij aankijkt, ledig ik mijn mond in mijn nieuwe recipiënt. Nooit heb ik gedacht zo’n ding te moeten kopen. Een glas of zes wijn op ’t gemak op een lange avond, waar is de tijd? Slok drie. Ik proef cake! Licht aangebrande cake en een duidelijke toets vanille. We zitten in de Donbas ondertussen. ’t Werkt op mijn zenuwen. Ik wil rust in Europa en rust in mijn hoofd. Hoelang blijft dit allemaal duren? Vorige week achtenzeventig slokken. Hoeveel vanavond? Ik spuug schuim van rode wijn. Slok vier. Zelenski spreekt mij aan. De binnenkant van mijn lippen voelen aan als ribfluweel. Ik beeld me in dat mijn spuugbak Poetins gezicht is. Slok vijf. Ik voel dat ik baldadig word. Ik kom in opstand tegen zoveel onrecht. Een vluchtend gezin zonder vader probeert nog op een wegrijdende trein te springen. Ben ik nu werkelijk mijn mond aan het spoelen met wijn? Ik volhard tot slok dertien. Mijn glas is leeg. Ik geef niet op. Bij mijn tweede glas neem ik grote slokken, telkens een mond vol. Er kan geen lucht meer bij. Ik proef niets meer, en moet mijn lippen met bolle wangen stevig op elkaar houden. Ik braak mijn mond leeg en ben gedegouteerd. Nu proef ik enkel nog tannines en bitterheid. Het was een zeer gezellige avond met veel openhartige gesprekken van meet af aan. De sfeer was onmiddellijk amicaal, warm, verwelkomend. We waren blij elkaar terug te zien bij een smakelijke maaltijd, goeie muziek en lekkere wijn. Veel lekkere wijn. Eerder dan de tongen los te maken, had de wijn ze bij sommigen oncontroleerbaar gemaakt, werkelijk fysiek oncontroleerbaar. Het gelispel en gekwijl was op een bepaald moment niet om aan te zien. Gezichten en ogen trokken bij elke bijkomende promille schever en schever. Ik zie niet waarom ik een uitzondering zou geweest zijn op deze regel maar het feit dat ik deze observatie nog kon maken na zowat anderhalve fles wijn gaf mij hoop dat ik aan deze wetmatigheid zou ontspringen.Ook zat, blijf ik een controlefreak, blijf ik op mijn hoede. Natuurlijk, op een bepaald moment verlies zelfs ik de controle, maar nooit is dan nog iemand in staat er mij op te wijzen. Het is meestal de volgende ochtend die er mij op attent maakt. Beklag is er dan nooit. De gevolgen draag ik graag, nagenietend van zoveel transgressie.Het moet ongeveer het tiende glas wijn van de avond geweest zijn toen mijn leven een andere wending nam. Ik herinner het mij nog goed: het was een rode Biblia Chora, een Griekse wijn die mij best beviel. Ik proestte het uit, over mijn vrouw, de zetel, het vloerkleed. Een wijndonkere zee was het, een wijndonker moment ook.“Beer, toch,” zei mijn vrouw lallend, niet meer in staat om boos of verontwaardigd te zijn, ”je zo verslikken!” Alle scheve bekken lachten zich te pletter. Het was niet om aan te zien. Ik wist zeer goed dat ik mij niet had verslikt. “Sorry,” stamelde ik, mij zorgen makend om wat net gebeurd was. Ik nam een slok van de spafles die op de salontafel stond. Dit leek mijn vermoeden te bevestigen. Ik nam opnieuw, discreet, een slokje van de wijn. Zo gauw de wijn mijn tong raakte, voelde ik hoe mijn keel werd afgesloten. “Help!” dacht ik, “Ik kan geen wijn meer drinken!” Helemaal geen wijn meer drinken zou teveel hebben opgevallen, dus liet ik de rest van de avond telkens discreet mijn kleine slokjes wijn weer mijn glas in lopen.Zo verging het mij ook de volgende dagen. Thuis stond er altijd wel een fles wijn open. Telkens ik een glas wilde drinken, moest de wijn mijn lippen nog maar raken, of mijn keel werd dichtgesnoerd. Ik besloot mijn huisarts te raadplegen voor deze toch wel levensvreugdebedreigende aandoening.“David, daar is iets bijzonders aan de hand. Ik zal je doorverwijzen naar een neuroloog.”  Zo gebeurde het dat ik na jaren een fervent wijndrinker te zijn geweest, gedwongen werd wijnproever te zijn.   Photo by Christian Bowen on Unsplash

Deef
6 0

Mijn vriendin

Ze hebben een filmpje gemaakt in haar laatste huis. Haar laatste thuis. Zelf staat ze er niet op. Niet meer. Haar vriendin zie ik wel in het filmpje. Wandelend in het bos, zoals wij ook samen deden. Meestal hetzelfde toertje. "Dit is de ring", zei ik dan, als we de auto's aan de rand van het bosje voorbij zagen scheuren. "Ze gaan er nogal vandoor", zei ze altijd. Het is iets om bij stil te staan. Ik zie haar vriendin lachen op het filmpje, zoals ze het vaak samen deden. Zeker die ene keer, toen ma haar tanden kwijt was en haar vriendin de verloren tanden onder het bed zag liggen. Ze schaterden het uit. Zelf hadden we alles afgezocht en binnenstebuiten gekeerd. Onze tanden in de zoektocht gezet. Maar ze waren nergens te bespeuren. God weet hoe ze daar terecht waren gekomen. In het begin kon ze de naam van haar vriendin moeilijk onthouden. "Mijn vriendin is nog hier geweest", zei ze dan. Of: "Ge weet wel, mijn vriendin." We wisten het wel. Och, als het leven een film was, zou er niemand naar de bioscoop gaan. Dan speelden we allemaal de hoofdrol. Wat eigenlijk zo is natuurlijk. Een beeld uit haar persoonlijke film was de voorschoot die ze van 's morgens tot de late namiddag droeg. Dat was in het eerste huis (voor ons, niet voor haar), waar het allemaal begon. Het is een treffend beeld van de moederschoot. Altijd in de weer, dikwijls in de keuken. In de geur zit onze sterkste herinnering. Het zijn vooral haar gebloemde keukenschorten die ik regelmatig in mijn hoofd zie opduiken. Misschien moet ik - als de nostalgische buien niet meer te stoppen zijn - er ook zo eentje aantrekken. Niemand die het weet.  

Rudi Lavreysen
12 0

De Liefde van de Man

Het struint door de dichte mist, blind als een mol. Maar ons heb helder zicht. Ons hoor het riet knikken. Ons voel zijn zuigende stappen in het veen. Ons ruik de stront tussen zijn billen.  Het zet nog een paar stappen. Ons voel het veen veren boven ons hoofd. Laat het verder lopen Aar. Laat het zich veilig voelen. Denken dat alles anders in het moeras net zo blind is als hij. Het kent ons niet. Oh nee, ons kent het nog niet. Het had in zijn hut moeten blijven.  Kom maar bij Aar.   Veen splijt en duwt ons omhoog. Het is niet ver gekomen nog, het gaat in domme rondjes. Zoekt het iets? Het deert niet. Óns zal het vinden. Ons zet een stap in zijn richting. Hard genoeg om ons te horen. Het lijkt het niet te merken. Ons zet nog een stap. Nu schiet het hoofd op van het lange lijf. ‘Is daar iemand? Wat..’ Het blijft staan en tuurt de mist in. Meestal rennen ze nu. Ons ren naar hem toe. Nu schrikt het pas. Het rent weg van ons, zwaaiend met zijn armen. Ons lach een schelle lach, maar de nevel maakt het dof. Met een blaas van ons lippen wijkt de mist.  Het kijkt om en ziet ons.  Ons lach een schelle lach. En pak hem.   Het hoest en maakt stikgeluiden. Ons rol met ons ogen. In het veen houd je je adem in je lijf. Het is zo dom als ons dacht. We storten langs het plafond ons huis in. Ons land plat op de voeten, maar het valt met een plof op de grond. Het ziet paars en ademt niet. Ons stamp een voet op zijn borst. Het buigt krom en hoest stukken grond op. Ons knik. Ons kan beginnen.   Ketel bruist en bubbelt, zoals ons graag zie. Ketel hangt midden in het huis. Hij is het centrum van ons kunst. Ons kreeg hem ooit van ons meesteres. Nee Aar, niet kreeg. Nam. De brouw zwelt al veel wenden. Zij is ook nog daar ergens, meesteres. Ons haal ons neus op en spuug in ketel.  Kook! Rijp! Til ons hoog! Ons roer en neem een lepel van de brouw. Ons loop naar de kooi. Het staat te wankelen op zijn benen. Het wrijft veen van zijn hoofd. Zijn ogen vallen op ons. ‘Ik heb u gevonden… Ik kan het niet geloven.’ Het heeft óns gevonden? Het is te hard gevallen zeker. Ons moet beter opletten volgende keer. ‘Aar? De veenvrouw?’ Ons stop. Het kent ons? Bij naam? ‘Ik.. Ik ben hier voor u!’ Ons denk na. Het deert niet. De wortels van de kooi wijken voor ons. Ons loop naar binnen. Lang is deze. Ons kom tot zijn hart. Maar niets is te groot voor Aar. Ons leg een hand op zijn arm. Het siddert voordat het lam wordt. Ons trek het op zijn knieën en wroet zijn mond open. De brouw glijdt naar binnen. Het biedt geen verzet. Ons laat de grip op zijn keel los om te zien wat het doet. Het drinkt gulzig terwijl het ons aan blijft kijken. Ons staar terug. Wat een vreemde. Ons laat hem. Terwijl ons eten maak en onder een berenhuid kruip klinkt gekerm uit de kooi. Goed. Zo moet het. Ons val in slaap bij dovende vlammen.   ‘Aar? Aar? Waar bent u?’ Ons krabbel terug naar wakker. Hoe lang heb ons geslapen? Te kort voel ons. ‘Aar?’ Het heeft ons wakker gemaakt. Tijd voor snijden. Ons kom bij de kooi, waar het op de knieën zit, zijn handen in elkaar gevouwen. ‘Oh dank u, dank u! Ik was zo alleen.’ Het aarzelt. Zijn voorhoofd druipt zweet van de brouw. ‘Gelooft u me niet? Ik ben hier voor u. Doe met me wat u wilt. Mijn wens is verhoord.’ Ons loop de kooi binnen en leg een hand op zijn arm. ‘Dat is niet nodig, echt.’ Ons doe het toch. Het wordt lam maar ziet en voelt alles. Ons pak zijn bovenste ooglid en snijd het met een nagel los van zijn hoofd. Het stukje vel met een rijtje haren bungelt voor zijn hoofd tussen ons vingers. Ons laat ons grip op hem los. Het ademt scherp in. Bloed stroomt in zijn oog dat nog half dicht kan. Het wrijft bloed weg maar het blijft komen. Het blijft wrijven. Maar het geeft geen kreet. Het slaat zijn ogen neer voor ons en buigt naar voren, als een reu zonder zaadballen. Ons loop weg.   Het vel verdwijnt in ketel. De drank rekt en vouwt zich. Een bel knapt content. Meer is nodig, dat is zeker. Maar het past. Het is wat miste. Een sliert brouw komt uit ketel en geeft het vel terug aan ons. Ons pak het en eet het. Ons proef wat het is dat past. Een onbekende smaak. Zoet, maar anders. Ons loop weer naar de kooi om het eens goed te bekijken. Zodra het ons ziet scharrelt het op de knieën. De kooi is vol schaduw. Ons maak vuur met een vingerknip. Dan maken ze hun monden heel wijd altijd. Ook deze. ‘Mag ik u iets vragen?’ Ons hef ons hand. Het sluit zijn mond en knikt zijn hoofd naar voren. Ons kijk ernaar. Het heeft zijn kleren uitgedaan. Door de hitte van de brouw denk ons. Het is groot, niet alleen lang. Onder het vuil glimt een huid licht als volle maan, en het heeft haren de kleur van stro. Ons breng ons hand omhoog. Het gaat staan. Tussen zijn benen hangt een lange pisser met grote ballen. Het verbergt zich niet zoals de anderen. ‘Kan ik iets voor u doen? Ik ben sterk en kan hard werken.’ Het buigt zijn hoofd wanneer ons naast hem kom staan. Ons pak zijn oor en trek het los van zijn hoofd. Het doet niets. Ons blijf een poosje staan, maar het blijft mak. Terwijl ons wegloop drukt het zijn hand tegen zijn oor.   Strohaar maakt zich nuttig later. Het maakt de vloer effen. Als ons slaap stookt het het vuur op. Het kan koud zijn in het veen. Het biedt me zijn vlees gewillig. Stukken die niet belangrijk zijn voor hem. Een lip. Een teen. Een oog. Als ketel de geest ervan heeft genomen, maakt het zijn eigen vlees klaar in een smakelijk maal. Ons smul ervan. Ons bood het hem aan maar hij wilde niet. Ons heb hem gedwongen. Het werd ziek. Nu eet het wortels. Er is een andere bij gekomen. Het liep in een groep van vijf. Deze gilden wel toen ze ons zagen. Ons koos er één omdat het ons aan Strohaar deed denken. Het zit in de kooi. Strohaar niet, Strohaar ontwijkt het. Wanneer het denkt dat ons het niet kan horen, praat het tegen Strohaar. ‘Broeder ik smeek je, help me hier uit te komen. We moeten haar doden. Er blijft niets van je over!’ Maar Strohaar ruimt en veegt en geeft en slaat er geen acht op. Wanneer ons zijn eerste ooglid los heb gemaakt, schreeuwt en vloekt het, en spuugt naar ons. De kooi knijpt het tot het stil is maar nog ademt. Strohaar ziet ons met het vel met de kleine haren. Het wendt zijn gezicht af maar ons zie zijn oog nat worden. Ketel neemt het vlees. De brouw golft en pakt de geest er uit. Het spuugt het vel uit. Het blijft plakken aan het veendak boven ons. Geen Strohaar, maar goed genoeg.    Ons neem vooral vlees van Geen Strohaar. Voor het slapen laat ons het voor ons dansen. Het doet Strohaar geen genoegen, maar hij kijkt. Hij doet alles voor Aar. Ons geef hem mos om op te liggen, en brouw om sterk te blijven. Als ons ons haren plat strijk maakt hij een groot oog en lacht met zijn blote tanden. Soms wordt zijn pisser groot. Het voelt dan warmer in het veen. Ons ben klaar om een poot te nemen van Geen Strohaar. Het zit weggedoken in een hoek. Ons open de kooi en loop ernaartoe. Het glipt langs ons voor ons het kan pakken. Rustig loop ons erachteraan. Ons hoor een gil en een bons. Strohaar houdt een stuk hout vast en Geen Strohaar ligt op de grond. Ons pak het bij de nek. Dood. Dood heb ons er niets aan. Ons word boos. Óns bepaal over de dood. Alléén Aar! Ons loop naar Strohaar, die het hout laat vallen. ‘Sorry,’ zegt hij. Ons hand schiet naar zijn arm maar stopt er vlak voor. Moet ons dit wel doen? Hij kijkt naar ons. ‘Ik hou van u.’ Ons hand sluit zich om zijn arm. Hij wordt lam. Met meer zorg dan ons dacht in ons te hebben, snijd ons zijn ene poot van zijn lijf, en daarna de andere. Ons geef hem brouw zodat hij niet dood gaat. Ketel neemt de poten gretig. De brouw verkleurt naar rode klei. Het is niet lang meer voor het ons hoog zal tillen. Laag bij de grond stooft Strohaar het vlees van één poot en pekelt het ander. Van het bot maakt hij soep. Ons smul ervan.   Strohaar kruipt naar ons toe. Hij hangt tegen ons been zoals hij doet. ‘Mag ik?’ Hij knikt naar ons schoot. Ons open ons benen. Ons zie alleen zijn haar terwijl hij van ons smul. Erna klimt hij op ons. Hij trekt aan zijn pisser en duwt zijn tanden tegen ons mond. Zacht aait hij ons haar. Dat heeft hij niet eerder gedaan. Ons ben verbaasd eerst. Hij haalt zijn tanden weg en hijgt: ‘Ik hou van je. Ik blijf voor altijd bij je.’ En dan weet ons het. Ons ken dit. Veel wenden geleden, van vóór ketel. Ons haat dit. Ons pak zijn pisser en ballen en trek ze van zijn lijf. Strohaar schreeuwt van schrik. Hij vouwt zijn handen en doet van sorry sorry sorry. Ons vertrek naar boven het veen. Bij nieuwe maan kom ons terug met acht hoofden van de hutten dichtbij. Ons gooi ze op de grond voor Strohaar. Hij heeft er geen oog voor. Hij smeekt ons om weer van hem te houden. Hij kruipt steeds achter ons aan en blijft om ons roepen. Ons kook van binnen, zoals ketel. Ergens weet ons dat Strohaar anders is. Zoet. Maar het is te laat. Ons heb besloten. De kooi pakt Strohaars armen en trekt hem omhoog. Ons kom voor hem staan, ons ben even lang als hem nu. Strohaar kijkt ons aan, water loopt uit zijn oog. ‘M..m..misschien wilt u nu stoppen.’ Óns bepaal! Ons snijd zijn tong los.   Ons heb er een met lang haar gepakt om voor ons te koken en huis te houden. Het kermt de hele dag, vooral als het Strohaar ziet. Hij kan niets meer nu ons ook zijn armen heb genomen. Ons had gehoopt dat het ons zo kon behagen als Strohaar deed. Maar het is niet zoals hij. Ketel deert het niet. Ketel is content. Maar ketel wil nog één ding van Strohaar. Zodat de brouw ons hoog kan tillen. Het lijkt of ons benen in veen blijven hangen als ons naar Strohaar toe loop. Ons kniel bij Strohaar. Hij kijkt naar ons met zijn oog. Blauw als de hemel op een dag zonder mist. ‘Het is bijna over,’ zeg ons. Strohaar heft zijn hoofd. Ons leg ons voorhoofd tegen het zijne. En snijd zijn hart los.   Langhaar komt binnen met een stoof van hart. Het ruikt zoet, maar anders. Terwijl ons eet denk ons aan ketel, midden in ons huis. De brouw is klaar. Zoveel wenden werk ons al daarvoor. Maar al wat ons wil proeven is het zoete hart van Strohaar. Ons tuur in de stoof. Water loopt uit mijn ogen.

Wet OpDeWalle
34 1