Zoeken

Het woonzorgcentrum

Rustig, maar toch een beetje zenuwachtig, sloft Staf rond de eikenhouten tafel. Af en toe steunt hij op de leuning van een stoel terwijl hij de schilderijen aan de muur bekijkt. Echte kunst was voor hen wel onbetaalbaar, maar deze werken uit het atelier van Martin Douven blijven voor hem nog steeds mooi. Terug in de salon laat hij zich zuchtend in zijn zetel zakken. Zo neemt hij weer even de tijd om rond te kijken. Hoe lang is dat hier al onveranderd?In de gang hangt een zeer speciaal werk, waar hij dikwijls voor blijft staan. Nu ook wil hij bij “de herder” herinneringen laten komen. Hoe dikwijls heeft hij het moment van aankoop niet terug beleefd? Zijn Stanske en hij zagen haar vader hierin afgebeeld, bruine pet op de grijze haren, pijp in de mond. Was dat niet dezelfde pijp als vaders favoriet? In de achtergrond een boerderijtje zoals er in de Kempen zoveel te vinden zijn. Het had wat gelijkenis met het ouderlijk huis, vonden ze toen. Staf zucht en schudt zijn hoofd, waar is de tijd dat ze in de winkel fantaseerden over dit schilderij. Tree per tree bestijgt hij de trap. Dit wordt toch te moeilijk om dagelijks te doen. Boven het bed, waar hij sinds het overlijden van zijn Stanske nu twee jaar alleen moet inkruipen, hangt nog steeds dat mooie bloemverkoopstertje. Toen ze het kochten was de vrouwelijkheid te uitgesproken, waardoor het wel in de intimiteit van de slaapkamer belandde. Toen de kinderen nog klein waren, mochten ze daarom ook niet in hun kamer komen. Wanneer ze dat toch deden om stiekem naar dit verboden werk te kijken, kregen ze een vermanende vinger te zien en vlogen ze direct naar hun kamer. De verkoper had met het overtuigend van de uitzonderlijke prijs. Later zou dit een gegeerd kunstwerk worden. Staf grinnikte bij het tellen van het aantal keren hij hetzelfde schilderij bij kennissen had weten hangen. Dat moet zijn dochter zijn. Elke vrijdagmiddag komt zijn dochter om te kijken hoe het hem vergaat. 'Boven in de kamer, wacht, ik kom wel.' 'Laat maar, Guido is er ook bij en we willen onze kamer van vroeger nog wel eens zien.' De kinderen zijn ondertussen natuurlijk ook vader en moeder geworden. Er is geen reden meer om hen uit de slaapkamer te weren. 'Ach, ach. Ben je weer naar je schone madam aan het kijken', lacht zijn zoon. 'Neen kinderen, ik ben afscheid aan het nemen. Bedankt dat jullie een plaats voor mij gevonden hebben. Vandaag zat de brief in de bus. Ik word volgende maand in het woonzorgcentrum verwacht.'

Luc Van Roosbroeck
0 0

Toevallige ontmoeting

Bij het begin van de wintersolden is de keuze weer enorm dit jaar. De inkopers hadden duidelijk slechter weer verwacht. Peter heeft zijn voorzorgen genomen om binnen zijn budget te blijven. Hij noteert nauwkeurig alle uitgaven en beperkt zijn aankopen per winkel. Hierdoor kan hij als toemaatje voor zijn vriendin in de vrouwenafdeling van Zara op zoek naar een truitje. Zij spreekt toch steeds over de mooie keuze die ze daar vindt. Aangezien zij tot de tweede afslag wacht, kan hij haar verrassen. Na enkele stuks uit de grote verscheidenheid in de eerste bak vergeleken te hebben, vindt hij de gepaste maat. Maar hij is niet alleen. Een andere mannenhand heeft die gelijktijdig vast. Peter kijkt omhoog, ziet een kerel van rond de veertig. Toch is het een leuk truitje dat hij te pakken heeft. Gelukkig voor hem lijkt het niet de beste keuze voor die andere man, zo snel laat hij los. Tevreden met zijn buit loopt Peter naar de kassa. Jan weet het niet meer. Marie is woest op hem. Waarom? Is het zo erg dat hij bij vrienden bleef overnachten na een veel te lange nacht? Natuurlijk had hij beter een sms-je gestuurd. Veel verschil had dat wel niet gemaakt. Marie zou daar toch ook de verkeerde conclusies uit trekken. Daarbij is he tniet de eerste keer dat Marie boos op hem is. Toen hij een week geleden vlees had klaargemaakt op vrijdag, was ze ook beginnen schelden. Voor die ene keer dat hij nog eens vlees bij het gerecht had gekozen, was dit ongepast geweest op vrijdag. Moet je nu nog rekening houden met oude gewoonten ook? Het was dan wel zeker een jaar geleden dat zij samen besloten hadden minder vlees te eten, deze ene keer viel het duidelijk verkeerd. In zichzelf gekeerd was hij hun huis uitgelopen. Woorden hielpen niet, dat was hem de laatste tijd duidelijk geworden. Een verzoenend gebaar was steeds beter. Nu met de solden kan hij misschien wel iets leuk voor haar vinden, zonder dat ze kwaad zou worden over de prijs. Hij moet echter wel opletten dat hij haar met zijn keuze niet gaat kwetsen. Hij loopt een winkel binnen, grabbelt in een ton met zwarte truitjes. Zijn snelle keuze botst blijkbaar op weerstand. Hij trekt nog even en ziet dan een mannenhand welke de andere mouw vastheeft. Ach, wat doet het er toe. Hij zucht en vertrekt.

Luc Van Roosbroeck
1 0

Brooddronken hoofdstuk 16

16   Jimmy en Bruno komen aan bij het Ring Shopping Center. Dat Kortrijk is maar iedereen zegt er Kuurne tegen. ‘Zo,’ zegt Bruno, ‘we zijn er bijna. Dit is Ringlaan 34. Ofte het shopping center maar je kent dat zelf ook wel, natuurlijk.’ ‘Ja, dat ken ik inderdaad,’ antwoordt Jimmy. Zelfs het irritant open-dicht-en-weer-opengeluid van de schuifdeuren werkt hem niet op de zenuwen. Hij is allang blij eens van dat harde fietszadel te zijn en gewoon op zijn twee voeten te staan, ook al ligt er een geribbeld tapijt onder. Op dat geribbeld tapijt ligt een legerzak met een hangslot aan. ‘Doet gij maar het molslot open,’ zegt Bruno, 'dan ga ik ondertussen een sigaretje smoren.' Jimmy doet wat hem gevraagd wordt. ‘Ge hebt twee pakskes gemaakt vanochtend. Ge hebt één pakske voor de wijk hierachter en één pakske voor ’t shopping. Gaat eerst uw fiets vullen, dan hebben we tijd genoeg om die brieven hier weg te steken.’ Zo gezegd, zo gedaan. Jimmy steekt het pakje brieven in zijn ransel met wat platte stukken er bij. Bruno slaat het gade met een sigaret tussen zijn lippen. ‘Wat doet ge met de dagen?’ vraagt Bruno. Jimmy antwoordt terwijl hij de fiets verder laadt. Hij rolt de legerzak op en steekt hem in een lege fietszak. ‘Nu vanavond is ’t eten met pa, ma, pepe, Billy en zijn vriendin.’ ‘Billy is dan uw broer, toch? Die heeft ook nog bij ons gewerkt.’ ‘Ja, dat is waar. Nadat die is weggelopen, heb ik het mogen ontgelden. Tegen Billy kon onze pa niets meer doen, hé,’ zegt Jimmy. ‘En die zit nu in Gent?’ Bruno steekt een verse sigaret op. De fiets wordt zodanig stuntelig geladen dat er nog tijd is voor een tweede. ‘Ja,’ antwoordt Jimmy, ‘en zijn vriendin komt ook mee. Dat wordt lachen.’ ‘Is dat zo raar dat Billy een vriendin heeft?’ vraagt Bruno. ‘Dat niet,’ zegt Jimmy en hij is ondertussen klaar met het laden van de fiets. De post van het Ring Shopping wordt per winkel vakkundig in de brievenbussen gedropt. Dat gaat verbazingwekkend snel en dat is ook Bruno niet ontgaan. ‘Dat hebt gij nog gedaan,’ zegt hij. Jimmy antwoordt en houdt ondertussen zijn ogen niet van zijn brieven af. ‘Ja, dat klopt,’ zegt hij, ‘ik ben hier nog stagiair geweest, een goed anderhalf jaar geleden. Dat helpt, want sommige winkels werken met hun maatschappelijke zetel voor hun post. En dan is de naam niet juist en zo.’ Ruben is onder de indruk dat het zo vlot gaat. Jimmy mag misschien wel niet van de handigste zijn als het op fietsen laden aankomt, maar nog nooit heeft hij één nieuweling zo snel de post van het shopping center in de bus zien steken. ‘Ziet ge ’t zitten om de recommandés weg te brengen naar de winkels? Ge weet ze toch zijn, hé, tegen dan is mijn safke op.’ ‘Oké.’ ‘En ge moet nog naar die biowinkel, uw kaas gaan halen.’ ‘Juist. Tot binnen een tien minuutjes dan maar,’ zegt Jimmy en hij vertrekt op zijn queeste, zijn zwart tasje tegen zijn borst geklemd alsof zijn leven er van af hangt en misschien is dat wel zo. Want hij wil op zijn eerste dag geen model 9.

Miguel
5 0
Tip

Buitenverblijf

Voorzichtig maakte ze het gat groter, de regen en smeltende sneeuw van de afgelopen veertien dagen hadden het een beetje doen inzakken. Dan strooide ze er een  handvol verse potgrond in. Haar hart klopte een beetje sneller dan gewoonlijk. Het was haar eerste keer sinds jaren, en haar eerste keer alleen. Het gat bleef er koud en ongastvrij uitzien. Maar het moest nu, nog wachten kon niet. ‘Binnenpakken, maar nooit langer dan veertien dagen!’ Elk jaar opnieuw had haar vader dat verkondigd, met grote stelligheid. En telkens had ze zo genoten van de warme gulheid van het binnenpakken, en zo moeten vechten tegen het kille schuldgevoel bij het terug buitenzetten.  Ze veegde haar haar uit haar gezicht, voelde de natte modder op haar wang. Toen keek ze naar de boom naast haar. Hier en daar blonk nog een dun sliertje engelenhaar, daar moest ze om glimlachen. Ze voelde voorzichtig in haar jaszak. Ze had een onbreekbare uitgekozen, maar toch. Ze deed haar handschoenen weer aan, ze was van kindsbeen allergisch aan naaldenprikken. ‘Heb je handschoenen aan? Anders krijg je weer van die vieze bulten. Tot op je schouder zaten die, gewoon door de top vast te houden, dat heb ik nooit verstaan!’ Ze had het hem nooit uitgelegd. Het binnenhalen en terugplanten was iets van hen beiden, maar dat andere, dat was tussen haar en de bomen. Ze haalde diep adem en tilde de boom in het gat. Kon een boom onthouden, vergeten, bang zijn? Zou hij de plaats herkennen? ’t Was geen slechte plaats, gewoon het verste hoekje van haar nieuwe voorstadstuin. Beschut en eigenlijk wel gezellig, het had niets van de onherbergzaamheid van het bos uit haar jeugd, dat koppig in haar gedachten schemerde. En toch. Fantasie haalde het altijd van de realiteit, zelfs toen. Ze hadden de boompjes uit de bosrand gehaald, vlakbij een vriendelijk open veld, maar zij had alleen de sprookjesachtige donkerte verderop gezien, en zich nooit kunnen voorstellen dat ze daar gelukkig groeiden. Ze gooide het gat terug dicht, stampte de aarde goed aan en gaf water.  Dan nam ze de kerstbal uit haar jaszak en stak hem diep tussen de takken, tot helemaal tegen de stam.  “Zo ben je niet alleen”, fluisterde ze, en draaide zich snel om. Soms vroeg ze zich af of iemand ze ooit zou opmerken, die zeven ondertussen volwassen dennen aan de rand van een ver donker bos, met elk een kerstbal in hun hart. 

Janna Herremans
126 7

Brooddronken hoofdstuk 15

15   ‘Eruit! Stom schijtwijf!’ Het getier weergalmt door de gang. ‘En neem uwen brol ook maar terug mee!’ Een gebakje vliegt door de open deur van de kamer en kwakt tegen het raam van de gang. Het druipt langs de ruit tot achter de radiator. Een jonge vrouw in een wit uniform loopt snikkend weg, tot consternatie van haar collega’s. ‘Hij weer?’ vraagt iemand terwijl ze voorbijsnelt.   Wie zegt nooit een mens gezien te hebben die quasi volledig uit vierkanten bestaat, heeft Jules Sabbe nooit gekend. Alles aan hem is vierkant. Zijn postuur, zijn hoofd, tot de randen van zijn brilmontuur en het patroon op zijn hemden en zijn bretellen. Zijn tanden, echt of vals, want een Sabbe praat niet over zijn gezondheid, zijn opvallend vierkant. Het lijkt alsof hij een slecht gebouwd Lego-mannetje is. Helaas voor het verzorgend personeel van WZC de Korenbloem is hij maar al te echt. De meest nors uitziende verzorgende wordt er op afgestuurd. Zulma, een blok beton in een verpleegstersuniform, laat niet met zich sollen. Zelfs niet door Jules. Ze duwt met veel geweld de deur volledig open, zodat de klink zich begraaft in het gat in de muur, achtergelaten door eerdere incidenten. ‘Awel?’ brult ze. ‘Awel wat?’ antwoordt Jules. De twee zijn aan elkaar gewaagd. Het is als een stierengevecht, al lijkt het niet duidelijk wie de stier en wie de toreador is. Zulma briest. ‘Was dat nu nodig, zo tieren op dat meiske?’ Ze staat bijna boven Jules gebogen. ‘Moet ge er ook een beetje hebben misschien?’ Jules heft zijn vierkante vuist op. ‘Ik zou maar heel wat minder van mijnen tak maken,’ zegt Zulma, ‘het zou maar eens kunnen zijn dat ik een weekje mijn vaste dienst afgeef om keukendienst te doen. Ik heb nog wat laxeermiddel thuis staan. Het zou jammer zijn als…’ De vuist gaat weer naar beneden. ‘En wilt ge nu eens zeggen waar dat drama voor nodig was?’ ‘Die geit zit godverdomme mij te behandelen als een klein kind. Of ik nog een taartje moet hebben, mijn beddeke moet gemaakt worden, ik moet mijn slufferkes aandoen, enzovoort. Godverdomme, ik heb de Duitsers nog op de riek gestoken. Ik!’ ‘Ja zeg, we zijn dat ook opgelegd van boven, hé.’ ‘En dan komt dat wijf aanzetten met een merveilleuxke met een stukske kiwi op. Ik mag geen kiwi.’ Zulma zucht. ‘En dat kunt ge niet op een normale manier zeggen?’ ‘Ik moet juist niets. Straks komt mijn kleinzoon mij halen. Ga ik misschien eens deftig eten hebben, ook al zal het vast wel keun of kieken zijn. Het gaat in elk geval beter zijn dan de stront die ik hier moet vreten.’ ‘Dat uw kleinzoon maar gauw komt, dat ge hier weg zijt.’

Miguel
2 0

Brooddronken hoofdstuk 14

14   Ondertussen is in de Schaekenstraat wat verderop – een heel stuk verderop – Marjolein begonnen aan de voorbereiding van het kerstdiner. Dat betekent dat de zware eiken tafel die eerst nog in de lengte stond, vergeleken met het aanrecht, nu aan datzelfde aanrecht moet staan, zodat de kabel van de fonduepot lang genoeg is om tot aan de tafel te geraken. Marjolein heeft moeite om de eiken tafel op te heffen. De deurbel gaat. Maurits de kat springt van de tafel en spurt naar de zetel. Als er bezoek is, wil hij altijd het beste plekje. De deurbel gaat opnieuw. ‘Ja, ja, ik kom,’ roept Marjolein. De kans dat de persoon aan de deur het heeft gehoord, is erg groot, daar de muren flinterdun zijn en van bedenkelijke kwaliteit. Marjolein wandelt door de gang en opent de deur. In het deurgat staat haar oudste zoon Billy. Ze omhelst hem innig, het is anderhalf jaar geleden dat ze elkaar nog gezien hebben. Billy ziet er uit als de academische versie van Jimmy. Hetzelfde sluike haar, een toch wel minder pokdalig gezicht dan zijn broer en een bril met overdreven grote ronde glazen. Een quasi rond gezicht, net als zijn broer en konijnentanden. Reginald heeft al dikwijls de grap gemaakt dat Marjolein de konijnen geen eten mocht geven omdat de rammelaar al één kind met haar had gemaakt. Toch was ook voorzien van de typische Sabbe-trekken, zodat Reginald niet kon ontkennen minstens één hand in zijn creatie te hebben gehad. De Droopy-ogen en de neus die op weg is een knobbelneus te worden zijn alweer een stuk prominenter aanwezig dan de vorige keer dat Marjolein hem zag. Billy, misschien nog meer dan Jimmy, was op weg om een evenbeeld van zijn vader te worden. ‘Is uw vriendin niet mee, jongen? Maar waar zijn mijn manieren, kom binnen, kom binnen.’ De gang blijkt te smal voor twee toch redelijk corpulente mensen en zo gaat Marjolein voorop. ‘Ge zijt als van den hemel gezonden, jongen. Ik moet die tafel nog tegen de watersteen krijgen.’ ‘Kunt ge dat aan pa niet vragen,’ vraagt Billy, terwijl hij plaats neemt aan één kant van de tafel. ‘Uw vader…’ zegt Marjolein. ‘Juist, vergeten. Hoe is het met Jimmy? Ik hoor hem zo weinig?’ ‘Jimmy is nu vandaag bezig aan zijn eerste dag in De Post,’ antwoordt Marjolein. ‘Ik vraag me af hoe lang hij het zal volhouden.’ Billy heft de tafel op, naar de instructies van zijn moeder, die aan de andere kant hetzelfde doet. ‘Maar waar is uw vriendin, kwam die niet mee?’ vraagt Marjolein. ‘Ja, maar ze zit nu nog in Gent. Ik moet er straks achter gaan. Mag ik de Lada gebruiken daarvoor?’ Marjolein zucht terwijl ze de laatste aanpassingen doet om de tafel zo recht mogelijk te laten aansluiten aan het aanrecht. ‘Manneke, ge weet dat uwe pa u nooit met zijn Lada gaat laten rijden.’ Billy denkt even na. Zijn specifieke denk-tic speelt weer op. Hij duwt zijn mond naar de linkerkant. Marjolein kent dit. Rechts is leugen en links is denken. Al van toen hij klein was, was dat zo. ‘Rookt hij nog altijd Camels?’ ‘Ja.’ ‘Ik ga hem een slof Camels kopen dan. Voor zijne kerstdag.’ Billy grist de sleutels van de Lada van het haakje aan de muur in de gang. ‘Hebt gij nog iets nodig, ma?’ ‘Neen, jongen.’ ‘Oké.’ ‘Of wacht. Uwe pa heeft gisteren nog een kieken geplukt en geslacht omdat ik denk dat we met een keun te weinig gaan hebben. Breng nog een potje kipkruiden mee.’ ‘Oké. Tot straks!’   Wanneer Billy het huis verlaat, botst hij tegen een gesluierde vrouw op. Hij herkent haar als Habiba, de buurvrouw van in de Groeningekaai zelf. Hun tuinen grenzen aan elkaar. Met brede glimlach zwaait ze naar hem. ‘Oh, dag Habiba,’ roept hij uit. ‘Dag Billy! Blij dat je terug bent. Is het maar voor even?’ Billy draait zich om met zijn handen in zijn zakken. ‘Ja, kerstavond en zo. Ge kent dat hé. Voor onze pa zou ik het niet doen, maar ons ma staat er op, met dat ik vorig jaar niet afgekomen ben.’ ‘Uwe pa is speciale man. Zeg, hebben jullie onze huiskip niet gezien? Hamza en ik zoeken er al een hele dag naar. Hakim is troosteloos.’ ‘Ja, Habiba, hoe is dat met Hakim? Hoe oud is die nu?’ Billy voelt al nattigheid maar kan het niet opbrengen dat hij wellicht exact weet waar de kip zich bevindt. ‘Ah, zes jaar hé, hij wordt een flinke jongen.’ ‘Tof om dat te horen. En de andere kinderen?’ ‘Omar gaat nu naar het middelbaar. Hij mist de tijd dat jullie ballen naar elkaar overgooiden.’ ‘Ja, vanuit Gent gaat dat moeilijk he.’ Billy lacht. ‘En Yasmine, die gaat nu naar het conservatorium. Trompet leren.’ ‘Wat had ik graag gehad dat het viool was. Onze pa zou zot komen.’ ‘Uwe pa is geen slechte mens, hoor. Als hij er niet was, toen…’ ‘Ja, dat is waar. Maar soms vraag ik mij af hoeveel kwaad een mens kan doen tot zijn positieve karma weer is uitgewerkt. Maar ik moet nu wel door. Tegen dat ik de Lada aan de praat gekregen heb, zal mijn vriendin in het station aangekomen zijn.’ ‘Het was fijn je nog eens gezien te hebben, Billy.’ ‘Insgelijks, Habiba. Doe de groetjes aan Hamza en de kinderen.’ Ze zwaaien elkaar vaarwel en Billy kruipt in de Lada, die stinkt naar de drank en de sigaretten. ‘Arme Habiba,’ zegt hij tot zichzelf, ‘toch nog geen kwaad woord kunnen horen over onze pa. Nu ja.’ Hij start de auto en na een paar minuten wachten draait hij de sleutel over. Luid protesterend, de uitlaat is nog steeds niet gefikst, komt de Lada tot leven en rijdt Billy richting het station van Kortrijk.

Miguel
4 1

Eindelijk

Eindelijk; het is gezegd. Ik ga bij je weg. De manier waarop ik het je vertelde is geen doen. Daar ben je nu nog niet mee bezig, maar binnenkort en voor lange tijd zie ik het je vertellen op café met ogen en mond wijd open om het op te blazen bij je vrienden en je vuisten op tafel daverend dat het bier uit de glazen klutst.  Als weerwoord op de roddels die mij te beurt zullen vallen zal ik zeggen dat er geen goed moment is om zoiets te doen. Dat geloof ik natuurlijk zelf niet. Je nodigt iemand uit tot een gesprek hiervoor en je vertelt het voluit, zonder omwegen en zonder verbloeming, doch met enig medeleven voor de pijn die je veroorzaakt. Dat weet ik zonder medicatie ook wel. Maar om duidelijk te maken dat ik gek word bij jou kon een rechtschapen gesprek geen duiding brengen. Mensen geloven geen woorden tot er strijdlustige emoties uit barsten. Zelfs jij niet.  Dat ik tot het einde der tijden de grootste liefde voor je zal hebben, heb ik ook niet gezegd. Je zou niet begrijpen dat ik toch bij je weg moet.  Ik had tien jaar eerder al bij je weg kunnen gaan om dezelfde reden. Maar ik was zo moe, en ik kon even goed bij jou de roes van mijn leven uitslapen. Jij leek sowieso al altijd ergens van te moeten bekomen.  Nu zit ik hier opgesloten in kamer 403, met een helder uitzicht over alles waar ik altijd had kunnen zijn, maar blind voor was door jou. Ik heb altijd mijn rug gekeerd naar alles wat binnen handbereik was, om mijn focus op ons te richten. Ik wil leren wat het is om alleen te zijn. Om te moeten zoeken en de dingen rond mij te zien. Ze moeten mij zeggen wie ik ben. Of wie ik was, voor ik jou was.   

Fanny Wildemeersch
51 1

Newborn

Ik voel het aan de diepe druk op mijn borst. Alles schuift. De wereld onttrekt zich van onder mijn voeten. Ongeacht hoe snel ik ren. En ik kan snel rennen. Tien weken ver in mijn marathonschema haal ik mijn beste tijden ooit. Strava-records aan diggelen, week na week. Maar nu niet. Deze race tegen niet alleen mezelf kan ik onmogelijk winnen; wil ik niet winnen. ‘Als je nu niet springt, ben je verloren’, hoor ik mijn vader me toeschreeuwen. Vijf meter nog. Van het einde van de trap tot de deuropening van de trein. Ik richt mijn grauwe blik op mijn vaders bloedblauwe ogen. Twee loden koffers onder mijn armen trekken me terug. Ik los mijn laatste adem en spring niet. De trein trekt zich op gang onder een piepend geluid van sluitende deuren. Vanop het perron zie ik huizenhoge vlammen de lucht in schieten. Dikke korrels as vallen als regendruppels neer. Ik duizel bij het zicht van de brandende gebouwen. Het vuur ontneemt alle zuurstof die de stad me geeft.                                                                          ***   In zwart geblakerde met donkere as bekladde kleren banen we ons een weg doorheen de mensenstroom. De heuvelrug op. Studentenresidentie Holleberg ligt binnen ons bereik. Hoe dichter we schuiven hoe benauwder we het krijgen. De kale beuken langs de weg drammen luidkeels: ‘de residentie is bezet, dit heeft geen zin!’ Schouders duwen. Een bitse ellenboog prikt Jarik in de zij. Hij wankelt en zet een stap terug. De mensenrij zwiept.  -‘Verdomme, klootzak’, schreeuwt Adina hem toe, ‘je vertrappelt mij’. -‘Fuck off bitch, aan jouw kant is nog plaats, zie je dat niet?’, een sneer scherper dan de steek van een schorpioen.  -‘Jij godverdomse vuile klootzak van anderhalve meter benen! Nog één woord en ik vermoord je!’ Haar Balkan bloed kolkt. Donkerrode wangen gloeien als een vuurtoren onder haar zwarte kap. ‘Echt waar, kerel, ik vermoord je. De hele dag loop je te zeiken als een zieke giraf, terwijl je veilig boven iedereen uittorent. Heb je enig idee hoe het voor mij voelt om met minipassen tussen reuzen van mensen te trappelen en te blijven ademen?’ De mensenmassa zwelt aan. Met vuisten, ellenbogen en venijnige kniestoten stuwt de achterste rij de mensen voor zich steeds hoger de heuvelrug op. Nog dertig meter tot de top waar de gelukkigen één voor één als door een trechterhals het residentiekamp binnendruppelen.  Jarik verliest alle rust. Met een impulsieve ruk draait hij zich om en duwt het meisje dat achter hem loopt terug. Een golfslag spoelt door de mensenzee. Geraas en gevloek weerkaatst door de bladerloze bomen. Voeten, benen, armen, hoofden strompelen. Maar Jarik heeft daar geen oog voor. Hij draait een kwartslag en valt Adina frontaal aan: -‘Wat is jouw probleem? Je kan toch overal onderdoor? Als jij wat meer lef had, kon je Holleberg al binnen zijn. Je had ons alle drie al kunnen aanmelden. Maar nee, de tamme muis in jou houdt zich weer gedeisd, zoals steeds, jouw hele laffe leven lang!’ Het leven draait als een aardbol om Adina heen. Beelden van rauwe executies en haar negenjarige vlucht door de bossen van Macedonië doemen op. Haar ogen worden duister. Het geknetter van de opdringerige massa weerklinkt als een salvo. Ik werp me tussen Adina en Jarik in.  -‘Nu niet, dit is niet het moment! Nog twintig meter. De poort is nabij.’ Ik grijp Adina bij de arm en stop Jarik een koffer toe. -‘Hup giraf, draai jouw lange nek en gebruik jouw slanke poten. En vooral, hou je stomme kop. Je hebt nog een heel leven om te praten.’                                                                          ***   Het water wast het vijf dagen brandende vuur weg. Grijsgrauwe wolken stromen onophoudelijk. Dag na nacht. Eerst slaan ze de oplaaiende haarden neer. Vervolgens sissen ze de smeulende korven in de ondergrondse holtes van de vallei. Vogels zwijgen. Het vocht van dikke druppels heerst over de lucht. Het sussende water drijft de uitgeputte vluchtelingen van Holleberg in een diepe regenslaap. Als opgerolde makrelen rusten we met acht tot tien personen in te kleine barakken, in stapelbedden en op de vloer bedekte matrassen, langs elkaars warme lijven, verstrengeld in andermans ledematen.  Na vijf dagen oeverloos stromen rijst het water voet per voet op uit de vallei. Het vult de vlakten, overspoelt de wegen en sijpelt langs spleten en kieren de huizen in. Wanneer het geruisloos zacht de barakken binnenglijdt, doordringt het de lakens en matrassen. Rimpelloos strijkt het over onze lichamen. De natte stralen door mijn haren maken me wakker. Ik draai door het water, eerst langzaam en nadien meer zelfbewust. Met de plotse slag van een stevige staart stuw ik me naar boven. Ik sper mijn kleine ogen open en zie mezelf zwemmen tussen kolkende kamerobjecten. Het licht onder water geeft mijn bruine vacht een rossige aanschijn. Ik aanschouw mijn korte poten en duw mezelf af. Door mijn zwemvliezen te kantelen zet ik koers richting de deur. Met mijn voorste klauwen probeer ik de klink te omklemmen, maar mijn onhandige greep mist zijn doel. Ik maak omslag, doorklief de besloten kamer en bereid mezelf voor op een herlancering. Met gesloten ogen stouw ik mijn stompe kop opnieuw naar de deur. Ik plant mijn kromme nagels in het houten blad en knaag me een weg naar buiten. Vooraleer ik het gat doorkruis, maak ik nog één diepe sprong naar de kluis. Onder het linker stapelbed ontfutsel ik het cijferslot en grijp twee koffers. Terwijl ik opwaarts zwem, ontwaak ik met mijn staart zeven soortgenoten. Eén voor één zwemmen ze me achterna, de te herbouwen vrijheid tegemoet.                                                                            ***                                                                                 Boven op de brug voel ik de droge lucht tegen mijn slapen drukken. In strijd met de wind houden de sluitspelden mijn borstnummer strak gespannen. Ik maal stevige passen. ‘Eén meter tien centimeter per stap’, hoor ik mijn coach roepen. In duikvlucht naar beneden haal ik dit moeiteloos. Straks als de weg oploopt, wordt andere koek. Eén meter tien centimeter is de helft van de paslengte van Mo Farah. Een giraf op snelheid haalt vier meter vijftig centimeter. De Pristina-marathon is een boemerang. Over de brug ontloop ik de stad waarheen ik straks terugkeren zal. Hoge Sovjetblokken slinken achter mijn rug. Ik zak en zak. Lager Miradi. Adina laat Jariks hand los. Met een ruk wentelt hij de rode carrousel rond. Haar gestreepte broekkousen gieren van plezier.  Een hemels gewelf van groene bladeren draait om haar heen. Slag om slag kantelt de tijd. Bij het binnendringen van het park verzetten mijn benen zich tegen een oplopende strook. Ik probeer tred te houden. Het steile, glibberige bospad slaat de trossen lopers genadeloos uiteen. Op de top zie ik het spandoek 'Miragona - 21 km'. Miragona is het keerpunt. Aan haar moeders hand nadert Adina de ronkende bussen. Ze draagt een plastiekzak met fruitsap en vanillekoekjes. Om haar schouders hangt haar schooltas met een pyjama, een tandenborstel en een dikke trui. Zware armen tillen haar in een stofblauwe stoel. Bedwelmd door de muziek van een halfzachte radio verzinkt ze in een donkere slaap. Miragona, het panorama waar ze Jarik voor tien jaar uit het zicht verloor. Ik lig achter op mijn tijd. Twee uren zijn verstreken wanneer ik in een u-bocht rond de nieuwe, in baksteen opgerichte wooneenheden keer. Jonge gezinnen juichen me toe met spandoeken en ballonnen. ‘Nog één keer dezelfde afstand, maar dan andersom’, schreeuwt iemand uit het publiek. Een race naar het begin. De najaarszon begeleidt me weemoedig door de stilzwijgende bossen naar beneden. Ik kruis achterop geslagen lopers. Hijgend. Verdreven door het startschot. Wanneer ik de voet van de heuvel bereik, ligt Lager Miradi er verlaten bij. Ik passeer langs stille huizen een verre metgezel achterna. Jariks ouderlijk huis toornt boven het lege marktplein uit. In omgekeerde richting laat de vier verdiepingen tellende Ottomaanse bouw een versterkende indruk na. Ik verbeeld me hoe hij en zijn vier zussen een speelse ziel door de met tapijten en lage banken ingeklede ruimtes jaagden. Een vervlogen thuis die hij na zijn vlucht nooit meer betrad. De kilometers schuiven steeds trager onder mijn zolen. Mijn benen lopen vol bij het naderen van de brug. Met stroeve steken rijg ik me een weg naar boven. ‘Komaan, nog vijf kilometer!’ Jariks krijgersstem weergalmt door mijn hoofd. Ik werp mijn blik naar rechts, maar mis hun gezicht. In een stroom van gedachten baan ik mij een weg door de tijd die me nog rest. Ik zie Adina voor me liggen in de zetel. Een studentenkamer, half lege glazen en een uitpuilende asbak. Een mars van jonge Albanese studenten. Ze laten hun vlag niet los. Jarik lacht in de lens. Doorheen een muur van pijn heffen mijn benen mij naar de finishlijn. De eindeloos lange Moeder Theresa Boulevard. Zwarte dubbelkoppige adelaars op een rood schild wapperend in de wind. Langs de fris opschietende betonnen skyline hijs ik me naar het centrale plein waar de groeiende stad haar naam met een nieuwe slogan in grote blokletters eert: NEWBORN. Fototoestellen flitsen. Een zingende menigte viert onze terugkomst. Ik laat mijn armen zakken. Achter mij joelt mijn vader: ‘knap gedaan, de aanhouder wint!’ Ik kijk hem aan. Hij lacht en omhelst me. Dan stopt hij mij twee koffers toe. Ik knik zwijgzaam en knijp mijn ogen dicht. Blindelings laat ik me door het feestgedruis naar de kleedkamers leiden. Ik leg de koffers op de bank en knoop mijn schoenen los. Stuk voor stuk trek ik mijn zout bezwete kleren uit. Mijn naakte voeten raken de kille vloer. Ik kniel voor de bank en klik de sloten open. Uit elke koffer lichten vier staarten op. Ze klappen op en neer, en verdwijnen in het water dat overvloedig uit de stromende kranen klotst.     

Roger Martin
6 1

Een geval van snoesteren

Op oudejaarsdag heb ik de traditie om samen met onze mannen in de namiddag naar het oudste café van het dorp te trekken. We zwaaien daar het afgelopen jaar uit. Zeg maar een evaluatie van het afgelopen jaar, al klinkt dat wat serieus voor de zever die er verteld wordt. Ik herken hem meteen als we de deur van het café opendoen. We zetten ons aan het tafeltje naast hem. “Dag Mark”, zeg ik. Hij kijkt op van zijn krant. Hij moet precies even nadenken maar dan herkent hij me toch. Ook al is het meer dan 20 jaar geleden dat we elkaar hebben gezien. Na zijn studie voor tolk is hij in Brussel gebleven. Hij is een van de vele ‘Marken’ van onze generatie. Samen met de Dirken, de Patricks, de Eriken en de Rudi’s. In elke familie waren ze vertegenwoordigd. Of een Johan, Luc, Bart, Gert, Tom, Geert, Ronny en Peter. Alsof er geen andere namen bestonden. “Ik ben bij mijn ouders voor het weekend”, zegt hij. “Vanavond en morgen vieren we samen nieuwjaar. De kinderen zijn er ook bij. Mijn vrouw is samen met ons ma met het eten bezig. Ik dacht: ik kom even tot hier. Dat is lang geleden.” Het laatste woord kan hij maar amper uitspreken. Hij laat een luide hoest horen, waarbij hij een paar keer naar adem moet happen. Ik moet hem zelfs op zijn rug kloppen. “Gaat het?”, vraag ik. Ik laat hem eerst rustig uithoesten en vraag het dan nog eens. “Jawel, ça va wel. Het is alleen een duidelijk geval van snoesteren.” Ik kijk wat hij voor zich op het tafeltje heeft staan. Maar het is toch een koffie. “Een geval van wat?”, zeg ik. “Je hebt me goed gehoord”, zegt hij. “Een geval van snoesteren. Wacht, ik ga je het allemaal vertellen, maar we gaan eerst iets drinken.” Hij zwaait naar de waardin. “Hebben jullie Guinness stout?” vraagt hij aan de waardin die ondertussen aan zijn tafel staat. Ik waan me even in het boek ‘Lijmen/Het Been’ van Willem Elsschot, waarin Frans Laarmans in het begin ook een Guinness bestelt. Een moment denk ik dat hij het gaat aanvullen met ‘In Dublin gebotteld? Zonder gekheid?’ zoals Frans Laarmans in het boek van Elsschot, maar hij moet het met een andere stout doen. Ze hebben geen Guinness. Ik ben benieuwd naar zijn verhaal. Want verhalen vertellen kon hij vroeger al goed. Hij lulde zich overal uit als hij weer eens een taak niet had afgemaakt. “Het is, zoals ik dus zeg, een geval van snoesteren. Maar ik zal het hele verhaal vertellen”, steekt hij van wal. “Ik heb al een tijdje last van snurken. Alhoewel last. Het is vooral mijn vrouw die er last van heeft. Al word ik er zelf ook ooit van wakker. Dan schrik ik en denk ik dat er iemand in de kamer zit. Maar het was echt geen doen. Ik ging regelmatig in de kamer van onze jongste slapen. Die blijft vaak bij zijn vriendin. Maar ook daar was het niet beter. We moesten de deuren dichthouden en dan ging mijn gesnurk nog overal doorheen. Bijna door de geluidsmuur.” Hierna laat hij een lach en een luide hoest horen. Na een slok van zijn stout gaat hij verder. “Afijn, ik heb dus een afspraak gemaakt met het ziekenhuis. Voor een apneutest. Heb je dat ooit gedaan? Ze hangen je vol draadjes, niet normaal. Ze testen de hele nacht hoe je slaapt en hoe je ademhaalt. Wacht, ik laat je een foto zien.” Hij haalt zijn telefoontoestel uit zijn jas en vindt snel de foto die hij bedoelt. “Hier, moet je kijken”, zegt hij. Het lijkt inderdaad op een afbeelding uit een sciencefictionfilm waarbij een robot op de operatietafel ligt. Je ziet door de draadjes en buisjes amper zijn gezicht. “Maar het is op niets uitgedraaid. Geen sporen van apneu. Dus ik ben dan maar terug naar de huisdokter gegaan. Dat was begin deze week. Hij had al snel een diagnose klaar. ‘Het is duidelijk een geval van snoesteren’, zei hij dus. Ik keek net zoals jij daarnet. ‘Een geval van wat?’, zei ik. ‘Een geval van snoesteren’, herhaalde hij. ‘Dat is een combinatie van snurken, hoesten en snotteren. Snoesteren dus. Wegens die zware bronchitis die je hebt. Daar moet je eerst van af. Dan zal het snurken ook wel minderen.’ “Het is dus geen echt woord?”, vraag ik. “Tja, dat weet ik niet. In de dokterswereld misschien wel. Ofwel zegt hij het zo. Het is nogal een flapuit, die dokter van mij. Ik heb het niet gevraagd. Maar ik heb het thuis wel zo tegen mijn vrouw verteld. Ik kwam binnen en ze vroeg meteen hoe het bij de dokter was. ‘Tja’, zei ik. ‘Ik heb de ziekte van snoesteren.’ ‘Welke ziekte?’ zei ze. ‘De ziekte van wie? Snoesteren?’ “Ik schrok er zelf van toen ze het herhaalde. Door ‘de ziekte van snoesteren’ te zeggen in plaats van ‘een geval val snoesteren’ klinkt het behoorlijk serieus. Mijn vrouw was meteen bezorgd. Ze heeft het ook niet opgezocht op het internet. En het goede nieuws? Sindsdien slaap ik terug in ons bed. Ze verwent me, niet normaal. Gisteren heeft ze een stuk chateaubriand van 500 gram gebakken. Met champignons, frietjes en een flesje rode wijn. Geweldig lekker.” “Dat is zeker niet bevorderlijk voor al dat snoesteren”, zeg ik. Mark moet lachen en laat nog een luide hoest horen.

Rudi Lavreysen
26 1

Eenzaamheid

Het is snikheet, maar ik voel koude rillingen, sta aan de grond genageld, ik verstijf nu ik hem zie. Vijf jaar lang deelden wij lief, leed en bed, maar toen was het voorbij. Zonder boe of bah verdween Bernard met de noorderzon. Ik had er het raden naar wat er fout was gelopen. Gelukkig kregen wij nooit kinderen, wat volgens hem alleen aan mij lag. Hij had geen probleem met zijn voortplantingsorgaan, maar in nakomelingen was hij niet geïnteresseerd. Vermits er geen huwelijk was, moest er ook niet gescheiden worden. De weinige spullen die van hem waren en die hij zondermeer achterliet heb ik door de kringloopwinkel laten ophalen. De huurovereenkomst van het appartement en het gros van de meubels en toestellen kon ik door een bevriend paar laten overnemen. Met twee volle koffers persoonlijke bezittingen trok ik in bij vader die inmiddels weduwnaar was geworden. De ouderlijke woonst was sowieso te ruim voor hem alleen. “Ik vind dat je er dringend  tussenuit moet”, zegt Pa. “Kijk, ik heb voor jouw verjaardag een reisje naar Portugal geboekt. Lissabon, daar hou je toch zo van?” Lissabon, inderdaad, Bernard en ik, hoe dikwijls struinden wij niet door  ‘onze witte stad’. Nu dwaal ik hier moederziel alleen en uitgerekend hem loop ik tegen het lijf. Hij is niet alleen, er loopt een beeldschone vrouw naast hem. Ik schat haar rond de dertig. Aan haar hand loopt een knulletje met pikzwarte haren. Ze stappen op tram 28. Ik weet niet wat mij bezielt, spring op dezelfde tram. Mijn zonnebril en strooien hoed houd ik op, ik wil niet herkend worden. Na de tramrit gaat het naar een brasserie. Ik geneer mij, voel mij als een stalker maar zet mij toch in hun buurt op het terras. Even ben ik afgeleid wanneer de ober mijn bestelling opneemt. Als ik terug hun richting uitkijk is het jongetje verdwenen. Plots staat het joch aan mijn tafel. Ik verstijf een tweede keer vandaag. Hij kijkt mij aan met twee helderblauwe kijkers. Ik herken dit blauw. Die ogen van dit kind, van zijn kind, van hun kind.“Bent u alleen?” vraagt de jongen. “Ik merk aan de tekst op uw tas dat u van Antwerpen komt. Ik spreek een beetje Nederlands.”“Hoe heet jij?”“Pablo, mijn mama heet Bernarda en mijn papa Bernardo, grappig hè?”“Hoe oud ben je?”“Ik ben negen.”De ober is er.De jongen keert terug naar zijn ouders, die druk met elkaar in de weer zijn. “Dag mevrouw. Nog een prettige dag.”“Dag Pablo,... dag lieve Pablo.”Ik moet hier weg, drink mijn koffie en haast mij naar buiten. Aan de uitgang kijk ik nog even achterom. Pablo wijst mij na. Ik verdwijn snel in de menigte. Uit een fadokroeg klinkt de stem van Amália Rodrigues: Triste amor, o amor de alguém, quando outro amor se tem abandonado…Ik ken dit  lied Solidão van buiten: ‘…Trieste liefde, liefde van iemand in de steek gelaten door een andere liefde…’

Vic de Bourg
13 3

Naar huis

Angst is er omdat we niet willen voelen. Ik moet voelen, niet wegredeneren, zegt mama. En praten. I. Mijn uitwisseling zit erop. Op de trein van Londen naar België lees ik een boek over een auteur die op zoek is naar zichzelf. Op een bepaald moment neemt ze een interview af met een invloedrijke vrouwelijke auteur die haar duidelijk een beetje intimideert. De dame is van een andere generatie en vertelt haar dat het ik-perspectief het meest angstaanjagendste is wat er kan zijn. De zin weerklinkt in mijn lichaam. Ik las onlangs in een oud fragment van mijn dagboek dat  angst sijpelt in elke spleet van mijn bestaan.  Ondertussen vind ik het wat overdreven, maar toch. Daarbij staat er nog iets anders in dat boek. Of ja, het staat er niet expliciet in, maar zo lazen we het in onze les moderne literatuur. De auteur, het hoofdpersonage, heeft een soort affaire met een andere auteur tijdens een of andere schrijversresidentie op een warm eiland. Dat snap ik wel, ik heb ook een avontuurtje gehad hier en daar afgelopen zomer. De warmte hitst mensen op en een heleboel auteurs vinden dat best spannend. De scene in het boek ging ongeveer zo: Vrouw zit met man aan een gezellig terrastafeltje, lekker warm, lekker spannend. Ik ruik de man en zijn borsthaar door de gedrukte letters heen, maar dat ligt misschien aan mij. Zijn indringende adem. Trappist, look, sigaret. Veel te geruststellend. Ik voel zijn warme, stevige, dertig jaar-oude kuiten tegen de mijne aanwrijven en het voelt erg fout. Maar voor de protagonist voelt het natuurlijk niet fout, want zij zijn een match, in leeftijd en -wereld. De man vertelt haar dat ze niet steeds in twijfel en tegelijkertijd moet schrijven. ‘Je schijft iets of je schrijft het niet.’ De man zegt haar dat ze wat minder tussen haakjes moet typen (en dan doet ze het lekker toch).  Terwijl we erover spraken in de les, wou ik ‘herkenbaar’ zuchten. Mannen (mensen) die hun ongevraagde mening geven. Nou ja, ongevraagd. Misschien vond het hoofdpersonage dat niet zo vervelend. En op de avond die mij zo innerlijk deed zuchten, had ik zelf ook eerst om zijn mening gevraagd.  II. Ik had namelijk net mijn allereerste toneelstuk ooit opgevoerd. Het kleine studententoneelgroepje was in een roes, de lente was aangebroken en we dartelden naar de Ossenmarkt. We vierden een succesvolle afloop in de grote kotkeuken van de Kwaadaardige Hertogin. De wijn maakte ons luider en luider. Hertogin, niet meer kwaadaardig, wel -in de meest positieve zin- compleet losgeslagen, stond op de tafel feilloos en met talent de choreo van Rihanna’s ‘Umbrella’ na te dansen (inclusief paraplu). Ik, Ridder, stuiterde op en neer, klapte en joelde, het was geweldig. Er werd op de deur geklopt, Regisseur Van Het Ander Stuk en zijn acteurs kwamen party crashen. Ze hadden wodka en fruitsap. De sfeer zat erin.  Ik voelde me moedig die avond en had het gevoel dat ik iets was (wat toen dus ben moest zijn). Het eerste semester was niet zo makkelijk geweest, maar ik had eindelijk wat gedichten geschreven die ik leuk vond. Het ging veel over kernen, huppen en zwieren, over stiltes en mijn lievelingen. Mijn lievelingen, mijn vrienden, waarover ik in Londen zo veel heb nagedacht. Ze hebben mij vorig academiejaar opgeraapt en verzoend met mezelf. Ik dacht aan hoe ik eigenwaarde vond in voor hen te zorgen. Aan hoe we nieuwjaar vierden op de dokken, naast de Schelde, in een roosgroene mensenmoes. En aan hoe ik hen tijdens mijn performance van het toneelstuk niet in de ogen kon kijken, omdat ik anders moest lachen. Ik dacht aan hoe ik soms een woord verzon en me dan een tovenaar voelde. Driftkikker, drijfkonijn, sloddervaar. Ik wou dat ik kon toveren. Dan was ik misschien niet zo bang.   Ik danste en danste, pakte Hertogin haar gsm en speelde ‘Diamonds’, ook van Rihanna. Zo voelden we ons: bright like a diamond. Mijn oog viel op Regisseur, met zijn gemillimeterd haar, snor en herenschoenen (wat kan er zo heer zijn aan schoenen?). Ik dacht aan het kortverhaal dat ik schreef.  ‘Ga je opnieuw een verhaal indienen voor de Studenten Literatuurprijs?’, vroeg ik.  ‘Ja. Jij?’ ‘Misschien. Ik weet het niet’, antwoordde ik. ‘Kan je eigenlijk winnen als je vorig jaar een tweede plaats hebt behaald?’  Dat was wat Regisseur vorig jaar had gedaan, een verhaal geschreven en een prijs gewonnen. Hij vroeg me waarom ik niet zou indienen. Ik zei dat ik niets had.  ‘Maar wil je dan niet schrijven?’ Hij keek verbaasd.  ‘Jawel, maar...’ Mijn wangen voelden rood en gevuld. Ik lachte en zei dat ik wil schrijven, maar niet wil schrijven. Mezelf bevestigend zei ik: ‘er zijn zo veel paden die ik wil bewandelen. Ik kan simpelweg niet al mijn tijd steken in schrijven. Ik vertoef nu eenmaal graag in tussen en tegelijkertijd.’ ‘Wauw, heel eerlijk ...’, Regisseur moest een beetje op me steunen, ‘ik wou dat ik dat ook kon. Ik kan aan niets anders denken. Ik moet schrijven. Het is een roeping. Ik kan niets anders.’ Vor een splitseconde kruisten onze blikken echt.  ‘Nou ja, voor mij is dat niet zo.’ ‘Maar weet je, Johanna’, een glimlach trok over zijn gezicht. ‘Je hebt best wel talent.’ Zijn hand gleed naar mijn middel, hij droeg gekleurde ringen en een paar vingernagels waren gelakt. Hij was een man met een plan. Ik wou dat ik kon zeggen dat ik hem had gekust -voor de spanning, weet je wel- maar ik deed het niet. Het was te nonchalant.  Of hij dit jaar weer de Studenten Literatuurprijs won, weet ik niet. Bovendien las ik nooit zijn verhaal. Alles in Antwerpen zit namelijk onder een dikke stolp. Daarboven is met dit winterweer zo een stolp eigenlijk een sneeuwbol. Ik verheerlijk het, maar toch vraag ik me af of ik naar die staat wil terugkeren. En hoe houdbaar dat zou zijn. Mijn studentenleventje, af en toe wat gedichtjes delen, koffietjes uithalen, wiet roken, shoppen en feesten. Hoe hard moet ik schudden om dat leven terug mooi te maken?  Er liggen namelijk te veel zaken onder niet-sneeuwbollen te wachten: een master kiezen, me positioneren in de maatschappij, dealen met de leefcrisis en de opwarming van de aarde, geïnformeerd stemmen, de toekomst, mijn zoetzure grootmoeder bezoeken. Ze liggen onder zo een spiegelachtige opdienstolp. Ik kan niet naar iets veilig staren, enkel naar mezelf. Ik wil ze wel opheffen, maar ze maken me bang. Het zijn onvoorspelbare stolpjes waaronder een stofzuiger is aangesloten, die mijn tijd zomaar kan opzuigen.  Plots onderbreekt een lange gebogen figuur mijn gedachtegang. Hij draagt een gekreukt, maar hemelsblauw hemd en glimlacht. De trein is een dikke tien minuten aan het rijden. ‘Je bent het dus toch aan het uitlezen.’ Het duurt even voor me. Het is mijn prof literatuur die naast me staat. Een oude man met grijs haar dat lijkt op mensen hun achtertuin tijdens Maai Mei Niet. Hij lijkt een beetje verloren. Ik ben het met die indruk eens. Hij geeft les in Londen, maar is ook een Belg. Net als ik moet hij de Noordzee over voor Kerst.  Plots ontstaan eindeloos veel mogelijkheden. Dat denk ik vaak. Hij kan nu gewoon doorwandelen. Of hij kan een ongemakkelijk, kort praatje slaan. Of net een praatje van gepaste lengte. Of erger, een uitgerekt, maar fijn maar daardoor nog ongemakkelijker praatje. Hij ploft neer in de lege stoel naast het gangpad tussen ons in. Een onvermijdelijk praatje, dus. ‘Koffie?’   III. Op kerstavond, zit ik voor oma in de mis. Ze zingt met het seniorenkoor. Het is mooi. Oma is mooi in haar sobere kerstoutfit. Ze draagt een jeans, praktische schoenen en een donkerbruine coltrui. Voor we de parking van de kerk opreden, waarschuwde ik haar dat ik doodmoe was omdat ik gisteren tot laat (vroeg, maar dat zeg je niet aan oma’s) in de kelder van het jeugdhuis had gezeten. Ze zei dat ze al vond dat ik er oud en bleek uitzag en dat ik minder decadent moest doen. De omahaartjes op haar zachte wangen maken dat ik die mondigheid incasseer, dat het omwentelt in goed ontvangen kritiek.  Het comfort van het concert doet me denken aan hoe Regisseur en ik bang waren van elkaars leefwijze. Uiteindelijk zindert een gloedgrijze kern in beide onze lichamen. Was dat wat hem betuttelend maakte, of oprecht?  Het comfort van het kerstconcert doet me denken aan het treingesprek met mijn prof. In een van de lessen hadden we het gehad over een schijnbare Bildungsroman, die op een zeer berekende manier onvoltooid bleef. Het gaat over een jonge Nederlander met een protestantse achtergrond, die theologie studeert in een Stad. Hij zit in een split tussen een religieus en seculier bestaan, tussen gemeenschap en individu.  ‘Ik moet iets opbiechten’, had ik half-grappend gezegd, aftastend naar de toon van het gesprek. Mijn prof, nu een medereiziger, lachte alsof hij wist wat er zou komen. Hij haalde een thermos boven. Daarna toverde hij een bekertje tevoorschijn, schonk wat in en gaf het aan mij.  ‘Vind je dit boek ook niet goed?’  ‘Jawel, jawel’, stamelde ik. ‘Ik wil net zeggen dat ik het ander boek, met al die e-mails en dat gekke eiland, toch goed vind.’ Ik ontweek zijn blik. Vlak voor ik antwoordde, maakte ik uit beleefdheid kort oogcontact. Ik verschrok van de heldere, jonge aard ervan.  Aarzelend vervolgde ik: ‘De wereld is een groot rek met verkoopartikelen. Dat is er mis.’ Hij nam een slok koffie en krabde in zijn zilveren kruin. Ik vroeg me af of hij kinderen had en of die kinderen er toen ze klein waren madeliefjes in staken. ‘Ik vind het boek goed omdat ik ook wil geloven. Soms grap ik daarover, dat ik gelovig ben en dat ik bid. Een keer verloor ik mijn portemonnee in de Tesco naast een metrostation en toen ik er twee uur later achter kwam, kreeg ik hem terug van een medewerker, alle cash er nog in. Toen had ik ook gebeden.’ Ik was even stil.  ‘Maar eigenlijk is dat een heel droevige grap. Ik heb waardevolle vrienden en goede ouders. Ik heb een kot en een thuis. En toch wil ik, als ik op mijn eentje ben, nog steeds dat iets de overhand neemt, een Manus Dei. Het voelt moeilijk om juist te handelen, als er zo veel meer dan mijn eigen leven van afhangt.’  Ik had mijn prof nooit een kans gegeven om te vragen of ik me eenzaam voelde. Zo een persoonlijke vraag kon hij niet luidop stellen.  Soms probeer ik mezelf gerust te stellen dat dit gevoel generatiegebonden is, we zijn met velen, ik hoef niet te spreken. Maar het tijdperk van de stem van een generatie is voorbij. We kunnen ons niet verschuilen in de massa. En tegelijkertijd heeft mijn beste vriendin ooit gezegd dat we het zo gewoon zijn om ons verloren te voelen, dat niemand het nog herkent Er klinken zo veel verschillende stemmen. Ik hoop dat het ooit uitmondt in iets polyfoons.  IV. Toen ik de Eurostar afstapte, waren er geen poortjes meer om uit te kiezen zoals in de Underground. Ik dacht aan vorig jaar, toen ik het zo moeilijk had door iets zo banaal als een break-up. Door iets zo destructief als niet-praten, alle jaren daarvoor. Ik dacht aan hoe ik mijn prof nooit meer zou spreken en ik besloot om mijn oma te bezoeken met Kerst. Ik dacht aan Regisseur, aan mijn lievelingen en aan de stem. In de wirwar van Brussel-Zuid, lichtten plots mijn moeder, zus en twee beste vriendinnen op. Een bescheiden, hartverwarmend engelenkoor. Het kleine in mij begon te wenen. Er moest iets veranderen. 

Ynys Convents
0 1

ezelbeet en de geest

5   Maar nu, al die jaren later, was een geest in een koffertje lachwekkend, of dat zou het zijn als ze niet voor een man stond die wel dubbel zo groot was als haar. Ondanks deze bijna bovennatuurlijke situatie was er maar 1 vraag die tegen de binnenkant van haar lippen bleef stoten en dat is waarom ze haar gekozen hadden. Ze had toch geen ervaring met geesten in koffertjes. Haar leven was pijnlijk eenvoudig geweest tot nu toe, en waarom zou iemand de moeite doen om daar verandering in te brengen? Er is een oneindigheid aan mensen met speciale gaven, een brein zoals een computer of spieren zo gespannen dat hun huid bijna openspringt, en Wilma behoorde tot geen één van die groepen. Het laatste wat er mocht gebeuren is mislukking, want dan zou het leven opnieuw de volle 180 graden draaien naar een onopmerkzaam en uitzichtloos bestaan.    “Wanneer u de opdracht voltooid mevrouw, krijgt u alles van ons wat u maar wilt. Een eenhoorn, knalgroene onderzeeër, een ruimteschip, elke dag kroketten voor de rest van uw leven? Alles kan, zolang het maar geen geld is.” En maar goed ook, dacht ze. Ze zou niet weten wat ze met geld zou moeten doen.  “nog vragen?” Haar vraag wilt met alle haast zijn uitweg tussen haar lippen door vinden, maar ze houdt haar kaken als verroest op elkaar gespannen. Haar angst om ondankbaar over te komen is groter dan haar nieuwsgierigheid.  “Wat voor verhalen lust de geest?” vraagt ze dan maar. “Alle verhalen die uit jezelf komen, kan hij wel smaken. Je leest best niets voor dat uit iemand anders’ brein gesponnen werd. Voor de rest maakt het weinig uit, je zal het zelf wel leren. En voor ik het vergeet, laat het kistje dicht tot wij bevelen dat het open mag.” Zijn gezicht is uitdrukkingsloos, maar niet gespannen. Het is een gezicht dat zelfs in volle ontspanning niet kwaad of opgewonden lijkt. Niet uitgeput of enthousiast. Anders dan zijn kleding was zijn gelaat compleet normaal. Zo normaal zelfs dat het er toch net weer ietsje uit sprong.     

Chloe synkineses
0 0

ezelbeet en de geest

4. Ze wist niet veel over geesten, maar het woord alleen deed haar huidoppervlakte lichtjes koelen. Haar ouders hadden haar er altijd van overtuigd dat die niet bestonden, maar als kind was ze eens meegenomen met haar grootouders naar een ander ouder koppel. Die staken een DVD van de snorkels in de speler als entertainment van de avond, maar het echte entertainment ontstond in het gesprek dat de twee koppels voerden over geesten. Het ging over een bewegend glas, verbrand leder en voorbij glijdende schimmen, wat heel wat nieuwsgierigheid opwekte voor datgene dat kinderen niet wisten en volwassenen blijkbaar wel, maar het meest verassende element voor haar was de zwijgzaamheid van haar grootvader wiens mond je normaalgezien zelfs met een klem kon dichthouden. Hij wist over alles het meeste, interessantste en daar was hij zelf nog het meeste van overtuigd. Maar nu, nu wist hij helemaal niets of net teveel. Na dat gesprek had ze maandenlang zo’n angst gehad voor geesten dat ze de slaap niet meer kon vatten en zelfs het woord niet meer durfde uitspreken, voor moest haar stem in combinatie met die 5 letters maar eens de magische spreuk zijn om de schimmen uit een ander universum naar dat van haar te brengen. “mama, ik kan niet slapen, ik ben bang voor de krokodillen”, was een verzinsel dat haar een ticket naar de kamer van haar ouders gaf. “maar kind, gij zijt nooit bang geweest, en nu opeens wel? Dat slaat toch nergens op”. Na een tijd werkte die smoes dus ook niet meer en bracht ze de nachten met opengesperde ogen onder het laken door.    Maar nu, al die jaren later, was een geest in een koffertje lachwekkend, of dat zou het zijn als ze niet voor een man stond die wel dubbel zo groot was als haar. Ondanks deze bijna bovennatuurlijke situatie was er maar 1 vraag die tegen de binnenkant van haar lippen bleef stoten en dat is waarom ze haar gekozen hadden. Ze had toch geen ervaring met geesten in koffertjes. Haar leven was pijnlijk eenvoudig geweest tot nu toe, en waarom zou iemand de moeite doen om daar verandering in te brengen? Er is een oneindigheid aan mensen met speciale gaven, een brein zoals een computer of spieren zo gespannen dat hun huid bijna openspringt, en Wilma behoorde tot geen één van die groepen. Het laatste wat er mocht gebeuren is mislukking, want dan zou het leven opnieuw de volle 180 graden draaien naar een onopmerkzaam en uitzichtloos bestaan.   

Chloe synkineses
1 0

ezelbeet en de geest

3.   Een 3-tal weken later stond ze plots weer voor mijn neus. Want ze beweegt zich alsof ze zich elke stap teleporteert naar de volgende, en deze keer belandde ze toevallig voor mij. Geen windel, pleister of ander overblijfsel van haar ezelbeet. Zoals gewoonlijk neemt ze de krant op, legt die op de tafel en blijft rechtstaan om te lezen, zodat ze moeiteloos heen en weer kan lopen om telkens een andere krant terug naar de tafel te brengen. Haar passen zijn geluidloos, maar toch lijkt het alsof ze haar voeten telkens diep de grond in duwt. Zo stevig stapt ze, alsof ze anders naar boven gaat zweven en nooit nog terug komt. Ze begint zachtjes te neurien, een liedje dat ik niet ken. Een wc-bezoek duurt altijd wel een tijdje, en soms bij sluitingstijd wacht ik daarom op haar voor ik de sleutel door de sloten van de deuren draai en naar huis ga.   Ze begint zachtjes tegen zichzelf te fluisteren. Rechtdoor is de vrouwen-wc, Rechts de mannen en links die voor gehandicapten, dat is de grootste dus daar stapt ze binnen. Ze schudt wat van de nervositeit en stapt wat rond. Het kamertje is groot genoeg om 3 stappen in elke richting te zetten, maar dan word je onderbroken door een WC en een wastafel. De spiegel breekt haar gedachtenloop en verplicht haar heel kort naar zichzelf te kijken. De tijd zuigt haar terug naar het nu en de missie die ze op dit eigenste moment hoort te volbrengen. “Maar 1 opdracht, Wilma, en dan zijt ge voor de rest van uw leven van de miserie af. Ge moet niks meer betalen, ze komen u overal met ne taxi halen” had hij beloofd. “Nee, die taxi moogt ge laten, ik rij graag met mijne fiets.” “ gij zijt toch een raar he, maarja, wat gij wilt, zolang ge uw opdracht maar volbrengt.” “Ja meneer, ik ga proberen.” “nee. Nu hebt ge mij verkeerd begrepen. Als die rat daar niet op z’n plekske beland, dan is er gene taxi, maar dan kunt ge uwe fiets ook beter wegdoen, want dan zorgen mijn mannen er wel voor dat uw korte beentjes geen stap of trap meer kunnen zetten” Moest ze nog niet zo’n ellendig leven gehad hebben, zou ze nu in tranen uitbarsten, maar ze beheerst zich, al wordt alles wat stiller, donkerder, en lijken haar organen haar langs haar benen en dan voeten te verlaten.   Even geleden, ze kan niet meer zeggen wanneer, werd er in haar kamer een brief onder de deur geschoven. Daarin werd ze verwittigd verkozen te zijn door het geheime Sinklaarse comité om een opdracht te volbrengen. Woensdag, 9 uur ’s morgens moest ze klaar staan aan de achterkant van de kerk om verdere instructies te ontvangen. “Een geheim comité?” dacht ze, “Weten die niet dat het woensdag marktdag is?”. Woensdag om half 9 stond ze klaar. Nog nooit had ze zo’n brief gekregen, nog nooit was zij persoonlijk uitgekozen, en dan wel nog door een geheim comité. Ze was geen vrouw om stil te staan, ze had grote handen en voeten, graafde daarmee graag in de grond, ging overal met de fiets naartoe, bleef zelfs rechtstaan bij het lezen, maar die woensdag bleef ze stijf staan, zo’n halve meter van de kerkmuur verwijderd. Hoe moest ze weten wanneer haar afspraak er was? En hoe kenden ze haar eigenlijk? Een belangrijke vraag die verdween in de gedachte dat ze eindelijk eens werd uitgekozen voor haar kwaliteiten, en niet uit compassie. 9.10 uur. Wanneer ze om de hoek kijkt ziet ze uit de menigte een figuur dichter en dichter komen. Het is een man minstens een 40 cm hoger dan de andere mensen op de markt, met strakke en lage, donkerbruine hoed, en donkere rubberen laarzen. In die laarzen zit een wijde broek gepropt en de kleren aan zijn bovenlichaam lijken maar wat lukraak geknoopte lappen stof. Of is dat fashion? Hij lijkt iets met zich mee te dragen in zijn linkerhand. Vreemd genoeg kijkt niemand op van zijn nogal ongewone gedaante. Maar zij, zij wordt onrustig en begint wat te giechelen, tot de man echt dichtbij komt.    “meneer” knikt ze. “Overbodige woordenuitwisseling is hier niet op zijn plek. Straight to the point. In mijn koffertje hier zit een geest. Jij zal ervoor zorgen dat die geest op de juiste plek in het stelsel terechtkomt, en dat doe je met de kaart die nu in je jaszak zit. Daarop heb ik aangeduid waar je precies moet zijn. Een maand lang ga jij wekelijks die plek bezoeken, en pas wanneer je een telefoontje van ons krijgt, laat je de geest los.”  In haar gedachten ontvouwt zich een eeuwigheid aan vragen, maar er is geen ruitme tussen de woorden van de reuzenman om ze te stellen. “In tussentijd houd je de geest in leven door hem verhalen te voeden en val je zo weining mogelijk op wanneer je de aangeduide plek gaat bezoeken. Dat is de essentie van je opdracht.”

Chloe synkineses
2 0