Zoeken

Het eeuwige wachten

De voorjaarszon scheen fel die namiddag waarop ik haar voor het eerst ontmoette. Zij zat op een bankje in de schaduw van een boom met gekruiste benen en rechte rug.De stad was net bevrijd van de Duitse bezetting. Het was 1945 en Mechelen was in volle wederopbouw. Ze heette Rifka vertelde ze me later. Zoals de Bijbelse echtgenote van Izaäk, moeder van Jakob en bekend om haar grote vriendelijkheid. Ook deze Rifka zag er erg vriendelijk uit. Haar donker opgestoken haar zat perfect in model. Ze droeg een deftige jurk en een donkere lange jas die ze bij dit warme weer nonchalant open liet hangen. Op haar rechterborstzak waren de restanten van garen te zien, van waar ooit een Jodenster had gezeten.De manier waarop ze daar zat straalde vastberadenheid uit. Ze leek een doel te hebben. Geen verdwaalde ziel aan wie ik het verhaal van de Heer zou moeten verkondigen. Ik heb altijd al een fascinatie voor duiven gehad. Als kind beeldde ik me in dat ik samen met hen over de stad kon vliegen, op zoek naar achtergebleven resten brood. Het leek me heerlijk om van op de daken van gebouwen naar de mensen in de straten te kijken. Toen ik een aantal eeuwen geleden stierf, besloot ik dus, om net als de duiven, zo veel mogelijk tijd op de rand van het dak van mijn thuis, mijn geliefde Predikherenklooster in Mechelen, door te brengen. Ik was dan wel geen echte duif, maar als God vond dat ik eeuwig als engel op aarde moest blijven om zijn woord te verspreiden, dan kon ik er maar beter het beste van maken. Zo zat ik dus dagelijks op het dak van mijn klooster, dat ondertussen dienst deed als militaire kazerne. Nadat ik Rifka een tijdje had geobserveerd, besloot ik om naast haar op het houten bankje neer te strijken om haar van dichtbij te kunnen bekijken. Meteen draaide ze haar hoofd in mijn richting.Ik schrok, want voor gewone stervelingen ben ik normaal niet zichtbaar. Meestal fluister ik het heilige woord gewoon in hun oor. Bij haar was het anders. Ze keek me aan en glimlachte bedeesd.‘Goedemiddag, ik ben broeder Domenicus,’ stelde ik me voor, mezelf nog steeds afvragend of ze mij nu werkelijk kon zien. ‘Wie ben jij?’‘Rifka,’ zei ze zacht en wendde haar ogen snel weer van me af. ‘Rifka Wolff.’Haar stem klonk schor, alsof ze die al een tijd niet meer had gebruikt. ‘Aangenaam Rifka Wolff. Wat brengt jou hier?’‘Ik wacht,’ zei ze. Ze keek strak voor zich uit. Haar handen zaten om haar handtas geklemd.‘Mag ik zo vrij zijn om te vragen op wie?’‘Op Gideon, Gideon Presser, mijn verloofde.’Ze opende zenuwachtig haar handtas en haalde er een foto uit die ze me gaf. ‘U hebt hem hier toevallig niet gezien?’Ik bekeek de foto waarop een donkerharige jongeman stond. Hij droeg een net pak en leren schoenen. Ook op zijn borst prijkte een Jodenster. Langzaam schudde ik mijn hoofd: ‘Neen, niet dat ik me herinner. Er zijn hier natuurlijk veel jonge mannen gepasseerd de laatste jaren.’‘We hadden hier afgesproken na de oorlog,’ zei ze terwijl ze de foto behoedzaam uit mijn handen nam en weer in haar handtas stopte. ‘Hij zou terug naar Mechelen keren en dan zouden we samen weer naar Brussel reizen.’‘Ik vrees dat ik je niet kan helpen,’ zei ik. ‘Het spijt me.’Ze glimlachte en wreef met haar handpalm een lok haar, die was losgekomen uit haar perfecte kapsel, naar achter.‘Jammer,’ zei ze. ‘Hij zal wel snel hier zijn. Hij heeft het beloofd op de dag dat hij hier vertrok. In al zijn brieven nadien heeft hij het herhaald. In zijn laatste brief stond zelfs de exacte datum van ontmoeting: vandaag, 15 mei in de namiddag, zou hij hier aankomen. Ik heb speciaal mijn beste jurk aangetrokken. Als we terug in Brussel zijn, gaan we trouwen en een huis zoeken aan de rand van de stad. Daar zullen we dan een gezin stichten. We willen zo graag een jongen een een meisje, het liefste in die volgorde. We zullen ze Adam en Mira dopen.’ Rifka begon er van te blozen. Ik voelde haar oprechte hoop en de grote liefde die ze ongetwijfeld voor haar Gideon koesterde.‘Vreemd dat hij er nog niet is. Gideon is anders altijd erg stipt.’ Ze schuifelde heen en weer op het bankje. ‘Misschien heeft zijn vervoer vertraging…’ ‘Misschien,’ zei ik. ‘Misschien komt hij pas morgen, misschien is door de oorlog zijn gevoel voor tijd wat minder scherp.’‘Denkt u?’ Ze draaide haar hoofd schuin, zodat de losgekomen lok haar weer naar voor viel. ‘Dan moet ik morgen terugkomen, helemaal uit Brussel.’Ze zuchtte en leunde naar achter tegen de leuning van het bankje.‘Hoe laat is het nu?’ vroeg ze na een korte stilte. ‘Aan de stand van de zon te zien moet het rond zes uur zijn,’ antwoordde ik.‘Dan moet ik terug naar huis, mijn moeder wacht met het eten.’ Ze stond op en maakte aanstalten om te vertrekken. ‘Dag Rifka,’ zei ik snel. ‘Hopelijk heb je meer succes morgen.’‘Dank u,’ zei ze en verdween. Zo zat ze daar vanaf toen, dag na dag, te wachten op haar Gideon. Altijd met haar kapsel perfect in model en in haar deftige jurk. Nooit kwam hij opdagen. Ze zwaaide altijd even naar me als ze aankwam. Soms maakten we kort een praatje over het weer, soms mijmerde ze urenlang over haar toekomstige leven met Gideon.Op een dag was ze verdwenen. Ik dacht dat ze uiteindelijk toch haar geliefde had gevonden en dat ze, zoals ze had voorspeld, samen naar Brussel waren vertrokken. Ik zou onze praatjes missen, maar was oprecht blij dat haar wachten was beloond. Een week later zag ik een jongeman op de plek waar Rifka de laatste weken had gezeten. Het was Gideon. Ik herkende hem meteen van op Rifka’s foto. Hij droeg hetzelfde pak, enkel de Jodenster ontbrak. Hij kuste een papiertje dat hij daarna in zijn broekzak stopte en ging dan zitten waar Rifka altijd had gezeten. Hij huilde. Ik streek naast hem neer om te vragen wat er was, maar hij keek niet op. Ook toen ik zijn naam uitsprak, kwam er geen reactie. Wat ik ook deed, hij zag me niet. Hij keek enkel naar de hemel en prevelde intens gebeden. Gideon heeft er, denk ik, een uur gezeten. Hij nam zijn zakdoek om zijn gezicht te fatsoeneren en zijn neus te snuiten. Daarbij viel het papiertje dat hij bij zijn aankomst kuste ongemerkt op de grond. Daarna vertrok hij. Pas toen hij verdwenen was, durfde ik het papiertje op te rapen om te lezen wat er op stond. ‘Bid voor de ziel van Rifka Wolff, omgekomen bij de bombardementen te Brussel, 7 september 1943.’

Ans DB
0 0

kaal

Een meisje met blond haar zette zich naast een vrouw met een glad hoofd. Ze zaten een moment als twee wasmachines in een wasserij. Gedachtes dat maalden, schuimden en zoemden. De sandalen van het meisje wiegden heen en weer.'Wat betekent terminaal?' vroeg ze. 'Dat betekent zoiets als definitief en voor altijd.' Ze trok grote ogen. 'Eng.' 'Ja.' Beaamde de vrouw. Ze maalden verder in stilte.'Wat is jouw naam?' vroeg de vrouw tenslotte. 'Mathilde,' zei het meisje. 'Wat een toeval, ik ook.' 'Echt?' Ze knikte. 'Ken je bugs bunny, Mathilde?' Het meisje schudde haar hoofd en kamde de wilde haren van haar gezicht. Haren waar de wind mee speelde. 'Bugs bunny is mijn grote held. Hij is nooit bang, altijd zelfzeker. En hij is iedereen altijd te slim af.' 'Die ken ik niet,' zegt antwoord ze. 'What's up, Doc?' Zegt de oudere Mathilde. Dat doet het meisje lachen. Ze probeert de zin zelf uit. Als voor het eerst iets nieuws proeven. 'What's up, Doc?' Beide Mathildes giechelden als meisjes tijdens een pyjamafeest. De oudere Mathilde deed alsof ze op een wortel knabbelde. 'Ehh.. What's up, Doc?' 'Waarom ben je kaal?' de vraag zat al even in de mond van het meisje. Al van toen ze de vrouw op het bankje zag. 'Valt het je ook op dat in films niemand ooit een kwaal heeft?' Zuchtte ze. 'In films is iedereen zo perfect.' 'Waarom?' vroeg de jonge Mathilde. 'Omdat het niet belangrijk is voor het verhaal.' zei de oudere. Ze zwegen voor een tijd. De voeten van het meisje wipten een tijd op en neer. Toen werden ze stil. 'Wat is jou verhaal?' vroeg het meisje toen. 'Waar is je haar?' 'What's up, Doc?' antwoordde Mathilde. Het meisje kruiste haar armen. 'Goed als je het niet wil zeggen.' 'Waarom ben jij hier?' vroeg de oudere Mathilde. 'Dit is geen plek voor kleine meisjes.' 'Als jij het niet wil zeggen, ik ook niet.'Het meisje stapte op. Haar haren golfden in de wind. Een kwartier later kwam ze terug langs de bank, ze hield de hand vast van een dame dat ongetwijfeld haar moeder was. Haar moeder had een bolle buik. Toen ze langs het bankje passeerden zeiden ze beide nog eens; 'What's up, Doc?'

Stelselmatig
0 0

Slaapwel

Op 30 februari om vijf voor middernacht rinkelt de deurbel zeven maal. Ik schrik en laat mijn sigaret op het bed vallen. Snel klop ik met mijn hand op het laken. Fijne genstertjes spatten tegen mijn huid, voordat het lichtje in het duister volledig uitdooft. Ik kan wel raden wie er aan de deur staat, en ben opgelucht en ongerust tegelijk. Ik haal diep adem. Kalm blijven, maan ik mezelf aan. Met stramme spieren sleep ik me uit het bed en probeer ik in het donker de weg naar de voordeur te vinden. Sinds ik de meeste van mijn meubelen verpand heb, is mijn krappe huis een hindernissenparcours. Alles wat in mijn kasten zat, ligt verspreid over de vloer, met hier en daar een hoop sigarettenpeuken erbovenop. Ik stoot mijn teen tegen de deurpost en denk met heimwee terug aan de tijd waarin er nog licht uit mijn lampen kwam. Maar elektriciteit kost geld, en dat had ik nodig voor iets anders.Ik open de voordeur en daar staat hij in het maanlicht. Meneer Nevel. Opnieuw gaat hij verscholen onder een te grote hoed en een wijde mantel.Snel ga ik achteruit om hem binnen te laten. Twee uur geleden weerklonk de galm voor de avondklok al. Er hoort niemand meer op straat te zijn.Ik hurk op de grond, graai met mijn handen over de vloer. Hier in het halletje liggen ergens kaarsen. Ik heb ze daarstraks nog gezien, toen ik me moeizaam van het bed naar de sofa verplaatste… Maar plots floept er een licht aan tussen de handen van meneer Nevel. Hij richt een zaklampje pal op mijn gezicht. Het felle witte licht doet mijn ogen tranen. Meneer Nevel houdt het lampje een tijdlang op mij gericht, zonder iets te zeggen. Misschien probeert hij de vrouw te zien die ik ooit was. Zij verdween zodra ik een Gebruiker werd, en alle Gebruikers zien er hetzelfde uit: de huid strak om de knoken, het gezicht bleek en ingevallen, de ogen dol. In mijn buurt wonen er zeker een stuk of tien zoals ik. Ik zie ze tijdens de Waak, als ik in de sofa zit en verlamd van verveling door het raam staar. Ze slenteren door de straat en kijken wantrouwig om zich heen. Niet lang meer, denk ik dan, voor ze net zoals ik niet meer buiten komen, en van hun bed naar hun sofa schuifelen. Alsmaar heen en weer, tot de Slaap hen van die wansmakelijke routine verlost. Ooit was ik anders. Een jonge vrouw, die elke ochtend vroeg naar haar werk vertrok, en na een oneindig lijkend aantal uren van mentale marteling laat thuis kwam, waar het lege huis geen enkele troost bood. ’s Nachts deed ik geen oog dicht, omdat ik mijn hoofd niet kon stoppen. Ik snakte voortdurend naar rust. Eerst vond ik de Gebruikers weerzinwekkend, maar hoe langer ik erover nadacht, hoe jaloerser ik werd op de periodes waarin hun rolluiken naar omlaag bleven. De Slaap, zoals zij dat noemden, met hoofdletter S. De periodes waarin ze niet sliepen, maar met holle ogen doelloos door de straat dwaalden, leken plots een kleine prijs voor die heerlijke tijd van rust.   Op een avond was ik zo overtuigd dat ik durfde aan te bellen bij een Gebruiker in mijn straat. Een oudere man met een snorretje. In gedachten noemde ik hem Opa, omdat mijn grootvader zaliger net zo’n mal snorretje had. Alleen was het gezicht van deze Opa zo ingevallen, dat het eerder op een dodenmasker leek. Ik durfde hem bijna niet aan te kijken. Maar hij vertelde zo gelukzalig over de Slaap, dat ik het absoluut wilde proberen. Hij vertelde me hoe de Slaap niet alleen rust biedt, maar ook droombeelden. Dromen die bedekt worden met flarden van mist. Ze komen immers niet van jezelf, maar ontstaan door de chemische reactie van de Slaap. Maar dat hindert een Gebruiker niet. Slaap is Slaap.Opa stuurde meneer Nevel op mij af. Een meneer Nevel. Hoeveel er zijn, weet ik niet. Ik heb er nu een stuk of zeven gezien. Meneer Nevel draagt telkens dezelfde kleding, maar zijn gezicht is altijd anders. Mijn eerste meneer Nevel had rood haar en een tattoo in zijn nek. De andere herinner ik me al niet meer. Heb ik Slaap nodig, dan bel ik meneer Nevel gewoon op. Het nummer verandert regelmatig en wordt doorgegeven van Gebruiker tot Gebruiker. De eerste meneer Nevel die je oproep hoort, komt naar je toe. Als je kunt betalen, tenminste. Slaap is niet goedkoop. Meneer Nevel komt dichterbij en duwt me naar de woonkamer. Eén sofa staat er nog, midden in een berg rommel. Meneer Nevel ontwijkt zuchtend de obstakels en gaat in de sofa zitten. De zaklamp flitst kort over zijn gezicht. Deze meneer Nevel heeft een dunne sik en een bril. Hij gebaart naar het kussen naast hem. Voorzichtig neem ik plaats. Tijdens de Waak zit ik hier doorgaans de hele dag te wachten tot het schemerduister me ervan verzekert dat ik weer een dag ben doorgekomen. Daarna heis ik me naar het bed, om daar te wachten op het ochtendlicht. En zo gaat het alweer zeker twee weken, vertelt de kalender in de keuken me. Elke morgen zet ik een kruis over het vakje van de dag ervoor. Heel kort is er dan die troostende opluchting, tot ik merk hoe treiterig het nieuwe vakje me aankijkt. Veertien kruisjes Waak staan er ondertussen. Daarvoor lachen twintig lege vakjes me toe. Twintig dagen Slaap.   Meneer Nevel richt de zaklamp opnieuw op mij. ‘Hoeveel?’ vraagt hij met een rauwe stem. Vast ook een roker. Ik begin nerveus te frunniken aan mijn T-shirt, dat veel te groot is geworden voor mijn dunne lijf. ‘Zo veel mogelijk’, fluister ik. Ik klink anders dan ik me herinner, maar het is nu eenmaal lang geleden dat ik mezelf nog heb gehoord. Van bij de laatste meneer Nevel. Deze meneer Nevel zucht. ‘Ik kan maar voor een maand geven, dat weet je. Anders wordt het te riskant.’ Ik knik. Ja, dat heeft Opa me haarfijn uitgelegd. Meneer Nevel verkoopt maximaal vier zakjes Slaap per keer, omdat de vitale levensfuncties het na dertig dagen Slaap kunnen begeven. Het komt meneer Nevel beter uit dat Gebruikers na enkele jaren van Slaap en Waak gewoon aan ontbering sterven. Dat gebeurt vanzelf, als je enkel nog troost vindt in Slaap en sigaretten, en amper drinkt of eet. De Waak is dan enkel nog een teisterende aaneenrijging van verplichte uren realiteit.  De Leiders staan het handeltje in Slaap oogluikend toe. Een Gebruiker is toch sowieso iemand die niet langer meer productief is voor de maatschappij. Wie niet kan presteren, ligt eruit. Een Opgever. Een Loser. Geen enkele Gebruiker kwam er ooit weer bovenop. Er bestaan voor ons geen afkickcentra. Ja, meneer Nevel biedt de Leiders een handige oplossing om gemakkelijk van nutteloze zielen zoals ik af te komen. Maar dat geven de Leiders uiteraard niet officieel toe, en daarom wordt er jacht gemaakt op meneer Nevel. Op iedereen die zijn identiteit aanneemt.  Ik kan me niet voorstellen dat die jacht heel grondig gebeurt. Misschien wordt er af en toe een meneer Nevel gearresteerd, om de schijn hoog te houden. Maar het handeltje in Slaap moet blijven bloeien, anders komen de Leiders nooit af van mensen zoals ik.  In elk geval komt meneer Nevel alleen langs als het donker is, en hij geeft nooit zijn echte naam prijs. Maar die is ook helemaal niet belangrijk. Voor een Gebruiker is enkel wat hij meebrengt van tel.  Meneer Nevel graait in zijn diepe mantelzakken. Hij haalt er vier doorzichtige zakjes uit. De vloeistof die erin zit, kleurt roze in het licht van de zaklamp. Vier zakjes, vier weken Slaap. Ik reik mijn hand er gretig naar uit, maar meneer Nevel grijpt gauw mijn arm beet. Uit mijn mond ontsnapt een raspend geluid.  ‘Vier weken kost geld, juffrouw’, snauwt meneer Nevel. ‘Een hoop geld. Haal dat eerst maar eens boven.’ Hij laat mijn arm los en onhandig tuimel ik achterover in het kussen. Geld, ja, geld, alsof ik dat niet weet. Daar heb ik mijn hersenen de afgelopen dagen lang genoeg over gepijnigd. Ik heb mijn hele huis afgezocht naar iets waardevols om te verpanden. Maar ik moest me erbij neerleggen dat ik nog enkel rommel bezat. Helemaal in het begin had ik de trouwring van mijn overgrootmoeder verkocht. Onvoorstelbaar dat mensen in haar tijd nog trouwden. Of kinderen kregen op een natuurlijke manier. De ring was van goud en droeg drie kleine diamantjes. Aan de binnenkant was de trouwdatum nog leesbaar. Een antiek stuk, dat me genoeg had opgebracht voor een heel jaar. Daarna had ik mijn schamele spaargeld aangesproken. Nog later had ik mijn toevlucht genomen tot mijn meubelen, keukengerei, een stuk koper van een leiding die ik had losgewrikt. Mijn elektriciteit. Maar nu was mijn inspiratie op. Er is niets meer om te verkopen, niets dat genoeg opbrengt voor ook maar één week Slaap. Het enige wat ik nog heb, is mijn lichaam, maar zelfs de grootste dronkenlap zou nog liever zijn toevlucht nemen tot een gemuteerd schaap dan tot een Gebruiker.Sommige Gebruikers gaan uit stelen, vertelde Opa me indertijd. Sommige plegen zelfs roofmoorden om aan Slaap te komen. Maar daar ben ik te bang voor, en te zwak. Ik heb geen kracht om iemand te doden, zelfs geen omaatje. Ik zou misschien wel iemand kunnen neerschieten, maar heb geen geld om aan een wapen te komen.Neen, ik heb een beter plan. Hoop ik.Bevend sta ik op van de bank. ‘G-geld, ik g-ga het halen’, stotter ik, en ik wijs naar de keuken. Meneer Nevel gooit me zijn zaklamp toe. ‘Maak een beetje voort’, moppert hij. Zo snel ik kan, ga ik naar de keuken. Ik leg de zaklamp op het aanrecht en rommel wat in een lade, waar eigenlijk niets in zit behalve wat zakdoeken en lege batterijen. Daarna neem ik een gebarsten kopje en giet er de thee in waarmee ik de thermoskan vanmiddag heb gevuld. Uit mijn broekzak haal ik een zakje Slaap, dat ik net niet heb opgebruikt. Begerig strijk ik met mijn duim over het laatste restje vloeistof. Ik vraag me af hoe ik het in hemelsnaam heb volgehouden om het te bewaren. Voorzichtig open ik het zakje. De bekende rozengeur vult mijn neusgaten. Slapen als een roos, zeggen ze altijd… Zorgvuldig druppel ik het zakje leeg in de kop thee. Rozenbottelthee. Dat extra zoete vleugje zal meneer Nevel vast niet proeven. Zou hij trouwens überhaupt weten hoe Slaap smaakt? Zou meneer Nevel zijn eigen product uittesten?  Plots grijpt de angst me naar de keel. Wat als hij er niet van wil drinken? Of wat als hij dat wel doet en de Slaap kan proeven? Ben ik niet te naïef geweest?  Ik veeg het plotseling uitgebroken zweet van mijn voorhoofd en wandel met trillende handen naar de woonkamer, de zaklamp onder mijn arm geklemd. ‘Ik h-heb het weg gestopt’, breng ik schor uit. ‘Het g-geld. In de slaapkamer, d-denk ik. Mag ik u iets te drinken aanbieden, meneer Nevel? T-terwijl u wacht. Ik ben zo terug.’ Ik ga voor de sofa staan en overhandig meneer Nevel de kop thee. Het water klotst over de rand, zo erg beef ik. Maar dat vindt meneer Nevel vast niet verdacht, want geen enkele Gebruiker heeft een stabiele relatie met de zwaartekracht.Opnieuw zucht hij, maar hij neemt de kop aan. Met zijn andere hand gebaart hij naar de gang. ‘Vooruit, haast je wat.’ Ik knik inschikkelijk en draai me om, de zaklamp op de gang gericht. Achter me hoor ik hoe meneer Nevel aan de rand van het kopje thee slurpt. Mijn ribbenkast kan mijn bang bonzende hart amper bedwingen. Als ik in de slaapkamer kom, laat ik me langzaam op het bed zakken. De matras kraakt een beetje. Ik houd mijn adem in. Wachten. Ik moet wachten. Maar lang duurt het niet. Ik hoor niet eens een bons, eerder een geruis van stoffen die langs elkaar glijden. Ik blijf nog even zitten. Gaat het bij mij ook altijd zo snel, vraag ik me af.Na een minuut of vijf sta ik voorzichtig op. Ik schijn de gang in met de zaklamp. Uit de woonkamer komt geen geluid. Langzaam stap ik verder en richt ik het licht op de sofa. Meneer Nevel hangt ineengezakt tegen het kussen. Zijn hoed staat scheef op zijn hoofd en verraadt een bos grijzend haar. Ik buig me over hem heen en kijk in zijn open ogen, die overtrokken zijn met een witte waas. De mist van de Slaap is over hem gekomen, bedenk ik opgelucht. Maar erg lang zal dat niet duren. Dat restje was misschien maar net genoeg voor een uur of zes.Ik strek mijn dunne armen uit naar meneer Nevel en begin onhandig zijn mantel uit te trekken. Dat valt niet mee. Het duurt niet lang voor mijn hoofd licht aanvoelt door de inspanning. Uiteindelijk lukt het me toch. Ik trek de mantel aan en verdrink haast in de overvloed aan stof. Grijnzend haal ik de vier zakjes Slaap uit de rechterzak. Die zijn sowieso al voor mij, denk ik triomfantelijk. Maar daar laat ik het niet bij. In de linkerzak zit de Persoonskaart van meneer Nevel. Daar had ik op gerekend. Iedereen hoort zijn kaart immers altijd en overal bij te hebben. Er rijden voortdurend patrouilles door de stad. Bovenaan op de kaart staat zijn naam, maar die interesseert me niet. Zijn adres wel, en dat staat er vlak onder. Daar moet ik naartoe voor nog meer zakjes Slaap. Ik ken de straat. Het is niet eens veraf, hooguit een kilometer of vier. Ik tast verder in de linkerzak en daar vind ik ook zijn Sleutelkaart. Ik hoef zelfs niet in te breken!Luidop begin ik te lachen. Het klinkt hees, maar oprecht gelukkig. Het vooruitzicht aan Slaap maakt een mooier mens van me.Ik neem de hoed meneer Nevel en zet hem op. Hij zakt haast over mijn ogen. Ik moet er verdomd belachelijk uitzien. Gelukkig heb ik al mijn spiegels verkocht. In het halletje trek ik mijn versleten sportschoenen aan en ik haal diep adem. Ik zal uiterst voorzichtig moeten zijn, me dicht tegen gevels aandrukken, door tuintjes sluipen. Er zijn altijd patrouilles die gretig boetes uitschrijven of arrestaties verrichten als de avondklok niet wordt gerespecteerd.Daarna zal ik de woning van meneer Nevel betreden en zijn voorraad Slaap plunderen. Het is vast een bescheiden huisje aan de buitenkant, vol dure spullen binnen. Daarna zal ik met de opbrengst van een aantal zakjes Slaap een hotelkamer huren, en de rest van mijn buit tot mij nemen. De Slaap zal veel langer duren dan vier weken. De kans is heel groot dat het de eeuwige Slaap wordt. Maar ook daar heb ik op gerekend. Misschien wel op gehoopt.Ik steek nog snel een sigaret op voor ik de voordeur opentrek. De mantel van meneer Nevel is dunner dan ik dacht. De frisse nachtlucht blaast er scherp doorheen. Schuw beweeg ik me door de donkere straat. Gelukkig zijn de straatlichten gedoofd tijdens de avondklok, en zie ik nergens naderende koplampen. Ik schrik me een ongeluk als ik in het maanlicht een kat zie voorbij glippen.Hou vol, moedig ik mezelf aan. Nog even en je staat in het huis van meneer Nevel. Ik ben bijna aan het einde van mijn straat, als ik verrast word door opkomende mist. Eerst denk ik er niet eens bij na. Ik moet de buurt in de gaten houden, zelf onzichtbaar zijn, opgaan in de omgeving. Ik word me pas echt bewust van de mist als ze me haast volledig omsluit. ‘Nee!’ fluister ik. Al snel zie ik geen hand voor ogen meer. Ik draai me rond en rond. De hoed van meneer Nevel tolt op de grond, zijn mantel danst rond mijn benen. Langzaam word ik naar de grond gezogen. De waas trekt in mijn ogen, sijpelt in mijn oren, vult mijn mond. Ik gil zonder geluid en wapper als een waanzinnige met mijn armen. Maar de mist is nu overal. Mijn hoofd botst tegen de koude kasseien. Ik probeer op te staan, maar word door een onzichtbare hand neergedrukt.  De mist trekt pas weg als ik mijn ogen open. Ik draai mijn gezicht weg van het grauwe daglicht dat zich over mijn bed spreidt. Teleurgesteld slik ik mijn tranen weg en reik ik naar het pakje sigaretten op het nachtkastje. Ik slaag erin om met bevende vingers een sigaret aan te steken. Een zwart kringetje tekent zich af op mijn laken, als ik de sigaret verbaasd laat vallen wanneer plots de deurbel luid begint te rinkelen.

Gitta VR
5 0

Nieuwjaarsbriefje van de pen aan het papier

Je weet het dus nog? Ik ging kopje onder in het bakelieten potje door het gaatje, dat net zo groot was als de omvang  van mijn dikste kleurpotloodvriend in de pennenzak. Vol met donkerblauwe inkt werd ik aan het randje afgestreken opdat ik geen vlekken op je maagdelijk witte velletje zou maken. Soms vergat men mij af te strijken en kon ik het niet helpen dat je een klodder inkt te verwerken kreeg. Dat speet mij zeer, vooral wanneer jij dan plotseling als een prop in de papiermand terecht kwam.  Gelukkig was er ook jouw zachte roze vriend die vloeiend de inkt opslorpte waardoor ik je verder mocht vol pennen. In de tijd dat de houder waarin ik werd geschoven nog wat bibberde en ik nog moest leren welke letters ik moest schrijven, had jij nog fijne blauwe lijntjes. Later verdwenen ze en kreeg ik het moeilijk om alles in rechte banen te leiden. Wat was jij prachtig toen ik aan de doopmeter van mijn bezitter de allereerste nieuwjaarsbrief schreef. Jij schitterde gewoon, met jouw zilveren sterretjes en kleurenprenten van kinderen die speelden in de sneeuw. Mijn geschrift was mooi, maar beverig en ook al had ik alles eerst in klad voorgeschreven maakte ik toch een foutje, dat ik dan maar doorstreept heb. Hoe gek klonk de beleefdheidsformule die ik van mijn tienjarige eigenaar moest schrijven: ‘Uw toegenegen doopkind’. Daar heb je vast mee gelachen, net als met dat rijmpje dat ik voor de grap schreef: Liefste meter, één centje is goed, twee centjes zijn beter. Hij die mij al die jaren toeliet jou te beschrijven neemt mij helaas steeds minder ter hand, maar gelukkig laat hij mij dicht bij zijn computer liggen. Vanuit die bevoorrechte positie kan ik dan meekijken en lezen wat hij via een bord met toetsen op een scherm projecteert met een digitale witte vlek, die de pretentie heeft er als jij uit te zien. Sinds geruime tijd neemt hij zo deel aan schrijfopdrachten, waarvoor ik af en toe in een kladboekje mag voorschrijven wat uiteindelijk op het scherm terecht komt. Herinner jij de uitdrukking: ‘Wat baten kaars en bril als de uil niet zien en lezen wil’? Dat waren nog eens tijden, toen wij regelmatig bij kaarslicht mochten samenwerken. Weet jij dat ik, inktpotten en potloden in het woordenboek als ‘ouderwets’ schrijfgerei bestempeld worden? Jij bent natuurlijk nog lang niet afgeschreven al wordt je nu veeleer bedrukt dan beschreven. Ook al ziet de toekomst er voor mij eerder somber uit, wil ik je voor het komende jaar alle voorspoed toewensen. Wat ik zo fantastisch vind is dat jij tegenwoordig zelfs als prop of als snippers gerecycleerd wordt en telkens weer in een andere gedaante opduikt. Er dreigt wel een groot gevaar dat bekend staat als IPad. Dat lijkt op een telefoon met een klein scherm waarmee ook geschreven kan worden en zo mobiel is dat er van pen en papier totaal geen sprake meer is. Ik merk ook aan de commentaren van collega’s van mijn bezitter dat ze het meer en meer gaan gebruiken, want hun teksten tellen eens zo veel schrijffouten als voorheen. Verschrijvingen hebben wij ook gekend, maar samen met vriend gum konden wij gebreken steeds tot een minimum beperken of wegvagen. Mijn papiertje fijn, ik hoop dat wij nog lang samen mogen zijn.    

Vic de Bourg
19 2

Krulhaar

Lang geleden, in de tijd dat mensen en dieren elkaar nog begrepen, leefde een jongetje van acht jaar met zijn ouders op een heuvel. Samen met hen kwamen dieren een pootje helpen bij het groenten telen. Vossen kwamen diepe putten graven waar knollen konden bewaard worden. Kippen, katten, honden en andere dieren hielpen op hun manier om de grond te bewerken en klaar te maken voor nieuwe planten. Ze klauwden, krabden, scharrelden, wroeten tot de grond poreus genoeg was om te planten. De honden dabberden alle jonge plantjes en zaadjes onder. Een olifant woonde iets verder en wist dat hij op zo een moment zeer nuttig was. Uit de beek slurpte hij water en sproeide dit in het rond. Vader en moeder keken toe en waren zeer tevreden. Bij Krulhaar, hun zoontje, was altijd een jonge hond in de buurt. Ook wanneer er niet voor de velden moest gezorgd worden, waren ze bij elkaar. Krulhaar speelde dan met zijn vriend Kwispel. De gekste spelletjes kwamen aan bod. Benoemen deden ze niet, toch kennen we er nu nog enkele van: hondje over, mensje over is er zo een van, dolgelukkig werden ze door over elkaars rug te springen. Wanneer ze op stap waren, was Krulhaar eerst bang geweest toen hij soortgenoten zag. Dichterbij komen deed hij niet. Ze lagen naast elkaar verscholen achter een obstakel, om te zien of ze iets herkenden in het doen en laten van de groep. Met gegrom of een glimlach begrepen ze gelijkenis. Het was niet bij die ene groep gebleven, ze waren verder op zoek gegaan. Bij nieuwe groepen, groot of klein, waar overeenkomsten te zien waren, keken ze naar elkaar en voelden een opwinding. Kwispel was voor hem onmisbaar. Met zijn snuit tegen de grond vond hij de weg makkelijk terug. Ook wanneer ze langer weg waren en de maag om vertering vroeg, kon Kwispel snel een hapje vinden. Dikwijls deelden ze dat. Zo zaten ze vergenoegd te kauwen terwijl hun ogen elkaar niet loslieten. De verrukkelijkheid straalde tussen hen. Op één van de tochten bleef Krulhaar verbaasd staan. Zag hij daar geen ander klein menswezen dat naar iets aan het turen was. Een mensgroep was niet direct te zien, was zij alleen op de wereld? Krulhaar keek gefascineerd naar het menswezen. Het gezicht was grotendeels verborgen door het lange haar. Het leek een lichte sikkel die gedragen werd door een donkere gestalte. Een lange tijd stond zij stokstijf te staren. Hij kon zich niet voorstellen waar ze naar keek. Gebiologeerd bleven zijn ogen aan dat figuur kleven tot Kwispel een klagend geluid liet horen. Heel de terugweg bleef hem het beeld bij. Ook dat voelde Kwispel, hij gromde terwijl hij oogcontact zocht. In het kamp vlijde Kwispel zich aan de voeten van Krulhaar en bleef vruchteloos contact zoeken. Een week later was Krulhaar duidelijk blij dat hij werd weggestuurd. Met een huppelpas was hij vertrokken zonder op Kwispel te letten. Natuurlijk voelde die de afwezigheid van zijn vriend onmiddellijk. Op een drafje was hij hem bijgebeend. Zonder op hem te letten echter spoedde Krulhaar zich naar de plek van vorige keer. Perplex bleef hij staan. Dat klein menswezen was veel dichterbij en zag hem aankomen. Een glimlach tekende haar lippen terwijl haar bolle wangen lichtrood kleurden. Krulhaar kon niet bewegen, zijn voeten voelden als lood. Kwispel holde hem bijna voorbij, keek naar zijn vriend met een klagend gehuil. Krulhaar bleef genieten van het vriendelijke vreemde gezicht. Zijn hart klopte, klopte zo hevig dat hij bang werd dat het een laatste tik wilde geven. Bedremmeld draaide hij zich om en volgde Kwispel, die met de staart tussen de achterpoten en de kop in het zand voorop liep. Nog een week later was Krulhaar voorzichtiger. Met een langzame pas stapte hij de bekende route. Kwispel moest nu ook niet rennen om hem bij te benen. Onderweg voelde hij het verlangen van Krulhaar naar een weerzien. Toen hij naar boven keek zag hij zweetdruppels op zijn voorhoofd. Dat had hij nog nooit gemerkt, vreemd. Zou dat aan dat verlanggevoel liggen dat Krulhaar moest zweten? Ook hoorde hij een vreemd getik. Was dat er ook niet de vorige keer, misschien wel iets rustiger nu? Waar hij vorige week vastgenageld stond, bleef Krulhaar staan. Zijn ogen bleven gefixeerd op een punt, het punt waar hij nu niemand zag. Teleurgesteld zette hij zich naast zijn vriend. Kwispel genoot van zijn nabijheid en liet dat duidelijk voelen. Krulhaar was met zijn gedachten bij de verlaten plek. Hij voelde zijn hart samentrekken en zuchtte. Toen hij zich teleurgesteld omdraaide, ontwaarde hij in de verte een sikkel. Deze keer staarde zij de andere kant uit. Wat vreemd, dacht hij, zo leerde ik die kleine mens kennen. En toch is het anders. Vol in gedachten en toch met een hart dat wilder tekeer ging, schuifelde hij naar zijn ouders. Kwispel bemerkte het vreemde maar voelde zich toch blijer dan de vorige keer. De volgende week wandelde Krulhaar, zonder het te beseffen, in zijn voetsporen. Kwispel deed zijn naam via zijn staart alle eer aan. Opgetogen volgde hij. Hoe verder ze kwamen, hoe sneller Krulhaar stapte. Kwispel trok een vragende snuit waar Krulhaar geen aandacht voor had. Ineens begon hij te lopen, waarom wist hij niet. Kwispel was verwonderd en bleef staan. Het geluid in de omgeving viel weg, het was windstil. Het werd zo fris dat Kwispel zich plat op zijn buik aan de grond wilde warmen. Zag hij daar nu niet dat kleine menswezen? Het leek wel zo, maar niets van het gezicht was te bespeuren. Met de snel opgekomen donkerte was het moeilijk om zeker te zijn. Maar toch, maar toch. Achter het hoofd van dat klein menswezen zag hij stralen. Daar verscheen zeer langzaam het opgewekte gezicht van zijn menswezenvriend. Hoe meer hij de opgewonden blik van zijn vriend kon zien, hoe warmer het werd. Kwispel sloeg zijn staart heen en weer, met zijn kermend gehuil ontwaakte de omgeving.

Luc Van Roosbroeck
0 0

Witte slippers

In een flits denk ik dat de dertiger in het rode trainingspak over straat loopt op witte sportsokken. Hij wandelt met wat Amerikanen een “Swagger” noemen, ouderen herkennen hier John Wayne en minder ouderen herkennen vrijwel elke hiphop-ster, zo’n wiegende, zelfverzekerde tred. Bij nadere bestudering loopt die knul niet slechts op sportsokken, hij heeft ze zelfs in slippers gestoken, badslippers om precies te zijn. En zal ik het erger maken? Hij loopt op WITTE badslippers. Zomaar midden in een winkelstraat en geen badkamer in de buurt.   Met een dichtgevouwen boodschappentas van de Lidl onder zijn arm. Een sukkel onderweg naar een volkorenbrood, een pak melk en misschien wel een kraslot.   Ik staar naar zijn voeten en volg hem totdat hij om de hoek verdwijnt. Wat bezielt zo iemand? In zijn schuurtje, of als hij in een appartement woont in de badkamer, pakt hij zijn pas gekochte lichtblauwe slippers uit en legt deze midden op een krant. Hij neemt de spuitbus, die hij speciaal hiervoor bij de hobbyzaak aanschafte, en zorgvuldig, met de tong tussen de lippen, verft hij de slippers. Zonder strepen. En rustig laten drogen, niet te snel aantrekken! Hij wil geen doffe plekken op de lak. Eerst een uurtje FIFA spelen en onder de douche aan zichzelf denken. Daarna een kop koffie en de e-sigaret vullen met aardbeiensmaak en pas als het tankje helemaal leeg is, voorzichtig de slipper bevoelen of de verf droog is. Geduld, daar draait het om, dat is het verschil tussen succes en falen.    Zodra de lak uitgehard is, belt hij zijn moeder. Mannen van die leeftijd die op slippers buiten lopen, bellen elke dag hun moeder. Als een dertigjarige, of iemand op welke leeftijd dan ook, een relatie heeft (met M/V), wordt je met badslippers bij de deur tegengehouden. Helemaal als deze wit zijn. Niemand wil zijn of haar partner zo voor schut zien gaan. Het straalt ook op de partner af en die wil niet in de rij bij de slager aangesproken worden met de achteloze opmerking: ‘Die Henk van jou heeft mooi schoeisel,’ of: ‘Zo, zo, zo, maakt Henk een slippertje?’ En dat de wachtenden op gehakt, gebraden kip en worst instemmend grinniken. Waarna slager Vleeshouwer iedereen tot de orde roept met: ‘Koppen dicht! We beledigen geen klanten, Henk kan het ook niet helpen dat zijn douche aan de andere kant van de stad is.' Hij doorklieft met een ferme klap een varkenspoot. 'Wees blij dat hij niet in zijn witte onderbroek loopt.’    De slipperloper is dus relatieloos en belt zijn moeder.   ‘Mam, het is vandaag een speciale dag. U mag drie keer raden.’   ‘Zeg het maar schat,’ antwoordt zijn moeder en ze vervolgt bezorgd: ‘Je zat toch niet op je knieën bij de brievenbus en door dat gluurtje te loeren naar je buurmeisje op weg naar school? Je beloofde dat niet meer te doen!’     Niets van dat alles natuurlijk. Hij houdt een korte pauze om de spanning te verhogen en met trots in zijn stem meldt hij: ‘Ik heb mijn slippers wit geverfd.’   ‘Lieverd toch!’ Mama is opgelucht. ‘Ik wist dat je het in je hebt. Wat zal iedereen opkijken!’   ‘Over drie uur zijn ze droog en daarna ga ik naar de supermarkt.’   ‘Ik ben trots op je. Vergeet de bananen niet.’   En tevreden hangen ze op. Op sommige momenten, zoals nu tijdens het winkelen, maar het kan ook wachtend op de trein of met een peertje op een bank in het park, voel ik mij ver uitsteken boven mijn omgeving. Het enige dat ik nodig heb is een stakker die langsstiefelt die ik koppel aan mijn fantasie waarin de persoon van mijn aandacht deze keer hard werkt om zijn slippers wit te krijgen en waar een moeder als enige in de wereld trots op hem is.   Met een superieure swagger swing ik verder en bestel ik bij “Charles Coffee Corner” een cappuccino, vandaag gaat deze jongen niet aan de koffie met melk.

MCH
18 2

Stilte aan het front

Een herfstdag in oktober 1917 [Flashback] Ik dwaal rond over de grijsgrauwe slagvelden rond Ieper. Het is nog vroeg in de ochtend. Rondom mij een mistig landschap van alleen maar kraters, prikkeldraad en vernieling. Het lijkt wel alsof ik word opgezogen door het niemandsland en de duizenden lijken die haar bewonen. Ik vergeet zowaar even dat we in een offensief zitten. Kanonnen bulderen, geweren blaffen en granaten slaan in. Nog meer dood en verderf. Alsof er nog niet genoeg is geweest. Ik was nooit een voorstander van deze oorlog. Kanonnenvlees, meer dan dat zijn we niet voor de grote heren die deze oorlog zijn begonnen. Wijt het aan mijn karakter of aan het feit dat ik het nut er helemaal niet van in zie. Ik voel echt niet de behoefte om wat Duitsers neer te knallen voor een beetje roem. Thomas is wel zo. Die meldde zich zelfs vrijwillig aan om hier te mogen vechten. Wat waren mijn ouders trots op mijn kleine broer. “Ach, leek je maar wat meer op Thomas!”, hoor ik vader nog zeggen. Een mortier slaat dichtbij in. Het haalt me weg uit mijn gedachten, terug naar het front. Waar is Thomas zelfs? Zojuist liep hij nog vlak langs me. Haastig begin ik rond me te kijken in de hoop hem terug te vinden. De dikke mist beperkt echter het zicht zodanig dat ik enkel wat vage schimmen kan onderscheiden. Ik zet al mijn hoop in op de figuren die een paar luttele meters voor me lopen. Twijfelend ga ik naar ze toe. Wat als het Duitsers zijn die hier vlak langs me staan? Ik heb geen flauw benul in wiens voordeel de slag uitdraait. Het moet voor Thomas, praat ik mezelf moed in. Met mijn bajonet in de aanslag nader ik de soldaten. Niet dat ik me hier zou weten te verdedigen tegen een groepje van de vijand. Toch geeft het me ergens een gevoel van veiligheid. Ik roep mijn kleine broer. Geen antwoord natuurlijk. Kan ook moeilijk anders als de kanonnen geen moment zwijgen. De grond davert door een enorme explosie dichtbij. Wankelend probeer ik mijn zoektocht verder te zetten. De soldaten zijn inmiddels verdwenen in de kille mist die boven het niemandsland zweeft. Verdorie! Wat als dat Thomas is? . . . . Mijn ogen openen zich. Een fel brandend licht schijnt me recht in het gezicht. Het is stil. Oorverdovend stil. Ben ik dood? Is dit God die me bij zich roept? Stilaan wennen mijn ogen aan het licht en ik bemerk enkele contouren die langs me lijken te staan. Dan lijkt mijn gehoor terug te keren. Een sterk geroezemoes overweldigt me. “Naam?” kan ik precies onderscheiden uit de drukte. Ik voel me suf. Alsof alle kracht uit mijn lichaam is weggevlucht. Gaan lopen voor de Duitsers. Duitsers? Waar ben ik eigenlijk? Waar is het slagveld en waar is Thomas? Ik probeer te achterhalen waar ik in godsnaam ben terechtgekomen. Ik lig op een bed. Vastgebonden, zo lijkt het wel. Een koor van geschreeuw en gejammer dringt mijn hoofd binnen. Geen enkele geur dringt tot me door, mijn reukzin heeft me duidelijk in de steek gelaten. Ik wend mijn ogen af van het intense licht en probeer rondom me te kijken. Eerst zie ik de gewonde soldaten. Dan hoor ik ze. Moedeloos schreeuwen ze het uit van de pijn. Alsof ze er liever gewoon een einde aan willen maken. Langs mij blaast iemand zijn laatste adem uit. Eentje minder die moet lijden op deze gruwelijke plaats. Maar waarom lig ik hier dan? “Naam?” herhaalt iemand nu harder. Mijn oog valt op de verpleegster en de dokter die langs mijn bed staan. Beiden gehuld in een schort die misschien ooit wit was, maar die benaming al lang niet meer waard is. “Naam?” vraagt de dokter nogmaals. “Dokter, ik denk niet dat hij in staat is om op uw vragen te reageren,” richt de verpleegster zich op een voorzichtige manier tot haar meerdere. “We hebben hem iets gegeven om te kalmeren.” “Op het eerste zicht heeft hij geen verwondingen,” steekt de dokter van wal. “Hij bloedt zelfs niet eens! Waarom sturen ze zo een lui naar ons!” De dokter komt me niet bepaald vriendelijk over. Ik heb medelijden met de mensen die hem een hele dag moeten verduren. De verpleegster lijkt enigszins geschrokken door de toon van de dokter. “Toen hij hier binnen werd gebracht had hij een ernstige paniekaanval en riep hij constant de naam van een zekere Tom of Thomas. Hij was zo onrustig dat we hem moesten vastbinden en platspuiten.” “Ach, weer eentje die niet snel genoeg van het front weg kon zijn dus,” begint de dokter woedend terwijl hij zijn rug naar me toekeert. “Dit is toch geen plaats om een paar lafaards op te vangen die doen alsof hen iets mankeert, gewoon om de oorlog te ontlopen!” “Hij heeft zijn beide armen en benen nog,” gaat hij verder “Hij heeft hier niets verloren. We sturen hem terug naar het front.” “Dokter, u weet toch dat we sinds kort patiënten zoals hem moeten doorsturen naar een psychiatrische veldhosp…,” de verpleegster wordt abrupt onderbroken door de dokter. “Die charlatans met hun gezever over emoties en mentale verwondingen. Doe wat je niet laten kan. Ik moet hier écht medisch werk verrichten. Soldaten die écht gewond zijn!” De verpleegster is duidelijk aangedaan door de onverschilligheid van de man langs wiens zijde ze al zovele soldaten heeft verzorgd. Wanneer ze doorheeft dat ik haar al een tijdje aankijk, komt ze plots naar me toe. Nu ze zo vlak langs me staat zie ik haar gezicht pas echt goed. Haar jeugdige en onschuldige uitstraling verraadt dat ze niet veel ouder is dan achttien. Een bos donkerbruin haar, chaotisch in een dot opgestoken, gaat schuil onder haar verpleegsterskapje. “Hij is niet altijd zo hoor,” vangt ze aan terwijl ze me met haar helderblauwe ogen aankijkt. “Zijn zoon sneuvelde echter een tijdje geleden en nu kan hij soms wel eens nors overkomen.” “Ach, ik heb niet echt meegeluisterd,” lieg ik. “Je bent je tong dus toch niet verloren,” grapt ze terwijl ze haar glimlach voor de eerste keer ontbloot. “Waar ben ik? En wat doe ik hier?” vraag ik aan de verpleegster. Ik wil nu echt wel eens antwoorden krijgen. “Je bent in het veldhospitaal nabij Ieper. Ze vonden je in een krater op het slagveld, helemaal alleen en in shock.” Ze kijkt me bezorgd aan alsof ik een kleuter ben die net van zijn fiets is gevallen. “Laat me je even losmaken. Het ergste lijkt me wel voorbij te zijn.” Haar aanwezigheid doet me vergeten dat ik ben vastgebonden. “Waar is Thomas?” vraag ik verontrust. “Thomas. Dat was het,” zegt ze enthousiast alsof ze net een weddenschap heeft gewonnen. “Waar is hij?” Opgelucht kijk ik rondom me. “Het spijt me. Ik ken geen Thomas. Je bent gewoon al zijn naam aan het mompelen sinds je hier bent.” Haar antwoord doet mijn gevoel van opluchting weer verdwijnen, als sneeuw voor de zon. “Thomas Bennett. Mijn kleine broer. Ik had moeder nog beloofd hem in de gaten te houden.” Terwijl ik het over mijn broer heb, besef ik dat ik mezelf nog niet eens heb voorgesteld. “John trouwens. John Bennett.” Ik steek mijn hand weifelend uit. “Alicia Smith. Aangenaam,” en ze steekt haar hand uit en schudt de mijne. “Het spijt me echt van je broer,” gaat ze verder. “Ik zou willen dat ik je kon helpen.” “Je helpt hier al genoeg mensen zo te zien,” zeg ik ietwat vleiend. Ik zie meteen aan haar gezicht dat ze minder leuk nieuws gaat brengen. “Ik vrees dat dat je hier niet kan blijven. Ze kunnen je veel beter helpen in het hospitaal hier een paar kilometer vandaan.” Voor ik afscheid van haar kan nemen wordt ze weggeroepen. Een nieuwe lading zwaargewonden wordt binnengebracht. Alicia verdwijnt tussen de andere verpleegsters, een lange shift van bloed en oplapwerk tegemoet. De regen komt met bakken uit de hemel vallen wanneer ik de hospitaaltent verlaat. Afgunstige blikken zijn er in overvloed. Verpleegsters, brancardiers en gewonde soldaten. Ze kijken me aan alsof ik de vijand ben. Zelfs de bestuurder van de transporttruck werpt me een vieze blik toe. Al is die misschien vooral pisnijdig omdat ik hem heb laten wachten in de gietende regen. Ik stap de laadbak van de truck in en neem plaats op een van de krakende houten zitbanken. Het opmerkelijke gezelschap voor deze rit wekt meteen mijn aandacht. Vlak langs me schuifelt een soldaat zenuwachtig heen en weer terwijl hij iets onverstaanbaar mompelt. Achteraan tokkelt er dan weer iemand voortdurend met zijn vingers tegen zijn voorhoofd. Het laat me niet bepaald comfortabel voelen. De meest vreemde snuiter zit echter tegenover me. Hij kijkt me indringend aan, zijn ogen wijd open. Het lijkt wel alsof hij recht door me heen kan zien, het oneindige tegemoet. Ik probeer zijn blik af te wenden, maar wat ik ook doe, hij blijft me gewoon griezelig aanstaren. Het is lang stil geweest. In de hospitaaltent, in de transporttruck en wie weet zelfs aan het front. Alsof de verweesde soldaat tegenover me het zag aankomen beginnen de kanonnen plots te bulderen. De symfonie van brullende projectielwerpers geeft me een benauwd gevoel. Het brengt me terug naar het front. Naar het niemandsland. Naar Thomas. . . . . Ik heb Thomas nog steeds niet gevonden. Het baart me nu echt zorgen. Wat als ik hem nooit vind? Wat als hij dood is en hier ergens vergeten blijft liggen tot het einde der dagen? De gedachte alleen al maakt me misselijk. Ik moet hem vinden. Ik heb een belofte gedaan aan moeder. Drie soldaten schuilen in een krater. Ze hebben zich zo klein mogelijk gemaakt, met hun handen over hun oren. Alsof ze het allemaal niet meer aankunnen. Wanneer ik me er langs leg, hoor ik een van hen iets mompelen. Tevergeefs vraag ik of ze mijn broer hebben gezien. Geen antwoord. Misschien zijn ze doof geworden door de duizenden bommen en granaten die ons hier om de oren vliegen. Het kan haast niet anders. Ik waag me terug het open niemandsland in. Weer slaat een projectiel dichtbij in de grond. Ik schrik me rot. Hoewel ik hem deze keer fluitend naar beneden hoor vallen laat ik me toch weer verrassen. Het doet me denken aan het onweer thuis. Aan de donder en de bliksem. Na de verblindende flits van de bliksemschicht probeer je je schrap te zetten voor de donderslag die elk moment kan gaan komen. Toch weet die je altijd weer onverwachts te verrassen. Dat is het! De soldaten van daarjuist zijn gewoon bang voor het onweer. Eigenlijk verschillen ze niet zoveel van elkaar, het onweer en de Duitse artillerie. Ze laten je ineenkrimpen van de schrik en doen je smeken om genade. Dat ze maar zo ver mogelijk hier vandaan inslaan. Ze onthullen hoe nietig we soms kunnen zijn. Ik zie mensen neervallen als dominostenen. De aanhoudende bombardementen boetseren het landschap naar eigen hand. Hier fabriceren ze een krater uit het niets. Daar laten ze er weer eentje verdwijnen in de vlakte. Een boomstam, die tot dan toe nog recht stond, wordt in tweeën gespleten. Zelfs de natuur overleeft het Duitse vuur blijkbaar niet. Elke minuut die voorbij gaat, doet mijn hoop om Thomas te vinden aanzienlijk slinken. Elke donderslag die de grond laat daveren, doet me twijfelen of mijn kleine broer de kogel met zijn naam er op nog niet heeft ontvangen. Ik moet hem vinden. Hij moet en hij zal veilig thuiskomen. . . . . Ik kom aan in het hospitaal waar Alicia het over had. De plaats waar ze me volgens haar kunnen helpen. Helpen met wat? Ik moet Thomas vinden en ik kom niet bepaald dichter bij het front. Een oudere verpleegster wacht ons op voor het vervallen gebouw dat met veel improvisatie als hospitaal kan doorgaan. Ze begeleidt ons naar de slaapzaal. Het plafond kraakt gevaarlijk. Het zou me niet verbazen moest een van deze dagen het dak gewoon naar beneden vallen en alles en iedereen met zich meenemen. Een dokter onderzoekt ons vluchtig en stelt dan een voorbarige diagnose. Hij spreekt vaak over Shell Shock. Ook bij mij kraamt hij tegen zijn assistente enkele haast onverstaanbare woorden uit en concludeert dan dat ik eerst een dag moet rusten vooraleer de behandeling begint. Ik hoor het met tegenzin aan. Niet dat ik sta te springen om terug naar het front te gaan, maar ik moet Thomas nog steeds vinden. Als ik ’s nachts door een hevig bombardement weer in een panische toestand terechtkom, acht de assistente de situatie blijkbaar ernstig genoeg om de dokter te gaan halen. Die besluit dadelijk met een elektrische shockbehandeling te beginnen. Twee stevige verpleegsters grijpen me vast en dragen me naar een afgelegen kamer wat verder de gang door. Ik word op een ligzetel neergegooid en het tweetal verpleegsters bevestigen enkele geleiders op mijn hoofd. Het angstzweet breekt me uit. Dan giert de elektriciteit door mijn hoofd. Ik bevind me in een combinatie van realiteit en herinnering. De kanonnen bulderen terwijl de stroom door mijn lichaam brandt. Ik hoor vaag de dokter naar me roepen en toch ploeter ik door de modder van het niemandsland. Een gruwelijkere behandeling bestaat er volgens mij niet. Tien luttele minuten in die folterkamer lijken wel uren te duren. De dokter, tot dan toe een aangename persoon, verandert daarbinnen in een ware duivel. Het voelt alsof de bliksem inslaat, niet op een of andere boom, maar in mijn hoofd. Dit allemaal terwijl de dokter en zijn hulpjes er vlak langs staan. De tweeënhalve dag in het hospitaal zijn misschien nog erger dan mijn tijd aan het front. Ik ben dan ook vrij opgelucht wanneer de dokter de zaal binnenkomt en enkele patiënten uitpikt om terug naar het front te sturen. Vooral wanneer hij mij er ook uit kiest. Het klinkt raar om verheugd te zijn terug naar het front te moeten. Zeker wanneer sommige anderen in de zaal de dokter smeken om maar niet terug te hoeven gaan. Mij kan het allemaal niet meer zo veel schelen. Het front is een hel. Deze plaats is een hel. Maar Thomas zit wel aan het front en niet hier. De weg van Ieper naar de frontlinie lijkt eeuwig te duren. De soldaten langs me in de truck bidden God om vergiffenis, om hen alsnog te redden van een ongewisse dood aan het front. De angst om te sterven overvalt ook mij soms, zeker nu ik Thomas nog steeds niet heb gevonden. Ik kan niet snel genoeg terug op het slagveld staan, dichter bij mijn kleine broer. De truck komt tot stilstand. Vanaf hier moeten we te voet verder, vertelt de bestuurder ons. Het is nog fris, zo vroeg op de ochtend. De vorstlaag die zich gedurende de nacht op de grond heeft gevormd, begint op te warmen en verandert de bodem in een grote modderpoel. Troepen wisselen elkaar af in de achterste loopgraven. Nu is het onze beurt. Het geeft me een goed gevoel dat iemand in mijn plaats weg kan zijn van het front. Hopelijk krijgt Thomas die kans ook. We lopen door de verbindingsweg naar de voorste loopgraaf. Haar karakter blijft me elke keer weer verbijsteren. Soldaten tot hun enkels verzakt in een mengsel van modder, bloed en uitwerpselen. Lijken die nog niet zijn weggehaald maar wel al aangevreten door ratten en ander ongedierte. Ik ruik nog steeds niets, maar kan me inbeelden dat de stank ondraaglijk moet zijn. De kanonnen zwijgen voor een keer. Stilte aan het front. Stilte voor de storm. Soldaten maken zich klaar voor een nieuw offensief. Deze aanval wordt beslissend, volgens de officieren. Een plan tot in de puntjes uitgedokterd. Het moet alleen nog maar uitgevoerd worden. Daar staan we dan. Honderden soldaten tegen elkaar gepropt in een smalle loopgraaf. Ze kijken elkaar bang aan, wachtend op dat ene signaal. Dan begint het onweer. Zware en lichte artillerie, van mortieren tot kanonnen, ze beginnen allemaal muziek te spelen. Loeiende deuntjes kondigen harde ontploffingen aan. De aarde davert en dreunt. Dan klinkt het fluitsignaal. Nu gaat het beginnen. Soldaten werken zich een weg naar boven via de sporten van de ladders. Sommige kunnen niet snel genoeg boven zijn, anderen grijpen de ladder twijfelend vast. Ik klim naar boven en voeg me zo snel mogelijk bij de rest van het peloton. De drassige modder van het niemandsland verzwelgt mijn laarzen, alsof mijn voeten en de grond een zijn geworden. Met elke stap die ik zet, voel ik me dichter bij Thomas. Boven mij, in de eens zo heldere lucht,  overheerst een machtsvertoon van projectielen. De kanonnen bulderen aan beide kanten. Wij die er pal tussenin vertoeven, zijn de dupe van dit helse onweer. Onze artillerie die vanuit de eigen loopgraaf zo behulpzaam en beschermend lijkt, is hier niet minder dreigend dan de Duitse. Ik vraag me af hoeveel langer deze plaats het onder de voortdurende bombardementen nog kan volhouden. Hier en daar staat nog één enkele boom recht. Het lijkt alsof die het vertikt neer te vallen, om de herinnering aan vroeger levend te houden. Een landschap van kraters blijft over, gevuld met troebel water en ratten. Ongedierte dat hier op miraculeuze wijze weet te overleven, terwijl niets of niemand anders dat kan. Elke mortier die inslaat maakt me een beetje kleiner, trekt me wat meer naar de grond toe. Ik kan dit niet meer aan. Soldaten vallen in groepen tegen de vlakte. Ze krijgen niet eens de kans zich te verweren. Ze verliezen armen, benen of delen van hun gezicht. Sommige hebben het geluk op slag dood te zijn. Anderen hoor ik het uitkrijsen van de pijn, verlangend naar het einde van dit noodlottig bestaan. Schuilend in een krater maak ik me zo klein mogelijk. Ik probeer hier ver vandaan te zijn. Het gruwelijke niemandsland beangstigt me, doet me beven en sidderen. Realiteit en herinnering lijken het weer tegen elkaar op te nemen. Ik dwaal af naar het slagveld van enkele dagen geleden. Naar Thomas. De kanonnen blijven bulderen terwijl ik steeds dichter bij mijn broer ben. Ik heb hem bijna gevonden, ik voel het. . . . . De hemel kleurt grijsbruin door de rook en de opvliegende modder. Akelige fluittonen en donderslagen verdoven mijn oren. Het niemandsland davert zonder ophouden. De wereld lijkt te vergaan. Een soldaat loopt vluchtig terug naar onze linie. Thomas? Ik roep zijn naam in de hoop dat hij doorheen deze overweldigende kanondreunen ook maar iets zou horen. Waarom loopt hij terug? Ik blijf zijn naam schreeuwen, ook al is het vrij hopeloos. Ik kan mijn eigen woorden amper verstaan. Een soldaat in onze loopgraaf legt zijn geweer aan. Hij mikt op Thomas. De storm aan mechanische geluiden verbergt de galm van het schot. Dan stopt de donder. De kanonnen, de mortieren, de houwitsers en de geweren. Plots zwijgen ze allemaal. Een oorverdovende stilte voltrekt zich over het niemandsland. Ik voel mezelf happen naar lucht. Mijn kleine broer valt levenloos neer.  

MauritsDodion
14 0