Zoeken

Honger

Ik heb honger, en niet zo’n klein beetje. Lastig. Het hotelrestaurant is dicht. Ik ben te verlegen om op straat elk menu naast de deur te lezen en ter plekke te beslissen. Bang wat mensen denken. Als de ober naar buiten komt, móet ik naar binnen, als vegetariër stapte ik zelfs een Steakhouse binnen.    De enige optie voor een onafhankelijk antwoord op de eetvraag, staat voor de deur. Ik haal diep adem en repeteer in mijn hoofd “waar kan ik iets eten?” Hup, door de draaideur en ik sta op straat. Ik draai om naar de portier. De portier heeft een imponerende snor, zo’n Oostenrijksekeizerssnor. Kraaienpootjes geven ogen vaak vermoeidheid. Dit is bij hem anders, de kraaien hebben vriendelijkheid en vrolijkheid rond zijn ogen gepoot. Zijn geur van Old Spice doet aan mijn vader denken.   Wat denkt hij van iemand die om half elf ‘s avonds nog wil eten? Precies een half uur nadat de keuken van het hotel dicht is? Is dat niet vreemd? Een voorverpakte sandwich bij roomservice kan toch? Of chips, pinda’s en cola uit de minibar?   ‘Weet u … misschien … waar ik… op dit tijdstip …’   De portier knipoogt en zegt: ‘Geen probleem, mijnheer.’ Uit de zak van zijn lange, rode jas haalt hij een mobiel en smoest erin. ‘De taxi rijdt binnen vijf minuten voor, mijnheer. Waar gaat de voorkeur naar uit, als ik niet te onbeleefd ben om het u te vragen?’   Ik stamel wat over geen voorgerecht en iets lichts.   ‘Begrepen, mijnheer. En bent u van de rechtopenneer? Als ik weer niet te onbeleefd ben.’   Waar heeft hij het over? Hij ziet mijn twijfel aan voor ontkenning.   ‘Meer van de bal in de mond en plets op de kont?’ Hij knipoogt. ‘Weten we wel raad mee, mijnheer.’    Ik hoop niet dat hij gehaktballen op het oog heeft, zoals gezegd: ik ben vegetariër.    Hij monstert mij als een paardenhandelaar en zegt: ‘Ik bespeur een bepaalde klasse, daar houden we wel van.’   De taxi stopt, hij duwt mij kordaat op de achterbank en zegt tegen de chauffeur: ‘Peter, deze is voor Rooie Mien, special treatment. Zeg dat ze de kelder eerst een sopje geven, deze heer is niet van de straat. Laat Mien de rekening naar ons sturen.’ Hij klopt geruststellend op mijn schouder. ‘We zetten het op de rekening als diner, dan zeurt de boekhouder niet over de bonnetjes.’ Hij licht zijn hoed en sluit de deur. Weg zijn we.   Ik heb honger, en niet zo’n klein beetje.

MCH
15 2

De verdwijning van het boek

Midden op het plein achter het oude bibliotheekgebouw stond een grote container. Aan de zijkant stond een bankje van waar Lea de opruimers al twee dagen observeerde. Ze liepen de ladder, tegen het metalen gevaarte leunend, op en af met… boeken! “Zonde van zoveel boeken die niet verkocht raakten,” zei Albrecht, een jongeman met boekenhonger. “Ach,” antwoordde Lea, “ze doen gewoon hun werk. De schattenverzameling opruimen.” “Wat zal je het meest missen?” vroeg hij. “Mijn eigen boek. Het is nooit afgeraakt. Nu zal mijn verhaal voor altijd verdwijnen.” Zij was bibliothecaresse op welverdiende rust. Een mooie titel, dacht ze, maar wat ben ik ermee? Net nu ik tijd heb om mijn boek te vinden en verder te schrijven. Het boek dat ze meer dan vijf decennia geleden was gestart was kwijt. Elk vrij moment nam ze haar dikke schrift met harde kaft en verdween in haar verhaal…   Ik was kind aan huis bij mijn buren. Daar was maar één kind, Frederik. Hij was een jaar ouder dan ik. Als hij op dinsdag verjaarde, was ik gisteren al verjaard. Zijn feest was elk jaar opnieuw een groots feest, vol suikergoed, taart en wilde spelletjes in de tuin. Ik was één dag per jaar een prinses, dan werd mijn verjaardag meegevierd. Ik voelde me dan een zondagskind. Bij zijn tiende verjaardag, ik was toen net negen, kreeg ik een dik boek. Er stonden vier verhalen in die elk twee verschillende kanten uit konden. Een kant stond er al in gedrukt. Een andere kant had alleen maar lijntjes, zoals in een schrift op school, voor kinderen die al goed kunnen schrijven. Weer thuis, met mijn schat, nam ik het boek mee naar bed. Vier verhalen om te lezen, vier verhalen om zelf mee te schrijven. Mijn dagen vulden zich met dromen en avonturen, met goede mensen en echte slechteriken. Ik leerde woorden die ik enkel van mijn oudere zus hoorde. De andere broers en zussen hadden die liefde voor boeken niet.   Het eerste verhaal ging over een verloren toverboek. Het stond vol spreuken en bezweringen, voodoospreuken en raad bij onheil. Het al aanwezige vervolg had ik opzettelijk nog niet gelezen. Ik begon eerst met alles op te schrijven wat ik uitprobeerde, met de resultaten. Mijn immer boze schooldirectrice bijvoorbeeld, kreeg op een dag vreselijke hoofdpijn en moest zeker een week thuisblijven. De turnlerares wilde alleen nog maar dansen en spelletjes doen, zoals verstoppertje en trefbal. Die saaie evenwichtsbalk en de bok en de plint stonden in een hoekje van de turnzaal. Maar de strafste gebeurtenis was mijn eigen verdwijning. Zomaar pardoes had ik, op een zomeravond in de tuin toen de anderen tv keken, de verdwijnspreuk uitgesproken: “Oh, Grootheid der grootheden, Tovenares en mijn Grote Weldoenster, laat mij hier verdwijnen en nooit meer terugkomen.” Misschien hoopte ik dat het niet zou lukken. Maar wat moest ik dan opschrijven? Echter, het lukte! Ik voelde een zak over mijn hoofd gaan. Iemand trok aan me. Ik liep mee. Het was vreselijk spannend. Waar zou ik terecht komen?   “En toen?” vroeg Albrecht. Lea’s verhaal werd onderbroken door de grote vrachtwagen die de volle container zou wegtrekken. “Tja,” zei Lea, “Het was een trucje van Frederik. Die verveelde zich zo vaak in zijn eentje dat hij meeging in mijn verzinsels. Ik wilde toen dat ik die kon afmaken.” “In dat boek?” “Dat hebben we nooit meer teruggevonden. Ik vermoed dat mijn vader het oppakte toen hij me die avond zocht. In dezelfde week hebben we een kampvuur gehouden met ons hele gezin. Ik herinner me nog zijn verbeten blik…” “Het is echt gebeurd!?” “Niet alles,” lachte Lea, “ik ging wel vaak naar Frederik en rond mijn negende begon ik zelf in een schriftje sprookjes te schrijven. Toen ik hier begon te werken, begon mijn eerste echte schrijfboek. Tot ik het laatste kwijtspeelde.” “Dat moet toch te vinden zijn,” grommelde Albrecht. Hij stond recht en liep de ladder, tegen de container, op en nam een duik in de boeken. Net toen reed de vrachtwagen langzaam weg. “Hemeltje! Jongen toch, kom daar uit!” riep Lea. Het duurde even, maar toen zag ze een arm omhoog gestoken met een schrijfboek in de hand, verdwijnend met de vrachtwagen…

Anemos
15 0

Mijn naam is Ada

Mijn naam is Ada. Ik woon op de mooiste plek op aarde. Of nee, de eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat mijn leven zich vlak ernaast afspeelt. Hoe dat paradijs eruitziet? Het lijkt wel een grot der wonderen uit de sprookjes van Duizend-en-een-nacht. Want hoewel het ontegenzeggelijk een fraai gebouw is, oogt het weinig uitzonderlijk. Het is een typisch negentiende-eeuws kasteeltje in neoclassicistische stijl, met een gekasseide oprijlaan en een zuidgericht terras. Daaromheen ligt een bescheiden arboretum uit de belle-époqueperiode.  Ik beschouw dit groene voorgeborchte als mijn territorium. Mijn thuis is de majestueuze mammoetboom, waarin ik al sinds vogelheugenis mijn nest maak. Zelf ben ik een ekster, of een Pica pica, zo u wilt. Met mijn zwartbonte verenkleed, inclusief metallic highlights, ben ik de meest ravissante dame uit de wijde omtrek, aldus mijn eega.   In de ogen van de mensheid is mijn soort steevast kop van Jut. Naar verluidt hebben wij dat te danken aan Rossini, de Italiaanse operacomponist. Laat mij ‘s mans frauduleuze verhaal over een stelende ekster voor eens en altijd de wereld uit helpen: wij zijn geen dieven! Ik heb een hartgrondige hekel aan zulke clichés. Toegegeven, wij zijn geen blinde vinken. Elke ongerijmdheid in onze biotoop zullen wij aan een kritische analyse onderwerpen, maar al wat wij daarbij categoriseren als zilvergoed of juweel laat ons verder blauwblauw. Wij hebben meer interesse voor lekkere hors-d'oeuvres of solide constructiematerialen voor een liefdesnest.   Ook ik ben een curieuzeneus, zij het eentje met een bijzondere afwijking. Ik ben namelijk het meest gebiologeerd door de schatten die binnen in de villa verscholen liggen. Door de glasramen heen verwonder ik mij over de eindeloze stoet aan objecten die u boeken noemt. Zij aan zij staan ze, consciëntieus in het gelid. Ik ben me er terdege van bewust dat een boek an sich een onbenullig iets is. De eerste de beste regenbui reduceert zo’n flutding tot papier-maché. Mijn collega-eksters begrijpen mijn fascinatie niet, maar ik ben nu eenmaal een geluksvogel: ik heb de magische kracht van boeken ontdekt. Hoewel ik het gepriegel in hun binnenwerk niet kan ontcijferen, weet ik dat het een poort vormt tot een wereld die mijn stoutste dromen overtreft.   Vanuit mijn reuzensequoia heb ik een voortreffelijk zicht op de patio. Elke dag, wanneer de zon in het zenit staat, komt er een volwassen exemplaar van uw species naar buiten, met een schare dartelende miniatuurversies achter zich aan. Zodra dit gezelschap op en rond de tuinbanken is neergevlijd, spits ik op mijn viptribune mijn kleine eksteroren. Ik houd me stil, al durf ik wel eens vermanend te krassen naar de mussen in de moerbeiboom, als hun enerverende gekwetter, geklets en gekrakeel mijn concentratie dreigt te verstoren.  Wanneer de voorlezer van dienst het boek op schoot openslaat, gebeurt het. Hoe moet ik het omschrijven? Ik vergeet mijn dagdagelijkse besognes en de stress glijdt van me af. Ik laat mijn eigen tijd en ruimte achter mij en zweef weg, nooit wetend waar ik ditmaal zal terechtkomen. Op een Vikingschip? In de precolumbiaanse jungle? Misschien wel in het legendarische Atlantis of op een niet-bestaande planeet ver buiten onze Melkweg.  Bladzijdelang laat ik me in vervoering brengen en treed ik in de voetsporen van protagonisten van diverse pluimage. Ik duik het blonde schepsel achterna dat halsoverkop een konijnenpijp in dondert. Ik proef de opwinding van de arme stakker die voor het eerst voorbij het smeedijzeren hek van een chocoladefabriek stapt en de excentrieke patron ontmoet. Ik huil mee met de jonge ruiter die zijn paard verliest in de moerassen en desondanks gedecideerd zijn missie verderzet, terwijl zijn wereld langzaam aan het niets ten onder gaat.  Het land van de verbeelding baadt niet non-stop in rozengeur en maneschijn. Toch voel ik me nergens gelukzaliger dan daar. Vind je mij een rare vogel? (Nu ik mijn diepste zielenroerselen gedeeld heb, mag ik je vast wel tutoyeren.) Of misschien wil je aan den lijve ondervinden waarom dit oord voor mij het walhalla is? Als je niet wars bent van een avontuur, klauter dan eens in mijn boom, iets na het middaguur. Je bent altijd welkom.  Inzending wedstrijd 'Verhaal voor dictee' van De Schrijfwijzen 2021Voorgelezen als dicteetekst op boekenfestival 'Lees!' 2021 onder de titel 'Vind je mij een rare vogel?'

Mart
46 1

Over de lotgevallen van de brave soldaat Svejk

We zijn Svejk kwijt. Marleen tuurde op haar monitor. Hij moest er zijn, maar hij was er niet. Het boek was al een tijdlang niet uitgeleend en Marleen had de hoofdbibliothecaris er maar met veel moeite van kunnen  overtuigen het niet te verramsjen. Het had te maken met haar neef die al een tijdlang in Praag  woonde met zijn Tsjechische vriendin. De twee hadden elkaar hier in de bibliotheek voor het eerst gezien. Jana studeerde met een beurs aan de universiteit en werkte aan een scriptie over Jaroslav Hasek. Tom had haar wegwijs gemaakt en later dronken de twee koffie. Voor Marleen het sein dat er wat groeide want Tom was normaal geen lady’s man. Hij was zelfs wat eenzelvig en leek zich het best te voelen als  geïsoleerde eremiet tussen de boeken in zijn hermitage. Diezelfde zomer ging Tom met vakantie naar Praag. Hij kwam terug met Jana, pakte zijn spullen, kuste zijn moeder adieu en zou van dan af in Tsjechië wonen. Van een reconversie gesproken. Toen Jana de volgende zomer promoveerde, zette Marleen met neven en nichten koers richting  Praag voor het doctoraatsexamen. Ze bleven enkele dagen logeren, wandelden door de feeërieke binnenstad  en tijdens zo’n dagje sightseeing wees Jana hen het standbeeld van Svejk. Van toen af had Marleen een zwak voor het excentrieke soldaatje. Hoe het hem als milicien in de Eerste Wereldoorlog aan het front was vergaan, zouden ze nooit weten. Voor hij daaraan toekwam was de tuberculeuze auteur  gestorven aan  de  bacteriële infectieziekte die zoveel generatiegenoten fataal werd. Svejk zou dus altijd verder leven in de dagen vlak voor zijn afmars naar de loopgraven. Wat niet geschreven was, kon men erbij dromen. Als bibliothecaris Hendrik zich na de lunch terugtrok voor een korte siësta, haalde Marleen het boek soms uit de rekken, las bij een extra kopje mokkakoffie een willekeurige pagina en overdacht dan wat er vooralsnog zou kunnen  gebeuren. Soms liet ze de consciëntieuze Svejk urenlang wachten in de regen omdat wie hem moest aflossen aan het pierewaaien was met enkele louche kompanen uit de benedenstad.. Een andere keer stootte de soldaat zich bij het ruimen van de paardenstal zo fel dat het bloed over zijn gezicht liep en hij  in de infirmerie belandde waar de hospik hem verzorgde en hem met een kop zoete thee verwende. Als Marleen dan geëmotioneerd zuchtte, vroeg de bibliothecaris bezorgd of ze misschien op een virale infectie broedde. Hendrik was een intelligente man met een meer dan gemiddeld empathisch vermogen. Dat was ook de reden waarom hij het boek met de lotgevallen van de brave soldaat Svejk tenslotte niet samen met een hele reeks andere niet voor 1 euro te koop had aangeboden. En Marleen was een toegewijde werkkracht die hij hoog inschatte. Zodus. Een boek kan toch niet zomaar verdwijnen, zuchtte Marleen. Niet uitgeleend en toch weg. Het zat niet langer in het bestand en ook in de rekken was er geen spoor meer van Svejk. Zijn we misschien gehackt, grapte Jonas. Hij stond in voor de sectie wetenschappen, was altijd goedgezind en een haantje-de- voorste als het om het  budget voor aankopen ging. Was het Svejk  dan toch gelukt om te ontsnappen uit het boek waarin hij door het prematuur overlijden van zijn geestelijke vader bijna een eeuw zat opgesloten? Marleen zag haar soldaat verdwaasd door de straten van het universiteitsstadje dolen. In zijn oudmodische tenue verzeilde hij tussen bont geklede studenten en studentes, hongerig stond hij voor de uitstalramen waarin hem onbekende etenswaren geëtaleerd lagen. Tenslotte stopte hij voor de boekenzaak. Hij schrok toen hij zichzelf herkende op de kaft van een boek dat voor een habbekrats in de uitverkoop lag. Ze kon het niet helpen maar bij het beeld van de arme dolaard raakte ze  geëmotioneerd en had ze dringend koffie nodig.. Iemand kwam de bib binnen. Gegeneerd  voor haar weekhartigheid keek ze niet op. Hier ben ik dan, hoorde ze. Ze veegde met haar hand langs haar gezicht . Er was niemand. Op de hoek van haar desk lag het beduimelde boekje. Wie het gebracht had? Niemand leek het weten. Misschien de soldaat die hier zo-even was, jokte Jonas. Hendrik knipoogde toen hij Svejk terugzette tussen andere antiquiteiten. Met Marleen in de buurt was dat de veiligste optie en al was de bib een voorbeeld van moderniteit, een beetje nostalgie, waarom niet?      

Flor De Preter
34 1

Waar boeken onveilig zijn ...

Waar boeken onveilig zijn … Leuven is sinds mensenheugenis dé universiteitsstad van de Lage Landen, maar wie ervan uitgaat dat de Stellastad de place to be is voor boeken, is naïef. Boeken zijn daar niet veilig. Je had de universiteitsbibliotheek en faculteitsbibliotheken, maar toen ik er in de jaren 70 als would-besoixante-huitard aanspoelde, lag mijn kot godbetert rechtover de stadsbibliotheek. Als ik niet moest brossen, piket staan, betogen of cafés afschuimen, liep ik daar weleens binnen. Soms zat ik op kot een frietje te steken, multitaskend voortbladerend in een boek hoewel mijn vingers aaneenklitten door mayonaise, bearnaise, pickles of frietvet. Of bier. Vandaar wellicht dat de stadsbib later verhuisde en het pand gesloopt werd! Alleen het classicistische portiek met zes Toscaanse zuilen en fronton bleef ongemoeid en werd de entree van museum M. De boeken van de universiteitsbibliotheek daarentegen beleefden een veel ergere, drievoudige calvarie. In augustus 1914 ontaardden Duitse represailles voor een schietpartij (door francs-tireurs volgens hen, een geval van friendly fire volgens historici) in een rancuneuze, rücksichtslose furie: burgers werden zonder boe of bah geëxecuteerd, de stad platgebrand. Ook de middeleeuwse lakenhal waar het gros van de handgeschreven en gedrukte memorie van onze Alma Mater bewaard werd, ging in vlammen op. Pandemonium in het patrimonium: unieke paleotypes, incunabelen, wiegendrukken met kalligrafische miniaturen, monnikenvlijt, folianten, leporello's, vroegwetenschappelijk werk van beroemde Leuvense humanisten, materieel en immaterieel erfgoed. Verbrande en geblakerde papier- en papyrusrestjes dwarrelden buiten de stad neer. De nazaten van Goethe, Schiller en Gutenberg werden per direct paria's. De opgeschrikte beschaafde wereld smeedde een alliantie tegen de barbaarse 'furor teutonicus'. Overal werden karrenvrachten boeken en fondsen ingezameld: Leuven zou een chique nieuwe universiteitsbibliotheek krijgen, in een nieuwsoortige ad-hocstijl, met carillon en zo veel uiterst gedetailleerde tierlantijntjes, symboliek en iconografische hoogstandjes dat een gedegen stadsgids u urenlang kan onderhouden. De nieuwe bib was amper klaar toen een nieuwe blitzkrieg voorbijraasde. En wat is nu waarheid, wat het broodjeaapverhaal? Waren het de Duitsers die een batterij kanonnen opstelden om cynisch ook de nieuwe bib in de as te leggen? Of was het een verstrooide Engelse RAF-piloot die brandbommen dropte? Hoe dan ook: opnieuw van dattum! Bovengrondse brandschade terwijl het boekenfonds in de brandbestendige ondergrondse verdiepingen nagenoeg volledig verloren ging in gesmolten en vervolgens weer gestolde glasmassa! Ook na de Tweede Wereldoorlog herrees de bib als een feniks uit zijn as, maar geen kwarteeuw later voltrok zich een derde boekendrama. Leuven Vlaams, Walen Buiten! Even voorbij de taalgrens verrees Louvain-la-Neuve. Verbannen Franstalige studenten wrikten op de Oude Markt een kassei los en droegen dit souvenir in een plechtige processie helemaal naar hun nieuwe campus. Zodra Vlaamse folkloristen daar lucht van kregen, volgde een nachtelijke raid om de onmisbare kassei terug te halen. Toch is hij (of een andere) opnieuw in Novum Lovanium geraakt en verankerd. Heel andere kolder, van hoog macaber en morbide niveau, was de boedelscheiding inzake het boekenfonds van de universiteitsbib. Waren er twee exemplaren van een boek, dan werd gevochten voor het minst beduimelde. Complexer werd het met een 25-delige encyclopedie. Twaalf delen voor Leuven, twaalf voor Louvain, en voor het 25e deel werd naar verluidt ten slotte kop of munt gegooid. Dit is echter louter mythe; in werkelijkheid gingen alle even inschrijvingsnummers naar de ene partij, de oneven naar de andere. Ook academici en bollebozen hebben immers gezond verstand. Al beweren mensen die erbij waren, dat deelnemers aan de boedelscheidingsvergaderingen vaak een ruime pardessus droegen, met veel grote binnenzakken, en dat ze na zo'n meeting kromliepen van clandestien meegezeulde boeken. Pocketboeken avant la lettre. Tot slot die faculteitsbibliotheek. Vijf jaar na mijn licenties keerde ik er terug om in het zicht van de deadline nog gauw een thesis te fiksen. De knorrige bibliothecaris herkende me meteen, stopte me prompt een uitleenfiche onder de neus en vroeg geprikkeld wanneer ik dat boek eindelijk zou terugbezorgen! Ik viel compleet uit de lucht: een acute casus van retrograde amnesie. Zoals ik al zei: boeken zijn niet veilig in Leuven!

Piet
1 0

de zee

Een half miljoen jaar geleden ging je de naar zee in je teensletsen en oude shorts. Je slenterde door de betonnen blokken en geasfalteerde straten die bakten in de zon. Als men ging liggen, in de schaduw weliswaar, dan kon men de hitte zien opstijgen naar de hemel. De zon was een magnetron en wij waren als mais; soms ontpopte iemand zich tot iemand en verhuisde hij of zij naar andere oorden. Naar de grote koelkaststeden in het noorden waar men zelden naar muziek luisterde. Je hinkelde over de hete kiezels van het strand tot je het verkoelende water voelde met je tenen. Kinderen liepen in hun plastieke schoenen tot de grens van de zee en het land en liepen weg, elke keer als er een golf kwam. Tot vorig jaar hoorde je bij het soort mensen dat wegliep van de golven. Nu liet je de golven je overspoelen, uiteindelijk gebeurde het toch. De golven haalden iedereen in, dat wisten we allemaal. Je keek naar de blauwe lucht, een verdwaalde wolk zocht haar kudde. Je dook in de zee, te oud om nog echt in zeemeerminnen te geloven, te jong om je ogen te sluiten onder water.De zee rees en daalde als de ademhaling van een gigantische reus, en je dobberde op het oppervlak. Sinds kort was je niet meer bang om overspoeld te worden door al het water. Iedereen zwom uiteindelijk. We zwommen al voor we wisten dat we konden zwemmen. We zwommen terwijl we verdronken. Het was daar op het strand, op de grens van land en zee, dat je je ontpopte. Daar leerde je drijven op de ademhaling van de zee. Ze wisten al lang dat de zee je uiteindelijk vond.Een half miljoen jaar geleden gebeurde er iets. Toen je uit het water kwam was alles zo anders, dat het bijna exact hetzelfde was. We vroegen ons af of zou je weggaan of zou blijven. Voorlopig kwam je elke dag terug naar de zee, in je teensletsen en oude shorts. Je zwom in het zoute water zoals altijd. We haalden onze schouders op, 'wat er ook gebeurd,' zeiden we. 'Uiteindelijk haalt de zee ons allemaal in.'  

Stelselmatig
16 0

Feest!

Christel neemt een tweede glaasje cava. Hopelijk zal er lekker eten zijn, want voor de rest voorspelt dit personeelsfeest niet veel goeds. Alle omhooggevallen collega’s staan te pronken met hun partner en straks volgt vast een kijkronde op de parking.  Ze ziet haar reflectie is de grote ramen: a little black dress, haar speels opgestoken en zelfs hakjes en make up ontbreken niet. Tegen beter weten in is ze  klaar voor een opwindende avond, maar net als op kantoor heeft niemand oog voor haar. Ze kijkt rond, op zoek naar een tafeltje waar ze discreet het vijfde wiel aan de wagen zal zijn maar tenminste ongestoord kan genieten van het eten. Dan staat opeens Pieter naast haar en klinkt met zijn glas tegen het hare. ‘Lekker spul, he.’ Ze knikt alleen maar. Ze wordt altijd een beetje zenuwachtig als ze hem ziet. Hij is zo groot, heeft zo’n blauw ogen en lachende tanden. Hij is slim en grappig en weet altijd precies wat hij moet zeggen. Geen wonder dat hij zo populair is bij de vrouwelijke collega’s. Ze voelt dat hij haar aankijkt en nipt verlegen nog wat van haar glas. Net als ze overweegt om stilletjes te verdwijnen tussen de belachelijk grote bloempotten, spreekt hij haar opnieuw aan: ‘Christel? Ik had je bijna niet herkend. Wat zie je er goed uit vanavond!’ Haar hart slaat er eentje over. Hij kent haar  naam en gaf haar een compliment! Of toch bijna… ‘Weet je of Wendy er al is?’ Waarom vraagt hij naar Wendy? Zou de bitch hem niet verteld hebben dat haar man zal meekomen deze avond? Ze trekt haar gezicht terug in de plooi.  ‘Aan de oesterbar. Rode jurk.’ Over alle hoofden heen zoeken zijn ogen contact. Wendy knipoogt, likt aan haar oesterschelp en kust dan haar echtgenoot lang en vurig terwijl ze over zijn schouder Pieter uitdagend blijft aankijken. Christel ziet hoe hij instinctief een stap achteruit zet en met zijn jasje in een metershoge cactus blijft hangen. ‘Ik help je wel even.’ ‘Dank je. Je bent lief.’ Zijn blik blijft even rusten op haar blozende decolleté en dan verschijnen er sterretjes in zin ogen. Hij draait zijn rug naar de zaal, slaat zijn arm rond haar schouder en kijkt haar intens aan. ‘Lieve Christel, je weet vast wat ze allemaal over mij vertellen. Ik kan niet ontkennen dat het meeste ervan waar is. Maar ik zie dat onze anders zo ruimdenkende collega haar echtgenoot heeft meegebracht en misschien is hij wel van het jaloerse type. Wat zou je er van denken als jij en ik deze avond eens laten zien dat hij zich geen zorgen moet maken?’ Terwijl zijn stem dieper wordt, glijdt ook zijn hand langs haar rug naar beneden. Wanneer ze blijft rusten op haar billen, fluistert hij: ‘Als je begrijpt wat ik bedoel?’ Ze knikt alleen maar en neemt snel een derde glas.  

Hadewijch
0 0

Laat mij slapen!

Met een schok zit ik rechtop, een wazige gedaante danst rondjes in de kamer. Mijn vrees is bewaarheid. Ik zat er al op te wachten. Op de tast reik ik naar de muur en na een druk op de knop springt het licht in de kamer aan. Een gnoom met blonde krullen, gele tanden en een gigantische neus met pukkels zingt tijdens het dansen: ‘Niemand weet, Niemand weet dat ik …’    ‘Kop dicht en laat mij slapen,’ roep ik terug.   Hij staat stil met een verwonderde blik in zijn ogen. Eerst kijkt hij mij aan, dan zwaait die blik rond mijn slaapkamer.   ‘Wat mot je?’ vraag ik.   ‘Ik zoek de dochter van een prinses,’ antwoordt Repelsteeltje.   ‘Zie ik er uit als een prinses?’ Ik sla de dekens van mij af. Het jeukt en ik krab aan mijn kloten.   ‘Meer als een middelbare vent… ’   ‘Precies.’   ‘...met een dikke pens, vlekkerig hemd...’   ‘Precies, genoeg.’   ‘...vettige haren, uitgelubberde onderbroek.’    ‘Genoeg zei ik!’   Die veel te grote neus snuift om zich heen als een stofzuiger die spinnenwebben verwijdert en de kabouter trekt een vies gezicht maar durft niets te zeggen.   Hij zakt zwijgend op de vloer en pakt uit zijn wambuis een rol papier. Met zijn handen strijkt hij het papier vlak, zet zijn voeten op de onderste punten van het papier zodat dit niet dicht rolt en buigt voorover. Lenig is hij wel, dat moet ik hem nageven. Geconcentreerd kijkt hij naar de plattegrond waar in het midden een groot rood kruis staat, omringt door pijlen, tekens en tekst. Hij mompelt een paar getallen en opent de locatie-app op zijn mobiele telefoon.   ‘Laat me raden,’ zeg ik. ‘Drieduizend nog iets bij achttienhonderd zoveel.'    Repelsteeltje knikt verrast en toetst de getallen in de app. Hij drukt op “Go” en het scherm wordt groen, links in het scherm verschijnen drie foto’s. Hij mompelt en zoekt de overeenkomsten tussen mijn slaapkamer en de plaatjes van een slaapzaal met gouden hemelbed. Hij scrolt door naar een roodharige schoonheid met een baby in haar armen. Zijn ogen schieten van de foto naar mij en weer terug en schudt zijn hoofd.   ‘Anton…’ begint hij.   ‘... van de planning. Ja, die ken ik nu wel,’ knor ik geïrriteerd. ‘De afgelopen drie weken wordt die knul elke keer als excuus gebruikt.’ Ik stap met een been uit bed, de vloer voelt kil. ‘Eerst die prins in zijn belachelijk strakke maillot, toen een kudde dwergen en eergisteren een wolf.’ De gedachte doet mij weer rillen. ‘De eerste stak zijn tong in mijn mond en prevelde hitsig “Oh, Doornroosje” in mijn oor, de dwergen zochten tevergeefs naar een glazen kist en die laatste hield niet op met klagen over de kwaliteit van de grootmoeders: “Die tegenwoordig allemaal een snor hebben.” En nu sta jij voor mijn bed te dansen. Rot op en laat mij slapen!’   Repelsteeltje kijkt beteuterd op zijn kaart en zegt: ‘Het staat hier toch echt: 3859,43 - 1843,98.’ Hij houdt de resetknop van de app vijf seconden vast. Het scherm flikkert twee keer en wordt zwart met een draaiend, blauw zandlopertje in het midden. ‘Nou, dan ga ik maar weer.’ Hij rolt de kaart dicht en staat op.    Naast de afzichtelijke kobold vormt zich een grijze mist en vanuit deze steeds donkerder wordende schim klinkt de roep: ‘Doe open, doe open.’ Een wolf met een witte poot verschijnt en staat dreigend wijdbeens in de kamer. Nu heb ik het helemaal gehad.   ‘Laat me raden,’ schreeuw ik tegen de wolf die mij stoer aankijkt. ‘Je zoekt een geit?’    De wolf knikt vastberaden en zegt: ‘Zeven geiten om precies te zijn.’   ‘En Anton stuurt je hierheen?’   De wolf knikt weer, nu onzekerder en zoekt met zijn ogen steun bij Repelsteeltje die ingespannen de rode belletjes op de punten van zijn groene sloffen bestudeert.    ‘Zie ik eruit als een geit?’ zeg ik. ‘Of “Om Precies Te Zijn”, zie ik eruit als zeven geiten?’   ‘Volgens mij is mijn zus hier ook geweest,’ stamelt hij. Ik sta met twee benen op het koele zeil, de kou slaat op mijn blaas. ‘Ik ga pissen, en als ik terug ben zijn jullie vertrokken. Vertel al jullie vriendjes en vriendinnetjes die de komende tijd uitvliegen, dat de volgende die midden in de nacht aan mijn bed staat, terugkeert met ongelofelijke hoofdpijn!’ Bij de deur roep ik ze na: ‘Die Anton moet je ontslaan of op zijn minst een goed functioneringsgesprek mee houden. En de basiscursus planning is geen overbodige luxe.’

MCH
18 2

Op mijn hoede

OP MIJN HOEDE Met gemengde gevoelens ben ik vanochtend vroeg vanuit mijn vertrouwde, veilige thuiskantoor op weg gegaan. Waarvoor ik gisteren vreesde, blijkt helaas waarheid. De reis naar Brussel Centraal is een martelgang. Er zitten, naar mijn zin,  teveel mensen in de trein. Ik heb het in een paar coupé’s geprobeerd, maar nergens kon ik een plek aan het raam vinden, waar de overige drie stoelen leeg waren. Dus ben ik op een plaats aan het raam gaan zitten, met schuin tegenover mij aan het gangpad een dame die iets ouder oogt dan ik. Mondmaskers zijn nog steeds verplicht in het openbaar vervoer, als ik haar hele gezicht zou kunnen zien, zou ik een betere inschatting kunnen maken of ze bij de gelukkige reeks ingeënte cohorten leeftijdsgroepen hoort. Voor de zekerheid blijf ik de hele reis , mijn bovenlichaam half gedraaid, naar buiten zitten kijken. Vooraf had ik geen idee, hoe druk het hier in het station zou zijn. Aangezien de verordening over verplicht thuiswerken nog maar net is opgeheven, hoop ik dat het nog rustig zal zijn. Maar net als in de trein valt het me op het Centraal Station vies tegen. Het is nog geen ouderwetse spitsdrukte maar ik moet al aansluiten bij de roltrap waar mensen weer vervallen  in hun haastige gedrag met dringen en voorschieten als gevolg. Ik wil nog zo graag de anderhalve meter respecteren. ‘Corona is immers nog steeds onder ons’, hamert de platgetreden lijfspreuk van een van de expertologen door mijn hoofd. In de stationshal moet ik laveren en grote bogen maken, om me veilig te voelen. Net als een jaar geleden toen het hier onwezenlijk leeg was, heb ik weer wiebelknie n, in de hal, op de trappen in de Ravensteijngalerij waar het zakelijke voetgangersverkeer zich net als vroeger mengt met plukjes pretwinkelend publiek. Ik haast me  in een nooit-gezien record de trappen naar het bevrijdende daglicht op, waarmee ik voor mezelf een extra bewijs lever dat ik gezond ben. Genietend van het schaarse groen, van de uitlopende bomen, zelfs van de krijsend opvliegende zwerm kraaien,  wandel ik het park door. ‘Houd je negatieve zelftest bij de hand’, lees ik op de deur van ons kantoor. En inderdaad, Jolien aan de receptie vraagt naar mijn ‘bewijs’ dat ik geen risico ben voor mijn omgeving. Niemand die binnenkomt zal daar ontkomen.Na deze reis vol ‘hindernissen’ ben ik blij bij mijn bureau te zijn. Ik ontmoet er fijne collega’s die ik al meer dan een jaar alleen online of helemaal niet heb gezien. Maar bij de impuls om hen bij dit weerzien spontaan te omhelzen, moet ik iedere keer op de rem en me behelpen met die ellendige elleboogstoot.

Melissa Wouters
12 0