Zoeken

Al Capone & Elliot Ness

                                                                       1.   “Goedemorgen Chicago. Het is 10 uur ‘s ochtends en een prachtige dag! Ik hoop dat het nieuwe jaar voor iedereen perfect gestart is, welkom, in 1920. Dit is Mami Smith met Grazy Blues...”   “Torrio! Ik heb je 10 minuten geleden gevraagd de nieuwe meisjes binnen te halen, waar zijn ze”? “Sorry Al, ze maken zich nog klaar. Het zijn er mooie hoor, ik heb ze zelf uitgezocht, je zult ze geweldig vinden”. “Daar ben ik zeker van”, grijnsde Capone “Jij hebt daar altijd al een oog voor gehad. Maar maak voort! Ik word ongeduldig”. De zaken gingen goed. Zo goed zelfs dat Capone de afgelopen maand een extra auto gekocht had. In de casino’s werd er lustig gespeeld en gezopen, de arme zatlappen hadden niet eens door dat ze opgelicht werden. “Ah, hier zijn jullie! Welkom dames”. Al draaide zijn hoofd lichtjes opzij en inspecteerde vanuit een hoek. Bij 1 meisje pauzeerde hij zijn blik: “Mooi gerief. Spreek je engels”? “Ik leren elke dag beetje”, antwoorde het meisje. “Goed, prima. Breng haar naar mijn kamer Torrio”. “Geen probleem baas”. Hij pakte het meisje bij de arm en begeleide haar weg. Torrio kwam uit een arm dorp gelegen in Sicilië. Op school kwam hij al snel in problemen. Vechten en discussies met leerkrachten waren dagelijkse routine. Op 16-jarige leeftijd besloot hij dat school hem niets interessant kon leren. Leven, zei hij vaak, dat doe je op straat. Toen hij op een dag van de Amerikaanse droom hoorde dacht hij maar één ding: “ergens leven waar de flikken me nog niet kennen? Klinkt interessant”.  Om 9 uur ‘s avonds reed Torrio Al naar de de Bellevile. “Je hebt toch gebeld he”, snauwde Capone. “Tuurlijk, ze hebben meteen plaats gemaakt baas”. “Goed, want voor bescherming hoor je wat te doen”. Op de achterbank zat Capone. Hij was de krant aan het lezen en dacht na. Hij wou na het eten bellen met de andere leiders van de omringende bendes maar tegelijk voelde hij zich beter als als de rest, dilemma. Aangekomen in het restaurant gingen de deuren al open voor hij aankwam. “Meneer Capone, welkom! We hebben voor u uw tafel al klaargezet, volgt u mij”. De ober werkte er nog maar 4 maanden maar hij had het geld nodig. 3 kinderen en een zieke moeder kosten geld. Toen Capone en Torrio plaats namen bracht hij hun de menu’s en las hij feilloos maar snel de suggesties voor. Hij wist donders goed wie daar zat, tot wat hij in staat was. “Goede keus mijne heren, we beginnen er direct aan”, hij nam de menu’s terug aan en maakte zich haastig uit de voeten. “Wat denk jij ervan”, vroeg Capone. Torrio keek eens rond en haalde zijn schouders op: “de mensen drinken graag, en veel, wie zijn wij om hun dat plezier niet te gunnen”? “Hhm. Ja, zo dacht ik er ook over”. Al bracht het glas wijn naar zijn lippen en nam een slok. “We zullen voorzichtig te werk moeten gaan”, zei hij, “en, mensen vinden die we kunnen vertrouwen”. Hij zette het glas terug neer en keek Torrio diep in de ogen: “Ik ken je al lang Torrio, we hebben al wat gedaan samen. Zoek me een 30-tal mensen die we kunnen vertrouwen en breng ze naar mij, als die politiekers denken dat ze alcohol kunnen verbieden hebben ze het goed mis”. De heren waren net uitgepraat en daar kwam de ober met het eten. “Eet smakelijk heren, deze zijn op het huis”. 3 weken later was de handel van start gegaan. Cafés en restaurants die de alcohol niet in huis wilden halen werden afgeperst tot 3 moorden toe. Torrio had 2 mannen ingelijfd die hun mond konden houden en hun vuisten doen spreken, de tweeling, werden ze genoemd. “Guitaliano, 67 jaar, uitbater van ‘De Bruine Hoek’, Hij wilt niet”, zei torrio. “Goed, we komen eraan”. De 2 mannen kwamen aangereden in een oude maar stevige auto en parkeerde zich aan de overkant. Torrio gebaarde dat ze moesten komen en gaf beide heren een Thompson machinegeweer. De 3 mannen zette zich in positie en voor Guitaliano door had wat er kwam te gebeuren werden alle 3 de trekkers overgehaald. 150 kogels boorde zich door de ramen en de oude uitbater viel als een zak aardappelen neer. Het pand was geruïneerd en de het verhaal deed zich snel de ronde. Voor Capone het wist bezat hij een imperium met winsten waar zelfs de President jaloers van zou worden. In zijn kantoor tuurde hij door het raam. “Nog even”, dacht hij, “en niemand kan mij nog stoppen”.  “Over hoe veel geld spreken we per maand”? “12.000 dollar, soms iets meer, soms iets minder”. Capone keek geïrriteerd naar zijn bureau: “De dieven. De mensen hier leven in krotten, zei hij, waar is de overheid? Het zijn wij Torrio, wij, die deze buurt doen draaien. Die varkens verdienen geen rotte cent van ons”. Torrio stond in het midden van de kamer met zijn armen gekruist: “Al de leiders van de andere bendes hebben besloten netjes hun belastingen te betalen, het risico is volgens hen te groot”. Capone bolde zijn vuist en sloeg op tafel. “Bullshit!”, riep hij. “Wat gaan ze doen, he”? Voor een moment sloot hij zijn ogen en dacht na. Na 30 seconden zei hij: “Torrio, onze nieuwe zaken doen het goed, maar alles kan beter. Vanaf nu betalen we niets meer. Dat is gedaan”. “En als de flikken lastig doen?”: vroeg Torrio. “Dan maken we het hen duidelijk dat ze moeten stoppen. Regel het. En laat me voor de rest van de dag met rust”. Torrio knikte:” ja baas”.                                        2.   “Politiebureau Chicago, hoe kan ik u helpen? Ik begrijp het, ik stuur de dichtstbijzijnde patrouille meteen naar uw locatie”. Het was een lichte ochtend met behoorlijk wat mist. De straten waren tot leven gekomen en de mensen buiten bewogen zich haastig naar hun werk. Ook in het politiebureau kwamen extra mensen toe. “Hoe is het hier in de centrale”? “Goeiemorgen meneer Ness”, antwoorde de vrouwelijke operator, “oke, niets speciaal. 1 telefoontje over een mogelijke inbraak”. De vrouw lachte en zei: “een dag zoals de andere dus”. “Goed, ik ga je niet meer storen dan, veel succes nog”. “Jij ook”, antwoorde de vrouw en begon opgewekt terug aan haar werk. Elliot wandelde naar de lift en bedacht zich wat de dag zou geven. Al 8 maanden werkte hij aan een zaak waar maar geen vooruitgang in kwam. “Als het zo blijft duren”, dacht hij, “kan ik op vervroegd pensioen”. Hij zuchtte. “Laat ik mijn papierwerk maar eerst in orde brengen. De bureaucratie wacht niet, tenzij op zichzelf...” “Godverdomme”, zei hij, “dit is de 4de aanslag deze maand”. Hij gooide de krant terug op zijn bureau en keek om zich heen. Zijn partner, Jack, zat in de hoek en haalde zijn wenkbrauwen op. “We weten allebei wie hier verantwoordelijk voor is”, zei hij, “de meisjes die hier illegaal aankomen, de casino’s. Allemaal 1 man”. Elliot draaide zich om naar zijn partner: “en nu worden de straten overspoeld door illegale alcohol, ik zal het maar niet te ver zoeken zeker”? “Nee, dat zou ik ook niet doen”, Jack keek neer met een ontmoedigende blik. “We hebben bewijs nodig”, zei Elliot, “anders heeft het geen zin”. Jack zuchtte: “We moeten hem toch ergens op kunnen pakken? Praten met de bewoners uit zijn buurt? Het personeel uit de restaurants waar hij dineert”? Elliot keek op zijn horloge en merkte op dat het bijna half 1 was. “Laten we iets gaan eten Jack”, zei hij, “die mensen hebben onze gegevens. Als ze ons meer willen vertellen dan dat ze al gezegd hebben tegen de inspecteurs, dan horen we het wel. Chicago Sandwich goed?”  Het is 3 maanden later en Jack stormt het bureau binnen. Hij drukt haastig meerdere keren op het knopje van de lift. “Komaan”, zei hij, “ga open”. “Vanwaar de haast”? Opgeschrikt keek Jack achter zich om. “Elliot!” Met grote ogen trekt hij hem in lift: “We hebben een kans”. “Een kans?”, Vroeg Elliot. Bij jack verscheen er een glimlach: “je raad nooit wat ik gevonden heb”. Eenmaal in het kantoor van Elliot legde Jack een stapel papieren op tafel. “Weet je nog dat je me vroeg langs te gaan bij die boekhouder”? Elliot knikte. “Wel, het blijkt dat papieren daar niet versnipperd worden als ze weggegooid worden. En de afvalcontainer staat, wel, vrij in het zicht”.  Elliots interesse wakkerde aan: “wat heb je gevonden”? Jack pakte het bovenste blad en las voor: “83.000 dollar winsten. En deze zijn ongemarkeerd, niet aangegeven”. “Zwart geld dus?”, Elliot pakte nu zelf ook een blad en las wat Jack hem al vertelde. Een glimlach vulde zijn gezicht en zijn ogen straalde terug hoop uit. “Zijn we zeker dat deze van Al Capone zijn?” “Ja”, antwoorde Jack, “de bedrijven die hier vermeld staan staan bij ons gekend.”                                                                               3.   “Hoe is de pasta?” “Goed, zoals altijd. Merk je trouwens niets vreemd, Torrio?” Torrio haalde zijn schouders op en keek eens rond. “Wat bedoel je Al?” Capone nam een slok van zijn wijn en zei: “er is meer politie op straat en ik heb het gevoel dat we in de gaten gehouden worden. Kijk eens daar””. Capone wees naar 2 agenten op straat. Die staan er al 20 minuten, niets te doen. En gisteren werden we gevolgd op weg naar the Blue Lagoon. Er is iets gaande”. “Misschien zijn het die smeerlappen uit Evanston”, zei Torrio, “het is geen geheim dat ze op ons grondgebied azen”. Capone dacht na en keek Torrio in de ogen: “weet je nog wat er met Guiseppe gebeurd is?” “Je bedoelt die gast met meerdere stripclubs”? Al knikte. “Uhm, ja, wat ermee?” Al legde zijn bestek neer en zei: “die ‘gast’ is opgepakt door de politie, niet zo heel lang geleden. Blijkbaar had de politie bewijs ontvangen uit anonieme hoek, genoeg om hem achter de tralies te zetten, niemand weet van wie of waar”. Torrio nam een hap van zijn lasagne en zei met volle mond: “spijtige zaak, daar werkte knappe meisjes, nu is het wat minder”. Duidelijk geïrriteerd keek Al Torrio aan: “Snap je het niet? Het zijn die smeerlappen uit Evanston die bewijs naar de politie doorgespeeld hebben. Wie runt die stripclubs nu”? “Uhm, geen idee”, antwoorde Torrio. “Idioot.” Al gebaarde de ober. “Ja meneer?” “De rekening, en snel”. “En mijn lasagne dan?”, vroeg Torrio. “Hou je mond en breng me naar huis, we hebben werk te doen”, zei Al. Met lichte tegenzin legde Torrio zijn bestek neer en pakte hij zijn jas: “goed, we vertrekken.”  “Dus. Het plan is duidelijk?” “Ja baas”. Voor zijn bureau stond de tweeling, opgebeld door Torrio. “Als je hem hebt bel je me op en breng je hem zo snel mogelijk naar mij”, beval Al. “Jullie kennen het adres nog?” “Ja baas, dok 3 in de oude haven”. “Goed, vertrek.” De tweeling stapte de kamer uit en Al keek ze na. Hij leunde voorover op zijn ellebogen en wreef in zijn handen. “Nog even”, dacht hij, “en niemand kan mij nog stoppen”. De tijd tikte voort en tegen iets na 10 ging de telefoon. “We hebben hem, binnen 10 minuten daar.” “Torrio”, schreeuwde Al, “de auto!” Terwijl de luxueuze auto van Al door de straten reed op weg naar de haven ging ook de spanning voelbaar omhoog. “Alles ligt in de koffer”, vroeg Al? “Ja baas, een boksbeugel, baseball bat en u pistool”. “Goed”, zei Al, “goed”. Hij haalde zwarte handschoenen uit zijn zak die hij stevig vasthield. “We zijn er”, zei Torrio. Binnen in een van de hangars zat Graziano, de leider uit Evanston, tot bloedens toe vastgebonden op een stoel. Hij had een blauw oog dat nauwelijks nog open kon en was gestript van zijn kleren met enkel nog een onderbroek en hemdje aan. De mond was hem gesnoerd met een doek door de tweeling. “Graziano!”, zei Al met open armen, “welkom. Wat vind je van Chigago?” Hij deed zijn handschoenen aan en hurkte voor Gaziano. “Wist je dat hier vroeger, toen ik hier net woonde, 5 families aan de macht waren? 5. Stel je voor. Ik heb veel geleerd toen.” Hij pakte Graziano in zijn gezicht vast en zei bijna knarsetandend: “respect, is hier heel belangrijk. Zonder respect, gebeuren er zaken die...” Capone schudde zijn hoofd en keek neer. Na een aantal seconden keek hij Graziano terug diep in de ogen met een woeste blik: “zonder respect, riep hij, gebeurt er dit”. Hij stond op en gebaarde Torrio voor zijn wapen. “Je hebt een fout gemaakt Graziano, en alhoewel het aan God is om je te beoordelen, kan ik je al wel sturen”. Graziano schudde zijn hoofd en begon zijn lijf wild naar alle kanten te bewegen. Terwijl rolde er een traan over zijn wang en werd hij alsmaar bleker. Hij wou schreeuwen en zelfs smeken, maar dat kon niet.” Mijn wapen”, beval Al. Torrio liep naar Al met het wapen in zijn hand. Hij keek Graziona nog een laatste keer aan en stond op het punt het wapen te overhandigen.   Plots werd het overal licht. De deuren en poorten werden opengegooid en langs alle kanten werd er geroepen. “Politie! Wapens neer!” Torrio keek verschrikt om zich heen en zag minstens 25 politieagenten, allemaal met hun loop op hun gericht. In de seconde waarin dit allemaal gebeurde knakte er iets bij hem. “Nee”, zei hij tegen zichzelf. Hij richte zijn wapen op Elliot en schreeuwde de longen uit zijn lijf. Een luide knal. Toen stilte. Torrio’s lichaam viel met een dof geluid neer op de betonnen vloer en bloed begon een plas te vormen achter zijn hoofd. Jack keek naar het lichaam met rook komende uit de loop van zijn pistool. Elliot keek hem aan en bedankte hem via een knik. “I owe you”, sprak hij. De agenten stonden als een cirkel rond Capone en kwamen met elke tel nu dichter bij hem. Elliot nam het voortouw en stapte, al richtend met zijn pistool, op Al af. “Al Capone, je staat onder verdenking voor belastingfraude, afpersing en moord, alles wat je zegt kan tegen je gebruikt worden in een rechtszaal.” Hij stond nu op een meter van de crimineel die hij al een jaar probeerde te pakken. “Handen”, beval hij, “en omdraaien”. Al stak zijn handen uit en Elliot boeide hem langs zijn rug. “Het is gedaan Capone”, zei Elliot.                                        4.   “Meneer Capone Al. U wordt beschuldigd van het ontduiken van belastingen, 4-voudige moord en het afpersen van meerdere zaakvoerders. Deze rechtbank heeft al het bewijs in handen gekregen en is klaar voor zijn vonnis luidop voor te lezen. Meneer Capone, staat u recht.” Al keek de rechter aan en liet zijn blik toen afglijden naar de grote ramen met uitzicht naar buiten. Hij merkte een vogel op die van tak naar tak in een oude eikenboom sprong en hij dacht terug aan zijn kindertijd. Zijn moeder die hem altijd wou beschermen en zijn vader die zichzelf kapot werkte in de fabrieken. Zijn broers en zussen die hem al 3 jaar niet wouden zien. Hij keek de rechter terug aan en zei op een kwetsbare maar toch zekere toon: “ik zit goed, vertel het me zo maar”.   “11 jaar in een federale gevangenis. Niet slecht”, zei Jack. Elliot begon te lachen en antwoorde: “eindelijk. Ik begon de moed bijna op te geven”. De zon scheen en beide heren liepen de rechtbank uit na het proces waar heel het land getuige van was. 4 uur had het geduurd. “En wat nu?”, vroeg Jack. Elliot keek op zijn horloge en vervolgens naar Jack: “wat dacht je van de Chicago Sandwich?”. 

SeppeDB
8 1

De papegaai

De papegaai Er was eens een bankdirecteur die het héél, héél druk had. Eigenlijk was het niet zo’n slechte man: als je hem zag, moest je meteen denken aan dat grappige, bolle mannetje dat in een reclamespot van lang geleden in de supermarkt een broodje met Philadelphia kaas binnengesjeesd krijgt, ervan proeft en dan met een gelukzalige blik zegt: “Mmm… Philadelphia… mmm… Philadelphia!’ Maar de bankdirecteur kreeg heel wat stress te verwerken en dat maakte hem af en toe een beetje nors. Dat hij hypergevoelig was, hielp natuurlijk niet meteen. Bovendien keek hij niet altijd goed rond. Zo had hij bijvoorbeeld een jonge, bijzonder lieve secretaresse die om de week een nieuw bloemstukje op zijn bureau zette. Ze zorgde ook altijd voor een kop verse koffie als hij aan zijn werkdag begon. Jammer genoeg kreeg ze voor al die kleine gebaren maar weinig terug: als ze de directeur een goede dag wenste, kreeg ze van hem soms zelfs een norse “Grmmpf” als antwoord. Druk dat die man het had! Druk, druk, druk. Zo kwam het ook dat hij niet opmerkte hoe een papegaai zich op een mooie lenteochtend zette op de vensterbank aan het open raam van zijn kantoor. Pas toen de vogel luid maar niet onvriendelijk “Goeiemorrrrggen!!!” kraste, keek de directeur verstoord op. Een tijdlang keek hij de papegaai aan. Het was een mooi dier, met diepblauwe en frisse gele vederen en verder af en toe een lichte groene toets. Vlak onder zijn bekje zat ook een wit vlekje; het was het mooiste wit dat de bankmanager ooit gezien had. Het deed hem denken aan schilderijen van Felix De Boeck. Toen namen zijn reflexen het opnieuw over en boog hij het hoofd weer diep over zijn papieren, tot hij er tot over zijn oren in zat. De papegaai bleef nog een tijdje zitten en vloog toen weg. Maar de volgende ochtend was hij er opnieuw. “Goeiemorrrrggen!!”, klonk het alweer. De bankdirecteur, die voor die dag net een extra volle agenda had, keek hem aan met een blik van ben-je-daar-nu-weer, en richtte dan zijn blik onmiddellijk weer op zijn computerscherm. Ook nu bleef de papegaai nog even zitten. Hij leek niet beledigd of verdrietig, integendeel, zijn blik had iets geamuseerds. Toen sloeg hij opnieuw zijn vleugels uit en klapwiekend zocht hij de blauwe lucht en de lentezon op, twee geschenken die de directeur die dag niet meer te zien kreeg. Het werd een vast ritueel: dag na dag kwam de papegaai bij de directeur aangevlogen en kwetterde hij vrolijk “Goeiemorrrrggen!!” De secretaresse, die één en ander in de smiezen kreeg, vond de vogel erg charmant en gaf hem af en toe een knipoogje; dat werd keer op keer zonder aarzelen met een vette papegaaienknipoog beantwoord. De directeur zelf reageerde naargelang de barometer van zijn humeur: nu eens stond hij de vogel aan te gapen, dan weer was het storm op zee en leek het alsof hij zijn vaste bezoeker met een stevige gooi van zijn schoen zou wegjagen. Maar nooit zei hij iets tegen de papegaai. Op zekere dag stopten de bezoekjes van de vogel. Hij kwam niet meer langs. De secretaresse was de eerste die het opmerkte, en ze vond het jammer. Ze miste de vogel. Ook de directeur merkte uiteindelijk dat zijn trouwe ochtendbezoek uitbleef. Hij vroeg aan zijn secretaresse of zij de papegaai nog gezien had, maar ze antwoordde hoofdschuddend. Uiteindelijk moest ook de directeur toegeven dat hij de papegaai wel miste. Hij begreep niet goed vanwaar dat gevoel van gemis kwam – hij was het beestje soms liever kwijt dan rijk – maar het was er. Toen de directeur, precies één maand na het laatste bezoek van de papegaai, opnieuw het vertrouwde “Goeiemorrrrggen!” hoorde schallen, keek hij aangenaam verrast op. De secretaresse, die net een extra kop koffie inschonk, schrok zich evenwel de pleuris en morste wat koffie op het witte, stijf gestreken hemd van de directeur. Ze werd net zo bleek als het hemd en bereidde zich voor op een donderpreek. Maar die bleef uit; haar baas bleef maar kijken naar de papegaai, tot er uiteindelijk een glimlach op zijn gezicht verscheen. Toen glimlachte ook de secretaresse. Discreet verliet ze het kantoor van de directeur, maar vanbinnen zong haar hart. De bankdirecteur bleef de papegaai nog een tijdje aankijken, en vroeg toen: “Waarom?”. De vogel antwoordde: “Waarrrom?”. Ach ja natuurlijk, wat ben ik toch een snol, dacht de man, het is een papegàài! Die herhaalt gewoon alles wat je zegt; wellicht zal hij die “Goeiemorrrgen!” ook ergens opgevangen hebben. Maar het beest bleef hem rustig aankijken en het drong stilaan tot de directeur door dat dit een slimme vogel was. Een wijze vogel, ook. Dus besloot hij het risico te nemen om zich onsterfelijk belachelijk te maken en vroeg hij hem: “Waarom doe je dat eigenlijk? Mij elke dag een goeiemorgen wensen?” De papegaai bleef nog een tijdje stil terwijl hij de directeur recht in de ogen keek. Die begon terug te twijfelen en vroeg zich af of hij zichzelf geen blaasjes wijsmaakte. Maar toen antwoordde het dier, alsof het de gewoonste zaak van de wereld was: “Waarom zou ik dat niét doen?”. De ogen van de baas werden zo groot als pingpongballetjes. Het beest had hem zonet een antwoord gegeven! Een intelligént antwoord dan nog! Wat zeg ik, een uitermàte intelligent antwoord! “Eh,”, hakkelde de directeur, “omdat je altijd hetzelfde liedje herhaalt?” “Is dat zo erg?, vroeg de papegaai vriendelijk. “Ik bedoel, kom nou… geliefden zeggen elkaar toch ook vaak ‘Ik hou van jou’ zonder dat zoiets gaat vervelen? Pas als ze stoppen met dat te zeggen, is er strrr… strrrr…”. De papegaai aarzelde even, en floepte er toen uit: “Nou ja, strrroop aan de knikkerrr!” De directeur schoot in de lach; het was nog een grappig beest ook. En beleefd op de koop toe! Toen stelde de papegaai hém een vraag: “Waarom beantwoord jij mijn goeiemorrrrrgen nooit?”. De man aarzelde even, en zei toen: “Tja… ik deed er wellicht verkeerd aan, maar, ehh… het leek me eigenlijk een beetje tijdverlies. Ik heb al zoveel om mijn hoofd, er zijn zoveel zaken die mijn aandacht vragen…” De papegaai zweeg. “Ben je nu boos? Of beledigd?”, vroeg de directeur. De papegaai zei: “Ja, misschien toch wel een béétje…”. “Gelukkig!”, zuchtte de directeur, “ik was al bang dat het je niets kon schelen. En eh… de afgelopen maand heb ik je toch wel wat gemist.” “Ja, zo gaat dat”, zie de papegaai, “mensen missen vaak pas iets als het er niet meer is.” “Maar zeg me nu eens: waarom doe je dat eigenlijk, mij altijd een goeiemorgen wensen?”, vroeg de man. “Oh”, antwoordde de vogel, “ik doe het gewoon graag, meer hoef je daar niet achter te zoeken. Ik weet dat een groetje zo af en toe normale mensen gelukkig maakt.” “Ben ik dan niet normaal?”, vroeg de directeur.   Daar moest de papegaai blijkbaar even over nadenken. Toen zei hij weloverwogen: “Jawel hoor, je bent normaal. Maar ik denk dat je twee soorten normale mensen hebt: zij die van nature het goede zien en dat ook willen verder verspreiden, en zij die diep in hun hart wel verlangen naar het goede maar het laten ondersneeuwen door andere zaken.” De directeur knikte. “Ik snap het. Ik behoor tot de tweede categorie, niet?” De papegaai antwoordde: “Ja, dat klopt. Maar je kan veranderen. Dat is niet gemakkelijk, geloof me, dat besef ik. Mensen geraken gemakkelijk vastgeroest in bepaalde patronen of gewoontes. Maar ze zijn ook erg veerkrachtig en soepel als ze zich willen inspannen. Anders zou ik nooit bij je teruggekomen zijn.” De bankdirecteur zei: “Ik geloof je. En goed, ik wil proberen te veranderen. Maar ik ben bang dat ik het niet zal halen, dat ik onderweg zal afhaken. Ik kom nu éénmaal heel wat mensen tegen die net als ik een stressvolle job hebben. Soms lijkt het alsof onze mentaliteit normaal is in onze kringen.” “Tja”, zei de papegaai, “als niemand begint met veranderen dan zàl er ook nooit iets veranderen, denk je niet? Bovendien kom jij ook normale mensen uit de eerste categorie tegen.” “Aha?”, reageerde de directeur nieuwsgiering. “Zoals wie dan?” Maar de papegaai had zijn laatste woorden met de directeur gesproken. Hij zei niets, maar knikte met zijn gevederde kop naar de kop koffie die voor de neus van de directeur stond koud te worden. Toen vloog hij weg. De directeur zag de vogel nooit meer terug. Maar de volgende dag vond de secretaresse een bos bloemen op haar bureau. Er zat een kaartje bij, met daarop de tekst “Deze stille wenk stuur ik jou om alle stiltes van de voorbije maanden goed te maken. Dank je voor de koffie, voor de verse bloemen elke week… dank je voor wie je bent. Je baas.” Een week later, vroeg in de ochtend, vloog de papegaai naar een ander open raam en zette hij zich opnieuw op de vensterbank. Hij keek naar de rug van een struise, in elkaar gedoken jongeman. Die hield een telefoon tegen zijn linkeroor en sprak op dreigende toon: “Wat kan mij de ouders van die kerel nu schelen? Morgen geven we hem opnieuw op zijn donder. Hij moet zich maar leren verdedigen!” Het bleef even stil. Toen kraste de papegaai luidkeels en vrolijk “Goeiemorrrrrgen!!!!”. De jongeman schrok zich een ongeluk, draaide zich met een ruk om en keek de vogel stomverbaasd aan. “Wat…?!”, bracht hij uit. De papegaai liet zijn blik rusten op de jongen. Die had nog nooit een papegaai zien glimlachen; toch zou hij gezworen hebben dat de vogel hem met een vriendelijke knipoog toelachte.        Tekst: Wim Corbeel – Illustraties: P. Paul Delmé E wim.corbeel@gmail.com

Wim Corbeel
16 1
Tip

Het bootje en hoe verder met de werkinstructies?

‘Orde orde,’ zei Mikkie. Het werd niet rustig. Ze kwamen elkaar niet elke dag tegen, dus als er een universele vergadering bijeen was had je een hoop bij te kletsen. De zon scheen, het was droog en de manden met mandarijnen en broodjes gingen rond. De geur van geroosterd schapenvlees vulde de lucht.   ‘Allemaal koppen dicht, het woord is aan Gab,’ zei Mikkie. Stof wapperde op bij elke klap die hij met de hamer op de tafel timmerde om zijn woorden te ondersteunen. Eindelijk werd het stiller, achterin gaf iemand commentaar op de temperatuur van de kippensoep.   ‘Dank je Mik, we zijn hier voor dat bootje,’ zei Gabri. ‘En ik begrijp waarom, maar zo doen we dat dus niet.’   ‘We moeten toch onze duurbaarheidsdoelstellingen halen?’ zei Raf.   ‘Ja, maar dan stuur je die boot toch niet in het zand,’ zei Gabri.    ‘Ik heb de voorkant al losgemaakt, de rest komt de komende week.’   ‘Je had het helemaal niet moeten doen.’   ‘Doe ik vaker.’   ‘Dat weten we, Raf’ mengde Mikkie zich in het gesprek. ‘Het probleem is dan ook breder dan dat bootje, en we moeten hier een principe uitspraak over doen, na een rustig debat.’   ‘De wereld gaat compleet naar de kloten en jullie praten over “Een principe uitspraak”? zei Filhema. ‘Ik ben het niet vaak met Raf eens… ‘   ‘Dat weten we,’ fluisterde Url in Rafs oor, die begon te grinniken.   ‘... maar nu wel,’ zei Filhema. ‘We moeten kordater optreden, zo verandert er helemaal niks, nada, noppes.’ Ze keek naar de zeven grinnikende oude mannetjes achter de tafel. ‘Elke keer heb ik het gevoel dat wij hier als opvulling zitten. Jullie beslissen ik weet niet wat voor onzin, waarbij wij dat maar moeten slikken als een gans de mais. Deze dame maakt geen foie gras meer,  ik hou de snavel dicht. Jullie gooien er alleen een vergadering tegenaan bij onderling gekrakeel en dan mogen wij netjes buigen en tekenen bij het kruisje.’   ‘Wie zijn jullie zevenen dat jullie nog steeds in het bestuur zitten?’ vroeg Benei die zich naar voren drong. ‘Wanneer komen er verkiezingen, Aartsmannetjes?’ Instemmend gemompel steeg op uit de menigte, “Aarts? Mijn Aars, dat klinkt beter!” riep iemand van achteren en er werd besmuikt gelachen.    ‘Hier hebben we het al over gehad,’ zei Mikkie. ‘Het loopt oke zo, laten we niet te veel veranderen. Veranderingen brengen onrustige tijden met zich mee, en onrust bij ons veroorzaakt rampspoed beneden.’   ‘Loopt oke zo?’ zei Benei. ‘Elke keer is het dezelfde discussie: er gebeurt iets op de wereld en we reageren op de waan van de dag, gaan een paar jaar ouwehoeren en uiteindelijk verandert geen enkele werkinstructie, nieuwe inzichten worden niet gebruikt. Ik ben er klaar mee. Ik wil een visie.’    De gebroken wit gejurkte menigte werd luider in instemming. Gejoel steeg op.   ‘En ik wil verbeterde werkinstructies,’ zei Benei.   ‘Laten we een nieuw bestuur kiezen,’ riep Filhema. ‘En dit keer 50-50 met vrouwen.’   ‘Ja, een stemming,’ zei Benei. Achterin de meute begonnen een paar te klappen en instemmend te roepen.   ‘Dat van die 50-50 weet ik niet, iedereen moet een kans krijgen,’ zei Benei.   ‘We leven in 3874!’ riep Filhema, ‘we zijn toch niet meer achterlijk?’    ‘We leven nu in 2021,’ zei Gabri.   ‘1443,’ riep Azzie. Het werd nu een gekakel van jewelste: “2078 of 1933”, “5781”, “4718”, ”564”, iedereen kwetterde door elkaar.   ‘Orde, Orde!’ Mikkie liep rood aan. Hij had het niet meer in de hand, misschien hadden Benei en Filhema gelijk, en waren ze antiek en was het tijd voor een nieuwe garde. Hij keek naar rechts waar zijn oude vriend Gab verbeten voor zich uit keek. Die was tijdens de hoogtijdagen van de Nubiërs in het bestuur gekomen en was toen al niet meer de jongste. Zelf had Mikkie de migratie langs de Beringstraat overzien, was tijdens de opkomst van de Olmeken bestuursvoorzitter geworden en naar het Midden Oosten verhuisd.   ‘2021,’ zei Gabri stuurs. ‘Dat wordt het meest gebruikt.’   ‘Alleen omdat jij daar toevallig was,’ antwoordde Muha. ‘Als jij niet zo stom was geweest om die slager te helpen die vreemd was gegaan met die vrouw van de timmerman was er niets gebeurt.’   ‘Zou nu ook niet meer kunnen,’ zei Filhema, ‘arme meid, als er toen Me too was geweest had de wereld er heel anders uitgezien. Die viezerik.’   ‘Iedereen heeft wel eens geholpen,’ antwoordde Gabri. ‘Daarnaast, wist ik veel dat die timmerman en zijn vrouw zo bijgelovig waren dat ze een hele cultus voor dat kind opstartten.’   ‘Had je kunnen weten,’ zei Muha. ‘Je gaat niet zomaar in iemands slaapkamerraam staan wapperen zonder de consequenties te overdenken. Het was een beetje amateuristisch.’    ‘Zo'n beginnersfout,’ zei Benei, ‘was niet acceptabel voor iemand van jouw statuur, dat had je moeten voorzien. En je volgde de werkinstructies niet.’    ‘Die werkinstructies van jouw weten we nu wel,’ zei Gabri. ‘Je valt in herhaling.’   Iemand in de menigte riep: ‘Gepruts.’ Het begon weer uit de hand te lopen.   ‘En om ons daarna te vragen liedjes te kwelen,’ zei Azzie. ‘Dat deed het hek helemaal van de dam.’    ‘Moet jij zeggen met je verschijning in die woestijn,’ zei Gabri.   ‘Dat was ik,’ zei Sammu. ‘Ik probeerde het te corrigeren.’   ‘Dat bedoel ik niet,’ zei Gabri. ‘Jij deed een dappere poging, ik bedoelde later toen onze vriend Az aan de slag ging.’   ‘Dat was gewoon een geintje met een marktkoopman,’ zei Azzie, ‘Gebbetje moet toch kunnen?’   ‘Over die verschijningen moeten we ook nieuwe werkinstructies maken,’ zei Benei, die voelde dat hij het momentum kwijt begon te raken. ‘Ik ben het zat om altijd naar van die kutdorpjes te gaan. En dan tegen de volgende inteeltkop te moeten preken. Zit geen uitdaging in. En op de een of andere manier, lukt het die gasten altijd om over mijn sandalen te kwijlen.’   'Ik pas ervoor nog langer in het bos te doen alsof ik een sprekend dier ben,’ riep Ykulop, ‘om die arme mensen de stuipen op het lijf te jagen. Jullie daar,’ zij wees op de zeven mannen achter de tafel, ‘hebben al die jaren niets veranderd.’   ‘Stelletje conservatieve fossielen,’ mompelde Tace. De massa werd nu echt rumoerig.   ‘Precies Mikkie, als het aan jou en je cluppie bejaarde langharige makkers ligt, met die prehistorische richtlijnen, halen we die duurzaamheidsdoelstellingen nooit,’ zei Filhema.    ‘En prehistorische werkinstructies,’ zei Benei.   ‘Weet je wat ook mijn neus uit komt?’ zei Ykulop ‘Koortje spelen, getverdegetver. Als dat bejaarde zootje het nodig vindt, moeten we altijd in dezelfde jurk, toeterend op een primitief trompetje of met zo’n kinderachtig tamboerijntje in de hand, onzin rond lopen zingen. We zijn toch geen kleuters meer? Dit wilden we een paar duizend jaar geleden al veranderen, en wat is er sindsdien gebeurt?’   ‘Geen moer,’ zei Tace.   ‘Voor muziek moeten we ook nieuwe werkinstructies maken,’ zei Benei.  ‘Verkiezingen! En nu!’ riep Filhema.   ‘We geven iedereen een week om kandidaten te voor te stellen,’ zei Benei. ‘Daarna maken we een lijst en gaan we stemmen. Ik ontwerp een procedure, zodat het eerlijk en transparant gaat. Met een mogelijkheid van beroep, als dit zo nodig is.’    Filhema toverde een perkament uit haar gewaad en legde dit op een brede platte steen, ze legde er een ganzenveer bij en zei: ‘Inschrijven als kiezer kan bij mij.’ Ze keek om zich heen.   ‘Heeft iemand een potje inkt?’   ‘Shit zeg, dit is old skool,’ zei Ykulop. ‘Hier.’ Zij gaf Filhema een notebook en zei: ‘Op zonne-energie, werkt hier prima.’ Benei zette er een handzame printer naast.   ‘Orde orde.’ riep Mikkie weer. Hij klopte de tafel bijna in tweeën.   Tevergeefs. De menigte begon het geduld kwijt te raken, geen goed teken. Geduld was iets waarvoor ze bekend stonden nietwaar?    Een rij ontstond bij de steen waar Filhema iedereen registreerde als kiesgerechtigde.   Verandering hing in de lucht.

MCH
94 0

Brussels Lof

Van het onkruid in de dakgoten is weinig meer over dan dorre, stugge sprieten. En ook al is de dag amper begonnen, het wegdek, het trottoir en de gevels zijn al doorweekt met een lamgeslagen warmte.Priegelend aan het eindje van zijn onafscheidelijke sigaret observeert Albert vanuit het open raam hoe een half dozijn mannen zich samenpakt naast een vaalblauwe Ford Transit met Bulgaars kenteken. Een paar plastic tasjes gaat van hand tot hand, de inhoud wordt geïnspecteerd. Na een korte woordenwisseling worden wat beduimelde bankbiljetten uitgewisseld en rolt een bleke twintiger de kleinste van de tasjes als een slaapzak op om ze onder zijn witte trainingsjack te verbergen. Twee agenten in een permanent gestationeerde patrouillewagen attenderen elkaar op de transactie, maar wanneer de koper aan hun wagen voorbij stiefelt blijven de portieren en ramen gesloten.Albert legt zijn sigaret op de rand van een zware, glazen asbak, recht zijn rug en trekt met beide handen zijn gilet strak. ”In mijn tijd had de gendarme de wapenstok laten spreken! Als straks Filip de Winter premier is, dan gaat dat hier anders lopen!”, verkondigt hij naar de keuken. Maar Elsbeth reageert al jaren niet meer op zijn tirades. Ook zijn eindeloze hoestbuien lokken geen reactie meer bij haar uit, ze is er immuun voor geraakt. Op de derde etage van hun appartementsgebouw aan de Rue Grisar is onverschilligheid haar enige overgebleven vorm van verzet.Terwijl buiten de weeïge geur van broeiend straatvuil wedijvert met de vetzwangere dampen uit een dönerloket, vult het appartement van Albert en Elsbeth zich met de laffe lucht van grijsgekookte witlof en een tot schoenleer doorbakken karbonaadje. Albert verwacht de warme maaltijd ’s middags om twintig over twaalf op tafel. Iedere dag, stipt, zonder uitzondering. Dat ze op dit soort dagen zelf geen hap door haar keel krijgt verandert daar niets aan. Ze leert Albert 44 jaar geleden kennen wanneer ze als stagiaire rapportages uittypt op de afdeling Algemene Inspecties van het Ministerie van Landsverdediging, tegenwoordig de Federale Overheidsdienst Defensie. Als negentienjarige majoorsdochter is ze onder de indruk van Alberts vastbesloten, heldere stijl. Hij is de enige inspecteur die zelf zijn notities naar de typekamer brengt en controleert of zijn rapportages correct gearchiveerd worden. Zodra ze Alberts tred over de harde PVC-vloer van het archief herkent grist ze een willekeurige map van haar bureau en snelt ze naar hetzelfde krappe gangpad.“Pardon” zingt ze zachtjes en manoeuvreert haar lichaam tussen hem en de manshoge dossierkasten in. Terwijl ze zijn blik met gespeelde verlegenheid ontwijkt voelt ze hoe de stof van haar dunne bloesje zijn gekruiste armen toucheert. Ze vertraagt, ontspant haar mondhoeken en met half geopende lippen ademt ze hoorbaar in. Met licht gebogen hoofd maakt ze vluchtig, maar indringend oogcontact: ”Mijnheer de inspecteur”.Haar onderbuik zoemt. Blozend schuifelt ze verder, tweemaal de hoek om, terug naar haar bureau. Dat ze bijna tien jaar jonger is dan hij weerhoudt hem er niet van haar avances te beantwoorden en nog voor Elsbeth haar studie af kan ronden trouwen ze en koopt Albert de etage in het Brusselse Kuregem. Kuregem, waar in de jaren ’50 en ’60 de hogere middenklasse elkaar op weg naar kantoor, kerk of kruidenier hartelijk maar beleefd toeknikt. Maar na de oliecrisis brokkelt de bedrijvigheid in de welvarende wijk af en trekt de burgerij weg naar groenere stadsdelen. De leegstaande woningen worden snel ontdekt door huisjesmelkers. Ook Albert ziet zijn kans. Hij koopt met een lening van de bank de appartementen op de begane grond en eerste verdieping en verhuurt deze per kamer aan de vluchtelingen en arbeidsmigranten; mensen zonder binding met zijn België, zijn Brussel en zijn Rue Grisar. Wanneer de respectabele buren van weleer Kuregem definitief achter zich hebben gelaten dringt Elsbeth aan om de appartementen toch maar te verkopen en ook naar de rand van de stad te verhuizen om daar een gezin te stichten nu het nog kan. Maar Albert weigert zijn verlies te nemen. Zijn rotsvaste vertrouwen dat zijn wijk er weer bovenop zal komen en zijn investering zal renderen slaat met het verstrijken van de jaren om in een halsstarrige weigering de mislukking van zijn plan te accepteren. Onachtzaam keert Elsbeth het karbonaadje nog eens om. Een bruin verbrande vetspetter landt op haar zalmroze nachthemd. Ze heeft zich al dagen niet fatsoenlijk aangekleed. Haar grauwbruine haar hangt los op de schouders. Wanneer ze een naar voren gevallen lok uit haar gezicht veegt ziet ze Benji in zijn mandje naast de radiator liggen. Ze pakt een gebruikt ontbijtmes uit de gootsteen, duwt een vork in het uitgedroogde lapje varkensvlees en snijdt een stukje van de rand. Met haar vingers trekt ze het taaie hapje van de vork en laat het in Benji’s richting op het keukenzeil vallen. Het beestje komt niet in beweging.“Benji! Hapje?” roept ze zacht, maar ook nu blijft het witte pluizenbolletje liggen. Kalm legt Elsbeth de vork neer en hurkt om haar mamma’s kindje nog één keer goed te bekijken. De oogjes zijn half geopend, maar staren leeg de keuken in. Ze aait over zijn lijfje, maar het reageert niet meer. Dan raapt ze het stukje vlees van de vloer en gooit het terug in de pan. “Het is goed ventje, je mag gaan”, mompelt ze.Schijnbaar onaangedaan giet ze de witlof af en laat ze twee stronkjes uit de pan op een bord glijden. Dan vist ze het karbonaadje uit de pan en legt deze ernaast. Een paar seconden staart ze het bloedeloze stilleven aan. Haar maag draait om. Ondanks de hitte schiet haar nekhaar overeind, alsof er in slow motion een lucifer tegen de binnenkant van haar schedel wordt afgestreken.“Je mag gaan”, herhaalt ze hardop. Ieder woord nadrukkelijk uitsprekend, overtuigt ze zichzelf: “Je mag gaan”.Haar blik verstart, ze zet zit zich schrap. Met een felle pets slaat ze met beide vlakke handen op het aanrecht. Gedecideerd beent ze naar de badkamer en trekt het medicijnkastje open. Alberts digitalistabletten staan onder handbereik in het deurtje. Onderweg terug naar de keuken draait ze het potje in één krachtige beweging open. Daar keert ze de inhoud van het potje om op het aanrecht en met diezelfde vork drukt ze de pillen tot een grof poeder. De bittere witlof moet de smaak van het medicijn camoufleren. Vanmiddag om tweeëntwintig over twaalf zal ze de ambulance bellen.

Bas van der Graaf
48 3

Het koor

Het jaar? Dat moet 1978 geweest zijn. We waren twaalf jaar oud en zaten in onze banken te wachten. Het was een vrijdag. De dag dat de Woef naar onze zangkwaliteiten kwam luisteren.  Ik was al de hele week zenuwachtig en had veel geoefend. Voor de spiegel in de badkamer, in mijn kamer of terwijl ik in bad lag. Meezingend met David Bowie op een cassette die ik van de Top 30 had opgenomen. Zelfs de woorden van de discjockey kende ik uit het hoofd. De Woef was onze meester in het zesde leerjaar. Zijn bijnaam was afgeleid van zijn familienaam, maar dan vernam ik pas op het einde van het schooljaar. Namen van mensen waren toen nog niet belangrijk. Met de voornamen van je vrienden kwam je al ver.   Hij was vooral groot. Je kon niet naast hem kijken. Hij was groter dan twee meter en speelde volleybal. Een hatelijke sport. Vooral omdat ik klein was en meer aanleg voor voetbal had. Ik liep vlot onder het volleybalnet door zonder me te moeten bukken. De Woef was zo groot dat hij zonder zijn armen te strekken het plafond in de klas kon aanraken. Daarvoor moest hij wel op het verhoogje vooraan in de klas staan, maar echt hoog was dat niet. Dat maakte het nog straffer. Het verhaal ging dat de Woef ooit klem was komen te zitten in een schoolbank. Het waren van die banken waarvan je het blad kon omhoogklappen. In die bak lagen je boeken en het schrijfgerief. Om een leerling een vraagstuk voor de tiende keer uit te leggen, was hij in de bank naast de jongen gaan zitten. Ze hebben de bank moeten demonteren omdat hij er met zijn lange benen niet uit geraakte. De banken waren op maat van 12-jarige kinderen gemaakt. Doorgaans zijn die ongeveer anderhalve meter groot. Al kwam ik daar niet aan. Zondag over een week zou er een speciale viering in de kerk zijn. De kinderen met de mooiste zangstem mochten vooraan in de kerk enkele liedjes zingen. Zij waren het gelegenheidskoor. Het was geen David Bowie, maar omdat muziek toen al belangrijk voor me was, leek het me wel wat.  Danny naast me in de klas bleek minder zenuwachtig te zijn. Hij was ook een voetballer en zou die zondagochtend liever naar de wedstrijden van de grote jongens kijken dan naar de kerk te gaan. We zaten samen in een team. Onze wedstrijden speelden we op zaterdagnamiddag. Omdat Danny en ik meteen naast de deur zaten, rechts vooraan, zei iedereen dat we op de eerste bank zaten. De bank aan de kant van de venster die op de speelplaats uitkeek, zou je ook de eerste bank kunnen noemen, maar dat werd niet gedaan. We kwamen wellicht als eerste aan de beurt. Het was een kerklied waarvan ik de inhoud ben vergeten, als ik die al ooit onthouden heb.  De Woef had vooraf gezegd hoe het in zijn werk zou gaan. “Iedereen begint te zingen en ik kom bij jullie langs. Niet schrikken, maar ik ga vlakbij bij je mond staan met mijn oor, zodat ik goed kan horen wie vals zingt en wie niet. Wie niet zo mooi zingt, geef ik een zachte tik op het hoofd met mijn hand. Als je dat voelt, mag je stoppen met zingen. Doe ik niets, dan blijf je gewoon zingen.” Met zijn handen zo groot als een kolenschop, kon hij ons met één hand uit de bank lichten, dus die tik was niet iets waar we verwachtingsvol naar uitkeken. Al was het uitdelen van een tik in die late jaren ‘70 grotendeels uit het schoolbeeld verdwenen. Toch had Danny ooit dicht bij een handafdruk op zijn linkerwang gestaan, toen hij tijdens de speeltijd het raam van het secretariaat aan diggelen had gestampt met de leren bal, die hij van thuis had meegebracht. We mochten enkel met plastic ballen voetballen. Maar als er wind was, voetbalde dat voor geen meter. Je moest dan al een aardig effect in de voeten hebben om te scoren. Na twee regels gezongen te hebben, stond de Woef bij onze bank. De eerste bank. Danny kreeg al snel een tik op zijn hoofd.  Daarna was ik aan de beurt. Wat stond hij dicht bij mijn mond. Ik kon mezelf amper horen zingen. Akelig ook, met dat grote oor van de Woef voor mijn ogen. Bij mij leek het iets langer te duren, maar ik voelde plots toch ook een hand op mijn hoofdhaar. Het leek alsof hij met die tik eigenhandig mijn mond sloot en mijn muzikale toekomst de grond in boorde. Ik keek naar Danny maar die leek zich er weinig van aan te trekken. De klas zong verder. Op het einde bleef exact de helft van de leerlingen over, die alsmaar luider zongen. Alsof ze onze valse stemmen moesten overnemen.  Tijdens de misviering kregen zij een plaats op het altaar, het podium van de kerk. Wij kregen een andere taak toebedeeld. Op het einde van de plechtigheid mochten we tekeningen ophangen. De zangers en zangeressen van onze klas stonden nog altijd recht op het altaar terwijl wij, de valse zangers en zangeressen, naar de stoelen op de eerste rij sjokten. Ze keken ons hooghartig aan. Wij keken vals terug. De misviering was bijna afgelopen. Ik vertel dit voorval omdat het een kleine rol heeft gespeeld in mijn liefde voor muziek. Je moet weten dat muziek altijd enorm belangrijk voor me geweest is. De dag dat ik David Bowie voor het eerste hoorde zingen, vergeet ik nooit meer. Buitenaards mooi.  Een verhaal vertellen op drie of vier minuten, waarbij de muziek voor iets magisch zorgt, zodat je het keer op keer opnieuw wil horen, dat is muziek. De tekst als eerste laag en de muziek als tweede. Het verveelt nooit. Een verhaal kan je maar zolang vertellen tot het einde of de plot nog niet gekend is. Het einde van een song zorgt ervoor dat je het telkens opnieuw wil beluisteren. Niets einde verhaal. Een derde laag is het beeld van de zanger op het podium, in een studio of in een videoclip. David Bowie had dit als geen ander begrepen.  Maar het ultieme gevoel moet zijn om zelf op dat podium te staan. Een song zingen die je zelf geschreven hebt. Maar zingen was voor mij niet weggelegd. Dat had die tik van de Woef me duidelijk gemaakt. Ik zong vals. En dat betert niet met de jaren. Hij had mijn mond gesloten. Wijselijk en verstandig voor de omstanders.  In de jaren erna heb ik nog gitaar proberen te spelen, maar ik had het geduld niet. Of de aanleg.  Dertig jaar later We zijn ondertussen dertig jaar verder. Het einde van het eerste decennium in de eenentwintigste eeuw. Samen met mijn vrouw sta ik in de AB in Brussel. Een echte muziektempel. Wat hebben we hier vaak gestaan. In de zaal en op de rode balkons. Die zijn trouwens het bewijs dat we ons in een muziektempel bevinden. Een tempel is goddelijk. In een tempel kan je van bovenaf naar het podium kijken. Zoals een god naar beneden kijkt.  Vandaag staan we in de zaal. Nee, eigenlijk op het podium, want we zingen zelf. De zaal is het podium. Wat hebben we hier naar uitgekeken. We zijn allebei muziekliefhebbers. Zo breed als het maar enigszins kan. Van pop en rock en new wave tot jazz en klassiek.  Het internationaal bekende gezelschap ‘Choral 2000’ doet ons land aan. Alhoewel, gezelschap. Eigenlijk zijn ze maar met twee. Een dirigent en een jongeman op akoestische gitaar. Ze zijn ermee gestart in hun thuisstad Minneapolis. De stad van Prince, Hüsker Dü, The Replacements en The Jayhawks.  Begin jaren 2000 deden ze een oproep voor een optreden in een zaaltje. “Gezocht: 150 muziekliefhebbers om samen popklassiekers te zingen. Van Bowie en Nirvana tot Nina Simone.” Het recept bleek aan te slaan. Peter, de dirigent, schreef de songs uit voor een groot koor. Tweestemmig, driestemmig. Ze deden alsmaar grotere zalen aan. Eric, de man op akoestische gitaar droeg altijd een baseballpet van The Minnesota Twins, de baseballclub uit Minneapolis.  In hun beginjaren tourden ze vooral in Amerika. Het ging van kleine naar grote zalen. Eerst koren bestaande uit 500 mensen, later werden het er 2000 en meer. Na de USA en Canada volgde Europa in deze ‘Choral 2000 World Tour’.  Via een vriendin die bij een concertpromotor werkt hebben we tickets weten te bemachtigen. Ze hebben een aantal koren uitgenodigd, maar er is ook plaats voor ‘gewone’ mensen, zoals wij. Mijn vrouw, die geen onaardige zangstem heeft, hoopt op nummers van Nina Simone. Zelf kijk ik uit naar Bowie. Welke songs we gaan zingen, maken ze vooraf niet bekend. Ik heb er jaren niet meer aan gedacht, maar bij het betreden van de zaal moet ik plots aan het voorval met de Woef in het zesde leerjaar denken. Ik heb het nooit aan mijn vrouw verteld, besef ik tijdens het aanschuiven. Dat is iets voor straks. In de auto naar huis. Stel dat ze een zangtest afleggen vooraleer we naar binnen mogen, vraag ik me angstig af. Al is die angst niet nodig, want onze vriendin van de concertpromotor heeft ons gerust gesteld.  “Ze weten dat er mensen in de zaal zijn die niet al te best zingen. Maar dat is nu het mooie aan dit concept. Het merendeel van de mensen kan wel goed zingen. Zij overstemmen de mensen die ietwat vals zingen. Komt helemaal goed”, zei ze.  We geraken inderdaad zonder zangtest de zaal binnen. Iedereen krijgt een lintje met een bepaalde kleur. In de zaal wijzen medewerkers de bezoekers naar een vlak met dezelfde kleur.  We staan in het gele vlak. Naar wat ik kan zien, zijn er vier vlakken. Er is voldoende ruimte gelaten in de zaal. Iedereen staat comfortabel. Ik schat het aantal bezoekers op een twaalfhonderd.  Peter en Eric worden op een geweldig applaus onthaald. Vooraleer we tot een song komen die gefilmd wordt en later op YouTube belandt, gaat er een uur oefenen aan vooraf. “We spelen twee songs”, vertelt Peter. “De titel van het tweede nummer verklappen we niet, maar het eerste is Here Comes The Sun van The Beatles. Een nummer van George Harrison. Zijn jullie er klaar voor? Yeah? Yeah? Really yeah? Okay, let’s start.” Het oefenen gaat vlot. Eric laat ons helemaal in de song belanden met zijn fijn gitaarspel. Waar normaal een gitaarsolo klinkt, neemt de groene groep het over met een zeer subtiel ‘hmm hmm’. De magie van het zingen op een podium is voor mij nooit zo dichtbij geweest als op dit moment.  Na het eerste uur is er een pauze van een half uur. De twee pintjes gaan vlot naar binnen. Van zingen krijg je dorst. “Niet te veel”, zegt mijn vrouw. “Zodat je dadelijk niet begin te lallen. Of te luid gaat zingen.” Het is precies alsof ze me een knipoog geeft. In het cafe meen ik Danny te zien. De jongen naast me in de klas vroeger. Maar dat zou een al te groot toeval zijn. Hij had niets met muziek. Terwijl hij terug naar de zaal gaat, zie ik duidelijk dat hij het niet is. Maar hij heeft er iets van weg. Eric kondigt de tweede song aan. Hij heeft zijn pet afgezet. Nu zie ik pas dat hij lang haar heeft en een beetje op George Harrison lijkt. Of verbeeld ik me dat?  “We zoeken het niet te ver voor onze tweede song”, zegt hij. “We blijven bij The Beatles. Al is dit geen song van The Fab Four, maar wel eentje van de eerste soloplaat van George Harrison na de split. Zijn jullie klaar voor My Sweet Lord?” Ik had op Bowie gehoopt, maar eigenlijk zijn deze songs nog beter. Een song over een mens die zoekende is, naar God in dit geval. “I really wanna know you. I wanna show you Lord.” Doen we dat niet allemaal tijdens ons leven? Zoeken? Iemand leren kennen? Iemand willen tonen? Zoeken naar iets of iemand die ons bestaan zin geeft? Dit liedje komt aardig in de buurt van iets goddelijk als je het mij vraagt.  Het nummer lijkt gemaakt om samen met 1.200 mensen te zingen. Peter en Eric kijken bij het oefenen van deze song een paar keer naar boven. Naar de balkons. Alsof ‘The Lord’ van George Harrison daar ergens bovenaan staat.  We zijn klaar voor de opname van de definitieve versie die over een paar dagen op YouTube verschijnt. Ik zie drie camera’s. Een bewegende op het podium en twee vaste op de balkons. Eric begint met de overbekende akkoorden van My Sweet Lord. Ik kijk naar mijn vrouw naast me. Een blik en een lach van verstandhouding.  Waar in de song in het begin al een elektrische gitaar weerklinkt, begint de rode groep met een fijn geneurie.  Wij mogen beginnen met de regels ‘My sweet Lord. Oh my lord.” Zo staat het ook op ons geel gekleurde papiertje. Ik doe mijn mond open en voel plots een hand op mijn hoofd. Ik schrik en kijk achterom. Het is de Woef. Het lijkt alsof hij nog groter is geworden. Hij torent boven iedereen uit. “Wat heb ik nu van dat zingen gezegd? NIET doen hè.” Ik hoor me nog net “WOEF” roepen en maak mezelf wakker van het schrikken. Ik zit rechtop in bed. Mijn vrouw naast me doet één oog open. De dag lijkt al te beginnen. Er komt daglicht door de jaloezieën van de slaapkamer. “Wat WOEF? Was je aan het dromen?", vraagt ze. "Weeral over dat voorval in de zesde lagere zeker?" “Je was ook opnieuw aan het zingen. Of toch zoiets. Ik heb je al eens wakker proberen te maken.” Ik ben ondertussen een beetje gekalmeerd en lig terug op mijn kussen.  "Het was iets van The Beatles”, zucht ik.  

Rudi Lavreysen
37 1

ik ben een koekoek

‘Ik ben een koekoek.’ Rita’s krakende stem zou die dag voor een laatste keer de kamer vullen. Onder een wollen sprei ligt een dame die hele zalen deed opveren na haar laatste lied. Nu streelt ze enkel het trommelvlies van een onderuitgezakte Leo, haar zoon. ‘Ik joeg anderen de afgrond in door mijn wil in hun hoofden te nestelen en alle dromen die ze bezaten uiteen liet spatten op koude grond. Ik ben een koekoek.’ Plots zit Leo weer rechtop. Ze kijken samen naar een natuurdocumentaire waarin een vrouwtjeskoekoek net een ei legde in het nest van een karekiet en alle andere eieren de dieperik in duwde. Leo zit naast haar bed op de hoge stoel, zijn hoofd rustte net nog tegen de zijkant van haar harde, synthetische hoofdkussen. Na drie jaar op deze kamer had Leo geleerd hoe te reageren op zulke uitspraken. Vandaag kan hij niet vluchten door te zeggen dat Christa en de meisjes op hem wachten achter opgeschepte borden. Vandaag zal hij blijven tot de laatste lange noot haar longen uitglijdt en doodstil op de linoleumvloer valt, tot haar kleuren in de muren vluchten en de kamer al aankleden voor de volgende, tot ze een herinnering wordt, een naam met nummer en voicemail in zijn gsm.  Moeder en zoon staren naar het grote scherm dat veel te dicht en veel te luid staat. De karekiet is het pasgeboren koekoekskuiken al aan het voeden en hangt met haar bek in de keel van het jong. ‘Misschien vindt de karekiet het niet erg?’ Ze draait haar hoofd in zijn richting, neemt een diepe ademteug. ‘Ik heb je nooit laten studeren. Vind je dat niet erg?’ Leo drukt de volumeknop naar omhoog en redt zo hun laatste moment samen. De karekiet vliegt af en aan met rupsen en andere insecten. Niemand hoort Leo’s mekkerende maag. De haakse vingers van Rita’s rechterhand strelen bevend en onophoudelijk haar linker, alsof ze iemand vervangen die weet wat er te gebeuren staat, haar troost. Rita was ooit het koekoeksjong, is het haar waardvogel die haar opnieuw sterkt? ‘Wanneer komt Peeters?’ Rita moest niks weten van dokter Peeters. Toen ze hoorde dat hij zijn vrouw had bedrogen met een pas afgestudeerde spoedarts leek ze plots twintig jaar jonger. Ze klaagde minder over ontstekingen en was bereid dit te bewijzen door toertjes rond de salontafel te lopen, waarna ze, zich beroepend op haar aangeboren zwakke hart, neerplofte in de krakende zetel en de infraroodlamp aanklikte. ‘Volgens de verpleegster zal hij er binnen het kwartier zijn.’ ‘Let maar op met hem, hij is een aasgier, doet zelf het vuile werk. Wist je dat aasgieren andere eieren openbreken met stenen?’ Leo mag hem wel, al is hij van kindsbeen af misschien snel geïmponeerd door mannen in blinkende auto’s, mannen die wel hun eigen dromen najagen in plaats van ze te verdringen. Tijdens de aftiteling van het programma komt Peeters binnen. Hij trekt een verse lading van de weeë geur van het woonzorgcentrum de kamer in. Zijn zwarte tas maakt een dof geluid wanneer hij deze op de dichtstbijzijnde stoel neerploft. Rita schrikt en kijkt nors de andere kant uit. Waarom toch hij? Heel de dag had ze zitten mokken toen ze hoorde dat de oude Peeters er niet zou geraken. Ze had niets willen eten en blafte naar de verpleegsters als een kwijlende hond naar een angstige passant. Hoe kon hij? Alsof dit een cafébezoek is! Leo had haar getroost met de woorden dat meneer Peeters het wellicht te moeilijk had met dit afscheid door hun verleden samen en hij daarom zijn zoon stuurde. Hij wou de vale muren behouden. ‘Mevrouw Simons, bent u er klaar voor?’

de amechtige specht
23 1

Kwart voor zes

"Is dat morgen?" We hebben er niet aan gedacht, dat de klok ‘s nachts een uur overslaat. Ze moet vroeg uit de veren. De plicht roept. "Nu zelfs een uur vroeger", zegt ze. "Zo mag je niet denken", antwoord ik. "Je slaapt minder, maar je geniet 's avonds meer van het uur extra licht." Ik krijg een dat-gaat-gij-hier-niet-bepalen blik. Het zou de laatste keer kunnen zijn, zegt mijn krant. Niet die blik, maar dat we een uur overslaan. De Europese landen mogen kiezen tussen zomer- en wintertijd. Stel je voor. Een uur tijdverschil met onze buurlanden. Het is een kunstmatig iets, die tijd. Maar het zorgt voor houvast. Zo heb ik lang gedacht dat "kwart voor" een belangrijk moment was. Om kwart voor acht begon het journaal op Brussel. Om kwart voor zes werden de voetbaluitslagen voorgelezen. Dat was pas een moment. Je moest stil zijn, want ze werden niet herhaald. Denken aan die voetbaluitslagen is denken aan die rode Simca. Onze neef was enkele jaren ouder, had een rijbewijs en reed op zondagnamiddag met zijn pa, onze goedlachse nonkel, naar de uitwedstrijden van Lommel SK. Wij mochten mee. Ik herinner me een wedstrijd in Gerhees. Was het in bevordering? Of toch in derde? Zijn rode Simca had kuren, vertelde hij bij het vertrek. De auto mocht niet stilstaan. Anders viel de motor uit en moesten we duwen. We reden langzaam naar de verkeerslichten om niet te moeten stoppen. Het leek me straf, want de auto had thuis ook stilgestaan. Maar het was lachen. De wedstrijd was om kwart voor vijf afgelopen. Om vijf uur zaten we in de auto. De hotdog hadden we in de rust naar binnen gespeeld. Misschien reden we langzaam om onderweg kwart voor zes niet te missen. Wat waren we stil, in die rode Simca.

Rudi Lavreysen
15 0

Onheil

Ik ben aan een groot onheil ontsnapt, en dit onheil hing in de lucht. Het klinkt als een cliché. Beter gezegd: het ís een cliché, maar anders kan ik het niet zeggen.     In het park, hing aan een tak van de grote eik bij mijn eendjesvoerplek, een stapel dozen.  En dit betekende onheil, het hing letterlijk in de lucht.  Op zonnige dagen liep ik in de middag uit mijn werk van de Duffemakade via het park naar de Kuchensesteenweg. ‘s Morgens niet, dan was ik chagrijnig en bleef ik in de bus zitten en als het regent of koud is ook niet, ik was niet gek. Het rondje rond het park was twee haltes.   Die middag half zes was het vijfentwintig graden, mijn colbertje hing nonchalant over mijn schouder. Van de twee vijvers in het park was dit de kleinste en, met modderig stinkend stilstaand water, de minst populaire. Zeker in de zon, en tussen vijf en zonsondergang perste de zon volop haar warmte op het water, scheen het hier te stinken. Volgens anderen, want door een overdaad aan snuiven in mijn jonge jaren, was mijn reukzin dusdanig aangetast dat ik het water niet vond stinken. Het is altijd lekker rustig en met plezier voerde ik mijn lunch aan de eendjes. Ik moest met een leeg broodtrommeltje thuis komen en eendjesvoeren was beter dan alles in de afvalbak op het station mieteren. De eendjes kenden mij en kwamen vrolijk op mij afkwateren. Ze aten zelfs uit mijn hand.   Hier heerste een sacrale rust, de laatste meditatieplek in de stad. Op die bewuste dag niet: toen hingen daar dozen in de boom.   Drie dozen.    Drie kartonnen dozen.    Drie bruine kartonnen dozen.     Drie open bruine kartonnen dozen.    En uit elke open bruine kartonnen doos kwam gepiep. Vroeger zou je het gerinkel noemen, maar smartphones rinkelen niet meer, die piepen of zingen of blaten. Als ze al rinkelen hoor je kapot glas.   Dit gepiep klonk dringend en agressief. Ongemakkelijk liep ik snel verder. Deze piepdozen betekende maar een ding: Onheil en rampspoed. Oké, twee dingen dus. Bij het grasveld rond de grote vijver, waar ik meestal zo snel mogelijk langsschiet, liepen verhitte gezichten rond. Een kortbebaarde jongen met een rood Scarlet jasje kwam op mij af.   ‘Heeft u de oproerkraaiers gezien?’ vroeg hij   ‘Hoebedoelu?   Een oranje sweater van Orange botste tegen mij op, verexcuseerde zich en snelde door.    Twee paarsblauwe shirts van Proximus renden het grasveld over, de rechter hield een soort ouderwetse radio met grote antenne in zijn handen. De antenne draaide rond, de antenne leek wel in paniek om zich heen te kijken.   ‘Vanmorgen ontsnapten zeven smartphones.’   ‘Ontsnappen?’ vroeg ik. Als het waar was, dan was ik aan een groot onheil ontsnapt.   ‘Drie hiervan waren al eerder vertrokken en zijn gisteren gepakt.' zei hij. 'Voordat we de GPS uit konden schakelen namen ze weer de benen, nu met vier kompanen.’   ‘Hoe?’   ‘De trilstand,’ zei het rode jasje. ‘Ze bellen elkaar en trillend schuiven ze zo een stukje verder. Binnen vijf minuten schuiven ze een paar honderd meter door. Je let een keertje niet op en hupsakee: je bent ze kwijt.’   De oranje sweater kwam terug en zei: ‘Waarschijnlijk zijn ze nu met een paar honderd, zoveel mensen hebben een toestelvermissing gemeld.’ Zij keek angstig om zich heen. ‘De laatste melding kwam hier uit het park.’   ‘Ik heb de rebellerenden gezien. In een doos,’ riep ik uit.   ‘Camouflage! Dat we daar niet aan gedacht hebben,’ zei roodjasje. Hij vormde met zijn handen een trechter voor zijn mond. ‘Ze hebben zich verstopt, een publieke melder meldt hier een publieksmelding:  ze verstoppen zich in een doos.’   ‘Drie dozen,' zei ik.   ‘Drie dozen!’ bazuinde hij.    Iedereen schoot een kant op en met een paar seconden was het grasveldje leeg. Een enkeling waadde nog door de grote vijver, haar gele Telenet trui knipoogde vrolijk terwijl ze zich zo snel mogelijk naar de wal probeerde te bewegen.    ‘Wat voor dozen?’ vroeg de rode jas.   ‘Kartonnen dozen.’   ‘Kartonnen dozen!’   ‘Bruine dozen,’ zei ik voor de zekerheid.   ‘Bruine dozen!’   ‘Ik zag de dozen daar,’ zei ik en wees in de richting van de kleine vijver.   ‘Mensen, die kant op!’ toeterde het jasje en iedereen kwam teruggerend. Ze verzamelden zich om mij heen, keken gespannen in de richting van mijn hand en renden in een kleurige stroom weg. Ik riep ze nog na: ‘Pas op, het water stinkt daar!’Dapper volk, mij zag je daar niet meer. In de bus wilde ik mijn vrouw melden dat ik eraan kwam, en merkte ik dat ik mijn telefoon miste. Na twee jaren, drie maanden en een week bedriegelijke rust, was muiterij in mijn binnenzak ontstaan! Zoals ik eerder zei: ik was aan een groot onheil ontsnapt.

MCH
16 0

Verlies van lading

Wij zijn het verlies van lading. Wij zijn meesters in het verrassingseffect. Het is een heerlijk gevoel om met het lot te kunnen spelen. Vaak zijn we goedgezind en zorgen we voor een vleugje humor doorheen de dag. Zo lieten we ons enkele jaren terug flink gaan in Rusland, waar we besloten om twee trucks tegen elkaar te laten botsen. De lading gele verf gutste over de achterliggers. Het was best een maf zicht, en de wereld zag er toch heel wat kleurrijker uit. Dit vinden wij een mooie verdienste. Soms hebben we ook eens een dag waarop we eerder kiezen voor het lugubere, om mensen een lesje te leren. In Taiwan hadden we ons plezier met een walvis van zo'n 45 ton. Het lijk lag rustig op een oplegger, dat kan je nu eenmaal van lijken verwachten. En toen de oplegger een drukke verkeersader doorkruiste, kozen we ervoor om het te laten exploderen. De hele omgeving zat onder walvisblubber en wij waren alvast verlekkerd op de uitkomst. Het zal ze leren om een dood dier door de stad rond te zeulen, laat dat dier toch gewoon rustig vergaan op het strand. Vandaag hebben we het op Marine gemunt. We weten dat op het moment dat de Pyrex-schaal zich door de voorruit zal boren, zij maar aan één ding zal denken. Het zal haar terugbrengen naar een donderdag zo’n dertig jaar geleden, toen ze met haar vader net een nieuw zwembad was gaan uitkiezen. Een dolle pret zou het worden in het grote zwembad dat haar ploeterbadje zou vervangen. Wij zagen al dat het zwembad nooit in het achtertuintje zou passen, en vonden het onze taak het zwembad daarom nooit op z’n bestemming te laten aankomen. Ook het kleine Renaultje R4 van haar vader was trouwens niet opgewassen tegen de grote verpakking en het kostte wel wat moeite om deze in het wagentje te proppen. Maar toch, na heel wat gesakker en gevloek kon haar vader vertrekken, weliswaar met de koffer open en slechts wat dichtgebonden met een touwtje dat hij nog ergens vond. Het zou maar een klein stukje A7 worden. Het liep allemaal goed tot wanneer haar vader het gaspedaal wat dieper indrukte. Marine zat op de achterbank en genoot van de wind die door haar haren speelde en deze tot een suikerspin lieten oprijzen. Ze kirde het uit. En toen gebeurde het, wij telden af tot op de seconde. Drie, twee, een. De kartonnen doos gleed uit de wagen en spatte open op het asfalt. De vrachtwagen die achter de auto hing kon niks meer ontwijken en de zware wielen vermorzelden het pakket. Marine’s vader werd lijkbleek en Marine schreeuwde als een klein varkentje dat naar de slachtbank werd geleid. Nooit zou ze het hem vergeven. Wisten wij dat er een woede zou ontsteken die enkel zou gestild worden door eten. Massa’s eten. Marine barstte uit haar voegen en pas toen haar vader stierf, verdween ook de woede en de zin naar eten. En net vandaag, nu ze op weg is naar de Weight Watchers-bijeenkomst en ze aan het dromen is van een overvloedige maaltijd om haar kleine triomf te vieren (die 10 kilogram is er eindelijk af!) sturen wij een schotel worsten door haar voorruit. Naast de meesters van het verrassingseffect zijn wij immers ook meesters van de ironie. (Geschreven na het lezen van volgende artikel 'Vliegende schotel met worsten knalt door voorruit van rijdende wagen' : https://www.hln.be/bizar/vliegende-schotel-met-worsten-knalt-door-voorruit-van-rijdende-wagen~ade227a6/)

Jolien Van de Velde
9 0
Tip

We sjokken voort

Bij de ontvangst zegt hij dat ik "in de tweede ring" kom te zitten, hij lacht er geringschattend bij, en barst uit in een rokershoest. De lantaarn bungelt aan zijn linkerhand, het schijnsel van het kaarslicht reflecteert op de natte, groene wanden van de grot. U wilt niet weten hoe het stinkt, ik ben wat gewend, maar deze dampen zijn niet uit te houden. Onze varkens schijten thijm en oleander, vergeleken met wat hier ligt.   Ik kan hem goed volgen, oude mensen lopen nooit snel. Maar hij loopt niet als andere oude mensen. Zijn rug is gekromd en hij hangt op de staf in zijn rechterhand, zover niets vreemds. Het vreemde is, dat het lijkt alsof hij zweeft. Onder zijn wapperende monnikspij zie ik geen voeten. En zijn pij is van een prima lengte, meestal zijn pijen: óf te kort, met knokige enkels gelijmd op vieze korsten in sandalen, óf te lang als een modderige zwabber. Zijn pij zit perfect, zoals van een abt die elk jaar een nieuwe koopt. Aan de snit kan ik niet herkennen, maar de eenvoud duidt erop dat hij lang geleden de pij heeft aangetrokken, het lijkt alsof hij een lange witte lap om zich heen heeft gedraaid, niets meer. Zwijgend waden we een half uur. Eindelijk durf ik  de vraag te stellen.   ‘We gingen toch met de boot?’ zeg ik.   Hij draait zich om, het kaarslicht schijnt hinderlijk in mijn ogen. Hij glimlacht vermoeid.   ‘Stomme Grieken,’ zegt hij. ‘Door dat kutverhaaltje geef ik al zestienhondereenenveerig jaar dezelfde uitleg. Het komt mijn neus uit, en bij mijn collega’s ook. Het duurt nog zevenhonderd jaar, maar ik kan niet wachten tot het cassettebandje bestaat of de USB stick.’   Blijkbaar tekent het onbegrip mijn gezicht, want hij lacht mij met een rochelende lach uit.    ‘En je hebt dat plakkaat aan de ingang ook niet gelezen hé?’ zegt hij ‘Leerplicht duurt ook nog een eeuw of zes. Stelletje analfabeten. Laatst had een vriend eindelijk iemand die wel kon lezen. En gelukkig geen kerktypje, ‘t was zo gezellig, dat hij die gozer een rondleiding heeft gegeven en teruggestuurd. En ja hoor: ik heb vandaag weer het intelect van de eeuw gescoord.’   Ik krijg aandrang, de hatelijke lach, het sarcasme, de groenbruine walm en dansende schaduwen op de muren spelen hun rol.   ‘Je gelooft in sprookjes,’ zegt hij. ‘Ik ben Charon niet, en de Styx is onzin.’ Hij zwiept met zijn lantaarn rond. ‘Dit is toch geen rivier of wel dan?’   Dat klopt, we sjokken door een wasemende drek.    ‘En denk je dat ik al die dooien in mijn uppie aankan?’ mompelt hij. ‘Sukkels zijn jullie, zonder intellect. Waarom krijg ik de snuiters zoals jij?’ Hij staat stil en kraakt zijn nek. Hij probeert met rechtere rug te lopen en vervolgt: ‘Tja, het blijft doormodderen, maar wat moet ik anders? Ik kan moeilijk al die eeuwen binnen blijven. Een beetje lichaamsbeweging houdt mijn stramme botten nog een beetje soepel. Fitness spullen komen ook pas over een paar eeuwen. En die paar minuten zon aan de ingang terwijl ik op de volgende wacht, maakt mijn week goed.’ We waden zwijgend verder, hij zakt weer in en leunt zwaarder op zijn stok. Het lijkt alsof we in kronkelige spiralen lopen, zo vaak slaan we de bocht om. Op mijn vraag hoelang nog, antwoord hij niet, noch op de vraag waar we precies naar toe gaan. Ik probeer het met algemenere termen: ‘Hemel, Hel?’   Hij haalt zijn schouders op.   'En God?’ probeer ik.   ‘Hou op!’ Ik bots bijna tegen hem op, we staan voor een hoge deur. Volgens mij moet iemand die deur elke dag poetsen zo glimt het eikenhout. Hij ziet mij kijken naar de letters boven de deur, lacht mij nog eens uit en trekt aan een rood koord. Een diepe gong klinkt.   ‘Je bent er jongen,’ zegt hij ten afscheid. Hij spuugt een groene rochel vlak voor mijn voeten, tikt twee keer met zijn staf op de grond en hij verdwijnt door een luikje onder hem, de geur van verse koffie dringt zich voorzichtig door de stank naar boven.    ‘He Virgie, ik ben terug,’ roept hij, iemand schreeuwt iets onverstaanbaars terug tot het luik sluit en ik in het donker achterblijf.  Tijd verstrijkt, de beginnende koffiegeur is lang uit mijn neusgaten verdwenen. Het lijkt een eeuw te duren tot de eikenhouten deur zich opent en een fel licht mij tegemoet schijnt. Een koude tocht, riekend naar oud zweet als een nimmer afgehaald bed, verdringt de stank. Dat muntje blijft in mijn zak.

MCH
106 3

Ontmoeting in de winter

                                                                                         foto: Michael Krahn De Gaume is een kleine gastvrije streek in het uiterste zuiden van Belgisch Luxemburg. De inwoners zijn er bijzonder hartelijk en hun karakters zijn zacht, net als het uitzonderlijke microklimaat. Hoelang is het geleden dat  ik hier voor het laatst kwam? Ik durf er niet aan denken. Met een groep vrienden verbleven wij in een hotelletje in het dorpje La Cuisine. Op wandelingen door de velden en bossen hoorden en zagen wij krekels, bergcicades en bidsprinkhanen en allerlei planten die normaal veel zuidelijker te vinden zijn. Veertig jaar later, ben ik in de herfst van mijn leven beland en kom ik hier op mijn eentje de kerstdagen doorbrengen. Hoe zacht ook de zomer is, zo koud kan de winter hier toeslaan, maar nooit hard. Al ligt over woud en akkers een sneeuwdekbed, de wind is hier nooit ijzig. Hoe heerlijk ook het vertoeven is bij de ronkende houtkachel, de witte pracht buiten het raam noopt mij tot een fikse wandeling in de natuur. “Om ter eerst bij die houtstapel”, hoor ik achter mij roepen. Een groep jongelui stuift mij voorbij op het besneeuwde bospad. Eén stoot mij aan, ik schuif weg maar net voor ik val voel ik dat zijn stevige armen mij vastklemmen en recht helpen.“Sorry”, zegt hij. Ik kijk in twee bezorgde ogen. Ze hebben een kleur die ik nog nooit zag, of komt het omdat ik voor het eerst zo diep in iemands ogen kijk? Ze zijn groen, blauw en bruin tegelijk en ze stralen.“Niet erg”, zeg ik: “ik heb het overleefd, dank zij jouw stevige armen.”Ik merk dat hij bloost. Hij lost zijn greep en even verlang ik dat hij mij vast zou houden, mij niet meer loslaten.“Bent u zeker dat alles ok is?”Zijn stem is laag maar jong en fluweelachtig, de perfecte radiostem. Waarom denk ik dit en waarom kan ik mij niet inhouden en zeg: “Weet u dat uw stemgeluid heel radiofonisch klinkt?”Hij glimlacht breed. Zijn tanden glinsteren in de zonnestralen die nu door de wolken breken en de witte sneeuwvacht rondom ons doet fonkelen.Er komt een wolkje adem uit zijn mond wanneer hij “Dank u.” zegt. Zijn vrienden roepen hem toe: “Jonathan, waar blijf je?”Met een “Nog een prettige wandeling”, rent hij naar zijn kameraden. Zij lopen verder. In hun gejoel hoor ik in de verte: “Jawel, een radiofonische stem…” Emoties overmannen mij, mijn hart bonkt, toch besef ik dat het niet van de inspanning is. Was het de confrontatie met deze jeugdige kracht, de siddering, niet van onbehagen maar van puur genot, die door mijn lijf voer? Waren het de stoere armen die mij opvingen en als in een omhelzing om mij sloten en mij staande hielden? Waren het die kleurrijke ogen, die mij zo zachtzinnig aankeken? Een laatste eekhoorn dropt een dennenappel uit een zilverspar. Onmerkbaar glijdt de winterzon naar de horizon en daalt in mij de stilte, die plots doorbroken wordt door geroezemoes. Uit een diepte naast het bospad duiken gedaantes op. Het is de bende jongelieden die net als ik op de terugweg zijn van hun wandeltocht. Ze lopen weer naast mij door en dan zie ik hem. Ik stop en enkele meters voor mij houdt ook hij halt, net of hij zich even wil verwijderen van het kabaal van zijn vrienden. Traag draait hij zich om en kijkt me strak in de ogen. Hij straalt rust uit. Dan hoor ik het fluweelzachte geluid: “Hebt u genoten? Heerlijk toch deze natuur. Nog een rustige nacht.” Hij stapt snel door. Ik kijk hem na en stamel binnensmonds: “Goede nacht, Jonathan.”

Vic de Bourg
49 5

't Leven begint bij 40...

Het gesprek wordt gevoerd tussen A een dame van 66 jaar en B een jonge man, leeftijd onbepaald.De dame zit op een kant  van een bank te genieten van het mooie weer. De jongeman komt aangereden met de fiets, stopt en komt op de andere kant van de bank zitten om wat te rusten en iets te drinken en eten. De dame heeft al wat levenservaring achter de rug, ze is eerder gevoelig van aard. De jongeman daarentegen is duidelijk rationeel ingesteld. Ze vertelt hem haar levensverhaal en hij reageert erop met  zijn eigen nuchtere kijk. A             Goeiemiddag !B             Goeiemiddag... A             Een 'goeie' middag, ja ! Want ik ben gelukkig ! Dat was niet 'altijd' zo, maar nu wel...B             Dat ken ik niet... 'Hoe komt het dat sommige mensen zo ongelukkig kunnen zijn?'  vraag ik      me wel eens af..A             Dat zit tussen je 2 oren hé.B             Dat zeggen ze ja.A             Ja, ik kan dat weten, ik heb een evolutie meegemaakt, dat kan ik je wel vertellen !B             Wil ik dat horen ?... Wil ik dat weten ?... (glimlachend)A             Toen ik nog jonger was, had ik de neiging om in depressie te gaan. Ik was véél te serieus, ik    wilde altijd alles weten 'waaróm ?'.  Ik maakte me over alles zorgen, altijd dubben en   denken... Ik was enorm verlegen ook... pfwoe... dát wil je niet weten !B             Wat dan wél ? A             Toen ik 35 was had ik een' totale inzinking'... B             Inzinking ?...A             Ja, nu noemen ze dat een 'burn-out'..                Ja, dat was het ! Een burn-out... helemaal uitgeput... geestelijk én lichamelijk...  B             Hoe kom je daar dan aan ? A             Overwerkt. Ik werkte 5 à 6 dagen in de week en deed nog overuren ook. Om mijn verdriet en              mijn miserie niet onder ogen te moeten zien. Ik was alleen met 2 jongens van 13 en 11 en                 mijn 2e relatie was ook al stukgelopen... B             Dan ga je toch gewoon verder ? Het leven gaat voort...A             Tja, maar dat was voor mij moeilijk hoor !... Ik heb maanden aan een stuk geslapen,.. en          geweend... slapen en wenen, dat was alles wat ik nog kon... B             Dat ken ik niet...A             Ik was ongelukkig, en ik dacht: "Ik ben nu onderweg naar mijn 40, ik zit zowat in de helft van mijn leven, en zie me nu hier liggen... " weet je ?...B             Euh, niet echt nee. Je had toch nog een heel nieuw leven te gaan ? .. zo zie ik het althans !A             Inderdaad, zo zie ik het nu ook. B             Waarom dan nu wél en toen niet ? A             Een nichtje van me belde en ze gaf me een 'gouden' tip ! Ze raadde me aan het boek van        Louise Hay te lezen, ken je dat ? "Je kunt je leven helen". En dat deed ik...  in één keer        uitgelezen, en meteen  aan de slag ermee ! Ik was zó enthousiast !...B             Zo maar, ineens ?A             Já ! Zóveel wijsheden stonden er in dat boek. Ik heb me toen zóveel gerealiseerd ! Ik ben veel             dingen helemaal anders gaan bekijken en begrijpen ! Een openbáring was het !B             Ik ken dat boek niet.A             Nee, jij zal dat ook niet nodig gehad hebben.B             Als jij het zegt.A             Ik dacht toen aan mijn grootvader, die zei vroeger dikwijls: 'Het is maar hoe je het bekijkt: je glas is half vol of het is half leeg !". Daar denk ik nog geregeld aan.B             Oh ja, het mijne half vol en het jouwe half leeg dan... A             Inderdaad ! En toen heb ik die klik gemaakt: positief denken ! En ik zei tegen mezelf:  "'Het     leven begint bij 40', zeggen ze. Dús, wat zit ik hier nu te mokken en te wenen en te zeuren en        ongelukkig te zijn ?... Het mooiste moet nog komen !"B             Oh ja ? en was dat zo ?...A             Ja, 't was waar ! Ik kreeg een nieuwe vriendenkring, nieuwe job, nieuwe man...  ik sloeg een                 nieuwe weg in en ik kwam tot leven !...B             Goed voor jou !A             Ja ! Enkele jaren daarna volgde ik nog een opleiding NLP en toen bloeide ik helemaal open,    zálig was dat !... B             Dat ken ik ja, mijn zus volgde die ook, die zag ik toen ook veranderen... open bloeien, ja.A             Ja ja... En toen werd ik 60...B             Oh, 60 al ?...A             Ja.  En toen kwam onze personeelsdirecteur binnen op kantoor, onverwacht en met een        ontroerende, héél warme verrassing... hmmm :-))) ... met een chique grote bloemekee !! "Jij      bent jarig vandaag ?!" zei hij en overhandigde mij die mooie bloemekee ! "Carolina, het leven              begint bij 60 hé, en ik kan het weten hoor ! Proficiat!" ...B             Hij kon dat weten ... ?A             Ja,... hij was 2 jaar eerder al 60 geworden... :-)B             Uiteraard ! (lachend)A             Hihi !... en ik dacht: 'Oké ! laat maar komen dan !...  :-)'B             En ?... A             Ik kan niet zeggen dat hij ongelijk heeft gehad. Ondertussen is er inderdaad nog wel een en ander op mijn pad gekomen... weer een nieuw weg ingeslagen !...                En toen werd ik 65... met pensioen, 1 januari 2020 ... !?...B             2020... jaja, dat was me het jaar wel...A             Ja, ......... ho !... wat een jaar !...                En dan kom je na een tijdje mensen tegen, weinig persoonlijk natuurlijk, meestal via                 Whatsapp, Facebook, of langs de telefoon... "Lang geleden hé.. en, hoe bevalt het je, met   pensioen zijn ? "... B             Ja, hoe bevalt het ?...A             Euh... ik zou het niet echt weten, eerlijk gezegd... Ja, nog niet goed en wel gestart en corona                 staat voor de deur...B             Tja, ..... A             ...en hier zit ik nu hé, wachtend,  ... op een bankje..........  ja...... (glimlachend)                Vól blijde verwachting ! Want het komt eraan, ik weet het !!!... haha...                Ik ben een laatbloeier, zei Jean-Pierre !.. ;-))

carolinaantonissen@hotmail.com
17 0
Tip

Torenperspectief

’11 maanden, zeven dagen, vier uur en acht minuten.’Otto’s blik dwaalt over de daken van Brugge. Een rood, wit en grijs gevlekte lappendeken besprenkeld met torenspitsen en schoorstenen. Hij hoort het raderwerk van de klok verspringen.’11 maanden, zeven dagen, vier uur en negen minuten.’Zijn handen rusten op de stenen balustrade. Vingers in de groeven van de uitgekerfde letters. De uitgehouwen pijltjes tonen hem in welke richting hij moet kijken om Oostkamp te zien. Of Ingelmunster. Maar Otto kijkt naar boven. Altijd. Elke zondagmiddag beklimt hij de trappen van het Belfort. De eerste maal met schrijnende longen en zware benen. Hij moest weg van het verdriet dat zijn voeten loodzwaar maakte. Daar hoog boven de stad voelde hij zich een paar gram lichter. Voor het eerst sinds de teller in zijn hoofd begon te lopen. Otto telt alles.‘Mijn persoonlijke chronometer’, grapte ze altijd.Negen minuten en elf seconden van de voordeur tot aan L’Estaminet. Veertien minuten en 32 seconden. Heen en weer naar de bakker voor een groot, rond, gesneden bruin brood. Zijn hoofd meet het onwillekeurig. Als een stopwatch die keer op keer gestart en afgedrukt werd. Het minste was goed genoeg om de seconden te laten wegtikken in zijn hoofd.‘Hoe lang deze keer?’, vroeg ze soms plagend terwijl ze hand in de zijne liet glijden. Ze wachtte zijn antwoord niet af en schudde lachend haar hoofd. ‘Gekke vent van me’, fluisterde ze en plantte een kus net onder zijn oor. Otto liet haar glimlachend begaan en telde. Elf seconden van plagen naar kussen. Daar boven in het Belfort telt de chronometer altijd luider. Hij voelt de seconden als hartslagen door zijn lijf dreunen. Een klein jaar geleden bleef de teller steken en sindsdien is er slechts ruimte voor één gedachte: ‘Kom terug, lief!’ Heel af en toe mag hij van zichzelf nog even denken aan die septembermaand. De nazomer lag loom en warm over de dagen heen. Otto zou het gras maaien. Een lam excuus om de hangmat te spannen tussen de tuinafsluiting en de boom. Hij lag gewichtloos te wiegen toen diep in huis een dof gerommel klonk. Het was de gil die hem uit de hangmat joeg. Hij vond haar onder aan de trap. Een stil en roerloos hoopje. Ogenschijnlijk intact, maar - zo vertelde de ambulancier geduldig - hopeloos vernield binnenin.Als mensen sterven, moet de dag zich in grijs hullen. Zij stierf in zijn armen terwijl de zon iedereen de pleinen en tuinen in lokte. Ze was zijn alles. Toen ze fluisterde ‘laat los, lieverd!’, liet ze hem alleen. Met die drie woorden nam ze al hun later met zich mee en plaatste een loodzware steen op zijn hart. In hem kolkte iets zwarts. Iets dat tegen woede aanschurkt en dat hem sindsdien trouw vergezelt bij elke stap. Een duif landt vlak naast zijn handen op de balustrade. De vogel hipt over de uitgekapte letters. Van Kortrijk naar Roubaix. Otto scheurt zijn blik los van de wolken en kijkt naar de groene glans die over de veren ligt. Zijn blik glijdt verder naar beneden. Op het marktplein wemelen mensen door elkaar.Op de bank zit een figuur in een rode jas. Een knalrode jas met zwart/witte strepen in de kap. Net zoals die jas die al meer dan elf maanden onaangeroerd aan de kapstok hangt. Hij leunt over de balustrade. Het figuurtje in de rode jas zwaait naar boven. Wappert onvermoeibaar met iets wits. De duif koert en vliegt op. Ze zeilt in een duikvlucht naar het standbeeld in het midden van de Markt en landt op Jan Breydels hoofd. Otto zijn voeten bewegen voor hij kan denken. Ze denderden de stenen trappen af. Met zijn linkerhand tegen de muur draait hij eindeloze rondjes die hem naar beneden brengen. Zijn voeten roffelen op de grijze uitgesleten stenen.‘Dat kan niet.’ herhaalt hij op het ritme van zijn stappen, maar tegelijkertijd verhoogt hij het tempo. Hij draait en draait. Verwilderd tuimelt hij het trapgat uit en rent naar de markt. Hij schiet voor de neus van paard en koets en slalomt tussen de toeristen het plein op.Zijn blik jaagt langs alle silhouetten, maar de rode jas is verdwenen. Al wat rest is een zee van grijze lijven met een bungelende camera rond de nek. Net voor hij zich wil omdraaien, springt iets wits in het oog. Op de zitbank wappert een papier. Het wit steekt fel af tegen het verroeste groen. Een steentje verhindert de wind om met het velletje aan de haal te gaan.Zonder vaart te minderen, knalt hij tegen de bank. Zijn hand beschermend over het stukje papier. De zwarte letters dwarrelen door elkaar. In de rechterbovenhoek is een klein hartje getekend. Hij knippert, haalt diep adem en concentreert zich op de drie woorden. ‘Laat los, lieverd.’ Er klikt iets in zijn borstkas. Een steen die tot stof verpulverd wordt. ‘Eén, twee, drie, vier seconden’ telt de stopwatch in zijn hoofd.

KiM
148 1

Beroemd

De auto stopte vlak naast me, bij de rand van het trottoir. Hij stond nog niet helemaal stil of het portier zwaaide open. Werktuiglijk zette ik een stap opzij. Een meisje wipte eruit en sprong voor mij. Ik bleef staan en draaide me naar haar toe. Een standaardmeisje. Make-up, gelakte nagels, hakjes. Achttien? Twintig? Ouder nog? Wie zal het zeggen. Al van hun twaalfde jaar zien ze er als dames uit.De man achter het stuur liet de motor draaien. Haar vader wellicht. Of lief. Ook dat valt met geen zekerheid meer uit te maken. Zo gauw ze achttien zijn, rijden ze in zo’n dikke Duitser. Ze plukte een vierkant boekje uit haar schoudertas.‘Mag ik een handtekening van u, mijnheer?’Een wolkje adem, een hoopvolle glimlach, glariënde ogen.Ze klapte het boekje open, een poëziealbum, en hield mij een balpen voor.Ik ritste mijn jas bovenaan wat open, schoof mijn hand in de linker binnenzak en toonde haar nadrukkelijk mijn vulpen. Die heb ik altijd bij me voor wanneer dergelijke gelegenheden zich voordoen. Het geeft gewicht aan de gebeurtenis. Ik glimlachte.Ze lachte ietwat verlegen terug. Zoveel plechtigheid had ze kennelijk niet verwacht.De man in de auto keek in de achteruitkijkspiegel naar de file die gestadig aan het groeien was, dan naar het meisje, of ze nog niet klaar was. Het was het uur dat iedereen naar huis wilde.‘Ik schrijf ook,’ zei ze. ‘Gedichten.’Ze hield het boek op de juiste bladzijde open. Ik schroefde bedachtzaam de vulpendop los.Achteraan in de sliert begon iemand te claxonneren. Dat was het onafgesproken sein om anderen tot een toeterconcert aan te zetten. Fietsers hielden verbaasd stil bij dat oorverdovende kabaal. Mensen met boodschappentassen en oudjes met rollator bleven staan gapen en vroegen zich af wat er aan de hand was. In enkele tellen vormde zich rondom ons heen een kring van nieuwsgierigen.‘Wilt u er iets bij schrijven, mijnheer? Voor Tanja of zoiets. Zo heet ik, Tanja.’Voor Tanja, met literaire groet, schreef ik en zette er met zwier mijn handtekening onder.Ook haar chauffeur begon nu driftig claxonstootjes te produceren om haar tot spoed aan te manen. Ik blies rustig en gewetensvol de inkt droog, kantelde de bladzijde wat naar het licht toe om zeker te zijn dat de inkt niet meer glansde en gaf haar het kleinood terug.'Dank u wel, mijnheer Grunberg,’ zei ze. Ze bekeek glunderend haar aanwinst en klapte het albumpje dicht. Terwijl de wagen al in beweging kwam en de stroom auto’s achter zich mee op gang trok, wipte ze erin en gooide me een kushandje toe.Het geloei van de claxons verstomde meteen. De fietsers hervatten hun weg. Het groepje mensen rondom mij loste zich op. De shoppers schoven weer verder langs de etalages. Weer iemand blij gemaakt.Ik schroefde de dop op mijn vulpen, schoof hem in mijn binnenzak en haakte hem vast aan de rand ervan. Mijn jas ritste ik tot boven toe dicht. Ik blies mijn handen warm, duwde mijn vuisten diep in de jaszakken en vervolgde mijn weg naar huis. Kan ik het helpen dat ik dezelfde bos kroeshaar heb als die beroemde schrijver? En een gelijksoortige bril draag? En dat ook ik, net als Arnon Grunberg, met een scheef mondje ben geboren? Al trekt het bij mij aan de linkse kant naar boven wanneer ik glimlach.

Esser
7 1