Zoeken

Het kerstkonijn

Miep was op weg naar de zwarte markt. Hoewel het bijna kerstmis was, was de sfeer op straat grimmig. Het was aardedonker en stil op straat. De weinig mensen die ze tegenkwam, plakten als schimmen tegen de gevels van de huizen. Ze hielden hun gezicht diep in hun kraag verborgen. Alsof ze bang waren betrapt te worden. ‘Maak het donker,’ hadden de Duitsers verordend. En het was donker geworden. Mieps man had, net als alle andere Nederlanders, hun ramen verduisterd. Met speciaal papier had hij ze afgeplakt tot er geen streepje licht meer naar buiten scheen. Het was pikdonker op straat. De donkerte zou de Engelse vliegeniers die het op de Duitsers hadden gemunt, op een dwaalspoor brengen. Zoals het licht van de sterren de wijzen had geleid naar het kindje Jezus. Miep sidderde bij de gedachte dat de Engelsen werden misleid. Ze keek naar de donkere, dreigende lucht. Vandaag zouden er vast geen Engelse vliegeniers boven de stad vliegen. Het was immers kerstmis. Niet iedereen was Hitler en had een hekel aan kerstmis. Als Jezus in deze tijd en in deze stad had geleefd, zat hij net als Anne en haar familie ondergedoken. Of misschien was hij vergast. Mieps hart kromp ineen. Ze wilde niet aan zulke gruwelijke dingen denken. Vanavond was het kerstmis. Ze  wilde de onderduikers trakteren op een heus kerstdiner. Die mensen verdienden het. Ze konden immers niet naar buiten. Anders had ze ze bij haar thuis uitgenodigd. Ze had gehoord dat er een man was die konijnen verkocht op de zwarte markt.  Ze was op weg naar hem toe. Ze keek goed uit bij elke stap die ze zette. Het had geregend en het was glad. De straatlantaarns stonden uit. De maan scheen dof alsof hij zich ook aan de strenge regels hield van de oorlog. Miep zag een paar stoute sterren die zich niets aantrokken van Hitler. Ze keek ernaar met een goed gevoel. Ook al gedroeg Hitler zich als een keizer, hij was nog geen God. Miep kreeg een akelig gevoel. Ach. Het was vast de opwinding van het komende kerstkonijn. Er was niks aan de hand. Wat kon er gebeuren op deze kerstavond? Een luchtaanval was uitgesloten. ‘Rustig doorlopen,’ sprak ze zichzelf de moed in. Ze zag het konijn al pruttelen in de pan. Ze kon de boter ruiken. Haar man had met clandestiene bonnen boter gekocht. Ze kon de boter al horen pruttelen. Ze moest  watertanden. Ze beeldde zich in hoe blij de onderduikers zouden zijn bij het zien van het kerstkonijn. Ze kreeg het warm van binnen. Liever had ze de schuilderds het goede nieuws gebracht dat  de oorlog bijna afgelopen was. Maar met een gebraden kerstkonijn kon ze ook wel afkomen. Sinds de arme mensen moesten schuilen, konden ze alleen maar dromen van een mals stukje vlees. Ze volgde de witgeverfde  stoepranden die als blinde geleide lijnen door de stad liepen. Om rustig te worden, telde ze de huisnummers af, die met klodders witte verf op de gevels waren aangebracht. Het meest vertrouwde ze nog op haar eigen geheugen. Ze was niet in Amsterdam geboren, maar ze woonde er al lang genoeg om bijna blindelings de weg te vinden. Ze was er bijna. Aan het einde van de straat moest ze rechtsaf. Dan nog tweehonderd meter tot het poortje. Wanneer je door het poortje liep, kwam je vanzelf op een klein pleintje. Verstopt achter de huizen. De perfecte plek voor een zwarte markt. Zwarte markt! Zelfs de naam was Duits. In het Nederlands zei je ‘sluikmarkt’. Ondanks dat het door de Duitsers ten strengste verboden was om voedselwaren te verkopen die niet op de bon waren, floreerde de zwarte markt. De prijzen waren niet mals!  Ineens trok iemand aan Mieps mouw. Ze schrok.  ‘Heeft u wat geld voor mij?’ Een broodmager kind in vodden keek haar met grote, diepe, koortsige ogen aan. ‘Ik heb zo’n honger.’ ‘Arm kind.’ Miep gaf haar een cent. Het kind liep schichtig door. ‘Zover zijn we gekomen! Dat zelfs onze eigen kinderen geen eten meer hebben. ‘Dan hebben de schuilerds het nog niet zo slecht. Al zou ik voor geen cent met ze willen ruilen,’ zuchtte ze. ‘Het kind liep vast in de buurt van de markt om iets te stelen! Iedereen was aan het stelen geslagen. De marktkramers op de zwarte markt waren geen haar beter dan dat arme meisje. Dat waren de grootste dieven.    Toen ze op de markt aankwam, liep ze naar de marktkramer die konijnenbouten verkocht.  ‘Een konijnenbout graag,’ vroeg ze snel voordat ze zich bedacht. De man glunderde. ‘Ze zijn heerlijk mals, mijn konijnenboutjes,’ zei hij met een sterk Amsterdams accent. ‘Hoeveel wilt u er?’ ‘Een is goed.’ Miep wees de middelste aan. De marktkramer pakte de konijnenbout.  ‘Dat wordt dan 20 gulden.’ Miep slikte. Twintig gulden! Daar ging haar weeksalaris. ‘Ok. Ik neem hem.’ Meneer Frank was de beste baas ter wereld. Ze pakte gauw twintig gulden uit haar portemonnee en betaalde de marktkramer zonder een seconde te twijfelen. De marktkramer scheen niet verbaasd te zijn over haar daadkracht.  ‘U krijgt er gratis een hart en niertje bij,’ zei hij vrolijk. ‘Van de kerstman!’ grinnikte hij. De oplichter! Snel pakte hij het hart en niertje voor haar die als bonus naast de konijnen lagen. Miep betaalde. Hij wenste hij haar een vrolijk kerstfeest toe. Snel liep Miep naar huis met het konijn en organen onder haar arm. Als ze het kind maar niet weer tegenkwam. Ze was platzak. Nadat ze het konijn gebraden had, schotelde ze haar poes het hart en de niertjes voor. Toen vertrok ze met haar man naar kantoor.  Anne was dolgelukkig toen ze aankwamen.  Ze snoof de koude lucht uit Mieps jas op. Alsof de koude buitenlucht het mooiste cadeau was dat ze ooit had gekregen. Ze hadden de tafel al gedekt.  Toen het konijn werd gebracht, begon iedereen te klappen. Zonder geluid te maken.   Het was een geslaagd kerstdiner. De schuilerds hadden koekjes gemaakt en twee taarten toe. Miep had van de collega’s cadeautjes meegenomen. Voor peter, Margot en Anne een flesje youghourt. Voor de volwassenen een flesje bier. Alles was  leuk ingepakt. En leuke plaatjes waren op de verschillende pakketten geplakt. Het was de eerste keer dat Anne kerstcadeau’s kreeg, vertelde ze opgewonden aan Miep. Haar ogen straalden. Wat was ze blij.  Terwijl ze van het konijn aten, kreeg iedereen weer hoop. Iedereen deed een wens. ‘Als ik vrij ben…’ begon iedereen zijn wens.  Het was alsof ze over een ander praatte. Alsof de vrijheid net als zij gevangen zat. Het was alsof ze vergeten waren wat het betekende om vrij te zijn. Margot en meneer van Daan wensten een heet bad als ze vrij zouden zijn, maar dan wel één waar ze langer dan een half uur in konden blijven liggen. Mevrouw van Daan, die dol was op snoepen, wilde het liefst weer taartjes gaan eten. ‘Deze taart smaakt anders voortreffelijk hoor,’ complimenteerde ze Anne’s moeder die van bonen en bloem een kerstkaart had gemaakt. ‘Voorschuilse taarten,’ grinnikte Anne’s moeder die heel goed begreep wat voor taarten mevrouw van Daan bedoelde, als ze zei dat ze taarten wilde gaan eten als ze weer vrij was. Annes moeder wenste voor zichzelf koffie. Die koffiesurogaat die ze elke dag dronken, was de naam koffie niet waard. De mannen, Anne’s vader, meneer van Daan en Peter wensten dat ze weer naar de stad gingen, naar de bioscoop. Meneer Dussel wenste zijn vrouw die niet Joods was, zo gauw mogelijk terug te zien. En Anne, ja wat wenste Anne eigenlijk? Het meest verlangde ze weer naar een eigen woning, zei ze schuchter. Naar haar poes Moortje die ze bij de buren hadden moeten achterlaten. Ze verlangde naar vrije beweging. Maar het meest van al wenste ze weer hulp bij huiswerk. Ze snakte om weer naar school te gaan. Na het eten ging iedereen slapen. Miep en haar man bleven slapen. Die nacht deed Miep geen oog dicht. Toen ze vroeg in de ochtend opstonden en afscheid namen van elkaar, was ze opgelucht als ze weer naar buiten kon. Ze moest er niet aan denken dat ze voor zo lange tijd opgesloten zou zitten. ‘Ik kan nog eerder zonder eten dan zonder lucht leven,’ zei ze tegen haar man toen ze weer op straat waren. Hij knikte. ‘Die arme mensen kunnen nooit naar buiten. Konden ze het raam maar open te zetten. Zelfs dat is te gevaarlijk,’ mompelde hij. ‘Het zijn mensen en niet alleen joden. Dat ze ons de hele tijd helpers, oorlogshelden noemen is zo aardig. Maar eigenlijk is het doodnormaal dat we deze lieve mensen helpen, vind je niet?’ Hij knikte weer, bang om zich heen kijkend alsof hij bang was dat iemand kon  horen wat ze zeiden. Maar er was niemand op straat. Ineens schoot er een zwarte poes over straat. Miep voelde de steen op haar maag toen ze aan Anne’s poes dacht die ze bij de buren hadden moeten achterlaten. Moortje heette ze omdat ze helemaal zwart was. Elke keer als iemand de poes ter sprake bracht, begonnen Anne’s ogen te glinsteren. Tranen rolden dan als een gevangen naar buiten. Ook vanavond hadden Anne's ogen gevaarlijk geglommen. Toen ze thuiskwamen, wachtte Miep een ongename verrassing.  Ze werd overvallen door misselijkheid. Ze voelde haar maag samentrekken. Ze had buikpijn. Misschien kwam het door het konijn? De kramp werd steeds feller. Misschien was haar maag het niet meer gewend om vlees te eten. Het konijn was ook een beetje taai geweest. Gelukkig was haar buikpijn ‘s avonds weer verdwenen.  De volgende dag liep het gerucht dat er katten werden verkocht op de zwarte markt. Als konijnen... Toen Miep dat hoorde, kromp ze ineen van ellende. Ze had zich nog nooit zo slecht gevoeld in haar leven. Wat voelde ze zich schuldig dat ze, ondanks dat de schuilerds nooit kerstmis vierden, toch perse kerstmis met hen had willen vieren. En ze waren haar nog wel zo dankbaar geweest. Ze voelde zich als een verrader. Wat haatte ze zichzelf dat ze perse zo'n goede christen wilde zijn.  

Margaretha Juta
0 0

Kerstdialoog

# SCENE 1VERTELLER: HET WAS EEN DONKERE DECEMBERAVOND. JEZUS WAS NET GEBOREN EN DE DRIE KONINGEN KWAMEN AANKLOPPEN, ZEIDEN "WE HEBBEN EEN PAKKETJE VOOR EEN ZEKERE JEZUS" EN TRAPTEN HET TOEN WEER AF. JOZEF WAS DE KONINGEN UIT AAN HET WUIVEN EN MARIA VOEDDE HET HEILIG KIND. THANS, DAT PROBEERDE ZE. JEZUS: MENS, JE ZIET TOCH DAT IK GENOEG HEB!MARIA: JOZEF ZEI DAT JE GOED MOEST ETEN.JEZUS: DAT BESLIS IK WEL. HAAL DIE TIET NU MAAR WEG.MARIA:  MAG IK JE VASTHOUDEN?JEZUS: NEE.MARIA: WIL JE EEN DEKENTJE?JEZUS: IS HET SATIJN? ANDERS NIET.MARIA: IK KAN JE DICHTER BIJ HET VUUR ZETTEN.JEZUS: NEE DANKJEWEL. DE HEILIGE GEEST ZAL ME WEL WARM HOUDEN. WAAR IS DIE OUWE NU? TOCH NIET MET- HEY! DA ZIJN WEL MIJN CADEAUS!MARIA: KIND TOCH, JE MAG WEL RESPECT TONEN!JEZUS: PARDON? IK BEN DE ZOON VAN GOD, TOON MIJ MAAR WAT RESPECT, ALS JE NAAR DE HEMEL WIL.MARIA: *HUILT* #SCENE 2VERTELLER: EEN VERWAANDE JEZUS LIET MARIA WENEN, EN ALGAUW KWAM JOZEF BINNENGEWANDELD MET ZO ZIJN EIGEN PROBLEMEN. JOZEF: O MARIA, WAAROM WEENT GIJ? EN BELANGRIJKER, WAT IN  DAVID'S NAAM IS MIRRE EIGENLIJK?MARIA: GEEN IDEE, ZET HET MAAR  MET DE ANDERE GIFTEN LANGS HET ZOUT.JOZEF: EN WAAR STAAT DIE?MIARIA: LANGS DE LAMSBOUTEN.JOZEF: EN WAAR STAAN DIE?JEZUS: KOMT HIJ TOCH NOG OPDAGEN, DE FARIZEEËR. DOE DE DEUR DICHT, JE BENT TOCH NIET IN EEN KERK GEBOREN?JOZEF: EXCUSEER MIJ, O HEILIG ROTKIND.JEZUS: AH, GAAN WE ZO BEGINNEN?VERTELLER: OP DAT MOMENT KWAM ER EEN ENGEL TEVOORSCHIJN. ZO UIT HET NIETS. ENGEL: MANNEKES!JOZEF: WIE IS DAT NU WEER? NOG ÉÉN ONUITGENODIGDE BEZOEKER, EN IK STAMP IEDEREEN MET ZIJN KLIKKEN EN KLAKKEN BUITEN. EN WAAR STAAN DIE VERDOMDE LAMSBOUTEN NU?ENGEL: DAAR! NAAST HET BLOEM. ZAL IK HET WEL MET EEN VINGERKNIP OP ZIJN PLAATS TOVEREN. MAAR NU BELANGRIJKER DINGEN. GOD IS AL DIEP TELEURGESTELD IN JOU, JEZUS. JE MOET HET GOEDE VOORBEELD GEVEN, NIET EEN TRUT UIT MY SWEET SIXTEEN UITHANGEN.JEZUS: WAAROM LAAT GOD ME GEBOREN WORDEN IN EEN STAL BIJ DIE TWEE FIGUREN? EN WAAROM KAN IK NIET MEE MET DE DRIE KONINGEN? DAT ZOU EEN RELIGIE STARTEN VEEL GEMAKKELIJKER MAKEN.ENGEL: WELKE DRIE KONINGEN? DIE MOET IK NET GEMIST HEBBEN.JOZEF: DIE MET HUN.. GAARNE ZOU IK HUN BESCHRIJVEN, MAAR IK BEN BANG DAT IK RACISTISCH OVERKOM.JEZUS: ZWIJG DAN MAAR.ENGEL: IK ZAG ALLEEN MAAR DRIE VERKLEDE KINDEREN.JEZUS: WAAROM HEBBEN ZE DAN GOUD, WIEROOK EN MIRRE MEEGEBRACHT?ENGEL: OH NEE.. VERTELLER: ER WERD OP DE DEUR GEKLOPT EN  EEN ROMEINSE SOLDAAT KWAM BINNENGEMARCHEERD. JOZEF: NOG IEMAND? NU IS HET GENOEG GEWEEST! VERTELLER: JOZEF GING MET EEN GEHEVEN BORSTEL RICHTING DE ROMEIN MAAR DE DIE TROK ZIJN ZWAARD. JOZEF BEGON SPONTAAN DE VLOER TE BOENEN EN FLOOT EEN DEUNTJE. ROMEIN: HEEFT IEMAND HIER MIJN GOUD, WIEROOK EN MIRRE GEZIEN? DRIE KINDEREN HADDEN HET GESTOLEN EN IK ZAG ZE NAAR HIER LOPEN.MARIA: DAT LIGT NAAST HET BLOEM. JOZEF, HAAL HET EENS.JOZEF: VERDOMME!ENGEL: OEI, DIE KOMT DRIEËNDERTIG JAAR TE VROEG.JEZUS: HELA! IK HEB DIE CADEAUS WEL GEKREGEN, ZE ZIJN VAN MIJ.ROMEIN: NU TERUGGEVEN, OF IK MAAK HIER IEDEREEN KAPOT!JEZUS: DOE DIE ANDERE MAAR KAPOT, EN BRENG ME NAAR JE LEIDER. IK BEN NAMELIJK DE ZOON VAN GOD.MARIA: NEE, NEEM HET KIND MAAR MEE, SAMEN MET JE SPULLEN. IK HEB VAN BEIDE GENOEG. HAD IK MAAR EEN DOCHTER GEKREGEN.JOZEF: WAAR LIGT HET BLOEM OOK ALWEER?ENGEL: EN NU IS HET GENOEG! IK KIJK ROND EN IK ZIE GEEN FAMILIE. IK ZIE GEEN GROEP MENSEN DAT ELKAAR STEUNT EN IN ELKAAR GELOOFT. IK ZIE EEN GROEP LUILAKKEN EN VERWENDE KINDEREN DAT VECHTEN. EN VOOR WAT?  IK BEN DIEP TELEURGESTELD IN JULLIE. GOD IS DIEP TELEURGESTELD IN JULLIE. CIAOKES BYEKES! #SCENE 3VERTELLER: ALLES WERD DONKER. EN TOEN JOZEF, MARIA EN JEZUS WEER WAKKER WERDEN, WAREN DE ENGEL EN DE ROMEIN VERDWENEN. NET ALS DE CADEAUS. NET ALS DE SOEP LANGS HET ZOUT.JEZUS: DAAR ZIJN WE DAN; GEEN HEMEL, GEEN CADEAUS, NIET GEZEGEND MAAR OPGESCHEEPT MET ELKAAR.MARIA: ZELFS DE SOEP IS WEG. HET IS ALLEMAAL MIJN SCHULD.JOZEF: ALS IK NU WIST WAAR HET ZOUT LAG WAS DIT NOOIT GEBEURD.JEZUS: NEE, HET IS EIGENLIJK MIJN SCHULD. ALS IK NIET ZO VERWAAND WAS GEWEEST..   VERTELLER: EN TOEN JEZUS DIE WOORDEN ZEI, KLIKTE ER IETS IN ZIJN HOOFD. HIJ WIST WAT HIJ OP AARDE DEED. EEN AARDIGE PRESTATIE, ZO EEN MOEILIJKE VRAAG AL OP JE GEBOORTE KUNNEN ANTWOORDEN. DE SPIRITUELE DOORBRAAK WAS HET EQUIVALENT VAN TIEN ZELFHULPBOEKEN EN EEN FOLDER OVER IKIGAI TOEPASSEN. JEZUS: HOE KAN IK HET TERUG GOED MAKEN? VERTELLER: TOEN BEDACHT MARIA DAT ZE DE ZOON VAN GOD HAD GEBAARD. EN DAT HIJ NAAR DE WERELD GESTUURD WAS, NIET OM TE LEIDEN, MAAR OM TE DIENEN. MARIA: JOZEF HEEFT ARTROSE, KUN JE HEM NIET GENEZEN?JEZUS: IK ZAL BIDDEN VOOR HEM.MARIA: EN IK HEB LAST VAN HAARUITVAL.JEZUS: GEEN ZORGEN DUTSKE, KOMT GOED.MARIA: EN DE EZEL, HIJ MANKT TEGENWOORDIG ZO ERG.JEZUS: ZEG, NU NIET GAAN OVERDRIJVEN! STRAKS MOET IK JE WATER NOG IN WIJN VERANDEREN! VERTELLER: JOZEF HAD DIE AVOND GEEN REVELATIE. ACH JA, DAAR HAD HIJ ZIJN THERAPEUT VOOR. VERTELLER: EN ZO GESCHIEDDE HET.  ALLE DRIE BELOOFDEN ZE SAMEN TE WERKEN. JEZUS WERD NEDERIG, MARIA NAM ALLES WAT MINDER PERSOONLIJK EN JOZEF LEERDE VERDER KIJKEN DAN ZIJN NEUS LANG WAS. TOEN ZE DE VOLGENDE OCHTEND WAKKER WERDEN EN JOZEF ZIJN SCHOENEN AAN WOU DOEN, VOELDE HIJ DAT ER IETS IN ZAT. JOZEF: WAT IS DAT NU WEER? VERTELLER: DE HEILIGE GEEST HAD EEN CADEAU GEZET IN ELK VAN HUN SCHOENEN. BIJ MARIA ZAT GOUD, BIJ JOZEF WIEROOK EN IN HET KLEINE SCHOENTJE VAN JEZUS ZAT DE MIRRE. MARIA: WE HEBBEN ONZE CADEAUS TERUG!JEZUS: NOG BETER, WE HEBBEN ELKAAR TERUG. JOZEF, ZET DIE CADEAUS MAAR LANGS HET BROOD! VERTELLER: EINDE  

Stelselmatig
17 0

The worker

Petra stond in diepe twijfel voor haar kleerkast. Het was maanden geleden dat ze nog naar kantoor was geweest. Een joggingbroek kwam vandaag niet in aanmerking. Het was al wat herfstig buiten en ze werd verwacht op een volle vergadering. Met ramen open en CO2 meter paraat. Was het felblauwe hemdje een optie? Ze moest laagjes voorzien. Als de stress kwam opsteken werd zelfs een vergaderzaal met open ramen te warm vandaag. Petra zuchtte. Ze was het niet meer gewend en had de dag voordien niets klaargelegd. Niet dat dat een oplossing was. Afhankelijk van de mood van de dag moest de outfit volgen. Ze had niet zoveel tijd meer en geen idee hoe het met de files was tegenwoordig. Morgen toch maar eens Waze installeren.  Zou ze de sneakers ruilen voor echte schoenen? Kon ze nog wel stappen met een hakje? Uitgaan was er ook al lang niet meer bij. Een enkel terrasje met een goede vriendin of uit eten met haar 2 uit huis wonende kinderen, dat was telkens fijn geweest.  OK de keuze was gemaakt. Een eenvoudig zwart topje, dat hoefde niemand te zien. Het felblauwe hemdje, een losse zwarte broek en een truitje erop. Zwart of blauw? Blauw vestje! Een jeans was ook mogelijk maar een ganse dag met een spannende jeans... daar moet ze terug op oefenen. Haar jeansvest stopte ze in een tasje, als reserve, tegen de kou. Dat voelde goed. De comfortzone van thuis moest een beetje mee naar kantoor verhuizen.   Ze zou een baguette bestellen. Heerlijk. Smos-kaas, een typische kantoorlunch en ze zou zich trakteren op een cola zero. Alles van de broodjeszaak vlakbij. Een banaan als tussendoortje moet dan maar volstaan. De kilo’s mochten er terug wat af of de kleerkast kon weer opnieuw gevuld worden binnenkort. En omdat het kantoordag was, zou ze een koffie extra nemen. Alleen al maar om aan de koffieautomaat te kunnen staan, de knopjes te lezen, kiezen, drukken en een gevulde beker warme drank te krijgen. De routine om een beker met logo te laten vollopen had ze gemist. Wie weet kwam ze daar wel een leuke collega tegen die het thuiswerken ook beu was.  Een beetje socializen kon geen kwaad. Maar liefst met de juiste outfit. De sneakers met mini sokje waren goed bevonden. Dat was makkelijk als ze de trappen nam naar de 2de verdieping. Lekker sportief.  Haar laptop had ze de avond voordien al in de tas gestoken. Kabel, check! Muis, check! Luidspreker, check! Hoofdtelefoon, check! Schriftje, pen, check! Het voelde als een eerste schooldag. Waren alle gordijnen open? Alle ramen toe? Oorbellen en horloge? Petra kon vertrekken. Laptoptas, handtas met badge en mondmasker, tas met truitje en sjaaltje, banaan. Ze sloot de beveiligingsdeur van haar flat in dubbel slot. Het piepte. Ze zou het eens moeten smeren. Als ze nu de sleutel omdraaide konden alle buren meegenieten. Geen tijd nu en straks zou ze wellicht te moe zijn en het klusje uitstellen tot het weekend. Ze had zo het vervangen van de siliconen rond het bad ook jaren uitgesteld. Dat was niet goed afgelopen. Het plafond van de benedenburen was naar beneden gekomen. Vochtproblemen en een lek onder haar bad. Ze had dan maar ineens de saaie witte tegels rond haar bad laten vervangen door blauwe mozaïek.  Petra reed haar auto de garage uit, 3 verdiepingen lager. Het was een frisse zonnige ochtend en de radio speelde ‘Take a parachute and jump’. Eén van haar favoriete nummers. Ze trommelde mee op haar stuur. De straten met zone 30 waren snel gepasseerd en ze kon vlot de autosnelweg op. Vrij. Eindelijk haar kot uit. De grot uit. Er verscheen een brede glimlach op haar gelaat. Ze zette het volume van de radio wat hoger en zong mee. ‘I’m on my own, I’m on my own and I’m feeling fine’. Na wat aanschuiven en rode lichten parkeerde ze vlotjes aan het kantoorgebouw. Waze was niet nodig geweest. Het was nog vroeg en waarschijnlijk waren er ook nog thuiswerkers dus parkeerplek genoeg. Haar badge opende de weg terug naar haar bureau, het oude vertrouwde kantoorlandschap.  ‘Hallo, goedemorgen, dat is lang geleden!’ De receptioniste was de eerste. Van achter haar toog lachte ze haar vriendelijk toe. Geen mondmasker, neen. Een glimlach. ‘Goedemorgen, Pia, dat is lang geleden...’ Petra wuifde even en ging de glazen deur door naar haar werkplek. Ze raakte de klink niet aan maar gaf handig met haar ellenboog de deur een duwtje. Het was een nieuwe gewoonte geworden. Aan het eiland zat Jean al te werken. Toen hij Petra zag zette hij zijn hoofdtelefoon af. ‘Goedemorgen, kom je ook terug hier werken? Bereid je maar al voor op veel lawaai. Het eiland hierachter was daarstraks precies al een ontbijtfeestje aan het geven.’ Hij rolde even met zijn ogen. Petra had geen zin in negativiteit. Ze wou er een fijne eerste werkdag terug op kantoor van maken. ‘Ach ja dat zal straks wel beteren als ze bijgepraat zijn. En ik zit vanaf negen uur in vergadering. De Nederlandse collega’s komen ook’. Petra installeerde haar laptop en begon de mailtjes te overzien. Haar GSM trilde.  ‘We zullen wat later zijn, file in Breda’, stuurde Jannes. ‘Ok, de koffie staat al klaar’, antwoordde Petra.  Daar begon het al. Videocalls begonnen stipt op de minuut. Echt vergaderen was organisch. Je had die fysieke dynamiek van bewegende lichamen. Mensen gaan naar de koffie, lopen naar het toilet en komen anderen tegen. Er zijn vertragingen en interacties. En ze staan in de file.  Dan maar eerst even langs de keuken dacht Petra. Het was er nog rustig. Enkel Martine van de administratie die even wuifde. De knopjes van de koffieautomaat blonken en deden haar twijfelen tussen espresso, cappuccino, koffie, chocomelk... Het werd koffie. Zwart. De machine pruttelde en spuwde de warme drank de firmabeker in.   Terug op haar plek keek ze wat onwennig rond. Wat verderop hoorde ze Carla over kaar ketodieet en de kilo’s die er af zijn. Haar vriend was er blij om, de kleedjes pasten beter, ze voelde zich als herboren. Lisa onderbrak haar met babyverhalen. Ze was enkele maanden geleden bevallen en haar kindje was voor het eerst naar de creche. Ze hield gedurig haar GSM in het oog. Ze gingen haar via berichtjes laten weten hoe het was met Mattis.  Petra ging alvast naar de vergaderruimte. Ze had nog geen mailtjes kunnen verwerken. Ze opende de ramen en zette zich aan het hoofd van de ruime tafel. Daar had ze een goed overzicht straks. Even rust en stilte. Ze nam de agenda door. Het softwareproject schoot goed op en de bugs werden snel opgelost. Maar er wachtte nog een lijst met todo’s. Vanuit het werkveld bleven de vragen naar verbeteringen komen en de performantie bleef onvoldoende. Hopelijk bracht Nederland de oplossingen mee.  ‘Hallo, hier zijn we dan, wat een lekker weertje vandaag hé, de ideale dag om terug met zijn allen rond de tafel te vergaderen, niet?’ Jannes viel olijk de zaal binnen. Yolanda, collega van Jannes, volgde hem en keek wat afwezig de zaal rond. Ze had een stijlvolle jurk aan met halfhoge botjes. Ze leken nieuw. Met hakjes. ‘Ja, leuk om jullie terug te zien. Hoe gaat het met jullie?’  ‘Nou prima, de kinderen gaan nu beide naar school en ik vind het fijn om terug naar kantoor te kunnen, jullie ook? ‘. Jannes was weer in goed humeur.  ‘Zeker, kom, we gaan eerst langs de koffie’. Petra vergezelde hen naar het keukentje. De botjes van Yolanda galmden in de hal bij elke stap. Ze was net iets langer dan Petra nu. De automaat was vrij en de bekers stonden proper in het witte keukenkastje. ‘Maak jullie keuze, kennen jullie het nog?’ Al grappend werden de bekers gevuld. Petra deed een stapje achteruit. Zo dicht op elkaar staan gaf haar een onwennig gevoel. Ondertussen was haar collega Maarten ook toegekomen. Het socializen ging naar een hoger niveau van decibels. Maarten deed zijn relaas over het laatste fietsweekend.  Petra ging alvast terug naar de zaal met haar koffie. Ze hoorde de anderen pratend tot in de vergaderzaal. Had ze toch niet beter wat langer blijven bijpraten? Netwerken? Maar ze had het verhaal al gehoord en over koersfietsen wist ze niets te vertellen. En er was een hele agenda af te werken. Ze was het drukke leven niet meer gewend. Thuis was het stil, was er rust, was ze alleen.   ‘Zullen we beginnen?’ Maarten en het gezelschap vielen de zaal binnen. Ieder vond een plekje en de laptops werden opengeklapt. ‘Punt 1 op de agenda...’ De dag soesde verder. De broodjes werden besteld.  Problemen werden omgezet tot acties. De koffie werd gedronken. De handen werden niet geschud. Dat was nog niet voor vandaag. De Nederlanders vertrokken weer. Terug de file in.  Petra had nog een korte meeting met haar nieuwe collega Marlies. In een videocall had ze al kort kennisgemaakt met haar. Marlies had toen mooie lange oorbellen gedragen. Oorbellen waarmee je naar een feestje gaat, zo vond Petra. Hoe kon je nou telefoneren terwijl die dingen aan je oor aan het wiebelen waren? ‘Hey dag Petra!’ Marlies viel de meeting room binnen.  ‘Dag Marlies’, leuk om je in het echt te ontmoeten’ lachte Petra. ‘Ja eindelijk zie ik eens een nieuwe collega in het echt.’ Haar haar was in een knotje en Petra’s blik ging weer naar de wiebelende hangers. ‘En vind je je weg al een beetje tussen al de folders en documenten?’ Petra wou Marlies onbevooroordeeld coachen in haar nieuwe job. Marlies had haar firmawagen al gekozen, een bureaustoel voor thuis afgehaald daarnet en haar verlof ingepland. Eén brok energie.  ‘Ja maar mijn verlof valt samen met een paar opleidingen dus die heb ik allemaal laten verzetten. Niets aan te doen, mijn vliegtuig is al geboekt...’.   'Naar waar ga je?’ Petra had geen keuze. Ze moest de vraag stellen. ‘Ik ga met mijn vriend een week naar Egypte, snorkelen’. Marlies straalde van oorbel tot oorbel.  ‘Oh heerlijk’. Petra probeerde enthousiast te klinken. Ze was zelf al twee jaar niet meer op vliegvakantie geweest. En toen was het wel een werkelijk toffe citytrip naar Wenen met een superlieve vriendin. Maar Egypte met je vriend was overtreffend. Na corona, na een scheiding, nog even zon en zee voor de winter eraan komt. Ze kreeg visioenen van hand in hand over het strand wandelen, van lange avonden aan een zeeterrasje met wijntjes, van zwoele nachten en een attente man aan een uitgebreid ontbijtbuffet.  ‘Ja, we willen er nog even tussenuit zonder kinderen’. Petra had geen zin om over haar eigen leven als single te vertellen, over de korte maar toffe wandelweekends in België, over haar kinderen die het huis uit waren, over haar grotgevoel. Marlies had betere plannen en betere oorbellen.   Na wat hyperlinks en powerpoints rondde Petra het infomoment af. Ze stapte haar auto in. Haar oren suisden. Haar nek zat lichtjes vast. Ze zette de radio aan en zapte van pop naar klassiek en terug. Ze vond geen passend nummer. Dan maar geen muziek. Het was al druk genoeg in haar hoofd. En op de baan. Terug in haar flat overviel de stilte haar. De leegte stond in tergend contrast met haar voorbije werkdag met al de gesprekken en verhalen. Ze schopte haar sneakers uit en trok een jogging aan. De zachtheid voelde rustgevend. Op haar terras was nog een restje zon. Ze zette zich en sloot haar ogen. De kraaien, de merels, ver hondengeblaf, ze was thuis. Gelukkig had ze geen plannen vanavond. Ze was het gewend om haar hoofd bij zichzelf tot rust te laten komen. Lange tijd miste ze het ventileren na de werkdag. Nu liet ze haar gedachten maar wat tollen. Ze stopten vanzelf ook wel. Morgen was het thuiswerkdag. Dan kon ze snel tussendoor wat opruimen, een klein wasje draaien en ‘s avonds met de vriendinnen gaan zwemmen en bijbabbelen in het bubbelbad. Morgen zou ventileren wel nodig zijn. Ze had een one to one met haar nieuwe jonge leidinggevende, Linda. Een videocall. Petra zou haar pokerface opzetten. Dat had ze ondertussen goed onder de knie. Elke frons wordt expliciet op het scherm waar je hoofd uitvergroot de ander toespreekt. En Linda bewaakte elke grimas. Een burnouter in haar team was als een persoonlijke afgang. Ze zou nog liever iedereen een weekje preventief ziek naar huis sturen. Zou dat aangeleerd worden in de dure cursussen rond coaching? Petra zuchtte. Met de nieuwe spotify list motiveerde ze zichzelf tot actie. Na een snelle maaltijd legde ze zich in de chaise-longue voor het zeven uur nieuws.  ‘De coronacijfers gaan de verkeerde kant uit. Telewerk wordt weer sterk aanbevolen…’  Mocht ze terug haar grot in? Of was het moeten? Mocht ze terug in haar werkkamer wegkruipen en gesprekken met zichzelf voeren aan de koffie?   Mag de dagelijkse joggingbroek terug aan? Liep er niemand met irritante hakjes meer naast haar? Waren sneakers en Birckenstocks terug goed genoeg? Kon ze tijdens de lunch weer op haar zonneterrasje picknicken? Of in stilte de herfstkleuren in het park bekijken op de middag?  Een half uurtje langer slapen? Zou ze mensen terug missen?   Ze checkte haar werkmail. Ook de werkgever raadde het telewerk terug aan.  Petra vroeg zich af hoelang deze golf weer zou duren. Deze keer zou ze het toch anders aanpakken. Zwemmen moest blijven, liefst elke week. Wandelen zou terug een topactiviteit worden, elk weekend, weer of geen weer, met vriendinnen of met een groep mee. En ze zou elke dag na het werk buiten gaan. Even naar de supermarkt of de bakker om de hoek. De break met de werkdag moest duidelijker worden.   Haar favoriete Netflix serie nam haar mee naar een andere realiteit en naar het einde van de dag. Terug naar het land van de stilte. Geen botjes met hakjes, geen oorbellen.  De wekker kon alvast een half uur later. Slaap wel wereld vol tegenstellingen. Het bed met dons dekte haar warm en zacht toe. Het rolluik bewaakte de grens tussen haar en de buitenwereld vol prikkels. Petra soesde weg, de veilige nacht in.  In een droom zag ze een grot met welkom-bord boven, de toegang was vrij, er brandde een gezellig vuur. Nieuwsgierig liep ze binnen. ‘Hallo is daar iemand?’ Ze hoorde enkel de echo van haar eigen stem. Ze legde zich naast het vuurtje. Zouden hier nog grotten zijn? Morgen zou ze op ontdekking gaan.   

Lumes
55 3

Etwas Herzhaftes ...

Mijn volgende stop op mijn vakantie terugreis wordt Zweibrücken of all places in het Rijnland-Palts. Wat in mijn geboortestreek de ‘Zwarte Beek’ genoemd wordt, heet hier simpelweg de ‘Schwarzbach’. Toen ik jaren geleden een Duitse nachbarin had was ik verwonderd hoeveel Nederlandse woorden verstaanbaar blijken als je er een Duitse draai aan geeft. Behalve toen Helga ooit zei “Damit komm ich schon klar”, kreeg ik het even moeilijk om uit te leggen hoezeer die uitdrukking op mijn lachspieren werkte. In een kaffeehaus bestel ik een koffie. Aan een tafeltje zitten twee koppels van net over middelbare leeftijd uitbundig mee te zingen met Vico Torriani op de lokale radiozender : “In einer kleinen Konditorei, da saßen wir zwei bei Kuchen und Tee. Du sprachst kein Wort, kein einziges Wort und wusstest sofort dass ich dich versteh…“  Het wordt mij te uitbundig en luid en ik zoek heil op het aanpalend ruime terras. Iets verder van mij zitten twee exemplaren van de plaatselijke jeugd, nu ja plaatselijk. Hij kan zijn Arische roots niet verloochenen: groot, blonde haardos en blauwe ogen. Zij is een Zuiders type met halflange golvende ravenzwarte haren, een lichtbruine huid en donkere ogen.Er worden geen woorden uitgewisseld, maar dat lijkt om heel andere redenen dan in het liedje. Zij kijken ieder verbeten een andere kant op.  Binnen wordt op de Rundfunk een andere plaat opgelegd en op de achtergrond weerklinkt nu ‘Love hurts’.  Op dat ogenblik bemerk ik de elektriciteitskast op het plein met de graffiti ‘The Love, the Pain’. Toeval bestaat.Zijn lederen vest, smaakvolle merkkledij en dure schoenen verraden een gegoede afkomst. Een schril contrast met haar ietwat kitscherige grote ronde oorbellen en bonte, zwierige kledij.  Ze doet mij denken aan de Gitanes, die elk jaar op bedevaart trekken naar Saintes-maries-de-la-mer. Ze heeft ook iets van die wilde paarden in de Camarguestreek, want plots staat ze bruusk op en loopt op haar knalgele hoge hakken het etablissement binnen. De jongeman schudt het hoofd en verdiept zich in zijn iPhone.   Even later komt de Spaanse furie terug naar buiten. Ze blijft recht staan met beide handen op het terrastafeltje en kijkt haar tafelgenoot strak in de ogen: “Nein, Jurgen, kein Perro, niemals!”Hij heeft duidelijk iets opgezocht en toont haar nu iets op zijn telefoon: “Sieh nur, wie lieb er hier ist.” Zij blijkt niet te vermurwen: “Jurgen, ich habe dich und das ist genug. Ich will kein Hund!” “Bitte, Viola”, Jurgen doet teken om naast hem te komen zitten. Hij wil haar blijkbaar nog meer foto’s tonen op zijn gsm.Viola houdt voet bij stuk, ritst haar handtasje van de tafel en snelt weg. Als ze voorbij mijn tafel komt hoor ik hoe ze luid in zichzelf praat: “¿Un perro?de ninguna manera!”Dus toch Spaans, denk ik. Duidelijk verslagen zit Jurgen aan het tafeltje waarop zijn iPhone ligt. Met zijn rechterhand lijkt hij het scherm te aaien. Even overweeg ik om hem een drankje aan te bieden, iets stevigs.

Vic de Bourg
6 0

Heerser van de peristaltiek

Ooit duwde ik me tijdens La Festa di Sant Agata door de Catanese straten. Ik was toen bewust aanwezig, dat wel, maar dat het dit, ginds o zo belangrijke, feest was, wist ik op dat moment niet. Zo kwam het dat ik me in een massa bevond, waardoor ik nu steevast smalend reageer wanneer men een groep mensen een massa noemt: ‘Ge weet niet waarover ge spreekt! Tien man of wat?’Zowat alle Siciliaanse lichaamsdelen, en wat ze kunnen dragen, werkten mijn bewegingen tegen en dwongen me mee te doen met hun ritueel. Alle Catanesi, jong en oud wierpen, huilend met witte zakdoeken, kusgebaren naar hun beschermheilige die op een immense, vergulde troon zat. Enkele tientallen mannen in witte pijen torsten het gevaarte voet voor voet door de stad. Wie goede oren had, kon de ruggenwervels van de mannen horen knarsen en kraken. Niemand hoorde dat. Rond de troon, nog steeds op het gevaarte, liepen andere witte mannen. Zij deelden kaarsen uit of namen er in ontvangst. Dat kaarsenverkeer heb ik nooit kunnen ontcijferen. De dag nadien had ik de processie alleen kunnen afwerken door het gele kaarsvet op de donkere straatstenen te volgen. Ik deed het niet.Intussen schoof ik een halve meter op. Ik voelde me dat taai stuk vlees dat ik als kind toch maar mijn slokdarm in moest jagen. Door de samenwerking aan kring- en lengtespieren hebben de stukken zich al die jaren peristaltisch naar beneden kunnen werken. In Catanië waren de inwoners de kringspieren en was ik de enige lengtespier die alles uit de kast haalde om toch maar vooruit te geraken. Ik wilde weg, een rustige straat inslaan en een museum bezoeken. Wie wil er nu cultuur opdoen door er middenin te staan? Het lukte. Ik bleek sterker dan zij die bescherming zochten bij een corpulente dame op een troon, die slechts één keer per jaar uit haar kathedraal kwam. Ze zouden míj moeten vereren, verdomme, heerser van de peristaltiek. We zouden kunnen afspreken dat ik jaarlijks twee keer door hun straten wandel. Of zet me maar op de troon van de witte mannen, het zal hun ruggen en schouders goed doen.

de amechtige specht
41 0

Afscheid van de vlinder

Op een mooie lentemorgen in mei, zat de vlinder op de tak van de berkenboom. “Dag vlinder!”, zei de eekhoorn. “Wat ben jij er al vroeg, vandaag!” “Ja,”, zei de vlinder, “dat komt omdat ik wegga vandaag.” Met grote ogen keek de eekhoorn de vlinder aan. “Hoezo, weg?” De vlinder sprong wat dichterbij. “Ja, weg! Is dat zo vreemd misschien?” De eekhoorn dacht na, hij was nog nooit weg geweest. Misschien was het inderdaad niet zo vreemd. “Maar, waar is weg dan?”, vroeg hij. De vlinder dacht even na. “Weg, dat is voor iedereen op een andere plek. Voor een ooievaar is weg veel verder dan voor een kleine mus. Maar weg is altijd verder dan thuis.” De eekhoorn keek de vlinder aan en dacht na. Waar zou weg voor hem zijn? Misschien aan de andere kant van het grote berkenbos? Of nog veel verder, over de heuvel, achter de horizon of daar waar de zon ondergaat? De eekhoorn begreep wel dat hij de vlinder dan niet meer zo vaak zou zien! “En waarom ga je dan weg?”, vroeg hij. “Enkele dagen geleden, was ik nog een rups,”, zei de vlinder. “Toen ik nog een rups was, kon ik enkel kruipen zo ver ik kon. Nu heb ik vleugels en kan ik vliegen zover als ik wil! Niets houdt me nog tegen om mijn vleugels uit te spreiden en weg te vliegen. Het is tijd voor mij om een andere richting uit te vliegen!” “Maar ga ik je dan nog eens zien?”, vroeg de eekhoorn en hij keek de vlinder met grote ogen aan. Hij dacht aan al die keren dat ze samen waren. De eekhoorn en de vlinder konden uren samen doorbrengen, zonder zich te vervelen of ruzie te maken. De ene dag keken ze samen naar de zonsondergang of aten ze samen nootjes en blaadjes. “Weggaan is niet voor altijd,”, zei de vlinder.  “Want weggaan is geen afscheid. Als je weggaat, kan je altijd nog eens terugkomen. Als je weggaat, zal je altijd ergens vertrekken. Maar waar ik vertrek, bij jou, weet ik, dat ik altijd welkom zal zijn.” En zo zaten ze samen, in stilte, en keken naar de zon die boven de toppen van de berkenbomen uitkwam en het hele bos vulde met een schitterend wit licht.

IngridB
164 1

De val

De hitte schoof twee ongemakkelijke ligstoelen de schaduw in en duwde ons bruusk achterover. We lieten begaan, bliezen de laatste autolucht onze lijven uit en waren het eens; voor ons lag een landschap dat we lang niet meer hadden gezien. Ik zag het voor het laatst op een schilderij van Pieter Bruegel de Oude dat ooit de achtergrond was op mijn computer: de zon stond hoog en bleekte het meer onder het hemelsblauw zodat een verlaten rotseiland onafwendbaar leek voor het schip met bolle zeilen. Ik besefte dat enkel dat laatste ontbrak toen Sofia besloot de sleutel van ons logement op te halen bij de eigenares. De vakantie kon voor haar niet snel genoeg starten. Ze is altijd ondernemender geweest dan ik, zij had deze trip uitgestippeld, ik keurde goed. We zaten hoog. Het pad naar het water slingerde tussen rotsen en olijfbomen naar beneden en het kostte ons minstens een halfuur voor we onze schoenen in de hand konden nemen. Naast het bruisende water, voeten soms diep in het zand, hervatten we het gesprek van eerder die dag toen we ons vakantiedorp naderden. Hoe zou ons leven er hebben uitgezien, moesten wij hier zijn opgegroeid? Zouden we meeroesten met de straatlantaarns van het Place de Victor Hugo? Of zouden we vleugels aanbinden en vluchten naar de stad verderop? Thuis hadden we ons die vraag nooit hoeven stellen omdat we in een kleine stad woonden. Het was tevens een dorp waar we rust en activiteit vonden zonder moeite te doen; wilden we avontuur dan maakten we het laat op café en fietsten we op de tast weer naar huis, wilden we rust was het bos altijd nabij of maakten we het minder laat op café. Waar je ook gaat, stad of dorp, roest je niet overal? Misschien is het louter een kwestie te kiezen hoe je dat doet; snel of traag, weelderig of gematigd, intens of oppervlakkig. Als je al de keuze hebt. Sofia vertelde me dat de eigenares best aardig was, al had ze verbaasd gereageerd op de vraag wat er voor jongvolwassenen zoal te doen was in de buurt. Ik wist dat Sofia de bewoners van het dorp bedoelde en dat ze antwoorden zocht op onze vragen: Wat houdt de jongeren hier? Komen ze na hun studies terug naar huis of blijven ze in de stad? De vrouw had drie tellen voor zich uit gestaard voor ze antwoordde: ‘Bevalt het u hier dan niet?’ Het aangelegde strand maakte snel plaats voor een welig kronkelend rotspad dat almaar op en af ging, twijfelend tussen water en lucht. Enkele meter hogerop bewerkte een boer zijn grond. De man droeg een strohoed met brede rand, zweet parelde op zijn verweerde onderrug. Nadat hij ons opmerkte snoof hij ander vocht weer naar binnen en richtte zich gehaast terug op zijn werk. Mijn onzekere maar oprechte knik ging volledig naar zijn achterste, Sofia merkte dit op en gniffelde.  Wat verderop besloten we terug te keren en waren we opgelucht toen we opnieuw wegzakten in het mulle zand aan de rand van het kleine strand. Óns strand, want deze strook behoorde tot het domein van het hoger gelegen vakantiehuis dat tien dagen het onze zou zijn. Ik keek nog even achterom toen Sofia het halfuur bergop aanvatte. De zon was op haar beurt aan de terugweg begonnen en zou binnen enkele uren het water raken. Een visarend plooide zijn vleugels en bad voor zijn val.      

de amechtige specht
31 1

Weerborstel

Nu weet ik het zeker. Die ogen zijn de mijne, de manier waarop hij zijn brilletje schoonveegt aan zijn trui en weer opzet ook. Maandag had ik nog getwijfeld toen ik iets voor vieren de school passeerde en hij mijn pad kruiste. Het was alsof ik recht in de ogen van mijn tienjarige zelf keek. Ik wou zeker zijn. De kans leek me te klein. Dinsdag lummelde ik op hetzelfde tijdstip rond op dezelfde plaats. De jongen sleepte een donkerblauwe sporttas achter zich aan, zijn rugzak bengelde over één schouder. Zijn haar was niet blond als het mijne, maar vormde wel dezelfde gekke kuif achterop zijn kruin. Een weerborstel, zoals mijn moeder het vroeger noemde. Zonder me aan te kijken wandelde hij langs me heen, bleef even staan voor een achtergebleven colablikje, trapte er dan toch niet tegen en sloeg rechtsaf. Vanmiddag volg ik hem dat straatje in, tot bij hem thuis. Meer dan honderd meter moet hij niet in zijn eentje afleggen vanaf de schoolpoort. Hij heeft een eigen sleutel en gaat op de tippen van zijn tenen staan om de voordeur van het rijtjeshuis te openen. Een paar keer loop ik terug naar de straat waar de school ligt en weer naar het huis. Ik wil weten hoe de moeder eruitziet, en of er een vader is. Tien jaar, zolang is het zeker al geleden. Ik weet niet meer hoe vaak ik in dat kleine kamertje vertoefd heb en hoelang er telkens tussen twee bezoekjes zat. Ik herinner me vooral de frisse geur van de matrasbeschermer op het bed, de gordijnen die altijd dichtgeschoven waren en de opwinding wanneer de roodharige verpleegster me achterliet met het potje in mijn hand, de deur achter me sloot en het bordje met ‘BEZET’ omsloeg. Ik had er wat voor over. Voor elke donatie mocht ik vijf dagen geen zaadlozing hebben. De onkostenvergoeding was de moeite niet waard. En toch evenaarde niets die opwinding. De boekjes in de kamer waren elke keer dezelfde, maar op de televisie was telkens iets nieuws te zien. Geen gebabbel, enkel lijven die over elkaar heen glijden. Ik zonk weg in de matras en ging aan de slag. Zoveel jaar later voel ik die rilling weer.  Tegen valavond heb ik geluk. Een slanke vrouw met dezelfde kastanjebruine lokken als de jongen komt naar buiten. Ze steekt haar haren op in een dot terwijl het jongetje zich in rubberen laarsjes wurmt. De moeder draagt stevige stapschoenen. Ze trekt de voordeur achter zich dicht en legt haar hand op het hoofd van de jongen. Samen verdwijnen ze in de richting van het bosje aan het eind van de straat. Wanneer ze terugkomen, heeft het kind zijn handen vol met bladeren. Bruin, geel, rood, oranje.  Ik moet vindingrijk uit de hoek komen. ‘Hallo, is mijn pakje toevallig hier bezorgd?’ vraag ik meteen wanneer de deur openzwaait en ik recht in die koffiebruine ogen staar. Ik zwaai met een papiertje dat ik onderin mijn jaszak heb gevonden. Wat daarop staat weet ik niet eens. ‘Ik kreeg zo’n briefje in de bus dat het bij de buren was afgegeven, maar ik heb geen idee bij wie dan.’‘Oei, hier is bij mijn weten niks toegekomen,’ hoor ik de vrouw zeggen terwijl de jongen achter haar komt piepen. Ik zwaai naar hem. ‘Dag grote jongen!’ Verschrikt duikt hij weg in de woonkamer. ‘Hoe heet hij?’ vraag ik zonder de moeder aan te kijken. ‘Oscar,’ antwoordt ze voor ik alweer verder leuter. ‘Hij heeft het haar van z’n mama. Maar die felblauwe kijkers, die moet hij toch ergens anders vandaan hebben.’ De vrouw veegt haar handen af aan haar okergele jurk. ‘Sorry, we moeten nog ergens naartoe. Uw pakje is hier niet toegekomen, het spijt me.’ Donderdag haalt ze haar zoontje op aan de schoolpoort. Ze draagt dezelfde jurk als gisteren met daarover een bordeaux jasje. Tussen de andere ouders, die allemaal in het grijs of donkerblauw gekleed zijn, herken ik haar meteen vanop mijn plaats aan de overkant van de straat. Ik doe alsof ik aan het telefoneren ben en hou hen intussen in de gaten tot ze uit het zicht verdwijnen. Een halve meter voor haar uit holt het jongetje naar huis. Ik vraag me af of ik ook voor de naam Oscar zou gekozen hebben als het kind echt van mij was geweest.  Ik moet eruitzien als een buurtbewoner. Soms kijk ik niets eens op wanneer ik hen passeer op straat, druk mijn sleutels zoekend in mijn jaszakken of bellend zonder iemand aan de andere kant van de lijn. Dan merk ik hen op het laatste moment toch op en zwaai hartelijk. Ik moet weten of zij alleen is of een suffe echtgenoot heeft, zo’n kalende met een bierbuik die de hele dag voor televisie hangt. ’s Ochtends zijn de gordijnen open en kan ik binnenkijken in huis, als ik traag genoeg voorbijwandel en op het juiste moment mijn hoofd draai. Oscar is een boekje aan het lezen, zijn mama staat boterhammen te smeren aan de eettafel. Geen papa te bekennen. Ik verschuil me om de hoek van de straat en wacht tot moeder en zoon naar buiten komen en naar school wandelen. Mijn neus heeft hij niet, wel mijn oorlellen. Hij slentert met zijn handen achter zijn rug, de blik op de grond gericht, net zoals ik zo vaak op die leeftijd. Ik beeld me in dat hij plots begint te groeien tot hij zo groot is als ik en me recht in de ogen kijkt, of dat ik op straat plots omringd ben door honderden Oscars die uit alle deuren naar buiten stromen.  Woensdagmiddag volg ik Oscar opnieuw tot hij thuis naar binnen glipt. Voor de gevel staat een fiets die ik nog niet heb gezien. De voordeur zwaait open, een vrouw komt naar buiten en plaatst de fiets in de hal. Het is niet de moeder. Deze heeft rode krullen. Ik ga op het huis af en bel aan. Wanneer ik de groene ogen van de vrouw zie, weet ik het meteen. Ik ruik weer de matrasbeschermer, hoor het bordje met ‘BEZET’ omslaan, zie de video’s op het televisiescherm waarvan de klank is uitgeschakeld. ‘Hallo ik vroeg me af of u een goed doel zou willen steunen misschien,’ krijg ik er nog net uit. Even zegt de vrouw niets. ‘Ik ben verpleegster, ik steun elke dag een goed doel,’ hoor ik haar dan antwoorden. ‘Het spijt me, we hebben niet zoveel geld over om weg te schenken.’Dan glijdt haar blik naar mijn ogen. ‘Maar ik ken u toch ergens van?’ vraagt ze. Ik frons mijn wenkbrauwen en staar naar de stoep. ‘Is dat zo?’‘Ben jij ooit patiënt geweest bij mij?’‘Ik heb nog nooit in het ziekenhuis gelegen. Toch niet sinds mijn geboorte.’ Ik probeer weg te lopen maar blijf op mijn plaats staan. Nu steekt ze haar wijsvinger naar me uit. ‘Vroeger, toen ik nog in het fertiliteitscentrum werkte. Daar kwam jij toch?’ Ze lacht haar tanden bloot. ‘Da’s meer dan tien jaar geleden.’De deur die de woonkamer van de hal scheidt zwaait langzaam open. Oscar en zijn mama komen de hal binnen. Ik kijk naar de jongen met het brilletje en de weerborstel, de vrouw met de kastanjebruine haren, de andere vrouw met de vuurrode krullen.  ‘Dan ga ik maar eens naar het volgende huis. Misschien heb ik daar meer geluk,’ stotter ik. ‘Tot… tot ziens.’Ik draai me om en wacht tot de deur achter me dichtslaat, maar het blijft stil in de straat.

Felix Sandon
15 0

De kleine van ‘t café

Pa is vaak van huis, maar niet vaak genoeg. Elke keer als hij thuiskomt, zit ons ma direct vol. En als hij daarmee klaar is, begint hij te zuipen en slaat hij op alles en iedereen die hij tegenkomt. Behalve op de klanten, dat mag niet van ons ma.     Ons ma zegt dat een echte cafémadam al haar klanten onder tafel moet kunnen drinken. Als ze zwanger is, drinkt ze geen druppel minder. De kleine kan er beter al aan wennen, zegt ze dan. Ze is echt een heel goede cafémadam. Door al dat zuipen zijn er vier kinderen doodgeboren en dat was met ons Leslie beter ook gebeurd. Debiel, achterlijk, te stom om te helpen donderen of ooit haar eigen geld te verdienen. Ze zal altijd een blok aan ons been zijn en ze is te lelijk om een hoer te zijn. Geen mens die daar geld voor geeft. Zelfs in het café is er niemand die eens wilt.     Bij mij heeft mijn moeder juist genoeg gezopen: ik ben te slim voor een gesticht en te dom voor een goeie job. De vuilkar zou ik willen doen, maar daar nemen ze geen Vandoorens aan, nadat onze Davy de opzichter een paar tanden uit zijn muil heeft geklopt. In het containerpark heeft onze Michaël een van de andere werkgasten zijn neus gebroken. Bij de groendienst kwam onze Dennis toe met zijn thermos vol whisky. Dat ging, totdat hij met de camionette in de gracht is gesukkeld. De garagist heeft ruzie met onze pa en alle cafés zijn concurrentie. In de schone magazijnen willen ze enkel ‘deftig’ volk en voor proper werk op een bureau moet ik een diploma kunnen voorleggen. Veel werk is er niet voor iemand met mijn naam en mijn karakter. Het is ofwel kadavers ophalen voor de Rendac ofwel nachtwerk.     Ik had gezien in de streekkrant dat ze iemand zochten in het klein Delhaizeke om voor nachtwaker te spelen. Ze hebben daar blijkbaar schrik dat er ’s nachts iemand de champieter en de kaviaar gaat komen pikken. Slechte uren, een contract van mijn voeten en stevig onderbetaald. Maar veel keus heb ik niet, om niet te zeggen geen. Maar kom, onderbetaald is ook betaald. Een uniform voor de nachtwaker hebben ze niet, dus moet ik daar mijn eigen triestige schoenen lopen verslijten.     Vanavond om elf uur moet ik klaarstaan om een godganse nacht mijn tijd te verdoen in die klotewinkel. Om zeven uur ’s morgens komt de chef. Hij kan zien dat hij mijn pré bij heeft of ik sla op zijn bakkes.

Harlinde Bormans
42 2
Tip

De nachttrein

Het was onze eerste reis, ver van huis en zonder ouders. Maanden hadden we ernaar uitgekeken om met de hele klas te gaan skiën in Zwitserland. Niemand was er al geweest, niemand had ooit een skilat van dichtbij gezien en het idee dat we met de nachttrein zouden gaan maakte het allemaal nog avontuurlijker.     Op de dag van vertrek wuifden we opgewonden onze ouders uit, klaar voor een week onafscheidelijk samen zijn. De hele klas hing goed aan elkaar, maar wij twee waren de hartsvriendinnen die maar niet uitgepraat raakten tegen elkaar.     Wij deelden een slaapcoupé en na wat in mijn herinnering wel uren vol onschuldig meisjesgeklets lijken, vielen we in slaap. Ik op de bovenste bedplank, jij onderaan. We waren jong, hadden nog nooit gevaar van dichtbij gezien en we voelden ons beschermd door onze hechte vriendschap. Daarom vergaten we de deur op slot te doen en veranderde die nacht jou voorgoed.     Een man komt binnen in onze coupé en legt zich zomaar op de onderste vrije bedbank, enkele meters bij jou vandaan. Hij ruikt naar iets dat ik niet ken. Ik ben verstijfd van angst. Plots ziet de man dat hij niet alleen is. Hij kruipt bij jou. Ik zie niet wat hij doet, ik durf niet te bewegen en niet te denken aan wat er vlak onder mij gebeurt. Na enkele minuten zucht de man. Ik hoor geritsel van een riem en dan valt het licht van de gang een paar seconden binnen. De man sluit de deur en laat ons weer alleen. Niemand beweegt. Ik hoor je huilen en ik doe alsof ik slaap.     ’s Ochtends vroeg ik of je goed geslapen had. Ik was opgelucht toen je ja zei. Ik wilde niet weten wat er was gebeurd. Ik dacht dat je het zou kunnen vergeten, als niemand erover sprak. Dat was niet zo.

Harlinde Bormans
224 4