Zoeken

De flat waar het licht altijd brandt (1) en (2)

De flat waar het licht altijd brandt (1) - 15 december 2022 Bij het opstaan om 5u30 zie ik door het raam een flat waar altijd licht brandt. Elke dag, bij mijn eerste koffie, vraag ik me af wie daar woont en waarom het licht er niet wordt gedoofd. Is het iemand met schrik in het donker? Een single mum met huilbaby, oververmoeid door een eindeloze reeks slapeloze nachten? Een drugsbaron die de veiligheid van de nacht opzoekt voor zijn louche praktijkjes? Of een schrijver die zich graag omhult met duistere stilte voor het schrijven van zijn nieuwste misdaadroman?  Hoogst waarschijnlijk is het gewoon iemand die systematisch vergeet het licht uit te doen. Ik bedenk vervolgens dat de verrassing hoe dan ook komt bij de volgende elektriciteitsfactuur.   De flat waar het licht altijd brandt (2) – 19 december 2023 In de flat waar het licht altijd brandt, brandt het licht nog steeds altijd. Als ik opsta, check ik het. Het stelt me gerust, dat is alvast één zekerheid in mijn dag. Nog steeds weet ik niet wie er woont en waarom het licht nooit wordt gedoofd. Stiekem keek ik al op het naambordje. De gedachte om aan te bellen, spookt steeds vaker door mijn hoofd. Het wordt stilaan een drang. Die baby moet nu toch al minder huilen, de alleenstaande moeder is nu ongetwijfeld in a relationship of in iets dat complicated is. Die vermoeidheid moet zijn verholpen met een multivitaminekuur. Van de arrestatie van een drugsbaron of de publicatie van een nieuwe misdaadroman heb ik geen weet. Torenhoge elektriciteitsfacturen veranderden niets aan de realiteit: het licht is aan, altijd.  Vaak beeld ik me ook het onmogelijke in: dat het licht op een ochtend opeens is gedoofd. Nu leef ik met de prangende vraag:  wat zal ik doen als het licht niet meer brandt in de flat waar het licht altijd brandt?

Melanie Huyghe
26 1

4 – Het Interieur

  De notaris had mij een oude zware sleutel meegegeven.
 – Het slot hing half uit zijn hengsels – 
Maar daar hoefde ik mij geen zorgen over te maken - had hij gezegd - Alles functioneert naar behoren – wel stevig duwen, want het is een erg zware deur!” - lachte hijInderdaad – ik kon ze net ver genoeg open wrikken om mij zijdelings naar binnen te wurmen. Och! - dacht ik-  Welke zin heeft het toch allemaal – mijn besluit staat nu al vast – hier wil ik nooit komen wonen! Maar ik wou mijn vrouw niet teleur stellen – dus ging ik maar verder kijken. Ik bevond mij in een voorportaal.
 – Rechts: een helder trappenhuis met fel blauwe vloertegels.
 – en toen ik opkeek: 
Een nis in de muur met daarin enkele roestige geweren.
(“Winchester” was nog leesbaar op één ervan.) Links: Een deur – daarachter een trap naar beneden – een souterrain? Ik beklom een brede marmeren trap.
 Betastte de leuning – maar werd de kilte van het koper gewaar daar waar ik hout verwachtte. Boven trof ik een interieur aan zoals ik die enkel uit oude Europese films kende – hoge plafonds – een enorme goudomrande spiegel boven een zwart marmeren schoorsteenmantel – Zware kasten in een donkere houtsoort – met snijwerk waarin gebladerte, dieren, vruchten en jachttaferelen waren uitgebeeld.
– Een koperen kroonluchter met kristallen lampions en een pendule.
Te midden van een grote ronde eikenhouten tafel volgestouwd met velerlei voorwerpen. Over dat alles lag een fijne bleke stoflaag die wolkig verstoof bij iedere beweging.
– Onder een dik tapijt kraakte een parket.
 De geuren waren bijzonder maar moeilijk te beschrijven – hadden ze iets van kasha of een rozengeur? Ik ontdekte een kleine bibliotheek – verschillende schilderijen waarin ik enkel kleuren, strepen en vlekken kon onderscheiden. Die veelvoud aan voorwerpen, die in iedere kamer opdoken, begon meer en meer mijn belangstelling op te eisen – soms waren het dingen waarvan ik de functie nog nauwelijks raden kon. Ik werd nieuwsgieriger bij het openmaken van iedere deur. Maar plots overviel mij het onbehaaglijke gevoel van indringer te zijn. 
Ik was geen koper meer die een pand komt bezichtigen – maar een indringer – een dief – die rondspiedde. Het was er heel erg stil.
 Er hing die onwezenlijke dreiging die van verlaten huizen kan uitgaan.Het pand benauwde mij.
 Ik zocht mijn weg terug – naar de uitweg - ik liep de trap af – tastte in mijn jaszak naar de sleutel – stapte op de buitendeur af – greep naar de deurknop – 
Maar toen ik die vast greep werd ik iets gewaar dat mij tegenhield. Ik kon niet meer bewegen.

Anker Tong
0 0

3 – Een week later

    Een week later reed ik terug. We hadden een afspraak gemaakt met de verkoper.
 Maar mijn vrouw kon zich niet vrijmaken, en de kinderen hadden school. 
Dus, reed ik er alleen naartoe.We hadden het web doorzocht naar wat meer informatie.
 Maar erg veel waren we niet te weten gekomen. Eén herkenbare foto en een notarieel bericht : “vrijstaand herenhuis te koop,
 begin 19 de eeuw (bouwjaar onbekend)
twee verdiepingen, omliggend 3 hectare” Dat was ver allesHet roestige hekje protesteerde snerpend. Ik wou mij eerst vergewissen van de staat langs de buitenkant. 
Ik probeerde om het huis heen te lopen – Het leek wel een kubus met een dak erop – aan iedere kant drie hoge ramen met telkens daarboven weer drie.
Het kostte mij heel wat moeite om mijn weg door deze hellende tuin te banen – zo hoog stond het gras!En steeds maar goed uitkijken vooraleer ik mijn voeten zat. 
Door de tijd hadden zich her en der herkenbare en onherkenbare voorwerpen hun plaats verworven tussen de woekerende gewassen.
 Een roestige fiets was haast onherkenbaar opgeslokt door klimop.
 En wat verder stak de kleurloze karkas van een tuig boven de wildgroei. De buitenmuren waren bekleed met verfresten van een onbestemde kleur 
– waaruit hier en daar naakte donkerrode bakstenen staken.
 De gebarsten hoge ramen speelden een hoekig spel met weerspiegelende wolken… Dit huis geleek helemaal niet meer op dat van een week geleden.
 Van kortbij had het zijn antieke schittering verloren.
 Nu deed het de moed van de dappersten verzinken.…Opeens een aanzwellend geruis – als van een waterval – 
Ik strompelde in de richting van het gerucht en ontdekte een rij populieren waaraan de wind heftig rukte. Vanuit het niets klonk een vrouwenstem.
 Zij riep iets onverstaanbaars. Waar jeugdige kreten op volgden –
– Pok!…Pok! ..Pok!..? – een tennisspel? Hier 
Een romp – en daar een arm, en ginds rennende benen opschietend tussen het groen. 
Even verscheen de rugzij van een hoofd en verdween dan weer meteen.
 Flarden wit flitsten tussen de groene bladeren van de struiken bij iedere beweging van de spelers

Anker Tong
0 0