Zoeken

De vijf ingrediënten...

De klap kwam harder aan dan ze verwacht had. Nadat de schrijfcursus gisterenavond was afgelopen, was ze als een vat adrenaline in bed gesprongen. Procrastinatie was absoluut niet een van haar eigenschappen en ideeën had ze zat! Pas na enkele uren was ze uiteindelijk toch in slaap gevallen. Als huiswerk moesten ze iets maken met de vijf ingrediënten. Nou, dat zou een makkie worden. Ze overliep nog eens wat ze tot nog toe al had bedacht. Locatie. Een romantisch restaurantje? Nah, een exotisch eiland was beter. Wuivende palmbomen, zachtjes aanrollende azuurblauwe golven en een nagelwit strand dat afgezien van hun ligstoelen, parasol en een handvol verdwaalde papegaaien compleet verlaten was. En een groot strandlaken. Extra large. Personage. Een man. Een lange, gespierde, gebruinde man. In een spannende zwembroek. Definitely. Antagonist. Hihihi, daar hoefde ze niet over na te denken: dat was ze zelf! Uiteraard. Tijd. Jee, wat zou ze zeggen? Met geniepige oogjes en een smeuïge glimlach bedacht ze dat ze volgende week wel een paar daagjes tussen de ontplofte afspraken in haar agenda kon wurmen. Spanning. Oh, ze had voldoende input om de dingen met hem spannend te maken. Meer dan genoeg… Ze kreeg het al warm. Héél warm. Ze zag het al helemaal voor zich! Maar wat ze in haar dagdromen níét had gezien, was de ijsplek op het fietspad. En het was te laat om hem te ontwijken. Daar lag ze dan, in een ondiepe gracht, haar mond net niet vol met bevroren modder. Nou, de zonsopgang vanuit kikvorssperspectief was anders ook niet mis. Al lagen de bevroren bulten nu ook niet bepaald comfortabel. Voor ze het wist staarde ze in diepe, donkere ogen, die verbonden waren met de stevige armen die haar in één ruk uit haar geïmproviseerde prinsessenbed trokken. Oh... My... God… Had ik vanochtend dan toch maar mijn wenkbrauwen bijgewerkt, verfoeide ze zichzelf, terwijl ze met haar mooiste glimlach zijn aandacht naar haar gestifte lippen probeerde af te leiden.

Tinkelbel
13 3

De Afgekapte Woordenstroom

Het deed niet eens pijn toen de woorden uit zijn binnenste gezogen werden. Alleen de opgedroogde tranen op zijn wangen en het lege gevoel in zijn mond waren bewijs voor wat er niet meer was.Een acteur zonder stem, wat was zijn waarde nog? Er waren geen woorden meer die zich achter zijn tanden zouden schuilhouden, geen poëzie meer die over zijn tong zou rollen, geen verhalen meer die tussen zijn lippen zouden fluisteren. Hij zou nooit meer op het podium kunnen staan terwijl zijn woorden hem verbonden met het publiek. Het publiek, wat ging hij hen missen. Het enthousiaste geklap zal hij nooit nog kunnen horen tot in de coulisse, want hij had niks meer te bieden. Zijn lichaam was nu alleen nog maar een huls waar de kunst ooit in gewoond had. Nu zat Tamiel op de rand van het podium waar hij net zijn stuk heeft gespeeld. Het was toen hij in de coulisse stond en het publiek smeekte om hem nog eens te zien dat zijn toekomstige vertellingen van hem afgenomen werden, recht in de muil van het monster, Aictopil. Tamiel zag het ding nog steeds op zijn netvlies branden wanneer hij zijn ogen sloot. De lelijke groene huid die tegen hem leek te praten alsof de al genomen stemmen hem wouden waarschuwen. Maar de kreet van het hongerige monster zorgde ervoor dat alle geluiden verloren gingen. Tamiel had al van het monster Aictopil gehoord. Natuurlijk, iedere kunstenaar kende het verzinsel van het monster dat passies at. Het ding maakte jonge kunstenaars monddood en niet alleen acteurs, als hem, leden eronder. Aictopil at elke kleine vlam van een nieuwe kunstenaar op om zichzelf te verwarmen. Aictopils slachtoffers bleven leeg en koud achter en zouden nooit meer een nieuw vuur aanwakkeren.Hij had nooit geloof gehecht aan het monster dat alleen bestond in de vertelling van een ander. Noch verwacht dat het hem naar de keel zou grijpen. De lichten gingen uit. Het publiek zou nu wel in de lobby staan, om nog een glimp te kunnen opvangen van de acteur die hen met zijn woorden emoties had laten ervaren waarvan ze dachten dat ze die nooit konden voelen. Maar deze woorden, die verwikkeld waren met zijn ziel, zijn verloren gegaan in de donkere muil van Aictopil.Tamiel zou willen schreeuwen tegen de duisternis die hem nu omringde. Hij haatte het verlies van zijn eigen gave en hij haatte het dat het monster passies van andere kunstenaars zou blijven eten.Moest hij nu iemand worden die zielloos, zonder eigenheid, de maatschappij dient? Welke rol zou hij moeten innemen nu Aictopil met wetten en decreten zijn kunst het zwijgen had opgelegd?Nee. Dat de leegte zijn lichaam overnam, betekende niet dat hij alles waar hij voor gewerkt had, moest opgeven. Tamiel wist dat hij niet kon blijven zitten. Hij zou zijn komende voorstellingen nog spelen en daarna zou hij zelfs nog nieuwe maken! Tamiel ging rechtstaan. Het podium voelde nog steeds als een tweede thuis. Hij had hier zo vaak gestaan dat hij precies wist waar de coulissen overgingen in het podium en waar het podium op zijn beurt het publiek bereikte. Hij kende de woorden van zijn monoloog van voor naar achter en van achter naar voor, dat was altijd zijn sterkste kant geweest. Hij moest dit alleen omzetten in iets waarbij hij zijn stem niet kon gebruiken.Hij zette een stap naar links, zoals hij altijd deed in het begin van zijn monoloog, maar nu was er alleen een stilte wanneer hij zijn mond in de vormen van de woorden bewoog. In zijn hoofd klonk zijn stem echter luid en duidelijk en zijn lichaam reageerde, wist wat het moest doen.Tamiel gooide zijn armen in de lucht alsof hij zich overgaf aan het verdriet van zijn verloren passie. Maar hij draaide zich weg, zoekend naar de kunst die nog steeds in hem aanwezig was. Zijn longen brandden meer bij iedere beweging, zijn ademhaling versnelde, zijn voeten stapten op het ritme van de beklemtoonde woorden en zijn handen legden accenten op onzichtbare leestekens. Hij gaf zich over aan het gevoel één te zijn met zijn lichaam, één te zijn met de kunst. De bewegingen vloeiden uit zijn lichaam alsof hij nooit iets anders had gedaan. Hoewel hij altijd zijn eigen stem zou missen, de kunst heeft een stem die zich op verschillende manieren laat horen.

Hanne Vandormael
0 0

De Parel der ontwetendheid

Er was eens een parel… Dan zul je misschien denken, een parel? Maar dit is niet zomaar een parel. Het gaat om de bijzonderste en meest unieke parel van de geschiedenis die alleen te vinden in het oerwoud der mysterie.  Waar ook Atlantis zich schuilgaat. Men zegt dat het verhaal van Atlantis slechts een fabel is, om te voorkomen dat de stad zou worden gevonden. Volgens hen is Atlantis dus nooit ten onderen gegaan. De mensen leven er tot de dag van vandaag nog. Atlantis bevindt zich dus in het oerwoud der mysterie, waar de parel ook is.  De daadwerkelijke  koningin van Atlantis genaamd Alana, was een hoogmoedige alleenstaande vrouw die alle parels van de zee wilde. Op een dag was ze het zat, ze wilde iets  spectaculairder. Een aantal weken later kwam de Farao van Egypte op bezoek, om haar ten huwelijk te vragen. Hij bood haar een geschenk aan, uit een van de piramides van zijn overgroot opa die hij van hem had geërfd. Ze mocht zelf een kijkje nemen in de schatkamer van de Piramide. Via een geheime doorgang dat meteen leidde tot de schatkamer. Eenmaal aangekomen kon  Alana niet geloven wat ze zag. Op een toren vol gouden blokken hing een beeldschone parel aan het plafond. De ruimte waarin ze waren had geen kroonluchter nodig want de parel bevatte al het schoonheid dat je maar kon bedenken. “Ik heb gehoord over uw verzameling van parels, maar mijn vader vertelde me dat u bent gestopt.” Zei de farao van Egypte. “Neem me niet kwalijk,”  zei de koningin en ze ging meteen af op de glimmende pracht van de parel. Men zegt dat de verleiding van hebzucht zich op een afschuwelijke wijze vergoot, waardoor je geen oog meer hebt wie je daadwerkelijk lief had. De koningin pakte de parel en ze lachte. Haar gezicht kreeg een andere gloed. Ze was bezeten door de egoïsme. De farao grijnsde en was trots op de doel die hij had bereikt. Haar ogen straalde slechts naar het verlangen van de parel. Op het moment dat een persoon de parel aanraakt, is er geen enkele weg meer terug. Die avond arriveerde de farao in het rijk van Atlantis. Hij vertelde met tranen aan de vader van Alana dat ze voor een ander pad gekozen had. “Ze werd misleid, en nu wil ze nooit meer terug,” Wat de Farao niet vertelde was dat er een vloek heerst over de parel die ze had meegenomen. Maar De farao wist zelf ook niet alles over de parel. “Mijn lieve Alana, mijn waardevolste schat.” Huilde de koning. De koning huilde en huilde, totdat hij stierf van verdriet. De farao nam zijn troon over en heerste over het rijk van Atlantis. Tot op het heden is er niemand uit het volk die weet hoe het is afgelopen met de koningin van Atlantis. Waar de parel naar verlangt is de zee. Wat al helemaal niemand weet is waarom er zo’n onwijs intense schoonheid berust op de bijzondere parel. De reden hierachter heeft te maken met het feit dat deze parel niet zoals de rest is. Wat deze parel uniek maakt is niet alleen de verleiding en de absurde schoonheid, maar de parel zou volgens de oudste boeken van het oerwoud der mysterie een gedaanteverwisseling ondergaan op het moment dat het de oceaan instapt. De parel verandert tot een jonge beeldschone zeemeermin van slecht 15 meerminnenjaren oud, wat te vergelijken is met 10 mensenjaren. De jonge meermin is de jongste dochter van de koning van De diepe Zee. Slechts een aantal meerminnen beschikken over deze bijzondere gave. De jonge meermin genaamd Ariël had besloten om een manier te vinden om toch egoïstische mensen te laten straffen. Haar moeder de voormalige koningin van De diepe zee is op jonge leeftijd overleden door een stelletje vissers die haar probeerde te vangen met hun afschuwelijke net. Ze vingen haar niet… maar de koningin overleed. Ze stikte door het net dat om haar hals gewikkeld zat. Het hele koninkrijk van de Diepe Zee rouwde van verdriet. Twee jaar later stierf haar oudste zus. Ook door mensen. Ze stikte in het plastic dat zich bevond in haar voedsel. Sindsdien heeft de jonge meermin ervoor gekozen om mensen van het land  te straffen. De mensen van tegenwoordig begeren steeds naar meer en verwoesten de oceaan. Een paar jaar later maakte de Farao een strandwandeling op het prachtige Griekse eiland. Op een gegeven moment liet een tak hem struikelen waardoor hij op zijn rug viel. Wanneer hij eenmaal overeind kwam trok iets zijn aandacht, alsof een magneet hem trok, dieper de zee in. Hij ging op z’n gevoel af en liet zich in  zee in slepen. Wat hij niet wist was dat de parel der onwetendheid was aangespoeld op het strand, hij raakte het aan toen hij struikelde en zonder dat hij het door had slipte de parel in de textiele kledingstuk dat gewikkeld was om zijn  lichaam. Eenmaal boven water snakte de Farao naar adem, de golven waren zo hoog dat hij de horizon van de zon nog net niet kon zien.  Het duurde niet lang meer voordat de hemel zich bedekte met een donkere gloed en zijn prachtige schitterende sterren. Zijn overlevingskans was zo goed als kansloos, maar hij voelde zich trots, hij was zeer tevreden. De Farao haalde zijn hand boven water, de parel de bijzonderste parel van de geschiedenis glom in zijn handpalm. De druppels water gaven de parel nog meer schoonheid. En nu is de parel eindelijk bij hem. Dacht de Faro.  De parel en hij zouden terug gaan naar waar ze behoren. Samen gingen ze naar de diepste bodem van de zee.   Laat je niet vergissen door  egoïsme. En laat je niet verleiden door het geen dat je zult moeten vermijden. En onthoud…. Wees goed voor de zee en haar vissen, want anders zullen we u voorgoed moeten uitwissen.   En de parel zal weer aanspoelen wanneer dat nodig is……

Noor.b
35 4

De slag

Verslagen staart ze voor zich uit. Daar zit ze dan, te midden van het slagveld, omringd door niets dan verwoesting. “Survival of the fittest,” denkt ze bij haarzelf. Ze probeert zich te focussen en de chaos die haar omringt te negeren. Ze probeert orde te krijgen daar waar het overzicht volledig verloren is. Het lukt niet. Ze is het noorden kwijt. Volledig gedesoriënteerd. Om haarzelf in gang te trekken, stelt ze zichzelf een vraag waarvan ze het antwoord al kent: “Hoe begin ik hier aan?” De bedoeling was om als antwoord over te gaan tot actie, maar in plaats daarvan eist een ander deel van haar hersenen haar aandacht op. Het kleine kamertje dat ze liever gesloten houdt, ergens achteraan in haar hoofd, opent weer ongevraagd haar deur. En opnieuw is er die stem die roept dat ze niet op haar plaats zit. Dat ze moet vluchten, en liefst zo snel als mogelijk. Weg van deze plaats des onheils. Weg van dit helse oord. Dit brengt zoals steeds een nieuwe vraag teweeg: “Waarom doe ik dit?” Het antwoord is er ooit wel geweest, maar is ze kwijt geraakt. Het was zoek en dat was al enige tijd zo. Het leek er ook op dat hoe meer ze het haar afvroeg, hoe minder ze het wist. Het grote waarom van wat ze deed ontging haar volledig. Het enige dat ze nog kon verzinnen was even eenvoudig als ontoereikend: het was haar roeping. En een roeping, die stel je niet in vraag, want daar is geen rationeel antwoord voor. Dat doe je, tegen wil en dank. Dus voerde ze maar uit wat ze moest doen, ook al was ze er van overtuigd dat ze het niet meer goed deed. Daar had ze dan weer geen twijfels over. Alles wat ze had geprobeerd te realiseren, was geëindigd in falen. Ze wou gewoon gelukkig zijn, maar wat voor reden had haar bestaan als ze geen voldoening meer haalde uit wat ze altijd dacht dat haar roeping was? Wat als je doel bereikt is, en het blijkt niet je passie te zijn? Niet alleen voelde ze zich inadequaat, ze verlangde ook naar meer. Naar anders. Dit kon het niet zijn. Ze had de finish zeker en vast nog niet bereikt. Maar ze kon niet meer. Ze was op. Alles rondom haar vrat alleen maar energie, zonder ooit iets terug te geven. Zij was van geen belang en niemand luisterde naar haar. Haar woorden werden steeds overstemd door het vreselijke gekrijs dat haar omsingelde elke dag opnieuw. Haar leven was niet meer dan een herhaling geworden. Een eindeloze lus bestaande uit negatieve emoties: pijn, ongenoegen en frustratie. Ze wouden allemaal haar aandacht, en nooit kreeg ze ook maar iets terug. Ze moest alsmaar geven, en niet één keer kreeg ze een “dank u” in de plaats. Alsof haar liefde gratuit is. Alsof het haar niets kost om dag in dag uit klaar te staan voor iedereen. Abrupt wordt ze uit haar gedachtestroom getrokken door een stekende pijn in haar borst. Ze kan ineens moeilijk ademen. Dat wat vanzelfsprekend was, wordt plots heel moeilijk. Gelukkig heeft ze hier ervaring mee en kan ze zichzelf kalmeren alvorens nog engere gedachten de overhand nemen. Ze sluit haar ogen en beheerst haar ademhaling. De pijn in haar borstkas ebt langzaam weg. Daar zit ze dan. Te midden van het slagveld, terwijl de vijand slaapt. Althans, dat denkt ze. Plots hoort ze iets achter haar. Schichtig draait ze 180 graden rond haar as, maar haar angstgevoel wordt al gauw getemperd. Het was Emiel maar. Ze kruipt moeizaam recht en plaatst haar twee handen in haar zij. “Wel, wat doe jij hier?,” vraagt ze autoritair. Zonder te antwoorden waggelt hij schoorvoetend naar haar, maar op nog geen halve meter verliest hij zijn fragiele evenwicht. Net op tijd kan ze hem opvangen. Ze vraagt zich af wat hij nodig heeft - ze hebben altijd iets nodig van haar. Terwijl ze hem ondersteunt vraagt ze opnieuw, nu enigszins geërgerd: “Wel, wat doe je hier?” Maar opnieuw antwoordt Emiel niet. Dit maakt haar vreselijk kwaad, woedend zelfs. Ze haat het om genegeerd te worden, maar ze weet dat ze kalm moet blijven. Ze moet altijd kalm blijven - dat is wat van haar wordt verwacht. Net voor ze haar vraag een derde maal kan stellen, reikt Emiel haar als bij wijze van antwoord een papiertje aan. Het papier is opgevouwen tot een soort enveloppe en ziet er uit alsof het een oorlog heeft mee gemaakt. Ze weet niet wat ze er van moet denken, en opent voorzichtig de enveloppe. Het is amper leesbaar, en vreselijk slecht geschreven, maar op dat bewuste blad staan de woorden die haar herinneren waarom ze dagdagelijks doet wat ze doet. Waarom ze elke dag de hel doorstaat, en waarom dit leven haar roeping is. Ze weet het weer, en ze kan er weer een dag tegen aan. En dat allemaal met 5 eenvoudige woorden: “Juf, ik hou van jou.”    

Iljavdb
8 1

Sneeuwwitje en de zeven vrijgezellen

Op een dag, een jaar of achttien geleden Stond Georges in de keuken met een mes Hij sneed groentjes voor het avondeten Want het liefst verloor hij een kilo of zes Buiten begon de eerste sneeuw te vallen Zag hij door het aluminium raamkozijn Terwijl zijn gedachten afdwaalden Voelde hij plots een stekende pijn Het bloed drupte van zijn vinger Langs zijn mes, op het kookeiland Snel nam hij een keukenhanddoek Daarmee droogde hij zijn bloedende hand En plots voelde hij een intens verlangen Naar een dochter, klein maar fijn Met rode lippen, een witte huid En haar zo zwart als het raamkozijn   De buik van zijn vrouw begon te groeien Ze werd naar het ziekenhuis gereden Daar kreeg hij zijn gewenste dochter Maar zijn vrouw was overleden Georges wachtte niet af, maar sprong in zijn wagen En racete als de bliksem naar huis Hij nam het mes, sneed in zijn vinger En wenste een nieuwe vrouw in huis Zijn gsm begon meteen te trillen En meldde een nieuwe match op Tinder Een tovenares had hem gevonden Dus stuurde hij een Uber naar ginder Wat later kwam ze toe met haar koffers En duizenden volgers op Instagram Ze maakte foto’s van iedereen Die naar Sneeuwwitje kijken kwam Elke dag nam ze honderden selfies En vroeg aan de gsm in haar hand Twitter, Facebook en Instagram Ben ik niet de mooiste van het land?   Zo kabbelde het leven verder Sneeuwwitje werd langzaamaan groot Tot op een dag een onbekend virus Iedereen bij zich thuis opsloot. Sneeuwwitje moest thuis les volgen En maakte een account op TikTok aan Ze had meteen tienduizend volgers Dat kon haar stiefmoeder moeilijk aan Zo pijnlijk van de troon gestoten Bedacht ze een naargeestig plan Toen Sneeuwwitje buiten joggen ging Belde ze een klusjesman Die installeerde nieuwe sloten Op alle deuren van het huis Sneeuwwitje kon nu niet meer binnen En haar mobieltje lag nog thuis   Met haar vader in het buitenland Was ze helemaal alleen Ze beet op haar lip en dacht diep na Waar ging ze nu het beste heen? Het virus waarde in de stad Daar bleven alle deuren dicht Dus wandelde ze naar het bos En veegde de tranen van haar gezicht Ze wandelde tot ze durfde Bij een huisje aan te bellen Toen de voordeur open ging Stonden daar zeven vrijgezellen Met vier mochten ze in één huis En hier woonden ze al met zeven Maar omdat ze zo betoverend was Vergaten ze de regels even   ‘Wat ben je mooi,’ zeiden de mannen ‘Lust je soms een kopje thee? Het is warm in de woonkamer En de koers is op tv’ Sneeuwwitje zuchtte opgelucht En ging met hen mee naar binnen Maar toen de politie kijken kwam Konden ze niets beginnen Een lockdownfeest, oordeelden zij Iedereen kreeg een zware boete En Sneeuwwitje, het arme kind, Zou naar het politiekantoor mee moeten Gelukkig reed de prins voorbij Hij liet haar meerijden in zijn Lexus En na tien dagen quarantaine Kreeg ze van hem haar eerste kus  

Caroline Van Steenbergen
0 0

Viktor

Op een zaterdag in 2011 besliste Viktor zijn mes met aardbeienconfituur niet schoon te vegen aan zijn witte boterham. Hij plantte het tuig in het bestekmandje van de vaatwasser en probeerde in zijn baan naar de trap de diagonalen van de koude vloertegels te tekenen met zijn blote dikke tenen. Bij het horen van de kreunende trap kreeg hij plots spijt van zijn vrolijke bewegingen. Alsof de oude treden hem probeerden duidelijk te maken dat verbeelding niet aan de orde was, dat de toekomst wel zou oordelen of hij zulke frivoliteiten mocht verderzetten, niet het heden.  In zijn kamer opende Viktor de bovenste bureaulade en nam de brief die twee jaar geleden zijn wereld op z’n kop zette. Het was een donderslag bij heldere hemel geweest, die als een echo bleef kaatsen in zijn puberende hoofd. Hij opende het geruite papier dat hij ooit in de vuilnisbak vond. Minuscule vezels dwarrelden doorheen een straal ochtendzon naar beneden; de brief was het niet meer gewoon zich ontvouwd te voelen. Nog steeds waren het deze letters die Viktor aan het blokjesparket nagelden. Hoewel ze aan zijn moeder waren gericht, las híj de woorden van zijn vader.  De man schreef dat hij spijt had, spijt dat hij haar had verlaten, spijt dat hij toen vooral bang was om vast te roesten, bang voor het gewone, de sleur die hij steeds duidelijker afgetekend zag rondom zich. Hij vroeg om de draad na al die jaren weer op te pikken, het te proberen, en of ze eens konden afspreken. Hij sloot af met naam, adres, email.  Viktor ademde weer. Dit is wat hij over zijn vader wist. Hij dacht niet dat zijn moeder het lef had hierop in te gaan, nee, dat zou ze nooit doen, gedane zaken namen bij haar geen keer. Maar Viktor wou meer. Hij zou met hem afspreken, in naam van zijn moeder. Die man moest toch weten dat hij een zoon had? Dat hij wellicht net voor de zwangerschap de vlucht koos. Hij moest toch weten dat het gewone niet altijd een sleur blijft, maar steeds beweegt en soms vervliegt, net als water.  Viktor klapte zijn computer open.  -  Het routeplan dat Viktor voor het opstappen van de loketbediende had gekregen, vertoonde na een rit van een uur en twaalf minuten nieuwe grenzen. Na tig keer vouwen en ontvouwen werden stad en noordwijken in vlakken verdeeld die dreigden te scheuren. Het plan toonde straten waar hij nog nooit was geweest en hun namen kwamen niet overeen met wat Viktor door het bekraste glas zag. De bus trok zich in de met fabrieken volgestouwde Lijsterlaan ronkend op gang naar de laatste halte, samen met Viktors hoop zijn biologische vader alsnog te ontmoeten. Hij zal zich toch niet bedacht hebben? Het eindstation naderde en de laatste medepassagier was zonet verdwenen. Zou híj zich vergist hebben van lijn? Hij nam immers niet vaak de bus en wanneer hij het deed volgde hij simpelweg zijn vrienden.  Telkens Viktor in de achteruitkijkspiegel keek, kruiste zijn blik die van de bestuurder. Toen de man vertraagde en bruusk zijn uitgestoken kin richting Viktor draaide, schudde Viktor haastig zijn hoofd. Hij wou niet stranden aan de laatste halte. De man plantte zich mompelend weer in zijn vertrouwde positie, keek een laatste keer naar de spiegel en zette de bus aarzelend in beweging. Misschien kwam hij pas helemaal op het eind? Net zoals hij al die jaren niets van hem liet weten. Viktor dacht aan wat zijn vader gisteren nog mailde. Hij zou pikzwarte schoenen dragen met daarboven een donkergrijze kostuumbroek en wit hemd.  En toen zag hij het. Ze waren er altijd geweest, de zwarte schoenen. Vol onwetendheid hielden ze om beurten alles in beweging. Hoe kon hij dit over het hoofd hebben gezien? De dienstlichten van de bus waren al gedimd, maar in Viktors hoofd werd alles helder. Was hij het nu? Een man wiens grijze hoofd door de jaren heen steeds dichter naar het grote stuur plooide. En wat nu? Moest hij opstaan vanuit zijn loge om deze arme man van het toneel te halen, hem de deur uit te trappen en de straat opstampen? Moest hij hem werkelijk vertellen hoe de vork in de steel zat? Of moest hij alles laten zoals het was en bleef de man enkel achter met de ontgoocheling zijn oude liefde niet te hebben ontmoet? De bus draaide de sorteerplaats op, schoof door bundels kille ledverlichting en sloot zich aan in een rij lotgenoten. Met ruwe bewegingen vulde de chauffeur zijn rugzak. Een witte roos werd geknakt door een nog zware brooddoos. Viktor scheurde het routeplan doormidden en wandelde met slome passen richting uitgang. 

de amechtige specht
19 1

Ergens tussen grijs en blauw

De dokter schudt haar hoofd."Ik ga eerlijk zijn met u mevrouw, ik had dit resultaat niet verwacht." zegt ze vanachter haar plexiglas scherm.Vorige week vrijdag was mijn eerste onderzoek in het UZ Gent van het nieuwe jaar.Mijn oogspieren werden getest en onderzocht.Ik keek al naar de deur omdat de meeste onderzoeken nog niet veel hebben opgeleverd.Waarom zou dit anders zijn. De dokter draait zich om en haalt er een tekening van het oog bij.De linkerbovenspier van mijn linkeroog, daar zit blijkbaar de schuldige.Al sinds september heb ik vaak een duizelig gevoel, alsof ik dubbel zie. Soms gepaard met misselijkheid.Maar de reden was tot nu toe, na talloze onderzoeken, onbekend.Het blijkt dus die ene spier te zijn die heeft besloten om minder te gaan werken.Waardoor mijn linkeroog bij het opzij- of opkijken net dat ietsje trager beweegt dan rechts.Met als resultaat dat ik alles even dubbel zie.Zeer vervelend bij het afdalen van een trap, wandelen of het bepalen welke auto echt is, dat kan ik u verzekeren.En dus doe ik bovenstaande activiteiten al even niet meer (het rijden) of onder begeleiding (het wandelen in een onbekende omgeving) of extreem traag zoals een waardige, oudere dame (trappen afdalen). Nu zit daar die dokter die kan verklaren hoe het komt.En ik heb even zin om een vreugdekreet te laten horen of haar te omhelzen ("Oppassen, Corona!" zou mijn zoon zeggen).Ik hoor jammer genoeg Murphy al op de deur kloppen en hij komt al om het hoekje piepen."En wat kan ik daar aan doen" vraag ik de dokter nog steeds redelijk vrolijk."Niet zo heel veel, vrees ik." blijkt het antwoord te zijn.Spieren kan je toch trainen, dacht ik in al mijn naïviteit. Alleen blijkt dat hier niet het geval. Ik pols naar wat er kan en van waar dit in godsnaam toch weer allemaal komt.Een bevredigend antwoord blijft voorlopig uit.Een operatie kan maar ze moeten overleggen.De dokter verdwijnt even in de magische overlegkamer met andere assistenten en de professor. Na een kwartier komt ze terug. Een prisma zou misschien een oplossing kunnen zijn.De dokter tovert een doosje tevoorschijn en haalt er een glaasje uit.Dat glaasje zal dan door een opticien op mijn glas worden gekleefd om te testen of het werkt.Het zal weer even wennen zijn, geeft de dokter mee maar het zou kunnen helpen.We maken afspraken over de verdere nauwe opvolging en het overleg dat zal volgen indien dit niet werkt.Tijdens mijn wandeling vandaag langs de vertrouwde route laat ik alles bezinken.Het prismaglas is besteld en zou er volgende week zijn.Ik ben hoopvol en wens van harte dat dit glas alles verhelpt.Het was ook een opluchting om toch van één ziekteverschijnsel de oorzaak te weten.Al weten we niet wat het veroorzaakt heeft of wat er volgt.Ik kijk naar de lucht tijdens de wandeling die van grijs zachtjes naar blauw overgaat. Zo voel ik me een beetje vandaag.Ergens tussen hoop en angst.

Alice Bremt
5 0

Het Sprookjes Café

 Dit verhaal speelt zich af wanneer alle kinderen liggen te slapen en alle sprookjesboeken zijn gesloten en de sprookjesfiguren vrij zijn om te gaan en staan waar ze willen. Vele van jullie denken dat een sprookje eindigt met “en ze leven nog lang en gelukkig”, maar dat is verre van waar. Zo neem ik jullie graag mee naar het sprookjes café waar menig prinses een rood wijntje drinkt tegen de rimpels en praktisch alle prinsen hun witte paarden laten rusten, terwijl ze van een biertje genieten. Trollen, wolven, dwergen, kabouters alles komt hierbinnen en verlaat het café wanneer het weer tijd is om lieve mensen kinderen in slaap te lezen.      Het café stroomt langzaam vol. Broeder Tuck schenkt iedereen bij, terwijl de schout de openstaande rekeningen bijhoudt.  Achterin spelen de trollen klaverjas en de wolven vermaken zich met een potje blaasvoetbal. De prinsen zoeken hun vaste plek aan de bar en op een enkele na is de club weer compleet.   ‘Proost! Op een weelderige avond!’ Met een perfecte witte grijnst steekt prins Eric zijn biertje in de lucht.Dat had je niet verwacht hé?!    De deur van het café vliegt open, waarnaar zeven kleine gezette mannen gehaast de vloer beginnen te vegen. En pas nadat de vloer blinkt in het kaarslicht, komen de drie beste vriendinnen binnenschrijden. Ach daar zijn ze de “belangrijkste” vrouwen voor het verhaal. Wist je trouwens dat de vader van Doornroosje de oom van Sneeuwwitje is en die weer de neef van Assepoester even als hun prinsen die weer schakeling familie zijn van elkaar…Nee… wist je dat nog niet? Ach niet belangrijk …zolang de kleinkinderen er maar ongeschonden vanaf komen…   ‘Hallo! Zou je het heel erg vinden om deze intro verder te skippen en gewoon te beginnen aan het verhaal?!’ sist Sneeuwwitje.Ugh prinsessen! Ze willen altijd maar in het “middelpunt” blijven… kan ik eindelijk mijn zegje doen komen die verwende nesten er weer tussen!    ‘BEN JE KLAAR?!’         (Eye-roll) (Adem in. Adem uit.)   (Schraap je keel!)    Ergens ver weg, diep tussen de bomen staat een huisje, lieftallig en klein, waar vogels tjirpen in de vroege morgen tot aan de schemerige maneschijn. Na vele jaren slapen zei de jonkvrouw heel gewoon:  ‘Als jullie het niet erg vinden ga ik zo naar mijn bedje toe, ik ben zo ongelofelijk moe…’ gapend staat Doornroosje op.Sneeuwwitje schudde langzaam haar hoofd en vertelde dat dat nog niet kon.  ‘Dat kan nog niet’ snauwt Sneeuwwitje.   ‘Maar waarom?’ Geïrriteerd ploft Doornroosje weer terug op haar stoel. Het grote nieuws, het was eindelijk daar, de prinsessen staarde belangstellend naar…    ‘Ik ben laat… ik ben laat, IK BEN VEEL TE LAAT!’ tierend van stress komt het Witte Konijn het café binnen gesprongen.Uhm… Konijn dit is het verkeerde sprookje…   ‘FIJN heb ik weer, nu ben ik nog later!’   ‘Wat nou verkeerd sprookje? Ik kan nog wel een nieuw trofeetje gebruiken!’ Geniepig stapt Gaston uit zijn duistere hoekje. ‘LEFOU! Pak mijn geweer!’ LeFou glundert trots, terwijl hij het opgepoetste jachtgeweer aangeeft.    ‘Niemand schiet als Gaston!’ zwijmelt hij.    ‘DOE NORMAAL!’ Krijsend gooit Belle haar boek op tafel, vol afkeur kijkt ze naar het tafereel dat steeds grimmiger wordt. Binnen een mum staat ze voor het vizier, zonder Gaston nog een blik waardig te gunnen keert ze zich om naar het Witte Konijn.    ‘Wat een schattig beestje ben jij,’ ze bekijkt hem van top tot teen, ‘wacht eens volgens mij heb ik weleens over jou gelezen!’ Lieflijk haalt Belle haar hand over zijn snuit.    ‘NÉÉ, ga weg!’ brult Konijn en met een woeste zwaai slaat hij haar hand weg.Konijn ik wil niet heel vervelend zijn, maar wij zijn hier bezig met een verhaal. Spring jij je konijnenhol weer in, dan kan ik dit verhaal even afmaken, zoveel tijd hebben we niet!   ‘Alsof ik hier tijd voor heb?! Heel de wereld staat op z’n kop en jullie zitten hier maar te niksen!’ Verwildert kijkt hij om zich heen. ‘Kom niet dichterbij! Blijf uit mijn buurt!’ Pardon... Konijn?   ‘Die is niet goed in z’n kop.’ mompelt prins Adam binnensmonds.   ‘Ja, wat is jouw probleem? Doe gewoon normaal makker.’ Alladin komt langzaam op het rumoer af, en seint dat iedereen zich rustig moet houden.   ‘Niks normaal, dit is het nieuwe normaal, blijf op afstand!' raast Konijn.Beste Konijn, we zitten hier gewoon gezellig bij elkaar voor dit verhaal, kom er dan gezellig bij. Neem wat tijd om rustig te worden voordat je weer “down the rabbit hole” gaat. Wacht… Kan het soms zijn dat je te lang bij de rups bent geweest? De lucht die je daar inhaleert is wellicht niet zo zuiver geweest.   ‘HA, die lucht daar is niet zuiver?! De lucht is op geen ene plek ter wereld meer zuiver, niet in de sprookjeswereld en zeker niet in de mensenwereld, zelfs het dierenrijk heeft het te voorduren. We gaan eraan! WE GAAN ER ALLEMAAL AAN!’ Okay…Nu ben ik ook de verhaallijn kwijt. Maar dan maken we er gewoon een nieuw verhaal van.Konijn vertel kort maar krachtig de inleiding, met niet zoveel woorden, want zoveel tijd is er niet.    ‘*@#$%^&^%$#@*! WE HEBBEN GEEN TIJD VOOR EEN VERHAAL! HET IS EEN STRIJD TEGEN DE KLOK, ZEKER NU MET DE AVONDKLOK! JULLIE MOETEN ALLEMAAL WAKKER WORDEN!!WE HEBBEN TE MAKEN MET EEN ONZICHTBARE VIJAND, DE DODELIJKSTE DIE ER BESTAAT!’ brult Konijn   ‘Dan moeten die vijand verslaan,’ bromt Jafar.    ‘Ik ga op onderzoek uit!’ Enthousiast stapt Alladin op zijn tapijt.   ‘YEAH,’ juicht Flynn ‘dan ga ik met je mee.’Dat klinkt als een spannende inleiding. Vorm een leger en bestrijd de vijand.   ‘Ow NÉÉ, dat is verboden! ALLES IS VERBODEN!’ gilt Konijn, ‘Geen samenscholing! Niet onnodig vliegen! Blijf op anderhalve meter! Was je handen stuk en draag een mondkapje! En geen alcohol meer! Ga in lockdown, SLUIT JEZELF OP!’ WAT DOEN JULLIE HIER NOG? HET CAFÉ MAG NIET EENS OPEN ZIJN! WE MOETEN HIER ALLEMAAL WEG, NIEMAND IS MEER VEILIG…’ krijst Konijn.   Panisch stormt iedereen het café uit.  Okay…Dat was echt heel kort… *@#^$! LOCKDOWN!   ...Einde...   

LindaMEvita
71 1

Even die andere zijn. (Belgische is even Nederlandse)

Uit de online sessies: Schrijven over de grens - dit is wat we delen.   Hoi Mies, hoe gaat ie?’ ‘Je bent lekker vroeg, kom binnen joh. Dan doen we eerst lekker een bakkie.’ ‘Gezellig zeg.’ Romy stapte binnen bij Mies met haar zware tassen. Ze hadden wel wat te doen vandaag. Maar eerst dat bakkie. ‘Nou, we zitten. Hoe gaan we het doen?’ vraagt Mies. ‘Ik heb op de markt lekkere dingen op de kop kunnen tikken. Ik ben snel langs de kraampjes gelopen die om 13u nog open waren. Dan doen ze gewoon de helft van de prijs af. Lekker goedkoop.’ ‘Dan zullen we meteen beginnen. Ik zal al de groenten schoonmaken en snijden. Begin jij dan aan de satés? Jij kan dat veel beter.’ Mies en Romy kletsen de middag verder terwijl ze de maaltijd bereiden voor hun gasten die hen twee per jaar bezoeken. ‘Het is toch altijd even wennen hè. Onze vriendinnen. Best leuke meiden, maar zo stil.’ ‘Nou, dat valt wel mee hoor. Geef ze straks een ouzootje of iets sterkers en hun tongen komen los hoor.’ Het gesprek gaat verder. De tafel wordt intussen gedekt, het salontafeltje wordt gezellig gemaakt, met de nodige koekjes. Als de Vlamingen op bezoek komen, willen ze eerst even ‘thuis’ komen, met koffie. Bij koffie horen koekjes. ‘Toch rare gewoonte hè, de koekjes op tafel zetten.’ ‘Ja, vind ik ook. Als iedereen z’n koekje heeft, zet je de doos toch gewoon terug weg. Ze durven niet eens een tweede te nemen. Al die koekjes drogen uit.’ ‘Ach, laten we het vandaag maar gewoon gezellig maken. We zijn klaar, geloof ik.’ De bel gaat. ‘Oh, wat leuk! Zo opwindend, onze Vlaamse vriendinnen op bezoek!’ Mies zwaait de deur open. ‘Welkom, welkom …’ haar mond valt open. Even zwijgt ze verbaasd. Daar staan de lieve Vlaamse vriendinnen, hun gezichten bijna onzichtbaar, verstopt achter een grote mand met lekkernijen. Tja, ze komen gelukkig nooit met lege handen.

Anemos
3 0

De buitenkraan

Ik wandel graag, maar het mag niet tegenzitten. Zeker niet het meest vervelende onder de wandelfenomenen: een afzakkende sok. Het stapt voor geen meter, als die telkens terug in je schoen kruipt. Onderweg naar het woonzorgcentrum moet ik na 100 meter met mijn rechterbeen al een hoek van 90 graden maken en deze op mijn linkerknie leggen zodat ik mijn evenwicht bewaar om die vervelende sok omhoog te trekken. Maar de evenwichtige dagen zijn voorbij. Ik wankel als een dolgedraaide hamster die uit haar loopradje kruipt nadat ze er de hele dag in heeft gerend. Gelukkig staat er vlakbij een verkeersbord dat me recht houdt. Ik twijfel om terug te keren en nieuwe sokken te halen, maar ik denk dat het wel zal meevallen. Helaas. Opvallend is dat er altijd maar één sok afzakt. Alsof ze elkaar afwisselen. Onderweg moet ik regelmatig halt houden bij een verkeersbord of een brievenbus om als een plassend hondje mijn been omhoog te heffen en mijn sok te fatsoeneren. Maar daarmee is de kous nog niet af. Bijna aan het woonzorgcentrum gearriveerd, ben ik het zo beu dat ik mijn sok voel scheuren terwijl ik die voor de twintigste keer omhoog trek. Redelijk hard deze keer. Bij ma op de kamer trek ik mijn rechterschoen uit. Het is meer gat dan sok. Bijna te slecht om in de wintermaanden rond de buitenkraan te doen, zoals pa vroeger altijd deed met een stel versleten kousen, vastgebonden met een touwtje. "Ik zou zeggen, pakt er een van mij", lacht ma. We moeten er allebei mee lachen. Ik zie me de nylon kous al aantrekken terwijl er net iemand binnenkomt. Nee, ik moet het met de halve kous doen. “Maar ge kunt ze nu in de winter wel gebruiken om rond de buitenkraan te draaien”, zegt ze.  

Rudi Lavreysen
34 1

Treingesprekken ver van hier

“Kaartje en paspoort alstublieft.”“Alstublieft.”“Goedemorgen mevrouw De Hoek. U reist helemaal naar Paramaribo?”“Dat klopt.”“Tjonge, dat is me een hele reis! En u reist helemaal alleen, of zie ik dat verkeerd?”“Hm.”“Maar u heeft helemaal geen bagage bij, de meeste mensen die ik op de trein al heb ontmoet, reizen niet dat hele lange stuk om dan meteen weer terug te reizen…”“Toch is het zo.”“Okee… Wanneer u iets te eten of te drinken wenst, twee rijtuigen verder naar achteren bevindt zich onze restauratiewagen. We bieden daar verschillende versnaperingen aan, mocht u willen.”“Fijn dat u dat meedeelt, maar ik heb niks nodig.”“En de toiletten zijn die kant uit. Die zal u wellicht wel nodig hebben…”“Dat is mogelijk.”“Wat gaat u daar doen, als ik zo vrij mag zijn om dat te vragen, mevrouw?”“Neen, dat mag u niet.”“Oei! Heb ik iets verkeerd gezegd, mevrouw?”“Ik geloof niet dat ik als inheemse tegenwoordig nog verplicht ben alles wat ik doe, waar ik ga en sta, wat ik eet of laat, op eenvoudig verzoek van een blanke conducteur kenbaar te maken!”“Olalala… En ik probeerde maar gewoon vriendelijk en behulpzaam te zijn. De blanken van vandaag hebben niks te maken met de gruwelen van vroeger… Maar goed. Als u het anders wenst, dan zwijg ik.”“Bedankt.”“Mag ik u wel nog een fijne reis wensen? En u erop attent maken dat we over een halfuurtje aankomen in Batavia, waar de trein een kleine twintig minuten zal stil staan?”“Oh?”“Er is een klein winkeltje met een eethoekje in. Ze verkopen er heerlijke mie met pindasaus en bakbanaan. In afhaalverpakking. Mocht u zich bedenken wat dat eten betreft.”“Dank u wel, dat is uiterst attent van u.”“Geen dank, mevrouw, geen dank!”“En meneer? Ik moet u mijn verontschuldigingen aanbieden... Mijn jeugd zadelde me op met een hele rugzak vol vooroordelen. Het is niet beleefd die zomaar op u af te vuren. U bent inderdaad een vriendelijke en behulpzame en vooral erg beleefde jongeman. Ik hoop dat u zich niet geschoffeerd voelt door mijn gedrag?”“Welk gedrag, mevrouw? Ik herinner me alleen een voorname, intelligente dame die straks zal glimlachen bij de bakbanaan!”

Vlechtenmeisje
3 0

Appelbollen en worstenbrood

“Ik heb nog getwijfeld”, zei ik afgelopen maandag toen ik thuis kwam. Het was Verloren Maandag. “Ik ben zelfs langs de bakker gefietst, maar voor de deur heb ik beslist om geen appelbollen of worstenbrood te kopen.” Ik hoorde jaren geleden voor het eerst van Verloren Maandag toen een collega de maandag na Driekoningen appelbollen bij zich had. “Het is een traditie in Antwerpen”, zei hij. “Thuis deden we altijd mee. Daarom dacht ik vanmorgen: waarom niet?” Ik zei dat hij er goed aan had gedacht, want ze smaakten voortreffelijk. Hij vertelde ons waar de traditie vandaan kwam. “Het komt van Verzworen Maandag. Ambtenaren legden indertijd die dag hun eed af. Dat moest natuurlijk gevierd worden, met worstenbrood, appelbollen en de nodige drank. Later werd de dag bekend als Verloren Maandag, omdat er van werken niets meer in huis kwam.” Omdat we zelf ambtenaren waren, hebben we de traditie jaren aangehouden. Ik liet hem die week zelfs meermaals in mijn koffie soppen. Hij stond bekend als de koffiesopper, omdat hij zelf geen koffie lustte, maar zijn speculaaskoekje altijd in de koffie van een collega sopte. Nu is het op de werkvloer de gewoonte om op de dag van Driekoningen ’s morgens worstenbrood te eten. Ook geen slecht idee, maar ik meende ze dit jaar aan me te laten voorbijgaan. Ik zit immers in een fase van ‘periodiek vasten’. Het idee daarbij is dat je het ontbijt overslaat en meteen aan de middag begint. Niet dat je ’s morgens begint met aardappelen, groenten en vlees. Nee, je eet gewoon niets tussen 19 uur ’s avonds en 12 uur ’s middags. Enkel water, koffie en zwarte thee is toegestaan. Ik moet zeggen, het begint me aardig te lukken. ’s Avonds mag ik wel niet naar Mijn Restaurant of naar de herhaling van Dagelijkse Kost kijken, of ik ben staat om de tv op te eten. Ik heb ook al eens een kauwgom ingeslikt en ’s middags heb ik honger als een paard. Ik ga dan op een drafje en bijna hinnikend naar huis en daar duik ik meteen in de koelkast, waarbij ik zelfs mijn jas aanhoud. Niet vanwege de koude in de frigo, maar gewoon, van de honger. Al mag het niet gaan zoals dit jaar met Driekoningen. De geur van worstenbrood hing werkelijk overal in het kantoorgebouw. Een geur waaraan niet weerstaan is. In de gang, in de lift, ja zelfs in het toilet meende ik het te ruiken. U hoort me al komen. Het vlees is zwak. Ik heb ’s morgens een worstenbrood naar binnen gewerkt. Maar vertel het niet verder. Het zal me niet meer gebeuren. Wedden voor een appelbol?

Rudi Lavreysen
8 1

Met respect voor moderniteit en traditie

Er was eens een sprookje dat zichzelf wou heruitvinden. Jarenlang was het begeesterend verteld en in verschillende stemtimbres voorgelezen. Uitgebeeld ook vaak, bij amateurtoneelgezelschappen, en in tekenfilmvorm gegoten. Met figuren in plasticine was er ooit een bekroonde stopmotionfilm vervaardigd en op Aziatische webshops kon je zijn personages als actiehelden kopen, maar hoe je het ook draaide of keerde: inhoudelijk bleef de pointe wat ze was. Zijn zwart-witpersonages bekenden geen kleur en de spanningsboog hing er als een slappe vod bij. En dat verdroeg het sprookje niet langer. Het sprookje dacht na. Als het eens begon met een grondige update voor zijn hoofdpersonage? Dat pseudoheldinnetje, met haar duffe rode kapje en haar rieten mand vol cholesterolrijke versnaperingen. Het onnozele, brave kindsterretje was een noodlottige vlaag van zinsverbijstering van die twee Duitse broers geweest. Het sprookje mijmerde. Toen de dieren nog spraken en geen antropomorfische kunstgreep nodig hadden om in sprookjes te mogen figureren, was zijn hoofdpersonage geen katje om zonder handschoenen aan te pakken. De herinnering aan haar zinnenprikkelend karakter en dito uiterlijk vertoon was een balsem op zijn gekweld gemoed. Dat was me nogal een ferm wijf, monkelde het sprookje. Hoe ze onbevreesd en zonder schroom gevaren te lijf ging; die verre herinneringen kikkerden het sprookje geregeld op. Maar die twee puriteinse paters hadden plots bedacht dat het commercieel wellicht interessant was het rodeoortjesverhaal, dat tussen kruik bier en karaf wijn werd opgedist in de plaatselijke herberg, om te toveren tot een kleutervertelling, waarbij elke vorm van stoutmoedigheid en gratuit geweld angstvallig werd vermeden. Zo had het sprookje het niet bedoeld: nooit had het een zoethoudertje voor pagadders in pampers willen zijn. Zijn Roodkapje werd in ere hersteld, dat stond vast: kap over de haag en verleidelijk vrouwelijk wezen, blonde del van me! Even verstarde het sprookje: een #metoo-claim was wel het allerlaatste waar het op zat te wachten. Maar gesterkt door het straffe, eigengereide karakter van zijn nieuwbakken retroheldin, klopte het sprookje zich vol vertrouwen op de borst: dit was politiek helemaal correct, met respect voor moderniteit en traditie. Ook dat belerende vingertje moest omlaag, besloot het sprookje. Leve de ongehoorzaamheid! Luister voor een keer niét naar je moeder. Alsof zij het altijd bij het rechte eind kón hebben. Het sprookje had geen moeder, dus het had misschien makkelijk spreken. Maar toch, dit voelde als een juiste beslissing. Het sprookje kreeg een opstoot van energie: waarom had het zolang gewacht om zijn leven om te gooien? Wie vandaag nog een ander de les wil spellen, is een norse boomer, bah. Sprookjes brein knetterde: wat als die boomer de slechterik van de nieuwe lichting werd? Een harige boomer met grote oren, ogen en tanden, belust op een lekker omaatje? Het sprookje kon een triomfantelijke glimlach niet bedwingen. Bestaat er een saaiere locatie dan een huisje in het bos? Het sprookje twijfelde. Het besefte dat qua huizenhoog cliché een kasteel of een land hier ver vandaan nog zwakker scoorden, maar levensvreugde schonk deze setting het sprookje allerminst. Soms werd gewag gemaakt van een betoverd bos, maar het bleef gissen naar de bewijzen voor dit kwaliteitslabel. Een wolf, een jager, de grootmoeder, een kronkelend pad: het sprookje had ze al meermaals van erg dichtbij bestudeerd en van magie was geen sprake. Het sprookje wikte en woog: het kleiveld in de polders en de meanderende rivier in een kloofdal vielen af, om velerlei redenen, dus besloot het finaal te kiezen voor ‘de betoverde stedelijke inbreiding’ als zijn nieuwe fabelachtige setting, met respect voor traditie en moderniteit. Niemand mocht claimen dat het sprookje niet mee was met z’n tijd. Hoe het dat ‘betoverde’ zou concretiseren, daar moest het sprookje nog eens grondig over nadenken. Nog was het sprookje niet tevreden. Het wilde van de jager af. Dit idee was niet zozeer ingegeven door een haast puberale rebellie tegen de gevestigde waarden, maar het sprookje vond de jager gewoonweg een kleffe allemansvriend, een patser zonder ruggengraat. Dat die op het eind de redder in nood kwam spelen? Van zo’n happy end werd het sprookje niet blij. Het voerde een ingrijpende wissel door: de jager werd zonder pardon opzijgeschoven voor de creatieve copywriter op het vliegend tapijt, met respect voor moderniteit en traditie. Het sprookje had nog één wens: het benijdde vele van zijn soortgenoten om de luxueuze trouwpartij op het einde. Het zou experimenteren met een paddenstoel of, via via, een magische appel ritselen: een heerlijke trip van zeven dagen en zeven nachten. Zo’n epiloog ontzegde het sprookje zich toch niet? De lijdende voorwerpen voor dit feest lagen voor het grijpen en met slechts drie personages waren de mogelijke combinaties perfect te overzien. Met respect voor moderniteit en traditie liet het zijn oog vallen op Roodkapje en de creatieve copywriter: ze waren een gedroomd koppel dat hoge ogen zou gooien op de dansvloer. Het sprookje droomde van wereldberoemde deejays, multiculturele eetstandjes en een mobiele EHBO-stand. Misschien kon de creatieve copywriter zijn tapijt als taxidienst openstellen voor de aanwezigen? Mensenlief, wat een brainstorm, zuchtte het sprookje. Het moest even bekomen. Het sprookje overliep zijn boude beslissingen en de verstrekkende gevolgen bij een hoog opgeschoten bonenstaak. Zeker, het was een totale omwenteling van zijn existentie. Maar een revolutie op tijd en stond: dat hield je alert. Rust roest: het kende zijn klassiekers en een gelukzalige gloed maakte zich van het sprookje meester. Tijd voor thee in het peperkoeken huisje om alle emoties door te spoelen. Even later nipte het sprookje van een sprekend kopje en het leefde nog lang en gelukkig.    

MaartenV
118 3