Zoeken

Vast

De ijzeren poort valt met een metalige klik achter me in het slot. Een paar seconden lang blijf ik staan en wrijf met mijn linkerhand over mijn geschoren kop. Buiten. Voor het eerst in jaren proef ik echte verse lucht in plaats van die mengeling van stinkende sokken, zweet en waterachtige tomatensoep. Dit voelt fucking great. Het is vreemd om terug mijn eigen kleren te dragen, ze herinneren me aan de jongen die ik was toen ik hier binnenkwam. Ik zet mijn oude Antwerp-pet op, krom met beide handen de klep. ‘Christos!’ Met uitgestoken hand komt Hugo naar me toegelopen. Zijn kaki parka is te groot en de pijpen van zijn geklede broek te lang. ‘Ben je er klaar voor?’ Ik vergeef hem zijn zenuwachtige lach, ik moet mijn focus zien te behouden. ‘I was born ready, Hugo. Ik ga het goed doen deze keer. Serieus.’ Ik schud zijn slappe hand en trek de kraag van mijn jeansjas recht. ‘Hebben we nog tijd voor een sigaretje?’ Zonder zijn antwoord af te wachten schud ik een Bastos uit het verkreukelde pakje en steek hem op. De eerste trek is altijd bitter, maar hier komt de smaak zoveel sterker binnen dan achter de muren. Ik heb zo lang uitgekeken naar het moment dat ik hier zou staan. Het is anders dan ik had gedacht dat het zou zijn. Ik neem een trek, gooi mijn hoofd in mijn nek en adem nog dieper in. Hugo glimlacht en neemt plaats achter het stuur terwijl ik de rook langs mijn neusgaten uitadem. Aan de autospiegel hangt een grote rode dobbelsteen van pluche. Normaal rook ik mijn sigaretten helemaal op tot aan de filter, binnen zijn ze schaars goed en vooral overprijsd. Nu neem ik haastig nog een lange trek, gooi de halve Bastos op de grond en trap hem uit met mijn voetzool. Gewoon omdat het kan. Binnenkort kan ik zoveel sigaretten kopen als ik wil. Ik open het portier van de wagen en probeer plaats te nemen op de passagiersstoel. Mijn benen zijn te lang, mijn knieën zitten pijnlijk tussen mijn eigen lijf en het handschoenkastje gekneld. Wanneer we een twintigtal minuten later een parking oprijden, krijg ik een opgewonden gevoel in mijn maag. Mijn darmen rommelen en mijn linkerbeen trilt onophoudelijk, ik krijg het maar niet onder controle. Ik hoop dat Hugo het niet opmerkt. Ik moet deze job gewoon binnenhalen. Mijn hele toekomst hangt van dit moment af. ‘Het is zover,’ zegt hij zacht terwijl hij de motor van de wagen stil legt. Het is aan mij. ‘Wat is het eerste dat je gaat doen wanneer je vrijkomt? Ik bedoel, als je deze job in de wacht sleept?’ Ik hoor een lichte aarzeling in zijn stem. Nu pas besef ik dat ik niet weet of hij op de hoogte is van mijn dossier, maar zijn blik verraadt niets. ‘Weet ik niet. Ik mag de rest van mijn straf in huisarrest met een enkelband uitzitten. Overdag werken, ’s avonds thuis.’ Zonder er erg in te hebben leg ik een rare klemtoon op het woord thuis. ‘Ik wil wel naar het frituur gaan. Een grote met satékruiden en een curryworst special bestellen. Met curryketchup.’ Hij lacht en legt zijn warme hand op mijn schouder. ‘Ik weet zeker dat je het goed gaat doen. Blijf gewoon rustig. Laat je niet uit je lood slaan, jongen. Je bent het waard.’ Ik kan me niet herinneren dat iemand ooit zoveel vertrouwen in me heeft gehad en ik vind het moeilijk om niet te laten zien hoe erg zijn woorden me raken. ‘Ok. Wish me luck!’ zeg ik terwijl ik mijn opgetrokken benen uit de auto wring. ‘Ik duim, man. Ik kom je binnen een uur hier weer ophalen.’ Ik sla het portier van de wagen dicht, te hard, en loop naar de deur waarop ik in witte letters ‘onthaal’ zie staan. Wanneer ik achterkom kijk, zie ik dat Hugo een duim naar me opsteekt.  Today is the first day of the rest of your life, denk ik terwijl ik even een vuist maak om mezelf op te peppen. Ik wil naar het onthaal lopen, maar mijn voeten willen niet mee. Achter me start Hugo de motor terug, voor ik het besef rijdt hij weg. Voor het eerst in bijna tien jaar ben ik helemaal alleen. Niemand heeft me in de gaten, ik zou perfect kunnen weglopen. Tegen dat Hugo door heeft wat er gebeurd is, zou ik allang verdwenen zijn. Het weer is omgeslagen, de wind striemt in mijn gezicht. Binnenkort is het zover, de speeltijd is voorbij. Verstandig zijn. Ik mag het deze keer niet verpesten. Mijn blik glijdt over het grote gebouw waar ik binnenkort zal komen werken. Het is zo indrukwekkend groot dat ik er ongemakkelijk van word. Hoe moet ik dit allemaal doen? Ik knijp mijn ogen dicht en probeer rustig adem te halen, zoals ik het in de agressiebegeleiding heb geleerd. Dit keer lukt het niet, ik krijg bijna geen lucht binnen. Ik heb een groot deel van mijn volwassen leven achter tralies doorgebracht, en nu moet ik het plots zelf gaan doen. Waar zal ik gaan wonen? Ik adem diep in en uit en begin doelloos te wandelen. Ik moet mezelf zien te kalmeren. Ik mag het niet verpesten. Niet nu. Wat als ik niet sterk genoeg ben? Wat als het weer fout loopt? Ik kan dit niet. Dit komt niet goed. Wat moet ik doen? Het lijkt wel of er een steen van honderd kilo in mijn hoofd zit. Ik kan niet helder meer nadenken, ik moet hier weg.

Annelies Leysen
0 0

De Geloogene van Troch

Er was eens, niet zo héél lang geleden en niet zo héél ver van hier, een mannetje met een muts van walviswol. “Walviswol? Dat bestaat toch niet?”, hoor ik je luidop denken, “Een walvis leeft toch in zee... zijn huid is glibberig en glad... die heeft toch helemaal geen wol om het lijf?” Ja, dat is inderdaad zo… op één enkele uitzondering na: de witte wolharige wentelwalvis. Slechts één keer om de drie eeuwen duikt die op aan de monding van het beekje van Bach, in het kleine dorpje Troch aan de Kleumzee in Covidië. We schrijven november tweeduizend twintig, exact drie centennia na zijn vorige passage.
De legende leert ons dat de witte wolharige wentelwalvis steeds opnieuw naar Troch trekt, als enige plekje in de hele wereld, om er zijn oude vacht af te schudden. Hij wentelt en woelt er de oude wol van zijn immense romp af. Schuivend en schurend langs de keien op de bodem van het beekje van Bach. Tot het ruien voorbij is en de laagstaande novemberzon zijn nieuwe jonge wollen vacht doet schitteren net onder de waterspiegel.Klaar voor een nieuwe duik naar de donkere dieptes van de Kleumzee. Klaar voor alweer driehonderd jaar. We keren even terug naar het mannetje met de walviswollen muts: hij leeft, woont en werkt al zijn hele leven in het bos van Troch aan de Kleumzee. Hij plukt er verse zweembessen en bobbelzwammen. Daarmee brouwt hij zijn heerlijke Kworq. Eten hoeft hij niet: hij drinkt een frisse Kworq, soms twee, en lest verder de dorst aan het beekje van Bach dat zich stroomafwaarts een weg kronkelt door het bos richting zee. Het water kolkt er over de rolkeien op de tonen van ‘Das Wohltemperierte Klavier’. Tenminste, zo klinkt het toch in zijn gekke hoofd. Dat gekke hoofd van hem, met die muts van walviswol. Het is die wol, jawel precies dié wol, die de Geloogene van Troch héél secuur verzamelt langs de bedding van het beekje van Bach. De Geloogene van Troch. Zo noemt men hem in de Grote Stad.Hoe het mannetje met de muts van walviswol écht heet, dat weet niemand.
Zes, soms wel zeven jute zakken vol walviswol sprokkelt hij bij elkaar. En dat eens in de driehonderd jaar.Hoe oud hij dan zelf wel wezen mag? Ook dat weet niemand.Dagenlang zal hij spinnen en twijnen tot er uiteindelijk breigaren zal verschijnen. Neen, niet met een ouderwets spinnewiel zoals sommige sprookjes je willen laten geloven, maar met een heuse semi-elektronische Rieter G37, driefasig aangedreven op 400 volt. Inclusief rode noodstopknop. We zijn tenslotte tweeduizend twintig. Het mag vooruit gaan, toch?
Die machine levert hem met Zwitserse precisie het perfècte breigaren van walviswol voor zijn nieuwe walviswollen muts. De oude is versleten en zijn moeder mag het niet weten. Zij zal het ook niet te weten komen want ach, het mensje is niet meer… Troch hebbe haar ziel.Het was zij, het moedertje, die steeds zijn walviswollen mutsen breide. Toen ze haar einde voelde naderen leerde ze hem nog snel de kneepjes en knoopjes van het vak. Zijn eerste breisels waren schots en scheef. Hij liet meer steken vallen dan hij oprapen kon. Na vele avonden oefenen mocht hij opgelucht trots zijn op het resultaat.De Geloogene van Troch bleef alzo immer goed gemutst.Toen het breien erop zat stortte hij zich vol overgave op zijn andere taak: het brouwen van een nieuwe ketel Kworq. Hij plet de juiste hoeveelheid zweembes, voegt een nauwkeurig afgemeten dosis op droedelhout gerookte bobbelzwammen toe, wat poeder uit het blik zonder etiket en lengt alles aan met zuiver water uit het beekje van Bach. Hij brengt het mengsel zachtjes aan de kook en opteert voor een inductiekookplaat als warmtebron. Vooral omdat het reinigen ervan vrij eenvoudig is moest het boeltje overkoken, wat wel eens kan gebeuren. Op een houtvuur zou dat sowieso leiden tot hevige rookontwikkeling en prikkende ogen. Dat wil het mannetje met de walviswollen muts helemaal niet. Echt niet! Op een dag, het was zelfs gisteren, verneemt hij dat vele mensen uit de Grote Stad ernstig ziek worden. Er waart een vreemd virus door Covidië. Sommige mensen sterven er zelfs aan, in afzondering en mensonterende eenzaamheid. Het sociale leven ligt er inmiddels zo goed als lam: horeca, sport, cultuur, evenementen… nada, niente, niets. Het isolement is moordend en het einde lijkt nog lang niet in zicht.Het mannetje met de walviswollen muts bedenkt zich dat zijn zelfgebrouwen Kworq wel eens een oplossing zou kunnen bieden. Voor alle zekerheid voegt hij aan zijn beproefde recept nog een snuifje Registered Trademark toe.
Zijn Kworq® heeft hem steeds goed geholpen tegen puisten en zweren, constipatie, hoofdpijn en zelfs hongerige beren. Want die zijn er ook wel, in het grote bos van Troch. Hoewel ze liever alle contact met mensen vermijden en waarschijnlijk net zo bang zijn voor jou als jij voor hen, kan een zakflacon gevuld met Kworq® toch een zeker gevoel van onoverwinnelijkheid bieden.

Zijn brouwsel zal de mensen uit de Grote Stad kunnen helpen. Dat weet hij héél zeker.Een kleine nip Kworq® voor iemand met milde symptomen, een flinke teug voor wie er erg of erger aan toe is. Met als enige doel: snel weer aansterken en genezen, vooral niet sterven, gezond blijven en elkaar heel graag zien!
Niet geheel onbelangrijk in dit hele verhaal is de Covidische kantlijn: de dunne lijn die fictie van realiteit scheidt in Covidië…Het mannetje met de walviswollen muts hoopt dat de mensen uit de Grote Stad nooit, maar dan ook NOOIT zèlf wanhopig op zoek zouden gaan naar het dorpje Troch aan de Kleumzee.Ze zullen het immers niet vinden.Het beekje van Bach evenmin. Tenzij… met héél veel fantasie… en een ferme portie geluk.
Maar dat is helaas niet iedereen gegeven. ‘Das Wohltemperierte Klavier’ kan tijdterwijl wat troost bieden.

En de Geloogene van Troch?Misschien bestaat die toch… met zijn muts van walviswol leeft hij lang, gelukkig en nog!

C.G. Leroi ©november 2020

charelroi
16 1

van mama voor Lotte

Lotte   Als alles goed gaat word ik nu verteerd en hebben de wormen flink hun werk aan me. Ik laat me niet zomaar doen, weet je wel? Ze moeten eerst langs mij passeren voor ze jou te pakken krijgen. Ik ben een vechter, dat heb je me zelf verteld. Mijn woorden kleven niet meer vast in proppen in mijn hoofd, zoals de dokter ons vertelde. Iedere minuut vliegt er nu wel een voorbij. Sommige klitten nog wat samen, maar de tocht hier doet flink zijn werk. Het lucht op om de antwoorden op jouw vragen van de voorbije jaren hier voor me te zien hangen. Ik schik hun woorden met punaises links en rechts van me. Zie je wel dat ze er waren? Weet je nog dat papa je belde? Nu ja, die ene keer toen hij me met rode punaises elk blaadje van de scheurkalender op de verjaardagskalender zag prikken? Hoe luid ik ook riep, ik moest ermee stoppen. Papa kon niet weten dat ik de dagen wou bewaren en net als verjaardagen wou laten terugkeren. Ik wou ze vastzetten, bijhouden. Ik probeerde tevergeefs de stapels in mijn hoofd in te tomen, maar het had geen zin. Woorden die zich de laatste jaren steeds hoger opstapelden geven zich niet snel over. Ze dansen nu om me heen. Enkele onder hen weten te ontsnappen, landen als houtduiven in een tuin en pikken hun snavels tussen de zoete geur van vers gemaaid gras. Dat droom ik toch. Hoe gaat het met papa? Vindt hij de afstandsbediening van de televisie nog steeds terug? Vergist hij zich al over welke dag de markt is? Hij doet zijn best, Lotte. Net als jij je best deed en naar me toe bleef komen, ook nadat ik je afblafte toen je me mijn geldbeugel afsnoepte bij de bakker en in mijn plaats betaalde. Bedankt dat ik de tafel niet meer moest dekken voor het Kerstfeest, bedankt om me een mes te geven wanneer ik met twee vorken at, bedankt voor je talloze pogingen om in de binnenkant van mijn hoofd te klauteren en me proberen te begrijpen. Bedankt. Geef liefde, Lotte, aan wie het je waard is. Verstil op het terras van je dromen en kijk rond je. Ooit vertel ik je stapels en stapels verhalen.   Liefs mama

de amechtige specht
0 0

Vuilzakkenruzie

Daar zaten ze, op meer dan anderhalve meter van elkaar. Er kon maar iemand zitten om de twee stoelen, die dan ook nog over de vloer schuurden wanneer ze verschoven werden. “Herman, wat ga jij vertellen? Dat het weer mijn fout is?” “Wat anders? Jíj bent altijd zo slordig. Ja, het is jouw fout!” Herman bekeek zijn buurvrouw laatdunkend en trok zijn jas weer bruusk dicht waarbij hij even bewoog en de stoel even schuurde. Sandra slaakte een geërgerde zucht. De gedempte woede was voelbaar in die koude wachtkamer waar de ramen openstonden. Maar binnen sijpelende nattigheid of niet, verluchten was tegenwoordig overal verplicht, ook hier in het gebouw der wet. Door de open deur zagen ze mensen in uniform, met mondmaskers op te mompelen, te roepen, te vragen. Hun drukte drong zich ook in deze kamer steeds luider op. “Nee Herman, dat is het niet. De huisregels zijn duidelijk. Je hebt ze zelf mee opgesteld … vroéger!” Ze benadrukte dat laatste. Hij zal toch al niet dement worden zeker? Maar die gedachte durfde ze Niet uitspreken. “Ja, dat weet ik nog. Toen hielden mensen nog rekening met elkaar én hielpen ze waar er nood aan was, júffrouw Sandra.” Herman durfde zijn gedachte evenmin uitspreken; dat verwende nest nauwelijks van school. Intussen warmde het maar niet op. Niemand die zich zorgen leek te maken over de pruttelende geluiden van de verwarming die waarschijnlijk in geen jaren ontlucht was. Zíj spraken anders wel luid genoeg. Zich verstaanbaar maken, daarvan hoefde  geen van beiden nog iets te leren. “Alsof ik het kan helpen dat ik overuren moet maken. Ik ben ’s avonds laat wel doodmoe. Dan zet ik jouw vuilzakken niet meer buiten als het mijn beurt niet is. Zeker niet wanneer ze zo zwaar zijn.” “Ze zijn niet zwaar!” “Niet zwaar? De laatste keer dat ik jou hielp, zat mijn schouder bijna uit de kom. Kon ik nog die vieze smurrie van de vloer vegen omdat jij te lui bent om plastic helemaal leeg te gieten en bij het PMD te doen.” De verbleekte poster tegen de muur ‘Goede buren maken goede vrienden’ leek een utopie op dat moment. ‘Geef mij maar een verre vriend,’ dacht Herman inwendig kokend. “Het moet zijn ‘de árm uit de kom’! En dat was niet mijn zak. Die was van Jef, onze buur op het gelijkvloers.” “En jij hebt daar tijd voor? Om uit te kijken wat van wie is? Wat dóe jij eigenlijk de hele dag?” “Dat zijn jouw zaken niet. Ik houd wél de boel in het oog. Het zou er anders nogal eens uitzien.” “Oei oei. Meneertje heeft het zwaar hoor, die enkele stofjes opvegen in de gang.” “Wel die van joú hè! En die van jouw vriendjes. Het zijn meer dan stofjes. Bij regenweer zijn het hele modderpoelen. Het zijn lege blikjes bier in de hoek van de hal gegooid. Het houdt niet op bij jou.” Die zat! Sandra zweeg even. Dit leidde nergens heen. Ze was echter te koppig om nu in te tomen. “Dat is één keer gebeurd, hoogstens twee. Daar ga je toch niet over zeuren?” “Zeuren? Wanneer ga jij eens rekening leren houden ….” Een geluid aan de deur deed hen opkijken. “Héla daar! Een beetje rustiger hé. We kunnen onszelf niet eens meer horen denken.” De agent was geïrriteerd. Verdorie, wat was dat vandaag? Nationale Dag van de Burenruzie? “Zijn jullie mevrouw Vissenaken en de heer Veys voor de burenruzie over dat huisvuil?” Ze knikten beiden, te geschrokken van het volume van zijn stem om zelf nog een geluid uit te brengen. “De volgenden zijn jullie! Niet lang meer!” Dat was duidelijk. Klatsj! Die deur was dicht! Het geluid gonsde nog na in Hermans oren. Hij dacht na. Hij had zoveel geprobeerd om Sandra op de uitvoering van het huisreglement te wijzen. Het enige wat ze trouw deed, was elke maand  de huur betalen. Misschien moesten ze toch eens echt vergaderen over alles wat er in hun gebouw makkelijker zou kunnen. Het bestond verdorie maar uit drie appartementen. Sandra begon zich ongemakkelijk te voelen. Was ze toch te ver gegaan? Die blikjes, die waren inderdaad van haar vrienden geweest. Ze wilde niet onderdoen in stoer zijn. En die vuilzakken in de gemeenschappelijke bergruimte, één keer om de drie weken buiten zetten, dat moest toch lukken? Ze voelde zich belachelijk. Werd het niet tijd dat ze zich meer openstelde voor haar buren? “Wat nu?” “De waarheid vertellen! Al zal de jouwe wel wat anders zijn dan de mijne.” “Euhm, Herman, waarom heb jij klacht neergelegd?” “Ik heb die niet neergelegd. Hoezo? Jij ook niet?” “Neen. Maar wie dan wel?” “Jef!” riepen ze simultaan. Ze sprongen tegelijk op van hun stoel en stoven naar buiten. Die zogenaamde hulpbehoevende buurman. Dié had pas de hele dag niets te doen. Ze zouden hem wel eens een klusje geven.

Anemos
36 2

De eerste foto

Ik heb een foto waarop Myrtel voor de eerste keer haar zusje ziet in het ziekenhuis. Ze kan maar net over de rand kijken van het witte bedje op hoge poten. Iedereen vroeg me waarom ik niet die andere foto had uitvergroot. Die waarop ze trots en lachend voor de camera poseert met haar kleine zus in haar armen. Nee, geef mij die eerste maar. Die blik is veel echter, intenser. Je ziet haar veranderen. Van enig kind naar grote zus. Plots beseft ze dat er echt een baby in mama’s buik zat. Een levend wezentje. En dat ze zelf ook in die buik heeft gezeten. Dat ze echt zo klein is geweest als op de foto’s in háár babyboek. Ze legt een handje op de rand van het bed. Ze wil haar zusje aanraken, maar ze durft niet. Jana is zo broos en breekbaar, net een popje. Maar Jana ademt, ze is geen popje! ‘Wil je haar eens vastpakken?’, moedig ik haar aan. Ze knikt. Onze eeuwige babbelkous kan even geen woord uitbrengen, dus ze knikt met alles wat ze heeft. Het resultaat is te zien op foto twee. ‘Ik zal goed voor haar zorgen’, zegt ze. ‘Want vanaf nu ben ik haar grote zus.’ Zoveel toegewijdheid doet me als kersverse moeder bijna in tranen uitbarsten. Bijna, want een kinderbelofte is vaak oprecht gemaakt, maar nog vaker oprecht vergeten. En ik wil haar ook niet met te veel verantwoordelijkheid opzadelen. Dat is voor de grote mensen. Twee en een half jaar later zijn we weer in het ziekenhuis. Hun vader heeft een knie-operatie ondergaan en ze mogen mee op bezoek. Van eerbiedige stilte is er dit keer geen sprake. De patiënt ziet er immers niet broos en breekbaar uit, maar eerder komisch in het gestippelde ziekenhuishemd. ‘Papa draagt een meisjespyjama’, giechelt Myrtel. Jana is gewoon blij om haar papa te zien. Ik geef de kinderen een kleurboek en wijd mij aan de gelofte die ik ooit gedaan heb: ‘in ziekte en gezondheid’. Plots komt er een verpleegster binnen. ‘Waarmee kan ik helpen?’, vraagt ze vriendelijk. We kijken haar allebei verbaasd aan. Ze kijkt één tel even verbaasd terug en ziet dan de kinderen. ‘Hebben jullie misschien op het knopje gedrukt?’, vraagt ze, nog steeds even lief. Jana wijst fier knikkend naar het knopje. Jawel, mevrouw, als ik op mijn teentjes ga staan dan kan ik er al aan. ‘Excuseer’, stamel ik. ‘Ik heb niet goed opgelet. Het zal niet meer gebeuren,…’ Ik zet ondertussen een paar stappen in de richting van de kinderen, maar Myrtel is me voor. Ze springt tussen Jana en de verpleegster in. ‘Niet boos worden op mijn zusje, alsjeblieft’, zegt ze met smekende ogen. ‘Ze is nog klein en ze wist niet dat ze dat niet mocht.’ Ze neemt Jana’s handje vast. ‘Kom, we gaan terug kleuren.’ Lachend verdwijnt de verpleegster uit de kamer. En ik moet stiekem een traantje wegpinken. De belofte was gewoon oprecht. 

Abetje
6 0

Er was eens een kleine papegaai

Er was eens niet zo lang geleden en ook niet zo ver van hier een kleine papegaai. Hij heette Rikkie en woonde samen met zijn Mamagaai en broertjes en zusjes in een dierenwinkel. Ze floten en kwetterden er op los en als ze moe waren kropen ze allemaal dicht en knus tegen elkaar aan en vielen in slaap. Vijf pluizige bolletjes op een rij op een grote tak. En helemaal op het einde Mamagaai als trotse grote bol. Iedereen in de buurt kwam graag kijken naar de papegaaien. Want stuk voor stuk deden ze kunstjes en ze konden zelfs woordjes konden nazeggen. Rikkie was de beste van allemaal. Als de winkel ’s morgen openging, verwelkomde hij elke klant met een ‘goedemorgen’. Als de kinderen na schooltijd nog even naar de winkel kwamen, kreeg hij altijd gratis snoep omdat hij zo mooi ‘een snoepeke voor Rikkie’ kon zeggen. En hij kon zingen als een nachtegaal. De eigenaar verwachtte dan ook dat Rikkie snel verkocht zou worden. ‘Jij bent mijn goudhaantje’, zei hij altijd. Maar Rikkie raakte niet verkocht. Toen week na week een donzig felgekleurd broertje of zusje van de tak verdween om mee te gaan met een nieuw gezin, kon Rikkie zijn enige foutje niet meer verstoppen. Rikkie had maar één pootje. ‘Het is niet erg’, zei Mamagaai steeds. ‘Dan blijf je maar bij mij. Anders is mijn tak zo leeg.’ Maar de eigenaar dacht er anders over. Hij had plaats nodig voor nieuwe kleine papegaaien. En hij vond het niet fijn dat Rikkie met alle aandacht ging lopen. Iedereen kwam de winkel ingelopen om een praatje met Rikkie te doen, niet met hem. Hij haalde Rikkie weg uit de kooi en zette hem ergens achterin de winkel. Op het onderste rek bij het hamstervoer, zodat hij door iedereen over het hoofd werd gezien. Mamagaai miste hem, maar legde nieuwe eieren zodat ze vijf nieuwe vrolijke pluisbolletjes had om voor te zorgen. Op een dag kwam er een gezin naar de dierenwinkel. Ze wilde graag een papegaai voor hun dochtertje Amalia. De vijf papegaaitjes zongen om ter mooist en deden de meest acrobatische kunstjes. Ze slingerden aan een touw heen-en-weer, ze reden op een éénwielertje en hingen ondersteboven. Maar Amalia schudde bij elke papegaai haar hoofd. ‘Ze zijn te vrolijk’, zei ze. Vader en moeder wisten niet wat te doen. Daarom wilde Amalia toch net een papegaai? Om haar op te vrolijken? Amalia zat sinds een auto-ongeluk in een rolstoel en was ontroostbaar geweest nu ze niet meer kon turnen en fietsen. ‘Ik ga zelf rondkijken en een vriendje zoeken’, zei ze. ‘Ik weet dat er ergens op de wereld iemand moet zijn die me begrijpt.’ Ze bewoog met haar handen de wielen van haar rolstoel en reed voorzichtig door de winkelgang. Rikkie zag haar en zong het mooiste liedje dat hij kende. ‘Wie zit daar?’, vroeg Amalia. ‘O, dat is niemand. Gewoon een kapotte papegaai’, zei de winkeleigenaar. ‘Die wil ik zien’, zei Amalia, ‘want ik ben zelf ook een beetje stuk.’ Rikkie zong harder en Amalia stuurde behendig naar de hamsterkooien. ‘Dus hier heb je al die tijd gezeten’, zei Amalia, toen ze de felgekleurde vogel zag die fier op één poot stond. ‘Ik wist wel dat er ergens op de wereld een vriendje was dat bij mij paste.’ Ze opende de kooi en Rikkie sprong meteen op haar schoot, waar hij zich knus installeerde. En zo reed Amalia de winkel uit, met een pluizige bol op haar schoot die een liedje zong. Haar ouders probeerden haar bij te houden met een grote kooi in hun handen en een zak pinda’s. Mamagaai keek Rikkie na en was zo trots op haar zoon. Hij had de liefde van zijn leven gevonden. Iemand die even veel van hem zou houden als hij van haar. Dankzij Rikkie ontdekte Amalia hoe leuk het was om te zingen. Ze was niet meer verdrietig dat ze niet meer kon turnen en fietsen. Wat er verder van hen geworden is, weet ik niet. Maar hou de volgende jaren dan Belgian’s got talent maar in de gaten. Want ik ben zeker dat Rikkie en Amalia het nog heel ver gaan brengen. En nog lang en gelukkig zullen leven.   

Abetje
3 0