Zoeken

Het zilveren belletje (Het Grote Bos deel 1)

De konijntjes van het Grote Bos speelden buiten. Allemaal? Neen, een familie zat gezellig rond de tafel. Nou ja, wat heet gezellig. Het hol was wel knus, overal langs de wand lagen kussens, de open haard brandde en het hout knisperde. Op tafel stond een grote trog vol wortelstamppot. De inhoud was onderwerp van hevige discussie. De vijftien broers kibbelden er op los, Pa Konijn hield zich afzijdig en Ma Konijn had zin om iedereen een lel voor z’n oren te verkopen, maar dat deed ze niet. Ze was bang. Er werd op tafel geslagen, er vloog al eens een glas door de kamer en Piet, de oudste zoon, had zelfs een mes in zijn houten bord gepind. Net toen Konijn acht en veertien op het punt stonden elkaar de hersens in te slaan, werd er luid op de deur gebonkt. Het werd stil in het gezellige konijnenholletje.             In het voortuintje stond Ome jan, de broer van Pa en de meest roemruchte telg uit het bekende konijnengeslacht. Zonder ertoe te zijn uitgenodigd, struinde hij binnen en nestelde zich op de gezelligste kussens. “Zo”, zei hij, zijn blik op de tafel werpend, “Wat schaft de pot? Of moet ik trog zeggen?”            Meer was niet nodig om opnieuw een kakofonie aan verwensingen op te wekken. Ome Jan kon toch ergens het woord “wortelstamppot” opvangen en meteen werd hij gloeiend kwaad. Hij sprong op de tafel, grabbelde de trog en smeet die woedend naar het andere eind van het hol. Iedereen keek nu naar hem. “Wat is dat voor smerige troep,” schreeuwde hij, “Jullie weten toch dat ik allergisch ben aan wortelen. De damp alleen al maakt me ziek. En niemand die me ook maar een beetje waarschuwt?”            Piet Konijn nam het woord: “Sorry ome Jan.” Hij liet zijn oren deemoedig platvallen. Het zilveren belletje dat hij in zijn linkeroor droeg, rinkelde zacht. “Onze excuses. We wisten niet dat je op bezoek zou komen. Onze fout. We hadden het moeten weten. Om het goed te maken wil ik champignons zoeken. Ik weet er in het bos staan.”            Bij het woord “champignons” was ome Jan verkocht. Hij was er dol op. En Piet vertrok zacht rinkelend. Een half uurtje later was Piet Konijn terug in het gezellige konijnenhol. In het bos had hij geen paddenstoelen gevonden, maar wel in het tuintje van Reinaert, de vos. Radeloos als hij was, stal hij zijn mandje vol. In het konijnenholletje was het overigens nog steeds een kabaal van jewelste, maar toen Piet zijn champignons begon klaar te maken en de geur van look het hele holletje vulde, werd het stil. Ome Jan likkebaardde. Eindelijk kwam het heerlijke ruikende gerecht op tafel. Ome Jan smikkelde en smulde en liet geen steeltje van de paddenstoelen over. Zo heerlijk had hij nog nooit gegeten en hij nodigde zichzelf uit om elke woensdag champignons te komen eten. Niemand durfde tegen zijn wens in te gaan. De volgende woensdag had Piet Konijn opnieuw paddenstoelen gestolen uit de tuin van Reinaert, de vos. En ze smikkelden en smulden allemaal van de overheerlijke maaltijd en niemand had het over wortelstamppot. Ome Jan at zijn buikje rond. Iedereen was gelukkig en het was echt gezellig in het holletje. Zo ging dat week na week na week. Piet Konijn werd een beetje roekeloos en dacht er niet meer aan dat Reinaert de diefstal misschien zou kunnen merken. Zo stal Piet week na week champignons en zo smikkelden en smulden ze tot op een kwade dag. Piet was net zijn laatste paddenstoelen aan het bijeen gappen toen plotseling Reinaert voor hem stond. “Haha, betrapt,” zei hij met een minzame glimlach rond de snuit, die hoegenaamd geen vijandigheid verried. “Jij bent het dus die mijn paddenstoelen week na week komt pikken. Laat mij raden voor wie ze zijn.” Reinaert streek even langs zijn pluimstaart. “Ome Jan? Dat dacht ik al. Weet je wat, lief klein konijntje? We zullen ome Jan en die andere wortelvreters eens een lesje leren.” Plots flikkerden de tanden van Reinaert vervaarlijk en als een verticuteermachine gingen ze door het zachte vlees rond de nek van Piet Konijn. Twee uur later werd er op het deurtje van het gezellige konijnenholletje geklopt. Daar stond Piet Konijn. Hij had geen champignons mee, maar een pastei die er heerlijk uitzag en meesterlijk geurde. Piet zette de pastei op tafel en niemand kon eraan weerstaan, zelfs ome Jan niet, die eerst nog geprotesteerd had over het gebrek aan champignons. Bij zijn eerste hap brak alle weerstand. Dit was een driesterrenmaal. Waar had Piet die pastei vandaan gehaald? Waar was hij van gemaakt? Hoezeer ze ook aandrongen, Piet wilde geen antwoord geven.             Toen de pastei bijna helemaal verorberd was, beet Pa Konijn plots op iets hards. Een pitje van het een of het ander? Hij spuwde het uit. Een zilveren bolletje rinkelde op zijn houten bord. Het was een belletje, het belletje van Piet. In een vreselijk moment drong het tot hem door: de pastei was Piet. Ze waren hun oudste zoon aan het opeten. Hij gilde het uit: het is Piet, het is Piet.             Op dat ogenblik ritste de buik van de Piet in het holletje, open. Reinaert sprong eruit en beet alle konijnen de keel over, behalve ome Jan.            “Wel?” vroeg Reinaert, “Wat vond je van mijn recept?”            “Bij leven mocht ik Piet niet,” antwoordde Ome Jan stoïcijns, “maar die pastei was verdomd lekker.”

Wim Dhaese
0 0

De koffer

Pas toen haar assistent het Starbucks-filiaal binnenwandelde, merkte Céline de reclamefoto op. Het paneel was minstens vijf meter breed en hing aan de muur tegenover een taxfree giftshop waar reizigers in afwachting van hun vlucht, vooral Belgische pralines en latten Toblerone kochten. De foto was genomen in een Amerikaanse stad en toonde een jonge vrouw op het trottoir, die onder een grote stalen constructie langs winkels en take-away restaurants liep. Wind blies het haar van de vrouw voor haar gezicht, waardoor ze onherkenbaar was.  Ze droeg een rode koffer.  De rest van de foto was in een korrelig zwart-wit afgewerkt. In graffiti-font was op het donkere staal dat de bovenkant van het beeld vulde, de slogan “Taking you home” aangebracht, met daaronder het logo van een Amerikaanse luchtvaartmaatschappij. Eigenlijk had Céline de foto al veel vroeger kunnen zien, maar ze was te hard in de spanning van het moment opgegaan om haar omgeving in ogenschouw te nemen. Haar assistent, een schattige jongen van drieëntwintig die Julian heette, had met haar nog de laatste agendapunten doorgenomen, maar op een gegeven moment had ze er genoeg van gekregen en hem richting Starbucks gestuurd. Daarna was ze op een stoel gaan zitten en had ze van Julians afwezigheid gebruikgemaakt om de spannende gebeurtenissen in haar leven te laten bezinken. Hoe ongelooflijk het was dat haar lingerielijn op social media een global event was geworden, welke stukken ze zou ontwerpen in het hoofdkwartier van de grootste designer van intieme mode ter wereld, hoe het appartement er uit zou zien in de Upper East Side. En hoe ze op het punt stond om terug te keren naar een stad die haar bijna had vermoord. Tot haar oog dus op de reclamefoto viel. Achter haar ging een alarm af, omdat een suffe reiziger met zijn scheerassortiment voor mannen het anti-diefstalsysteem te dicht was genaderd. Alleen klonk het geluid haar eerder dof in de oren, alsof er een muur tussen haar en de bron was opgetrokken. Wat ze namelijk op het reclamepaneel zag, leek alle zuurstof uit de luchthaventerminal weg te zuigen. Dit kan niet waar zijn, dacht ze. Even nog schudde ze langzaam haar hoofd en bracht ze haar vingertoppen naar haar mond.  Daarna sloeg het besef haar keihard in het gezicht: de jonge vrouw op de vijf meter brede reclamefoto was zij! Ze herkende zichzelf niet alleen aan de kleren die ze droeg (een legging, versleten Doc Martens en een kleedje dat niet helemaal haar maat was omdat ze het in een impuls uit de American Eagle Outfitters op Times Square had gejat), of aan de buurt in Brooklyn waar ze doorheen liep, maar vooral aan de rode koffer die ze stevig in haar linkerhand droeg. Céline kon hem gemakkelijk uit een stapel van duizenden gelijkaardige exemplaren aanwijzen. Op de zijkant kleefde namelijk een sticker die ze bij aankomst in New York had gekregen in een hamburgerrestaurant op de luchthaven van Newark. Ze herkende de koffer ook aan de versleten cijfersloten en aan de schreef die erin was getrokken toen hij een keertje was komen vast te zitten in een draaideur op de Galapagoseilanden.  O ja, het was absoluut haar koffer, daar op die reclamefoto. En zij was degene die hem droeg, daar in Brooklyn, New York. De neonreclame van de takeaway op de afbeelding was grijs. Maar Céline wist dat hij in werkelijkheid gifgroen was. Hoeveel malen waren zij en Jerôme niet bij die B&K Fish Mini Market naar restjes gaan schooien? Soms was het hen gelukt; andere keren waren ze onder luid gevloek terug de straat opgestuurd. Ze herkende zelfs het jonge zwarte meisje dat op de stoeprand haar vingerpoppetjes telde. Macy, de dochter van de eigenares van het nagelsalon. Eigenlijk kon de foto maar op twee momenten zijn genomen. Ofwel bij haar aankomst in Brooklyn, op weg naar Jerôme; ofwel onderweg naar het vliegveld, wég van Jerôme. Céline kwam tot het besef dat de laatste optie de juiste was. Toen ze zichzelf daar zag lopen, onder het premetrostation ter hoogte van Kosciuszko Street, bevroren in de tijd, herinnerde ze zich dat er een scheur in haar legging zat, ter hoogte van haar kruis. Dat beeld bracht meteen een nieuwe golf van herinneringen met zich mee.  Het was de bloedhete zomer van 2011. Ze was halsoverkop verliefd geworden op Jerôme, een Amerikaanse jongen, type emo, die ze in een chatbox voor street photographers had leren kennen. Ze was hem in New York komen bezoeken met het voornemen om er een tijdje te verblijven, maar lang had het niet geduurd voor de kwelgeest in het leven van Jerôme zich met de relatie was komen moeien.  Crystal meth had hen eerst een ongelooflijke high bezorgd, maar daarna had de drug geldproblemen achter hen aan gestuurd, en schuldeisers. Die schuldeisers waren op een verstikkende zomeravond de kamer op Pulaski Street binnengedrongen en hadden Jerôme voor een ultieme keuze gesteld: ofwel zouden ze zijn benen versplinteren met een voorhamer, ofwel zouden ze zijn vriendin neuken tot de hele bende het erover eens was dat de schuld was ingelost. Een man met uitpuilende ogen en een vishaak door zijn lip had de beslissing van Jerôme bekrachtigd door de legging van Céline open te scheuren. Na hem waren er nog drie anderen gevolgd. Elk hadden ze tergend traag en op hun eigen perverse manier duidelijk gemaakt hoeveel geld ze precies tegoed hadden. Het misbruik had misschien een uur geduurd, maar voor Céline kon het evengoed een eeuwigheid geweest zijn. Om het pijnlijke tafereel niet te moeten aanzien, had Jerôme zichzelf met een dubbele dosis richting comaland gerookt. Céline beet op haar onderlip terwijl ze strak naar de rode koffer op de reclamefoto keek. Drieëntwintig, rekende een analytisch deel van haar bewustzijn voor haar uit. Ik was toen drieëntwintig jaar. De ochtend na de verkrachting had ze het noodfonds van haar moeder aangeboord, een vlucht naar Brussel geboekt, haar koffer volgestouwd en de deur van het appartement achter zich dichtgetrokken. Met de kleren om haar lijf, waarin ze de vorige nacht nog was misbruikt, was ze richting premetrostation Kosciuszko Street gelopen. Wellicht had de gejaagde jonge vrouw met de knalrode reiskoffer toen de aandacht van een street photographer getrokken. Met een simpele druk op de ontspanner had hij of zij een brug door de tijd gecreëerd, over negen jaar van wanhoop en moeizaam herstel heen.  Hoe die foto, dit microfragment in haar leven, uiteindelijk op een reclamepaneel was terechtgekomen, interesseerde Céline niet. Het enige waaraan ze kon denken was de serendipiteit waarmee twee scharnierpunten in haar leven door een stom toeval in een luchthaventerminal waren samengekomen. Julian kwam haar tegemoet met een beker waarop haar naam met zwarte viltstift was gekrabbeld.  ‘Miss Céline, your espresso macchiato,’ zei hij eerbiedig, waarna hij haar de beker overhandigde. Ze streek een plooi in haar mantelpak glad en stond op.  ’Thank you Julian. I think business class is ready to board now.’ Voor haar voeten stond dezelfde rode koffer als degene die op de reclamefoto was afgebeeld. Al die jaren was ze hem blijven gebruiken en was hij met haar meegereisd. De koffer was niet veranderd, maar de vrouw wel.  Céline stapte statig met haar assistent richting gate. Deze bood haar nog aan om haar bagage te dragen maar dat weigerde ze.  Mocht iemand op dat moment vanuit de juiste hoek haar richting hebben uitgekeken, dan zou die persoon voor een fractie van een seconde twee vrouwen hebben gezien, die met dezelfde koffer in de hand in tegenovergestelde richting van elkaar weg wandelden. 

Steven Sanders
30 0

nachtvlinder

Klaarwakker kijk ik naar het plafond. Sinds het inluiden van mijn solitaire bestaan slaap ik met mijn gordijnen open, zodat een lantaarnpaal me troost kan bieden tijdens eenzame nachten zonder passie. Een warme gloed baadt mijn slaapkamer in een zachte oranje schijnsel en streelt teder mijn huid.  Het is een monotoon getik dat me uit mijn slaap houdt. Een mot katapulteert zichzelf repetitief tegen het raam, in de hoop te kunnen ontsnappen naar een andere wereld. Na een tijdje geeft hij het op en plakt zijn lijfje tegen het glas. Vanop zijn vleugels staren twee boze ogen me aan, ze zijn gitzwart en omtrokken met een penseeldun lijntje oranje. De rest van het gezicht gaat schuil achter een sober gestreept lijfje; als een masker van beige, grijs en wit. Ik bedenk dat we tegenwoordig allemaal motten zijn. Kwaad op moeder natuur droomt de mot van de kleuren van een echte vlinder, maar hij is slechts een grauwe afdruk van wat de werkelijkheid zou kunnen zijn. Hij verlangt naar zonnestralen om zijn vleugels te verwarmen, maar wordt gedwongen zich behoedzaam te manoeuvreren in een duistere schemerwereld. Bescheiden hervat de nachtvlinder zijn tot mislukken gedoemde ontsnappingspogingen. Tik tik tik tik. Zijn dansende vleugels hypnotiseren me in slaap. De nacht haalt me weg uit een wereld waar collectieve paranoia heerst, waar onderhuidse angst de overhand neemt op huidhonger, waar het laatste restje spontaniteit en zorgeloosheid als het sap van een citroen tot de laatste druppel uit de mens geperst wordt; en brengt me naar een wereld zonder rood-witte linten of tape op de vloer, en zonder mondloze wezens die me verkrampt aanstaren in de supermarkt. Een wereld waar de mens weer mens mag zijn. Dromend huppel ik op blote voeten door een bebloemd grasveld en vlecht een krans van madeliefjes in mijn haar. Er zijn anderen, en we dansen in lange witte gewaden rond een kampvuur, hand in hand, tot de nacht haar intrede doet en ons verblijdt met een blinkende sterrenhemel. Het vuur smeult zachtjes na en we zitten nog met twee te turen naar de tekeningen die de dampende slierten maken boven de gloeiende kolen. Zoals de rook speels draait in de wind vinden onze lippen elkaar en lossen we op in een wervelstorm van warmte. Plots proef ik de dood in mijn mond. Ik spuug een stukje glas uit, en nog één en nog één. Een oneindige bron van glas, waar geen einde aan lijkt te komen, probeert zich uit mij te stoten. Terwijl ik klam en bezweet wakker schiet, probeer ik, wanhopig speeksel aanmakend, de glassplinters uit mijn mond te pruttelen; maar buiten een rauw en schurend gevoel ter hoogte van mijn verhemelte blijkt de schade beperkt. Mijn ogen scannen de kamer: Het raam is leeg, de mot is weg. Zou hij ontsnapt zijn? Heeft hij een uitweg gevonden uit deze dystopische wereld? Of blijft hij gevangen in eenzaamheid? Heeft  hij zich neergelegd bij zijn lot om de rest van zijn leven te slijten in de quarantaine van mijn slaapkamer? Kiest hij voor onbevangenheid of voor eeuwige achterdocht?  Mijn sloffen schuiven zich rond mijn voeten en dragen me naar de badkamer. Terwijl ik mijn tanden poets, vraag ik me af wat mijn droom me wou vertellen. Zou hij me willen straffen omdat ik het waag om me ondoordacht over te geven aan mijn gevoelens, aan mijn drang naar verbondenheid? Ik besef dat zelfs in mijn diepste onderbewustzijn mijn hang naar intimiteit genadeloos de kop wordt ingedrukt en me als straf doet ontwaken met een droog en prikkend gevoel op mijn tong. Ik hoop dat ik het ooit kan loslaten, dat ik ooit weer mezelf durf geven, zonder teveel te piekeren of ik daarmee mijn doodvonnis teken. Mijmerend schrob ik mijn tanden verder en spuug het teveel aan schuim uit in de wasbak. Ik kijk naar beneden en mijn aandacht wordt getrokken door iets wat daar niet hoort te zijn.Tussen het wegebbende schuim wordt een grauwe snipper zichtbaar. En vanop die snipper kijkt het me roerloos aan: Een gitzwart oog, oranje omlijnd.   Marmerpiek - Mei 2020

marmerpiek
39 0

Hoe ik de ziel kocht van een vlogger

Hoe ik de ziel kocht van een vlogger Vorige week werkte ik in de nacht bij een drukkerij. Daar moest ik stickers snijden. Veel stickers voor veel geld. Geld gebruik ik niet, ik kwam voor de reality check. Zo kan het ook zijn, kan ik dat aan? Het antwoord: ja. En nu heb ik geld over. Dus ik kocht een website: verkoopjeziel.online. Het leek mij grappig. De deal was simpel: ‘schrijf je in, met je naam en adres en je ontvangt een tientje’. En een brief, maar dat bleef onvermeld.Om mijn dienst te promoten koos ik voor selectieve marketing. Dit aanbod is alleen voor dagelijkse vloggers, dat had iets met de rentree van een dader te maken. Ik koos een top 5, en spendeerde duizend euro aan gerichte Facebook en Insta advertenties. Ik kreeg één naam en een adres.  ☒ ‘ja, ik verkoop mijn ziel en ontvang een tientje’.  Ik kijk graag naar Kees van der Spek. Hij kreeg ooit te maken met een waarzegster. Je had twee keuzes: betaal veel, en ze voorspelt je gouden bergen, of, betaal niks, en je voelt je misselijk na haar verhaal. Kees zijn redactielid kwam somber terug na een gesprek met deze vrouw. De redactrice was voorbereid en ongelovig. Toch was de dag, om één uur in de middag, voor haar voldoende. “Wat een nare dingen zegt die vrouw.” Ik heb haar opgespoord, de waarzegster natuurlijk. Ik heb haar euro’s toegeschoven in ruil voor tekst. YouTube heading: “Ik verkocht mijn ziel” (reactievideo) – Kanaal: [op verzoek verwijderd] “Welkom bij mijn vlog, vandaag doe ik weinig. Ik had een plan met deze dag, maar het plan dat is verloren. Ik heb mijn ziel verkocht, daar heb ik spijt van. Het klinkt gek, dat weet ik. Het was via een rare site, ik kreeg er een tientje voor. Ik ben niet bijgelovig, dus ik dacht: gratis geld. Het tientje kreeg ik, snel, ik gebruikte het als korting voor deze nieuwe trui. Maar dagen later kreeg ik een brief. De enveloppe was netjes, met goud versierd en met zo een middeleeuwse stempel. Toen ik begon met lezen kantelde mijn maag. Er stonden nare dingen in, zoals dat mijn ingewanden ziek zijn, mijn geld zal verbranden en dat mijn opa in de hel zit en in mij teleurgesteld is. Het is heel gek, wat woorden met je doen. Peace out, tot morgen misschien.

Dromedaris
9 0

Tessa

Met een zucht opende Tessa de deur van haar kraaknette rijwoning en liep de gang in.      Zij hing haar jas aan de kapstok en wierp ondertussen een vluchtige blik in de spiegel van de pas aangekochte en veel te dure halkast.  Alweer liet zij zich overhalen door Pieter, ging het door haar heen. Pieter met de slechte smaak, behalve wat vrouwen betreft, ook die van anderen.Wat zij in de spiegel zag verwonderde haar niet.  Hoewel zij een beeldmooie vrouw was, reflecteerde haar spiegelbeeld iets anders.  Haar gezicht leek wel in een grimas verwrongen.  Ze kon de boosheid van haar gelaat aflezen en het leek wel alsof dat allesoverheersende gevoel van woede aantekeningen achtergelaten had.  Dat was wat Tessa zag. Dat was hoe Tessa zich voelde. Nochtans, dat was niet hoe anderen haar doorgaans zagen. Die zagen enkel haar altijd perfecte kapsel, de blonde lange haren, stralend van gezondheid.  Haren die duidelijk door de duurste shampoo verwend worden. Tessa was niet meer van de jongste maar zij was één van die weinige vrouwen die op die leeftijd nog met zulke lange haren weg konden komen. Zij ging de deur nooit uit zonder perfect aangebrachte make-up en zij slaagde erin die zo aan te brengen dat je gewoon niet doorhad dat zij überhaupt make-up droeg. Lichtjes aangezette ogen, die de blauwe kijkers nog meer lieten oplichten. De lippen gestift met de juiste kleur,  ze had er lang genoeg over gedaan om de kleur te ontdekken die haar lippen de volheid gaf die mannen zo aantrekkelijk vonden.  Rouge mortel van Dior.  En Tessa?  Zij was gewoon Rouge mortel ! Finishing touch:  blush op de wangen.  Dit gaf haar net dat beetje extra, om de look àf te maken. Maar op dit ogenblik zag Tessa dit alles niet.  Zij las niks dan woede in de spiegel.  En zij zag en voelde vooral haar Dior-lippen nog na-trillen.Wat een eikel ! Hoe kon hij ! En hoe kon zij in godsnaam voor hem gevallen zijn?  Wat had ze nu gedacht ? Dat hij voor haar zijn ideale gezinnetje zou opgeven? Hadden ze haar niet gewaarschuwd?  Ga nooit voor je baas !  Not done ! Ja, ze had waarschuwingen genoeg gekregen. Lessen ‘goede raad’ voor beginners.  Maar als de passie onder je huid zit,  probeer dan maar eens om met beide voeten op de grond te blijven.  Sinds zij en haar baas ‘iets’ hadden, leek passie wel onzichtbaar getatoeëerd over haar hele lichaam. Tessa schopte haar schoenen uit.  Daar zie, een cadeau van hem.  Rode hoogvliegers, gekregen van een laagvlieger.  Ze glimlachte terwijl ze de zin uitsprak, haar baas… een laagvlieger. Het deed haar deugd op die manier over hem te denken.  Maar het maakte haar niet minder boos.  De mooie rode schoenen moesten het ontgelden. Ze schopte ze nog verder de gang in.  Ooit was zij er stapelgek op.  Zij had ze zien schitteren in de etalage van 1 van Knokke’s hipste winkels. Het prijskaartje loog er niet om en deed de winkel alle eer aan. Voor haar baas was de prijs peanuts en een week later stond een flashy tasje te schitteren op haar bureau.  Het tasje ademde Tessa.. Cadeau van de baas…. rode sexy schoentjes voor Tessa.  

Inge P.
8 1

Koude Koffie

Ik merk hoe ze stilaan ongeduldig wordt.'Waar zegt u? Hoe komt u daarbij? Neen, vorige week in de wasplaats, meneer.'Ze loopt heen en weer door de kamer, voor het raam waar zware overgordijnen de middagzon buiten houden. 'Ja, hij stond er verdorie naast. Die vent is gewoon naast hem neergevallen, zomaar, ineens. Morsdood was hij.’Ik hou mijn blik strak op het zwakke gloeilampje boven de ontbijttafel.Toch zie ik hoe ze me aankijkt met ogen die even naar een punt hoog in de kamer verdwalen. Ik zucht. Ze verlegt haar mobieltje naar het andere oor.‘Ja…’ aarzelt ze en ze knijpt in haar paardenstaart tot haar vingers wit zien.Ach, ze doet maar wat ze niet laten kan. De koffie is koud. ‘Ja, daarom juist… ja…, neen…, luister nou even, meneer de direc… neen meneer, onze zoon heeft gewoon in paniek het verkeerde gepakt!’Ze kijkt weer met opgeslagen ogen en briest verder op en af door de kamer.‘Neen, het lag daar vóór hem op de wastafel, naast het andere. Je weet toch ook wel hoe onze Bert is.’ En nu gaat ze de overbezorgde moeder gaan spelen, zie. Ik doe alsof ik het niet merk.‘Heel gevoelig, ja. En snel van zijn melk. Je zou voor minder hé? Die jongen lag daar met halfopen mond naast hem op de grond. Met een straaltje kwijl op zijn kin, zo zei hij het. Hij is daar erg van geschrokken.’Ze kijkt me met een veelzeggende grijns aan terwijl ze met haar vinger een paar keer heftig naar haar mobiel wijst. Ze wisselt weer van oor, luistert even en zegt gelaten:‘Hij heeft het in zijn zakdoek gedraaid en is naar zijn kamer gelopen. Ja, zo vertelde hij het me gisteren.’Ik glimlach flauw en concentreer me op het kopje koude koffie. ‘Neen. Nee, pas de volgende dag. Bij het middagmaal, ja. Nee, hij kon niet eten.’Ze zucht nu erg luidruchtig.‘Maar neen, het past gewoon niet. Absoluut zeker!'Ze houdt haar hand over haar mobiel en fluistert me toe: 'Hij probeert ertussenuit te komen, maar 't gaat niet pakken, zie!'Ik roer wat in het kopje. 'Ja, precies, dat bedoel ik nou net, het is tenslotte toch een zorgcentrum daar bij jullie, of niet soms? U kent ons Bertje toch ook? Nee, zó snugger is hij nu ook weer niet.’Mijn vrouw kijkt aandachtig naar haar voeten en haalt diep adem.‘Ja, dat snap ik wel.' zucht ze. 'Nee… en is die jongen ondertussen reeds begraven, zegt u?'Haar ongeloof groeit zienderogen.'Maar ons manneke is wel zijn gebit kwijt hé! Dat heeft me vorig jaar nog twaalfhonderd euro gekost!’Ze danst nu opgewonden van het ene been op het andere.‘Neen, natuurlijk niet. Neen, je kan hem niet terug boven spitten! Ja… Nee, dat snap ik, meneer de directeur. Oké, daar reken ik dan op. Ja…, ja, neen, prettige dag nog…ja… en alvast bedankt.' Ze klapt haar mobiel dicht, geeft me een knipoog en kijkt me triomfantelijk aan.Ik mompel: ‘Jij ook nog wat hete koffie, schat?’                  

Guy Lejeune
12 0
Tip

Nachtwake

‘Dolf es duud.’‘He?’‘Dolf…es duud’‘Ja?’‘Ja.’‘Diene mens leefde niet geiren.’‘He?’‘Hij leefde niet geiren, diene mens.’‘Nieje?’‘Nieje.’‘Ja.’‘Ja ja.’ Fré’s vader kwam binnen, ging voor het raam staan en begon te roken.   Hij slofte naar de kelder. Rookte nogmaals en dronk. Wij stiekem ook. Door de Westmalle waren onze geesten even beneveld als de omliggende velden die door slierten duisternis de nacht in slingerden. Fré en ik hielden vanuit de living de wacht. In de stal stond een koe onrustig te trappelen. Het was augustus en er zouden kalfjes geboren worden. Wij speelden play-station en rookten sigaretten. We zakten steeds verder weg in de vergeelde statige zetel, de klok tikte zacht, seconde na seconde verdween in een onmetelijk diepe put. Wij hadden niet veel meer dan elkaar. We hielden er beiden van om gewoon te hangen. Soms keken we elkaar zoekend naar erkenning en veiligheid aan. We lagen dan wel dicht tegen elkaar in die zetel, maar nooit als onszelf. De nacht sluierde ons. Had maar iemand een ontwapenende zin kunnen zeggen.  Had het allemaal gekund, we hadden geschreeuwd, geblaft als honden die met bloeddoorlopen ogen rechttoe rechtaan op hun prooi stormden. We waren bang elkaars jager te zijn. Later die nacht zou het kalfje geboren worden. Met zijn zakmes sneed de buurman de navelstreng door en schilde daarna met datzelfde mes een appel. Er was jenever. De fles ging rond. Iedereen dronk. Er werd gelachen. Alles was goed.      

Thomas De Mulder
107 5

groot dictee 2020

De maan spuwt spatjes licht op de lange rijen boeken. Biler spitst haar oren. Ze luistert gespannen. Haar mond is kurkdroog en zweet druppelt op haar voorhoofd. Het is stil op straat. Ze haalt gespannen adem en zakt weg tegen de muur. Zonder geluid te maken komt ze overeind en trippelt langs de boekenkast. Ze sluipt op haar tenen, gebukt en houdt het raam in het oog. Koplampen reflecteren op de muur. Ze verstijft.                                                                Het licht glijdt verder en verdwijnt. Ze klemt het boek dieper onder haar taille. Stap voor stap sluipt ze de gang door. Haar hart klopt in haar keel.   Ze had gerend als een bezetene toen ze de groene mannen in het vizier kreeg. Net op tijd griste ze het spreukenboek weg, dat open lag op een houten sokkel.                                            De oude bewaker was in trance. Hij schommelde met gesloten ogen heen en weer in kleermakerszit. Onbegrijpelijke klanken ontsnapten uit zijn tandloze mond. Zijn kale schedel glom in het licht. Biler had snel gehandeld zonder op of om te kijken. Het boek stopte ze onder haar trui en ze propte de zoom onder haar broeksriem. Ze spurtte in een ruk de straat uit.                                 Weg van de groene mannen, weg van de markt.                                                                             In de Goswin de Stassartstraat hield ze halt achter de biggenrug vlak voor de bibliotheek.           De straat lag verlaten.                                                                                                                       Ze rende naar de inleverbus, scande snel de code op haar arm. Een woeste wind stak op en pijnigde de treurwilgen voor de Dossinkazerne.                                                                              Toen het cijfer twee eindelijk oplichtte, kroop ze, met het boek stevig onder haar trui, op de rolband, veilig door de inleverschuif. Ze smakte op de grond. Hees zich recht en keek het vertrek rond. Elke meter van de kamer was ingepalmd met boeken. Op de grond, in de kasten, op rolkarren, op en naast elkaar. Het plafond leek wel gestut door de hoge rijen stapels.             De deur van het vertrek stond wijdopen.  Biler sloop voorbij de inleverkasten, haar blik gericht op de schuifdeur voor de ingang.                                                                                                   De balie lag half verscholen in het licht dat uit de ramen scheen. Ze kwam uit in een lange gang. Grote raamdeuren gaven uit op de kloostertuin. Even stokte haar adem in haar keel. Groene schimmen doemden op achter de bankjes.                                                                        ,,Die verdomde maan…”. Ze haalde opgelucht adem.                                                                      De bankjes in de tuin waakten als geraamtes, strak in het gelid. Aan het uiteinde van de gang ontdekte ze de trappen die naar boven leidden. Op de muur hing een plattegrond van de bibliotheek. Ze hield halt bij het eerste raam dat uitkeek over de straat. De huizen dommelden in. Hier en daar brandde licht achter een gordijn. Ze zag de wind bonken op de fietsenstalling. Het metaal wrong naar alle kanten. De gedachte aan haar achtervolgers stuwden haar verder. Honderd meter verder, in de ijzige kilte, verzamelen de groene mannen, in het hof van Busleyden. De leider kreet ijzige klanken en kaffert zijn onderdanen uit. Zijn wangen kleuren asgroen om zoveel onkunde.                                                                                                           ,,Als ZIJ niet gevonden wordt, én HET BOEK”….foetert hij en beent de kring rond, ,,.....beloof ik jullie één voor één”… stopt beurtelings bij zijn trawanten en priemt met woeste blik, ,,....om te toveren tot het ALLER-laag-ste-schep-sel!......de schildwants!!!”                                                     Het apparaat om zijn hals braakt piepgeluiden uit. Hij drukt het tegen zijn oor en luistert met opeengeperste lippen. De groene mannen wachten in de gesloten kring. Sidderend om de straf die kan volgen.  Wachten tot hun leider een teken geeft.     Biler leunt tegen de kast achter haar. ‘’Kast 13 – 15 NEDERLANDSE LETTERKUNDE” staat er in drukletters. Ze haalt het spreukenboek tevoorschijn. In sierlijke krullen staan de woorden gegraveerd:  Liber sit sicut hortus, in sinum tuum.                                                                      Ze streelt het omslag. Snuift de specifieke geur op en slaat het boek open.                                   Biler legt het boek behoedzaam op de vloer en haakt haar benen in kleermakershouding.           ,,Het is nu of nooit”, fluistert ze dwingend.                                                                                       Voorzichtig slaat ze de perkamenten bladen om. Het papier ruist. Ze bladert door.                       ,,Daar!”. De spreuk van het opstralen telt vier zinnen.                                                                      Biler zet zich schrap tegen de kast achter haar. Met haar wijsvinger wijst ze de woorden aan terwijl ze luidop leest:,, In het patriam van litterra zoek ik mijn heil                                                                               Onder uw brede schouders                                                                                                              Eleveert het peil                                                                                                                            Van mijn cerebrum                                                                                                                           Naar het summum Het is doodstil in de grote bibliotheek.  De houten balken die het gebouw zo rijk is ademen een milde statigheid uit. Talloze titels zijn duidelijk leesbaar door het binnengekropen maanlicht. De muren ogen wijs en conventioneel. Biler wacht gelaten.                                           Ze hoort geknetter boven haar. Aan het dakkapel flakkert er een vonkje. Het geknetter gaat over in diep gegrom. Ze kruipt in elkaar.                                                                                          De vonken dijen uit tot wasems oogverblindende lichtstralen. Kolkend spuit het licht een oorverdovend geluid. Biler drukt haar handpalmen tegen haar oren. De kasten daveren op hun grondvesten. De boeken schudden op hun as. Het spreukenblad fladdert rechtop als een bange vleugel. In een vlaag klapt het boek dicht. Het zweeft zigzaggend van de vloer, wentelt in het rond en kolkt het licht in. Biler grijpt zich vast aan het onderste schap van het rek. Haar haren zwiepen in de lucht. Ze knijpt haar ogen dicht en voelt haar lippen klapperen. Haar borstkas rijst en daalt in snel tempo. Ze voelt zich loskomen van de letterkundekast. Met een zompig gesmak zuigt het licht haar op. Nog eenmaal braakt het licht een scherpe toon. Het geluid zwakt af en verdwijnt in zacht gebrom.                                                                                 Doorheen de plafondbalk tekent een diepe barst.          

elmo
1 2

Huidhonger

Ik pak er niet graag mee uit, zeker niet nu ze zich alle drie in de annalen (gaaay!) der Bekende Vlamingschap hebben laten optekenen, maar het is zo dat Marc Van Ranst, Erika Vlieghe en Steven Van Gucht al jaren goede makkers van me zijn. En wat dan nog, denk je nu. Zo’n saaie expertjes, daar beleef je toch in geen honderd jaar wat noemenswaardigs mee. Het wildste wat die al gedaan hebben is een boek te laat binnenbrengen in de bib. In dat geval kan ik alleen maar zeggen dat jij duidelijk de Ranstbeer, Vliegerke en de Van Gucht niet kent zoals ik. Marcus Auransius, Homo Sapiens Sapiens Sapiens Vanransticus (gaaay!), Maurice Van Ranzigem ... Vlaanderens meest geliefde virusvirtuoos verwierf al vele bijnamen tijdens onze vriendschap. De heerser slaagt er dan ook in om zichzelf om de paar jaar volledig heruit te vinden én te excelleren in alles waar hij z’n zinnen op zet. Zo leerde ik hem kennen in '98 toen hij McBlaffy, onze hond, een beurt gaf in De Woeffalize, zijn razend populaire hondenkapsalon in Houffalize. Amper 2 jaar later stond ik in de tribunes te applaudisseren toen hij het Belgisch Kampioenschap Ritmische Gymnastiek verpúlverde met zijn Titanic-act. Daarna trok hij naar Zweden om er de eerste vegan slagerij van Europa te openen. En ook nu weer gaat hij – excuses – viraal met zijn carrière als viroloog. De Ranstbeer is de Beyoncé van België en mag daar trots op zijn. Maar Erika is me der ook eentje, hoor. Weinig mensen herinneren het zich nog, maar onze Chef Experts deed al eerder een worp naar de bekendheid toen ze in 2003 met haar partner Jordy deelnam aan Temptation Island. Vanaf dag 1 hadden de mannelijke verleiders hun pijlen gericht op de charismatische Erika, maar dat was buiten haar Bijbelse loyaliteit gerekend. Elke avond lagen de roofdieren geduldig te wachten tot Vliegerke voldoende lazarus zou zijn om er diep onkuise dingen mee te doen. Een slimme tactiek, ware het niet dat Erika de lever heeft van een neushoorn en iedereen met gemak onder tafel zuipt. Nooit liet de crew meer helikopters met kisten Bacardi Breezer, Smirnoff Ice en Vodka Rouge aanrukken dan toen. En na een week werden de weinige verleiders die zich nog niet aan elkaar hadden vergrepen afgevoerd terwijl het teelvocht onophoudelijk uit hun ogen spoot. Het andere eiland was andere koek. Tijdens de finale bleek dat de West-Vlaamse Jordy gewuun etwa onskuldig ‘ad lihh’n veuhel’n met alles van verleidsters tot resortpersoneel en cameraploeg toe. En zo werd Vliegerke op slag single en leerde ik haar kennen in de Carré, waar zij de laatste acte de présence van haar contract afrondde en waar ik en Flashdance Van Ranst destijds in een kooi stonden te dansen voor grof geld. En dan is er nog het alfamannetje van ons kwartet. De Van Gucht is het type dat een café binnenkomt, na 20 minuten iedereen bij naam kent en voor de rest van de avond high fivend de polonaise trekt. En een macho dat het geen naam heeft. Als je tegen de Van Gucht zegt: wedden dat jij de eigenares van die D-cup haar nummer niet kan scoren voor middernacht, dan mag je er zeker van zijn dat hij ze om half elf in grand écart op z’n capot ligt suf te pompen terwijl haar minder knappe vriendin hem tussendoor gulzig van fellatio voorziet. Elke keer weer lachen we ons kreupel met Don Juan Van Gucci. Vliegerke vaak wat groener, omdat ze net als alle vrouwen in zijn omgeving vroeger nog iets met Steven gehad heeft. Gisteren zaten we met vier in een Brusselse kroeg – privileges voor experten en hun vrienden, neem het mij niet kwalijk – aan een schuimende La Chouffe van ’t vat te lurken, wanneer de Van Gucht plots zegt: Godverdomme, mannen, huidhonger! Huidhonger dat ik heb tegenwoordig! Ik zweer het, op weg naar hier zag ik een twintigjarige in tennisoutfit voorbijlopen en voor ik het wist, had ik al geroepen: ‘Hey, sappig kutje! Kom maar trainen met de ballen van papa Gucci hier. Ik zie wel dat het handvat van je racket nog nat is, hoor. Kleine hoer!’ Erika schuifelt wat ongemakkelijk over haar stoel en giechelt. ‘Da’s perfect begrijpbaar, hè Steven,’ zegt Marc, ‘je moet je daar niet slecht over voelen. Zo'n goeie knuffel geven, mensen missen dat.’ ‘Ja, maar knuffelen is het niet’, antwoordt Steven. ‘Ik wil echt iemand hersendood penetreren. Gisteren kreeg ik een joekel van een stijve toen ik in het 7 uur journaal tegenover Martine Tanghe zat en haar druk in de weer zag met het scrolwiel van haar muis. En normaal walg ik van muizen. Die dingen zijn als Bobbejaanland voor bacterieën.’ Even is het stil, alsof iedereen de woorden van Steven wil laten bezinken. Tot de Ranstbeer dat vermoeden volledig van tafel veegt door een surreëel luide boer te laten. Erika verslikt zich bijna van het lachen en gaat er vervolgens over met een driedubbele knaller. De Van Gucht lijkt even teleurgesteld, maar de macho in hem neemt het al snel over en brengt dan een exemplaar ten berde dat de enkele beglazing van het café secondelang doet nadaveren. Ik laat met moeite een miniboertje, want ik ben geen fan van makkelijke, platvloerse humor en we lachen er allemaal om, al lees ik in de ogen van Steven dat hij zich afvraagt of z'n vrienden hem eigenlijk serieus nemen. En zo zie je maar, onze experten zijn ook gewoon mensen zoals jij en ik. Het zijn schepsels die, naast de nadelen van de crisis die iedereen ervaart, permanent onder stress staan omdat ze knopen doorhakken die de dood van duizenden tot gevolg kunnen hebben. Denk daar alsjeblief even aan de volgende keer dat m'n kameraad Steven je wild gesticulerend uitnodigt om op z'n gezicht te komen zitten, omdat hij 'hetzelfde wil doen met jou als jij met dat smeltende ijsje in je hand'.

Hans Verhaegen
41 0

100 Xatt

INZENDING WITBOEK EVANGELINE AGAPE @KRIEBELSESSIES Diep onder ons deint de bodem.  We klampen ons samen vast aan de boei. Pinguïns kunnen elkaar binnen een uur opwarmen op Antarctica. Een mens is maar een kachel van ruwweg 100 watt. Een kaarsvlam blijkt – heel toevallig – ook zo’n 100 watt te produceren. Warmte is een dierbaar goed. We zetten kamers vol kaarsen , tellen de dagen. Nooit eerder werden zoveel levenden herdacht. Prometheus  stal met risico van eigen leven het vuur van de goden. Zeus wist toen al: de dingen worden gemaakt of ontwikkelen zich langzaam. Als je niet kijkt. Met je ogen dicht kan je altijd doen alsof. Alsof dit niet gebeurd. De lente had de brief niet gekregen waarin stond dat het leven niet door ging.        Dat, of ze was gewoon koppig. (ik zie Persephone er wel voor aan.) Bij de eerste niet te ontkennen zonnestralen op onze postzegel van de aarde draaien de hoofden net als zonnebloemen naar boven, groeten de zon, danken de zon. Zouden we zo terug denken: het leven stopte, het Leven ging door. We konden het niet laten om blij te zijn voor de vogels die wel samen een nest maken. De bodem stopt na maanden met deinen, met zee benen en stormkoppen lopen we terug aan het land dat we lijken te herkennen maar het voelt als terugkeren naar een speeltuin waar je vroeger speelde: je bent gegroeid, alles wat groot leek is kleiner. Anderhalve meter is net ver genoeg om de uitgestoken hand niet aan te pakken. Nu hebben we tenminste een excuus. Zouden we terugdenken met het schaamrood op de kaken aan toen we aan dezelfde kant stonden? Vechtend tegen dezelfde vijand in plaats van tegenover elkaar? Zouden we denken: anderhalve meter afstand is precies genoeg ruimte om te zien dat ook jij net als mij 100 Watt warmte uitstraalt.        

Evangeline
18 0