Zoeken

Ik ben acht jaar en mijn broer trouwt

Ik prul aan de bloemen van het kleine boeketje dat in mijn handen ligt. Het zijn gele bloemen die ik nog niet vaak zag. Ze zijn lelijk. Doffe blaadjes met bruingekrulde randen. Geef me maar van die gladde glanzende boterbloemen waarvan ik kransen kan weven, en in mijn haar kan hangen. Ik voel eventjes niet meer de harde stoel, maar wel het malse gras waarin ik ze vinden kan. Meestal staan ze tussen madeliefjes. Van die witte bloemetjes zijn er massa’s meer. Goudbloemen moet je verdienen, na wat zoeken. Misschien had de bloemist geen moeite gedaan om ze te vinden? Ik leg het boeketje naast me neer. Ik had liever mijn barbiepoppen hier bij me gehad. Daarvan kon ik de kleertjes nog veranderen, de haren kammen, doen alsof dit niet gebeurt. Nu zit ik een boeket bloemen in mijn handen waar ik geen blijf mee weet. Bruidsmeisje zijn is saai.  Ik denk niet dat er iets goeds komt van mensen die trouwen. Zo verdween Vanessa plots. Elke dag na school stonden we wel aan elkaars deur. In de zomer hinkelden we op straat terwijl onze moeders in een versleten witte plastic tuinstoel aan de voordeur zaten. Vaak groeide er een kring van wijze vrouwen met andere buurvrouwen. Af en toe viel hun gesprek even stil en bleven ze naar ons staren terwijl we verwikkeld waren in nieuwe manieren van touwtje springen of hinkelen. Maar dan had haar moeder een nieuwe vriend leren kennen. Vanessa verdween een heel klein stukje, elke dag. En plots was ze weg. Nog één keer werd er feest gevierd en toen was er geen deur meer om aan te bellen. En nu is het mijn broer die me op deze manier  verlaat.  

Jolien Van de Velde
7 0

Bulskampveld

  Dit stronttehuis is gebouwd door de firma Deschyttere uit Aalbeke. Dat staat op een bordje aan de ingang. Ook pronken er namen van een burgemeester, schepenen en directeurs der zinsverbijstering. Verder nog een dag, een maand, ook een jaartal. Alles in donkergrijze letters op kitscherig graniet en ik ben slecht gezind. Ze leven allebei nog, Tanguy en de kreupele. Daar moet dringend iets aan gedaan worden!  Voor Tanguy ligt de sterfwijze al een tijdje vast. Die zondvloed is op komst. De manier waarop ik de kreupele om het leven zal brengen, moet ik nog bedenken. Dat is nog niet zeker, maar wat wel vaststaat, is dat Aster Berkhof een jongen was, dat de Film van Ome Willem niet echt een film wilde zijn en als ik hier buiten loop, binnen de tuinmuren van de compound, dan ruik ik het. De kamperfolie is haar beste geuren kwijt. Nog een geluk dat de bruidssluier zich blijft uitsloven. Van mijn part mag hij de ganse boel hier overwoekeren, à la minute en stante pede. Lang mag de plant wel niet meer wachten want de bodem is uitgeput en de mol is een nog grotere gang aan het graven. Straks loopt hij met alles weg. Met weerbaarheid, herinneringen en mijn portefeuille, die is van beverleder, past niet in zijn achterzak. Weet het! Ik ben enkel nog op zoek naar de dieperik en Tanguy heeft een gat geknipt heeft in de ursusdraad, ginds achter het stookkotje. Hij denkt dat hij ze nog kan krijgen, dat de zevenmijlslaarzen in de solden zijn, dat hij al wat vrouwelijk is kan verkloten. Alle mannen uit Groot-Beernem zouden moeten weten waarom. Ze moeten beter op hun wederhelften passen! Alles draagt een masker en hun vrouwen zijn niet veilig.  Tanguy wordt de Houtekiet van het Bulskampveld! Hij kent de weg, naar de kastijding van het speelse. Er is altijd een sluipweg naar de Wredestraat en hij kan huilen als een kleuterwolf, laat zijn stem dan overslaan en klinkt vervolgens als een hellehond die honderd teefjes villen wil. Het is een veelvraat, die nazaat van Dutroux, hij lust de kleinste onschuld en wil ze allemaal verslinden. Meisjeskonijnen. Met vel en vacht. Ze zijn zo wit als loof uit volle grond. Hij heeft weliswaar niet lang meer te leven! Ik zorg ervoor! Ook voor radijzenfriste. Ik zal er rooien, morgenochtend, roze knolletjes met een bleke onderkant, voor Prudence en ik bedenk wel hoe ik eraan geraak. Onverbijtbaar zal het zijn. Venijn voor de kreupele. Ik doe het in zijn spraakwater, puur het in zijn pap! Of met een trechter. In de krop van die duffe gans zal ik het gieten, in de keel van die canard boiteux en hij zegt dat hij ook komt. Vanavond is er een feestje. De waanzin wil weer jarig zijn en er zullen wederom onnozele plaatjes gedraaid worden.  Prudence zal wel niet met dwangbuisjes moeten dreigen. Ze zal een oogje in het zeil houden en weet hoe alles moet. Eerst die ronde toastjes met makreelsalade in hun smoeltjes steken en dan maar wachten, tot ze kokhalzen, tot schaterslijm van hun muil druipt. Ze zullen dan gewassen willen worden, als biggetjes op zondag en uit een ufo zal gelach weerklinken. Wij zijn geen discobal. Geloof wat je wil. Op dergelijke conventies van doolkoppen danst enkel onbalans met dronkenschap en ze weten het, Tanguy en de kreupele, dat ze Prudence niet mogen aanraken.  Denkbaar is het. Misschien komt Prudence achteraf naar mijn kamer. Om te lezen. Want ik heb versjes geschreven, gisteren nog. Een edeldichtje is het voor een morbide illusie en met kleurpotloden heeft een zinnebeeld nog snel een tuinontwerp gemaakt. Het laatste. Het is een jardin d'amour perdu, met anjers uit vergeten revoluties, met donker slangenkruid, ijzerhard, met kogeldistels en ik moest terugdenken aan de dovenetels rond het bankje. Bij de azijnfabriek zat ik met Katja en ik zit er nog. Ik droom ervan. Niet van Prudence. Die is nog helemaal echt en ze leeft. Overigens, Prudence heeft Katja nooit gekend. Dat kan ook niet. Ze huisden best ver uit malkander en het is beter dat mijn laatste tuinontwerp een tekening blijft. Kleurbolletjes zijn geen planten, kartelkringen zijn geen bomen en Prudence woont trouwens op een appartement. Ze heeft ook een bootje, in Blankenberge, ver weg van de zwarte zwanen op het Minnewater, ver weg van het Bulskampveld en zijn demonen.   uit de reeks 'Residu'

Bernd Vanderbilt
11 0

Wat wil jij later worden?

Haar glimlach verbreedde toen nonkel Mon zei dat ze talent had om piano te leren spelen. Met blozende wangen van plezier, speelde Maartje het eenvoudige kinderliedje nog een keer. De omzittenden zongen mee,  ‘Broeder Jacob, broeder Jacob …’ Ze genoot zichtbaar en haar favoriete oom werd haar meest toegewijde fan. Het zingen ging nog even door, afgewisseld met mopjes vertellen en vrolijke raadseltjes oplossen. Zo in het middelpunt van de belangstelling voelde ze zich in haar nopjes. ’s Nachts droomde ze haar eigen komende succes. De volgende dag in de klas, vertelde de juf over beroepen. Dat triggerde haar wel. Nog half dromend over de vorige avond, waarin ze zich een beroemde ster voelde met nonkel Mon als haar grootste fan, antwoordde ze enthousiast ‘pianospeler’, toen het haar beurt was om te antwoorden op de vraag wat ze later wilde worden. De hele klas schoot in de lach en zelfs de juf moest haar best doen om zich in te houden. Ze keek een beetje beteuterd rond. Haar klasgenootjes vonden haar soms een beetje raar, maar wel altijd grappig. ‘Gisteren was het juffrouw’, ‘vorige week wilde ze nog mensenhelper worden’ of ‘klerenmaakster’ … werd er zacht gefluisterd. Maartje was het wel gewoon. Ze had meestal ook genoeg aan zichzelf en haar dromen. Ze zweeg, bleef in haar eigen wereld, waar nog net genoeg plaats was om de les te volgen. ‘Misschien,’ dacht ze, ‘misschien moet ik eerst maar eens groot worden.’   (dit korte verhaal schreef ik als oefening voor een cursus van Wisper)

Anemos
14 1

Veiligheid Verantwoordelijkheden en Plichten!

Hey,dag,hallo,hoi,… Vlaanderen   Ik zou het graag willen hebben over de veiligheid van bepaalde dingen die spijtig genoeg dagelijks gebeuren. En waar niet heel veel mensen zich druk over maken, of ook niemand die hier iets aan doet. Daarvoor ben ik hier! Ik zal jullie mijn kijk op bepaalde dingen   Ik heb een groot probleem met de VEILIGHEID in Vlaanderen. Niet alleen voor meisjes maar ook voor jongens, omdat ik altijd iedereen hoor zeggen dat meisjes hun niet veilig voelen. ik denk dat dit ook zo is voor jongens. Maar die geven het gewoon veel minder snel toe. Met veiligheid bedoel ik niet alleen de veiligheid buiten, maar ook de veiligheid online. Ik vind het belangrijk dat iedereen zich veilig voelt. En niet dat als we rond 10 uur nog buiten zijn, en alleen naar huis zouden moeten dan nog moeten denken over wat je zou doen als er iemand stopt, of moeten nadenken over wat je allemaal zou kunnen doen als er iemand je zo maar zou aanraken, ik weet dat heel veel vriendinnen dit maar normaal vinden, maar zelf denk ik zelf dat dit helemaal niet normaal is en dat dit onderwerp zo genormaliseerd wordt dat niemand het als een groot probleem gaat zien, terwijl dit wel zo is. Ik heb ook al eens meegemaakt, toen school was gedaan en ik nam de bus naar huis zoals ik elke dag doe, ik stapte af met een vriendin. We zagen een man in de auto zitten die naar meisjes was aan het kijken en ondertussen was hij aan het masturberen. Hij zag ons ondertussen ook al en begon allemaal signalen en tekens te doen dat we naar hem moesten komen. Tuurlijk hebben we dit niet gedaan, maar voor jongere meisjes is dit wel een groot probleem die zouden misschien nog niet weten wat hij is aan het doen en ook niet wat zijn bedoelingen. We hebben uiteindelijk een hele omweg gedaan en sindsdien hebben we toch wel een beetje schrik. Ik vind het heel onlogisch dat wij zelf stappen moesten ondernemen, en dat dit gewoon “normaal” lijkt. Meerdere mensen hadden die dag ook die zelfde man gezien er werd toen ook naar de politie gebeld, maar die zijden dat ze hier niet echt iets aan konden doen. OMDAT HIJ ONS NIET FYSIEK AANRAAKT!!! VINDT U DIT ZELF NORMAAL? Momenteel zitten we ook aan meer dan 4000 aangiften die jaarlijks gedaan worden voor verkrachting voor zowel jongens als meisjes, ik vind dit persoonlijk heel veel en dit getal is nog niet eens iedereen er zijn heel wat meisjes en ook wel jongens die al eens aangetast of verkracht zijn geweest, maar hier gewoon niks over durven zeggen. Ik vind het heel belangrijk om hier iets aan te doen, ik weet zelf ook wel dat het niet makkelijk is om iemand voor zijn daden te stoppen, maar ik heb hier misschien een oplossing voor door naar elke persoon in Vlaanderen een brief te sturen, waarin ze gewoon 1 vraag moeten beantwoorden of we zouden dit ook kunnen doen via een mail. De vraag zou dan zijn op welke plaats voelt u zich onveilig zowel overdag als overnacht en dan zouden we de antwoorden met elkaar kunnen vergelijken en zien op welke plaatsen de meeste mensen zich onveilig voelen. Dan zouden we daar misschien camera’s kunnen plaatsen als het een openbare plaats is of we zouden ook politieagenten kunnen inzetten op die plaatsen die er misschien meerdere keren per dag voorbij zouden kunnen rijden. Er is wel een kans dat het probleem zich dan gaat verplaatsen naar andere plaatsen, maar dan moeten we met iets beters komen. En om de veiligheid niet alleen op straat te veranderen, maar ook online zouden we misschien onder elke foto die je stuurt op snapchat een watermerk zetten. Voor de mensen dat niet weten wat een watermerk inhoudt; dit is een logo, tekst of het zou ook een patroon kunnen zijn, dat wordt toegevoegd aan een drukwerk, foto’s, documenten om de echtheid aan te tonen of om het doorsturen/ kopiëren van bijvoorbeeld de foto tegen te gaan. Ik denk persoonlijk als we dit merk automatisch zouden zetten op elke foto dat online wordt gezet of verstuurd wordt, dan zou dit sterk helpen bij het niet verder verspreiden van bijvoorbeeld naaktfoto’s en dan zou je ook direct weten wie de persoon is die de foto heeft doorgestuurd, dus dan zou je die ook makkelijker kunnen straffen. En dan zou je het ook kunnen voorkomen dat die foto’s of video’s verspreid zouden worden op school. Want ik denk dat dit heel zwaar is voor de meisjes of jongens die dit meemaken door 1 misschien domme fout, al vindt ik het geen fout, want je mag zelf gewoon nog kiezen wat je doet en als je zelf vindt dat je er goed uitziet en dit wilt delen met iemand dan kan en mag dat gewoon. Dus ik vind niet dat de meisjes of jongens die die naaktfoto’s doorsturen naar iemand niet in fout zijn maar wel de personen die die foto’s dan gaan verspreiden.   Ik hoop dat hier iets aan gedaan zal worden, ik hoop dat jullie iets doen met mijn irritaties en oplossingen.   Vriendelijke groet, Lara De Bock :)

lara1
1 0

Kip

Elsie en John zaten aan de ontbijttafel toen de telefoon in de hal rinkelde. Ze keken elkaar gealarmeerd aan. De vaste lijn, dat waren in de regel enkel  nog televerkopers maar op dit uur, op een zondag  kon het enkel rampspoed betekenen. Terwijl Elsie zich haastte om op te nemen flitste haar in ijltempo  een hele reeks mogelijke scenario’s door het hoofd, heupfracturen voor haar bejaarde ouders, fietsongevallen met vluchtmisdrijf voor haar mileubewuste dochters, ontvoeringen met witte bestelwagens voor haar avontuurlijke kleinkinderen. “Hallo”, zei ze voorzichtig Een stem die ze niet meteen kon thuisbrengen zei “Elsie? Het is Femke. Kip is dood.  Je moet me helpen Elsie. want ik  heb het gedaan, ik heb hem vermoord”. “Georffrey De Cauter, vermoord door zijn vrouw en dat na al die jaren? Dat klinkt als een ongeloofwaardige wending in een slecht televisiedrama”, was de droge reactie van John op het relaas dat Elsie hem even later deed van  haar telefoongesprek. “Jammer genoeg is het realiteit “ zei Elsie terwijl ze van haar lauw geworden koffie slurpte.  “Van al degene die hem dood wensten is het uiteindelijk Femke  die hem vermoord heeft.” ging John verder op zijn eigen gedachtenstroom “Ze noemde hem de hele tijd Kip?” zei Elsie een dikke laag boter op een croissant smerend. “Echt!”  John fronste zijn zware wenkbrauwen wat hem een strenge aanblik gaf.. “Je kijkt zo verbaasd?” zei Elsie en beet in haar croissant “Dat is de  bijnaam die wij mannen onder mekaar hem gegeven hebben.” zei John “ omdat hij het altijd over kippen had wanneer hij over vrouwen sprak.  Zo van, dat zijn lekkere kippetjes, dat is  een mooie kip, of die stomme kip toch niet! en zie daar wat een  vette kip, want  voor Geoffrey waren alleen supermodellen goed genoeg ” “Wij,  de meisjes op kot noemden hem ‘Evil Bambie’” terwijl ze de kruimels van haar vingers veegde. “Evil Bambie!” John verslikte zich bijna in zijn koffie “In die tijd toen hij nog rank en slank was, had hij iets van een hert, met zijn lange benen en zijn kastanjebruine kuif, en dan die  donkere ogen omfloerst door lange zwarte wimpers, die gaven hem een onschuldige Bambielook,  waarvoor veel meisjes gevallen zijn.” “Oh was dat het? Ik heb nooit begrepen wat zijn succes was bij de vrouwen, zo’n arrogante,  brutale  klootzak, en totaal amoreel. Bijzonder geschikt uiteraard als strafpleiter, voor een bepaald  soort cliënteel.  Maar als potentiële echtgenoot, een familiedrama in de maak?“ “Vandaar Evil Bambie” zei Elsie, “ nu de meeste meisjes hadden hem heel vlug door en na een tijdje circuleerde in de hele rechtsfaculteit en ook daarbuiten de waarschuwing,  pas op voor Evil Bambie”. “Die waarschuwing heeft dan blijkbaar Femke nooit bereikt.”zei John “Ik heb ook nooit begrepen wat zo’n fijngevoelig meisje uit zo’n gecultiveerd milieu, dochter van een schrijver en een dichteres en zelf zo artistiek getalenteerd ooit gezien heeft in zo’n vulgaire vent ”. Elsie schudde haar hoofd,  “Jij en je fascinatie voor kunstenaars, daar zitten toch ook veel arrogante, brutale klootzakken tussen. Misschien is Femke wel gegaan voor iemand die op haar vader leek?” “Is dat wat ze gezegd heeft?” vroeg John haar nadrukkelijk aankijkend over de rand van zijn leesbrilletje. Elsie haalde haar schouders op en inspecteerde de broodmand waar nog een chocoladebroodje en twee  zoete sandwiches te blinken lagen. “Misschien is het beter dat ik er niet al teveel over zeg. Wie weet belandt de zaak wel op jouw bureau, meneer de procureur”  zei ze terwijl ze het chocoladebroodje in twee sneed en de helft ervan teruglegde. “Wie weet,  meester, maar één ding kan je me wel nog vertellen, want dat is geen onderdeel van het onderzoeksgeheim als ze zelf schuld bekent. Heeft ze gezegd hoe ze hem vermoord heeft?” “Ja waarom” “Omdat ik schat dat hij ondertussen zeker honderd kilo weegt terwijl zij nog altijd hetzelfde fijne tere poppetje is” “Oh John, je hebt altijd een boontje gehad voor Femke hé” plaagde Elsie John wilde protesteren maar Elsie ging meteen verder “ Ze heeft  hem de hersenpan ingeslagen met een kip ” “Met een kip?” vroeg John niet begrijpend “Met een ingevroren kip”  verduidelijkte Elsie. “eentje die Geoffrey zelf geslacht had”    

Paula Dumont
4 0

Kindertijd.

Toen ik deze ochtend wakker werd, herinnerde ik me dat ik over mijn grootmoeder had gedroomd. Het grootste deel van mijn leven woonde mijn grootmoeder bij ons gezin in hetzelfde huis, op haar eigen verdieping weliswaar, met een eigen keuken, badkamer en een eigen living, waar ze urenlang TV keek. Altijd naar Familie en 's namiddags naar documentaires, over een van beide wereldoorlogen of over de klassieke oudheid, al dan niet vooraf opgenomen op een van vele videocassettes die vandaag nog meegaan.  In mijn droom stapte ik mijn eigen, gelijkvloers appartement binnen, om in de achterste kamer de trap naar haar verdieping te ontdekken. Ik kondigde mijn thuiskomst aan en liep de trap op. Mijn grootmoeder had die dag op mijn dochtertje gepast, terwijl ik uit werken was. "Alles is vlot gegaan', zei ze, en ook: "Je ziet eruit alsof je je ergens zorgen over maakt".  Ik ging zitten in het zeteltje van donkergroen velours, waarvan de vering na vele jaren aan kracht had ingeboet. Met mijn meisje nog op haar schoot zat ze tegenover me en luisterde naar de gedachten die ik traag ontvouwde, als de wikkel rond een Napoleon bolletje uit haar zware kristallen schaal, waarvan mijn broers en ik het deksel lange tijd niet zelf op mochten tillen. Ik lichtte het deksel van mijn twijfels en deelde met haar de vragen die ik had over deze nieuwe rol als moeder, over de manier waarop zij het voor mij had gedaan, het haar dochter had zien doen, naar mij kijkt terwijl ik mijn poging waag voor de vierde dochter in de rij. Ze zat tegenover me en luisterde. Ze drukte een kus op het voorhoofd van mijn dochter en zei precies wat ik niet wist dat ik wilde horen.  Moeder worden voelt als opnieuw veel meer kind worden. Ouderschap komt met de nood om de trap op te kunnen lopen, de nood om op te stijgen doorheen de generaties die voorafgingen en daar op zoek te gaan naar stukjes zekerheid, naar stukjes kindertijd om mee te nemen naar beneden. Mijn grootmoeder met de donkergroene zeteltjes zou morgen 82 jaar geworden zijn. Mijn dochter is naar haar vernoemd. 

Caroline Spaas
0 0

Lulkoek en paaseivulling

  Het is nu eenmaal zo, beweert de kreupele, het moet rond dat fameuze kruis gestonken hebben naar ontlasting en urine, want als de geest het begeeft, dan houden ook de sluitspieren het voor bekeken. Ik hoop voor Marie-Madeleine dat ze goed uit haar doppen keek, dat ze niet in zijn stoelgang knielde, dat ze niet op haar knietjes zat te janken in zijn pies. Is dit beeld correcter dan al zijn opgesmukte varianten? Ik moet toegeven dat hij voor één keer terecht twijfel zaait, die vunzige hufter, maar hij blijft een kinkel. Kinderen mijden hem beter, want met één frase kan hij een jonge geest bederven, met één zinsnede kan hij een kinderziel klieven en als hij zure kool gegeten heeft, dan blijft hij maar doordrammen. Oké, er mogen dan excrementen gelegen hebben onder dat meest vereerde kruis. So what. Moet hij daarom blijven kwezelen, blijven emmeren en zeggen dat de vulling van paaseieren veel smeuïger en smeriger mag zijn, dat ze die wijwatervaten gerust met zieker sap mogen volgieten en straks begint hij weer met die opsomming van wat voor goors men kan verrichten in een biechtkotje. Het is niet goed, niet voor de gal, niet voor de lever, zelfs niet voor de fantasie van kinky koppeltjes. Hun lust zou snel bederven door de ongelikte lulkoek die hij uitkraamt. Als ik hem wil vergeten, dan denk ik aan Katja, want die etterbak heeft een absolute hekel aan tederheid. Hij lust geen tinteldrank in ranke glazen en Katja heeft de randen altijd graag versierd. Met korrelsuiker. Met een schijf citroen. Een zoen drijft nooit ver weg als lippen kleine kloofjes slaan en idylles kent hij niet, de kreupele, hij kijkt weg als ik een oogbol streel met blind gevoel, wanneer ik voor mijn Katja speelse prentjes uitzoek in die kisten van weleer, of in een lentecataloog, een titatoverboek en dan kan hij zich de neus danig optrekken dat snot zich mengt met hersenen. Aan de schimmel in zijn kop, aan de fungus die in zijn konterfeitsel groeit, wil ik niet méér woorden vuilmaken dan een belt verdragen kan en ik moet trouwens voort, ik moet naar De Blauwe Toren, naar de Stock Américain Vermeersch. Ik heb een sifon, ook een terugslapklep nodig want ik word bang, ik denk dat de afvoer van mijn spoelbak in verbinding staat met de smeerpijp van de mensheid. Ik vrees die vloed aan bagger. Het is een réseau de misère, een netwerk van buizen die alles leegzuigen en ik durf het amper. Ik moet voorbij het crematorium, wil ik bij die winkel van de familie Vermeersch geraken en ze zijn niet goed wijs, die oelewappers bij de Dienst Ruimtelijke Ordening van Stad Brugge. Het crematorium staat op nog geen driehonderd meter van de verbrandingsoven!  Alle lijkwagens, alle vuilkarren moet over datzelfde asfaltwegeltje! Normaal moeten de lijkwagens iets vroeger rechts afslaan dan de vuilniswagens. Ik ken de weg. Ik zal het nooit vergeten. Het was een zwarte dag met grijze wolken. Ik stond daar, in dat zaaltje met zijn deurtjes, kaarsjes, vlammetjes en ik weet niet hoe zijn functie omschreven wordt. Ik noem hem dan maar de asman. Of de asman die ik er ontmoet heb, daar altijd werkt, weet ik niet. Misschien sprong hij die dag in voor een habitué die zich 's morgens onwel voelde. Feit is dat Katja's asman een blauwe overall droeg met daarop het logo van IVBO, Brugse Verbrandingscentrale.  Hij stond allicht te grinikken. Buiten. De kreupele. Hij moet me gevolgd zijn met z'n oranje Honda Civic Automatique. De nummerplaat ken je en toen hij dacht dat hij zomaar plaats kon nemen in de ontvangstruimte, heb ik hem buitengebonjourd.  Voor Katja was er geen kist. Ze lag op een roestvrijstalen slede. Flauw benul speelde geen requiem en ze was getooid in een zuiver kleed. Het werd stil. Ik hoorde enkel nog het geknars van de wielen van de slede die zich in beweging zette. Haast geruisloos ging het juiste deurtje open en Katja verdween. De asman had een hart. Hij wilde na het gebeuren zijn middagmaal met me delen. Twee tv-worstjes lagen naast een zuurkoolkransje in een tupperwarepotje. Ik weigerde. Ook het dessert liet ik volledig aan hem. Het waren paaseitjes in roze wikkeltjes en de vulling, het hoe en waarom, alles staat in oudekinderboeken, in lexicons over natuur en techniek. Ik kan niet proeven, heb ik ingetogen tegen hem gepreveld, mijn smaak is dood, mijn tong te kreupel. Er liggen te veel levens op mijn lever. Mijn buikgevoel zegt. Dat al die ellende. Niet te verteren valt.     uit de reeks 'Residu'

Bernd Vanderbilt
10 1

Wortelen

Als ze geen zussen waren geweest, was het misschien anders gelopen toen de man met de kettingzaag kwam. Eerst ging Esja eraan, zij stond het dichtst bij het pad. De zaag raakte haar vol, niet ver boven de grond, haar lichaamsvocht spatte in het rond. Tikke, die er vlak naast stond, gilde en greep Esja beet, probeerde haar weg te trekken. En zo kwam ook Tikke tussen de zaagtanden terecht. Zij werd iets verder van de grond afgezaagd, de man hield de zaag een beetje schuin.Ondanks hun gegil volgden de andere 5 zussen al snel. De man had oordoppen op. Iedere volgende zus werd net iets hoger afgezaagd zodat ze er na afloop uitzagen als de pijpen van een kerkorgel.Escobar, de jonge plataan aan de overkant van het pad, zag het allemaal gebeuren. Hij voelde afgrijzen over het lot van de zeven abelenzusters. Het rondvliegen van lichaamssappen en splinters maakte hem een beetje misselijk. Maar ergens was het ook wel een opluchting voor hem. Er kon nu meer zonlicht bij de grond komen om zijn eigen wortels te verwarmen. Trouwens, bij milde briesjes lieten de zussen hun bladeren wel lieflijk ratelen, maar bij harde wind kreeg het geluid iets onaangenaam kakelends. Ja, bijna iets viswijverigs. En dan die proleterige gewoonte van jonge abelen om maar te pas en te onpas op te schieten uit de wortels van oude soortgenoten, zoals de zussen deden op de wortels van de oude Dris. Parasiteren op het voedsel en het water dat de oude boom zelf nodig had, dat was het. Het was goed dat daar korte metten mee werd gemaakt.Dris zelf dacht daar anders over, zijn bladeren ratelden in een murmelende klaagzang. De wind trok aan en de bladeren van Dris, moe van het murmelen en wapperen, vielen uit, suizend, knisperend en zuchtend. De wind trok verder aan en de lucht betrok. De man keek omhoog, pakte zijn zaag in en verliet het bos. Er vielen een paar dikke druppels.De wind ging even liggen en het hele bos was stil. De lucht werd donkerder en donkerder, de wind stak weer op. Een onweer barstte los. Escobar werd geveld door de bliksem. Er waren geen andere platanen in de buurt om om hem te treuren, maar door de takken van de abelen, de meidoorns en de essen fluisterde een zucht van verdriet.Na de winter zond Dris zijn sapstromen niet alleen naar zijn eigen takken, maar ook naar al het wortelopschot dat hem omringde, zelfs naar de orgelpijpresten van de zeven zussen. Het bleek niet voor niets, een voor een liepen zij weer uit, vormden knoppen, kregen bladeren. Esja was de laatste bij wie het lukte en een blij geruis ging door het bos om het begin van de lente. Escobars verkoolde stomp bood inmiddels onderdak aan een specht en een familie zwammen. 

Marijke Roza-Scholten
41 0

Cijferpijn en letterleed

1-KGB-911 is geen diplomatieke nummerplaat want die beginnen met CD. Voor de rest lijkt het me beter om het gewoon toe te geven. Ik heb een nummerplaatobsessie. Ik verzamel ze. In mijn synapsen. Niet dat ik zo sterk ben als Solomon Sherashevsky. Trouwens, een groot verschil is dat Solomon fier was op zijn capaciteiten. Met plezier liet hij zich bestuderen door neuropsychologen. Ik niet. Mij kwelt het enkel en de smarten die bepaalde cijfers en letters veroorzaken, variëren. Het gaat van balorige weemoed, over pijn in de lever van mijn zelfbewustzijn, tot panische angst bij het zien van sommige nummerplaten. Ik kan enkel hopen dat ik bepaalde cijferlettercombinaties niet tegenkom, dat ze niet op me af komen rijden, geen gifkikkergroene Massey Ferguson van het type 35 en geen enkele Volvo 740. Dat zijn ze de meest te vrezen rijtuigen en het is dom van mij om daar zelf over te beginnen. Ik doe mezelf iets aan. Gelukkig is er Xanax, de godin van de kalmte, met haar rustgevende kruidenbollen, met haar bijen. Ik gun mezelf dan angeltjes met dronken tegengif. Ook ken ik trucjes om de kreupele buiten de deur te houden. Ik zal ze niet verklappen, want hij leest alles en als die sleeppoot zou rondrijden in een karretje, dan zou het geen Porsche 911 zijn, maar een Honda Civic, gebouwd in 'het jaar stilletjes'. Betty heeft er ook zo één. Een witte. Die van de kreupele moet echter knaloranje zijn, zodat ik hem goed kan zien aankomen. Het is best een automaat voor die oen met manke linker poot en verder staat 911 niet enkel voor stervelingen die maar uit wolkenkrabbers blijven vallen. Het staat ook voor negen november. Op die dag van het jaar 2002 zag ik de kreupele voor het eerst. De nozem zat eerst half verscholen achter een zerk op de Centrale Begraafplaats te Assebroek. Twee minuten later stond hij tegen een kruisbeeld te plassen. Neen. Een kruis dat danig naar urine ruikt, is erover, het zorgt voor reflux en misnoegen. Pas op dinsdag 8 december van het jaar 2009 zag ik hem weer. Hij stond aan een mariabeeldje te prutsen in de gang met prullarai. Hij kwam weer eens naast me staan, zei dat een mantel van tin loodzwaar moet zijn en hij wees naar buiten, naar de Lexus van Tanguy. 242-ESB las ik, terwijl BSE-242 de nummerplaat van mijn vader is en ik hoorde in de verte weer mijn favortiere hymnes van opstand, daarna al snel het gebonk van ontreddering. Front 242 dreunde weer door de ruïnes van weleer en dat is muziek die hij verfoeit, die verafschuwd wordt door die zieke os. Hij is een onwel rund dat blijft voortzoeken naar gewillige grietjes. Zelfs minder gedweeë freules moeten eraan geloven. Hij is net zoals Tanguy en een Lexus moet zich gewillig laten sturen. Rond half zes verlieten ze gezwind de parking van de kringwinkel, Tanguy aan het stuurwiel en Katja haalde zalf boven. Tanguy moet zijn hand al richting Katja's kruidentuin bewogen hebben, nog voor ze de poort gepasseerd waren. Dat terwijl onder haar zonnebril nog een blauw oog zat te lijden en ik had ze niet geteld, maar ik wist het. Er stonden om kwart voor zes nog 1153 boeken in de rekken. Slechts twaalf waren er verkocht die dag. Ook een singeltje van Will Tura met een telefoonnummer. Vals, verzonnen door een kleuter en onbestaand is dat nummer. De smeerlap! En dat terwijl dozijnen Vlaamse zeugen biggen van hem willen. Je zou de indruk krijgen dat de kreupele mij bijstaat in bange tijden, dat zijn commentaar relativerend werkt, maar niets is minder waar. Hij kraamt enkel vunzigheid uit en vertelde me die avond, toen ik op het bankje bij de azijnfabriek zat, dat hij aan Katja geroken had, dat ze geurde naar starre rozemarijn waarvan de twijgjes maar niet knakken willen en hij had haar slipje naar beneden getrokken, toen ze in een pashokje nog snel een bloemenkleedje uitprobeerde. Hij beweerde zelfs dat zijn neus het vruchtvlees bijna had aangeraakt. De jurk had Katja teruggehangen. Te breed. Te dun geworden was dat laagje hoop op beter leven en voor ze wegging, heeft ze me enkel gevraagd om Vaarwel Krokodil, of de Prijslijst van het Geluk opzij te leggen, mocht dat boekje ooit binnenkomen. Tanguy stond ver genoeg, een Snoecks terug te zetten. Ze sprak stil en zei dat ik haar dan kon bellen, op dat ene, korte nummer. Enkel het codewoord Azijnfabriek mocht ik dan zeggen en nog geen maand later wilde het geluk, lag dat krokodillenboekje in die bruine bak met opschrift 'te sorteren'. Al het leeg karton, de drie karren met tot vod gedeclasseerd textiel, alles heeft toen mateloos voor mij gebeden, dat ik haar mocht vinden en het was op een dag met zeven letters dat ik het boekje in haar handen leggen kon, ginds op het bankje van bevrijding en vergeten eenzaamheid. Nu, jaren verder, staat ze er nog altijd, de bank, en in de planken van de rugleuning zijn ze goed en diep gekrast. Letters. Tekens en symbolen. Cijfers van gedeelde breuken. Die weerbarstig leed geworden zijn.     uit de reeks 'Residu'

Bernd Vanderbilt
21 1

Datsunboy

  Het is een schoon huis met smerige hoeken. Er woont een advocaat en in datzelfde jaar ben ik drie keer tegen zijn façade gereden. De woonst staat vlak na een nare bocht. Eén keer kwam het door ijzel, de tweede maal lag er een oliespoor en de derde keer was na een happy hour. De cocktail was een mengsel van bruidstranen, sap van appeldoorn en wat bloed van Maria, een kwak cognac er nog bij en de bocht had mij weer uitgelachen. Ik was tegen die gevel beland, opnieuw tegen diezelfde hoek en weer was het met de Datsun van mijn grootvader. In mijn kelder liggen er al twee bumpers, één gekneuzde radiator en drie koplampen met een gebroken bril. Het zou allemaal minder erg geweest zijn mocht daar een windmolen staan, zo eentje als in Damme of te Pittem, een cilindrische of een conische. De Datsun zou afgeketst zijn op de ronding, ik had hoogstens de bumper wat moeten uitbuilen, maar nu had het me telkens aardig wat duiten en veel moeite gekost om de automobiel van bompa Edmong te repareren. Bovendien woont er een advocaat. Die gevelhoek is van hem en ik zag al een proces aan mijn broek hangen. Van een gemoedelijke molenaar kom ik er van af met een vloek, een oorvijg, een muilpeer en de eis om 's anderendaags, samen met Kortjakje, dat bumperspoor te komen wegschilderen, zo dacht ik. Het is de advocaat van de Duvel die daar woont. Nog een geluk. De eerste keer was hij nog naar buiten gekomen, had me aangekeken, diep in de ogen en hij had drie woorden gesproken. Een Datsun begot. Hij was weer naar binnengegaan zonder verder iets te zeggen. Ik zag een licht aangaan in een ruimte met een wc-venstertje. Samengevat, het was een bijna bijbels tafereel. Het leek al vergeven voor het gebeurd was, of lag het aan mijn pupillen? Had hij het gezien? Dat kan. Het was, mijn vriend, minder erg dan een platte kat, minder driest dan een gemolesteerde mol en het is jaren geleden. Achttien moet ik geweest zijn. Ik sta aan het venster van mijn slaapvertrek, zowaar tegen een spin te praten. Ze woont in de rechter bovenhoek van het raam. Aan de buitenkant en het is enkel de kreupele die weer alles weet. Hij heeft een tekening meegebracht van een ezel. Het hoofd lijkt op dat van een zeepaardje.  Mooie pony, zeg ik en hij zal weer met zijn commentaar afkomen. Dat ik in datzelfde jaar vast en zeker ook drie keer mijn beste oog ben kwijtgeraakt tijdens het boogschieten. Dat de kans daarop even groot is. Dat het allemaal verzinsels zijn en bompa Edmong niet eens een Datsun had, maar een Alfa Sud. Nooit zou Edmong een japanner gekocht hebben. Dan nog liever een Italiaanse roestbak. De Japanse vestiging van Lattoflex is intussen al lang failliet. Ik slaap nog slechter dan in die tijd en ik heb er gisteren eentje gekocht. Het autootje zit in een doosje. Het is een Datsun Cherry in een kleine garage van karton en hij is voor Dorian. Morgen wordt hij acht en ik vind het een geschikt cadeau. Hij hoeft de ganse story niet te weten, ook niet dat het een aardig vrijkarretje zou kunnen zijn voor zijn moeder en mijzelf. Het is in ieder geval beter dan een donut in een zakje, een te klein zwembandje, want Dorian oogt ietwat gezwollen en het is ook geen ticket voor een pretpark met 99 luchtballonnen plus 1 grote desillusie. We kunnen toch niet met een Datsun naar Dadizele. Edmong had, en het is waar, een Alfa Sud. Het ding ging twee jaar geleden naar een roesthandelaar in Meulebeke, Edmong in datzelfde jaar naar zijn hemel en morgen zal ik mijn geschenk aan Dorian geven, tijdens de wandeling in het Warandepark. Katja zal mij eerst vragen waarom dat leplampje in haar berghokje nog urenlang blijft nagloeien. Lekstroom van een hart dat altijd bij je is, zou ik willen antwoorden. Er mag ginds in dat park een briesje staan, licht en haast onvoelbaar. Zonnetjes mogen schijnen, desnoods zo flauw en luw als leugentjes van psychologen die het hebben over beterschap. Geef knuffels of gewoon, samen knus bij de haard, vreugde bij een open vuur, vergeef en vergeet, zet een pot vreedzame soep, misschien op een stoof uit Leuven en roer zacht.  Zolang er maar geen kopje van een troeteldier in die pot zit en ik wil nog veel meer aan Katja vertellen, warme woorden fluisteren, avonturen schilderen in haar rode oren, want het zijn niet enkel ledlampjes die nagloeien. Onderzeevulkanen kunnen zo lang en zo hevig nasmeulen dat een opblaasbootje drie mijnenvelden verder vlotjes smelt, danig vervormt dat de hoop om ooit nog wal te vinden weldra naar de haaien is. Ik weet dat van een oud-strijder. Hij is de vader van die advocaat en woont op de eerste verdieping, in datzelfde huis met die smerige hoek. Hij moet er fregatten maken in zijn kamer, modelbouw en de derde keer dat ik er de voorkant van de Datsun geplooid had, is die kwartiermeerster naast me komen zitten op de passagierszetel. Ik was teut, de radiateur liep leeg en de motor begon warm te blazen. Hij draaide aan de contactsleutel en de Datsun zweeg. Mijn hoofd steunde op de wreven van mijn handen die het stuur niet wilden loslaten. De ouwe krijger legde zijn voorhoofdsharen goed en sprak: Big boys don't cry. Hij zong bijna en pas na drie oudstrijdersverhalen was mijn vader daar, met een sleepkabel en een handjevol kaakslagen. Achter zijn Volvo heeft hij de Datsun naar huis gesleurd. Ik zag de molen van Damme passeren, moest af en toe remmen om hem niet de achterlichten in te rijden, om zijn kofferdeksel niet te rammen en thuis zei moeder dat ik in het vervolg niet zomaar alles naar binnen mocht kappen. Geen meisjesdrab noch bruidstranen, nooit méér dan twee duvels, zeker geen VSOP uit de USSR, en de koude oorlog was weer herbegonnen. Moeder sneed met het patattenmes een vingertopje af, een wortel viel en de kat kroop door een dakraampje. Ze sprong, niets brak en vader zei dat Loulou kreupel werd, dat die honden toch gelijk wat freten. Zelfs een pony met een hoofd dat lijkt op dat van een zeepaardje, moet ik gedacht hebben.   uit de reeks 'Residu'

Bernd Vanderbilt
8 1

Zomer 2020

Restanten van een zomerse regenbui die tekeer ging als een wild beest. Het enige dat nog rest nu zijn zilveren regendruppels bengelend aan mijn huiskamervenster. Ik staar ernaar en vraag mij af of water ook muizenissen wegwassen kan.  Er gebeurt niets.  Maar het schouwspel aan mijn raam is wel mooi, net een Swarowski dekentje.  Ik heb iets met Swarowski de laatste weken, vraag me niet waarom.  De blingbling waar ik vroeger met een boog omheenwandelde trekt mij nu aan als een magneet. Krijg je met ouder worden zin in meer bling bling ?  Doet de menopauze aan bling  bling ?Het oog mag ook wel wat in deze warme zomertijden dus ik vraag mij niet verder af…  We zijn sinds gisteren terug uit Spa, misschien ben ik wel lichtjes in de ban van water sinds ons bezoek.  Nog nooit heeft een slok water mij zo gesmaakt als die eerste slok Spa blauw eerder deze week in een klein hotelletje iets  buiten deze ooit stijlvolle locatie. Vergane glorie, dat domineert mijn gedachten wanneer ik aan Spa, de stad dan, denk.  Er is iets met die stad maar ik kan niet, nog niet, duiden wat.Spa is tegelijk mooi en lelijk, klein maar ook groots.. Ik vraag mij af hoe het er in de winter uitziet.  Triest ?  Verlangend naar de zomer en naar toeristen ? Of blij met de jaarlijkse rustmaanden ? Spa, je water smaakt vanaf nu anders voor mij.  Het smaakt naar jou, naar alles wat jij als stad te bieden hebt: blij, droef, gezellig, vergane glorie, hippe vogels, Bobeline, zware motoren en lederen motorpakken, hitte, nostalgie, het liedje ‘je ’t aime’….   Het was zomer in  2020.      

Inge P.
8 1