Zoeken

Daar liggen we dan, boven op Emma

Mijn echtgenoot heeft een vriendinnetje. Emma heet ze. Tja, het zat eraan te komen. Het is ook wel een beetje mijn eigen schuld. Hij heeft me vaak genoeg benaderd en keer op keer wees ik hem af. Ik had er gewoon écht geen zin in. Sterker nog: ik voel er de laatste jaren geen enkele behoefte meer toe. In het begin van onze relatie trouwens nog wel, hoor. Toen ging ik er nog flink tegenaan. Meerdere keren per week. Nu kan ik me daar niets meer bij voorstellen. Maar ja, die beginjaren, hè. Dan doe je nog zotte dingen. Maar nu dus nog maar zelden. En zeker niet meer zo gepassioneerd. En dan kun je er natuurlijk de donder op zeggen dat je man het ergens anders gaat zoeken. Zó klassiek. Hij heeft haar tijdens een vergadering ontmoet. Ze hadden meteen een klik. En van het een kwam het ander. Voor hij het goed en wel besefte, bevonden ze zich samen in één ruimte. De fitnessruimte. O, had ik dat nog niet gezegd? Ze is zijn sportmaatje. Ik ben niet (meer) zo voor sport te porren. Zeker niet voor krachttraining. En dat is nu juist wat mijn echtgenoot en zijn sportvriendinnetje zo leuk vinden. Gelukkig vindt het contact vooral digitaal plaats – ze woont een paar landen verderop.Ze sturen elkaar hun trainingsschema’s en -resultaten door. Eerlijk gezegd moest ik er wel aan wennen, hoor. Mijn echtgenoot die zo intensief met een andere vrouw berichten uitwisselt. Als je zo onzeker bent als ik – iets met de hele lagereschooltijd gepest zijn – kan er wel eens wat lichte jaloezie de kop opsteken. En nu zijn we net een nieuw bed gaan uitzoeken. Er stond van alles in de showroom: bedden met een groot leren hoofdbord, luxe boxsprings, maar ook van die heerlijk ouderwetse metalen frames. Wij gingen echter voor een houten bed. Eigenlijk was er maar eentje bij waar we allebei enthousiast over waren. En dus is die het geworden. Er zit echter één nadeel aan: het bed heet Emma. Dat geloof je toch niet! Waarom moeten ze het bed dat ik mooi vind, nu uitgerekend Emma noemen, grr. Maar ik heb een oplossing bedacht, hoor. Om te voorkomen dat ik nare dromen krijg over de combinatie Emma-bed-mijn echtgenoot, heb ik besloten ons bed te herdopen. Ik twijfel nog tussen Brad (rijmt wel lekker op ‘bed’) en Thor.  

Vera's Column
16 0

He bag production

In het Bellagio, het casino in Las Vegas, werd er geld verduisterd onder de tafels en de croupiers speelden vals. Ze maakten je geld afhandig, ook de eenarmige bandieten die het zelden lieten rinkelen in het bakje bij je knieën.   He bag production.   Op zijn hotelkamer masturbeerde Homer Spoon, zijn snikkel in de hand. Het sperde zijn ogen open. Hij bibberde en rilde van genot. Hij ging naar de badkamer om wc-papier en nam een douche.   Altijd dat douchegordijn dat aan zijn billen bleef plakken. Niet zo in het Bellagio. Wat een hotel. Dit was een inloopdouche zonder douchebak of reling boven je hoofd. Een sproeikop die echte regen nabootste. De overheersende kleur in het Bellagio was geel. Homer Spoon had geen idee waarom, maar zo was het wel... lekker pikant en toch koel binnen door de airco, in de woestijn van Nevada.   De fruitmachines vertoonden geen uitwendige sporen van geweld. Toch maakten ze hun verliezers boos, de losers. Homer hield zich in met z’n rechterhand een L op z’n voorhoofd te maken, drong zichzelf die goede raad op.   Je werd overigens streng verhoord door een bonkige kleerkast en door de floormanager als je de kaarten telde bij het blackjacken. Men knelde een boksbeugel om de vingers om je op andere gedachten te brengen. En je mocht nooit meer terugkomen nota bene. En als je echt visionaire gaven had, was je helderziende, dan zouden de powers that be in het casino nóg wel iets vinden om je om hun vinger te winden.   Ook als je wón dus, een maas in het net van de wet om je te beboeten en je te beschuldigen van valsspelerij zodat je het gewonnen bedrag weer moest ophoesten. En toch won Homer Spoon die dag 4 miljoen met de roulette. Men kon hem niets ten laste leggen, maar men was achterdochtig. Hem gevraagd naar de oorzaak van zijn geluk, zei Homer dat hij thuis geoefend had.   Dit was mysterieus. Men rakelde de camerabeelden op en men probeerde dit verschijnsel, Homers meevaller – waar hij zo verdacht laconiek over deed – te reproduceren in een computermodel, maar in alle gevallen ontplofte het Bellagio dan.   Dat kwam zeker door Homers gele haar, over zijn kale knikker gekamd en opgestijfd met haarlak, een kapsel dat er even nep uitzag als de blik in de ogen van de pitboss bij het pokerspel.   Feit bleef : onder dit alles gaf het simulatiemodel op de computer in de ‘veiligheidskamer’ een onverklaarbaar resultaat. Het Bellagio ontplofte keer op keer.   De veiligheidskamer waarin dit experiment uitgevoerd werd, lag op de eerste verdieping, waar de beelden van 112 camera’s eindigden, een lokaal met geblindeerd glas en securityagenten in maatpak, alsof je in een dure limousine zat.   Er waren ook doorkijkspiegels in de penthouses. Maar het Bellagio onderging wel degelijk een verlies van 4 miljoen dollar die dag, door toedoen van Homer Spoon. Wat een repertoire aan helderziendheid moest er in Homers brein zitten, dat hij dit had weten te verwezenlijken. Hij kreeg er een gratis ticket bij voor de magieshow die avond, voor zijn ‘moeite’. Het betrof een optreden van de goochelaar – excuseer illusionist – Jack London, die zijn podiumnaam ontleende aan een beroemd schrijver met hetzelfde pseudoniem.  Het Bellagio voorzag ook in echte groepssessies met een echte psychiater aan verminderd tarief. Maar je at hamburgers van 18 dollar. Homer Spoon kreeg een doos Cohiba Behike-sigaren cadeau, met de complimenten van de Chief Operations van het casino, een doos ter waarde van wel 18.000 dollar (veertig stuks). Homer Spoon rookte niet.   Maar beloofde het wel eens te proberen nu. Cohiba Behike’s waren sigaren die ooit exclusief door Fidel Castro en zijn vertrouwelingen werden gerookt. Alleen de bovenste twee bladeren van een in de zon geteelde, zeldzame tabaksplant kwamen voor het rollen ervan in aanmerking.   Het Bellagio had overigens ook een jazzclub, een La La Land voor addicts, een coole tent weliswaar, waar Homer Spoon de avond doorbracht, met een schone escort aan zijn tafeltje, die een zwarte avondjurk droeg. Ze had roomwitte handen die wel in talk gedoopt leken. De escort was exclusief en anders dan gewone prostituees kon je haar op de ziel trappen met een onvertogen, misplaatst of te indiscreet woord.   Maar je kon haar het hof maken en je kon een bestelling doen voor haar lichaam die avond. Maar de escort, die zich voorstelde als Dani Applewhite – of was dat ook een artiestennaam ? – dronk uitsluitend champagne en de rekening liep op, hoewel Homer Spoon zeker nooit zijn 4 miljoen dollar zou opmaken vanavond. Homer verbaasde zich over het aantal tijgergarnalen die Miss Applewhite die avond wist binnen te spelen, hij vreesde haast dat ze er een embolisme van zou krijgen, maar die vrees was ongegrond want Miss Applewhite had kleur in haar wangen en een gezond gestel. Ze was niet bang voor haar lijntje, een Cleopatra misschien die stiekem in de toiletten een vinger in haar keel stak, zoals Karen Carpenter.   Ook de Romeinen dronken maagopwerpende kruidendrankjes, om te kunnen blijven eten en schrokken, terwijl er christenen aan brandende kruisen hingen. Homer vroeg Dani Applewhite hoe het was om altijd zo beroepsmatig de graveyard shift te moeten bolwerken, de nachtdienst zoals dat heette in het Engels en Homer Spoon wist zich wel verstaanbaar te maken. ‘Pourquoi ça pousse pas ?’ probeerde Homer nog, dat was Frans, maar die taal was een brug te ver voor Miss Applewhite, al beweerde ze bij hoog en laag, en aangaande de meeste uiteenlopende dingen dat ze altijd van een brug van fatsoen zou springen, maar pas eens ze zo’n brug van beleefdheid daadwerkelijk zou zien, pas eens ze zo’n brug tot in de kleinste details verkend zou hebben.    Ze zei dat ze zeker ooit Frans zou leren. Ze wierp Homer Spoon hierbij zo’n intrigerende blik toe dat die werkelijk dacht dat ze het nog meende ook. En dat mocht ook wel, want hij betaalde Miss Applewhite 800 dollar voor haar gewilligheid in die zaken, om een bravoure en stijlkunst van Europese aard, een gedistingeerd en continentaal savoir-faire kortom. Omdat je als Amerikaan aan de Franse verleidingskunst toch niet kon tippen. Dani Applewhite deed het toch niet voor een hongerloon, zo praatte ze de smore Homer Spoon naar de mond. ‘t Was haar beroep en bron van inkomsten. En zo voelde het wel goed.   Homer besloot dat hij met deze Miss Applewhite wel het namaak-Franse salon in het Bellagio kon binnenstappen en daar hoge sier houden. Beslist geen sprake van malware van de kant van Miss Applewhite, al had ze vindingrijk commentaar veil met betrekking tot de andere gasten in de lounge waarin ze zaten, gasten waar ze naar gebaarde met mondelinge spitsvondigheden en met originele, rake karakterschetsen, alsof ze van iedereen die hier over de rode loper kwam met een kwieke snelle blik de maat wist te nemen, hen typeren kon.   Miss Applewhite bezigde waarlijk een breed spectrum in haar persoonlijkheid en ze getuigde van een diep bewustzijn van de gang van zaken in een hotel of casino.  ‘Wist je dat alle wolven blind en doof geboren worden ?’   Miss Applewhite zei het alsof het deel uitmaakte van een Vedische zang of versvoordracht die ze op voorhand ingeoefend had.   Alsof ze er een diepere bedoeling mee had en Homer een karaktereigenschap toekende, waaruit diende te blijken dat Homer, als die al als een hond gekarakteriseerd kon worden, toch beslist evolutionair uit een wolvenroedel was voortgekomen en dat ze zo’n taktische meedogenloosheid, sociale deskundigheid en intellectuele agressiviteit wel kon appreciëren in een man.   He bag production.   Homer Spoon was nu met zijn 4 miljoen ook wel een man die vrouwen leerde te imponeren. De zitfauteuil waarin ze gingen zitten, was van fluweel, met gulden Franse lelies erin verwerkt. Je zou zeggen dat Homer een ietwat uit de toon viel met zijn witte t-shirt met de mooie afbeelding van een zwevende staartkwal op zijn borst, maar hij droeg er een keurig zwart avondjasje over, zodat het haast niet opviel. Miss Applewhite verraadde schijnbaar de gedachte dat ze Homer Spoon een waardig partner vond, een gehaaid iemand als ze daar al naar op zoek was – wat niet het geval was, maar wat ze onderschreef in de woorden die ze hem toewierp. Dit was haar talent.   Ze schreef Homer ook hoogst geheimzinnig adelbrieven toe, schatte hem zo in zei ze, met geloofsbrieven die hij mogelijk in zijn vestje bewaarde. Ze vond hem mysterieus en aardig. Ze vond hem geenszins een Manchurian Candidate, in de zin dat ze geen samenzwering bij hem verwachtte, dat iets gelijkaardigs zó van hem af zou glijden, indien anderen hem daarmee uit zijn evenwicht trachtten te brengen. Homer Spoon bezat iets wat je niet raken kon en het was meer dan de nieuwe 4 miljoen op zijn rekening. Alsof je zo haaienvinnen van zijn lichaam kon eten, maar anderzijds, opnieuw, zo praten was nu eenmaal Miss Applewhites beroep. En haaienvinnen, dat was goed voor de potentie.   Het was niet ingewikkeld. Homer liet zich niet neutraliseren door al deze lovende dingen over hem. Hij liet zich niet inpakken. Hij wist drommels goed wat hij van een escort verwachten kon en wat er de volgende morgen nog van overblijven zou indien hij zijn betaling van zo’n meisje op dat ogenblik niet materialiseren zou.   Toch vergeleek Miss Applewhite Homer Spoon luidop met een alpineskiër die in razende vaart een Hanenkam wist af te racen en haar het hoofd op hol brengen. Homer haalde zijn mobieltje boven en toonde Dani Applewhite een foto van Pirmin Zurbriggen, een beroemd Zwitsers skiër die in een rotvaart een vlaggetje de pas afsneed en wat Homer bewonderde in het professionalisme ervan.   Nu wist ook Dani Applewhite van het bestaan van de knappe Pirmin Zurbriggen af en Homer sprak likkebaardend over resorts als Aspen en Squaw Valley. Hij vroeg zich zelfs even af of hij er niet naartoe zou reizen, zo rechtstreeks uit Las Vegas en of hij Dani Applewhite mee zou nemen. Hij kon het betalen. Hij aarzelde zijn samenwerkingsverband met de meid te beëindigen, zelfs al hadden ze vooralsnog nog altijd niet de lakens gedeeld. Ja, dacht Homer, dat zou best dope zijn en hij kon zijn vrienden in Colorado uitnodigen en zo pochen met de dame aan zijn zijde. Dani Applewhite met de zilveren blik. Hij zou een fluwelen zakje met diamanten haar schenken, droomde hij.   Dit uitkieperen op het nette tafellaken in een duur restaurant en zij zou de ijstanden in haar haar dragen. Verstrikt in een flinterdun duur en doorzichtig zijden gaasje en iedereen zou naar haar kijken en jaloers zijn op Homer Spoon. Hij zou Dani ten huwelijk vragen, geknield naar haar opkijkend. Dani Applewhite zou de show stelen en zo ook hij. Het zou net als in de movies zijn.   Als een kikker vleugels had, stootte Homer Spoon zijn kont niet als hij wipte. Als hij wipte. De nacht kwam dichter en ze zouden zich terugtrekken op de hotelkamer, met een spiegel aan het plafond.   Of zou Homer Dani Applewhite volstrekt kuis bejegenen en de geslachtsdaad uitstellen naar een toekomst waarin ze beiden verliefd op elkaar konden worden ? Er was Homer Spoon ineens geen macht ter wereld die niet vroeg of laat van opzij een tekstlichaam van subliminale signalen binnendrong waaruit je kon opmaken dat je je tot elkaar aangetrokken voelde, serotonine en dopamine incluis. Ja dat zou best dope zijn, dacht Homer en nooit zou hij nog als een dupe de wet van een sterkste moeten ondergaan. Hij zou als ‘vol’ beschouwd worden door vrienden en familie. Hij zou nooit nog in de hoek moeten gaan staan, straf schrijven of spijbelen uit angst voor pestkoppen, zoals vroeger op school. Hij zou een haast Japans blazoen dragen, in een klooster zitten met een tuin vol Zilveren Pruimenbomen. Een Kung Fu Panda zijn.   Middernacht kwam en naderde dan, zoals ook nu. Empedocles, de man van de vier elementen, waande zich een god. 

Ekster Alven
0 0

Toastjes met kip curry

Het overkomt zelfs de meest ervaren klanten. Als een snelwandelaar een aantal keren de volledige supermarkt rondlopen, zeg maar vijfduizend stappen, en die laatste boodschap op je briefje blijft onvindbaar. Op het moment dat ik wanhopig, bijna zoals een man die zijn kinderen kwijt is in het pretpark, op zoek ga naar een verkoopster, spreekt een mevrouw me aan. Een collega-zoeker, zo blijkt. "Meneer, mag ik u wat vragen?", stelt ze meteen een vraag. Ik zeg niet dat ze me net al iets gevraagd heeft, maar ik antwoord bevestigend. "Weet u toevallig de toastjes liggen? Om kip curry op te doen." Nu zeg ik niet dat toeval niet bestaat, maar die heb ik net in mijn winkelkar gekieperd. Voor de paté die ik bij de slager gehaald heb. "Zeker", zeg ik. "Volgt u maar." Nadat de toastjes de weg naar haar winkelmandje gevonden hebben, vraagt ze of ze me nog iets mag vragen. "Zou u mijn winkelbriefje willen voorlezen? Ik heb het thuis met de loep geschreven en omwille van mijn slechtziendheid kan ik het nu niet lezen." Nu pas valt mijn oog op haar sterke bril. "Natuurlijk", zei ik. "Met plezier." Terwijl ik haar boodschappen voorlees, steekt ze telkens een vinger op en zegt ze 'ja' als het in haar winkelmandje ligt. Enkel de peperkoek heeft ze nog niet. "Die ligt helemaal achteraan, bij de koeken", zeg ik. Na een 'dank je wel' en een 'met plezier' vervolgt ze haar weg. Terwijl ik haar nakijk besef ik dat ik die uienkonfijt nog altijd moet zoeken. Dat was het laatste item van mijn boodschappenlijst. Een winkeljuffrouw neemt me mee naar de vaste plek van de uienkonfijt. Ik ben er minstens vijf keer gepasseerd. Dat zal je altijd zien, de rode uienkonfijt is uitverkocht. Had ik ook maar kip curry meegebracht.  

Rudi Lavreysen
77 1

IJskoud

Mijn neus stond op het punt van mijn gezicht te vallen terwijl ik langzaam stappen zette in de meterhoge sneeuw. Ik kan het nog halen, blijf doorbijten. Mijn handen hingen voor mijn gezicht in een poging om de vallende sneeuw tegen te houden. Rond mij was alleen maar wit te zien. Ik wist zelfs niet of het dag of nacht was, zo lang had ik zitten rondwalen in de vergetelheid. Elke stap werd zwaarder, het zou niet lang meer duren tot ik op de grond zou vallen en zou doodvriezen. Verdomme, je kunt het. Er is nog hoop. Af en toe vloog er een sneeuwvlok tegen mijn gezicht. Ik keek voor mij en zag nog steeds de oneindige sneeuwvlakte. Ik zette nog steeds verder, de laarzen die ik aanhad voelden als stukken massief lood. Ik verwijderde mijn hand voor enkele seconden weg van mijn gezicht. Een rivier, die met een dikke laag ijs was bedekt, verscheen voor mijn ogen. Je moet door, een rivier betekent hoop. Ik zette steeds meer stappen totdat ik aan de rand van de rivier arriveerde. Onder het ijs zag ik het water idyllisch bewegen. Ik zette mijn linkervoet op de ijsvlakte. Het ijs voelde sterk aan. Ik verzamelde genoeg zelfvertrouwen om mijn rechtervoet ook op het ijs te zetten, het ijs voelde nog steeds stevig. Het gevoel in mijn handen begon te verdwijnen. Blijf… doorgaan. Het ijs die zich onder mij bevond zag er telkens waziger uit. Ik verwijderde mijn hand weer van mijn gezicht. Een gedaante stond aan de oever van de rivier. Is… het een persoon? Ik wandelde sneller over de dikke laag ijs. ‘Vreselijk weertje, niet?’ zei de gedaante toen ik dichtbij de oever stond. Ik knikte en keek de man recht in het gezicht aan. Shit nee, nee het kan niet waar zijn. De man trok een revolver uit zijn zak. ‘Blijf staan, tenzij je hier wil begraven worden natuurlijk.’ Zei hij koeltjes met een dreigende ondertoon. Ik draaide mij om, richting de andere oever en begon te rennen. Ik slierde uit over het gladde ijs. *beng* Er werd een schot gelost. De man had gemist, ik sprintte verder over de bevroren rivier. Ik hoorde hoe het ijs lichtjes kraakte toen de man mijn kant op kwam. Ik sprintte en hoorde mijn hartslag steeds sneller gaan. Het wordt mijn dood. Ik was de ijzige rivier overgerend en rende verder de dikke sneeuw in. Linkervoet, rechtervoet, linkervoet, rechtervoet… Ik rende nog steeds, ik wou stoppen maar kon niet. De man kon elk moment verschijnen, blijven rennen dus. Er is nog hoop. In de verte zag ik iets verschijnen in de dikke witte mist. Het was een hut, een schuilplek, veiligheid. Ik sprintte nu nog sneller dan voorheen. Zat de man nog achter mij aan? Ik durfde niet om te kijken maar concentreerde mij op de hut die zich voor mij bevond. Ik opende al snel de deur van de houten hut en wandelde naar binnen. Ik was uitgeput en kon eindelijk rusten. Dat dacht ik toch. De houten hut had amper meubels, apart van een zetel en een paar kasten. Het was pikdonker in het gebouw, ik kon geen licht maken. De man kon nog altijd achter mij aan zitten. Mijn ademhaling begon steeds op een langzamer ritme te komen. Ik wreef in m’n handen en ging in een zetel zitten. De hevige wind van buiten was door de volledige hut te horen. Ik hoorde het geluid van iemand die in de sneeuw ploeterde. Blijf rustig, verstop je. Ik deed een kast langzaam open om geen geluid te maken en kroop er zo snel mogelijk in. De deur kraakte terwijl het open ging. Het geluid van de wind werd sterker. Voetstappen, hij is terug, hou je adem in. De man scheen met een zaklamp door de hut. Het licht ging even langs de kast waarin ik me bevond. Hij liep richting een kast. De deuren gingen open. Blijf rustig… Hij had me nog niet gevonden, er was hoop. Verdomme, hij loopt mijn kant op. Het licht van de zaklamp scheen recht in mijn ogen door de spleten van de houten kast. De deuren kraakten terwijl hij ze opende. Hij keek me recht aan. Ik was sneller, ik liep recht op hem af en duwde zijn volledige lichaam op de grond. De zaklamp rolde over de grond terwijl het licht nog steeds door de kamer scheen. Ren verdomme, de deur uit! Ik sprintte richting de deur, terug de ijskoude buitenwereld in. Ik was weer terug bij de rivier, voetstappen achtervolgden mij in de mist. Hij had nog niet opgegeven, hij was zelfs furieus. De man stond dicht bij me, ik voelde het. Ik hoorde het geluid van het geweer, ik kon niet meer ontsnappen. Het geluid van het schot galmde door de mist. Was ik dood? De man viel op de grond.

Nova
3 0

Woensdag

Woensdag, dan ging het gebeuren. Het was alleen nog niet woensdag, het was voor die dag, voor D-day. Nou ja, een verhaaltje, laat ik maar beginnen… Ik herinnerde me nog dat ik een paar dagen voor die woensdag boodschappen was gaan doen. Wacht, dat interesseert je waarschijnlijk niet zo heel erg. Nou ja, even denken, wat was er zo belangrijk… Oh ja, ik herinner het me weer! Ik had me voorbereid, een geweer gekocht, een masker besteld. Ik was er helemaal klaar voor om het te doen. We hadden een paar dagen ervoor ook besloten om een laatste vergadering te houden, er was ten slotte veel planning nodig om zoiets te doen. Eigenlijk gebeurde er niet veel speciaals voor D-day. Laat ik daarom direct beginnen over woensdag. Het was geen normale woensdag, we liepen binnen in het gebouw, met onze maskers op en onze geweren in de hand. ‘IEDEREEN, OP DE GROND, NU!’. Een tiental stemmen begonnen te schreeuwen terwijl ik een M16A4 op hen richtte. Ik was alleen niet van plan om ze neer te schieten, zolang ze niets doms deden toch. Samen met een andere gemaskerde liep ik achter een balie, richting de kluis. Iemand van de groep had ervoor gezorgd dat hij de code had bemachtigd. Terwijl mijn gemaskerde collega de code invoerde, keek ik gestresseerd rond. Er was nog geen alarm geluid, de politie was nog niet onderweg, geen reden om te panikeren. De kluis ging open en honderden goudstaven blonken in het licht. Al snel begon ik mijn zak te vullen. Ik ging rijk zijn, ik zou nooit meer aan geld moeten denken. Toen brak de hel los, iemand had op het noodalarm gedrukt. Het zou niet lang meer duren voordat de politie zou arriveren. Ik besloot om nog een paar goudstaven weg te stoppen en snel te vertrekken. De andere gemaskerde overvallers volgden mij naar buiten terwijl we richting ons ontsnappingsvoertuig vluchtten. We liepen een steegje en zagen een busje wachten. Dat was onze manier van ontsnappen. Toen ik als laatste de zak met goudstaven in het busje laatste, gebeurde iets wat ik nooit zou vergeten. De andere gemaskerden stapten in het voertuig en lieten mij achter in het kleine straatje. Ik keek paniekerig om mij heen terwijl de sirenes van de politiewagens steeds dichter bij kwamen. Ik zette het op een rennen maar ontdekte al snel dat de politie mij omringde. Mij zouden ze niet in de gevangenis steken, nooit. Ik richtte mijn geweer maar de politieagenten waren sneller. Een schot werd gelost, bloed stroomde door het straatje.

Nova
1 0

De Sleutelkaart

Het leven was meer en meer zoals haar jurk die knelde, vooral in de oksels. Dan maken wij de armsgaten groter, grapte haar dokter en verzocht haar het katoen uit te trekken voor zij op de weegschaal stapte. Een schavot moet niet hoog zijn om je te vernederen. Alle katoen, beval hij nog en wees naar haar ondergoed. Om de centimeters van haar bestaan te optimaliseren, wou hij de laatste gram afwegen. Zij gehoorzaamde en kneedde het textiel tot een bolletje dat zij op de stoel achterliet. Een reuzenkeutel die haar vertederd toelachte. Wit roze ruitjes waren haar ding, al van toen zij klein was. Bij sommigen gaat een babykleur, een leven mee.   Het was snikheet op de bus waarmee zij terug naar huis reed, maar toch kon zij beter ademen dan bij de arts. Gelukkig had zij in zijn praktijk geen hoestbui gekregen, anders had hij haar buiten een bloedonderzoek en een scan, een hele rits testen voorgeschreven. Hij reageerde altijd bezorgder dan zijzelf. Alsof hij betaald werd om haar toekomst in het oog te houden. Sedert zij geen maandloon meer aan een waarzegster spendeerde, was dat ook zo. En met zijn bloeddrukmeter, stetoskoop en ander fonkelend gerief, kon hij beter in haar ziel binnendringen dan de sibille die alleen oog had voor haar tarotkaarten. In zijn doktershanden, voelde zij zich zelf de sleutelkaart. Dat was ook zijn geld waard. Verdikt? had hij lachend gevraagd toen hij naar een rationele uitleg voor haar beklemmend bestaan scheen te zoeken. De digitale cijfertjes van de weegschaal gaven hem ongelijk. Hij las ze tweemaal. Luidop. Keek naar de inscripties op zijn stralend computerscherm, dan naar haar doffe ogen en werd ernstig. Er was meer aan de hand. Stil kwam hij tegenover haar staan en beroerde met zijn rechterhand voorzichtig de plooien van haar gezicht. De zere zenuw in haar kaak was een wegwijzer. Met watten vingertoppen drukte hij kuiltjes vanaf haar keel tot aan haar borst en liet zijn ogen zakken. Hij wachtte de resultaten niet af om er bedrukt uit te zien. Maar zijn serieux stelde haar gerust. Hij gaf om haar.           Door het raam van de bus liet zij haar gedachten verstrengelen met de graffiti die haar als oude bekenden toewuifden. Zij besloot niet af te stappen bij de halte waar in grote letters EASY SUN op de gevel prijkte, het reisbureau waar zij als bemiddelaar werkte. Zij had geen man, geen marmot of papegaai om voor te zorgen en haar werk was haar leven. Tot een tijdje geleden. Tegenwoordig was het eerder de hel. Alles liep mis. Voor haar en de baas van het agentschap waar zij haar dagen sleet. Beiden verstikten in een ander web. Haar chef in het wereldwijde, zij in dat van haar hersenkronkels. Soms wist zij niet meer, welke bestemming zij haar klanten best kon aanraden. Zij liep verloren.         Zij zat de rit uit tot bij haar thuis.  Vandaag wou zij alleen in haar hoofd toeren.   Twee dagen later belde de dokter in de vooravond terwijl zij een etentje klaarstoomde voor haar boezemvrienden Jo en Geoff. Voor een keer klonk hij niet dreigend, wat zij verdacht vond. Zij liet de aardappel waarvan zij de bast en ogen had afgeplukt, in het water glippen, legde het keukenmes op de krant met afval en herhaalde mechanisch: Morgen 13 uur. Is oké, ja. De krantenkop boven de restjes titelde: De ontmoeting tussen de wereldleiders draait uit op een sisser. Zij drukte haar phone uit, staarde naar de doemletters van de morsige krant en was blij dat zij maar een voetnoot in de geschiedenis was.   Professioneel hees hij de zwart-wit foto’s de lucht in en wees naar de puntjes die over haar longen verspreid lagen. Gelaten keek zij ernaar en zag een sterrenhemel bij valavond. Even dacht zij terug aan de tarotkaarten waarop de Grote Arcana, de Dwaas, de Magiër, de Hoge Priesteres en de Keizerin pronkten tussen de zon, de maan en de planeten. Vluchtig vroeg zij zich af waarom zij haar lot niet langer aan hen had toevertrouwd. Maar zoals altijd zorgden de Handen van haar Heler voor rust. Enge woorden waaraan zij zich verwachtte, zoals kanker en uitzaaiing, kwamen niet over zijn lippen. Het moest ook niet. De melkweg onder haar ribben sprak voor zich. De arts zei wel iets van mutatie, dat het erg was, maar onder controle wa. Dagelijks één pil en het kwam weer goed. Zij rookte niet en dat hielp. Het klonk alsof zij verantwoordelijk was voor haar aftakeling of ze toch in de hand had. Nog even haar gewicht checken en zij kon beschikken. Ging een nieuwe afweging, het akelige nieuws misschien bijsturen? Tot volgende keer dan. Hij vulde haar ziektebriefje in en zei nog iets dat zij niet verstond omdat zij net een kledingstuk over haar oren trok. Zij vroeg niet om het te herhalen. Wel dacht zij terug aan wat hij de laatste keer had gestameld en glimlachte. Opnieuw hoorde zij het woord verdict en schreef het in haar hoofd dit keer met een c in plaats van een k. Grappig, hoe één teken een wereld van verschil maakt.         Kwiek zipte zij de jurk met de wit roze ruitjes weer dicht en keek haar Heiland aan. Hij wist wat hij deed. De armgaten leken al een stuk groter. Het werd tijd dat zij bij het volgende doktersbezoek iets anders aantrok. Straks ging hij nog denken dat zij een oude vrijster was. Pillen kunnen verraderlijk zijn, zei hij nog, en straffer dan je denkt. Volgende keer schrijf ik een pruik voor. Wij zien er goed uit en wij blijven er goed uitzien.         Opgelucht snakte zij naar adem en knikte ja voor hen twee.   De krant van van de dag noemde het een hittegolf. Opnieuw reed zij naar huis in een ovenwarme autobus. De temperatuur katapulteerde haar naar een tropische regio. Wat zij niet erg vond. Zij genoot., voelde zich opgelucht. Alsof zij eindelijk de juiste reisbestemming had ontdekt. De wereldtrip waarop zij al jaren broedde en die zij vanaf nu haar klanten kon aanbevelen. Een destinatie zonder beschaving, vooringenomenheid of poespas. De aller natuurlijkste. Gewoon: kamperen. Ergens op de buiten of midden in de wildernis. Knapzak pakken en weg wezen. Wegdromen. Elke nacht. Onder het gewelf van de dierenriem. Tussen de afbeeldingen zoals die in haar eigen uitspansel gegrift stonden. Haar binnenstebuiten tatoeage.         De bus wiegde haar en zij had moeite om niet in te dommelen. Het zonlicht wedijverde met de stralen van een broedkast.         Wat vraag je, schat?  vroeg de Marokaanse vrouw neuriënd op het zitje tegenover haar. Natuurlijk mag je mevrouw een koekje geven. Zij kuste haar woorden zacht in het oor van het kind dat zij in haar groene djellaba meedroeg. De velen meters stof die haar en het meisje als de bladeren van een kool bedekten, schenen hen van de moordende hitte af te sluiten. Het duurde even en dan reikte de peuter met een fuks gebaar, een chocoladewafeltje naar de overkant. Alsjeblief moet je zeggen, pruttelde de moederkool die uit voorzorg een kleenex van tussen de nerven plukte.         Alsjeblief, lispelde de hummel. Haar ogen keken recht doorheen de schim tegenover haar. Geholpen door de straling inspecteerden het kind de inscripties onder de huid. Bruusk duwde het kind het gebak naar voor en deed bij de vonk van haar gebaar, een dikke kruimel op de schoot vallen. Een bobbel midden op een ruitje. Het zakdoekje bleek niet overbodig.         Oeps! lachte de wit roze vrouw, Heel lief. Zij viste de chocoladebrok uit het vierkantje en stak hem met de rest van de wafel in haar mond. Strak bleef de peuter door haar heen staren. Tot de vrouw alles had doorgeslikt, haar vingertoppen had proper gedopt en haar japon had glad gestreken.         De plaats waar de kruimel op de jurk was terechtgekomen was een bruine moedervlek.         Zij lachtte ernaar en het meisje deed mee, voor het zich terug in de groene kool nestelde.         De baby ruitjes hadden voor goed geen leeftijd meer.

Dorlan Slefficsroth
43 0

Glazen knikkers

Altijd is ze aanwezig. Ze houdt ervan zich te verkleden. Ze bezit twee prachtige gewaden die ze kriskras aantrekt. Wanneer zij  er zin in heeft. Soms draagt ze een smaragdgroen of robijnrood gewaad. Ze is dan getooid met wonderbaarlijke sieraden en draagt sprankelende make up. Haar haren glanzen dan in de zon en haar ogen fonkelen dan als sterren. Ze verleidt je om onbekende plekken te ontdekken, om de hoogste torens te beklimmen en om verre reizen te ondernemen.  Ze denkt met je mee en schrijft de wildste projecten uit. Ze zorgt ervoor dat je de wereld aankan. Ze smeedt plannen met je om met je te winkelen tot je je hele bankreking hebt geplunderd.  Maar je schittert, net als haar, met weelderige lokken, prachtige gewaden, en geurend naar de meest kostbare parfums. Ze tovert met jou de meest exotische en duurste wijnen op tafel.. 's Nachts trekt ze een zachte pyjama aan en vlijt ze zich tegen je aan in bed.  Ze vertelt je de spannendste en mooiste verhalen en kan je wel 10 nachten wakker houden. Onaangekondigd hult ze zich in een donkere cape. Waar vochtigheid en schimmel in zijn verweven. Ze sleept je mee in donkere riolen, en laat alle levensvreugde uit je stromen.  Ze schrijdt geruisloos door het huis, en maakt de wereld buiten angstaanjagend. Je kruipt onder jassen van de kapstok in de gang wanneer de deurbel bedreigend klinkt. Ze nestelt zich dan tegen je, en met handen en voeten zo koud als ijs doet ze je rillen van miserie. Ze sluit muisstil de weg af naar de badkamer en de keuken. Ze lacht je uit en hult je in een jas van stank en verrotting. Ze houdt mensen heel ver van je vandaan.  Aan het einde van de gang gebeurt het dat je een lichtje ziet. Daar wacht de Schitterende, de Stralende je weer op. De cirkel is dan rond. Ze zal je terug doen stralen. Wanneer ze echter beiden op mijn schouders zitten, zwijgen en meekijken, is er een moment van balans.  Dan voel ik me veilig. Ik voel hoe de feeën met glazen knikkers gooien. Zolang de knikkers in de lucht blijven, voel ik me rustig en hoef ik niets te vrezen. Wanneer er eentje dreigt te vallen, zoek ik welke fee me heeft verlaten en me genadeloos mee zal nemen naar het einde van de gang.    

Sophie Philips
5 1

Jeukende logica in station Zwolle

De trein naar Kampen nadert station Zwolle.Spoor 1. Ochtenddrukte. Ongeduldig dromt het forenzenvolkje samen bij de toegang naar de tunnel. Voorspelbare maneuvers. Een handdruk, een schouderklop, een schaarse glimlach, gerantsoeneerde hoffelijkheid.Max heeft zijn vaste plek op het perron. Hij kijkt naar links, staart voor zich uit, buigt het hoofd, slaat een vlieg weg. Max verstaat de officiële mededelingen niet. Ook de excuses gaan aan hem voorbij. Max wacht, ondergaat gelaten de commotie. Spoor 2. Met misplaatste fierheid arriveert de verlate trein naar Kampen. Max aarzelt, zijn brein verliest het contact met zijn lijf. Perfect getimed voert hij het foute plan uit. Hij doet een stap achteruit en werpt zich vooruit, op het spoor. Spoor 1 welteverstaan. Lang voor Max begrijpt wat er gebeurt, is de trein naar Kampen al jammerend tot stilstand gekomen. Op spoor 2.De logica van verlaat spoorverkeer lijkt zowel hard als mededogend. Door een enkele welgemikte wissel loopt Max de stroom aan herinneringen mis die uitbarst net voor een zelfgekozen levenseinde. Niemand ziet hoe tragikomisch het allemaal is. De reizigers op spoor 2 zijn danig druk met de instapprocedure die hen de optimale plek moet opleveren. Daarin is geen plaats voor een pony die een uiltje wil gaan knappen. Haast theatraal nota bene. En op spoor 1. Max krabbelt recht. Met lillende achterhand wandelt hij naar de voorkant van het stilstaande treinstel op spoor 2. Daar vlijt hij zich neer voor de locomotief. In een suïcidale rationaliteit is dat een dood spoor maar zelfs een pony begrijpt instinctief dat arrogantie in dit geval noodzakelijk is om gezichtsverlies te vermijden. Of is de frisse appel waarmee een jozef hem op het perron lokt meer dan een detail in Max’ enigmatische joie de vivre?Trouw aan het ongeschreven scenario volgt Max het perron in noordelijke richting. Bijna kegelt hij een late reiziger om die zijn frustratie wegbalkt. ‘Wat vreet die trein naar Kampen uit op spoor 2? Lopen er alweer lompe pony’s op de sporen?’ Op spoor 2 vertrekt de trein. Aan de hand van hun moeder wuiven twee hummels naar de vader van de jongste die voor onbepaalde tijd verdwijnt. Haar oudste staat al aan de snoepautomaat. De late reiziger interpelleert de jozef van de appel. Max verlaat het toneel. De natuurlijke antioxidanten uit de appel werken gunstig in op zijn dopamine. Station Zwolle blijft er onbewogen bij. Op het rangeerterrein naast het station staat wat afgedankt rollend materieel te suffen in een verlegen lentezonnetje. Naast de derde wagon in het roestende rijtje zoekt Max zijn plekje. Er resulteert esthetische spanning uit de confrontatie van de dominante horizontaliteit van het spoorrijtuig met de verticale lijnen van vervagende graffiti. Bij een artistieke pony als Max wekt dat emotioneel onbehagen op. Kauwend ontwaart hij in een kwintet hoekige maar sierlijke letters de naam van zijn geliefde. Kassy.Vele appels geleden, om 17u07, liet Kassy het leven bij een aanrijding door de trein van 17u07 naar Kampen. Spoor 1. Zij was die keer eerst gesprongen.‘Kassy’, zucht Max. Wat later hijst Max zich recht en gaat op weg, richting spoor 4.In station Zwolle brengt hij routineus zijn schijnbaar onvoltooide sterfscène terwijl de – verlate – trein naar Deventer gewillig meespeelt op spoor 3. Zolang het spoorverkeer netjes wordt ontregeld door omvallende bomen, wateroverlast of een overvloed aan reizigers, levert dat Max met de regelmaat van een stationsklok een heerlijke appel op.

bart e. g. vinck
18 0

Waar ben ik aan gehecht?

Mijn woonkamer is gelegen op de derde verdieping. Geen lift dus neem ik de trap. Die is van steen. Geen tapijt want een tapijt zou wijzen op welstand en dat standje ken ik niet. Als ik de voordeur van mijn appartement bereik zie ik meteen dat er iets niet klopt. Wat klopt hier niet? Er is iets mis met het slot. Ik zie dat er iets mis is met het goedkope slot. Op het matje ligt een donker ding. Ik buk me, raap het op, kijk nog eens naar het slot. Wat in mijn hand ligt is er een onderdeel van! Heel veel denkvermogen heb ik niet nodig om te beseffen dat het slot geforceerd werd. Is het zo? Het is inderdaad zo! Het luidruchtig kloppen van mijn hart maakt me zenuwachtig. Ik probeer het te kalmeren. Met de ene hand open ik de deur, met mijn andere maak ik een denkbeeldige vuist. Er zijn slechts twee stappen nodig; een, twee. Ik zet ze. Stoere stappen richting woonkamer. En dan zie ik hem. Hij ziet mij. Hij schrikt, ik ook. 'Wat doe jij hier?' De nadruk ligt op JIJ! De JIJ van een vijand. De JIJ van een belager, een indringer, een schoft! Hij zegt niets, ik loop naar buiten, weg uit mijn eigen woning. De treden lijken me te helpen bij het wegrennen; ze geven de bal van mijn rechtervoet een duwtje, de hiel volgt, de andere bal een duwtje, de andere hiel volgt. Meteen sta ik terug op het trottoir. Ren de rijweg over, oef, er reden geen auto's in volle snelheid voorbij. Ik duik de bloemenzaak binnen.  'Een telefoon! Nu! Geef me een telefoon!' Op de agenten hoef ik niet lang te wachten. Ze brengen mijn gedachten terug naar de inbreker, staat hij nog steeds in mijn woonkamer, zoekend in mijn kasten naar waardevolle spullen? Naar geld? Zal hij iets stelen waar ik gehecht aan ben? Waar ben ik aan gehecht?    

Ingrid Strobbe
24 0

Stemmen

Anna vlucht naar buiten, weg van de schreeuwende stilte in haar nieuwe studio, waar ze enkel met de stemmen in haar hoofd kan praten. Op straat is het gezellig druk. Marktkramers prijzen hun waren aan. Sappige dialecten stromen samen, krokante appels aan zachte prijzen, de kracht van de herhaling. Het zonnetje schijnt, mensen houden graag halt voor een praatje. Het nieuws verspreidt zich als een lopend vuurtje tussen de kramen: actrice Laura Peeters is gisteren overleden. Anna en Laura waren vriendinnen. Ze groeiden op in de schoot van hetzelfde polderdorp, een vergeten stipje op een vergeelde landkaart. Ze ontwikkelden elk hun eigen strategie om de wereld buiten het dorp te ontdekken, om uit te breken. Taal was hun geliefkoosde wapen. Anna had oneindig veel vragen, de antwoorden zocht ze in boeken, later begon ze al schrijvend ook haar eigen antwoorden te formuleren. Laura was voorbestemd om actrice te worden. De wereld was haar podium, ze speelde altijd, verstopte zich voortdurend achter een masker van drama en mimiek.   Op de dag van de begrafenis keert Anna terug naar het dorp. Laura’s ouders wilden afscheid nemen van hun dochter in intieme kring. Het is meteen duidelijk dat niet iedereen dat begrepen heeft. Anna ziet journalisten en huilende fans. Ze vraagt zich af of zij hier wél op haar plaats is. Haar ogen glijden over het dorpsplein, op zoek naar één gezicht, met ogen als donkere parels. Het dorp uit Anna’s jeugd was onverzettelijk en hardleers, een brokje onvervalste authenticiteit dat zich nu finaal lijkt over te geven aan de Vlaamse verkavelingswoede. Haar leven onder de kerktoren speelde zich af in een klein, gesloten kringetje: haar ouders, broers, grootouders. En Laura, Samuel en Oskar. Anna en haar vrienden waren even oud en op elkaar aangewezen. Ze hadden de ruimte om samen jong te zijn. Maar in hun tienerjaren werd het dorp plots te klein, te benauwd, ze verlangden naar de onbegrensde mogelijkheden van de stad. Ze hadden grote dromen, maar het dorp en hun jeugd konden ze niet zomaar loslaten.   De terugkeer naar het dorp is een stap terug in het verleden. De tijd verglijdt, samen met gemiste kansen en zachte leugens. Anna glijdt langzaam mee. Onvermijdelijk komt ze bij Samuel en Oskar terecht. De jongens uit haar jeugd zijn uitgegroeid tot succesvolle jonge mannen. Oskar heeft net zijn eigen IT-bedrijf opgericht, Samuel is chef-kok in een hoog aangeschreven restaurant. Ze omhelst haar vrienden, zoekt troost in hun vertrouwde stemmen, vergeving in hun vochtige ogen. Anna en Laura deelden alles, van hun diepste geheimen tot de liefde voor dezelfde jongen. Samuel viel eerst voor de excentrieke, wilde schoonheid van Laura. Later zocht hij toenadering tot de bedachtzame Anna. Er ontstond een bijzondere, kwetsbare vriendschap, voortdurend bedreigd door het gif van de jaloezie. Uiteindelijk koos Samuel voor een meisje uit de stad.  Anna probeerde haar verdriet te overwinnen met haar pen, ze vertrouwde op de kracht van de verbeelding. Ze rukte zich los uit de klauwen van het dorp en zocht lang naar haar eigen stem. Laura verdoofde de pijn, ze vluchtte in haar werk, in drank en pillen, in de armen van foute mannen en uiteindelijk in de dood. De dienst is voorbij. Oskar vraagt om hem te vergezellen naar het enige café in het dorp. Hij bestelt drie glazen witte wijn, de favoriete drank van Laura. De tv staat aan, er worden beelden getoond van hun vriendin. Ze was te zien in verschillende televisiereeksen en op het witte doek. Ze speelde altijd zeer intense rollen. Ze speelde zoals ze leefde, vol overgave, zonder compromissen. De drie overblijvers klinken op Laura. Haar glinsterende ogen vullen het scherm, ze knipoogt naar hen.

Ine Moreels
7 0

Fietsslim - mensdom

  Echo Benieuwd is een wezentje, een mysterieus en eenvoudig figuurtje.  Zijn lichaamsvorm is moeilijk te beschrijven.  Hij wordt één met zijn omgeving.  Hoe hij zich beweegt, is nog een groter vraagteken.  Rollend, kruipend en slepend komt waarschijnlijk het dichtst bij de manier waarop hij zich voortbeweegt. Tegen alle verwachtingen in beweegt hij zich vrij vlot.  Lucht houdt hem in leven.  Hij huist ergens op de buiten in een klein dorpje onder een spoorbrug gelegen op een geliefde fietsroute.  Zonder overdrijven, op een mooie winter-lente-zomer-herfstdag fietsen wel honderden fietsers het bruggetje onderdoor. Iedereen of bijna iedereen roept dan iets naar Echo Benieuwd toe.  Mensen zien hem niet.. Hij is onbestaande en ook weer niet.  Horen doen ze hem wel. Kinderen houden ontzettend veel van hem.  Ze willen hem telkens opnieuw horen.  Volwassenen katapulteert hij terug naar hun onbezonnen kindertijd, al is het maar voor even.  Hoe gehaaster of gestresseerde de rijders ook zijn, bij een kreet onder de brug is de ontlading gegarandeerd een troef.  Helaas vergeten gespannen mensen de deugd van uiting dan het vaaks.  Op dat moment zou Echo Benieuwd niet liever willen dan die mensen te helpen.  Hoe hij ook probeert in alle mogelijke bochten, het lukt hem niet.  Soms loopt hij gebukt onder zijn eigen niet kunnen en vervloekt hij zijn beperkte echokunde. Is hij jaloers op de mens met zijn kunnen en zijn creaties. Hij kijkt naar de fiets als voorbeeld.  De verscheidenheid ervan is enorm groot. Bakfietsen om spullen of kinderen te vervoeren.  Racefietsen om snel te fietsen.  Mountainbikes voor de bossen.  Ook hier onder het bruggetje op het beton zijn ze welkom.  Crossfietsen zijn dan weer geschikt voor elke ondergrond.  Ligfietsen bevinden zich heel laag tegen de grond.  Fietsen met fietszakken en kinderzitjes.  Grote en kleine twee- drie- of eenwielers. Rolstoelgebruikers klikken hun handbike vast en fietsen met hun handen. Fietsen hebben dikke, dunne, gladde of geribbelde banden .  Sturen hebben ook allerlei vormen.  Elektrische ondersteuning op het stalen ros zorgt nog eens voor een variant.  Kortom voor ieder, groot, klein oud of jong bestaat er een rijwiel in alle soorten, kleuren, gewichten en formaten.  Aan diversiteit en verscheidenheid geen gebrek.  Elk mankement aan een fiets wordt verholpen door een mens.  Geen fiets of mens die klaagt.  Bewonderingswaardig. ‘Hallo, hallo’ is zowat het meest voorkomende woord dat geroepen wordt in alle tonen en volumes.  Onmiddellijk daarna weerklinkt de klanknabootsing ‘hallo, hallo’ van Echo Benieuwd.  Wanneer mensen ’Hallo Echo’ roepen dan voelt Echo Benieuwd zich erg vereerd en geliefd.  Hij zegt het mooi na zoals het hoort.  Vooral kinderen kunnen er niet genoeg van krijgen, keren terug apart of met meerdere samen, zeggen het mogelijke, onmogelijke om hem uit te dagen. Soms gieren ze het uit van de pret en staat de verbazing op hun gezicht te lezen.  Echo Benieuwd valt niet te kloppen.  Keer op keer echoot hij hen perfect na. Hoogtepuntmomentjes. En dan die scheldmomenten.  Vreselijk.  Dieptepuntmomentjes.  ‘Hey makak , loser, hoer, janet, debiel of gekapte,…’ roepen mensen naar elkaar in zijn bijzijn. Hoe dom kan een mens naar mens niet zijn?  Waar is de mens nu met al zijn kennis en kunde?  Oplossingen en waarderingen voor mensendiversiteit blijven zoek.  Hoe kan dat nu?  Fietsslim maar mensdom.  Dat gaat Echo Benieuwd zijn verstand te boven.  Hoe hard hij ook ineen kruipt, probeert in alle talen te zwijgen, niets helpt.  Het is sterker dan hemzelf.  Opnieuw zegt hij het lelijks en het vernederendst na.  Het lijkt alsof hij, Echo Benieuwd, er nog een schepje bovenop doet met al zijn nabootsing.  Niets is minder waar.  Voor Wolk Amadeus wordt het pijnlijke hem te veel en begint hij te huilen.  De zon houdt stand.  Met haar zonnestralen dringt ze vastberaden binnen in een regendruppel.  Kort daarna schittert de regenboog in al zijn pracht aan de hemel.  Voor iedereen gelijk.  De rijkdom van de natuur.  Iets of niemand kan dat ontkennen.  Wolk Amadeus en Echo Benieuwd vinden het ook mooi. En dan komt Marieke enthousiast aangefietst en roept:’ Joepie, ik leef!’ ‘Joepie, ik leef’ echoot Echo Benieuwd blij!!!.   Ann Stuckens 03-01-2020      

Ann Stuckens
30 0

Klimmen voor de echo

We moeten nog ver klimmen, zie ik als ik naar boven kijk. Het zweet op mijn voorhoofd en de krampen in mijn benen vertellen mij dat ik meer had moeten oefenen. Frederik hangt onder mij, voor hem is dit de eerste keer op een grote berg. Sam en Veerle zijn al bijna op de top, het was hun idee om deze vakantie opnieuw te klimmen, zoals vorig jaar. De stilte onder mij baart mij zorgen. ‘Alles in orde, Frederik?’ roep ik naar beneden. ‘Ja hoor, Erika,’ klinkt het, veel stiller. Ik hoor zijn pikkel steeds weer in de bergwand slaan, minder snel dan mijn tempo. Na een paar keer beslis ik ook minder snel te gaan, om Frederik niet achter te laten, maar ook om mijn benen meer rust te gunnen. Boven mij zie ik alleen nog de voeten van Sam en Veerle, de bergwand gaat steeds minder steil, nog even volhouden. Ze roepen iets naar beneden, klinken enthousiast. Ik versta er niets van en roep: ‘Wat zeggen jullie?’ ‘We zijn er!’ herhalen ze tegelijk. Ik roep een zwakke ‘Super!’ terug terwijl ik afzie met de laatste loodjes. Frederik is intussen iets dichter geraakt, we klimmen aan hetzelfde tempo verder. ‘Wij zijn er ook bijna,’ zeg ik, om hem moed in te spreken. ‘Goed, ik kan niet wachten op de echo die Sam heeft beloofd.’ Dat is waar, Sam beloofde hem de heftigste echo die hij ooit al gehoord had, het zou niets zijn vergeleken met de echo op de kleinere bergen. Na een minuut of vier – de langste minuten, naar mijn gevoel – halen wij ook de top. Sam en Veerle zitten in kleermakerszit te wachten en iets te eten. ‘Smakelijk,’ zeg ik, uitgeput. ‘Dankjewel, en proficiat, jullie hebben dat goed gedaan,’ zegt Sam. Ik glimlach, Frederik ademt hardop, hij heeft het even gehad met al dat klimmen. Sam en Veerle staan op en wachten tot we bij hen zijn. ‘Kom, we gaan naar die rand, daar hoor je de echo het beste,’ zegt Sam, wijzend naar rechts. We lopen samen naar het panorama van bergtoppen en kijken rond. ‘Hallo!’ roept Sam naar de andere bergen. Hij krijgt meermaals antwoord van zichzelf, tot zijn stem stiller en stiller wordt en verdwijnt. Frederik roept hetzelfde, hij luistert gretig naar de luide echo van zijn stem. Ze geven elkaar een high five, Sam had gelijk, ik zie het Frederik zo denken. ‘Ze lijken wel twee jongens van twaalf,’ zegt Veerle geamuseerd. Ik knik, het is echt zo. Voor ons is dit niet de eerste keer op deze berg, we kennen hem al, net als de echo. Maar het was opnieuw de moeite waard om zo hoog te klimmen, alleen al voor het zicht. Ik denk dat Frederik de volgende keer wat sneller zal zijn. Nee, daar ben ik zeker van.

Ruben Bultinck
61 0

Hou jezelf levend

'Dat is dan 78 euro alstublieft.' zij een vrouw aan de kassa. De man haalde zijn portemonnee boven en stopte zijn creditcard in de gleuf van het apparaat. De zaken, die hij zojuist had gekocht, stopte hij in een zak. Al snel was hij de winkel uit. Hij liep over de parkeerplaats richting zijn auto. Hij nam zijn sleutels uit zijn zakken toen hij voor een Ford Mustang stond. Net voor hij wou vertrekken, werd hij gebeld. Hij hield zijn gsm vast nadat hij had opgenomen. Voor een tiental seconden hoorde hij niets 'Met wie spreek ik?' vroeg de man met de gsm nog steeds in zijn hand. 'Hou jezelf levend' zei een koelbloedige stem die duidelijk vervormd werd. Hij begreep niet wat dat te betekenen had, de man vroeg voor een tweede keer met wie hij sprak. De stem antwoordde niet op zijn vraag maar zei weer 'Hou jezelf levend.' 'Waar gaat dit over? Is dit een soort grap?' zei de man met een stem die nerveuzer begon te klinken. De stem waarschuwde dat het nog 1 minuut zou duren. Hij had alleen geen idee wat er dan te gebeuren stond. 'IK HEB VERDOMME GEEN ZIN IN GRAPJES!' Zei de man uiteindelijk nadat hij er genoeg van had. 'Waar gaat dit eigenlijk over?!' probeerde hij daarna, iets rustiger, te vragen. De stem antwoordde niet meer en al snel hoorde hij hoe de lijn was toegelegd. Hij keek naar de digitale klok op zijn gsm, het was half vier in de namiddag, klaarlichte dag. Wat kon er hem gebeuren? Niets, toch? Het was waarschijnlijk een grappenmaker, althans dat hoopte de man. Nog even wachten dan is de minuut voorbij, dan kon hij rustig naar huis. De minuut leek een eeuwigheid te duren. De man keek steeds nerveus rond zich, met de gedachte dat iemand hem zou vermoorden. Hij moest er weg, volgens hem was het de gevaarlijkste parkeerplaats van het land. Met handen die vol zaten met zweet, nam hij zijn autosleutels vast. Hij keek in een spiegel van zijn auto en zag een man steeds dichter bij de auto stappen. Het zag er geen normale man uit want al van ver was te zien hoe zijn halve gezicht bedekt was met brandwonden. Door de andere helft van het gezicht van de man, die steeds dichter kwam, liep een groot litteken. Hij was nu zo erg in paniek dat het hem de grootste moeite kostte om de auto te startten met de auto. De vreemde man was nu enkele meters van zijn auto verwijderd. Het was duidelijk dat hij richting de Ford Mustang liep. Nu pas merkte hij dat de man, die steeds dichter kwam, een hakbijl in zijn handen had. De auto was gestart, gelukkig. Hij had zelden zo graag weg willen gaan van een parking. Nadat hij de normale weg terug was opgereden, draaide hij een andere straat in. Hij stopte meteen zijn auto toen een man voor de Ford Mustang stond. De man liep richting het raam van de auto, die zich aan de kant van de bestuurder bevond. De man tikte met zijn hand op het raam. Hij wist wat hij wou, zijn tijd was gekomen. Hij opende het raam met zijn linkerhand. De man met de bijl leunde op de auto. 'Angst voor parkings?' vroeg de man iets té luchtig.

Nova
37 1

In alle eerlijkheid

Het is zover. Ik heb er eentje. Onze oudste confronteerde me er mee. We waren een dag gelijk op pad en hij hoorde het iets te vaak. "Pa, stop daar eens mee", zei hij. "Je zegt het bijna na elke zin." Het was me wel eens opgevallen, maar dat het zo erg was, wist ik niet in alle eerlijkheid. Kijk, daar is het opnieuw. Mijn stopwoord: 'In alle eerlijkheid'. Ik had nooit gedacht dat ik iemand zou zijn met een stopwoord. Om de paar zinnen komt het er automatisch uit. Zoals de koekoek elk uur uit zijn koekoeksklok springt. Het is klokvast. Het moet eruit. Ik kan het niet meer controleren. Ik heb voor de aardigheid enkele zinnen genoteerd. Zinnen waarin het bijna automatisch voorkomt. "Er is in alle eerlijkheid niks met een portie bitterballen.” "Ik proef het verschil ook niet in alle eerlijkheid." "Ik snap dat wel in alle eerlijkheid." Dat zijn er nog maar drie, maar u snapt mijn probleem. Het is alles bij elkaar een gek ding. Soms betrap ik er mezelf andermaal op dat 'in alle eerlijkheid' uit mijn mond komt en dan begin ik te vloeken. Dan lijkt het alsof ik het syndroom van Gilles de la Tourette heb. Nee, er moet iets aan gedaan worden. Voor je het weet gaat het zijn eigen leven leiden en beginnen de mensen je een naam te geven. Zoals bij mijn kennis de Wittewel.   Het goede nieuws is dat ik in de eerste fase van mijn probleem zit. De herkenningsgfase. Ik ben me bewust van mijn probleem. Een zelfhulporganisatie is daarom geen slecht idee. Maar die zal wellicht nog niet bestaan voor mensen met deze aandoening of stoornis. Wat denkt u bijvoorbeeld van de Storende Stopwoordgebruikers? Al is de afkorting daarvan in alle eerlijkheid niet het beste idee.  

Rudi Lavreysen
24 1

Anita gaat vreemd

Anita gaat vreemd. Haar minnaar woont om de hoek. Het is de buurman die nu en dan haar wederhelft bezoekt. Dan kijken de mannen samen voetbal en lachen ze met vrouwen. Ook met haar. Maar: als de kat van huis is, danst Anita rond hém heen. De 'gelukkige' minnaar heet Willy, een naam die klinkt als een klepel van een te traag tikkende klok. Tik... tok. Toch is hij een snelle man, een turbo die niet stilvallen kan. Willy is de match die haar licht ontvlambare lijf doet branden. Grommend als een wilde beer stort hij zich op haar. In ruil zet zij haar tanden in zijn weelderig begroeide torso. Maar soms… Soms voelt ze de drang eens goed door te bijten. Hem pijn te doen, genadeloos af te maken. Naast zijn zweet en zoutig vel zijn bloed te proeven. Zijn ribben te doorboren met een stomp maar krachtig voorwerp. Zijn ogen dicht te schroeien met vuur of één of ander bijtend zuur.   Het is het sluimerende, plots opduikende schuldgevoel dat haar tot zulke waanzinnige gedachten drijft. Ze wordt boosaardig en tegelijk zo teder, zo lief dat ze niet weet of ze moet schreeuwen, hem verscheuren of simpelweg beminnen. Haar lijf davert, haar poriën openen, haar stem gromt. Zo grommen ze samen: hij van opwinding, zij van verwarring, kwaadaardigheid.   Willy weet niet wat het is, bedriegen, hij staat met zijn alleenstaande-status aan de andere kant. Daar waar het niet pijn doet, daar waar het schone leven heerst van cadeaus en saunabeurten. Ze wil het hem inpeperen, kerven in zijn rode, door haar doodgebeten vlees. Tegelijkertijd moét ze hem waarschuwen. Scheer je weg, vlucht voor ik je genot bezorgende lichaam in stukken snijd en in een fondue van chocolade en vruchten dompel. Ach Willy, ga weg!     Maar Willy blijft. Leest enkel liefde op haar schuldbewuste gelaat. Hij voelt geen haat. Hoopt dat ze haar man voorgoed verlaat. Dat die straks in de deuropening staat, hen betrapt tijdens de daad. Anita wil dat hij gaat. Maar hij blijft en zegt “grrr”. Zij gromt “grrr”.  

mme evil
98 4

De echo van het wassende water.

Na een seizoen zwemmen in de zwemvijver van Boekenberg. De echo van het wassende water.     Mijn rouwperiode voor de gezonken badboot is eindelijk afgesloten. Ik ontdekte een waardig alternatief op tien minuten fietsen en bovendien gratis. 70 meter natuurlijk gezuiverd zwemplezier. De zomer van 2017 is moeilijk; razende gedachten in een uitgeput lichaam. Leven “on hold”. Het water heelt, koelt mijn geest en lichaam en brengt de rust die ik nergens vind.   Ik zwem liefst alleen.   Onmogelijk maar bij het openingsuur om 12 uur vind ik mijn draai.   Mensen zwemmen zoals ze zijn .   Sommigen zwemmen alsof ze iets moeten overwinnen. De tijd alvast. De overkant moet bereikt. Het water zit ze in de weg; ze vallen het aan. Met overdreven gebaren splijten ze de vloeistof die, hoog opspringt. Ze maken fonteinen, golven… Vermoeid bereiken ze de overkant om direct weer te vertrekken. Ze eisen hun baan op en nog veel meer.   Anderen gaan eveneens snel maar klieven het water en leggen hun armen ongemerkt in het water dat zich gewillig opent. Is het techniek of zijn ze als vissen? Ook zij zijn ongenaakbaar in hun baan; maar anders. Zowel de eersten als de laatsten mijdt ik in het echte leven.   Er is ook het vriendschapszwemmen. Meestal een duo vrouwen die zich traag maar constant pratend voortbeweegt. De mobiele kop koffie; het gesprek primeert.   Kinderen spelen, plonsen… Het koude water ontlokt kreten, hun lichaampjes schrikken, dartelen… Soms is er ook verliefd zwemmen.   Ik heb het gevoel het water zo min mogelijk te beroeren. De trage zwembeweging voelt harmonieus met het water. De herhaling, het borrelende geluid creëert een vorm van opname door het water; ik vertrouw mijn lichaam eraan toe. Het water neemt mij op, zalft mijn gedachten. Het meestal koude water verlamt mijn geest. Ik adem diep, neem de zuurstof op uit het water, verspreid ze en observeer. Ik neem de zon in ontvangst die op het wateroppervlakte schijnt. Het verhoogt het genot. De schaduw wordt er donkerder door. Zwemmen naar de zon… Het water als vriend, de beweging als motor ( voor het leven).     Yo Van den Bulck    

Calamity yo
3 0