Zoeken

De Week: Maandag

Maandag Op maandagen zucht ik het luidst, dan weet ik niet of ik moet huilen of wenen. Neem het zekere voor het onzekere en doe beide, denk ik dan. Ik zit op een stoel aan een bureau. Voor me, de lege stoel van Aurélie. Daar achter, net boven de dubbele deur, hangt de klok dat 8:53 wijst. Ook zie ik de planten aan het eind van de gang, die dieper hangen dan de wallen onder mijn ogen en bijna net zo zwart. Mijn toetsenbord is proper, bijna precies zoals toen ik hem kreeg behalve de laag vet op de tweede rij letters. Hetzelfde geld voor al het andere apparatuur. Behalve misschien de rechtermuisknop dat heeft afgezien na lange sessies solitaire. Soms denk ik dat ik een geest ben, dat niemand ooit gemerkt heeft dat ik hier zit. Misschien ben ik dood en weet ik het zelf niet. Dat geloof ik niet, als dat zo is dan is dit de hel.  Ik neem een pen vast, speel het rond mijn vingers. Dan zet ik het op mijn pols en klik. De ijzeren top van mijn pen drukt in mijn huid. Ik haal de pen weg. Wat blijft is een perfecte cirkel met een blauwe punt in het midden. Aurélie is tenslotte aangekomen, ze heeft net een yoghurt gegeten, er hangt nog wat van in het putje van haar mond. Ze gaat zitten en haalt een kleine spiegel uit waarin ze haar gezicht bestudeerd. Ze dept het weg met een zakdoek. Dan staart ze naar het scherm en het licht in haar ogen gaat uit. Ik zou best haar spiegel kunnen zijn, bedenk ik. Ik zou alles zien en bovendien kan ik zeggen hoe mooi ze eruit ziet. Het is verbazingwekkend, hoeveel moeite ze elke ochtend steekt in haar make-up, gewoon om naar een scherm te staren. Dat zijn de momenten waarop ik alle hoop verlies. Zij, de Mona Lisa, mijn Mona Lisa. Dit, een stoffige kast waar niemand haar ooit zal zien. Het is boeken voor brandhout. Ik kijk naar de klok, tien na één. De elektronica zoemt zacht. De klok tikt loom verder. Soms vraag ik me af of de klok tijdsbesef heeft. Zoals psychiaters zelf ook naar de psychiater gaan, zo kijkt een klok naar een andere klok. Noem het getikt, maar een klok moet ook eens twijfelen. Ik steun mijn kin op mijn hand. Nu zullen ze vast denken dat ik nadenk, en nadenken is normaal, maar niet te veel. Ik besluit terug te doen alsof ik werk. Normaler dan werken op je werkplaats, bestaat niet. Het is als plassen in het toilet. Niemand stelt je de vraag; 'Wat moet je daar?'  De sociale regels moeten ten allen tijde gevolgt worden. Als iemand daar uit valt, heb je chaos. En als bazen ergens bang voor zijn, is het chaos. Daarom ziet alles er zo mistroostig uit, dat bedacht ik in de jaren van grijze arbeid. Het is gemaakt om je te breken. Het is twintig na één en ik stel me voor hoe ik me voorstel aan de vrouw van mijn leven. 'Goedemiddag, Mona,' zou ik haar zeggen. 'Mijn naam is Aurélie,' zegt ze. 'Ja, maar jij bent de Mona Lisa,' zeg ik dan. 'Mijn muze, mijn maan en sterren.' Ze bloost en kan haar lach niet bedwingen. Met haar wijsvinger draait ze haar blonde krullen rond en rond.  Ik ga nog verder. 'Je bent voor mij als het heelal voor Galilei. Het canvas voor Rubens. De taal voor Shakespeare.' Ze blijft even stil en de twijfels prikken me. Oei oei, vond ze dat wel leuk om te horen? Straks denkt ze dat ik niet normaal ben. 'Je bent beeldschoon,' fluister ik dan en ik kijk haar recht in de ogen. 'Nog nooit heeft iemand zo iets tegen me gezegd.' fluistert ze terug en ik kan haar bijna niet geloven. 'Ik zeg enkel wat ik voel, wat ik al maanden wil zeggen.. Aurélie?' 'Ja?' 'Als ik straks naar huis rij, dan denk ik aan jou. Als ik eet, denk ik aan jou. Als ik mijn pyjama aantrek en ga slapen, denk ik aan jou. Als ik dan in slaap val, droom ik van jou.' 'Waar ben je al die tijd geweest?' vraagt ze. Hehe, net voor je neus, zal ik even denken. Maar dat zeggen? Nooit. 'Ik heb geleefd met een hart van steen. Maar niet langer, Aurélie. Ik sterf liever vandaag aan een bloedend hart dan een leven te verduren dat zonder jou niet de moeite is. Want, zie je. Het zit zo,' stamel ik.  Ze merkt dat ik een zetje nodig heb. En dan doet ze iets wonderlijks, ze klimt uit haar toren en dwarrelt naar beneden als een vergeeld blad van de boom, om me te ontmoeten op gelijke voet. 'Wat probeer je te zeggen?' vraagt ze. 'Dat ik van je hou, Aurélie. Al sinds het moment dat ik je voor het eerst zag. Je maakt me zo blij en triest tegelijk, dat ik elke dag uitgeput naar huis ga.' 'Je houd van mij?' vraagt ze verbaasd, alsof dat zo vreemd is. 'Ja Aurélie, mijn Mona Lisa. Ja.' Het is bijna vier uur en ze ruimt haar spullen op, mikt haar appel recht in de vuilbak en neemt haar smartphone. Ze wacht op het eindsignaal als een voetbalteam dat drie nul voorstaat.  Aan de overkant van haar veel te grote bureau zit ik. Ik sta drie nul achter met maar drie minuten speeltijd te gaan. Misschien moet ik zorgen dat we een klein accident krijgen op de parking, iets waarbij zij in fout is. Dan moet ze me wel erkennen, denk ik. Ik stel me voor hoe we dat verhaal jaren later delen met onze vrienden, ouders en kinderen. Ze zullen lachen en Aurélie kijkt dan grijnzend weg en speelt weer met haar blonde krullen. Maar ik doe niets. Ik doe altijd niets. Oftewel, nooit. Dat is mijn verhaal. Ik kan er niet van weglopen, ik draag het mee, een leven lang. Ik kijk toe als ze haar stoel achteruit schuift en vertrekt met haar handtas over haar schouder. Ze loopt onder de klok door en verdwijnt van het toneel. Dan komt het besef dat ik de wedstrijd heb verloren

Stelselmatig
7 0

Verliefdheid: een studie (1)

Deze ochtend nog hobbelde ik te fiets achter een koppel aan. Althans, dat dacht ik te vermoeden want zij kon het niet laten om al fietsend zijn arm te strelen — te strelen maar dan met een indringend verlangende zelfzekerheid zoals alleen geliefden dat met elkaar kunnen. (In feit was het een triniteit: twee ouders en hun kind.) Zij was één met haar fiets als een buideldier. Het veilige compartiment vooraan tussen stuur en wiel was de verderzetting van haar moederschoot buiten de veiligheid van moeders prenatale warmte. Dat alles leidde ik af uit één klein minuutje achtervolgingswaanzin. (Ik was de achtervolger.) Nu kwamen wij met z'n vieren bij een splitsing. Het bivium zette zich langs rechts verder op de begane grond  — daar gingen zij en het naartoe. Wij, man de man en ik, gingen de brug op, richting één of twee verdiepen hoger. Terwijl de volgende minuut zich inzette en zich in de labyrinthen van het nietsontziende tijdsverloop der dingen wurmde en worstelde en wrikte, werden wij vieren wij tweeën, maar dan tweemaal. Zijn nekspieren spanden zich op onder het oog van mijn vochtige, wroetende adem (het ging steil), maar niet omdat hij omhoog vocht. Zijn aandacht, ja die vocht en dwaalde een keer twee keer af naar de rechterbenedenhoek van zijn aandachtspanne. (Ik hield de wacht, was even zijn engelenbewaarder tijdens deze desolate ochtendluwte.) Maar toen demareerde hij plosteling schoksgewijs, toen de vergeet-me-welplantenmuur zijn liefde belemmerde — diezelfde liefde had haast, zij was ongeduldiger dan ik om de dag te beginnen én te beëindigen als het even kon. Ik wist wat er komen zou en jawel, net voor de holte van de paraboolbrug weer een bolte zou gaan worden, wanneer wij beiden op de ultimiteit (zie ook lemma 'intimiteit') van onze inspanning waren (voor mij viel het mee want hij beschermde me tegen de wind), keek hij een laatste keer om (niet naar mij welteverstaan). Zijn geestestweeling boog verder af, de begane grond op, een andere wereld in. En wisten zij veel dat wij nu geliefden waren geworden met z'n vieren.

Midas
7 1

De twee reizigers

Twee reizigers stonden aan de ingang van een grot. Over de grot wisten ze eigenlijk niet zoveel. Elke omwonende had er een andere mening op na en een kaart bestond al helemaal niet. Desondanks had één van de reiziger, reiziger O., had het avontuur al jaren proberen voorbereiden. De reiziger had zakken en zakken aan verhalen verzameld die nu in een blauwe rugzak loeihard op reizigers magere schouders wogen. De verzameling was zo groot geworden dat de reiziger al snel had besloten dat het geen nut had de rugzak nog af te doen. Als de reiziger iets uit de rugzak nodig had, hief die de arm om de schouder om zo van bovenaf het laatste toegevoegd document eruit te grissen.  Toen de reiziger daar voor de donkere ingang van de grot stond, voelde O. het snijden van de armbanden allang niet meer. De andere reiziger L. had ook een rugzak mee, een gele met twee compartimenten in. In het ene compartiment zaten waterflesjes en in het andere zaten boterhammen met pindakaas, exact 22 van elks. Samen trokken ze zo de grot in. De onbekende, donkere grot glibberde, plakte, gleed en sneed overal. Telkens als ze voor een opsplitsing van de weg stonden, krulde de arm van O. in de rugzak om zich aan de hand van een verhaal een weg te laten leiden. Ze kropen doorheen de grot, zoals de stilte onder hun huiden. Gedwee volgde reiziger O. de verhalen en woordeloos volgde reiziger L. reiziger O. Na een aantal vermeende dagen kwamen de reizigers plots op een grote open plek terecht. Het was er vlak en er lag een vorm van zand op de bodem, die knisperde onder hun schoenen. De open plek leek een samenkomst te zijn van allerlei tunnels en kanalen. Van boven, onder en zijdelings kwamen een reeks aan kleine en grotere gangen toe die ergens anders weer vertrokken. Verstard bleef de geleerde reiziger staan. Met verschrokken ogen begon de reiziger in de rugzak te graaien, terwijl de andere reiziger de verschillende gangen begon te inspecteren. Verwoed roerde de geleerde reiziger rond in de loeizware rugzak, maar de reiziger vond niks. Geen enkel verhaal kon de reiziger vertellen welke kant op te gaan. De reizigers probeerden elke gang, maar hoog, laag, boven of onder, alles liep dood. Reiziger L. probeerde de wanhopige, maar ook hongerige O. te kalmeren door te liegen over het rantsoen. Om te compenseren voor het leugen, at en dronk L. steeds minder om het weinige eten en drinken toch nog in de hand te houden. Maar de leugens kalmeerde O. niet. Gefrustreerd ging reiziger O. op zoek naar meer. De nutteloze verhalen begonnen meer te wegen, terwijl de reizigers steeds zwakker en hopelozer werden. Op een dag werd O. met een gebons in het hoofd wakker. Toen de reiziger naast zich keek, lag L. er verkrompen te beven. De reiziger trok de rugzak van L. open om te vinden dat er niks in zat, buiten wat kruimels en wat lege waterflesjes. De volgende vijf dagen zou O. de reiziger L. zo goed als die kon L. omhelzen om het beven te pogen ophouden, maar elke ochtend lag L. er steeds meer verkrompen en doorzichtig bij. En toen, op een ochtend, drie dagen nadat de laatste kruimels waren verteerd, draaide O. zich om en vond naast zich een leegte. Er was niemand meer. Verschrokken ging O. op zoek. Als een razende zocht de reiziger de doodlopende paden af. Na uren en uren van vruchteloos gezoek, stond de reiziger verdwaasd stil en viel door de knieën. Daar, in de bedrukkende donker, scheurde de reiziger de rugzak van de rug en ging op de grond liggen. Met de vingers roodgeklemd omheen een leeg waterflesje begon O. aan een lange slaap. Af en toe werd de reiziger wakker van de honger of de dorst, maar zodra O. de gitzwarte donkerte en de zinderende stilte gewaarwerd viel de reiziger terug in een koortserige slaap. De honger en de dorst konden O. steeds minder motiveren om te ontwaken. Na een onbeleefde tijd kwam O. voor een laatste keer bovendrijven uit de slaap en trok een half oog open. De reiziger was niet meer alleen. Hoeveel het er waren, wist de reiziger niet zeker maar dat maakte niet uit. De reiziger dacht aan de vele verhalen terwijl die het zachte zand onder het lichaam voelde en gleed weg. De reiziger gleed van de klamme rotsen langs het fluwelen gras naar de katoenen wolken. Bedoezeld door de geur van lavendel danste O. zich een weg doorheen het gewol. - Met zware oogleden en gevuld hoofd werd een vrouw wakker. “Jee”, dacht ze, “een mens kan toch raar dromen in een heet bad”, terwijl ze naar haar verrimpelde vingers keek.

Isobel
0 0

Het einde van de zomer

Met zijn handen op de railing van de brug staart hij in de richting van de rivier. Hij hoort de geluiden van het winkelstraatje achter zich. Eigenlijk omvat dit bergdorpje niet veel meer dan dit winkelstraatje. Het is gevuld met toeristen. Aan weerszijden wordt het afgebakend door de gevels van de verschillende winkelpandjes. Achter deze pandjes houdt het dorpje praktisch op, op een paar kleine hotels na. Aan de ene kant van de bewoning doemen grote wouden op. Ze gaan langzaam over in bergwanden. Aan de andere kant kronkelt een rivier. Zij die deze oversteken, treffen ook niets dan bomen en bergen. Oversteken kan via de brug. De brug waar hij nu op staat.  Terwijl hij op deze nazomermiddag in de verte staart, lijken de geluiden van de winkelende toeristen af te nemen. Hetzelfde geldt voor het gerinkel van de glazen op de terrassen. Hij denkt terug aan de laatste keer dat hij hier stond. Inmiddels is het al weer enige jaren geleden. Hij was jonger geweest, en meer uitgelaten. Wat wil je ook? Hij had net het geluk gevonden. Een kennismaking die hij zich herinnert als de dag van gisteren. Hij voelt hoe nostalgie in een brok in zijn keel samenkomt. Nog steeds snapt hij het niet.      'Aangenaam kennis te maken.' Haar donkere ogen kijken hem indringend aan. Hij is een moment sprakeloos. Nog nooit heeft hij zo’n vrouw gezien. Ze lijkt omgeven door energie. Gracieuse bewegingen. Een sensuele, hese stem. Beeldschoon. Hij kan zijn ogen niet van haar afhouden. Ze lijkt dit door te hebben. Hij ziet een korte, uitdagende twinkeling in haar ogen. Hij voelt zich betrapt. Zijn wangen worden warm.      'Het genoegen is wederzijds. Meer dan, zelfs.' Hij voelt zich onhandig, en vermoedt dat zij dit met hem eens zal zijn. Ze kijkt hem aan, maar zegt niets. Zijn lichaam gloeit. Hij probeert zichzelf te herpakken. In gedachten spreekt hij zichzelf toe. Hij vertelt zichzelf dat dit ongepast is. Een getrouwde vrouw, en ook nog eens de zus van zijn vriend. Hij probeert zijn gedachten te verzetten. Iets dat maar moeizaam gaat.       Gelukkig brengt Phil’s luide stem afleiding. 'We gaan. Gooi de spullen maar in de achterbak. We halen Nadia op en we gaan richting de bergen.'      Nadia was niet op tijd klaar geweest met werken om hem samen met Phil en diens zus van de luchthaven op te halen, dus zouden ze haar later thuis oppikken. Vervolgens zouden ze gevieren naar de bergen gaan. De nazomer was op zijn mooist, en het weer zou zich bij uitstek lenen voor wandelingen, fietstochten en ontspanning op het terras. Het zou een mooie week worden. Een week waarin hij afstand hoopte te doen van zijn scheiding en alle sores daaromheen. Gewoon, een week zonder gedoe.      Later, tijdens de rit, valt hem op dat er een akelige spanning hangt tussen Nadia en Phil. Hij ziet weinig terug van het gelukkige stel dat zij ooit waren. Ook valt hem op hoezeer hij zich op zijn gemak voelt bij Phil’s zus. Voor haar lijkt hetzelfde te gelden. Hij geeft hem een betrapt gevoel.      'Daar zijn we,' zegt Phil, zijn autoportier dichtslaand. 'Ik zal de kamersleutels halen.' Samen met Nadia loopt hij naar de ingang van het hotel.       Zij wacht buiten, net als hij. Ze lijken ieder op de eigen manier de omgeving in zich op te nemen.Het hotel ligt aan de rand van het dorpje. De hoofdingang ligt onder een houten overkapping. Hier onderdoor kijkend ziet hij de rivier glinsteren in het zonlicht. Stilte rolt vanaf de bergen het dorpje in. Af en toe wordt het onderbroken door het geluid van een vogel. Heel af en toe hoort hij in de verte een lach van een van de toeristen in het winkelstraatje.      'Wat heerlijk hè,' hoort hij haar hese stem naast zich. Enigszins betrapt kijkt hij opzij.      'Ja, inderdaad.' In stilte blijven ze naast elkaar staan. Zij tegen de auto leunend. Hij trillend op z’n benen. Zo voelt geluk dus.       Het moment is maar kort. Te kort, als je het hem zou vragen. De deur van het hotel vliegt open. Phil staat met drie sleutels in de deuropening. 'Sleutels, mensen! Onze kamers bevinden zich op dezelfde verdieping. Laten we ons even opfrissen, en ons dan naar het terras begeven. Redden jullie het om over drie kwartier klaar te zijn?' Hij hoort haar naast zich instemmen, en volgt haar voorbeeld. Hij biedt aan om haar koffer naar binnen te dragen. Ze stemt in, waarna hij dit op onbeholpen wijze doet. Boven aangekomen bedankt ze hem door heel even haar hand op zijn bovenarm te leggen. Het lijkt minutenlang na te gloeien.       Wanneer ze enige tijd later aan tafel zitten, lijkt de sfeer tussen Phil en Nadia er niet beter op geworden. Gekibbel rijgt zich aaneen. Het voelt ongemakkelijk.      Ongemakkelijker wordt het als Phil die nacht voor zijn kamerdeur staat. 'Nadia is weg. We hebben ruzie gehad. Ik moet met haar praten, en ga achter haar aan. Vind je het goed als m’n zus en jij hier blijven? Wij komen zo snel mogelijk terug.' Hij mompelt instemmend, en wenst Phil sterkte.      De volgende ochtend zit hij samen met haar aan het ontbijt. Phil en Nadia ontbreken. Toch hebben ze het gezellig. Hij kan zich eindelijk wat ontspannen. 'Ik weet niet wat m’n broer aan het doen is, maar laten wij maar wat leuks gaan doen vandaag. Ik zie het niet zitten om binnen te gaan zitten wachten,' zegt ze plots met zachte stem. Hij kan niet anders dan bevestigend mompelen.      Ze vertelt over haar leven. Hij probeert dat niet over het zijne te doen. Ze hebben ondanks deze terughoudendheid een heerlijk gesprek.      'O, m’n veter, loop jij maar door,' zegt ze ter hoogte van één van de rivierstrandjes. Ze houdt haar pas in. Hij slentert door. Precies op het moment dat hij zich afvraagt waar ze blijft, voelt hij een plens koud water in zijn nek. Verschrikt draait hij zich om. Ze staat te lachen aan de rand van de rivier. Haar voeten staan in het water. Met een grote tak slaat ze dit in zijn richting. Het glinstert in het zonlicht.      Hij reageert voor zijn doen spontaan en onbezonnen. Hij rent haar kant uit, en na een heuse tackle eindigen ze samen in het ondiepe maar koude bergwater. Geschater klinkt door de vallei. Hun blikken kruisen. Zijn adem stokt. Ze drukt haar lippen op de zijne, en ze zoenen intens. Als ze hier minuten later mee stoppen, drukt ze haar hoofd tegen zijn schouder. 'O nee, o nee, o nee. Ik moet dit niet doen. Sorry.' Hij stottert iets, een vraag over het waarom en hoe.      'Sorry, sorry. Ik. Het is gewoon. Je trekt me aan.'      'Maar je bent toch getrouwd?' vraagt hij verward.      'Ja, dat klopt. Maar dat is ook niet.. nee, sorry.'       Hij vindt het verwarrend. Verwarrender wordt het wanneer die middag blijkt dat Phil en Nadia niet terug zullen komen. Ronduit onbegrijpelijk vindt hij het feit dat ze hem nog vele malen zoent, en ze vanaf de tweede nacht de hotelkamer delen.      Binnen een mum van tijd is hij tot over zijn oren verliefd. Hij besluit dit met haar te bespreken. 'Ik moet wat met je bespreken. Ik.. Ik moet hier uit zelfbescherming mee stoppen.' Ze kijkt hem verschrikt aan zodra hij de woorden uitspreekt. 'Sorry, maar ik ben verliefd op je aan het worden, en dat kan niet. Je bent getrouwd.' Hij lijkt verdriet in haar ogen te zien. Ze zegt niets. Dan doorbreekt ze toch de stilte.     'Ik weet wat je bedoelt. Ik heb hetzelfde. Maar jij. Wij. Dit. Het zal moeilijk worden, maar dit is wat ik wil.' Hij begint te gloeien, en voelt zich als in een sprookje.      'Wat bedoel je?'      'Ik wil jou. Ik wil ons.' Die zes woorden maken hem op slag de gelukkigste man op aarde.      De volgende dagen zijn fantastisch. Ze wandelen samen eindeloos langs de rivier. Hand in hand. Hopeloos verliefd. Ze volgen bergpaden die hen naar hooggelegen meren leiden. Hier roken ze een sigaret, luisteren ze naar muziek op de Ipod, of zitten ze rug aan rug over de vallei te kijken. Ze gaan uit eten en praten, en sluiten de avonden af in één van de uitgaansgelegenheden in het dorpje. Het voelt geweldig. Het is genot. Het is hoe het leven voor hem moet zijn. Iedere ochtend mag hij met haar in z’n armen wakker worden. Iedere avond vallen ze samen in slaap. Het is een heerlijke week.      Dan nadert de laatste avond. Hij heeft een brok in zijn keel, en heeft het idee dat zij hier ook last van heeft. Ze zijn na het eten een bar binnen gegaan, en zitten aan een tafeltje achterin de zaak naar buiten te staren. De zon zakt achter de bergen weg, de gele en rode bladeren van de paar loofbomen die in het dorp staan beschijnend. Het houten schot tussen de verschillende tafels houdt de geluiden van de andere gasten bij hen weg. Ze hebben het moment voor zichzelf. 'Hoe moet dit straks', vraagt hij onzeker. Ze is even stil, en lijkt na te denken.      'Ik ga bij ‘m weg. We zullen dichter bij elkaar moeten gaan wonen, of liever nog: samen moeten gaan wonen. De afstand is nu te groot. In het begin zal het behelpen worden. Het zal moeilijk worden. We belanden immers in eerste instantie in een lange afstandsrelatie. Ik kan dat, maar ik weet niet hoe jij hier tegenaan kijkt?' Hij schraapt z’n keel.      'Ik kan alles, als het ons samen houdt', zegt hij melodramatisch. Ze zoent hem op z’n wang.       'Ik geloof dat ik nu al van je begin te houden', fluistert ze.       Samen lopen ze voor de laatste maal door het dorpje. Via het winkelstraatje buigen ze af naar de rivier, waar ze het kronkelige pad dat hiernaast loopt volgen.      'Ik wil je nog wel één ding vragen.' Hij kijkt haar nieuwsgierig aan. 'Wil je nog niets aan m’n broer laten merken? Het is te moeilijk. Hij is erg gesteld op mijn echtgenoot.' Hij knikt snel.      'Ja. Ik snap het. We doen het in jouw tempo.' Ze lopen nog een stukje door, alvorens op een bankje met uitzicht op de rivier te gaan zitten. De bebouwing is ver achter hen. Het is inmiddels donker, en de sterren weerspiegelen in het water. Hij kan wel huilen, omdat het hun laatste avond is. Ook kan hij lachen, omdat hij de vrouw van zijn dromen heeft gevonden. Ze merkt het aan hem. 'Ahh, jij zachte lieverd', fluistert ze hem uitdagend toe. Ze zoent hem op zijn wang. Hij zoent haar terug, en binnen een mum van tijd liggen verschillende kledingstukken in het gras naast het bankje. Ze genieten deze laatste avond optimaal van elkaar. Ze voelen zich weer jong, onbezonnen en ongeremd. Alsof het leven geen grip op hen heeft.      Zodra ze weer aangekleed is kruipt ze bij hem terug op schoot. Er komt een zacht windje opzetten. Ze rilt. De loofbomen die hier langs de rivier staan ritselen. Een blaadje valt naast hen neer. Een volgend blaadje landt op haar hoofd. Een volgende windvlaag trekt er meer los. De zomer eindigt officieel, ingeluid door neerdwarrelende bladeren. Ze blijven samen zitten, elkaar warm houdend, genietend van het licht van de maan en de sterren, en temidden van de bladeren die op hen neer dalen.      Zodra hij weer thuis is, probeert hij haar te bellen. Het afscheid was moeilijk geweest, helemaal omdat het stiekem moest gebeuren. Phil mocht immers niets weten. Ze zou hem mailen, en ze zouden bellen als hij thuis was. In de taxi naar huis had hij z’n mail al gecontroleerd. Ze had nog niets gestuurd. Nu belde hij haar. De telefoon gaat drie keer over, en dan hoort hij haar stem. Ze klinkt betrapt als ze zijn stem hoort, en hij voelt zich ongemakkelijk. 'Het komt niet goed uit, ik bel je later', fluistert ze hem toe. Twee uur later ontvangt hij een email van haar. Het blijkt allemaal moeilijker dan ze had ingeschat. Phil blijkt van alles te weten te zijn gekomen. Het is lastig: de afstand, haar broer, het huwelijk, haar gevoelens. Ze weet het niet. Dat is het laatste dat hij van haar zal horen.      Nu staat hij hier weer. Zijn handen op de brug, zijn ogen op het bankje in de verte. Daar, in het maanlicht, in een sneeuwbui van bladeren, hadden ze elkaar voor het laatst echt gesproken. Hoe zou het met haar zijn? Zou ze nog wel eens aan hem denken? Hij weet het niet.      Hij weet dat hij haar nooit helemaal zal vergeten. Ieder jaar als de eerste bladeren vallen zal hij aan haar moeten denken. Aan hoe ze verrukt de vergelijking maakte met sneeuw, en aan de gelukzalige twinkeling in haar ogen die ze hierbij had gehad. Het is lang geleden, en toch komt het ieder jaar in gelijke vorm en omvang terug.      

Quirijn Teunissen
61 1

Koud Liefdesgeluk

Donderdag, 2 oktober 1941 Vandaag is de derde dag sinds de explosie plaatsvond. Sinsdien is nergens nog een kat te horen. Alida en ik zijn water gaan halen in de rivier hier niet ver vandaan. Nog nooit hebben we zo hard moeten rennen als vandaag. We hoorden een paar geweerschoten toen we in het bos zaten, verstopt voor de Duitsers achter een grote holle boom. Ik denk dat het was om te controleren of niemand wel op straat zou lopen. Toen ik net aan de rivier was struikelde ik over een oude man die daar doodlag. 2 schoten in zijn hoofd en 1 door zijn maag. Gruwelijk. Nog nooit had ik zo’n stank geroken. Alida kwam samen met Isaac en zijn kleine broertje, die nog maar net kan lopen naar de rivier om me overijnd te helpen. Mijn glazen bak waar ik water moest van halen lag in 1000 stukken op de grond. De scherpe scherven zaten in mijn hand. Het bloedde. Ik had thuis moeten blijven. We liepen nog zo’n 1,5 kilometer terug naar huis. Ik voelde de koude mist tegen mijn afgekoelde en vieze huid. We moesten maar eens voortmaken voor ze ons zouden zien. Mijn vader hoorde me thuiskomen en zonder te vragen of ik ongedeerd was ging hij snel op een stoel zitten aan onze oude tafel die moeder had uitgekozen vlak voor haar overlijden. Ze vond de kleuren en het patroon wel geestig bij elkaar passen. Toen ik meedeelde dat ik gevallen was en de glazen bak met water had laten vallen kreeg ik bijna een klap in mijn gezicht. Vader was nog nooit zo woedend. Ik zag in zijn ogen dat iets niet pluis was, maar niemand zou het lef hebben om iets tegen hem te zeggen. Tenslotte wonen alleen mijn 2 broertjes in ik bij hem. Ik zag de lege flessen drank op de keukentafel staan. Twee daarvan waren halfvol en de andere twee helemaal leeg. ‘het is een jaar geleden dat moeder overleden is’, zei hij dronken. Ik rook de alcohol uit zijn stinkende mond en ik stond maar drie meter van hem. Het was een tijdje muisstil, zowel in de keuken als in de woonkamer. Toen ik het overwoog om naar buiten te lopen zag ik een brief in de prullenbak liggen. Lang geleden dat we nog eens post hadden gekregen. De laatste brief die we hadden gekregen was van mama, toen ze in Frankrijk zat met haar beste vriendin. Ik moest de brief gewoon eens lezen dus nam ik hem uit de prullenbak en liep naar mijn kamer. Heel erg warm was het daar niet en de dekens waren al 4 maand al niet meer gewassen, dus kon ik me niet verwarmen aan mijn dunne dekens. Ik staarde naar de enveloppe die goed was vast geplakt. Ik begon met lezen. Mijn ogen werden vochtig en al snel begon ik me zorgen te maken, we moesten namelijk verhuizen naar één van de buitenwijken. Het is een plek waar de Joden allemaal samen zouden moeten gaan wonen. Plots hoorde ik een heel harde bonk dat vanuit de woonkamer komt. Ik rende met de brief de trap af naar de keuken. Ik storte helemaal in aan het warme vuur dat vader aangestoken zou hebben als ik water was gaan halen. ‘zou ik hem verbranden?’ dacht ik in mezelf. Net voor de brief de eerste vlam bereikte snokte vader de brief uit mijn handen. Alweer kreeg ik bijna een klap in mijn gezicht. Hij nam de een versleten koffer onder de kast vandaan en begon met inpakken.       Zaterdag, 4 oktober 1941 Hier gaan we dan. Ik heb alles ingepakt wat ik bijeen kon rapen. Vader nam nog een laatste slok vodka uit zijn glas dat hij daar twee dagen eerder had neergezet en riep dat we ons moeten haasten, omdat we anders onze trein zouden missen. We hebben twee uur op de trein naar Amsterdam gezeten. Eenmaal we aankwamen in het station van Amsterdam werden we ruw geduwd door de menigte die daar rondliep. Vader trok aan onze armen en schreeuwde dat we onze oude valiezen niet mogen vergeten. En plotseling vervaagde de stem van vader. Ik hoorde geen geschreeuw van een wanhopige vader of luide kreet van mijn broertjes. Niets. Op een gegeven moment kwam een jong gezin vol paniek mijn kant uit. ‘Aus dem Weg oder ich werde dich rüber gehen!’ werd er van alle kanten geroepen. Ikzelf zou geen flauw benul hebben van wat dat zou betekenen. De hoop die ik heb om mijn strenge en opdringerige vader terug te vinden ben ik helemaal verloren. Zou vader hun ook zijn kwijtgeraakt in de menigte? Waar zouden ze naartoe gaan zonder mij? Zouden ze me nog zoeken? De vragen stormen in mijn hoofd, aangezien ik niet weet waar ik naartoe moet gaan. Na een uur wandelen nadat ik het station had afgelopen om mijn vader en broers te zoeken kwam ik uit in een donkere straat heel erg afgezet en afgelegen van de andere straten. Het ziet erg heel erg triest uit en de straten lagen vol met afval en vieze kleren. Je kon er niet in of uit dacht ik in mezelf. Op een ogenblikelijk moment namen twee grote en sterke mannen mijn arm stevig vast, pakte mijn koffer uit mijn handen en smeet me over een prikkeldraad. Toen was ik één van hen. Één van de gevangenen in die donkere en vieze wijk vol afval. De mannen die me hadden over de draad wierpen droegen een helm en waren in een groen kostuum gekleed met aan de schouder een geweer en op hun linkerarm een band met een zwart hakenkruis erop genaaid. De leren lange laarzen die ze aanhouden moet hun uitsluitend helpen tegen de kou en modder. Ze keken niet al te blij, maar wie zou nu wel gelukkig zijn in deze leefomstandigheden? Ze werden wat grimmiger met de minuut. Ik aarzelde niet om mijn boek te nemen en liep de donkere straat in. Eenmaal ik aankwam aan een huisje aan de rand van een wijk kwam een man naar mij gelopen, hij droeg een rugzak, kapotte schoenen altans ik denk dat het schoenen zijn, een zelf aaneengenaaide broek vol gaten en een hemd dat onder het stof en de vlekken zat. Hij rook naar zweet en vieze stinkende kousen die al twee jaar niet gewassen waren. Een beetje zoals mijn deken dat nu nog thuis ligt op mijn bed. Hij bleef even staan al hijgend bij zijn deur. Hij vroeg of ik wilde binnenkomen dus offerde ik mijn hulp aan om zijn zware rugzak naar binnen te dragen. Het eerste wat ik zag toen ik binnen stond waren vijf jongeren die hij onderdak gaf. De man vertelde hoe hij zijn gezin was kwijtgeraakt en hoe hij op het idee kwam deze jongeren ook in huis te nemen. Zijn naam is Abraham. Abraham zelf heeft een zoon die nu aan het vechten is voor ons land. Ik vrees dat hij die nooit meer terug zal zien. Hij vertelde dat ik hier kon overnachten. Op het zolderkamertje van het huisje mogt ik verblijven. Er lag stro op de grond, waaruit ik mijn bed heb gemaakt.       Dinsdag, 7 oktober 1941 We zijn ondertussen al een paar dagen verder. Nog altijd heb ik niets van vader gehoord. Ik begin me zorgen te maken, maar ik weet zeker dat hij zijn plan wel kan trekken zonder mij. Ik heb al heel hard moeten werken hier, daardoor heb ik niet kunnen schrijven. Ik ben uitgeput. Mijn lichaam is moe. Mijn geest is vermoeid en uitgeput van al de arbeid die ik moet verichten. Uren aan een stuk heb ik moeten werken. Dagenlang. Aankomende donderdag moet ik naar een doorstuur- en werkkamp in Amersfoort, Nederland. Dat is zo’n vijftig kilometer hier van waar ik nu zit. Mijn benen lijken stokjes en je zou mijn ribben kunnen tellen. Iedereen hier is moe en wil naar huis. Jammer genoeg weten we allemaal dat dat niet zomaar kan. Vandaag kregen we een filmpje te zien waar we binnen een paar dagen heen gestuurd worden. Een nieuwe plek waar je kan spelen en nieuwe mensen leert kennen. Op het filmpje stond vermeld dat er douches zijn waar je zou kunnen ontspannen en dat je verse kleren krijgt. Ook een gezamelijke kamer vind je daar. Ik hoop dat ik niet moet werken of dat ik geen vieze taken moet doen. Het is altijd hetzelfde liedje hier. Iedereen op het filmpje ziet er gelukkig uit. Het schijnt dat families elkaar terugzien op die dag, dus misschien zal ik mijn vader of één van mijn broertjes terugzien. Ik begin weer hoop te krijgen en word zelf hier nog blij. Nu nog maar hopen dat morgen beter word dan vandaag en de dagen sneller zullen gaan zodat ik terug naar mijn familie kan. Donderdag, 9 oktober 1941 Vandaag is de dag dat ik naar Amersfoort vertrek. Ik heb hier echt een dubbel gevoel over. De ene zegt dat het daar leuk zal worden en de ander zegt dat het daar onze dood zal worden. - Ik ben in Amersfoort aangekomen. Mijn kleren werden stuk voor stuk uit mijn handen gesnokt. Daarna moest ik op een tafel gaan liggen. Één vrouw hield je sevig vast en de andere doorzocht al je lichaamsopeningen met haar vinger. Het werd best ongemakkelijk. Daarna werd ik op een kruk gezet en werd mijn hoofd kaal geschoren.  Je ziet hier allemaal mensen met dezelfde kledij. Niemand heeft zijn kleren nog bij, want die hebben de Duitsers van ons afgenomen toen we in de trein stapten. We kregen in de plaats daarvan een pak met een nummer dat helemaal vies was. Toen ik hopeloos en gestresst naar het toilet zocht liep ik tegen één van de soldaten aan. Hij keek me recht in mijn ogen aan. Ik denk dat hij een vijftal jaar ouder zal zijn dan mij. Ik voelde de trillingen door mijn hele lichaam weer. Hoe hij met zijn donkere en zachte ogen in mijn bange blik keek werd ik er zelf rustiger van. Wat wel vreemd is aangezien ik daar eigenlijk niet mag komen. Hij nam me mee naar een toilet. Hij wachtte tot ik terug naar buiten kwam. En dan was het dàt moment. Het moment waar ik alleen maar van gedroomd zou hebben. We bleven naar elkaar kijken. Alsof we alles aan het zeggen waren wat er gebeurd is met ons, maar dan zonder woorden. Alsof we elkaar al eerder hebben ontmoet.  Ik moest maar eens voortmaken voor de anderen zouden merken dat ik zolang wegblijf. Hij gaf me een stukje van zijn opgedroogd brood en liet me een slok van zijn water drinken. Lang geleden dat ik nog iets anders had gegeten dan alleen maar eten uit een blik dat we bij het vuilnis vonden. De kleren die we hier hebben gekregen lijken helemaal niet op de kleren die ik zag in het filmpje. Ik kreeg vandaag een kom soep waarin ik luizen zag zwemmen. Het is hier echt een gebrek aan soepkommetjes dus eten sommige uit een vies blik. Ik slaap op een smerige stromatras in een zak, bedekt met uitwerpselen en slechts één deken dat ik met nog andere twee  Joden moet delen. Ik heb nog nooit zoveel ongedierte bij elkaar gezien. Die zullen de ziektes hier al snel verspreiden. Mijn vader heb ik nog niet gezien, maar de kans dat ik hem zal zien is nog kleiner dan dat ik het hier ga overleven. Als ik er zo over nadenk zal ik hier nog het meest geluk hebben van iedereen hier. Ik heb mijn dagboek nog steeds bij me. Die had ik verstopt onder een losse plank in de trein. Nadat mijn hoofd kaal geschoren werd kwam dezelfde man die ik tegenkwam in de verboden zone tegen. Hij bracht mijn boek terug, maar hoe zou hij weten dat dit boek van mij zou zijn?                  

Naai
46 1

Wat met Sint ?

Sinterklaas was moe. Hij zat op een stoel onder de grootste sinaasappelboom in z’n boomgaard, gelegen in het Spaanse bergdorp Pego. Het was midden augustus. Het was bloedheet. Het zweet druppelde in z’n baard. Hij dronk een glas water, uit z’n drankfles die hij meegebracht had van z’n groot landhuis, wat lager gelegen. Sinterklaas wat niet enkel moe. Hij keek bezorgd, grote rimpels trokken door z’n gezicht. Naast hem zat z’n grootste vriend en klankbord, OpperPiet. OpperPiet was er van het begin bijgeweest. Toen Sinterklaas het project “kinderen helpen en psychisch bijstaan” nog maar enkel in z’n hoofd had, was OpperPiet er.  Samen met Sinterklaas werkten ze het plan uit in concrete stappen. Zo was “Sinterklaas” eeuwen geleden ontstaan en bestaat het nog steeds. Maar voor hoelang nog ? Sint zuchtte : “Wat nu?” Ook OpperPiet keek zorgelijk. Dit hadden ze nog nooit meegemaakt. Volwassenen, vroeger ook kind geweest, die vanuit Nederland en België, steeds luider de stopzetting van “Sint en Piet” eisten. Nederland en België waren de plaatsen waar de verjaardag van Sint, elk jaar opnieuw gevierd werd, met veel plezier, gekke fratsen en cadeautjes.  In andere landen was Sints verjaardag al jaren geleden vergeten geworden. Neef Santa Claus had meer macht en geld. Hij had gelobbyd onder de speelgoedfabrikanten en zo was Sint aan de kant geschoven. Nu ja, daar was niets meer aan te doen. Maar dat volwassenen vroegen, nee eisten, om te stoppen, dat deed hen wel verdriet.  Waren zij dan vergeten hoe leuk die periode, voor kinderen was ? OpperPiet zei : “ wat met de Pietenschool ? Gaan we de lessen herstarten ?” “Och ja, best wel, het is zo kort op , en wie weet, verandert er nog iets… Laten we onze Pietjes maar verder leren lezen en rekenen, evenwichtsoefeningen doen en toneel.  Deze vaardigheden komen overal wel van pas, en ze komen hier zo graag.” Sint zuchtte. Sinterklaas zat echt in zak en as. OpperPiet had hem nog nooit zo gezien. “Kom Sint, laten we naar huis gaan en iets lekkers eten.” Ze daalden samen af, naar het koele huis.  Daar was het een bedrijvigheid van jewelste. Kleine Pieten reden er met fietsjes over balken, jongleerden en trokken gekke bekken. Er was gelach en gegil en geruzie.  Het was er allemaal.   BakPiet kwam met een lijst naar Sint :”Ah Sint, gelukkig, je bent er. Ik zou willen starten met de aankoop van materiaal voor chocolade, speculoos en marsepein. Kan je nog even kijken voor ik alles bestel ?” Sint knikte : “ Ja hoor, leg het maar op mijn bureau.” SchoorsteenPiet riep : “Hoe zit het met de schoorstenen, Sint ? Gaan we er dit jaar nog door of nemen we de loper ?” “Nee, geen loper, als we die gebruiken, hebben we teveel kans betrapt te worden door wakkere kinderen.” En zo werd er van alles gevraagd en geroepen. Sint kreeg er alleen maar meer zorgen en hoofdpijn van.  OpperPiet zag het en bracht hem snel naar z’n kamer. Daar was MuziekPiet net z’n nieuw Pietenlied aan het oefenen. OpperPiet deed teken dat hij weg moest, gelukkig verstond hij het direct. Met een ernstig gezicht, sloot hij zacht de deur achter zich. Sint liet zich in z’n kussens zakken. We gaan het hen allen moeten vertellen. Leg je een vergadering vast, morgenvroeg om 9u in de centrale zaal. Laten we nog even samen nadenken, vooraleer ik ga slapen.  Dank je, OpperPiet.   De volgende dag was iedereen aanwezig. Sint verscheen en het gebabbel verstomde. “Ja, mijn lieve Pieten, ik heb jullie samen geroepen, met pijn in mijn hart. Er zijn drastische veranderingen op komst. We gaan ons moeten herorganiseren. Onze bezoek- en schoorsteenPieten kunnen niet meer mee op ronde met mij.” Er klonk gemompel en opstandig gefluister. Iemand riep: “Waarom Sint? Wat is er gebeurd ?”   “Mensen willen niet enkel meer Pieten met zwarte huidskleur of Pieten met roetvegen, dat geeft hen een slecht geweten. Ze denken dat ik misbruik maak van jullie. Daarom dat we, samen, niet meer welkom zijn om mijn verjaardag te vieren.” “Gaan we dan digitaal bezoeken afleggen ?” riep ITPiet. “nee, Piet, het is juist belangrijk dat we langsgaan om de kinderen positief toe te spreken, of zachtjes te berispen. Het is belangrijk dat we ze over hun bolletje kunnen strelen, dat we hen persoonlijke aandacht kunnen geven, zodat hun zelfvertrouwen kan groeien. De ouders hebben het niet gemakkelijk en hebben hier niet altijd tijd voor.” “Moeten we dan allemaal weg ?” “Moeten wij ons wit of groen of blauw shmincken “En als we niet meer via de schoorsteen gaan?” Vragen en opmerkingen kaatsten heen en weer. “Stop”, riep Sint, “ we gaan eerst even duidelijk stellen wat we al weten : Iedereen in ons huis in Spanje blijft welkom. We gaan hier blijven leven en werken. Hier verandert er niets. Pego blijft onze veilige haven. Voor de Pieten die meegaan op toer ? Daar moeten we over nadenken …. OpperPiet en ik  denken aan een aantal mogelijkheden : Ofwel ga ik op pensioen. Ik ben al oud en vier al eeuwen mijn verjaardag. Het is misschien tijd om mijn staf door te geven aan OpperPiet.  OpperPiet weet allang wat ik doe, hij kan zeker en vast mijn plaats innemen. Ofwel gaan we uitkijken naar nieuwe hulpen die mee op toer gaan. We dachten aan elfen of trollen of clowns of … Ofwel de beide oplossingen toepassen. Wat denken jullie hierover ?” Na een grondige discussie, waarbij de argumenten overvlogen van de ene kant naar de andere, werd er beslist om beide mogelijkheden uit te werken en dan voor te leggen aan de volwassenen.   Over wie de nieuwe helpers zouden worden, was er wel onenigheid.  De Elfen zagen heel wat Pieten zitten, omdat deze wezens zachtaardig én grappig zijn.  Maar natuurlijk helpen zij Santa Claus al, dus zouden ze nog genoeg tijd hebben voor Sint ? Trollen zijn nogal nors en eerder kwaadaardig.  De kindjes zouden teveel schrik hebben van hen, Dan hadden ze nog de clowns. Clowns zijn lenig, kunnen grappen uithalen en kinderen zijn gek van hen. Clowns waren een heel goede optie. Voor de OpperPiet werd er gekeken om hem helemaal in het nieuw te steken. Voor de mijter moest er wel naar een ander hoofddeksel gekeken worden, die toch ook waardigheid uitstraalt, want OpperPiet is immers geen bisschop. Een aantal Pieten dachten aan het organiseren van een groot feest. Dit voor de pensionering van Sint te vieren.  Ze konden hem zo bedanken voor alles wat hij gedaan had en ondertussen wist iedereen dat hij z’n staf doorgegeven had. Ja, zo gingen ze het doen. De Pieten schoten enthousiast in actie. NaaiPiet was al bezig met een patroon. EvenementenPiet en KokPiet zaten al ideeën te delen. Sint en OpperPiet gingen naar de directeur van de clownsschool om hulp te vragen.   De directeur wilde wel helpen, maar was toch niet zo geestdriftig als gehoopt. Hij beloofde om het een jaar uit te proberen. Hij selecteerde een aantal clowns die zowel konden luisteren, als creatief waren, toch ook een beetje rebels en die voornamelijk goed met kinderen konden omgaan. Dat is al een hele boterham aan talenten! Negen clowns kwamen in aanmerking. Ze werden onmiddellijk opgenomen in de Pietenklas. Leerkracht Piet startte met een spoedcursus dansen, zingen.  Maken van grapjes konden ze heel goed, want clowns zijn hier natuurlijk op getraind. De clowns waren gek op “Slecht-weer-vandaag”. Het paard van Sint had het echt wel zwaar te verduren door hun fratsen en geplaag. Stond hij te rusten ? Zeker en vast had een clown een roos in z’n staart geknoopt of een mandarijn op z’n hoofd gepint. Er was altijd wel iets. Ze vochten bijna om op hem te rijden en ondertussen onder zijn buik te kruipen en hem te kietelen. Het was een gekke bende. Ideaal om mee op toer te gaan.   De Bezoek- en SchoorsteenPieten waren minder blij. Wat mochten zij nu nog doen ? OpperPiet had voorgesteld om mee de brieven, die kinderen naar Sint stuurden,  te lezen en te beantwoorden. Maar …daarvoor zit je stil, de ganse dag lang. De Pieten waren als kwikzilver, steeds in beweging. Nee, dat was niets voor hen. Ze werden ongelukkig en begonnen te morren. Wat konden en wilden ze nog doen ? Een paar Pieten kozen om mee voor de klas te staan en de clowns mee op te leiden. Andere Pieten gingen mee sinaasappels plukken. De bomen in klauteren, dat was hun ding. Een aantal Pieten gingen weg uit het Sintdorp. Zij wilden andere avonturen beleven. En toen waren er nog 2 Pieten over. Wat met deze twee ? Eén van deze Pieten was oud, had jarenlang meegegaan op toer. Hij deed nog fratsen, maar veel bezadigder. Hij zorgde er altijd voor dat alle verlanglijstjes van de kinderen, gechecked en nog eens gechecked werden.  Zodat de kinderen hun juiste cadeautjes kregen. Je kon op hem rekenen als op een horloge van Zwitserse makelij (zouden ze vroeger zeggen). OpperPiet vond dat deze Piet zeker mee kon blijven gaan. Met hem hadden de nieuwe helpers een steunpilaar en zouden er zeker minder missers gebeuren. Piet was dolgelukkig met deze beslissing. Uit blijdschap maakte hij een dubbele salto (ja, dat kon hij ook nog).   En dan hadden we nog de andere Piet. Piet was nog heel jong, hij kwam net van de Pietenschool. Heel zijn jonge leven had hij gedroomd om met Sint en Pieten mee te gaan, om kindjes blij te maken. Zijn droom smolt als sneeuw onder de zon. Hij was droevig en kwaad. Waarom mocht hij niet mee ? Wat was er verkeerd aan zijn zwarte huidskleur ? Sint en OpperPiet vonden het terechte vragen. Het is moeilijk uit te leggen dat Piet niet mee mocht uit schrik te discrimineren, en juist daardoor gediscrimineerd werd. Sint zei : “Jonge Piet heeft gelijk. Waarom moet hij zijn droom opbergen om het geweten van de volwassenen te sussen ? Wat heeft hij verkeerd gedaan ? Angst is geen goede raadgever, dit is niet ok. We moeten rekening houden met de mening van de volwassenen, maar zij ook met die van ons.  We moeten luisteren naar elkaar, elkaar respecteren en hieruit een oplossing distilleren. Wat als we naast de clowns, nog een aantal Pieten, zowel zwarte- als roetPieten laten meelopen ? We zien dan wel hoe het loopt.  Negen clowns kunnen sowieso alleen het volledige seizoen niet aan. Dit voelt toch ook beter, niet OpperPiet ?” “Tja,” zei OpperPiet, “misschien kunnen we een oproep doen, aan allen en iedereen die helpers willen worden van Sint of mezelf. We gaan dan waarschijnlijk een heel diverse groep samen kunnen stellen. We gaan dan zwarte, witte, rode helpers krijgen.  We gaan dan mythische en niet-mythische helpers krijgen.  We gaan dan éénbenige, tweebenige, driebenige, dunne, dikke, oude, jonge …helpers krijgen.  Sint zuchtte, maar ditmaal was een zucht van bewondering.   OpperPiet en Sint legden hun nieuw voorstel voor aan de Pietengemeeschap. Unaniem werd dit plan aanvaard en zo zal het ook voorgelegd worden aan de volwassenen van Nederland en België. Zodat de kinderen van hun kinderen, nog jarenlang, nee nog eeuwenlang, kunnen genieten van de fratsen en positieve energie, die Sint of OpperPiet met zijn helpers elk jaar opnieuw verspreiden. Een lichtje van hoop en respect en vriendschap en aanmoediging.  Elk kind verdient dit, elk jaar opnieuw. Wat de volwassenen met dit voorstel zullen doen ? Dat zullen we weten op 6 december.       20/8/2020          

ElsVdV
0 0

Neem me mee

Neem me mee prijkte op de leren sofa – wij zouden zeggen zetel – waar ik door mijn badkamerraam op uitkeek. Twee weken al had niemand de moeite gedaan hem mee te nemen. In een regenachtige periode had dat voor problemen gezorgd, maar in deze hittegolf die maar niet wou eindigen leek niemand er aanstoot aan te nemen. Voorbijgangers vonden een rustpunt in het midden van mijn eindeloze straat. Op elk moment dat ik in de badkamer passeerde, viel mijn blik op iemand anders, zeker op die uren van de dag dat de schaduw juist stond. Een oude man met een stok, een moeder met hoofddoek, overvolle winkeltas en twee kinderen, een rugzaktoeriste met haar gezicht naar de zon.Ik sliep slechter naarmate de nachten heter werden. Zelfs naakt, zonder laken, als een zeester over de matras uitgespreid voelde ik me alsof ik uren in een tube lijm had liggen woelen. ’s Avonds kon ik de slaap niet vatten en zag ik elk uur op de wekker voorbijkomen, dus ging ik later slapen om toch maar moe genoeg te zijn, om twee uur, om drie uur, waardoor ik telkens rond het middaguur wakker werd, wanneer de zon al op mijn slaapkamerraam brandde. De rest van de dag bracht ik met een suf hoofd door in mijn aardedonkere huis. Het moet na drie uur ’s nachts geweest toen ik mijn tanden stond te poetsen in de badkamer en merkte dat iemand in de zetel me kon zien in al mijn naaktheid. Snel dook ik onder de vensterbank, maar meteen stond ik weer op. Er lag niemand in de zetel, de straat was volkomen stil. Zonder problemen kon ik hier staan, niks op mijn lichaam behalve de zweetdruppels die van me afliepen, het maanlicht op mijn naakte huid. Ik trok snel een T-shirt en een short aan en stak op blote voeten de straat over. Misschien was de zetel een valstrik, de mond van een monster dat opvrat wie erin lag. Toch liet ik me neerzakken op de bruinleren, schilferige lippen, mijn voeten op de armleuning, en staarde naar de sterrenhemel. Toen ik wakker werd, voelde de lucht heerlijk koel aan. De kapper had zijn rolluik nog niet opgetrokken. De ene buurvrouw stond stiekem haar auto te wassen, de andere liet een vrouw buiten met een snelle afscheidskus. Een zwaluw vloog voorbij. Er viel nog geen wagen te bekennen op straat.

Felix Sandon
5 1

Kwartier

Net toen ik op de bus wou stappen, drong tot me door dat ik mijn laptop vergeten was. Meteen liep ik terug naar huis. De lift was nog steeds kapot en het briefje dat het benodigde wisselstuk onderweg was uit Italië al vergeeld. Met twee treden tegelijk snelde ik de trap op. Haastig schuurde ik me langs de muur om mevrouw Maes te passeren, die haar negentigjarige echtgenoot stapje voor stapje naar beneden hielp.‘Ik kom vanavond wel helpen wanneer je terugkomt, nu ben ik gehaast,’ riep ik hen na.De paraplu lag al voor de deur van ons appartement. De grendels zaten er vast al op en sowieso zou ik het eerstvolgende kwartier niet mogen storen, langer zelfs als hij bijbetaalde om te douchen. Ik zou te laat komen voor de vergadering, mijn project niet kunnen voorstellen. Weken werk in de vuilnisbak.Ik legde mijn oor tegen de voordeur toen de buurvrouw kwam kijken.‘Heb jij Laura zien binnengaan?’ vroeg ik nog hijgend van mijn spurt. Door de deur hoorde ik niets.‘Ja, zij had zakdoeken mee. Hele stapel. Papieren zakdoeken.’‘Was ze alleen?’‘Nee, met man. Oude man.’Op dat moment hoorde ik de douche stromen.Ik waagde het erop en bonsde op de deur. ‘Laura!’ riep ik toen mijn geklop niet werd beantwoord. Grendels verschoven en door een kier zag ik Laura’s blauwe kijkers.‘Geef ’s snel mijn laptop,’ fluisterde ik voor ze kon protesteren. Ze verdween een seconde, probeerde de zwarte tas door de kier te stompen, maakte de grendel los toen dat niet lukte en gaf me dat waarvoor ik terug naar huis was gesneld. Meer dan een knikje kreeg ik niet voor de deur weer op slot ging.‘Ze kijkt nogal veel droevige films de laatste tijd,’ zei ik tegen de buurvrouw die me bleef aankijken vanuit haar deuropening terwijl ik de trap weer afdaalde. Ik haalde mijn schouders op. ‘Liefdesverdriet.’

Felix Sandon
5 0

Café In de Linde

  Onder de stamgasten van Café In de Linde heette het dat  Mariette de waardin geboren was in de achterkamer tussen de biervaten, de  zakjes  chips, de repen praliné en double lait en de droge worstjes. Een flauwe grap die over de jaren heen de status van legende had verkregen terwijl de werkelijkheid net dat tikkeltje vreemder was. Haar vader had het café gewonnen bij het pokerspel. maar vermits hij er  de man niet naar was  om zijn dagen door te brengen achter de tapkast liet hij het  aan Mariette en haar zus Lisette over om de zaak draaiende te houden. Maar Lisette had net zoals haar vader het kaarten in haar bloed al waren het in haar geval tarotkaarten.  Als ze vijf minuten tijd had en ook wanneer ze die niet had probeerde ze klanten te overhalen  om door haar hun kaarten te laten leggen.  Helaas voor Lisette bestond de klandizie van het café, dat op slechts enkele passen van een begraafplaats gelegen was voornamelijk uit potige grafdelvers, steenhouwers en nuchtere begrafenisondernemers en die waren niet meteen ontvankelijk voor dat soort hocus pocus. Op een dag had Lisette dan maar de bus naar de grote stad genomen en was nooit meer teruggekeerd. Het enige wat ze had achtergelaten was een grote glazen bol  die ze van een anonieme aanbidder gekregen had met Valentijn en die nu al jaren zijn vaste plaats had op de hoek van de toog.  Als iemand er Mariette over aansprak was haar standaard antwoord dat de bol haar vertelde als er problemen op komst waren. Waarna ze luidkeels lachte al was het wel opvallend dat er in al die jaren nooit een dronkenmansruzie of een gevecht te noteren viel.  Niet dat de klanten van Café In de Linde zo braaf waren verre van. Menig vechtpartij werd beslecht op het kerkhof, uit het zicht van Mariette. Mariette was een klein pezig vrouwtje met een felle blik en een scherpe tong. Aanbidders werden vakkundig ontmoedigd en niemand kon haar moederlijke allures toedichten. Toch was haar café voor vele van haar klanten een tweede thuis en voor sommige waarschijnlijk hun enige. Geheel getrouw aan de legende leek Mariette echt in de wieg gelegd om waardin van Café In de Linde te worden. Wat een zieltogend dorpscafé zonder dorp was toen haar vader het buitmaakte werd in haar handen een pareltje van cafécultuur. Als in de vroege ochtend  de deur openging geurde het er naar  bruine zeep en  boenwas. De koperen taps glimden, de zilveren koffiefilters sprankelden, de glazen fonkelden. Vroege jongens konden er terecht voor havermoutse pap en ’s middags in de winter stond er altijd wel een pot erwten of ajuinensoep te pruttelen op de Leuvense stoof. In de lente vulde ze de plantenbakken op de vensterbanken buiten met geraniums en viooltjes. In de zomer hing er een vliegengordijn met veelkleurige linten aan de deur. In december liet ze manke John de ramen beschilderen met voorstellingen van kerstmannen en rendieren. Zo  gingen  de jaren voorbij terwijl de wereld van Mariette en haar klanten stilstond. Tot op de dag dat er twee film en een radioploeg arriveerden die met hun wagens de ingang tot het kerkhof blokkeerden, alle vijf  de tafeltjes van het café innamen en hun spullen er achterlieten alsof ze al jaren kind aan huis waren. Ze bestelden expresso en cappucino en latte machiato en kregen filterkoffie met een dot slagroom. Mariette en de enkele klanten die op die zomerochtend aan de toog hingen keken stilzwijgend naar het spektakel van door elkaar rennende mensen met camera’s en microfoons en wat nog allemaal. Het vreemdste was dat ze maar rond het bushokje aan de overkant bleven draaien. Mariette  deed alsof het haar allemaal om het even was. Ze had haar handen ook meer dan vol met al dat vreemd volk. Klanten zijn klanten, als het geld maar binnenkomt, zei ze  Uiteindelijk  waren Leo en Mon van begrafenissen Bertels poolshoogte gaan nemen. Bleek dat het allemaal ging om een scharminkel van een boom die half weggestopt  zat achter de bushalte. Eén of andere een minister had beslist om die tot monument uit te roepen omdat  hij er al enkele honderden jaren stond, geplant bij wijze van grenspaal  op het snijpunt van de grens tussen drie gemeenten. Meer nog die boom was de linde uit de naam van het café en had een blikseminslag overleeft, vandaar zijn zielig voorkomen. Nadat de hele bende weer verdwenen was staken Mariette en haar stamgasten de straat over om het monument  van dichtbij te bekijken. Niemand van hen had de boom ooit opgemerkt, behalve misschien om ertegen te pissen, opperde Pierre de steenhouwer. Het hoofd schuddend om zoveel onzin keerden ze  na enkele minuten op hun stappen terug niet wetend dat vanaf dan niets meer hetzelfde zou zijn in Café In de Linde.    

Paula Dumont
1 0

Petrichor

“We zijn nu al drie seizoenen een koppel.”Ze zegt het zonder verpinken, strijkt een ontsnapte haarlok achter haar oor. Hij kijkt haar niet aan, weegt zijn antwoord in het trillende licht van de hete zomerzon. Het water van het kanaal klotst onophoudelijk tegen de romp van een aangemeerde boot, verdrinkt zijn woorden nog voor hij ze hardop zegt. Er is iets aan haar uitspraak wat hem treft. De bescheiden grootsheid van die mededeling. Het gemak waarmee ze hun relatie op gelijke hoogte stelt met de onvergankelijkheid van de seizoenen, ze keren altijd terug...“Weet je,” gaat ze verder, als hij blijft zwijgen, “ik blijf maar wachten op een groots gebaar. Iets vol overgave. Niet zo’n scène als in de films, bedoel ik. Meer zoiets als onweer na een hete dag. Het ene moment schijnt de zon nog ongenadig en gutst het zweet je uit de kleren en dan opeens, boem, die rommelende dreiging, de wind steekt op, de hemel splijt in vonken uiteen en je weet plots dat je enkel en alleen op dit ene moment hebt zitten wachten. De koele druppels op je hunkerende huid, de sissende geur van zwavel en het besef dat je hier altijd al hebt moeten zijn. Op deze plek, dit bevroren ogenblik.” Ze keert zich naar hem toe. Legt haar blik onbevreesd in de zijne.“Petrichor.” Vragend staart hij terug, één wenkbrauw opgetrokken en met zijn beetje schuine lachje, waarvan ze beweert dat net die onregelmatigheid hem onweerstaanbaar maakt.“Petrichor,” herhaalt ze dan. “De geur van regen op droge grond. Dat, mijn lief, is wat jij voor mij bent.” Haar blik dwaalt weg over het water. In profiel doet ze hem denken aan een Griekse godin wiens naam hem ontsnapt. Petrichor, herhaalt hij in stilte. Zelfs de klank van het woord smaakt zoet. Één tijdloos ogenblik lang herinnert hij zich alles wat hij nooit heeft geweten. Dan legt hij zijn armen stevig om haar heen, drukt zijn wang tegen haar zachte haren. “Ik wed dat je haar in de herfst de kleur heeft van gesponnen goud.” Zijn stem amper een fluistering, gedempt door hun aanraking en het gestage klotsen van het water. Zonder dat ze zich omdraait, ziet hij haar gezicht voor zich, de krulling van haar mondhoeken, de subtiele boog van haar lippen. Haar glimlach als regen op dorre grond.

Elfi Vandenabeele
56 3

De meisjes van Carlito

Hij heeft je gebruikt. Als een vaatdoek, zo heeft hij je gebruikt. Annabelle wiegde heen en weer op haar brits in haar cel van de vrouwengevangenis te Gent. Ze zat er inmiddels drie maanden. Dansend was ze binnen gebracht met haar twee beste vriendinnen, twee van haar zusters zoals ze elkaar noemden op de boerderij: Merel en Sharon. Ze was ervan overtuigd geweest dat ze er amper een maand zou zitten voor de hel losbrak. Dat ze haar desnoods zouden komen bevrijden. Ze had gedacht onvervangbaar te zijn. Weken had ze op een roze wolk geleefd. Zelfs van de verhoringen kon ze zich amper iets herinneren, want ze had steeds in zichzelf zitten neuriën, alsof het allemaal niet over haar ging. Inmiddels danste Annabelle allang niet meer. Ze was pas negentien geweest. En dreigde voor dertig jaar de cel in te gaan. Ze zou dan vijftig zijn wanneer ze vrijkwam, een heel leven verspild. Haar enige zuster, haar echte zuster, diegene met wie ze een vagina gemeen had, had bij haar bezoek op haar ingepraat. Ze was de enige die het nog iets kon schelen wat er met haar gebeurde. Haar ouders had ze nog niet gezien. ‘Hij gebruikte je, snap je dat dan niet?’ vroeg haar zuster, de wanhoop klonk door in haar stem. ‘Getuig tegen hem. Verspil je leven toch niet.’ Ook toen had ze heen en weer gewiegd, terwijl ze in zichzelf had zitten grijnzen en neuriën. Ze had zich een martelaar voor de zaak gevoeld: ‘Spring op van vreugde als men je vervolgt.’ Wat had ze van die man gehouden, en wat had ze vertrouwen in hem gehad. Ze was ervan overtuigd dat hij de wedergeboren messias was, en dat de eindtijd op handen was. Dat zij, al zijn meisjes, het gewoon in gang moesten zetten. En dat hadden ze allemaal gedaan. Bijna allemaal. Ellen had het niet gekund. Annabelle had het wel gekund, misschien was ze nog net iets ijveriger geweest dan de doorsnee. Annabelle veegde opkomende tranen uit haar ogen en stak een sigaret aan. Ze rookte veel tegenwoordig. Veel meer was er hier toch niet te doen.   Annabelle leerde Carlito kennen op een chiro-fuif in het dorp. Zelf was ze geen lid van de chiro. Eigenlijk was Annabelle nergens lid van. Zij was het typisch soort meisje om misbruikt worden: onzeker, verlegen, en jong. Hoe volwassen je ook voelde, als zeventienjarige was je jong, een kind nog bijna. Carlito was al bijna dertig geweest. Hij had zwart warrig haar en een bijzonder zware baard. Aantrekkelijk was hij eigenlijk niet. Toch had hij op één of andere manier Annabelle weten te charmeren. Als ze er later op terug dacht, dacht ze, dat het zijn ogen waren. Hij had heel donkere ogen, die erg diep in hun kassen lagen. Die duisternis accentueerde hij met zwarte make-up, zou ze later te weten komen. Carlito ademde in alles hoe hij handelde mysterieus, en dat had Annabelle aangetrokken. Meer dan ze zichzelf in het begin toegaf. Dat hij meer dan tien jaar ouder dan haar was, kon haar bijna vanaf het eerste moment geen moer schelen. Hij had een zeer intense, pikante geur, bijna zoals de kruiden die haar vader op de barbecue strooide in de zomer om het vlees meer smaak te geven. Later zou ze te weten komen dat het de geur van marihuana was. Ook toen hij naar haar toe kwam had hij nog een klein stolpje van een joint in zijn hand. Hij nam een trek en boog zich naar haar toe terwijl hij de rook in haar aangezicht blies. ‘Ik heb van jou gedroomd,’ zei hij zacht in haar oor. Het was vreemd want hij hoefde helemaal geen moeite te doen om boven de muziek uit te komen, en toch nog zacht, bijna intrigerend, te klinken. Ze giechelde als het bakvisje dat ze was. Annabelle had nog nooit een vriendje gehad, laat staat dat ze ooit een andere man dan haar vader had gekust. Carlito’s baard prikkelde tegen haar wang. ‘Je bent prachtig zoals je bent. Ik zag ons samen een toekomst uitbouwen.’ De rook die hij steeds maar weer in haar gezicht blies, maakte haar een beetje high. Zijn kalme, intense stem hypnotiseerde haar. Die avond ging ze met hem mee naar zijn boerderij, waar hij samen met acht andere meisjes woonde, maar dat had ze die avond niet geweten, ze had in ieder geval geen enkele van de andere meisjes gezien. Die avond had ze niet alleen voor het eerst een jongen gekust, maar ook voor het eerst een penis in haar vagina gevoeld. Ja, in het begin had het een beetje pijn gedaan, maar bijlange niet zoveel dat het onaangenaam was geweest. ‘Nu ben je van mij,’ zei hij toen hij zich bezweet van haar afrolde. Glimlachend kuste ze zijn borst. Voor het eerst in haar leven voelde ze zich eindelijk iemand. Van iemand. Het was niet Carlito die zich introduceerde in zijn vreemde gedachtegangen. Het waren de andere meisjes. De o zo opgewekte, in lange jurken gehulde, bijzonder jonge meisjes. Geen van hen was ouder dan twintig. Annabelle voelde zich meteen tot hen aangetrokken. Hun opgewektheid, zelfs als ze nare klusjes deden, zoals het huis poetsen, of groenten in het tuintje plantten, alles deden ze terwijl ze aanstekelijke deuntjes neurieden. Al snel had Annabelle vriendschap met hen gesloten. Ze bleef ook steeds vaker op de boerderij slapen. Soms in het bed van Carlito, maar nog vaker in de kamer van de meisjes, waar ze tot een gat in de nacht praatten en giechelden. Het leek wel een zomerkamp. Het was vreemd, maar Annabelle was niet jaloers toen ze erachter kwam dat alle meisjes het met Carlito deden. Dat kwam omdat als ze in zijn kamer was, zij de enige was die er voor hem toe leek te doen. Dan had hij alleen aandacht voor haar, dan zei hij precies de juiste woorden om haar nog feller verliefd op hem te maken. Maar ze was niet alleen verliefd op hem, ze was verliefd op heel de levensstijl. De vrijheid die de meisjes uitstraalden, de spelende manier waarop ze door het leven huppelden. Op haar achttiende verjaardag was het dan ook de voor de hand liggende keuze dat ze haar koffers pakte en naar de boerderij verhuisde. Ze had het al weken op voorhand gepland. Ze wilde zich volledig onderwerpen aan Carlito, een echt meisje van hem worden. ‘Annabelle, je bent niet goed snik! Je bent helemaal gebrainwasht door die vent,’ riep haar zuster kwaad. Haar ouders stonden in de huiskamer te wenen. ‘Er is niets dan je kan doen om me van gedachten te doen veranderen, Elle. Ik hou van hem,’ zei ze kalm. ‘Maar dan moet je toch niet meteen bij hem intrekken? Je hebt nog zoveel tijd. En wat met je school?’ School… De keren dat ze er nog was geweest de laatste maanden, had ze zelden meer gedaan dan aan hem gedacht en zijn naam in haar schriftje gepend. Haar moeder omhelsde haar wenend. ‘Wees geen vreemdeling, hé, je bent hier altijd weer welkom,’ snikte ze. Annabelle knikte beduusd glimlachend. Het deed haar pijn haar moeder zo te zien, want ze hield werkelijk van haar moeder. Het was immers de vrouw die haar gebaard had. Maar haar moeder zou het wel begrijpen, later, dat dit iets was dat ze moest doen. Annabelle keek geen enkele keer om wanneer ze zich naast Carlito in de oude pickup-truck hees, haar koffer op haar schoot. Eindelijk zou haar leven beginnen.   Uitbundig omhelsde Merel haar wanneer ze toekwamen op de boerderij. Irene nam haar koffer van haar aan. ‘Nu ben je echt één van ons,’ zei Merel. ‘Ze is altijd van mij geweest,’ antwoordde Carlito in Annabelles plaats, met die zo typerende kalme, zachte stem van hem. ‘Ik ben blij dat je er bent, Annabelle.’ ‘Laten we het vieren!’ riep Merel uit. Carlito sputterde niet tegen, en even later zaten ze allemaal in de huiskamer met pils en marihuana. High liet Annabelle haar hoofd rusten tegen de schouder van Carlito, die zachtjes zijn arm om haar heen sloeg. Hij kuste haar op het voorhoofd. Ze tilde haar zwaar hoofd op zodat ze hem in de ogen kon kijken. ‘Ik hou van je,’ zei ze zacht, zo zacht dat niemand het eigenlijk horen kon. ‘Alles komt goed, schatje, alles komt goed,’ zei Carlito, en blies de rook uit zijn mond in haar gezicht, die ze diep inhaleerde. Hij kuste haar innig.   Ze kende het leven inmiddels op de boerderij, maar toch was het nog heel anders als je er woonde. Eigenlijk waren de dagen vrij gestructureerd. ‘s Morgens om 9 uur stonden de meisjes op en ontbeten ze samen, zonder Carlito weliswaar. Carlito werkte ‘s morgens van 7 uur tot 13 uur in een garage in het dorp als Mechaniciën. ‘s Morgens was dan ook voor de meisjes de periode waar ze huishoudelijk werk deden. Annabelle vond het niet vervelend. Carlito betaalde alles: hun eten, hun marihuana, hun drank… Dus vond ze het maar fair dat ze ook haar steentje bijdroeg. En de meisjes maakten het echt aangenaam. Dan neurieden ze liedjes, giechelden ze, speelden met water. Het leek alsof niemand ouder werd dan zestien. Nog kinderen eigenlijk. Na de middag, wanneer Carlito terug was, spendeerden ze de meeste tijd met te luisteren naar hem. Dan zaten ze in de huiskamer. Zachte psychedelische muziek op de achtergrond, een joint die rondging en een pilsje in de hand. Dan vertelde hij over de tijd die ging komen. De tijd van de uitverkorenen. ‘Het wordt een prachtige tijd. Jullie zijn de uiverkorenen, mijn schatjes. Hier zal het beginnen, op deze boerderij. Besladny!’ Het was een woord die ze veel hoorden. Elke middag herhaalde hij het. Nooit kwam Annabelle te weten wat het eigenlijk betekende, maar het had zo’n hypnotiserende kracht dat ze ‘s nachts er soms van droomde hoe hij het in haar gezicht fluisterde. ‘Besladny,’ zuchtten de meisjes allemaal tezamen, alsof ze wisten wat het betekende. Hij glimlachte. ‘Jullie zijn de pracht van de nieuwe wereld. Laat mij jullie leider zijn! Ik heb alleen het beste met jullie voor. Jullie wacht zo’n mooie toekomst. Jullie zullen leiders van een hele generatie worden.’ ‘Besladny,’ fluisterden ze opnieuw. Ze giechelden. Die avond, toen ze in bed lagen, spraken ze er nog over. Ze waren bijzonder high, maar te opgewonden om te slapen. Besladny werd een modewoord op de boerderij. Bijna elke middag kwam het naar voren. Terwijl ze stoned of dronken, of allebei, waren, zou hij het hen influisteren. Zou hij vertellen hoe waardevol ze waren en welke sleutelrol ze zouden spelen bij Besladny. Vaak bedreef hij daarna de liefde met hen. Soms met één, vaker met meerdere tegelijk. Ze waren één grote familie, en Annabelle voelde zich volkomen op haar gemak bij de andere meisjes en bij Carlito. Het was thuis. En als ze alleen was met Carlito dan behandelde hij haar als een prinses, alsof zij de enige was die er toe deed, alsof ze niet alle negen uitverkoren waren, maar alleen zij, of dat zij de leider van de uitverkorenen was, de vrouw van de messias. De boerderij was het equivalent van de tuin van Eden, vond Annabelle. Ze aten hun zelfgemaakte groenten, speelden spelletjes, liepen vrij rond in ruime gewaden of zelfs naakt, vrijden, en dronken en blowden dat het een lieve lust was. Elke middag was ze samen met de anderen stoned en dronken. Veel had de jonge Annabelle daar niet voor nodig. Meestal nam ze enkele trekken van een joint en dronk vijf pilsjes of twee tequila-shotjes voordat ze zich prettig voelde. Zo noemde ze de staat waarin ze elke middag verkeerde: prettig voelen. Om eerlijk te zijn moest ze bekennen dat ze niet zo gek was op de smaak van marihuana of bier, daarom was ze blij dat ze niet zoveel nodig had.   De grimmigheid op de boerderij kwam er niet plotsklaps. Alsof ze de ene middag nog spelend in de huiskamer doorbrachten terwijl ze luisterden naar de woorden van Carlito en de andere middag vreselijk bang van hem werden en bijzonder nuchter waren. Nuchter waren ze nooit. Maar Carlito’s preken werden steeds vuriger en gewelddadiger. Soms schreeuwde hij het uit, hij begon nog erger dan gewoonlijk de wereld waarin ze leefden uit te schelden. Hen te vertellen hoe ze de wereld moesten laten zien wie de baas was. Intussen was de boerderij ook in het oog gekomen van de politie en de buurt. De meesten vonden het maar vreemd, en man met negen meisjes die amper meerderjarig waren en nooit buiten kwamen. Dus systematisch kwam de politie op bezoek om te kijken wat er gaande was, of omdat ze een klacht van één van de buurtbewoners hadden gehad. Annabelle haatte de dagen dat de politie over de vloer kwam. Carlito was dan helemaal niet te genieten. Dan schold hij soms tegen hen, dat ze teveel de aandacht van de buurt opslorpten, dat ze zich normaler moesten gedragen. Dat hij zou vertrekken en ergens anders opnieuw zou beginnen. Als ze dan ‘s avonds op zijn kamer werd uitgenodigd, gaf hij haar opnieuw het gevoel die prinses te zijn, en kon ze hem alles vergeven. Op dat moment werd ze weer even verliefd op hem als ze dat was geweest heel in het begin. Op een dag zei hij, midden in een gesprek in de huiskamer, terwijl de meisjes giechelend rookten en dronken: ‘Jullie houden niet echt van mij.’ Het werd stil in de huiskamer. De meisjes keken hem allemaal verdwaasd aan. Sommigen leken hem te willen tegenspreken, maar durfden niet. ‘Jullie houden van jullie leventje hier. Dat jullie lekker high en dronken kunnen worden zonder gevolgen, zonder verantwoordelijkheid.’ Tirza begon te huilen, heel stil, eigenlijk amper hoorbaar. ‘Jullie houden van het feit dat jullie uitverkoren zijn, maar willen er niets voor doen.’ Annabelle knielde voor hem neer en keek hem doordringend aan terwijl ze zijn dijen, daarna zijn benen en uiteindelijk zijn voeten kuste. ‘Ik zou alles voor jou doen.’ De andere meisjes knikten en mompelden instemmend. Hij keek op Annabelle neer met een vage glimlach rond zijn lippen. ‘Zou je je leven opgeven voor mij? Zou je zelfmoord plegen voor mij?’ Annabelle, bijna door het rode heen, en bijzonder onder de invloed van drugs en drank, sprong op en rende naar de keuken. Even later kwam ze terug met één van de steakmessen die ze in een lade had gevonden. Ostentatief zette ze het mes tegen haar pols. ‘Je moet het maar zeggen, Carlito, en ik doe het.’ Ook zij weende nu. Of ze werkelijk zelfmoord voor hem zou hebben gepleegd, zou ze later betwijfelen, maar ze waren allemaal in die tijd tot zoveel in staat. ‘Doe het!’ schreeuwde Illiana. ‘Doe het!’ Illiana stond op en ging wijdbeens voor Annabelle staan. Annabelle drukte het mes zo hard tegen haar pols dat het wat begon te bloeden. Illiana schreeuwde het uit bij het zien van het bloed. Vaag glimlachend stapte Carlito naar haar toe en begon haar uitbundig en nat op de lippen te kussen. ‘Besladny vraagt niet jouw leven, maar dat van een ander,’ zei hij tussen twee kussen door, heel zacht in haar oor, zijn baarde kriebelde op haar wang. Vanaf dan begon het. Carlito had drie families uitgekozen uit het dorp. Eén familie waren de ouders van één van de meisjes, de twee andere families waren wildvreemden. Allen families die hem het leven zuur maakten, zou Annabelle later in de gevangenis te weten komen. De preken stopten, maar high werden ze nog wel elke middag. Het plannen ging vaak door tot laat op de avond. Er moest veel bloed vloeien volgens Carlito. Ze zouden het ‘s nachts doen, wanneer hun slachtoffers sliepen. Carlito deelde de meisjes in groepjes van drie. Ellen, Annabelle en Merel zouden de ouders van Merel vermoorden. Carlito legde hun exact uit hoe ze het moesten doen. Het moest vooral bloederig zijn, dus vuurwapens waren uit de boze. Met messen moest het gebeuren. Met hun eigen messen, dat was symbolischer volgens Carlito. ‘Dan worden ze door hun eigen wapens vermoord.’ Hij lachte schel. Of het van de zenuwen of de angst was, wie zou het zeggen, maar de meisjes konden niet anders dan hem volgen in zijn lachen. Toen ze die nacht in hun kamer in het duister lagen, nog high van de joints, vroeg Annabelle aan Merel: ‘Ga je het kunnen? Het zijn tenslotte je ouders.’ ‘Zij zijn beesten,’ fluisterde Merel zacht. ‘Ze doen niets anders dan ons het leven zuur maken. Ze kunnen het niet verkroppen dat ik gelukkig ben.’ De volgende avond kwam Carlito pas laat terug naar de boerderij. Hij had een hond mee. Een puppy nog. Waar hij het vandaan gehaald had, wisten de meisjes niet. Terwijl hij de eerste joint van die avond opstak liet hij het diertje samen met de joint rondgaan, van hand tot hand. ‘O, zo schattig,’ riep Merel uit. Ze kuste het beestje op zijn snoetje dat heel zacht kreunde bij de aanraking. Toen het terug bij hem was gekomen, plaatste hij het dier op de tafel. Het sloeg met zijn kwispelende staart enkele lege flesjes bier omver, en keek verwachtingsvol de groep rond. Carlito verdween even in de keuken en kwam terug met negen steakmessen. Plechtig overhandigde hij aan elk meisje een mes. Verdwaasd keken ze van het mes, naar Carlito, naar het hondje. Carlito zette zich terug op zijn vaste plaats en nam de joint van Ellen over. ‘Nu is het aan jullie.’ Hij knikte naar het hondje. Er was een korte aarzeling maar toen stoof als eerste Merel op het hondje af. De andere meisjes lieten zich niet onbetuigd. Ze wisten dat als ze nu faalden, ze altijd zouden falen. Met zijn negen stormden ze op het beestje af, die eerst nog een angstige kreet van verbazing uitsloeg, maar algauw jankte van angst en pijn. ‘Ja, dood het! Dood het! Vermoord het!’ schreeuwde Carlito die toekeek hoe het dier van bloed en leven werd beroofd. Wanneer er geen beweging meer in het diertje zat, gingen de meisjes één voor één terug naar hun plaats, het bloedige mes slap in hun handen. Op hun mooie gezichtjes en lange blauwe kleedjes waren spatten bloed zichtbaar. Carlito applaudisseerde. ‘Goed zo. Jullie zijn er klaar voor. Doe jullie schoenen aan, het is tijd.’   Merel en Annabelle zongen liedjes terwijl ze over de donkere straten dwaalden. Ellen zong niet mee. Ze hielden elkaars handen vast en huppelden als tieners die naar een dorpsfeest gingen. Bij het huis aangekomen maande Merel hen tot stilte. Ze kon zelf amper haar giechelen inhouden. Het zou een gemakkelijke klus worden. Merel had immers nog een sleutel van haar ouderlijk huis. Het was vanzelfsprekend dat Merel hier de leiding nam. Ze leidde de meisjes naar de keuken waar ze het licht aanklikte en hen elk een mes uit het blok gaf die op het aanrecht stond. Merel glimlachte gelukzalig. Annabelles benen trilden van anticipatie. Angst had ze niet. Het leek zo natuurlijk om dit te doen. Wat zou Carlito straks trots op haar zijn. Annabelle en Ellen volgden Merel naar boven. Ze giechelden wanneer Merel de deur van slaapkamer van haar ouders opentrok, als kleine meisjes die een deugnietenstreek gingen uithalen. ‘Wat… Is dat jij Merel?’ vroeg haar moeder slaperig, waarschijnlijk wakker geworden door het geluid van de giechelende meisjes. ‘Ja, mama, ik ben het,’ zei ze lieftallig, meer een meisje van tien dan een meisje van twintig. Haar moeder zuchtte, opgelucht leek het wel. Maar niet voor lang; Annabelle en Merel liepen op het bed toe, het mes zo krampachtig in hun handen dat Annabelle krampen in haar vingers kreeg. Ook Merels vader was inmiddels wakker geworden, maar was niet opgewassen tegen de bloeddorst van de meisjes. Lachend kerfden ze in het vlees. Het vlees was net zo zacht als dat van het hondje. Ze lachten nog harder wanneer de moeder van Merel gilde. De vader probeerde hen tegen te houden met zijn brute kracht, maar het mes ging zo gemakkelijk door zijn vingers, zijn handpalmen, uiteindelijk zijn buik, zijn hals. Wanneer ze ophielden, bleef er een hoopje bebloede massa over waarvan nog amper te zien was dat het ooit mensen waren geweest. Giechelend dompelde Annabelle haar rechterhand in het bloed en begon boven het bed in bloedige letters die afdropen, het woord Blesladny te tekenen. Een kwartier later stonden ze van voor het bed hun kunstwerk te bezichtigen. Een bloedig woord boven een bloedig bed. Heel de tijd had Ellen in het deurportaal gestaan, zacht snikkend. ‘Blesladny,’ fluisterden de twee andere meisjes en moesten weer giechelen. ‘Wat ben jij toch een schijtlaars, Ellen,’ verzuchtte Merel wanneer ze de kamer uitliepen om terug naar huis te gaan.   Lang duurde het niet voor de politie op het spoor van de daders kwam. Met groot vertoon stormden ze op een woensdagmorgen de boerderij binnen, maar Carlito had het aan zien komen en had al de benen genomen. De meisjes, en Annabelle voorop, waren ervan overtuigd geweest dat hij de volgende stap in het proces van Blesladny aan het voorbereiden was. Bang waren ze niet toen ze opgepakt werden. Ze vonden het meer een spelletje dan iets anders. Maar nu was Carlito opgepakt. Drie maanden had hij nog van de vrijheid kunnen genieten, terwijl zij opgesloten zaten. De climax waar Annabelle zo naar uitkeek, was een anti-climax geworden. Hij had hen allen aan de schandpaal genageld. ‘Hij zegt dat hij er niets mee te maken had. Dat hij al weg was wanneer jullie de feiten pleegden,’ had de rechercheur haar gezegd. ‘Hij noemt jullie, en ik citeer: ‘Gekke wijven’.’ Pas dan had ze voor het eerst gestopt met neuriën en was de glimlach op haar lippen getalmd.

Malakh Ahavah
0 2

Het verscholen dorp

Met een schrapend geluid schiet de door de kou verharde voorband in het bevroren karrenspoor. Met moeite blijf ik overeind. In een poging om fiets en lichaam weer in evenwicht te brengen, geef ik een ruk aan het stuur. De wielen van mijn fiets knisperen door de bevroren modder. Heel kort stokt mijn adem. Meteen daarna vindt ze een weg naar buiten, vanuit mijn warme longen de ijzige kou in. Voorzichtig over het glibberige en bevroren pad rijdend, tuur ik tussen de kale bomen en besneeuwde struiken door het winterse landschap in. Koning Winter heeft bijna alles wat normaal groen is van bladeren ontdaan. Kale takken zijn achtergebleven. Door hun enorme aantal en dichtheid is mijn zicht evengoed beperkt. 'Aan het einde van het pad is aan de rechterkant een smalle doorgang. Loop daar enige meters het bos in, en je ziet het snel genoeg,' had de oudere heer in het dorp met krakende stem gezegd. Hij moet het punt waar ik nu ben bedoeld hebben.  Licht opgewonden stap ik af. De sneeuw onder m’n schoenen kraakt na de aanraking door mijn schoenzool. Verder hoor ik niets dan stilte. De stilte van de bevroren bossen om me heen. Ik kijk naar links en naar rechts. Niets te zien. Plots hoor ik een knakkend geluid achter me. Ik draai me snel om. Mijn hart bonkt in mijn keel, ondanks het feit dat ik opnieuw enkel bomen zie. Ik besluit het er op te wagen, en loop behoedzaam door de dikke sneeuw. Het is pas half drie, maar ik heb het idee dat het al begint te schemeren. Hoe kort moeten de dagen hier toen in de winter niet zijn geweest? Een laaghangende tak ontwijkend loop ik in de richting waar ik denk dat het moet zijn. Intuïtief draai ik mijn gezicht opzij. Het laatste wat ik wil, is een tak tegen m’n koude wangen en neus krijgen. Als ik de tak rustig over m’n schouder weg laat schieten, zie ik plots het smalle paadje dat tussen de bomen door bij me vandaan loopt. Mijn adem stokt, terwijl mijn hart een sprongetje maakt. De kou lijkt plots verdwenen. De combinatie van spanning en opgewondenheid doet al het andere vergeten. Voorzichtig loop ik vooruit. Ik wring me tussen takken door. Ook de boomstronken op dit paadje zijn bedekt met een laagje sneeuw. Dit maakt hen moeilijk zichtbaar. Mijn schoen schiet tot twee keer toe weg. Ik bemerk het nauwelijks.  Het paadje voor me kronkelt een stukje omhoog. Een meter, hooguit. Op dit verhoginkje staat een boom. Ik vervolg mijn weg hier naar toe. Een paar tellen later grijp ik me vast aan de stam. Vanaf de verhoging kijk ik een kuil in. Aan de rand van de kuil ligt er één. Het is geen originele meer. Deze zijn immers vernietigd. Maar toch. Ik loop er naartoe, de omvang en bouw in me opnemend. Als ik er voor sta, zie ik op het laagste punt een donkere ingang. Ik kruip er in. Dan ben ik binnen. De inzettende schemer van buiten is hier maar een heel klein beetje zichtbaar. Verder is het donker. Ook is het hier minder koud. Ik adem in en ruik hoe een muffe lucht van bladeren en grond mijn neus vult. Het geeft me, vreemd genoeg, een vertrouwd gevoel. Hier hebben ze dus gezeten. In deze en acht andere hutten. Hier, in de bossen, hebben bijna honderd onderduikers zich ruim anderhalf jaar verscholen gehouden. Hoofdzakelijk Joden, maar ook Britse en Amerikaanse piloten. Een Rus ook, zo gaat het verhaal. De oude heer had het me die middag allemaal verteld. Hij had me gevraagd of ik het Verscholen Dorp al had bezocht. Toen ik ontkennend had geantwoord, was hij zijn verhaal begonnen. Over de bezetter die steeds nadrukkelijker aanwezig was geweest. Over hen die hierdoor niet meer vrijelijk konden leven. Over hen die geholpen hadden met het bouwen van hutten,  en over hen die de bewoners hiervan hadden voorzien in de eerste levensbehoeften. Ik had aan zijn lippen gehangen. Een zenuwachtige nieuwsgierigheid had zich van mij meester gemaakt. Snel daarna was ik op de fiets gesprongen, op zoek naar de restanten van het verscholen dorp.  Hoe moet het leven hier zijn geweest? Totale afzondering. IJzige koude. Doodse stilte. Continu angst. Was men blij geweest? Blij dat men hier, weg van de bezetter, had kunnen wonen? Of had angst geregeerd? Hoe waren de verhoudingen tussen de bewoners? Was het gezellig? Werd er gelachen? Was er ruimte voor romantiek en liefde? Of werd er vooral gewacht op het onherroepelijke betrapt worden? De heer had me verteld dat dit na 18 maanden was gebeurd. Twee soldaten waren op een jongen gestuit die hout aan het hakken was. Hij had hen verteld over het verscholen dorp. De soldaten waren versterking gaan halen, waardoor de bewoners tijd hadden gehad de bossen in te vluchten. Een aantal werd alsnog gepakt om op de meest definitieve manier gestraft te worden. De rest was ontkomen, in ieder geval op dat moment.  Hoe moet het leven hier zijn geweest, midden in de soms ijskoude en soms snikhete bossen? Wie hadden hier gewoond, en hoe gingen ze met elkaar om? Wie waren er gevlucht, en welke kant op? Hadden zij die bij elkaar hoorden, elkaar weer gevonden?  Wie werden er voor eeuwig van elkaar gescheiden? De vragen blijven door m’n hoofd spoken. Ik hoor buiten de stilte, en laat me achterover op de grond zakken. Deze plek met haar geschiedenis overweldigt me. Ik blijf lange tijd zitten, me afvragend wat zich hier allemaal heeft voltrokken. Pas als het al lange tijd donker is, verlaat ik het verscholen dorp en zet ik koers naar m’n hotel. Deze tekst is gebruikt als inzending voor een verhalenwedstrijd van het voormalige Monuments of Life. Op basis van een publieksbeoordeling is deze tekst als winnende beoordeeld, waarna pubicatie in de verhalenbundel ' Monuments of Life vol. 2' heeft plaatsgevonden.

Quirijn Teunissen
5 1