Zoeken

Mortem

Ik werd wakker, het was volledig donker rond mij. Ik herinnerde me niet hoe ik er was beland. Ik probeerde m'n armen te bewegen maar ontdekte al snel dat ik vastgebonden zat aan een stoel. Ik moest er weg, koste wat kost. Als je vastgebonden zit kan dat niets goeds betekenen. Ik hoorde stemmen, ze leken van buiten de kamer te komen. Voetstappen kwamen dichterbij, stemmen werden luider, ik werd angstiger. Een deur ging open met een heftige zwaai. Ik hoorde hoe iemand de kamer in liep en op de knop drukte om het licht aan te doen. Het licht scheen fel in mijn ogen, de man stond voor mij. De ene helft van zijn gezicht was bedekt met brandwonden, door de andere helft liep een groot litteken. 'Dus, meisje,' zei hij op een dreigende toon. 'Vertel me nu verdomme wat ik moet weten.' Ik wist niet wat hij bedoelde, ik herinnerde zelfs mijn eigen naam niet. Al herinnerde ik me wel nog dat ik een naam had. Even stelde ik me voor dat de man stond te dansen in een clownspak. Het duurde niet lang want de man maakte een vuist van zijn gezicht en stond klaar om me een mep te verkopen. 'Ik weet écht n-niets' zei ik voor hij me ging slaan. 'LIEG VERDOMME NIET' de man verkocht me een mep. Hij was zelfs gratis, moest er niets voor betalen. Volledig gratis zonder voorwaarden, een vuist tegen m'n kaak. Ik wou eigenlijk wrijven over m'n kaak, om de pijn te verlichten, maar wist dat dat onmogelijk was omdat ik vastgebonden zat. 'Oké, ik geef je nog een laatste kans. Als ik terugkom wil ik dat je me ALLES verteld, begrepen?' Ik knikte maar wist dat ik niets kon zeggen. Een verhaaltje, ja, misschien moest ik een verhaaltje bedenken. Misschien houdt hij van Roodkapje of is hij meer een Doornroosje-type? De man sloot de deur nadat hij het licht had uitgedaan. Ik had het gevoel alsof ik steeds bekeken werd. Ik zat alleen in de kamer samen met mijn gedachten... Het licht knipperde even aan, een zwarte gedaante stond tegenover mij. Ik kon niet goed zien wat het was. Ik herinnerde me wel dat ik heel erg schrok. Zweet begon over mijn voorhoofd te lopen, wat zijn ze hier met me van plan? Ben ik mentaal niet in orde? Verdomme, misschien was het de dood? Die is toch ook zwart? Of beeldde ik het me i-. Iets greep me bij mijn keel. Het voelde aan als verrotte vlezige vingers, ik kon niet meer ademen. Toen het licht weer aanging verdwenen de vingers rond mijn nek. Is dit een nachtmerrie, zit ik vast in een droom? De man stormde weer in de kamer. Deze keer keek hij me aan met een vieze grijns, een grijns dat ik niet snel zou vergeten. 'Nou, meissie vertel op' zei de man toen hij me aankeek, recht in de ogen. 'Uhm nou, er was ooit een...' ik wist niet wat ik moest zeggen. De man keek naar me en beviel me om verder te vertellen. 'Nou, een meisje, ze noemde Roodkapje.' Hij keek me aan alsof hij op het punt stond om heel hard te lachen. Tegelijkertijd keek hij me ook aan alsof hij me elk moment zou vermoorden. 'MEEN JE DIT?! BEN JE NOU AAN 'T LACHEN?' Hij kon er blijkbaar niet mee lachen, misschien was hij dan toch meer een Doornroosje-type. Voor een volle minuut had hij me recht in de ogen aangekeken, alsof hij een roofdier was die zeer goed zijn prooi inspecteerde. Hij ijsbeerde nerveus in de kamer, voor de stoel waarin ik zat. Ik keek even rond me, ik zag het. Oh god, nee. Ik voelde een brok in m'n keel, een elektrische stoel. Ik zat in een elektrische stoel. Met een draai van mijn hoofd zag ik al snel de hendel die m'n leven zou kunnen beëindigen. De man hoefde de hendel maar om te halen en weg was ik. 'IK HEB GENOEG VAN JE DOMME SPELLETJES.' schreeuwde hij door de kamer. 'Vertel het me nu of ik draai die hendel om.' voegde hij er uiteindelijk koelbloedig aan toe. Ik voelde nu meer dan ooit dat ik leefde, het bloed stroomde door mijn lichaam, het zweet drupte van mijn voorhoofd, een traan ontstond onder mijn wenkbrauw. Een oude herinnering kwam in me naar voren, die man, had ik hem niet neergestoken? Hij liep naar de hoek van de kamer, die enkele seconden voelden aan als de laatste van mijn leven. Het licht knipperde even van aan naar uit. Ik wist dat hij nu bij de hendel stond, binnen een paar seconden zou ik weg moeten zijn. Het werd mij alsmaar duidelijker dat ik niets kon doen. Ik draaide mijn hoofd weer om en zag hoe hij de hendel vastnam en me aankeek met een laatste moordende grijns. 'Ik ga dood,' dacht ik. Het licht van de kamer ging aan en uit. De zwarte gedaante was terug. In minder dan een seconde had de gedaante hem in duizenden stukken gesneden met zijn scherpe klauwen. Was ik gered, ik wist het niet. De gedaante liep mijn kant op...

Nova
36 0

Slaaf van de naald

Afkicken bleek een grote vergissing. Ik had dringend een shot nodig. Mijn neus droop, ik zweette als een rund ook al had ik het koud, ik rilde en liep om de haverklap naar het toilet. Mijn anus bloedde van de diarree. Afkicken... het was nooit een vrije keuze geweest, eerder een kwestie van armoede. Heroïne kostte nu eenmaal geld, iets wat ik zelden had en zoals je wellicht weet doen wanhopige mensen soms domme dingen. Het was maandagochtend. Een typische klotedag. Ik schuimde de advertenties in de krant af in de hoop hier of daar een baantje te vinden. Kieskeurig was ik niet. Ik wilde alles doen: afwassen, lijken ruimen, pekinezen uitlaten. Als ik maar wat geld kon verdienen om mijn heroïneverslaving nieuw leven in te blazen. Zelf dealen was uitgesloten. Diefstal? Neen. Eén keer hadden de flikken me al gepakt en een tweede keer zou me ongetwijfeld een gevangenisstraf opleveren. Ik draaide enkele telefoonnummers en maakte wat afspraken, waaronder bij een poetsbedrijf en een chique restaurant. Natuurlijk liep het fout. Toen ik hen vroeg waar het aan lag zeiden ze dat het mijn voorkomen was. Thuis keek ik eens goed in de spiegel. Ik kon hen geen ongelijk geven. Vanbuiten was ik misschien een wrak, maar vanbinnen had ik ze nog allemaal op een rij. Dankzij mijn bovengemiddeld stel hersens kreeg ik een briljante ingeving. Ik besloot om zelf een advertentie op te stellen: Gigolo, 24 jaar, regio Antwerpen. Komt ter plaatse. Prijs overeen te komen. Geen taboes. En ik zette er m’n telefoonnummer onder. Ik stuurde de tekst in naar de redactie. Toen ik een week later de krant ging halen, stond de advertentie erin. Met mijn laatste geld kocht ik een rolletje pepermuntjes. Ik ging naar huis om naast de telefoon te wachten op mijn eerste klant. Terwijl mijn blik over de krantenkoppen gleed, overdacht ik wat er allemaal kon gebeuren. Ergens hoopte ik op lekkere meiden, maar dat was natuurlijk uitgesloten. Nee, eenzame, lelijke wijven, dat was wat me te wachten stond. In alle soorten en maten. Mijn middenrif begon al samen te krimpen van walging. Ik beeldde me in hoe ik zulke misbaksels in godsnaam hoorde te bevredigen. Nog in geen honderd jaar zou ik een erectie kunnen krijgen. Waar was ik aan begonnen? Ik zuchtte diep. Over dat soort dingen maakte ik me zorgen. Ik had spijt en scheurde mijn advertentie uit de krant. Het was een symbolische daad. Ik wist immers maar al te goed dat er op hetzelfde moment nog duizenden exemplaren op keukentafels, aan bushaltes of in rokerige cafés gelezen werden. Ik had nood aan frisse lucht. Het regende pijpenstelen. Desalniettemin maakte ik een wandeling. Ik hield van natte kleren, van dat schurende gevoel tegen mijn broze huid. Onderweg liep ik een apotheek binnen. Ik bedelde er om wat valium. Tegen plankenkoorts. Normaal kon je dat enkel op voorschrift krijgen, maar ik bedacht een listig smoesje over ontwenningsverschijnselen en dat ik het papiertje in een plas had laten vallen en dat het doorweekt en onleesbaar geworden was en dat ik morgen zou terugkomen met een nieuw voorschrift van m’n huisdokter en bla bla bla en de man achter de toonbank scheen een goede dag te hebben, want hij gaf me een doosje met dertig tabletten van 10mg. De hele dag zat ik naast de telefoon. Slechts één keer rinkelde hij. Het bleek een man te zijn die Chinees wilde bestellen. ‘Tweemaal nasi goreng met kip, babi pangang met noedels, een klein potje curry en een zakje kroepoek,’ zei hij. En hij wilde ook nog een loempia, maar ik onderbrak hem en zei dat hij het verkeerde nummer had gedraaid. Hij aarzelde en gaf mompelend toe: ‘Ik moet me vergist hebben. Mijn excuses.’ ‘Geen probleem,’ zei ik, en ik verbrak de verbinding. Toen betreurde ik de gemiste kans om hem een loer te draaien. Ik keek een beetje televisie. Stilzitten was de hel, maar de valium deed z’n werk. Er werd een film uitgezonden die ik al eerder had gezien. Het was lang geleden. Ik was de titel vergeten, maar ik herkende enkele scènes en had er niets op tegen om hem nog eens te kijken. Zo meteen, dacht ik, kwam er een scène met een kunstenares die van haar woonkamer een atelier had gemaakt vol met beelden uit papier-maché. Het had iets bevreemdend. De film bevatte ook een bondage-scène met diezelfde kunstenares. Ik wist niet meer of die al geweest was of nog moest komen. Ik stak mijn hand alvast in mijn broek en wachtte hoopvol. Minuten vlogen voorbij zonder dat de telefoon rinkelde en daar was ik blij om. Ik hoopte dat mijn advertentie een stille dood zou sterven. Er belden zelfs geen grappenmakers, iets waar ik min of meer op gerekend had. Ik had zelfs een fluitje (type scheidsrechter in een voetbalwedstrijd) bij de hand om loeihard mee in de hoorn te blazen als er iemand onnozel zou beginnen doen. Ik keek naar het uurwerk. Het was al avond. Buiten regende het nog steeds. Wagens gleden door de straat. De banden maakten een aangenaam geluid op het natte asfalt. Ik dempte het geluid van de televisie om er beter naar te kunnen luisteren. Ik sloot mijn ogen en bevond me al snel in het voorgeborchte van een koortsdroom. Mijn ergste vrees werd waarheid: de telefoon rinkelde. Hard en scherp en onrustwekkend irritant. Ik schrok en stootte met mijn scheen tegen het salontafeltje. Ik kreeg een hartverzakking. Waarom was ik plots zo nerveus? Niemand dwong me immers om de telefoon op te nemen. Toch? Behalve mijn drang naar een shot. De telefoon ging zeven keer over en toen nam ik op. ‘Vince Vercammen,’ zei ik. ‘Goede avond, bent u de man van de advertentie.’ De vrouw aan de andere kant was kortademig. Ze klonk alsof ze een marathon liep tijdens het spreken. Ik wachtte enkele tellen. ‘Meneer, bent u er nog?’ ‘Met wie spreek ik?’ ‘Odette,’ zei de vrouw. ‘Odette Moeskops.’ Dat belooft, dacht ik, met zo’n naam. Ik had geen flauw benul van hoe een dergelijk gesprek hoorde te verlopen, maar Odette wist gelukkig van aanpakken. Ze lichtte toe dat ze een vreemde fetisj had, waarop ik nogmaals zei dat ik geen taboes kende, zoals in de advertentie vermeld, zolang het maar genoeg betaalde. ‘Ja ja,’ zei ze snel, ‘geld is geen probleem.’ Ze trad evenwel niet in detail over wat ze precies wilde. ‘Wat denkt u van duizend euro, meneer Vercammen? Mag ik Vince zeggen?’ ‘Vince is goed. Duizend euro ook.’ Ik bedacht hoeveel gram bruine suiker ik daarmee kon kopen. Ik vroeg haar adres en sprong in m’n wagen. Duizend euro was de jackpot om snel over en weer te gaan en een goor wijf een orgasme te bezorgen. Kinderspel. Bovendien woonde ze op maar twintig minuutjes rijden. Mijn geluksdag. Ik belde nog snel naar mijn dealer of ik in de loop van de late avond nog wat dope mocht komen halen. Alles leek in de plooi te zullen vallen. Ik slikte nog 20mg valium. Ik reed de parkeerplaats van een reusachtig flatgebouw op. Sociale woningen. Ze waren er slecht aan toe. Eenmaal binnen duurde het tien minuten voor ik het juiste belletje had gevonden. Er woonden godverdomme zevenendertigduizend miljard marginalen in dat stuk beton. Moeskops – Peperzak stond er op het naambordje dat toegang verschafte tot mijn eerste werkervaring als gigolo. Ik kreeg de slappe lach. Toen begon me te dagen dat er wellicht meer dan één persoon woonde. Een vrouw en een man? Was Odette getrouwd? Waarschijnlijk was haar man niet thuis en had zij een verzetje nodig. Niets mis mee. Ik haalde mijn schouders op en drukte op het knopje. ‘Hallo?’ zei Odette, even kortademig als aan de telefoon. ‘Het is Vince.’ ‘Kom maar naar boven. Het is op de tiende verdieping.’ De zoemer ging. Ik duwde de deur open. Ik liep een lange gang in. Het stonk er naar pis. Overal lag zwerfvuil. De liften waren kapot. Ik moest verdomme met de klotetrappen naar de tiende verdieping. Odettes deur stond al op een kier. Ik klopte en ging naar binnen. ‘Dag Vince,’ hoorde ik Odette zeggen, ‘bedankt dat je zo snel gekomen bent.’ De stem was afkomstig van een schaduwrijke plek die net buiten de stralenkrans van een lamp viel. Alsof de eerste ontmoeting bewust zo in scène gezet was door een of andere blasé regisseur met vage artistieke ambities. ‘Wil je de deur sluiten alsjeblieft?’ Ik deed wat ze zei en toen ik me weer omdraaide, was ze uit de duisternis getreden. Ze was een mastodont. Zeker een meter negentig, massief en vormloos en ze droeg iets wat voor lingerie moest doorgaan maar wat eerder op een versleten gordijn van een amateurtheater leek. ‘Hallo,’ zei ik, en ik was opgelucht dat de extra dosis valium ingekickt was. Haar grauwe gezicht bezorgde me bijna braakneigingen. Er was iets met die vrouw. Ze was duidelijk gehandicapt, al kon ik niet goed zien wat er precies mis was met haar. Ze had ook een lodderoog. Ze wees naar een stapeltje biljetten op een commode. ‘Duizend euro, zoals afgesproken.’ Ik knikte. Ze had zonet haar invaliditeitsuitkering gekregen, dacht ik. ‘Zullen we naar de slaapkamer gaan?’ Opnieuw knikte ik. Ik kreeg een wee gevoel in mijn buik. Je kunt dit, Vince. ‘Zou ik eerst nog even gebruik mogen maken van het toilet?’ vroeg ik. Haar lodderoog bracht me in de war. Ik probeerde afwisselend in haar gezonde oog en dan in beide ogen tegelijk te kijken, maar daar begon ik zelf scheel van te zien en ik merkte dat zij dat merkte, dus keek ik twee centimeter naast haar blubbergezicht. Odette wees de weg naar de badkamer. Ze toonde me ook waar de slaapkamer was. Daar zou ze op me wachten, zei ze. ‘Kom op, Vince, je kunt dit,’ mompelde ik tegen het geraamte in de spiegel. Ik kreeg een aanval van acute diarree en ging zitten. Het gespeter echode in de porseleinen pot. ‘Denk aan die duizend euro en hoeveel shots je daarmee kunt kopen.’ Ik waste mijn handen. Op de lavabo stond een schaaltje met M&M’s. Ik grabbelde er enkele uit en stak ze gulzig in mijn mond. Ik kauwde en kauwde en slikte en slikte en toen ik de brij door mijn slokdarm voelde glijden, wist ik meteen dat de M&M’s al duizend jaar oud waren. En rot. Ik boog mij over de badkuip en braakte een regenboog. Daarna ging ik naar Odettes slaapkamer. Wat ik daar aantrof tartte werkelijk alle verbeelding. ‘Heb je ooit van trechterseks gehoord?’ vroeg Odette. Mijn mond viel open. Er stond geen bed in de kamer. In plaats daarvan lag Odette op een plastic zeil dat bijna de hele oppervlakte bedekte. Ze was naakt. Met beide handen hield ze een trechter vast die haar bloem bedekte. Ik wist niet waar ik eerst moest kijken: naar de kooi in de hoek waarin een naakte man met anderhalve arm zat, gemaskerd in een lederen SM-kap – hoogstwaarschijnlijk meneer Peperzak – of naar de vuile vleeshoop die op mij lag te wachten. Odettes lichaam was een tapijt van puisten, kwabben, korsten, schilfers, schimmel en huidplooien waar je een ganse familie vluchtelingen in kon verstoppen. Er speelde muziek. Ene Willy Sommers zong Als een leeuw in een kooi, waarop Peperzak zachtjes begon te grommen. En de stank, jezus, de stank in die kamer was niet te harden. Ik wilde niet weten wat het was, maar hoorde mijzelf de hele tijd denken dat het Odettes zieke huid was. Ik hoopte dat ik haar niet hoefde aan te raken. Ik walgde van de gedachte dat haar bloot vlees het mijne zou beroeren en ik stond op het punt om me om te draaien en weg te rennen toen ze zei: ‘Wees niet bang, je hoeft me niet aan te raken.’ ‘O,’ zei ik. Er viel een enorme last van mijn schouders. ‘Je hoeft alleen maar in de trechter te pissen.’ Ze stak het uiteinde van de trechter in haar snoepdoos en grinnikte. ‘Mijn man en ik worden daar geil van, zie je.’ ‘Gewoon in de trechter pissen?’ vroeg ik. ‘Dat is alles?’ Het was moeilijker dan het leek. Ik had namelijk zonet mijn blaas geledigd tijdens het kakken en ik was zo goed als gedehydrateerd. ‘We zouden graag hebben dat je het naakt doet.’ Als het dat maar is, dacht ik. Ik knikte en begon mijn hemd los te knopen. ‘Op die schoenen na.’ Ze wees naar de hoek aan mijn linkerkant. Daar stond een enorm paar orthopedische schoenen. De ene zool was immens, de andere min of meer normaal. Ik keek naar Odette. Ze had een lang en een kort been. Het verschil was zeker tien centimeter. Ik wist het. Ik wist dat er iets met haar scheelde, ook al had ik niet meteen door wat het precies was. ‘Je wil dat ik die schoenen aantrek?’ ‘Ja. En dan mag je in de trechter pissen.’ Ik kleedde me helemaal uit en stak mijn voeten in de schoenen die veel te groot en zwaar voor me waren. Toen bedacht ik me dat ik niet zou kunnen pissen. Zelfs geen druppel. ‘Dan moet ik eerst wat drinken,’ zei ik. Met de reusachtige schoenen strompelde ik naar de badkamer, waar ik me aan het kraantje laafde. Ik dronk tot ik een klotsende waterbuik had. In mijn ooghoek zag ik mijn productie in de toiletpot. Ik besefte dat ik daarnet was vergeten door te spoelen. Ik deed het alsnog en dronk nog meer water. En nog meer. En ik spuwde in het schaaltje met M&M’s. ‘Het zal nog even duren,’ zei ik tegen Odette. ‘Voor ik kan pissen, bedoel ik.’ ‘Doe je dit werk al lang, Vince?’ ‘Ik… eh… nee. Eigenlijk niet.’ ‘Geeft niet, hoor.’ ‘Het is mijn eerste keer,’ bekende ik. ‘O.’ Odette veranderde van zithouding. Dat scheen een zware inspanning voor haar te zijn. Ze hijgde. Op haar voorhoofd stonden zweetdruppeltjes. Ik zweer het je, ze veroorzaakte een luchtverplaatsing om u tegen te zeggen. De walm sloeg in mijn gezicht, warm en vochtig. Ik kon hem smeren. Het geld pikken en gewoon weggaan. Ze zouden me nooit te pakken kunnen krijgen, maar op een bepaalde manier had ik medelijden met hen. Ik mocht dan wel wanhopig zijn, ik had nog altijd een bepaald normbesef. Stelen van gehandicapten deed je nu eenmaal niet. Mijn blaas begon op te spelen. Eindelijk. ‘Ik denk dat ik kan,’ zei ik. ‘Laat maar komen.’ Odette likte haar lippen. Peperzak gromde wellustig in zijn kooi. Hij steunde op zijn stompje en trok zich af met zijn goede arm. Ik liep naar Odettes gigantische lichaam en ging boven de trechter staan. In eerste instantie kwamen er enkel wat druppeltjes uit, wat later volgde een heuse straal okerkleurige urine. Ik mikte alles in de trechter. Odette kreunde en ik zag hoe Peperzak onrustig werd in zijn kooi terwijl ik maar in die trechter bleef zeiken. Er leek geen eind aan te komen. Het was een raadsel waar ze al die urine stockeerde. Anderzijds, haar lichaam was zo groot als een havencontainer. Om een of andere reden begon ik aan dat lachwekkende stompje van Peperzak te denken. Ik vroeg me af wat er met die geamputeerde arm gebeurd was. Ik bedoel, die gozer was toch de rechtmatige eigenaar van zijn eigen ledemaat, dus ik zou denken dat hij hem mee naar huis heeft genomen. Al kon ik me wel inbeelden dat er ethische en hygiënische bezwaren waren en dat zo’n arm daarom bewaard werd in het ziekenhuis. Of vernietigd, maar dat zou zonde zijn, want ik geloofde in tweedehands. Als die arm zich nog in het ziekenhuis bevond, dan had Peperzak toch bezoekrecht, niet? Het volgende wat ik me afvroeg was wat de bezoekuren dan zouden zijn. Golden er andere regels dan bij volledige patiënten? Een poosje later was mijn blaas leeg. ‘En wat nu?’ vroeg ik. Peperzak blafte en zonder me te waarschuwen trok dat goor wijf die trechter uit haar bloem. Het klonk als het ontstoppen van een gootsteen. Ongelogen. Toen kwam de tsunami. Odette had al mijn urine in haar onderbuik opgeslagen en stuwde die nu naar buiten met een oerkreet. Even waande ik mezelf in een verloskamer. De pis stroomde langs mijn voeten. Gelukkig had ik die monsterlijke schoenen aan. Toch kon ik de neiging niet weerstaan om de dampende vloed te ontwijken. Ik zette één stap naar achter en één opzij. Plastic en pis was een glibberige combinatie. Ik gleed uit en viel voorover. Met een smak kwam ik terecht op de deinende vleesmassa die Odette was. Haar huid stonk naar bedorven gehakt. Vervuld van walging krabbelde ik weer overeind. Met elke beweging die ik maakte leken mijn benen onder mij vandaan te glijden. Mijn vingers verdwenen in haar vleesplooien. Ik viel nog een keer, op handen en knieën. Uiteindelijk slaagde ik erin om op te staan en naar de deur te strompelen. Ik hield me vast aan de deurpost. Mijn handen plakten. ‘Zijn we klaar hier?’ vroeg ik. Niet dat het veel uitmaakte, want ik was sowieso van plan hem te smeren. ‘Ja schatje, je kan gaan.’ Ik grabbelde mijn kleren bij elkaar en maakte me uit de voeten. Nog half nat van mijn eigen pist kleedde ik me aan in hal. Daarna nam ik het geld van de commode. Ik telde de biljetten. Twintig stuks van vijftig euro. In de verte jankte Peperzak als een verwaarloosde straathond. Ik was misselijk. Ik had dringend een shot nodig om deze ellende te vergeten. Ik wankelde naar buiten. Bijna struikelde ik over mijn veters. Ik belde mijn dealer. ‘Ik ben er over dertig minuten.’ God, wat was ik blij om zijn stem te horen. De autorit had een kalmerend effect op me. Ik reed met de raampjes halfopen. Op de radio zong Sheila E: We all want a love bizarre. Gelijk had ze. Het inrijden van de straat van mijn dealer voelde als een hemelvaart. Ik parkeerde mijn wagen en strompelde kokhalzend naar de voordeur. ‘Vince, je ziet eruit alsof je overreden bent door een tank,’ zei Rizzo. Hij liet me binnen in zijn kraakpand. ‘Je gelooft nooit wat ik zonet heb meegemaakt.’ We gingen op een versleten matras zitten. Er zaten overal gaten en de gele vulling wurmde zich naar buiten als etter uit een puist. Ik overhandigde Rizzo het grootste deel van het geld. De rest bewaarde ik voor eten. Het eerste wat ik zou kopen was een vers zakje M&M’s om die wrange nasmaak uit mijn bek te wassen. Terwijl ik Rizzo over mijn eerste avond als gigolo vertelde, prepareerde hij een shot voor mij. Rizzo schaterde van het lachen. Ondertussen spande hij mijn arm af boven de elleboog. En hij bulderde. Hij zocht een ader tussen de geïnfecteerde prikwonden. Hij vond er een en prikte. Die korte, scherpe pijn was een geschenk. In het buisje ontlook een bloedbloem. Onmiddellijk daarna drukte Rizzo de zuiger in en dreef de vloeistof in de ader. Enkele ogenblikken later voelde ik hoe de heroïne door mijn bloedbanen kroop en de waanzin van me afgleed. ‘Laatst was hier een gozer,’ begon Rizzo toen hij uitgelachen was, ‘die wat speed en coke kwam kopen. En hij vertelde me een mop. Hij beweerde dat hij ze tijdens een lucide droom had verzonnen. Kun je dat geloven?’ ‘Nee.’ ‘Moet je horen.’ Rizzo gooide de spuit weg en terwijl ik mij neerlegde op de matras, begon hij te vertellen. ‘Een vrouw en haar man zijn bezig met hun wekelijkse wandeling. Ze passeren de praktijk van hun gemeenschappelijke tandarts en de vrouw zegt: Ik heb best medelijden met hem. Hij is zo eenzaam en alleen maar bezig met zijn werk. Haar man geeft haar gelijk en ze vervolgt haar betoog. Weet je wat. Ik zal hem eens verblijden met een pijpbeurt. Dat zal hem goed doen. Dus ze gaat naar binnen en komt een kwartiertje later weer buiten, trots omwille van haar goede daad. Zij en haar man maken hun wandeling af. De week erna gebeurt exact hetzelfde. Ze zegt dat ze medelijden heeft met de tandarts omdat hij zo eenzaam is, gaat naar binnen om hem snel even te pijpen en komt terug buiten. En de week daarna opnieuw hetzelfde scenario. Als ze dan weer naar buiten komt, vraagt haar man: Kijk, ik heb er niets op tegen dat je onze tandarts oraal bevredigt en zo, maar wanneer kom ik eindelijk eens een keer aan de beurt? Waarop de vrouw zegt: Ja, ik heb het er met hem ook over gehad, maar hij heeft liever niet dat je aan zijn leuter likt omdat je zo verschrikkelijk uit je bek stinkt. Het was de beste mop die ik in tijden had gehoord, maar de roes was zo sterk dat ik vergat te lachen.

Tom Thys
145 0

Mrs. Robinson

De radio luidde door de auto. 'God bless you Mrs. Robinson...'. De bestuurder zette de radio luider terwijl hij begon mee te zingen. Het was donker, alleen de lichten van de auto maakten de aardeweg zichtbaar. De auto reed naast een donker bos. 'hey Mrs Robinson...' zong de bestuurder. De man keek door zijn achteruitkijkspiegel en zag een zwarte gedaante. Hij glimlachte en reed rustig verder, alsof er niets was gebeurd. De bestuurder draaide naar links, een andere donkere aardeweg in. Hij was nu volledig omringd door bomen. Daarnet was er nog een aardappelveld rechts van de auto maar nu waren enkel de donkere dennenbomen zichtbaar. De lichten van de auto gingen aan en uit. De bestuurder reed rustig verder, alsof het compleet normaal was. Het liedje, die in de auto afspeelde, klonk niet meer zuiver en begon te kraken alsof er insecten kropen in zijn radio. De auto reed nog steeds verder en sloeg, voor een laatste keer, een andere weg in. De bestuurder drukte zijn voet lichtjes op de rempedaal terwijl er een donker huis verscheen die in het midden van het bos stond. Een vrouw stond aan de oprit te wachten. Ze knipperde haar ogen niet maar bleef kijken naar de auto van de man, die nu uitstapte. Er was niet veel te zien in de duisternis van haar gezicht. Je kon alleen zien dat het een vrouw op leeftijd was. De lichten van de auto knipperden nog steeds, zelfs toen de auto niet meer aan lag. De vrouw en de man stonden recht tegenover elkaar. Voor een volle minuut zeiden ze niets. 'Mrs. Robinson' zei de man uiteindelijk met een vreemde stem, alsof zijn woorden achterstevoren werden uitgesproken maar dan weer normaal werden gezet door audioapparatuur. De oude vrouw knipperde met haar vingers. De deur van het huis ging open. De deur kraakte als een echte deur uit een horrorfilm. De man stapte op een trap, die naar de deur leidde. Voor de ingang stond een klein balkonnetje met een schommelstoel. Hij keek even richting de stoel en zag een arm op het zitvlak liggen. Het bloed lag rond de stoel gestrooid, alsof iemand had gemorst tijdens het eten. Mrs. Robinson stond achter hem. Hij voelde hoe ze in zijn richting keek. De man liep verder, door het deurgat. De living van het huis was behoorlijk leeg. Er was enkel een sofa en een haard, die fel vuur weerkaatsten in zijn ogen. Mrs. Robinson liep ook naar binnen, in het huis. Ze liep direct naar een hoek in de kamer en keek nog steeds richting de man, zonder te knipperen. Een andere man verscheen in de zetel, die voor de haard stond. Hij had een zwart pak aan met een fel rode das. De man had maar één arm. Hij draaide zich om en keek richting de bestuurder. 'Uilen zullen vliegen door de wind' zei de man vanuit de zetel. De bestuurder knikte, hij leek volledig te begrijpen wat er gaande was. De man stapte richting het haardvuur. Een zwarte spiegel verscheen voor de zetel waarin de andere man zat. In de zwarte spiegel was te zien hoe iemand de arm van een man met een rode das afhakte. Mrs. Robinson, die nog steeds in de hoek stond, lachtte hard. De man met een arm stond op vanuit de sofa en stapte in de zwarte spiegel. De man, die in de auto had gezongen, volgde. De man met de rode das had zijn arm terug. De andere persoon nam een hakmes en amputeerde de arm van de persoon. Een grammofoon speelde 'Mrs. Robinson' af terwijl de man rustig keek naar zijn arm die op de grond lag. De man, die de andere persoon zijn arm had afgehakt, stapte weer in de zwarte spiegel. Hij stapte in zijn auto en begon te rijden. Hij zong mee terwijl er op de radio 'Mrs. Robinson' werd afgespeeld. De man keek naar rechts en zag een oude vrouw naast hem in de auto zitten. Ze knikte toen er duizenden uilen door de ramen van de auto stormden en het hoofd van de bestuurder verbrijzelden tot hij dood was. De man, zonder hoofd, liep weer door een zwarte spiegel en stapte in zijn auto. Z'n hoofd was weer terug. 'God bless you Mrs. Robinson' zong hij..

Nova
6 0

De schade beperken

Deze keer zou ze niet terugkrabbelen. Wil Heerenveen maakte haar rode sportfiets zorgvuldig vast met een dik kettingslot. Alsof iemand het in zijn hoofd zou halen om hier een fiets te stelen.   Camerabewaking. Wet van 21 maart 2007, waarschuwde een bord aan de ingang van het hypermoderne gebouw. Wil haalde een hand door haar haren en trok de kraag van haar hemd recht. Ze moest dit doen. Voor Elke en voor zichzelf.   Haar schoenen tikten luid op de steriel ogende tegels van de inkomhal. De onthaalbediende, een man met grijs haar en dunne lippen, keek haar zwijgend aan.   ‘Goedendag, ik kom voor Elke Jansen.’   ‘Vrouwenvleugel?’   ‘Ik neem aan van wel. Het is tenslotte een vrouw.’   De onthaalbediende keek haar emotieloos aan. ‘Identiteitskaart?’    Ze staarde naar de muur terwijl hij op zijn toetsenbord tokkelde.   ‘U dient uw badge op een goed zichtbare plaats op uw kledij te bevestigen. Uw identiteitskaart kan u na uw bezoek ophalen. Heeft u iets bij om aan de gedetineerde te overhandigen?’   ‘Neen.’ Had ze iets moeten meenemen voor Elke? Wil speldde de badge op haar houthakkershemd.   ‘U kan uw tas in de lockers aan de overkant opbergen.’   Ze wachtte tot de onthaalbediende nog iets zou zeggen, maar hij wendde zich tot een man die achter haar stond. Het was een grote man met een getaande huidskleur, die haar vanonder zijn borstelige wenkbrauwen met droeve ogen aankeek. Hij had een Tupperware-doos bij. Hij volgde haar blik. ‘Briwat, gebak met amandelen. Mijn vrouw is er gek op. Het zijn de kleine dingen die je het meest mist, hier.’   ‘Je komt je vrouw bezoeken?’ vroeg Wil toen ze aan de lockers stonden. Het deed haar denken aan de kastjes waarin ze haar jas opborg wanneer ze naar een optreden in de Antwerpse concertzaal Trix ging.   Hij knikte kort maar vastberaden. ‘Elke dag. Op zaterdag kom ik met de kinderen. Die mogen maar één keer per week komen. Dit is geen plek voor kinderen. Maar ze moeten hun moeder toch zien.’ Hij speldde zijn badge op zijn T-shirt.   ‘Je gsm mag niet mee binnen,’ zei de man toen Wil haar smartphone in haar achterzak stopte.   Met enige tegenzin legde ze haar gsm in de locker.    Ze hoopte vurig dat de metaaldetector niet zou afgaan. Uiteraard gebeurde dat wel. De cipier wees naar haar navel. Wil volgde zijn bik. Het duurde een paar tellen voor het tot haar doordrong dat hij naar haar riem wees. Ze deed haar riem uit en stapte opnieuw door de metaaldetector. Het verbaasde haar niet eens dat het ding opnieuw afging. De portier wees naar de vloer. Wil hopte op een been om haar schoenen uit te doen. Er zat een groot gat in haar rechtersok. Haar kleine teen was gedeeltelijk zichtbaar. Zo te zien was het een tijdje geleden dat ze haar teennagels nog had geknipt.   ‘Je eerste keer?’ vroeg de man van het amandelgebak toen Wil op de vloer zat om haar schoenen weer aan te doen.   ‘Valt het zo hard op?’    Hij lachte vreugdeloos. ‘Mijn naam is Farid. Voor wie ben jij hier?’   ‘Mijn beste vriendin. En ik heet Wil.’   Ze liepen door een lege gang. Betonnen vloer, kale muren met smalle, verticale ramen. Daglicht was hier een schaars gegeven. Wil onderdrukte de neiging om de man te vragen waarom en voor hoe lang zijn vrouw hier zat. In een soort wachtruimte namen ze plaats op een lelijke, gele bank. Er zaten al een paar mensen, die allemaal naar hun schoenen staarden. Wil volgde hun voorbeeld.   ‘Het went wel,’ zei Farid.    ‘Ik hoop het.’ Een cipier opende een deur. Gedwee liep Wil achter de anderen aan. De bezoekerszaal deed haar denken aan de refter van een middelbare school, maar dan met camera’s aan het plafond. Ze mochten niet zelf kiezen waar ze gingen zitten, maar kregen een tafel toegewezen.   Op internet had ze foto’s gevonden van de rest van het gebouw. Het was nog geen vijftien jaar oud en ontworpen door een gerenommeerd architectenbureau. Wil had lang naar een foto van een cel gestaard. Een bed met een lelijk, bruin laken. Een bureau met een stoel, een wastafel met een spiegel boven en een kleerkast. Hard neonlicht en een raam dat je slechts gedeeltelijk kon openen. Uiteraard met tralies voor. Het idee dat Elke de komende maanden in zo’n kamer moest doorbrengen, had haar kippenvel bezorgd. Een tiental vrouwelijke gedetineerden kwam de bezoekerszaal binnen. Elke droeg een spijkerbroek en haar versleten T-shirt van Anthrax, een van haar favoriete metalbands. Wil was erbij geweest toen ze dat T-shirt meer dan tien jaar geleden kocht, in een winkeltje niet ver van de Antwerpse Groenplaats. Elkes haar was vettig en ze leek wat afgevallen, maar verder zag ze er goed uit. Ze bleef even achter de stoel tegenover Wil staan voor ze ging zitten.   ‘Je ziet er goed uit.’   Elke staarde naar het tafelblad.   ‘Je hebt je eigen kleding aan, zie ik.’   ‘Wat had je dan verwacht? Zo’n oranje pak?’  ‘Eigenlijk wel. En een ketting met een metalen bal aan je voet.’   Nu glimlachte Elke ook. ‘Het is hier Guantanamo niet.’   Aan de tafel links van hen zat Farid tegenover een vrouw met kroezelig, zwart haar. Ze glimlachte naar hem terwijl hij schijnbaar argeloos over koetjes en kalfjes praatte. Zelf zei ze niet veel, maar er viel waarschijnlijk ook niet veel nieuws te melden.  ‘Hoe gaat het met je?’   Elke keek haar nog steeds niet aan. ‘Geweldig. Ik heb me nooit beter gevoeld.’    Wil keek naar haar handen. Het was eraan te zien dat de zomer voorbij was: haar knokkels waren rood en vertoonden al kleine kloofjes. ‘Ik kan me niet voorstellen hoe het is om hier te zitten.’   ‘Dat kan je inderdaad niet.’   ‘Moet je je cel met andere vrouwen delen?’  ‘Nee.’   ‘Da’s wel goed, dat je een cel voor jezelf hebt. Maar wel eenzaam, neem ik aan.’   Elke haalde haar schouders op.   ‘Wat doe je zoal de hele dag?’   ‘Sporten. En ik help in de wasserij. Ik lees ook veel.’   Wil kon zich niet herinneren dat ze Elke ooit een boek had zien lezen. ‘Wat lees je dan?’   ‘Wat er in de boekmobiel zit. Vooral stationsromannetjes en thrillers met een vreselijk voorspelbaar plot. En kookboeken. Vraag me niet waarom ze ons kookboeken geven.’   ‘Zal ik volgende keer wat boeken voor je meenemen?’   Nu keek Elke op. Haar groene ogen glansden. ‘Kom je nog terug?’   Er klonk iets kwetsbaar door in haar stem. Even had Wil het gevoel dat er een kind tegenover haar zat. Ze slikte een krop door. Het had haar vijf dagen gekost om haar moed bij elkaar te rapen. Twee keer was ze tot aan de gevangenis gereden. Daar was ze blijven staan, haar fiets aan de hand. Ze had het niet gekund. Naar binnen gaan, in de buik van dat kille gebouw, waar mensen de dagen aftellen op kale muren. Elke onder ogen komen.   ‘Natuurlijk kom ik terug. Zal ik iets lekkers meenemen? Het eten is hier vast vreselijk.’   ‘Dat valt wel mee.’   Het werd stil. Wil probeerde om haar blik te peilen, maar Elke wendde haar ogen weer af.   ‘Het is vast beter dan de macaroni van Liesbeth!’   Elke reageerde niet. Waarom begon Wil ook over hun kotgenote? Dat was verdomme tien jaar geleden. Liesbeth was een vreselijke kok, maar wanneer ze dronken thuiskwamen, was ze meestal de enige die nog de moed kon opbrengen om iets eetbaars te fabriceren en daar waren ze haar maar al te vaak dankbaar om geweest. Dronken zijn is de beste saus. Wanhopig zocht Wil naar de juiste woorden. Ze keek naar de rode en witte strepen op de vloer. Ze vormden een wirwar, een kluwen. Net als haar gedachten. Al vijftien jaar voerden zij en Elke ellenlange conversaties over de meest absurde onderwerpen. Urenlang konden ze met elkaar praten en filosoferen, in dronken of in nuchtere toestand. Maar vandaag stond er een muur tussen hen in. Wil schoof haar stoel wat verder bij de tafel vandaan. De poten schraapten luid over de vloer. ‘Je moeder zal wel balen dat ze haar handtas in een kastje moet achterlaten. Om van die metaaldetector nog maar te zwijgen.’   ‘Vast.’   ‘Heeft ze er niets van gezegd?’   Elke wreef over haar wang. Een vertrouwd gebaar. ‘Ze is nog niet langs geweest.’   ‘Oh.’   ‘Ik hoef haar ook niet te zien.’    ‘En Grace?’   Er sloop iets donker in Elkes blik. ‘Ik heb twee keer met Grace gebeld, maar ik heb haar gevraagd om niet langs te komen. Dit is geen plek voor haar en ik wil niet dat ze me zo ziet.’   Het drong met een schok tot Wil door dat zij waarschijnlijk de eerste was die Elke bezocht. ‘Sorry dat ik niet eerder ben langsgekomen.’   ‘Geeft niet.’   ‘Het spijt me, Elke. Van alles.’   Elkes mond vormde een dunne streep. ‘Je mag een paar van mijn geschiedenisboeken meenemen, als je terugkomt.’   Het viel Wil op dat ze als zei, en niet wanneer. ‘Geschiedenisboeken?’   ‘In de witte boekenkast in de logeerkamer. Vooral die over het Oude Egypte.’   ‘Ik wist niet dat je daarin geïnteresseerd was.’   ‘Natuurlijk wel.’   Wil had echt geen idee. Ze hadden het nooit over geschiedenis gehad. ‘Ik ga straks naar je huis en breng de boeken morgen mee. En ik zal de brievenbus leegmaken en de planten watergeven. Dat kan ik wel een paar keer per week doen.’   ‘Bedankt.’   Wil wilde graag gedaan zeggen, maar ze kreeg het niet over haar lippen. Ze had helemaal niets gedaan waarvoor Elke haar dankbaar diende te zijn. Integendeel. Jarenlang had Wil zichzelf wijsgemaakt dat haar vriendschap met Elke onverwoestbaar was, maar de afgelopen maanden was ze tot een onthutsend inzicht gekomen: elke vriendschap is voorwaardelijk. Natuurlijk maken we onszelf graag wijs dat dat niet zo is. Dat er mensen zijn die van ons houden en dat altijd zullen blijven doen – ondanks onze gebreken, wat we ook doen. Nog hardnekkiger is de illusie dat wij zelf in staat zijn om onvoorwaardelijke liefde te schenken. We willen heel graag geloven dat we perfect evenwichtige superwezens zijn die op een haast boeddhistische manier door het leven gaan, liefde verspreidend als heerlijk geurende bloemblaadjes, die we uitstrooien over iedereen die ons pad kruist. De waarheid is dat je zelfs de sterkste liefde of vriendschap kan breken. Dat er soms dingen gezegd en gedaan worden die blijven nazinderen, die barsten veroorzaken. Barsten die je niet kan herstellen. Soms rest je slechts één ding: de schade zoveel mogelijk beperken. Aan de lockers kwam ze Farid weer tegen. ‘Het lijkt me een lieve, jouw vrouw.’   ‘Dat is ze ook. De liefste vrouw die ik ken. Een fantastische moeder ook. Binnen elf maanden komt ze vrij.’ Hij deed een niet zo verdienstelijke poging om opgewekt te klinken.   Ze liepen naar buiten. ‘Mijn fiets staat hier,’ gebaarde Wil. Ze aarzelde of ze Farid nog een fijne dag zou wensen. Het leek zo misplaatst.   ‘Veilige thuisrit,’ zei hij.   ‘Jij ook.’   Ze keek naar zijn lichtjes gebogen rug tot hij tussen de auto’s verdween.   (c) Leen Raats Dit is het eerste hoofdstuk van mijn roman 'De schade beperken'.  Ontdek er alles over op www.leenraats.com

Leen Raats
26 0

Oude bomen verplant men niet

1 Jeanne van Overschelde was een hardwerkende vrouw met het hart op de juiste plaats. Haar hele leven stond in het teken van anderen: haar man, haar vijf kinderen, de minder gestelde boeren die tijdens koude oorlogswinters dreigden te ver­hongeren en de patiënten die ze met meer dan beroepsmatige zorg omringde in het hospitaal waar ze aan de slag ging nadat de boerderij van haar echtgenoot was opgeslokt door een gigantische melkveefabriek. Haar man, verslagen door een onbereikbare concurrent, zocht zijn toevlucht tot de drank, die gewillig zijn gevoelens wegspoelde. Hij maakte Jeanne echter met harde hand duidelijk dat hij niet langer de kostwinner, maar nog steeds de baas in huis was. Toch bleef Jeanne hem steunen. Eens getrouwd, altijd getrouwd. In goede en in slechte tijden. Ze werd er har­der door, maar niet minder behulpzaam. Wie Jeanne om hulp vroeg, kreeg hulp. Ondertussen was ze met pensioen. Haar man was uiteindelijk bezweken aan de levercirrose die hij dertig jaar lang opbouwde. Haar kinderen hadden nu zelf een gezin om voor te zorgen. Zelfs haar kleinkinderen, waarvan de oudste al met haar vriend samenwoonde, hadden haar niet meer nodig. Natuurlijk kwamen ze nog weleens op bezoek en brachten dan steevast een ruiker opzichtige bloemen of een doos likeurpralines mee, maar dat was eerder een soort liefdadigheid geworden dan een dringende behoefte aan haar hulp of aanwezigheid. Als Jeanne morgen zou sterven, zouden ze een tijdje verdrietig zijn. Dat verdriet zou na enkele weken al overgaan in een bitterzoete herinnering. Maar niemand, niet haar drie dochters, niet haar twee zonen, niet de zeven kleinkinderen die enkele jaren geleden nog hielpen bij het plukken van tomaten en bonen in Jeannes moestuintje, zou­den haar echt missen. Naarmate Jeanne ouder werd, werd ze kleiner. Daarbij krompen niet enkel haar beenderen, maar ook haar invloed op de levens van anderen. Met voorzichtige passen liep Jeanne die ochtend over het tuinpad. De bouwvakkers waren al volop in de weer. Ze had de vrachtwagens over het grasveld achter haar huis horen denderen toen ze een ketel water op het gasfornuis in de bijkeuken zette. Felle lichten scheurden de mistige schemering aan stukken. Jeanne rilde en trok haar vest dichter om zich heen. De glazen deur van de serre protesteerde even, maar gaf zich dan toch gewonnen. Jarenlang had haar man op die verdomde rotdeur gevloekt. Jeanne vloekte niet. De serredeur klemde al zolang ze zich kon herinneren. Het hoorde bij het huis. Haar huis. De kinderen van haar vorig jaar overleden huisbaas wilden het huis, dat Jeanne altijd voor een appel en ei gehuurd had, slopen, net zoals ze met de huizen op het perceel achter Jeannes huis hadden gedaan. Die bewoners, twee jonge gezinnen, hadden zich gemakkelijk laten verjagen. Jeanne niet. ‘Oude bomen verplant men niet,’ had ze gezegd. Ze konden het niet vatten, die jonge mensen met hun ambities en drang naar mate­riële rijkdom. Ze hadden haar extra tijd gegeven. Die was nu bijna op, maar Jeanne wilde niet vertrekken. Ze was heus niet van plan om de resterende jaren van haar leven in een bejaar­dentehuis te spenderen. Zoveel vrien­den en kennissen had ze zien uitdoven van zodra ze uit hun vertrouwde omgeving werden weggerukt. Kranige vrouwen, die decennialang met verweerde handen in de aarde hadden gewroet, vodden uitgewrongen en groenten ingemaakt in weckpotten, die zich plots niet meer konden wassen zonder hulp. Sterke bomen, wier wortels zo gewend waren aan de vertrouwde grond waarin ze waren opgegroeid, dat ze gedoemd waren om uit te dro­gen van zodra ze verplant werden. Het was een korte weg van het rusthuis naar het graf. Een weg die Jeanne niet wilde afleggen. Niet op die manier. Jeanne plukte enkele kerstomaatjes. Een bouwvakker liep achter haar tuin door. Ze keek de jongeman zo indringend aan dat hij zijn ogen neersloeg en zijn hand, die hij al half had opgeheven om haar te begroeten, haastig in een broekzak moffelde. Nijdig stopte Jeanne de to­maten in een zak van haar vest. De jongeman deed ook maar zijn werk. Dat wist ze wel.De deurbel ging, nauwelijks hoorbaar boven de vrachtwagens en betonmolens. Jeanne slofte op haar pantoffels naar binnen. In de bijkeuken draaide ze het gasvuur onder de fluitende ketel uit. ‘Goedemorgen, Jeanneke!’ riep Wendy op haar eeuwig enthousiaste toon. Ze maakte aanstalten om haar schoenen uit te trekken.‘Laat maar kindje, ik moet toch nog schoonmaken,’ zei Jeanne automatisch. Terwijl ze het zei, drong het met een pijnlijk besef tot haar door dat dat niet waar was. Ze zou deze keuken nooit meer schoonmaken.‘Fris weertje,’ rilde de verpleegster.Jeanne knikte enkel. Ze vroeg zich af waarom jonge mensen zich altijd net iets lich­ter kleedden dan het seizoen toeliet. Ze ging Wendy voor naar de keuken. De vertrouwde pijnscheut in haar schouder diende zich aan.   2 ‘Pijn in je schouder?’ Wendy nam de hand van de oude vrouw in de hare. De verharde huid met eeltplekken voelde ruw aan.‘Niet meer dan anders,’ antwoordde Jeanne met de schijnbaar luchtige verbetenheid van iemand voor wie pijn vanzelfsprekend is geworden.Wendy prikte in Jeannes vinger om haar suiker te meten. ‘165. Wat heb je als ontbijt gehad?’‘Suikervrije confituur.’‘Maar wel met goede boter, of niet soms?’Jeanne staarde nukkig naar het tafelblad. ‘Enkel de pastoor zondigt nooit, kindje.’ Wendy wist dat het geen zin had om er verder op in te gaan en spoot de vrouw in met insuline. Een vrachtwagen denderde langs het huis. ‘Wat een lawaai weer,’ zei ze om maar iets te zeggen. ‘En zo vroeg op de dag al.’‘Ze zijn al bezig sinds zeven uur. De huizen hebben ze al platgegooid, nu volgen de bomen. Gisterenmiddag hebben ze de eik omgehakt.’ De oude vrouw keek niet op, zodat het leek alsof ze tegen zichzelf praatte. ‘In deze perio­de van het jaar gingen we altijd kastanjes rapen in het bosje dat vroeger aan onze tuin grensde. En dennenappels, om de open haard aan te maken.’ Het was niet de eerste keer dat ze dit verhaal vertelde. Toch deed de verpleegster alsof ze aandachtig luisterde terwijl ze Jeannes voet op haar been legde en bestudeer­de. Wendy wist dat wonden van diabetici moeilijk genezen, maar in Jeannes geval leek er helemaal geen verbetering op te treden. ‘Rust je wel genoeg?’‘Rust roest.’ Er viel een stilte. Wendy was nooit goed geweest in afscheid nemen. Het viel haar op dat er nog niets ingepakt was. Ze nam een slok van de koffie die Jeanne zoals altijd voor haar had klaargezet. Een half klontje suiker, een wolkje melk en een Madelei­ne‑cakeje. Deze tafel, deze koffie, deze keuken, dit wat onderkomen huisje met moestuin, het was de natuurlijke habitat van dit vrouwtje. Wendy kon zich de vrouw niet in een andere omgeving voorstellen. Het was Jeanne die de stilte doorbrak. ‘Nu zitten we hier nog gezellig aan de koffie. Straks komen mijn dochters alles in­pakken, terwijl mijn zonen de kasten uit elkaar schroeven.’‘Wat gebeurt er met je spullen?’‘Een deel neem ik mee naar het rusthuis. Het grootste deel gaat naar de kringloop­winkel en ik hoorde mijn schoonzoon over het containerpark praten.’ Ze sprak het woord containerpark uit alsof het een vreselijke plek was. De staande klok in de hoek gaf aan dat de verpleegster al naar de volgende patiënt had moeten vertrekken. Maar geen van beide vrouwen maakte aanstalten om op te staan.‘Ik kom je bezoeken in het rusthuis. Dat vind je toch goed?’ Tot haar verbazing schudde Jeanne het hoofd. Er leek iets te breken in het magere vrouwtje. Een traan rolde over haar wang. Ze veegde hem ongeduldig weg. De ver­pleegster aarzelde nog even, maar boog zich toen naar Jeanne toe en sloot haar in de armen, alsof ze een kind was dat getroost moest worden. Haar rechterhand rustte teder op Jeannes knokige ruggengraat.   3 De voordeur maakte een schurend geluid. Jeanne bukte zich om de post, die zich de afgelopen weken had opgestapeld, op te rapen. Ze legde de reclamebundel en enveloppen ongeopend op het aanrecht. Ze hadden de elektriciteit reeds afgesloten. Door het keukenraam viel wat zwak maanlicht naar binnen, maar Jeanne had geen licht nodig om haar weg te vinden in het huis waar ze vijf kinderen had grootgebracht. Met langzame maar zekere passen liep ze door de kamers. Het had vreemd moeten aanvoelen, zo zonder haar vertrouwde meubelen, maar dat was niet zo. Integendeel: het leek wel alsof ze het huis nog beter aanvoelde nu er geen tafels, voorraadkasten een kamerplanten met de aandacht gingen lopen. In de woonkamer bleef ze abrupt staan. Een angstig ogenblik lang dacht ze dat er iemand in de kamer stond. Toen besefte ze dat het haar spiegelbeeld was. Ze waren de lange spiegel, die altijd in de hoek had gestaan, vergeten. Behoedzaam kwam Jeanne dichterbij. Het was te donker om haar spiegelbeeld goed te kunnen zien. Jeanne was slechts een vage schim. Een afdruk van de vrouw die ze ooit was geweest. Ze streelde over haar gerimpelde huid. Jeannes gezicht was een kaart van haar leven. De rimpels op haar voorhoofd ontstonden tijdens koude nachten waarop ze lag te wachten tot haar man dronken de trap op strompelde. De kraaienpootjes om haar ogen waren stille getuigen van het feit dat ze haar kinderen alles had willen meegeven wat ze zelf nooit had gehad. De rimpels om haar mond herinnerden aan de zeldzame maar intense momenten waarop Jeanne zich oprecht gelukkig had gevoeld. Haar huid had haar glans verloren, die enkel nog op oude foto’s werd herdacht. Haar eens zo volle lippen waren uitgedroogd. De sierlijke hals waar haar man lang geleden, toen ze pas verkeerden en de drank nog niet alle passie had gedoofd, steeds weer met bevende vingers over streelde, leek nu eerder op een oude dweil dan een hals. Jeanne voelde zich een wezen uit een ander tijdperk, iets dat dapper streed om een laatste beetje bestaansrecht. En toch. Toen Jeanne van Overschelde op die kille novembernacht in het schaarse licht van de volle maan die in de lege kamer naar binnen viel, naar haar spiegelbeeld keek, zag ze nog iets van haar oude glans. Een twinkeling, een lichtpuntje. De jonge, sterke vrouw van vroeger zat nog in haar, ergens onder haar oude knoken en rim­pelige huid. En die vrouw wilde niet in een stoel voor een venster met zicht op het park zitten wachten tot de dood zijn kille hand op haar schouder legde. Jeanne danste. Ze had het eerst niet eens in de gaten. Haar voeten leken als vanzelf te bewegen, en haar armen volgden, in golvende bewegingen. Haar spiegelbeeld danste sierlijk met haar mee. Niet in de oude, grijze vest die ze droeg, maar in een prachtige jurk. Jeanne kende die jurk maar al te goed: ze had hem gekregen voor haar zestiende verjaardag en droeg hem zo vaak als de gelegenheid dat toeliet: op feestjes, in de kerk op zondag, bij zomerse familiebezoekjes. Toen schopte Jeanne haar schoenen uit, en danste verder op blote voeten. Ze voelde zich licht worden. Het leek wel alsof ze zweefde. Met een verrimpelde vinger streelde ze over het houtwerk aan het raam. Haast onopgemerkt vielen de plooien van haar huid samen met de nerven van het hout.

Leen Raats
2 1

Allesbehalve super

Het was geen pretparkbezoek. De supermarkt, twee dagen voor Kerstmis. Het begon al bij het vinden van een parkeerplaats. Het was zoeken naar een vegetariër in een vleesrestaurant. Ik zag een vrije plaats en stapte uit terwijl de auto nog bolde. Gelukkig was ik niet de chauffeur. Ik spurtte naar een vrijgekomen plaats en ging in het midden staan met mijn armen overeen. Nooit gedacht dat ik zoiets zou doen. Eindelijk binnen. Daar was het zo mogelijk nog erger. Mensen stopten bij proevertjes en maakten praatjes met elkaar. Gezellig toch? Nee, hoegenaamd niet. Met al die stilstaande winkelkarren moest ik slalommen zoals een volleerd skiër op de grote prijs van Garmisch-Partenkirchen. "Ook aan het winkelen?", hoorde ik iemand zeggen. "Nee, aan het skiën.” In de groenteafdeling trof ik oorlogstoestanden aan. Er stonden meer karren dan wettelijk toelaatbaar. De brandweer zou het nooit goedkeuren. Een mevrouw sprak haar man aan. "Ludo, hier blijven staan". Hij stond net voor de tomaten. Een wezenlijk onderdeel van de verse tomatensoep die ik meende te bereiden.  "Ludo, zou je even aan de kant kunnen, want ik moet tomaten hebben", vroeg ik vriendelijk. Hij bewoog geen millimeter. Hij keek me aan met een blik van “de sergeant heeft gezegd dat ik hier moet staan en ik blijf hier staan”. Ik kon niet wachten, want de man achter mij had al drie keer op mijn enkels gereden. Opzettelijk. Terwijl ik verder sjokte zag ik dat Ludo zijn plaats bij de tomaten verliet en trots naar zijn vrouw keek. “Moeten we hier eigenlijk zijn, in de groenteafdeling?”, hoorde ik een man tegen zijn vrouw zeggen. “Nee, eigenlijk niet”, antwoordde ze. Ook dat nog. Ramptoeristen. Ik was ondertussen zo opgejaagd en heetgebakerd dat ik tussen de pizza’s in de diepvriezer had willen afkoelen. Omdat ik niet alles gevonden had en andere zaken vergeten, zoals mijn tomaten, reden we nog naar een andere supermarkt. Daar moest je bij het verlaten van de parking een nummer ingeven zodat de slagboom omhoog ging. Een vrouw stapte uit de auto voor ons en tekende met haar wijsvingers een vierkant in de lucht. “Ze roept er de VAR bij”, zei ik. Zoals in het voetbal. Ze had het papiertje vergeten af te geven aan de kassa. Ik sloeg een zucht, zo luid dat de chauffeur in de vierde auto achter ons ervan schrok. Ik wil maar zeggen, tijdens de eindejaarsperiode naar de supermarkt gaan is allesbehalve super. Nee Ludo, volgend jaar bestel ik mijn tomaten op het internet.

Rudi Lavreysen
39 0

De Orde van de Pad

Terwijl Antonio over de donkere snelweg naar huis reed, brandde het vuur nog in zijn lijf. Hij zat rechtop in de lederen stoel van zijn BMW, beide handen om het stuur geklemd. In gedachten stond hij nog steeds achter de katheder en keek hij de overdekte arena in. Hij zag de kolossale spots, de zwaaiende vlaggen, de mensen met hun verhitte gezichten. Het was een massa die woelde en deinde en helemaal van hem was. Hij had ze opgehitst met zinnen als zweepslagen, waarvan hij elk laatste woord liet knallen door de microfoon. Hij had wetten verworpen, grenzen gesloten, andere politici ervan langs gegeven: de lafaards, de bedriegers, de verraders. Na elke uithaal had hij, met zijn vuisten bonzend op het spreekgestoelte, teruggegrepen naar het vaderland van vroeger, een plaats en een tijd die hij gekend noch beleefd had, maar waaraan hij karakteristieken had toegekend die zijn publiek hadden doen juichen van ingebeelde herkenning. Hij had altijd geweten dat hij onweerstaanbaar was, maar vanavond, terwijl hij zijn publiek met de cocktail van zijn uitstraling, zijn woorden en zijn keiharde boodschap had opgetild tot een gezamenlijke extase, had hij zich voor het eerst in zijn leven onoverwinnelijk gevoeld.   Aangekomen bij de portiersloge stopte hij voor de neergelaten slagboom. Antonio had het altijd ironisch gevonden dat de portier die de toegang tot de residentiële wijk bewaakte een zwarte was. "Dat zullen zijn vrienden wel leuk vinden," had hij tegen Sofía gezegd. "Één voetafdruk op mijn patio, en ik zorg ervoor dat hij de bak indraait." "Jouw patio?" "Onze patio." De slagboom bleef neer. Antonio liet het zijraampje zakken, leunde naar buiten en tuurde het portiershok in. Daar zag hij de onbezette stoel van de portier in het licht van een bureaulamp. Hij claxonneerde twee keer kort na elkaar. Toen nam hij zijn gsm en belde Sofía. Die nam niet op. Antonio gooide het mobieltje op de passagierszetel, legde zijn handen weer op het stuur, en tokkelde nerveus met zijn vingers op de lederen stuurbekleding. Hij keek op zijn horloge. "Hijo de..." Weer duwde hij op de claxon, lang en hard ditmaal. Het voelde alsof iemand de stop uit zijn overwinningsbad getrokken had; de euforie gorgelde weg door de afvoerbuizen. Nog steeds geen spoor van de portier. Antonio stapte uit en liep om de wagen heen. Opeens zat hij in een houdgreep: twee zware armen hielden de zijne achter zijn rug geklemd, en een hand met een doek bewoog naar zijn gezicht. Een prikkelende geur in zijn neus. Alles werd zwart.   Toen Antonio weer bijkwam, zat hij vastgebonden op een stoel, met een vochtige prop in zijn mond. Zijn hele lichaam deed pijn, zijn hoofd tolde. Hij bevond zich in wat een kelderruimte leek: slordig bepleisterde muren zonder ramen, een schamel peertje aan het plafond. Er hing een vochtige, ondergrondse geur. Wat er zich achter hem bevond, kon hij niet zien.   Plots ging het licht uit. Van achter zijn rug klonk het gezoem van een opstartend apparaat, en op de muur tegenover hem verscheen de projectie van een computerscherm. Alsof hij gewoon thuis voor de computer zat, zag Antonio op de blauw oplichtende muur een cursor bewegen. Het pijltje gleed naar een map met de naam Sapo. De map werd opengeklikt, en de cursor bewoog naar het enige document in de map, een video met de naam antes del ritual. Het woord ritual deed Antonio´s nekhaar overeind komen. Als een bezetene probeerde hij zijn handen vrij te trekken, maar de kabelbanden om zijn polsen zaten muurvast. Hij gilde in de mondprop, zette zijn voeten op de grond, viel met stoel en al voorover. Meteen werd hij weer overeind getild en op zijn plaats gezet. Er stond nu iemand achter hem; twee ruwe handpalmen drukten op Antonio´s wangen en richtten zijn gezicht naar het beeld op de muur. "Geen paniek," zei een zware stem. "Gewoon even het filmpje bekijken." Met tranen in de ogen keek Antonio naar de muur voor zich, waar een onzichtbare hand de video aanklikte. Op het scherm verscheen een bruine pad in een regenplas, en op de achtergrond klonk een rustige mannenstem met een Catalaans accent. "De Bufo Alvarius is een paddensoort die voornamelijk voorkomt in Mexico. Net zoals haar aanverwanten heeft zij gifklieren aan de zijkant van het hoofd." Verward staarde Antonio naar het vuile dier in de modder. Zat hij nu naar een fucking natuurdocumentaire te kijken? "Het bijzondere aan de Bufo Alvarius is dat het gif dat zij afscheidt, gebruikt kan worden als medicijn," ging de stem verder. Op het scherm had de pad ondertussen plaats gemaakt voor de afbeelding van een chemische molecule. "De stof 5-MeO-DMT die zich in de afscheiding van de Bufo Alvarius bevindt, is qua structuur chemisch verwant aan serotonine. Daarom kan zij zich probleemloos binden op de serotonine-receptoren in onze hersenen..." Antonio sloot zijn ogen. Hij was ontvoerd door een stel amateurs. Antonio had een bloedhekel aan amateurs.       "... waardoor onze hersenen tijdelijk bevrijd worden van de controlerende werking van serotonine. Daardoor worden onder de invloed van 5-MeO-DMT andere hersengebieden aangesproken, en andere combinaties van hersengebieden geactiveerd." Als ik de idioten in mijn handen krijg die hierachter zitten, dacht Antonio. Ze zouden zich de dag beklagen waarop ze zich met hem hadden ingelaten, hem de stuipen op het lijf hadden gejaagd, hem van zijn kostbare tijd hadden beroofd. Ze wisten niet met wie ze te maken hadden, zoveel was duidelijk. Zodra hij uit dit circus kon ontsnappen... Het zoemen van de projector stopte. Het licht ging weer aan. Antonio zag een grote man met een wilde baard op zich afkomen. De man had een doek in zijn handen die hij onder Antonio´s neus duwde. Zie je wel: amateurs, dacht Antonio, en verloor opnieuw het bewustzijn.   Hij lag op zijn rug in het zand. Zijn armen en voeten waren vrij. De prop in zijn mond was verdwenen. Langzaam ging Antonio overeind zitten, steunend op zijn ellebogen. Hij zat op een strand en zag de zon rood boven de zeespiegel hangen. Ging ze op of onder? Waar was hij in godsnaam? Oostkust of westkust? Op een paar meter van hem vandaan stonden vier mannen en twee vrouwen. Ze keken op hem neer. Zou hij weglopen? Zijn benen waren te zwaar. Concentreren op die zon. Ze ging onder. Niet? Ja, ze ging onder. Westkust. Mallorca? Ibiza? Hijos de puta. Waar hadden ze hem heengebracht? Portugal?   Opeens kwam er een vijfde man van achter het groepje op hem toelopen. Hij was kleiner en ouder dan de anderen en gekleed in wat een traditioneel kostuum leek. Iets Centraal-Amerikaans: veel parels en felle kleuren. Op zijn hoofd droeg hij een verweerde cowboyhoed. Joder. Ze hadden hem toch niet naar Mexico gevlogen?   Uit het groepje maakten zich twee mannen los die het oudje vervoegden en met zijn drieën stapten ze op Antonio af. Ze gebaarden hem op te staan, namen voorzichtig zijn armen vast. Antonio liet zich gewillig overeind trekken. Het oude mannetje begon te zingen. Indianenklanken. Toen kwam een van de vrouwen erbij staan. Ze droeg een glazen kolf met een tuit. Er wolkte rook in de kolf. "Inademen," gebaarde een van de mannen hem. Antonio schudde zijn hoofd. Het oude mannetje bleef zingen. De vrouw lachte. De mannen grepen hem vast, handpalmen op zijn wangen. Hij sloot zijn mond. Het mannetje zong, de vrouw lachte. "¡Venga, guapo!" riep ze. "Het zal je goed doen! La medicina del sapo, je hebt het nodig!" Hij kon zich niet verroeren. Ze knepen zijn neus dicht; hij stikte. Glas tussen zijn tanden. Hij ademde de wolk in.   Antonio explodeerde. In miljarden schitterende splinters spatte hij uit elkaar, en elke splinter schoot het heelal in. Hij was het heelal. En het heelal was liefde. Liefde, liefde, liefde. Alles was verbonden en alles was liefde. Antonio was er niet meer. Antonio was alles en iedereen. En alles was liefde.   Toen Antonio weer bijkwam, lag hij naast zijn auto. Hij lag op zijn rug, met zijn armen naast zich, alsof hij een engel wou maken op het asfalt. De hemel boven hem was licht en helder. "¿Señor?" In zijn blikveld verscheen het zwarte gezicht van de portier. "¿Qué le ha pasado, señor? " Antonio keek de portier aan met ogen zacht van herkenning. "Hermano..." zuchtte hij. En met zijn armen uitgestrekt naar de man die hij zonet broer had genoemd, herhaalde hij dat woord en proefde het en vroeg zich af of dat misschien het mooiste woord was dat ooit over zijn lippen was gekomen.  

Kathleen Verbiest
176 1

Wat je doet voor vriendschap (en wanneer je moet stoppen)

Als er iemand was die mij zo kon doen schrikken was het wel mijn beste vriend Clay. Ik ben echter nog nooit zo hard van hem geschrokken als nu. Zijn botten zijn hier en daar zichtbaar en als ik zou willen zou ik zijn lieve hart er zo uit kunnen nemen. Dat doe ik natuurlijk niet. Een van zijn armen is gebroken en ergens mis ik een van zijn zachte vingers. Een van zijn benen eindigt bij zijn knie en hij ligt in een plas bloed, waarschijnlijk zijn eigen bloed. Hij mist een heel deel van zijn haar en zijn overgebleven voet is vermorzeld. Wie of wat zou er iemand nu zo iets kunnen aandoen? Mijn beste vriend Clay dan nog wel. Ik zal het te weten komen, of ik sterf in mijn poging om diegene te vermoorden. Dit is nu een week geleden en ik ben geen stap verder gekomen met mijn onderzoek. Ik weet alleen dat het geen maffia was, want daar was Clay niet mee gemoeid. Dan heb ik nog een kleine aanwijzing, en dat is dat er geen aanwijzingen zijn en dat is zo zelden voorkomend dat het wel iets magisch moet zijn. Clay was een van de mensen die ze kon zien. Hij zal wel zo stom zijn geweest om een overeenkomst met ze te sluiten zonder het te merken. Jammer genoeg vergeet Clay altijd alles, dus is hij die afspraak waarschijnlijk ook vergeten. Ik ben ook een ziener, aangezien zieners altijd ergens in een steegje in een plasje bloed eindigen was ik, noch de rest van de wereld verbaast over Clay's dood. Maar als een ziener kon ik ook als een van de enige de echte dader vinden. Dus aangezien het niemand van de normale wereld was, zat er voor mij niets anders op dan af te dalen naar het land van de magische. Tenminste als het inderdaad ergens onder de onze ligt.

Zoë
20 0

Maar Michel toch

Mijn krant ging onmiddellijk naar beneden. Had hij dat echt gezegd? Ik keek met grote ogen naar het tv-toestel. Van het schrikken. Zoiets zeg je toch niet? Ik heb zelfs luid “Maar Michel toch” geroepen. “Naar wie zit je te roepen?”, vroeg mijn vrouw. Maar wacht, laat me eerst de plaats van het gebeuren meegeven. Er was een veldrit op de tv. Die dag eentje voor vrouwen. Een passieve activiteit die ik combineer met het actief lezen van de krant of een boek. Kwestie van me niet schuldig te voelen voor het complete nietsdoen terwijl de wielrenners zich het zweet uit het fietspak koersen. De Michel naar wie ik riep, is de vaste wielercommentator bij het veld- en wegwielrennen. Hij had het wel degelijk gezegd. In exact deze bewoording: "Maar kijk eens naar dat gat nu weer." Zelfs de co-commentator reageerde niet. Er was echter geen wielrenster te bespeuren. Ook niet in achteraanzicht, wat je zou verwachten bij een dergelijke uitspraak. Alleen een beeld uit de lucht van een modderige vlakte. De ‘weer’ in zijn uitspraak duidde erop dat hij nog een achterwerk gezien had. Net op het moment dat ik de terugspoelknop meende te gebruiken, zag ik het ‘gat’. Alsof iemand het licht aanknipte in het donker. Het 'gat' waarvan sprake was het gat of de ruimte tussen een aantal wielrensters. Hij kan toch ook vragen om naar de voorsprong te kijken? Afijn, dat krijg je natuurlijk als je ogen op de krant en niet naar de tv gericht zijn. “De krant lezen en tegelijk tv kijken gaat duidelijk niet”, zei ik. Ik zweeg over mijn misinterpretatie van het gat van Michel. Al had mijn echtgenote, die weet hoe ze als vrouw twee zaken tegelijk kan doen, meteen een oplossing. “Maak dan een gat in uw krant”, zei ze.  

Rudi Lavreysen
69 0

Sanguis

‘Honderdvijfentwintigduizend euro wil ik,’ zei een koelbloedige stem ‘niet minder’ Ik dacht na maar wist dat ik niet zomaar honderdvijfentwintigduizend euro kon weggeven en verkrijgen. ‘Als ik het geld niet deze week verkrijg, dan stopt het niet bij je vrouw. Dan maak ik je hele familie kapot tot jij als laatste overblijft, capiche?’ Hij zette mij verdomme onder druk. Mijn handen trilden terwijl ik de telefoon vasthield. Ik zei niets want woorden schoten tekort. Hoe moest ik aan zoveel geld geraken? ‘Begrepen’ antwoordde ik uiteindelijk zo rustig mogelijk. De stem had opgehangen, ik hoorde alleen nog maar de piepgeluiden van de telefoon. Het was inmiddels het einde van de week. Ik had mij al voorbereid om mijn vrouw nooit meer terug te zien. Ik zou nooit aan zoveel geld geraken, onmogelijk. Ik opende mijn laptop terwijl ik aan mijn bureau zat. Mijn hart begon sneller te kloppen toen ik zag dat ik een mail had ontvangen. Zou het van de gijzelaar zijn? Ik klikte de mail open. Er was geen onderwerp alleen een filmpje dat er als bijlage was bij toegevoegd. Ik opende het filmpje, het speelde meteen af. Ik zag mijn vrouw met een doek in haar mond gepropt. Een man met een bivakmuts kwam in beeld met een kettingzaag in zijn hand. Wou ik nog verder kijken? Ik moest wel, ik keek hoe mijn vrouw volledig was vastgebonden aan een stoel. De kettingzaag maakte een luid lawaai. Het bevond zich steeds dichter bij haar handen. Nee nee, dit moest een nachtmerrie geweest zijn. Het moest verdomme een slechte droom geweest zijn. De man met de bivakmuts hield nog steeds stevig de zaag vast, die zich enkele centimeters van mijn vrouw haar vingers bevond. Ketchup, dat was het. Het was ketchup. De saus dat men eet bij de frieten, toch? Nee nee, het was geen ketchup. Dat mag ik je verzekeren. Het bloed spatte uit de vinger. Ik wou niet meer verder kijken, toch was er iets in mij dat me dwong. Haar vinger was op de grond gevallen. De gijzelaar leek niet genoeg voldoening te hebben. Het welgekende geluid van de kettingzaag klonk weer. Vinger twee was aan de beurt. Ik zag hoe mijn vrouw probeerde te schreeuwen, alleen met weinig resultaat door het doek dat nog steeds in haar mond was gepropt. ‘Welke psychopaat doet zoiets?!’ had ik gedacht. Ik was machteloos. Ik kon enkel toekijken hoe de man steeds meer vingers van mijn vrouw afzaagde. Inmiddels was alles wazig voor mij. Ik had al dertien minuten gekeken hoe de gijzelnemer zorgvuldig ledematen van mijn vrouw afhakte. Er werd hard geklopt op mijn deur. Het geluid zoog me weer in de realiteit. Ik had geen energie om op te staan, ik kon het niet. Uiteindelijk hoorde ik een hard geluid alsof mijn huis werd binnengestormd. Ik draaide mij om, een man met een zwart uniform, een kogelvrije vest en een zwaar wapen in zijn hand stond in het deurgat. ‘U staat onder arrest, meneer’ had de man in het uniform gezegd.

Nova
18 0