Zoeken

Langteen en Schommelbuik

"Ik zeg het. Ze moeten Jef Nys een standbeeld geven." De man onder ons spreekt het uit als 'Jef Naas'. Het is volop zomer en we zitten op een Antwerps terras. Bij het basketpleintje aan het Sint-Jansvliet. We zitten voor het raam op barkrukken en kijken over het terras. Als een stel schippers die over de boeg van het schip turen. Het viertallige gezelschap lijkt niet naar huis te gaan vooraleer ze de klimaatzaak opgelost hebben. "In de jaren '60 bracht hij het stripverhaal De Straalvogel uit. Over een vliegtuig dat op waterstof vliegt. En begin jaren '70 De Grasmobiel. Over een auto die op gras rijdt. Zeg nu zelf.” "Ja Eddy", zegt zijn buurman terwijl het bierschuim van zijn lippen veegt, "maar dat is pure fantasie. Die toestellen werken niet.” "Elke uitvinder heeft zijn dromen Roger", gaat hij verder. "Nys was een visionair. Ik zal zelfs meer zeggen. Lang voor de computers heeft hij de sociale media voorspeld, zoals Facebook en Instagram. Het was een figuurtje dat maar twee zinnen kende. Ik meen dat het “Dat vind ik leuk” en “Dat vind ik niet leuk” was. Geef toe, meer doen we op sociale media toch niet.” De anderen zijn onder de indruk. “En wanneer heeft hij dat voorspeld?” “Begin jaren zestig. Nog voor Jommeke, in de albums van Langteen en Schommelbuik. Dat waren kabouters. ”De andere drie komen niet bij van het lachen. “Kijk, ik ben ook Schommelbuik”, lacht de meest corpulente van het gezelschap terwijl hij zijn buik vastneemt. Ze schudden van het lachen. Ik besluit om me niet te moeien. Maar Jef Nys heeft inderdaad die reeks gemaakt. Ik moet nog een exemplaar hebben. Thuis ga ik op zoek. Inderdaad, kabouter Knaagtand zegt alleen maar “Ja, dat zie ik graag” en “Nee, dat zie ik niet graag”. Geef toe.

Rudi Lavreysen
601 1
Tip

Simulatio

Ik rende, harder dan ik ooit had gedaan. Ik hijgde, kom op het is niet ver meer. Ik keek regelmatig achter me maar herinnerde me niet meer waarom ik dat steeds deed. Ik moet verder, hou vol zei ik tegen mezelf om m'n moed te behouden. De straten waren donker, het voelde zeer grimmig aan. Hier en daar was er een lantaarnpaal die oplichtte. Ik rende verder terwijl mijn ademhaling langzaamaan weer op normale gang begon te gaan. 'Gehaast?' zei een stem achter mijn rug. Ik verschoot en viel op de grond. Wat deed een man zo laat op straat? Toen besefte ik dat hij me hetzelfde kon vragen. Ik keek de man aan. Een deel van zijn gezicht was verborgen in de duisternis. 'W-w-wie bent u?' vroeg ik stotterend. De man keek me met een moordende grijns aan. 'Doet dat er toe?' had hij gezegd. Ik wou weg, de man gaf mij een angstig gevoel. Ik besloot om rechtop te gaan staan en maakte aanstalten om weg te lopen van de vreemde man. Hij hield mij tegen. Zijn gezicht was nu volledig zichtbaar door het licht van de straatlantaarns. De ene helft van de man zijn gezicht was bedekt met brandwonden, door de andere helft liep een groot litteken. Ik wist dat ik in gevaar was, de man was in geen enkel geval te vertrouwen. 'Zou hij tot hen behoren?' dacht ik terwijl ik de grijns van de man aankeek. 'Ik moet eigenlijk uhmm... Naar huis' besloot ik te zeggen. Hij keek me nog steeds aan met die moordende lach. Ik moest iets doen, de man zou mij niet zomaar weg laten gaan. De straat was leeg, we waren de enige. Kom op, er moet een manier zijn... Schoppen in de ballen misschien? Hoofdstoot? Ik deed niets, de man leek iets te grijpen uit zijn jeansbroek. Het was een mes. Verdomme, hij had een mes en ik kon me op geen enkele manier verdedigen. Hij keek me aan en zwaaide met het mes in zijn vingers. 'Kom met me mee' sprak hij. Shit, ik moet wel met hem mee. Ik had het gevoel dat hij me anders hier ter plekke zou neersteken. 'Volg mij' zei de man koeltjes. Ik wist dat ik niet anders kon dus volgde ik hem door de donkere straten. Ik durfde de man niet meer aan te kijken. Er was nog steeds niemand op straat, het voelde alsof mijn dood steeds dichter kwam. We sloegen een steegje in. Het liep al snel op een dood einde. We stopten net voor het einde aan een deur waarop een kruis in het rood gemarkeerd was. De man nam een bos sleutels uit zijn zak en opende de deur, mijn hart begon harder te slaan. Hij toonde met zijn arm dat ik als eerste binnen moest gaan. Voor even had ik gedacht dat hij een ober was in een 5-sterren restaurant. Ik liep naar binnen met weinig aarzeling. Het was er ook pikdonker. Er was enkel een trap die neer beneden ging naar een soort kelder. De man was nu ook naar binnen gelopen en ik hoorde hoe hij de deur dichtsloeg en sloot met de zijn sleutels. Ik was in de val en kon nergens meer geen. Hij nam mijn schouder vast en begeleidde mij naar beneden terwijl hij zijn aansteker nam om de gang te verlichten. Nadat we langzaam de trap waren afgegaan, waren we in een gang beland die zeer goed in een oorlogsbunker zou passen. Links en rechts waren vele deuren te zien, de deuren waren voornamelijk gemaakt van massief staal. Verwonderd vroeg ik me af wat er zich achter die deuren bevond. De man begeleidde mij naar een van die deuren, mijn hart begon nog sneller te kloppen. Wat was hij van plan? Ik durfde de man niets te vragen, ik wist dat hij geen goede bedoelingen met mij had. Hij opende de deur en we liepen een lege kamer in. Er stond enkel een stoel in het midden en een UV-lamp zorgde voor licht. De man ging in de stoel zitten en keek me bloedserieus aan. Hij haalde het mes, waarmee hij voordien mee had gezwaaid, weer uit zijn zak. 'Steek me neer' zei hij koelbloedig terwijl hij het mes aan mij wou geven. Ik voelde een brok in m'n keel, waarom moest ik hem neersteken? 'Doe het of ik steek jou neer' zei hij met een dreigende toon. Ik had geen keus, ik besloot om met mes te nemen uit zijn hand. Mijn hand begon te zweten bij de gedachte ik op het punt stond iemand te vermoorden. Zover ik wist, had ik nog nooit zo'n gruwelijke daad verricht. 'DOE HET' riep de man. Het leek alsof hij zo snel mogelijk dood wou zijn. Ik moest het doen. Ik hield het mes stevig vast in m'n linkerhand, klaar om de man neer te steken. 'SNEL' schreeuwde de man 'IK HEB NIET DE HELE DAG'. Ik moest het doen, het was hem of ik. Ik sloot mijn ogen terwijl er zweet over mijn voorhoofd liep. Mijn hand maakte een rechte beweging naar het hart van de man. Bloed vloeide over mijn hand terwijl ik mijn ogen opende. De man was dood, ik had hem koelbloedig vermoord. Ik had verdomme iemand neergestoken. Ik kon er niet tegen, ik voelde me kotsmisselijk. Ik nam de sleutels van de man en sprintte uit de kamer. Ik keek achter me en zag een zwarte gedaante langzaam mijn kant op komen. Uit paniek liep ik de trap op en opende ik de deur, die nog steeds gemarkeerd was met het rode kruis. De wereld rond mij vervaagde terwijl ik het steegje uit liep. Ik rende, harder dan ik ooit had gedaan. Ik hijgde. Ik verschoot terwijl een man achter me sprak. 'Gehaast?' had de man gevraagd. 

Nova
182 3

Taak: Schrijf een opstel met elf moeilijke woorden

Taak: Schrijf een opstel met elf moeilijke woorden     Chelsie was kallipygisch en bovendien de barbie van mijn zus. Ik kuste haar zouterik op een woensdag, de dag na oma’s verjaardagsfeestje in het tuinhuis van de buurman. Het rubber van haar rugje, haar vingertjes, haar borstjes en haar voetjes, alles kleefde aan mijn tong. Ik weet nog dat ik gulzig het overvloedige kwijl inslikte en vol ongeloof naar mijn piemel staarde, die een witte kleverige brij op mijn spijkerbroek en sneakers achterliet. Ik kon niet anders dan de harem knuffeldieren die ik al die jaren bij elkaar had verzameld in een plastic zak te stoppen en op de stoep te zetten, samen bij het restafval. Het afkarnen elke dag na school, samen met Chelsie, maakte de jongen in mij een beetje meer man. En toch voelde ik mij een glimpieper. Nee, een amour fou overvalt mij niet wanneer ik het poppenbordeel binnenwandel. De acht exemplaren zien er stuk voor stuk netjes uit dat wel; realistischer dan hun foto’s in de seksboekjes. Ik weet niet wat er mij te wachten staat, maar ik heb de afgelopen weken geoefend op een paspop die ik voor een prikje uit een etalage met trouwjurken heb kunnen redden. Plompzakken is me niet gelukt, maar volgens de eigenaar van het bordeel zou dat bij een echte sekspop wel mogelijk zijn. Anja heeft de grootste boezem. Ik kies haar en betaal vijftig euro voor een half uur. De kamer, het bed, het behang, de geur van etherische oliën, de benwaballen op het tafeltje naast de relaxzetel die dienst doet om mijn kleren op te leggen: alles ziet er levensecht uit. Een valleiorgasme zal ik haar niet kunnen geven, maar een doppie maken moet lukken. Ik ben er klaar voor. Voorzichtig ga ik tussen haar benen zitten, buig voorover en bijt in een tepel. Er gebeurt niets. Ik probeer het nog eens, harder nu. Weer niets. In de hals. Achter het oor. Op de buik, tussen tenen, vingers, haar oorlelletje. Ik word er niet geiler van. Het geitenoog dat strak rond mijn eikel zit doet ook niet veel. Mijn priaap blijft uit. Anja is een pop gemaakt uit ThermoPlastisch Elastomeer. Gesmolten rubber zoals bij barbies. Maar deze levensgrote smaakt niet zoals de kleintjes wanneer ze stiekem in een tuinhuis uit hun doosjes worden gehaald, eerder naar siliconen dildo’s en andere seksspeeltjes. Ik kijk met een blik vol ongeloof naar Anja, verwacht niet dat ze antwoordt. ‘Vandaag is het donderdag, zeg ik, ‘eergisteren is mijn oma vijfenzestig geworden.’   Sascha Gemeentelijke Basisschool Klas 6 A    

Sascha Beernaert
35 0

Patatten met snottebellen

Een man van pakweg zeventig jaar, al kan het ook een jong uitziende tachtiger zijn, speurt in een taverne naar een vrijstaande tafel. In zijn kielzog schuifelen twee jongemannen. "Opa met zijn kleinzonen", zeg ik. Het koppel naast ons zwaait naar de man. De vrouw maakt daarbij ietwat overdreven lipbewegingen, zonder een geluid voort te brengen. "Wij vertrekken zo", liplees ik. "Dat is vriendelijk", zegt de man. Ik begrijp dat ze net voordien samen een grote militaire begraafplaats bezocht hebben. De kleinzonen zijn onder de indruk. "Opa heeft nog gezien dat ze de stoffelijke resten van de soldaten met vrachtwagens tot hier brachten", zegt hij. Grootouders spreken vaak in de derde persoon over zichzelf. "Misschien vertellen zijn kleinkinderen dat verhaal volgende week wel in de klas", fluister ik. "Of hij kan het er beter zelf vertellen. Een verhaal uit eerste hand blijft altijd meer hangen." De oudste van de twee kleinzonen heeft de leeftijd om een pintje te bestellen. Opa knikt goedkeurend. Als hij even later een foto neemt van zijn kleinzonen, zegt de oudste dat hij die maar niet naar hun papa moet sturen. Aan hun accent hoor ik dat de kleinkinderen aan de andere kant van het land wonen. De jongste heeft onlangs een voetbalwedstrijd in de streek van Brugge gespeeld. Op een slecht veld. "Een patattenveld dus", zegt opa. Waarna hij moet uitleggen waar die naam vandaan komt. "Alsof ze net aardappelen hebben uitgedaan op het veld", verklaart hij. "Ik heb vroeger vaak op echte patattenvelden gezeten", zeg ik tegen mijn vrouw. "De aardappelen gerooid in de tuin of op het veld. Op onze knieën. Onze pa met de riek en ons ma met een rode doek op haar hoofd. Ik zie ons nog zitten. Met de ijzeren mand om de aardappelen in te doen. Het leek wel eens scène uit een oud schilderij. Op zich leuk om te doen, maar af en toe graaf je een rotte aardappel op. Behoorlijk vies, zoals snottebellen." "Zeg, we gaan dadelijk wel eten", zegt mijn vrouw. "En als je dan 's avonds in bad ging", ga ik verder alsof ik het niet gehoord heb, "zag het water achteraf zo zwart als de nacht. Precies alsof er inkt in plaats van water in het bad zat. Het groene schuursponsje lag klaar, samen met de gele bus Cif, om achteraf het bad terug netjes te maken. Drie dagen later kwam er nog zand uit mijn neus." "Jij moet later ook van die verhalen vertellen", zegt mijn vrouw. "Opa heeft vroeger nog veel patatten geraapt, kan je dan zeggen." Net op dat moment brengt de ober ons eten. "Inderdaad", zeg ik. "Patatten met snottebellen."

Rudi Lavreysen
5 0

Het is rap gebeurd

Zondagavond in de wachtzaal van de spoed. Ondanks de urgentie van sommige letsels is iedereen er gelijk voor de wet. Wachten tot je aan de beurt bent. Er komen extra stoelen. "We hebben een tweede urgentie-arts opgeroepen", komt de eerste zeggen. Wegens de onvoorziene drukte. Voor ongevallen tijdens sportwedstrijden, zoals onze voetballer en zijn knie. Hij is niet alleen. Nog een voetballer en twee handballers hebben ook iets … aan de hand. En accidenten tijdens feestjes. Een man komt met een zwaar bebloede keukenhanddoek tegenover me zitten. De handdoek krijgt het bloed niet geabsorbeerd. Er vallen druppels op de vloer. Zijn gezicht ziet zo wit als de handdoek ooit geweest is. Ze laten hem gelukkig snel binnen. Was het een mes? Glas? “Het is rap gebeurd”, zegt een mevrouw. Het tv-toestel aan het plafond staat aan, maar het ruist en kraakt. Alsof het sympathiseert met de gewonden. Later op de avond zitten we in een nieuwe wachtzaal. Een man leunt tegen de deurstijl. “In het ziekenhuis kom je maar voor één ding voor je plezier. Als er iemand bevallen is”, zegt hij. Waarna hij zelf naar zijn buik kijkt. “Nee, het lijkt zo, maar ik ben nog niet zover”, lacht hij luid. Een andere man vertelt honderduit over de kwetsuur aan zijn voet. Hoe hij de hele week heeft rondgelopen met een dikke enkel. En dat ze allemaal niet zo flauw moeten doen. Later zien we in de deuropening een voet in het plaaster voorbijkomen. Vervolgens de praatjesman met een bedrukt gezicht en dan zijn vrouw die hem voortduwt in de rolstoel. “Nu heeft hij het niet zo druk”, lacht de man die nog altijd tegen de deurstijl leunt. Als we later met slecht nieuws over de voetballersknie naar huis vertrekken zie ik dat de tv in de eerste wachtzaal nog altijd kraakt.

Rudi Lavreysen
119 0

Afterstorm

Na een eenzame liefdeloze nacht, wanneer de koude wind, de vorst en dauw verstrooit, nog voor het daglicht wenkt, herrijs ik! Naakt en onbemind. Moe van wat het innerlijke gevecht tussen dromen en werkelijkheid brengt. Aan genot onthouden en met zacht gefluister van een stem op de achtergrond ontwaakt. Groots en spookachtig, met uitpuilende ogen in wit en met een starende blik. Sterker dan gedachten en met trage bewegingen komt het tot leven. De vorst prikt zacht en geeft brandende kussen zo teder als de liefde , en zo koud als de dood. Zijn lippen, trillend van verrukking, ruisende lakens en een mond die ijle ademtocht uitstoot ver in de grijze stilte van de ochtend. Langzaam verschijnt hij, zijn ogen geopend, boven haar hoofd een zwarte hemel vol schitterende sterren. De lucht die uit haar mond ontsnapte, bracht haar ademhaling langzaam op gang waardoor haar gestalte en haar gemaskerde gezicht oplosten in de duisternis. De klanken van viool zweefden door de ijle lucht naar hen toe. Hoge muren doemden voor haar op, groot en duister met hoge beschilderde glasramen en een puntdak uit lood dat met puntige pinnen in allerlei vormen was bezet. Haar gedachten waren warrig en haar hersenen leken als een kwaadaardige zon uit elkaar te spatten in haar broze schedel. Maar toen zij hem aankeek, kon zij zich nog steeds herinneren wat er verscholen zat achter die hoge muren. Hoe kon het ook anders? Ze had maandenlang het huis verkend met de passie van een geliefde die ze veel te lang had moeten missen. Ze was door de kronkelende gangen gelopen, had wenteltrappen beklommen en was betoverende vertrekken binnengestapt. Het was allemaal nog... tot in de kleinste details opgeslagen in haar beschadigde hersenen. De bloedrode kamer met de lichtgevende rozen, de balzaal met de dansende vlinders. De kamer met de maskers waar het licht van een onzichtbare zon een spinnenweb in goud veranderde. Kamers vol schoonheid. Maar in het huis bevonden zich ook kamers die stonken naar verderf en narigheid. Kleine kamers met vochtige verrotte muren waar ze de starre ogen kon aanraken die uit het plafond groeiden. Troebele ogen die toekeken hoe zij als nachtvlinder door een labyrint van beelden en gedachten zweefde. Zij kende de volgorde en vaak ook de opeenvolging van de dingen die te gebeuren stonden. Waarom kostte het haar dan zoveel moeite om haar hoofd, dat aanvoelde als een kapotte gloeilamp helder te houden? Ze voelde hoe de lakens die haar in een stevige greep hadden gehouden gedurende de nacht over haar naakte lichaam gleden enze vroeg zich af hoe het zou zijn als ze naakt in het binnen schijnende licht zou bekeken worden. Plots werd het duister doorboord door een vriendelijke lichtstraal. Iemand had een lamp aangedaan in de kamer. Ze probeerde een kreet te onderdrukken, maar de spieren in haar keel weigerden om mee te werken. Het licht viel door de openstaande deur en achter de verlichte rode en purperen glazen ruitjes dook een schaduw op die roerloos bleef staan. Er kwam beweging in de schaduw en hij stapte de kamer binnen, terwijl hij verder liep kon ze zijn geur ruiken en haar hart ging als een wilde tekeer.Ze had al die tijd geweten dat hij er was. En nu kwam hij haar redden......   Zijn ogen straalden vanachter donkere brilglazen en zijn hoofd ging schuil onder een trendy hoofddeksel. De kleine monniksaap zat op zijn schouder,pikzwart. Zelfs in het vage licht zag ze hoe de vacht van de aap glansde. Hij ging op zijn knieën zitten naast het bed, boog zich voorover en keek haar recht in het gezicht. Een gouden schijnsel viel over haar schouder en om zijn nek droeg hij een dunne ketting met een hangertje in de vorm van de letter M. Het stak glanzend af tegen zijn zwarte kleren. De klanken van de viool die van ergens op de achtergrond kwamen, waren nu veel duidelijker te horen en ze herkende de muziek 'Andante Cantabile"van Tsjaikovski. Het eerste strijkkwartet opus 11, de extatische noten riepen haast vergeten herinneringen op. De laatste keer dat zij deze muziek hoorde, brandde er vuur in de open haard. Op de donkere houten tafel stonden twee glazen rode wijn te wachten op een zilveren dienblad. Dit hield ze niet langer vol en smekend bewoog ze haar armen en strekte ze naar hem toe. Hij zou haar meenemen, hij zou haar veilig naar een ander oord brengen. Hij keek haar bezorgd aan en de rimpeltjes in zijn voorhoofd spraken boekdelen. De aap sprong met een kreet op het bed en overal in de kamer in het rond, ze zag niets anders dan de glanzende ketting met de letter M die voor haar ogen bengelde. Zijn beeld was verdwenen en enkel de geur was gebleven. Uitgeput viel ze weer neer en keek naar haar gestrekte naakte lichaam, dat koud en eenzaam achter bleef.  

Joke111
0 0

6 X Godverdoemme

6 X Godverdoemme Toen Patje vertrok op de Zündapp die nog van Moe was geweest, regende het nog niet. Er hing geen wolkje aan de lucht. Het was volkomen helder en de zon scheen lichtjes, maar bij het binnenrijden van Sint-Lenaarts werd hij totaal verrast door een gigantisch onweer. Daar had hij niet op gerekend. ‘Godverdoemme,’ vloekte hij, ‘wat een kutweer. Als ik dat had geweten.’ Hij ging, zoals zo vaak op donderdag, op de markt twee kiekenbillen kopen en misschien een blokske kaas. De eerste kiekenbil zou hij ’s middags, met een boterham, opeten. De tweede ’s avonds, koud met wat mayonaise erbij. Op de terugweg haalde de brommer makkelijk zevenenzestig kilometer per uur, want hij had wind in de rug en het waaide wel stevig. Bovendien was de brommer van Moe opgevoerd. Toen hij zeiknat thuiskwam, haalde hij zijn kiekenbillen uit zijn tas. Hij trok zijn natte kleren uit, plofte in zijn onderbroek in de eikenhouten fauteuil en schakelde de TV en video in om een pornofilm te bekijken. Na welgeteld drie minuten, tijdens een oninteressante scène, liep de film met een groot gekraak vast. De VHS band zat gekneld. Er was in alle geval iets mis. Zenuwachtig duwde Patje op alle knopjes. Vooruit, achteruit, … nog een keertje proberen: vooruit, achteruit, … Niks hielp. Hij deed een poging hem eruit te halen- eject- maar ook die mislukte. Tot slot gaf hij op het oude, versleten toestel een geweldige klap, maar de film bleef geblokkeerd zitten. ‘Godverdoemme,’ vloekte hij, ‘ik maak er korte metten mee.’ Patje, gekleed in zijn onderbroek en sloefen, flikkerde uiteindelijk zijn videorecorder- inclusief de vastgelopen Duitse pornofilm- in de grijze container. Gelukkig kieperde hij er een gewone vuilzak bovenop om te verdoezelen dat er elektrisch materiaal in zat dat je afzonderlijk zou moeten aanbieden op het containerpark. Hij nam zich voor minder vaak te masturberen en als hij dan zin had, zou hij het doen op fantasie en onvergetelijke dierbare herinneringen aan enkele levendige plaatjes uit pornoblaadjes. Op dit moment was zijn libido trouwens door zijn kledij, de koude buitentemperatuur en de ergerlijke technische mankementen aanzienlijk verschrompeld. Door de zoveelste wolkbreuk en de slechte staat van het dak van de achterbouw sijpelde er water bovenop de tafel. Hij zette een kookpot onder het enerverende lek, schoot snel een jeans en een versleten hemd aan, en ging naar de voorkamer. Daar heeft hij zijn modelbouwatelier. Gisteren was hij begonnen aan de Junkers Ju 87B- Stukka op schaal één tweeënzeventigste. Hij bekeek het plannetje nog eens zeer aandachtig. Patje had veel ervaring en was vaak bezig in de herfst en de winter met modelbouw, maar tot zijn grote ongeloof ontbrak er een stukje in de modelbouwdoos. ‘Godverdoemme,’ vloekte hij, ‘hoe kan dat nu in godsnaam.’ Nog enigszins hoopvol en zonder te bidden voor de heilige Antonius zocht hij heel de kamer af. Prompt gaf hij het op, bakte wat spek, at er een boterham bij en dronk lusteloos wat lauwe koffie. Hij keek nog wat zappend TV maar zoals zo vaak boeide bitter weinig hem. Plots dacht hij aan een deel van zijn collectie singletjes die hij nog van zolder moest halen. Op zijn dooie gemakje slenterde hij de trap op. Hij opende het luik naar de zolder, de uittrekbare ladder kwam met een kort gekletter tevoorschijn - normaal gesproken kon die zijn gewicht dragen- en kroop er tegenop. Met zijn buik als twee zakken cement kwam hij vast te zitten in de opening. Hij probeerde zich los te wringen richting zoldering, maar dat liep fout. Daarna slaagde hij erin los te komen en nog net zijn evenwicht te bewaren op de dunne zoldertrap. Het kostte hem vijfendertig minuten. ‘Godverdoemme,’ vloekte hij, ‘het zit niet mee vandaag.’ Rond twintig over acht lag hij al lekker warm in zijn stinkende bed met twee dekens. Die nacht had Patje een fabuleuze droom. Hij had een ernstig en zeldzaam gesprek met zijn engelbewaarder. Nog merkwaardiger was dat hij het zich ’s ochtends compleet kon herinneren.   Engelbewaarder: ‘Waarom drink jij toch zo veel?’ Patje: ‘Geen idee. Het is plezant zo.’ Engelbewaarder: ‘Dat loopt nog eens fout af. Ik heb mijn handen wel vol.’ Patje: ‘Tja, het zij zo.’ Engelbewaarder: ‘Wil je niet oud worden?’ Patje: ‘Neen, niet per sé of kost wat kost.’ Engelbewaarder: ‘Denk je niet dat je soms wat overdrijft?’ Patje: ‘Ik weet niet beter. Ik vind het wel leuk zo.’ Engelbewaarder: ‘Vaak heb ik je kunnen helpen.’ Patje: ‘Weet ik. Merci.’ Engelbewaarder: ‘Ik had beter moeten weten.’ Patje: ‘Maakt niet uit.   Na zijn ontbijt, bestaande uit drie koppen koffie, vier Bastos en twee boterhammen met paardenvlees-niet uit de Lidl maar van de beenhouwer in het dorp- ging hij “zuiver op karakter” naar zijn werk als slordig boekbinder in de beschutte werkplaats. Buiten was het ijskoud. ‘Godverdoemme,’ vloekte hij, ‘ik was beter met de bus gegaan.’ Na die vermoeiende vrijdag was de vervelende werkweek voorbij. Patje kwam verkleumd aan in zijn huis in een rustige, doodlopende straat net buiten de bebouwde kom. Het was ondertussen zachtjes beginnen sneeuwen. Hij trok een proper hemd aan en dronk alvast vijf pintjes aan de keukentafel dicht bij de gaskachel. Hij had vorige week in het café bij Chantal een koper gevonden voor zijn verzameling pornofilms. Het was bijtend koud en er woei een snijdende noordenwind. Hij zette de blauwwitte bananendoos vol met video’s op de achterste slijklap en bond ze vast met een caoutchouc snelbinder. Het was een opvallende collectie. Het brommerke pruttelde even en startte dan met hevig gebrom en gekwetter. Patje vertrok. In het dorpscentrum ter hoogte van de Voorzorg, glinsterde een akelige ijsplek. Hij slipte spectaculair op deze venijnige ijzel en ging met zijn kloten tegen de grond. Hij greep meteen naar zijn gekneusde heup. ‘Godverdoemme,’ vloekte hij, ‘ik wist dat er vodden van gingen komen.’ Door de val scheurde de doos en schoven zijn video’s dwars over de weg tot juist voor café ‘den Boemel’. Chantal, de bazin, en boer Mertens, haar enige klant, schoten wakker en dachten alle twee: ‘Wat is dat allemaal?’ Het vroor en het kraakte. ‘Kom jij mij zo je collectie overhandigen,’ zei boer Mertens lachend ‘Da’s sympathiek.’ ‘Doe niet onnozel,’ reageerde Patje kwaad. Hij trok pijnlijke grimassen en wreef over zijn gekwetste linkerflank, zo ongeveer van de knie tot in zijn zij. Het Flandriake was ongeschonden. Chantal, boer Mertens en Patje verzamelde de VHS banden en staken ze terug in de gehavende doos. ‘Wat moet gij drinken?’ vroeg de cafébazin professioneel. ‘Doe mij maar een trappist van Westmalle,’ antwoordde Patje, ‘dan kan ik een beetje bekomen.’ Hoe hij die avond thuis was geraakt, herinnerde hij zich niet meer. Zijn bromfiets stond nog voor het café. Het vroor nog steeds.   Maandag drie februari gaf Patje zijn Sanseveria’s water. Dat was negen weken geleden. Tegelijk tuurde hij wat door het raam en zag een politiecombi traag voorbijrijden en stoppen voor het huis van Sjarel. Eigenaardig genoeg stapten er geen twee geüniformeerde politieagenten uit, maar een bloedmooie, jonge vrouw en één lange politieagent. Was die vrouw ook een politieagente? En wat kwamen ze hier doen?                                                                                                                                       

Hubert Grimmelt
0 0

Een misvatting

"Het is een misvatting", zeg ik tegen mijn vrouw. "Een wijdverspreid misverstand. Dat oudere mensen door hun leeftijd langzaam stappen. Dat het met de jaren allemaal wat trager gaat. Zeker bij mensen die alleen zijn." We zitten aan de enige tafel van het gezellige koffiehuis waar je rechtstreeks op de straat kijkt. De andere mensen in de zaak moeten langs onze hoofden proberen te zien, vooraleer ze een glimp van buiten opvangen. Het is een tafel waarvoor gevochten wordt. Bij het plein zien we de man langzaam stappen. "Ik ken hem via zijn vrouw”, vervolg ik. “Door het vrijwilligerswerk dat ze deed. Hij is nu een paar jaar weduwnaar. Ik herinner me dat ze vertelde dat haar man ziek was. Vrij ernstig. Toch is zijn vrouw eerder moeten gaan. Van zijn ziekte is hij goed hersteld. Je ziet hem nu dikwijls ergens alleen een koffie drinken." "Het is niet hun leeftijd”, zeg ik. “Of hun fysieke toestand. Ze stappen langzaam om de tijd te vertragen. Met elke stap die ze buiten zetten, moeten ze binnen niet voor de tv zitten. Daarom bewegen ze zich, misschien onbewust, traag voort.” “Ik begrijp het wel. Ik zou mijn pas ook inhouden. Zeker tijdens de donkere wintermaanden, als je om vijf uur de afstandsbediening naar de beeldbuis richt. Alsof je een knop indrukt om de dag af te sluiten." Buiten houdt de man halt bij een kennis. Zijn handen sierlijk op de rug. Op zijn hoofd draagt hij een pet tegen de kille najaarslucht. Het is een groene pet met gewatteerde oorkleppen, die hij kan laten zakken als het te koud wordt. Nu staan ze omhoog. Wellicht om zijn gesprekspartner goed te kunnen verstaan. Een paar tellen later stapt hij verder. We zien hem nog net. Hij is ondertussen heel klein. Ik meen te kunnen zien dat hij de gewatteerde oorkleppen ondertussen heeft laten zakken. Daarna verdwijnt hij uit ons zicht door het raam van het koffiehuis. Langzaam stappend en de tijd vertragend. De tijd dodend. 

Rudi Lavreysen
16 0

Niet huilen

  Hoe hij daar ligt. Zijn lange benen die reeds licht verwelken, zijn buik een kuil van pijn. De botten duwen tegen zijn huid. Hij vervloeit in wit. Op tijd zijn is nooit mijn sterkste punt geweest maar vandaag ben ik veel te laat. Gisteravond heb ik zoals altijd naar het journaal gekeken. De nieuwsstroom waarin de ellende van de wereld wordt gevat in bewegende beelden heeft altijd een kalmerende uitwerking op mij. Ik word niet neerslachtig van vaders met een kind op schoot te midden van geraamtes van een kapotgeschoten stad. Piëta. Het leed is te groot. Ook nu kan ik niet huilen. Ik kijk en blijf kijken naar het afgedekte lichaam tot mijn oogbollen prikken aan de achterkant van mijn hoofd.  Maar tranen komen niet. Ik voel slechts een onbestemd geduw achter mijn navel. De dans van mijn ingewanden. Onder het laken prikken zijn knieën, zijn schouders als een landschap van sneeuw. Ik stel mij skiërs voor die vanaf zijn romp de afdaling naar zijn bekken maken. Het is stil in de bergen. Het enige geluid is het zachtjes zoemen van de TL-lamp boven mijn hoofd. Misschien moet ik in mijn hoofd op zoek naar de noten die altijd iets breken van binnen; Bach’s sicilienne of Miles Davis' Ascenseur pour l’échafaud. Trage klanken die zich een weg zoeken naar diepere lagen en daar iets aantreffen dat zich uiteindelijk zal overgeven aan de zachte kant van het bestaan. 'Bent u familie?’ De stem klinkt hol in de lege ruimte. Het woord klinkt even hol als de stem. Familie is als een klaterlach die galmt in bloeiende bomen, handen die plakken van limonade en een mond vol zelfgebakken cake. In plaats daarvan proef ik een vage metaalsmaak. Ik heb mijn lip kapotgebeten en knik.  Mijn moeder had hier allang moeten zijn. Mijn moeder zou geen gelegenheid laten voorbij gaan om het gewonde dier te spelen. Ze is op haar best als ze haar leed als sterke vrouw mag verbijten. Zie mijn pijn die ik tracht te beteugelen en ondertussen is het aan jou om mij te helen, dat is mijn moeder. De ruimte is leeg op het bed en een stoel na. De gordijnen voor het raam zijn gesloten en net iets te kort. Ze bewegen licht door de tocht onder het raam. De kamer is koud. De verpleegster laat de deur terug dichtvallen. Ik ga zitten. ‘Het is lang geleden, pap. De laatste keer dat ik je zag had je net frietjes gehaald. We kwamen elkaar tegen voor je voordeur, weet je nog. Je keek schuldig omdat je voor mij niets had meegebracht. Ik zei dat het niet erg was, ik bleef niet lang.’ Hoelang zou ik hier kunnen blijven zitten? Eén uur, twee uur, om dan gillend naar buiten te lopen en naar iedereen die het wil horen, te roepen dat het niet mijn schuld is. Of misschien ook wel. Het telefoontje kwam laat gisterenmiddag. Ik was niet voorbereid. De stem vertelde dat ze hadden gedaan wat ze konden. Dat het misschien beter was zo. Alles is beter als je niets meer voelt.  Hij kon haar moeilijk loslaten. Nadat mijn moeder was opgestapt heeft hij nooit meer echt iets geprobeerd in zijn leven. Ook naar mij had hij het opgegeven. Mijn vader belde twee keer per jaar: op mijn verjaardag en met Kerst. We wisselden woorden als kleine kadootjes die we onzorgvuldig hadden ingepakt, snel maar toch goed bedoeld. De kou zet mijn benen in beweging maar dichterbij komen in de stilte die hij uitstraalt, voelt als langzaam een ijszee in waden. Ik ga terug zitten en wrijf vruchteloos mijn benen warm. Ze was recent aan de andere kant van het land gaan wonen. Daar kan mijn moeder eindelijk zichzelf zijn. Ze belt me elke dag, eind van de middag, tegen schemer. Haar spoken moeten bestreden worden met het verslag van de dag. Ik heb vaak geprobeerd om niet op te nemen. Maar dan blijft ze doorbellen, ook in mijn hoofd. ‘De slager waar ik nu al een half jaar kom, zegt nog altijd geen goedendag.’ ‘Maar moeder, dat is vast niet zo bedoeld. Die man ziet elke dag honderden klanten.’ ‘Zo druk is het daar anders niet. Let je nog wel op je gewicht? En vergeet niet regelmatig je haar te wassen.’ Hoe kan zij weten dat ik heb besloten om de rekwisieten van mijn kinderjaren op te sluiten in een kamertje zonder deur. Ik heb geen broers of zussen. Mijn oma leeft nog maar zij woont in een bejaardentehuis en kan al twee jaar geen zinnig woord meer uitbrengen. Mijn moeder bezoekt haar elke maand, met een fles rode wijn. Die ze vervolgens zelf opdrinkt. Voor de gezelligheid. Als mijn oma daarna wordt weggereden naar haar plat geprakte eten vertrekt mijn moeder met het idee dat zij in ieder geval een goede dochter is. De verpleegster komt binnen met een aantal formulieren. Terwijl ze de papieren uitspreidt op de tafel kijkt ze mij vragend aan. Was zij het die mij gisteren heeft gebeld? Ik wil haar honderd vragen stellen. Er komt er slechts één. ‘Mag ik gaan?’ ‘Ik wil u graag nog en paar vragen stellen.’ Ik knik met tegenzin. ‘Was u op de hoogte dat hij hier al een aantal weken verbleef?’ Een aantal weken. De laatste keer dat ik hem sprak was in augustus, het is nu november. Ik heb mij intussen nooit afgevraagd waar hij was. Ik veronderstelde hem op zijn versleten sofa, voor zich uit starend naar de dag die langzaam voorbij drijft. De laatste weken lag hij dus hier en staarde hij naar een vaalwit plafond. En schuurde een deken van karton over zijn knieën. ‘Uw vader heeft verschillende keren bezoek gehad maar we kunnen haar niet bereiken. Er moeten nog papieren getekend worden en uw moeder kon dat vanmorgen niet doen.’ ‘U bedoelt dat mijn moeder is geweest?’ ‘Uw moeder was hier inderdaad vanmorgen maar enkel directe familie kan de formaliteiten afhandelen.’ ‘Ik dus.’ ‘Ja. Uw moeder suggereerde vanmorgen dat u waarschijnlijk niet ging komen. Wij hadden u dus niet verwacht. Maar nu u er bent kunt u het misschien afhandelen?’ Ze schuift de papieren naar mij toe en houdt een pen in de aanslag. Ik pak de pen zonder nadenken en kriebel mijn naam op de plaatsen die zij aanwijst. Drie handtekeningen bezegelen de overdracht, vanaf nu is mijn vader van mij. Maar wil ik hem wel?  De schuldbewuste blik in zijn ogen zag ik vaak als teken van onvermogen. Schuldig voelde ik me, onder die blik. Alsof ik het kon rechttrekken, alles wat krom was. Bach is opgehouden met spelen in mijn hoofd. Ik ging niet komen. Zij had gemeld dat ik niet ging komen. Hoe vaak had zij niet voor mij beslist wat de volgende stap ging zijn. Altijd een stap in de richting die zij aanwees. Ik was vier jaar geleden een ander pad ingeslagen maar mijn moeder denkt dat ik nog altijd achter haar loop, concentrerend op haar rug. Ik ging niet komen. Omdat zij beslist had dat ik niks meer met hem te maken wil hebben. Ik denk aan hem, op afstand, omdat niet aan hem denken hetzelfde zou zijn als erkennen dat hij heeft gefaald. Ik veronderstelde dat ik hem op afstand dichtbij kon houden. ‘U kunt vanaf nu de begrafenis regelen. Uw vader wordt zo dadelijk overgebracht naar het mortuarium. Daar kunt u verder afspreken of u nog een laatste groet voor de nabestaanden wenst.’ Ik kan dit, dit is wat dochters doen. Ik ga nu naar zijn huis en zoek daar in de lades van zijn lelijke tweedehands wandmeubel naar de namen die hij de laatste keer dat ik op bezoek was achteloos op een enveloppe van Telenet had geschreven. Hij streek hem een paar keer glad om te laten zien dat deze enveloppe niet bij het oud papier zou belanden. Hij gaf toe dat het er niet veel waren maar dat hij deze mensen graag op zijn begrafenis wilde. Het leek mij een daad van melancholie gepaard met een vorm van aandacht zoeken. Toen. Terwijl ik mijn auto uit de parkeergarage van het ziekenhuis manoeuvreer, bel ik met mijn moeder. In gedachte overloop ik het lijstje in mijn hoofd: niet ingaan op insinuaties; alleen reageren op wat er letterlijk wordt gezegd; rustig blijven ademhalen. ‘Moeder, ik ben bij papa geweest. ‘ ‘Ah, zo.’ Stilte. ‘Hij was allang niet goed. Hij dronk teveel, dat deed hij vroeger al. Maar recent is het verergerd denk ik.  Je kent je vader, het zou mij niet verbazen als hij zich doodgedronken heeft. ‘ ‘Hij heeft een nieuwe vrouw.’ Terwijl ik het zeg vind ik het kinderachtig klinken. ‘Ach kind, hoe kom je daar nu bij. Je vader kan niet eens een cavia onderhouden laat staan een vrouw.’  ‘Waarom heb jij me niet gebeld vanmorgen toen je naar het ziekenhuis ging. Je belt me elke dag met onzinverhalen en hierover hoor ik niks.’ ‘Kind, doe niet zo dramatisch. Ik wist dat ze jou gisteren al gebeld hadden. Ik had geen zin in jouw verwijten en ik ging ervan uit dat je toch niet zou komen. Een echte vader kan je hem toch moeilijk noemen…’ Ik hang op zonder nadenken. Ik heb nog nooit eerder een gesprek met mijn moeder beëindigd en ik heb er onmiddellijk spijt van. Ik had moeten doorvragen, haar op de rooster leggen tot ze zwart ziet. Ik heb een lijstje, overgeschreven bij de kapper uit een Feeling-artikel over dominante moeders, en daarmee probeer ik in elk gesprek één leugen te doorprikken. Vandaag is die poging opnieuw gesneuveld op het slagveld van mijn goede voornemens. Ik heb moeite mij te concentreren. De weg naar het huis van mijn vader ken ik alleen vanaf mijn appartement. De gps vertelt dat ik over een kwartier op mijn bestemming ben. Langzaam laveer ik mij door het drukke verkeer en in mijn hoofd tollen vragen die nood hebben aan een verklaring. Hoewel ik al heel mijn leven deskundig ben in het ontwijken van vragen die geen antwoord krijgen, voel ik dat die strategie op zijn einde loopt. Een nieuwe strategie dient zich vooralsnog niet aan. Op de radio zoek ik naar Klara in de hoop dat violen of cello’s mijn donkerste gedachten kunnen afwenden. Zelf heb ik nooit een instrument bespeeld. Op de een of andere manier is voor mij de taal van muziek alleen begrijpelijk als ik het hoor, zodra ik noten moet lezen en vervolgens mijn handen in beweging moet zetten, blokkeer ik. Er is geen weg tussen mijn hoofd en mijn handen. En ook niet tussen mijn hoofd en mijn hart. Aangekomen bedenk ik dat ik geen sleutel heb. Laten we hopen dat hij zijn buren vertrouwde en daar een sleutel achter liet. De vitrage van de buurvrouw beweegt licht als ik aanbel. Eerst kijken, dan beslissen. Ze  besluit gelukkig in mijn voordeel en opent de deur op een kier. Haar grijze haar steekt scherp af bij haar huid die is overwoekert met dunne haarvaatjes. ‘Sorry voor het storen, maar ik vroeg mij af of u een sleutel van mijn vader heeft.’ ‘Uw vader?’ ‘Ja, de buurman van nummer achtenzestig.’ ‘Ach nee meiske, uw vader spreekt met niemand dus ook niet met mij. Is hij niet thuis?’ ‘Hij ligt in het ziekenhuis en ik kom zijn papieren halen.’ Dood is een woord dat zich niet makkelijk nestelt in een vluchtig gesprek. ‘Ik denk dat uw vader de achterdeur altijd openlaat. U kunt het eventueel via mijn tuin proberen.’ Ze opent aarzelend de deur naar haar muffe gang. Ik probeer niet teveel om mij heen te kijken. Sporen van het dagelijks leven die de kwetsbaarheid van de bewoner blootlegt, roepen altijd lichte weerzin op. Haar tapijt, haar opbollend bloemenbehang, de lucht van haar oksels, ik durf niet te slikken bang dat de geur zich zal vastzetten in mijn keel. Ik rep mij naar haar achterdeur en stap opgelucht haar tuin in. De buurvrouw kijkt toe hoe ik onhandig over de betonnen tuinmuur klim. De tuin van mijn vader is die naam niet waardig. Het enige aanwezige groen probeert zich tussen tegels moeizaam een weg naar het licht te groeien.  Twee tuinstoelen en een verzakte windroos, waarschijnlijk neergezet door de vorige bewoners. Ik had hier nog nooit een voet gezet. Mijn vader waarschijnlijk ook niet.  De achterdeur is inderdaad open. Het huis is stil. Een dun laagje stof verraadt dat hier al een tijd niemand meer woont.  Het huis voelt net zo vreemd als het leven van mijn vader. Ik loop naar de kast waarin ik de enveloppe hoop te vinden om hier zo snel mogelijk weg te kunnen. De lades liggen vol met allerhande papieren, paperclips, een verlopen paspoort, rekeningen, uitgelopen pennen, een tangetje, oude sleutels. De stem van mijn vader klinkt door in onbenullige dingen. Af en toe stond hij aan de schoolpoort om een stukje met mij mee naar huis te lopen. Niet tot aan de voordeur en niets tegen mama zeggen. Heel soms gingen we samen op stap. De kleine kadootjes die hij me gaf, een zeepje of een sleutelhanger van smurfin, werden bij thuiskomst door mijn moeder resoluut in de vuilbak gesmeten. In mijn pubertijd wist ik niet goed of hij mijn vader mocht zijn, kon zijn, wilde zijn. Inmiddels had ik geleerd dat het antwoord door mijn moeder wordt gegeven. Het is goed zo, met z’n twee. Wij hebben niemand nodig. Zelfverklaarde onafhankelijkheid dat balanceert op het smalle koord van mijn beschikbaarheid. De laatste jaren belde ik hem, heel soms. Altijd op voorhand, om hem de kans te geven de schijn op te houden dat hij zijn leven onder controle heeft. Niets is zo onverbiddelijk als onverwacht bezoek. Hij had dan altijd een doosje After Eight klaar staan. Als decorstuk uit een gezamenlijk verleden. De eerste keer dat ik zo’n zakje open knisperde was op een van de zeldzame momenten dat we samen naar een speeltuin gingen, ik was twaalf. Hij had voor mij en een buurmeisje, een meisje van vijftien die al borstjes had, het groene doosje uit zijn binnenzak getoverd. We zaten op een bank en ik keek hoe het buurmeisje het platte chocolaatje langzaam maar ervaren op haar tong liet smelten. Ik beet er kleine stukjes af, bang dat het niet in één keer in mijn mond paste, en proefde chocolade met tandpasta. Vandaag dan toch onverwachts op bezoek. Een uitgedroogde handdoek over de radiator, de koelbox die dienst doet als bijzettafel. Zijn zetel staat er verloren bij, ernaast een matras tegen de muur. De laatste keer dat hij daar zat, op zijn schoot een pak friet met stoofvlees en een bamischijf apart, drupte langs zijn kin een beetje jus. Vreemd genoeg kon ik het wel verdragen. Een eettafel is er niet. Eten wordt dus altijd op de zetel gedaan. Picknicken voor tv heet dat. ‘Fijn dat je kon komen, Louise. Als ik geweten had hoe laat je zou komen had ik misschien kunnen koken. Enfin, iets klaarmaken. Maar neem gerust mijn bamischijf.’ ‘Direct na het werk had ik gezegd maar nee dank je, ik lust geen bamischijf en ik heb bovendien al eetplannen voor vanavond.’ Picknicken voor het journaal mag een eetplan heten. Op dat moment vroeg ik mij af hoe zijn leven er zou hebben uitgezien als mijn moeder niet was weggegaan. Dan had hij waarschijnlijk in haar rotan zetel gezeten, omringd door zorgvuldig bedachte nonchalance. Een stapeltje boeken, waargebeurde romans en reisboeken, strategisch met de rug gepositioneerd naar de onverwachte bezoeker. Souvenirs, al dan niet ter plaatse aangeschaft, en stoelen met batikdoeken losjes gedrapeerd. Azië is haar favoriete continent, wierook haar favoriete geur. Mijn vader rook naar klei en frieten. In mijn jaszak zoemt mijn telefoon onophoudelijk. ‘Ik wens niet dat je zomaar ophangt. Zo heb ik je niet opgevoed.’ Onafgeronde gesprekken zijn nooit mijn moeders sterkste kant geweest. ‘Ik ben thuis bij papa, ik ga zijn begrafenis regelen.’ ‘Zijn begrafenis. En hoe denk je dat te doen?’ ‘Dat weet ik niet maar het is belangrijk voor mij, denk ik.’ ‘Je vader heeft zich nooit om ons bekommerd. Hoe vaak heb ik niet alleen gezeten met al mijn zorgen over jou.’ ‘Hij is niet weggegaan, moeder. Dat was jouw keuze.’ ‘Sommige dingen in het leven zijn geen keuze. Als ik had mogen kiezen …’ Dan was je nooit met mijn vader getrouwd, dan was ik er niet geweest en zat je nu champagne te nippen in het Sheraton hotel in Bangkok. Ik hoef niet opnieuw te horen hoe niemand haar begrijpt. Hoe niemand haar serieus neemt en bewondert. ‘Ik moet gaan. Ik word terug in het ziekenhuis verwacht.’ Ik loop naar de kast en open de lade die ik in mijn haast had overgeslagen. Bovenop ligt de enveloppe op mij te wachten. Alsof hij wist dat ik hier zou staan, met het zweet in mijn handen en de moed in mijn schoenen. ‘Kop op, Louise, nog iets hoger. Zo’n flinke meid lukt het vast om tot bovenin het klimrek te klimmen.’ ‘Ik ga vallen en mama gaat boos zijn.’ ‘Niet bang zijn.’ In het ziekenhuis aangekomen, besef ik dat ik sinds vanmorgen niets meer heb gegeten. Hoewel mijn maag is gevuld met beton lijkt het mij toch een goed idee om eerst naar de cafetaria te gaan. Alles is beter dan nu de lift te nemen naar de kelder waar het mortuarium zich bevindt. Er zitten enkele mensen verspreid aan de plastic tafels. Het felgekleurde meubilair en het behang met foto’s van tropische kamerplanten kunnen niet verhullen dat ik met elke inademing ziekte en dood proef. Geen geanimeerde gesprekken maar zachte fluistertoon, bezoekers met familie of vrienden in pyjama op sloffen, al dan niet vergezeld van een infuus dat de hoop met gestage druppels in de bloedbaan sijpelt. Ik bestel een broodje kaas en een witte wijn. Kaas en wijn, altijd een goede combinatie zou mijn moeder zeggen. Hoewel het glas en de verpakking culinair weinig veelbelovend zijn, is het hopelijk goed genoeg om het trillen van mijn handen te stoppen. Ik zet mij aan het tafeltje in de hoek met mijn rug tegen de muur, uitzicht is een geruststellend iets. Onder het wegslikken van mijn broodje, koud en taai, voel ik de daadkracht uit mijn lijf vloeien. Ik voel mij als het lichaam van mijn vader. Verslagen en geradbraakt. Hoe kon ik voorspellen dat uit de maat lopen zoveel energie kost. Een berg beklimmen doe je in de voetstappen van je voorganger. Een pad waar je zelf aarzelend je voeten moet plaatsen, aftastend of de grond vlak genoeg is om je gewicht te dragen, heb ik nooit bewandeld. Alleen in mijn hoofd zoek ik naar omwegen en uitwegen. De tijd tikt traag weg op de klok van de cafetaria. Beneden mij, een verdieping lager ligt mijn vader. Te wachten, tot ik de laatste overblijfselen van zijn leven in goede banen leid. Hij weet niet dat ik mijn hoofd wegdraai als een kind dat niet wil kijken naar de wond die gaapt onder de gescheurde broek. Kijken doe ik alleen als de afstand groot genoeg is. Ik drink mijn wijn in één slok op, gooi wat overblijft van mijn broodje in de vuilnisbak en loop resoluut naar de uitgang van het ziekenhuis. Buiten valt de nacht. En de schrale wind droogt mijn tranen alsof ze er nooit zijn geweest. ***            

Carmen van Geffen
10 1