Zoeken

Tip

Not everybody is ready for Africa

Ik weet niet wat eerst mijn aandacht trekt: de stralend witte lach van Albert of zijn opgeblonken driewieler, schitterend in de Ghanese zon, alsof ook die met een tandenborstel te lijf werd gegaan. Mijn medereizigers zijn verrast door dit originele voertuig, een aangename afwisseling op de veel te krappe, veel te gammele, veel te warme trotro’s waar we tot nu toe mee gereden hebben.  “Are you Joka group? Are you miss Hilda? Come, let’s go!” Geestdriftig wenkt Albert ons, maar gehaast is hij allerminst. Hij neemt uitgebreid de tijd om ons allen te begroeten en laat me een voorbijganger een spoedcursus fotografie geven: zo houd je de camera, hier moet je door kijken en op deze knop moet je drukken. Zoals vele andere chauffeurs of gidsen die we al ontmoet hebben hecht ook Albert veel belang aan een group picta. Op de eerste foto zijn we allemaal onthoofd, op de tweede is enkel mijn achterhoofd zichtbaar. De derde foto wordt genomen door een van de vele kijklustigen die zich intussen rond ons verzameld hebben. De kadrering is niet ideaal en de trike staat er niet volledig op, maar wij tenminste wel, inclusief onze eerste fotograaf die zich duidelijk beter voelt voor de camera dan erachter.   Blonde, goedlachse Amy wordt uitgenodigd om vooraan naast Albert plaats te nemen, de zes andere vrouwen schuiven haastig op de bankjes in de laadbak. Enkel als er plaats genomen wordt in een voertuig of aan tafel reageren deze dames zonder dat ze daartoe moeten worden aangemaand, bedenk ik me. Alsof het zien van zitplaatsen hun gedachtegang aanzienlijk versnelt. In een fractie van een seconde hebben zij immers alle mogelijke voor- en nadelen van elke zitplaats geanalyseerd, alsook alle mogelijke opstellingen van ieder van ons. Besluitvorming volgt zodanig snel op deze analyse dat het gelijktijdig lijkt, en verrassend genoeg is zij onder deze zes vrouwen ook steeds unaniem.  Nauwelijks hebben zij hun blanke kont op de bankjes neergevleid, of zij vatten hun meerstemmig commentaar aan. “Waarom mag zij vooraan zitten en ik niet?” “Ik hoop dat we hier niet te lang in moeten zitten, die bankjes zijn verdomd hard.” “Zie maar dat je niet achteraan zit, dan kan je eruit vallen, zo gevaarlijk als dit is!” “Oh, ik vind het nu al doodeng en we zijn nog niet weg.” “We zijn toch wel verzekerd he?” “Ik hoop dat dit niet de verrassing is waar je over sprak Hilde, en dat er ons nog iets leuks te wachten staat straks.” Ik zet mijn beste professionele pokerface op en probeer enkel klanken te ontwaren, ontdaan van elke betekenis. Ik doe dit niet voor het eerst en ik weet dat ik meer geduld heb met de kakelende kippen die nu voor mijn geestesoog verschijnen dan met deze jonge vrouwen. Helaas werkt mijn trucje deze keer niet. De trike is inderdaad de verrassing die ik voorzien had, en ik voel me mismoedig nu zelfs dit niet geapprecieerd wordt. Hoe kan ik deze mensen in hemelsnaam ooit een plezier doen? Waarom schreven zij zich in voor deze rootsreis van Joker en hebben zij niet gewoon bij Neckermann geboekt?  “Kom, ik help je erin.” Jorne neemt me bij de hand en knipoogt naar me, als ik instap geeft hij me een bemoedigend kneepje. Nu lukt het me wel om niet te luisteren naar het gekwetter van de vrouwen, al halen hun hoge gilletjes als we door een kuil of over een wortel rijden me af en toe wel uit mijn gemijmer. Ik geniet van de rood bestoven weg die onder ons heen verschijnt, van de breed lachende mannen in de schaduw van bomen, van de zwaaiende kinderen die al rennend onze snelheid proberen te evenaren, van de honden die ongegeneerd breeduit liggend de weg opeisen, van de rondborstige vrouwen met pak op hun hoofd en kind op hun rug.    “Here we are, this is tha house of tha medicine man!” Albert parkeert zijn driewieler in de schaduw van een boom, een beetje teleurgesteld stappen Jorne en ik als eersten af. Voor ons had het ritje gerust nog wat langer mogen duren, maar de vrouwen zijn beduidend opgelucht. De spanning en het heen en weer geslingerd worden bij het ontwijken van kuilen, wortels, honden of kinderen op de weg, heeft hen misselijk gemaakt. Twee van hen zijn wit als een doek, al keert hun kleur snel terug zodra ze met hun bibberbenen vaste grond raken. Dit keer hebben ze echter de kans niet om hun opmerkingen te geven, want binnen een mum van tijd hebben we elk drie of vier kinderen aan onze vingers hangen. De warmte van de Afrikaanse zon straalt nu ook in de ogen van de vrouwen en gewillig laten ze zich door de kinderen naar het erf van de medicijnman voeren.  Onverhoeds en vastberaden als een horde mieren op weg naar hun koningin, dringen daar de meest weerzinwekkende reukpartikels onze neusgaten binnen. Er is geen tijd om zelfs maar een hand voor onze neus te slaan, aan een rotvaart rukken ze genadeloos op. Hoe ver we onze mond ook opensperren en proberen hen te verjagen door diep in te ademen of te kokhalzen, toch kunnen we deze aanslag niet afweren. Mijn ogen tasten het erf af op zoek naar de bron van deze stank en ontwaren daar, naast een pruttelende kookpot, de resten van een geit, haar poten opengesperd in totale weerloosheid.   De kinderen drijven ons het huis in waar ze zelf onmiddellijk weer worden buiten gejaagd. We bevinden ons in een donkere salon, onderuitgezakt in een comfortabele lederen zetel zit daar de medicijnman. Hij is dik, zijn vingers en lippen glinsteren van het vet van de kippenbouten waar hij als een uitgehongerde het vlees af scheurt. Sabbelend op een botje roept hij een man bij zich en in een ons onverstaanbare taal geeft hij hem te kennen dat hij klaar is voor een gesprek met ons. Hij gooit het botje uit het raam, waar honden erom vechten, boert luid, knoopt zijn jeans en zijn hemd open en zakt zo mogelijk nog meer onderuit. Wij mogen plaats nemen op de bank tegenover hem. De vrouwen zijn intussen blijkbaar weer helemaal de oude, want ik hoor hen schaamteloos commentaar leveren op de man die onmogelijk een medicijnman kan zijn, want waar zijn zijn amuletten, zijn dierenvachten en zijn masker? Het is toch overduidelijk dat deze ongemanierde dikzak in jeans een charlatan is? Jorne, Amy en ikzelf converseren via een tolk met de medicijnman en verontschuldigen het onbehouwen gedrag van de anderen. We spreken over verschillende denkkaders, afwijkende culturele gewoontes, de nood om opgedane indrukken te ventileren bij gelijkgestemden. De medicijnman glimlacht gemoedelijk, “not everybody is ready for Africa”. Het zijn zijn enige woorden in het Engels en het is de enige keer dat hij ons aankijkt.    Na het onderhoud met de medicijnman worden we uitgenodigd voor een drum and dance op het erf, de traditionele manier om gasten te verwelkomen. De vrouwen rollen met hun ogen, weeral een drum and dance. Gelukkig zijn er hier talloze kinderen die voor afleiding kunnen zorgen en zonder al te veel morren zetten ze zich tussen de toegestroomde dorpelingen in de kring. De drummers, uitgedost in traditionele kledij, nemen hun plaats in en als ook de medicijnman - dit keer wel degelijk uitgedost met amuletten, dierenvacht en masker - de kring betreedt, is het tijd voor de kinderen om op de achtergrond te verdwijnen. De vrouwen gooien stukken vlees op het erf, de kinderen vliegen erop af als honden op een kippenbot en vechten om een stukje. Ze krabben, ze bijten, ze schreeuwen, ze slaan, ze duwen en trekken om toch maar iets lekkers te bemachtigen. Verstomd en verlamd kijken we toe, en pas als een vrouw een pot vlees voor de allerkleinsten brengt, durven we terug te ademen. Het wordt stilaan te veel voor mijn deelnemers, ik weet dat ik hen daar snel moet weghalen. Maar weg gaan nog voor de drum and dance is begonnen, is grof en respectloos. Ik beloof mijn medereizigers dat we maximum tien minuten naar het spektakel zullen kijken alvorens te vertrekken en neem me voor om vanavond voor het slapen gaan een kringgesprek te houden over de indrukken die we vandaag hebben opgedaan.  Op dat moment verschijnt er een danseres. ze stampt met haar voeten op de grond, zwaait haar hoofd in haar nek, gooit haar armen in de lucht. De drummers drijven het tempo op, de voeten stampen sneller en sneller. Armen gaan op en neer en lijken wel van elastiek, handen bewegen zo snel dat het lijkt alsof ze twintig vingers hebben elk. Zweet stroomt over voorhoofden en ruggen, ogen worden wijd opengesperd. De danseres valt op de grond en slaakt een kreet, haar ogen draaien weg, schuim komt op haar mond, haar armen, benen en hoofd schokken. Vier mannen lopen de kring in en halen haar weg. We kijken naar elkaar, beduusd, en vragen ons af of we allemaal hetzelfde hebben gezien. Net als we aanstalten maken om te vertrekken, komt ze terug. Ze beschikt over een bovenmenselijke kracht en schudt de vier mannen van zich af. Ze steekt haar vingers in een pot, tekent strepen op haar gezicht en graait met haar handen in het stof op de grond. Ze slaakt onmenselijke kreten en gooit het stof over zich heen, tolt rond, bukt, neemt nog meer, gooit dit over de toeschouwers. Ze graait en gooit en graait en gooit en graait en gooit en tolt maar in het rond. Bruusk sta ik recht, mijn reisgezellen volgen onmiddellijk. Voor mij uit haasten ze zich naar de trike, ik richt nog enkele woorden van dank tot de medicijnman en maak me dan ook snel uit de voeten. Buiten gekomen haal ik diep adem. Wat. Was. Dat.    Op de terugweg wordt geen woord gesproken. Eenmaal terug haast iedereen zich naar zijn kamer, niemand wil vandaag nog in een kring zitten. Ik blijf alleen achter en rol een sigaretje. Ik kijk toe hoe de rook langzaam oplost. Als mijn sigaret op is, rol ik een nieuwe. 

Hilde Christens
184 2
Tip

Witte leugens

Twee silhouetten zitten tegenover elkaar aan de eettafel. Man en vrouw. Hun hoofden zijn naar beneden gericht, druk bezig hun gekookte aardappelen met mayonaise in de ogen te kijken. Het is een scène die ik al door duizend-en-een verschillende ramen heb aanschouwd. De avond is mijn favoriete moment. Dan ontvouwt zich een podium dat baadt in het artificiële, vaalgele licht, en kan ik ongestoord binnengluren. De vrouw richt haar hoofd op naar de schim aan de overkant van de tafel en opent haar mond. Ze zegt wat. Met hangende schouders die bijna in haar bord vallen, wacht ze een reactie af. De man geeft haar een korte blik, een knikkend gebaar en een paar woorden terwijl hij met zijn vork werktuiglijk in het bord wroet. Zijn kaken malen als een lopende band. Dit is het punt waarop de vrouw haar man vraagt of hij het lekker vindt, en waarop de man liegt wat hij elke avond liegt. Iets in de trant van 'Heel lekker, schat'. Het superlatief durft wel eens te variëren, en aangezien mijn lipleesvaardigheden nog niet op punt staan is het ook in dit geval wat giswerk – maar van die 'schat' ben ik vrij zeker. Soms is het ook ‘lieveke’, 'bolleke', of 'zoetje'. Maar meestal ‘schat’. In ieder geval zo'n koosnaampje met een dikke kwak mayonaise. Een kwak die bedekt, doorweekt, doordrenkt, tot er enkel een kleffe brei overblijft. Ik walg, maar ik kijk verder. Zoals altijd. Elke woonkamer en elk raam lijkt net een andere vaalgele tint te hebben. Het is een beetje zoals Tolstoj zijn Anna Karenina opende: "Gelukkige gezinnen lijken allemaal op elkaar, maar elk ongelukkig gezin is ongelukkig op zijn eigen manier." Ik zou het liefst van al met een kopie van dat boek hun raam aan diggelen willen gooien, hen bij de haren nemen en hen pagina voor pagina laten zien wat ongeveinsde emoties en authentieke identiteiten zijn, en hoe je nuances en variaties kan aanbrengen in gevoelsbeleving. Maar ik blijf toekijken. Net zoals dat boek geschreven en gelezen moet worden, moet ik mezelf ook voor dit drama zetten. Dus ik verstop me wat verder in mijn kraag, trotseer de donkere kou, en staar recht vooruit. De avond is nog steeds jong. En wat zou ik in godsnaam anders moeten doen?    

Tom Keysers
216 6

KIJK DE MOON SCHIJNT DOOR DE BOMEN

Hebben jullie ook allemaal eventjes de wenkbrauwen gefronst, toen bekend werd dat een gezin van zeven uit het Nederlandse Ruinerwold al 9 jaar in een kelder leefde? Een vader met zijn zes kinderen. Ik kan zo doordenken over zulk nieuws. Waarvan leefde die familie? Vermits de kinderen bij de burgerlijke stand niet aangegeven waren, konden ze dus ook niet op het kindergeld voortbestaan. (In België zou dat wel eventjes anders zijn, hier betalen wij zelfs kindergeld aan spookkinderen die ergens ver weg in een Marokkaans of Turks dorpje wonen) Waarom werd die vader niet regelmatig door de overheid aangespoord om een job aan te nemen? Kreeg hij een invaliditeitsuitkering? Waarvan werden alle rekeningen betaald? En de hamvraag is, waar was die moeder? Kroop die al jaren geleden gillend de kelder uit of liet Moon haar versneld hemelen? Hoorde die vader eigenlijk niet in de psychiatrie thuis? Want als je je eigen kinderen op zulke manier indoctrineert, dan moet er toch een hoekje af zijn! Of zag hij al lang de moon tussen de bomen niet meer? Moest daar nooit een tandarts een tandje plomberen of trekken? Kwam daar nooit een dokter over het erf, die de kinderbescherming kon waarschuwen, zelfs niet toen vake zijn herseninfarct gekregen had? Waarmee bedreigde die moongoeroe zijn zes kelderkinderen? Door de geheimzinnigheid rond de Drenthse boerderij, dachten de buren dat de huurders drugs teelden maar al wat er verbouwd werd was religieuze waanzin. Dus van die boer geen eieren! Dat Oostenrijks moonhulpje moest toch al die jaren tonnen aan voedsel en drank over dat boerenerf tot in de kelder gesleept hebben! Mijn boerenverstand is te klein om te kunnen snappen hoe deze zeven moonies jarenlang onder de Nederlandse radar konden blijven terwijl pa toch duidelijk met het internet verbonden was. Hij schreef namelijk zijn eigen evangelie. Zes volgers had hij al, hij hoopte stiekem op meer… Spijtig kreeg zoonlief door dat je via de digitale media ook de buitenwereld kon bekijken en liet de blijde Moonboodschap voortijdig ontploffen. Wat bleek nu echter?  Deze Moonvolgelingen wilden in familieverband het einde der tijden afwachten? Eventjes dacht ik dat de getuigen van Jehova in het verleden heel succesvol aan de boerderijdeur geklopt hadden. Je weet wel, die kudde geïndoctrineerde bellekentrekkers die al jaren blèren dat de wereld gaat vergaan. Ondertussen zijn deze onrustzaaiers gestopt met een datum op hun catastrofes te plakken.  Natuurlijk gaat de wereld ooit vergaan, maar zelfs Anuna-visionairen of Greta-fobie-doemdenkers kunnen de mensheid blijkbaar toch niet overtuigen dat dit heel snel gaat gebeuren. Dus om de meeste mensen, de dag van vandaag, bang te maken moeten ze met totaal andere gedocumenteerde  argumenten op de proppen komen, die wij blijkbaar niet in onze portemonnee willen voelen. Tijdens de hele geschiedenis van de mensheid zijn er steeds een paar schizofrene gekken geweest die toeterden dat ze Cleopatra of Napoleon waren. Deze krankzinnigen konden wij niet snel genoeg in een dwangbuis afvoeren. Maar, als er een geschifte jandoedel de mensen wijsmaakt, dat hij of zij een directe telefoonlijn met een schimmige oude man heeft, die ergens op een wolk in een ander zonnestelsel woont en die alles hoort en ziet, dan slikken onze mensenkinderen deze onbewijsbare onzin nog steeds als honingzoete lariekoek. Het sprookje van het eeuwige leven werkt magisch. De mensen gewoon laten geloven dat ze na de dood al hun geliefden gaan terugzien en dat ze, als vergevingsgezinde contente zieltjes ergens in de hemel tot in der eeuwigheid gaan blijven ronddobberen. Dus begrijp ik niet waarom mensen, die zo overtuigd zijn dat er na de dood nog iets meer is dan alleen hun leven hier op aarde, zo bezig zijn met zich in te graven in een kelder om toch maar als enigen na de apocalyps in een totaal verwoeste wereld te kunnen overleven…Willen ze niet juist sneller naar hun hemel en herder opstijgen? Als er ergens ter wereld een sektekwibus opstaat, die zichzelf uitroept als de nieuwe Messias die het werk van Jezus komt afmaken, hoe komt het dan dat daar dan opnieuw zo’n hoop klojo’s achteraan gaan lopen? Scientology, de Manson Family, de Jim Jones sekte, getuigen van Jehova, de psychotische Nederlandse kindermisbruikende sekteleider Vrieswijk, de Mormonen, de Amish, de islam, de terreursharia, het christendom, de evangelisten, de protestanten, de orthodoxen, het hindoeïsme, het jodendom en eigenlijk alle religies die nog steeds beweren dat zij alleen het ware geloof vertegenwoordigen. Zij handelen echter alleen uit macht, macht en nog eens macht. En nu weer die Moon-kwaker die, zelfs op een blauwe moondag, schaamteloos, in zijn voordeel, een aantal door hemzelf bij elkaar gefantaseerde hoofdstukken aan de Bijbel toegevoegd heeft. Nu hebben er zich al eeuwen allerlei sprookjesvertellers de Bijbel, de Thora, de Koran en allerlei religieuze boekjes gecorrigeerd en herschreven om toch maar met hun verhaaltjes zoveel mogelijk de mensen financieel uit te wringen en in het gareel te houden, dus, so what.. een fantasietjes meer of minder. Een geloof kan bergen verzetten en blijkbaar ook kelders vullen. Het is blijkbaar nog niet genoeg dat je water in je kelder hebt, je moet er minstens nog een paar kinderen in opsluiten. Na lang wachten heeft nu ook Nederland eindelijk, na de Belgische Dutroux- gruwelkeldermans en na de Oostenrijkse horrorvader incest-Fritz,  zijn eigen kelderkroniek. Wanneer worden de mensen nu eens wakker en roepen ze “loop naar de moon” met jullie manipulatie, wij hebben maar één leven en dat is nu!   Sim, 20 oktober 2019 GODZIJDANK, ben ik atheïst!

Sim
109 1

De Verfmenger

1       THUIS Bij ons thuis is de eerste nacht van elke vakantie filmnacht. Dan sleuren we matrassen, donsdekens, kussens en knuffels naar beneden, schoppen we de salontafel aan de kant en maken we onze nest voor één nacht in de living. Ons Lobke –de hond- snapt er niks van. Vanavond staat The Lion King op het programma dus mogen alle katachtigen meekijken. Dat hebben Max –zeven jaar- en zijn broer Toby –vijf- net samen beslist. Vandaar de verzameling leeuwen, tijgers, jachtluipaarden en panters in hun armen terwijl ze met driftige pasjes op me afgestormd komen. ‘Uit de weg, papa!’ gillen ze opgewonden. ‘We kunnen niet door!’ Ik sta bovenaan de trap, in gevecht met de laatste matras die naar de living moet. ‘Rustig,’ zeg ik, met langgerekte klinkers en zo diep ik kan, als om een tegengewicht te bieden aan hun hoog oplopende stemmetjes. ‘Voorzichtig,’ zeg ik ook nog. Op exact dezelfde toon. Ik zet een stapje opzij. Onmiddellijk trippelen mijn kinderen me hijgend voorbij. En dan gaat het mis. Toby struikelt over de staart van één van de katachtigen in zijn armen, een grote tijger denk ik, en katapulteert zich zo het gat van de trap in, hoofd vooruit. Handen heb ik –vanwege de matras- niet vrij dus steek ik, in een ultieme poging hem te redden, een been uit. Ik probeer hem te knellen tegen de trapleuning. Helaas, dat lukt niet. Hij duikelt mijn been over en is een fractie van een seconde later helemaal buiten mijn bereik. Ik kan enkel nog toekijken hoe hij, als in slow motion, een koprol maakt over de volledige lengte van de trap. Ik zie hem beide handjes voor zich uitsteken. Het volgende moment ligt hij beneden op de grond. Roerloos. ‘Misschien valt het nog mee,’ flitst het door mijn hoofd, ‘het zag er zo sierlijk uit.’ Een eeuwigheid gebeurt er niets. Dan krabbelt hij recht, gilt zo hard hij kan: ‘Geen pijn! Dikke duim!’ steekt olijk zijn duim in de lucht en begint te schateren van het lachen. De wereld begint opnieuw te draaien. Ik duw de matras tegen de muur, haast me naar beneden en hurk daar bij Toby neer. ‘Venteke toch! Pijn gedaan?’ vraag ik terwijl ik in de zwarte haartjes rond zijn kruintje kriebel. ‘Knuffel nodig?’ ‘Nee! Papa! Stop!’ Hij slaat me van zich af. Hij wil dat ik zwijg, want Max spreekt. Die heeft alles zien gebeuren en is zwaar onder de indruk: ‘Wow, Toby!’ gilt hij, ‘What the piep! Precies een echte stuntman!’ Toby glimt van trots. ‘Nog een keer?’ vraagt Max enthousiast. Toby haalt de schouders op. ‘Okee.’ ‘Niks van!’ roep ik uit, ‘Veel te gevaarlijk!’ en vervolgens, terwijl ik hen beurtelings streng in de ogen kijk en al mijn wijsvingers en wenkbrauwen de lucht in gooi: ‘Jongens! Dit is ons geheim! Niks tegen mama zeggen. Beloofd?’ Maar ze beloven niets. Ze zijn al weer verdwenen. Ik krabbel dan ook maar recht. Puffend ga ik de trap weer op en sleur ik mijn matras verder naar beneden. ‘All in a day,’ zucht ik.     *       ‘Ik moet mijn amulet halen,’ bedenk ik me dan, terwijl ik mijn matras in de living naast de andere neerplof, ‘ik kan niet na al die jaren terug naar The Lion King kijken zonder mijn amulet.’ Dus zet ik me op weg naar de zolder. Vanop de overloop van de eerste verdieping zie ik dat Max en Toby zich ondertussen in de speelkamer bevinden. Ze staan met hun rug naar me toe, broederlijk naast elkaar, tussen een gigantische berg knuffels en merken niet dat ik even halt houd om naar ze te kijken. ‘Nee Toby,’ hoor ik Max zeggen, op een toon die half geïrriteerd, half geduldig is, ‘een kikker is géén katachtige. Dat is een soort vis. Maar dan met poten. Die woont in het water.’ Hij heeft zijn hand bemoedigend op de rug van zijn broer gelegd. Toby kijkt, met hangende schoudertjes, teneergeslagen naar de grond. Hij houdt zijn kikker vast. Hij mummelt iets maar ik kan niet horen wat. ‘Mijn amulet,’ denk ik, en ik sluip stilletjes verder, de trap op naar de zolder. Daar duurt het even vooraleer ik een haalbare route bepaald heb, maar dan zet ik achtereenvolgens een voet over een paar zakken babykleding, vind ik vervolgens een plekje voor mijn volgende voet door er -terwijl ik me vasthoud aan een verzorgingstafel- een hoop duplo mee opzij te schuiven en stap ik, tenslotte, over een doos houten babypuzzels, middenin een zak, met daarin andere zakken. Zo kom ik uiteindelijk bij een stapel bananendozen die alle hetzelfde opschrift dragen: belangrijke herinneringen. Ik weet onmiddellijk welke doos ik nodig heb. ‘Hoe komt het dat ik dit nog weet?’ vraag ik me af, ‘ze zien er allemaal hetzelfde uit.’ Even later sta ik met een metalen doosje in mijn handen. Ik doe het open. Daar ligt het amulet. Het ziet er nog exact uit zoals ik het mij herinner: Zes veren. In zes verschillende kleuren. Rond elke steel zorgvuldig een ijzerdraadje gewikkeld. En daarmee vastgehecht aan een centrale ring. ‘De kleuren hebben niets van hun intensiteit verloren,’ denk ik ontroerd, ‘zelfs na al die jaren.’ Ik ga zitten op een oude versterker en neem het amulet uit het doosje. Ik voel het in mijn hand liggen. Met mijn wijsvinger streel ik voorzichtig de veertjes. Opnieuw en opnieuw. En net zoals een lang vergeten geur een mens instant kan terugwerpen naar een andere tijd, net zo overrompelt mijn amulet mij, hier op deze zolder, met oud verdriet, en met dankbaarheid. Herinneringen komen daar helemaal niet aan te pas. Mijn hart zwelt en mijn ogen vullen zich met tranen. Ik hoef niet terug te denken aan de gebeurtenissen die plaatsvonden twintig jaar geleden in de fabriek.     *       Langzaam maar zeker dringt geroep tot mij door: ‘Bert!’ en dan opnieuw, dringender: ‘Bèèrt!’ ‘Dat ben jij,’ realiseer ik me eindelijk met een schok, ‘en je klinkt serieus kwaad.’ Ik spring recht van mijn versterker, struikel de zolder uit en storm de trap af, ondertussen ‘jahaa, ik kom’ roepend. Beneden sta je mij inderdaad op te wachten, met Toby op je arm. Je geeft me onmiddellijk de volle laag: ‘Waar zit jij in hemelsnaam? Onze Toby is hier kei hard aan het wenen!’ Je gebaart naar Toby, die als was het om je woorden kracht bij te zetten, zijn keel nog wat verder openzet. ‘Ik ben in de keuken bezig he! Gij ging op de kinderen letten!’ ‘Ja, sorry, ik was eventjes op zolder,’ mummel ik ter verdediging en dan, vooral om de aandacht af te leiden: ‘Wat is er aan de hand Toby?’ ‘Max zegt dat mijn kikker niet mee naar de film mag kijken,’ snottert hij. Eerst versta ik hem niet maar dan zie ik de kikker in zijn handjes. ‘Mijn God,’ denk ik bij mezelf, ‘Dit gaat nog altijd over die kikker.’ ‘Ja papa,’ verdedigt Max zich, ‘alleen katachtigen mogen meekijken. Dat hadden we afgesproken!’ Hij heeft zijn lichaam op een vreemde manier over de trapleuning geplooid en wiegt ritmisch heen en weer. ‘En een kikker is géén katachtige!’ Die laatste zin gooit hij Toby briesend naar het hoofd. Hij is gestopt met wiegen. ‘Mijn kikker is wél een katachtige,’ krijst Toby terug, zo hard hij kan. Nu die op jouw arm zit, durft hij duidelijk wat meer. ‘Jongens! Jongens! Stop!’ roep ik, terwijl ik in een poging de situatie te ontmijnen, tussen hen in ga staan. Ik begrijp wat er gebeurd moet zijn. Bij hoog en laag volhouden dat een kikker een katachtige is, daarmee krijg je Max wel over het randje. Die heeft Toby natuurlijk een enorme klap verkocht. Vandaar dat hij daar zo schuldbewust over de trapleuning hangt te wiegen. Ik kijk Toby recht in de ogen: ‘Toby,’ zeg ik helder, ‘een kikker is geen katachtige.’ Ik schud begripvol het hoofd. ‘Sorry venteke.’ Jij streelt hem zachtjes over zijn rug. ‘Zie je nu wel!’ komt Max tussen. ‘Ik zei het toch!’ En hij laat zijn frustratie nog even de vrije loop met een welgemeende ‘echt he!’ ‘En ook geen ‘vis met poten’ Max!’ kaats ik onmiddellijk terug. ‘Ow.’ Hij voelt zich duidelijk opgelaten en begint opnieuw over zijn leuning te wiegen. ‘Een amfibie Max,’ plaag ik hem, ‘een kikker is een amfibie. Euh, hallo juf Lies? Is er nog plaats in de eerste kleuterklas?’ ‘Ow,’ zegt hij opnieuw. Ik peil je blik. Even houden onze ogen zich vast aan elkaar. Je lijkt niet meer kwaad. Integendeel. Je probeert met alle moeite van de wereld je lach in te houden. Ik leef op, en richt me dan opnieuw tot Toby: ‘Volgende keer kijken we naar een film van amfibieën schat,’ zeg ik. ‘Beloofd. En dan mag uw kikker meekijken.’ Geen reactie. ‘Toby? Gaat uw kikker dan meekijken volgende keer?’ probeer ik nogmaals. Helaas, er komt geen antwoord op die vraag. Toby begint opnieuw te huilen, zo mogelijk nog hartverscheurender dan voorheen. En doorheen dat gehuil begint Max hysterisch te brullen: ‘Auw Toby! Stop! Mijn oren! Ik haat jou!’ Opnieuw zoek ik je blik, maar ditmaal geef je niet thuis. En dan, terwijl ik me bedremmeld sta af te vragen wat er net gebeurd is, neem jij het heft in handen. *       ‘Venteke toch,’ fluister je Toby toe, ‘laat eerst al uw verdriet er maar eens uit. Laat u maar eens goed gaan.’ Toby doet exact wat je vraagt. Je streelt hem over zijn rug. Terwijl hij, tussen twee uithalen door, eventjes naar adem hapt, kijk je Max aan. ‘Ik weet het schat.’ Je wijst naar je oren en trekt een gek gezicht. ‘Nijp ze toe, dat helpt.’ Max doet wat je vraagt. ‘Amai, Bert, knap hoor,’ sis je mij vervolgens sarcastisch toe, ‘dikke duim!’ Ik trek een zuur mondje en draai met mijn ogen. Zo staan we daar een hele tijd te staan, tot iedereen uiteindelijk een klein beetje mildert. ‘Komaan he,’ zeg je dan. ‘Het is filmavond. We gaan ons toch niet laten kennen zeker. We vinden wel een oplossing. Daar zijn wij super goed in.’ Iedereen pruttelt wat. ‘Misschien Toby,’ ga je aarzelend van start, ‘is uw kikker eigenlijk een katachtige, maar dan in de vorm van een kikker.’ ‘Wablief mama?’ vraagt Max. ‘Waar wil ze naartoe,’ denk ik. Toby is gestopt met wenen en luistert aandachtig. Je kijkt heel ernstig. ‘Er bestaan bijvoorbeeld ook zeehondjes in de vorm van ijsberen’, zeg je, ‘en poesjes in de vorm van konijntjes. Die huppelen dan zo rond in het gras, met oren van een konijn, en zo’n wit staartje en helemaal fluffy. Maar vanbinnen voelen die zich een poes.’ ‘Hoe bedoel je mama,’ vraag Max. ‘Dit werkt nooit,’ denk ik. ‘Dat is eigenlijk heel verdrietig,’ ga je door. ‘Die konijntjes willen miauw zeggen en muisjes vangen, maar dat lukt natuurlijk niet. Zo bestaan er ook meisjes in de vorm van jongens. En jongens in de vorm van meisjes. Of schrijvertjes in de vorm van teamleiders.’ Die laatste zin is natuurlijk een sneer naar mij. ‘En prinsesjes in de vorm van huisvrouwen,’ steek ik terug. Je doet alsof je me niet hoort. ‘Toby? Zou het kunnen dat uw kikker eigenlijk een katachtige is?’ Toby begint opnieuw te huilen, maar ditmaal een andere soort tranen. ’Ja,’ snottert hij, zielsblij. ‘Een babyjaguar.’ ‘Een babyjaguar,’ herhaal jij. ‘Natuurlijk wil die mee naar de film kijken. Wat is dat nu!’ Ondertussen kijk je niet hem in de ogen, maar mij. ‘Breng hem maar snel naar de andere dieren.’ En weg drentelt Toby. ‘Ja, mama!’ roept Max nu verontwaardigd uit. ‘Dat telt niet he! Ze moeten er ook uitzien als een katachtige!’ Wat een onzin, de tranen springen er hem van in de ogen. Je legt zuchtend je hand op zijn rug en geeft hem een duwtje richting living: ‘Ik weet het schat.’ Zo wandelen jullie samen, als waren jullie beste vrienden, de living in. ‘Komaan Max,’ hoor ik je zeggen, terwijl ik achter jullie aan hobbel, ‘work with me. Een amfibie meer of minder.’ Nog even tornt hij eigenhandig het gewicht van de wereld en sloft hij verongelijkt naast je, maar dan zucht hij gelaten: ‘Okee dan mama.’ En weg is hij. Over je schouder kijk je me aan. Triomfantelijk. Je haalt vragend je wenkbrauwen op. ‘Rots,’ zeg ik. En al trek ik nog steeds een zuur mondje, mijn ogen stralen.     *       Net dan gaat het alarm van de oven. ‘Pizzaa!’ joelen we terwijl we met z’n allen de keuken in hollen. Daar laden we elkaars armen vol met snoepdozen, zakken chips en kommen popcorn. Op filmavond is ongezond voor één keer geen bezwaar. Max duwt Toby een gigantische kom marshmallows onder de neus: ‘Hier Toby,’ zegt hij geïrriteerd, ‘pak dan!’ ‘Dat gaat niet,’ roept Toby geïrriteerd terug, ‘ik heb mijn kikker al vast.’ ‘Ja, zet die er dan in he,’ roept Max nog geïrriteerder. ‘Ow,’ zegt Toby, en hij zet zijn kikker tussen de marshmallows. We lachen. Dan lopen we elkaar voor de voeten de living in, en ploffen we uitgelaten neer op een matras. Zie ons daar nu zitten, vier mensen, een hond en twee dozijn katachtigen, waaronder één babyjaguar in de vorm van een kikker, en een poes van vlees en bloed die nu net een schelletje salami van een pizza steelt. ‘Worf!’ gil ik. ‘Smakelijk eten,’ roept Toby en hij steekt zijn duim de lucht weer in, ‘heel bedankt!’ Dan komt de zon op boven de eindeloze vlaktes van de Serengeti en verstoort, tegen de achtergrond van de machtige Kilimanjaro, een familie buffels de ochtendmist. ‘Aah sevenyaah,’ joelen de kinderen mee. Hun ogen zijn gekluisterd aan het beeldscherm. Maar in mijn hand ligt nog steeds het amulet en, terwijl ik gedurig de veertjes streel, ontwikkelt zich voor mijn ogen een andere film.     2       DE FABRIEK De fabriek waarin ik een jaar lang verloren liep –dat moet nu twintig jaar geleden zijn- kon symbool staan voor mijn leven. Ik snapte er geen ene moer van. Ik wist niet welke de grondstoffen waren die de heftruckchauffeur –een stugge man die deed of ik niet bestond– op gezette tijden de fabriekshal binnenreed, ik wist niet wat de naam was van de dikke, zilveren brij die we produceerden en ik wist niet wat de bestemming was van de grote, blauwe vaten waarin we de brij uitstortten. Elke ochtend in de kleedkamer ontdeed ik mij van mijn kleren en stapte ik in mijn werkplunje: lelijke schoenen met een stalen tip, een brede, blauwe broek en een grauw T-shirt. Ook mijn naam liet ik achter in de kleedkamer. In de fabriekshal noemde iedereen mij Beire. Ik haatte die naam maar durfde er niets van zeggen. In de fabriekshal stond een gigantische ketel, zes meter hoog schat ik, waarrond een platform en een trap gebouwd waren zodat iemand de grondstoffen in een opening bovenaan kon kappen. In het begin was die eer mij een aantal dagen te beurt gevallen, maar dat was faliekant fout gelopen. Eerst kwam er dikke, zwarte rook uit de opening bovenaan, wat later ging er een oorverdovend alarm af en het eindigde met brandweersirenes en de evacuatie van het hele bedrijvenpark. Ik had geen idee wat er gebeurd kon zijn maar dat de oorzaak bij mij lag, daar twijfelde ik niet aan. Er werd mij niets gevraagd en ik vroeg niets. Ik werd voor de rest van de dag naar huis gestuurd. Die dag alleen in mijn appartement keek ik voor het eerst naar The Lion King. En zag een sleutelscène: Terwijl Simba pluk de dag doet met Timon en Pumba –god, wat heb ik een rothekel aan dat achterlijke wrattenzwijn en die irritante stokstaart- verschijnt daar eindelijk ten tonele de ziener Rafiki. Mandril, geen baviaan. Oude knoken, grijze manen. Staf in de hand. Hij komt Simba zoeken in dat holle leven dat het zijne niet is, sleurt hem eruit –‘You follow Rafiki, he knows the way’- en brengt hem naar het water. Maant hem daar, met een klap op z’n kop, tot stilte en gebiedt hem te kijken: ‘Look harder, Simba. You have forgotten who you are. You are more than you have become.’ Ook het oerwoud heeft zijn spiegels. Ik hapte naar adem en weende dikke tranen. En had geen idee van waar die kwamen. Bizar dat ik toen niet zien kon wat vandaag zo helder is: Die Simba, dat was ik. Ik hunkerde met heel mijn verloren gelopen wezen naar een Rafiki. En een klap op mijn kop. De volgende ochtend in de kleedkamer repte niemand met een woord over het incident van de dag voordien, maar eens in de fabriekshal stapte iemand anders zwijgend de trap naar mijn platform op. Ik was opnieuw tot de begane grond veroordeeld. Wat ik daar dan geacht werd te doen, werd mij pas duidelijk toen de heftruckchauffeur vanuit het magazijn de fabriekshal binnengereden kwam. Hij denderde met een pallet vaten recht op mij af, veel sneller dan nodig was, en zette het bruut neer, exact waar ik stond rond te lummelen. Ik kon nog net op tijd opzij springen. Ik begreep dat ik tot vatenvuller gedegradeerd was. Elke ochtend herschiep de heftruckchauffeur de fabriekshal in een bos van vaten, als een woesteling, en de gehele voormiddag hield ik me in dat bos schuil. Ik zeulde een emmer lijm en een stapel etiketten met daarop driehoekige waarschuwingstekens -danger, corrosive- achter me aan en hurkte zo, lijmend, van vat tot vat. Hoog boven mij, op het platform, prepareerde ondertussen iemand anders de zilveren brij. In de namiddag, als de brij klaar was, vulde ik de vaten. Ik manoeuvreerde pallet na pallet naar de onderkant van de ketel, opende de zware afvulkraan die zich daar bevond en keek lusteloos toe hoe de zilveren brij zich in de vaten stortte. Daarna sloot ik de kraan en duwde ik hijgend de loodzware paletten terug het bos in. Maar alvorens ik van start kon gaan met vaten vullen, moest ik een staal ter controle binnendoen. Dat deed ik vlak na mijn middagpauze. Zo leerde ik de verfmenger kennen.       3       DE INDIERS Het kot van de verfmenger was eigenlijk een havencontainer –van Maersk of zo- die droogweg tegen een wand van de fabriekshal aangeduwd leek. De container was aan alle kanten wit, maar de zijde gericht naar de fabriekshal bestond volledig uit glas. Binnenin was het zo licht dat het zelfs van hieruit –ik bevond mij aan de onderkant van de gigantische ketel- pijn aan de ogen deed. Ik had net een sliert van de zilveren brij in een aluminium potje opgevangen en zette me schoorvoetend op weg naar het kot. Terwijl ik het bos van vaten doorkruiste, zag ik doorheen de glazen wand de verfmenger duidelijk staan. Hij bevond zich bij een centraal geplaatste ketel en was druk in de weer met wat een elektrische mixer leek. Zoals altijd had hij zijn lange, witte stofjas aan. Ik vroeg me opnieuw af wat ik me al zo vaak afgevraagd had: Wat staat hij daar in hemelsnaam de godganse dag te doen? Wat brouwt hij in die toverketel van hem? En waarom in deze donkere fabriekshal, achter een glazen wand, als een gekko in een terrarium van licht? Later zou de verfmenger op al die vragen antwoord geven. Dan zat ik daar, in het licht van zijn kot, en staarde ik de duistere fabriekshal in terwijl hij, roerend in zijn ketel, zijn vreemde verhalen vertelde. Tot op de dag van vandaag weet ik niet zeker of hij de waarheid sprak, en misschien is dat ook niet belangrijk. Bij één van die gelegenheden vertrouwde hij me toe wat er in zijn ketel zat. ‘Ik brouw nieuwe kleuren,’ fluisterde hij, met nauwelijks verholen trots, als betrof het een heilige taak. ‘Nieuwe kleuren?’ vroeg ik. ‘Voor de Indiërs,’ verduidelijkte hij. Hij vroeg me of ik hen ooit ontmoet had. Ik schudde nee. De Indiërs waar hij over sprak, waren de twee eigenaars van de fabriek. Ze hadden een gigantisch bureel dat de gehele tweede verdieping van het hoofdgebouw besloeg. Niemand mocht daar komen en ze waren zelf ook zelden daar, omdat ze -dat was algemeen geweten- altijd op zee zaten, op hun zeilboot. ‘Ondoorgrondelijke wezens,’ prevelde de verfmenger, ‘zelfs als ze Engels spreken, zijn ze volledig onverstaanbaar. Als ze ja bedoelen, schudden ze nee en als ze nee willen zeggen, knikken ze ja. Meestal waggelen ze hun hoofd heen en weer in halve cirkeltjes.’ Zonder een zweem van parodie bootste hij hun hoofdbewegingen na. ‘Het komt er op aan,’ drukte hij me op het hart, ‘om met uitgestreken gezicht mee te waggelen, als was het de normaalste zaak van de wereld, en er dan maar op te hopen dat ze geen onraad ruiken.’ Hij liet een stilte vallen. ‘En natuurlijk hebt ge ze nog nooit gezien,’ vervolgde hij op betweterige toon. ‘Ze hebben een privélift. Rechtstreeks van de parking naar het tweede. Ge denkt toch niet dat ze de trap gaan pakken? En dan u daar tegen het lijf lopen zeker?’ Eens per maand moest hij zich melden in dat gigantische bureel, ging hij door, met één enkele nieuwe kleur. ‘Voor hun zeilboot?’ vroeg ik. De verfmenger knikte. “Voor hun zeilboot,’ herhaalde hij. ‘Soms heb ik visioenen,’ zei hij. Hij was even gestopt met roeren en staarde in zijn ketel. ‘Dan zie ik ze staan, op het dek van hun boot, de blik op oneindig, onwrikbaar als goden’. Het was meer zingen dan spreken wat hij deed. ‘Geruisloos doorklieven ze de zee, die zich overal rond hen uitstrekt, rimpelloos als een spiegel.’ Ik hing aan zijn lippen. Hij zuchtte diep, begon opnieuw in zijn ketel te roeren en vertelde verder. De Indiërs gaven hem geen enkele aanwijzing, behalve dat zijn kleur seaworthy diende te zijn, maar daar had hij naar eigen zeggen niets aan. Bijna altijd werd hij koudweg teruggestuurd. ‘Het gekke is,’ mijmerde de verfmenger, meer in zichzelf dan tegen mij, ‘ze hebben altijd gelijk. Nadien zie ik het ook, maar wat ik ook probeer, op voorhand tast ik in het duister.’ De stilte was totaal en het was in die stilte dat ik mijn volgende vraag stelde: ‘Waarom hier? In het zicht van iedereen, achter een glazen wand?’ Daarop lachte hij luid en zei: ‘Als ik heel de tijd op een witte container moet staren, ga ik geen schoon kleurekes kunnen fabriceren hè Beire!’ Ik vroeg me af wat het dan, in die grauwe fabriekshal, was dat hem inspireren moest, maar die vraag durfde ik niet stellen. Wel had ik sindsdien het onbehaaglijke gevoel dat ik in het oog gehouden werd. ‘Misschien is de verfmenger niet de gekko in het terrarium,’ bedacht ik mij, ‘maar ben ik dat.’ Heel soms raakte zijn nieuwe kleur iets in het hart van de Indiërs. Ze kregen dan tranen in hun ogen en omhelsden elkaar, minutenlang, zonder woorden. De verfmenger wees naar een kast waarop zich zes kleine verfpotjes bevonden. ‘Zes zeewaardige kleuren,’ zei hij. Hij beweerde dat de Indiërs dan eigenhandig hun boot overschilderden en hem nadien meetroonden naar een uitzuipbar, om te vieren. Hij beschreef begeesterd hoe daar dan ‘vrouwen als klassieke godinnen zich ontkleedden en de hele nacht lang, tot de zon weer opkwam, met ontblote borsten voor hen dansten.’ Toen ik opwierp dat ik dat een wel heel treurige manier van vieren vond, om zo ver van huis te moeten betalen voor wat gefingeerde liefde, reageerde hij erg boos. Hij keek me recht in de ogen, met een blik alsof hij van me walgde, en zei: ‘Wat is daar triestig aan, Beire? De éne mens gaat naar een hoerenkot, op duizenden kilometer van huis, en komt daar thuis. En de andere loopt verloren tussen de vaten, in een fabriek achter zijn eigen hoek.’ Maar dat was allemaal later. Nu stond ik met mijn staal in de hand voor zijn deur. Ik had nog nooit met de verfmenger gesproken en stapte onwennig, voor de allereerste keer, zijn kot binnen.     4       CHARLOTTE Toen mijn ogen gewend waren aan het felle licht, zag ik de verfmenger. Hij was als in trance met zijn brouwsel bezig. In alle uithoeken van zijn kot ging hij tubes halen, pigment naar ik veronderstelde. Hij kneep er een beetje van in het mengsel en smeet ze vervolgens op de grond. Dan hief hij zijn zware elektrische mixer in de ketel en begon hij te mengen. Hij had alle moeite om de mixer onder controle te houden. De verfspatten vlogen alle kanten uit. Ik zag ze terechtkomen op muren en meubilair, en langzaam dikke strepen naar beneden trekken. De verfmenger zelf zag er ook bepaald morsig uit. Zijn voorhoofd, zijn wangen en zijn haar zaten onder de vlekken verf. En de lange stofjas die hij droeg was misschien ooit wit geweest, maar was dat al lang niet meer. Elke kleur die hij ooit gefabriceerd had, had daar zijn beslag gevonden, als in een logboek. Het ding moest minstens een halve kilo zwaarder zijn dan toen het nog echt wit was. Nu viel mijn oog op de hoek rechts naast de deur waarlangs ik binnengekomen was. Tientallen beschimmelde schaaltjes met restanten van diepvriesmaaltijden hadden zich daar opgestapeld. In de schaaltjes zag ik onder meer ook koffiepads, broodkorsten en sigarettenpeuken. Misschien bevond zich onder die stapel een vuilbak maar daar was ik niet zeker van. Ik keek rond me en merkte nu pas wat een gigantische puinhoop het overal was. Een orgie van kleuren, en van vunzigheid. De verfmenger deed alsof hij mij niet had zien binnenkomen. Althans, dat veronderstelde ik, aangezien hij luidkeels -en opmerkelijk toonvast- een passage uit Light my Fire van The Doors te berde bracht. Ik kon mij echt niet voorstellen dat dit toeval was. Dat was natuurlijk om mij te jennen. Ik grinnikte. Ik was al lang blij dat er eens iemand niet deed alsof de gebeurtenissen gisteren niet plaatsgevonden hadden. De verfmenger beëindigde zijn schouwspel met een uithaal van jewelste: ‘Try to set the night on fiiiire. Yeah!’ Bij die laatste ‘yeah’ sprong hij met rood aangelopen kop en verwrongen gelaatstrekken de lucht in. Bij het neerkomen ontwaakte hij zogezegd uit trance en merkte hij mij eindelijk op. ‘Hier se! Firestarter!’ riep hij enthousiast. Ik wou ‘Hey Jim,’ zeggen, bij wijze van grap, maar durfde dit niet. In de plaats daarvan knikte ik kort, zonder hem aan te kijken. ‘Seg, hoe lang staat gij hier eigenlijk al?’ vroeg hij, ‘Ik verschiet mij een ongeluk.’ Zonder op die vraag te antwoorden gebaarde ik naar het staal in mijn hand. De verfmenger veinsde verbazing: ‘Hoe? Gij staat toch op het platform? Sinds wanneer moet gij de vaten vullen? Is er iets gebeurd of zo?’ Het theater was dus nog niet voorbij. Ik stond er wat bedremmeld bij en wist niet goed wat zeggen. ‘Grappig hoor,’ mompelde ik uiteindelijk, maar te stil om gehoord te worden. ‘Allez,’ zei de verfmenger, ‘ik zal stoppen met u te plagen. Als ge plechtig belooft niks in de fik te steken, zet uw potteke dan maar op die tafel daar.’ Hij wees naar een tafeltje bij de glazen wand. ‘En pakt ne stoel want ik ben hier nog efkes bezig. Er staat drinken onder tafel.’ Onder tafel vond ik inderdaad een pak halve-literflesjes River Cola. Ik nam er een flesje uit, duwde er de rommel op tafel mee opzij zodat ik het neer kon zetten, verplaatste een hoop vuile doeken van de ene stoel naar een andere en ging zitten. Elke namiddag sinds die dag zat ik aan tafel bij de verfmenger, en dronk ik een cola terwijl hij me liet wachten. Hij wist dat ik een ziel op de dool was en bood me een rustplaats. Ik twijfel er niet aan dat hij dat uit mededogen deed. In heel dat lange jaar in de fabriek heb ik me nergens zo dicht bij mezelf gevoeld als daar, in die puinhoop van de verfmenger, terwijl hij in zijn ketel roerde. Een hele tijd later durfde ik hem vragen wat zijn naam was. ‘Raphaël,’ antwoordde hij, voor één keer ernstig, ‘maar zeg maar Rafa.’ Ik knikte. Weldra zou deze Rafa zich ontpoppen. Tot mijn Rafiki.     *     ‘Allez, we zullen uw kwakske eens inspecteren,’ zei hij die eerste middag, na pakweg een kwartier. Hij kwam op me af en griste mijn staal van tafel. Ik had verwacht dat hij een soort apparatuur zou gebruiken, maar hij doopte gewoon vunzig langzaam zijn middelvinger in de zilveren brij. Ondertussen keek hij me recht in de ogen, stak zijn tong zo ver hij kon uit zijn mond, grimaste en kreunde op wansmakelijke wijze, alsof hij klaarkwam, ‘oh Charlotteke, zo lekker warm.’ Ik voelde me betrapt en krimpte in elkaar. Charlotte was de receptioniste. Hoe kon hij weten wat ik voelde voor haar? Als in een film drongen zich herinneringen aan me op, van mijn eerste dagen in de fabriek, toen ik nog in de cafetaria in het hoofdgebouw ging eten. Opnieuw zag ik voor me hoe ik ’s middags de andere arbeiders een sluis involgde die de fabriekshal met het hoofdgebouw verbond. Niemand zei een woord. In die sluis hielden we halt bij een onopvallende witte bak waarin blauwe plastieken hoesjes zaten. Die moesten we, ik vermoed om de traphal proper te houden, over onze schoenen trekken. Niemand gaf een krimp maar ik voelde mij, terwijl ik de trap opliep, een complete freakshow. Bovenaan die trap, achter een balie, zat Charlotte. Ze was onberispelijk gekleed en schonk me, telkens ik haar passeerde, de meest stralende glimlach. Haar lippen, glanzend van de lipgloss, hield ze daarbij lichtjes uit elkaar. Ze had kuiltjes in de wangen, zomersproetjes en een twinkel in de ogen. En ook al moet ze ongeveer mijn leeftijd geweest zijn, ze had net zo goed van een andere planeet kunnen komen. Ik voelde meer verwantschap met een bonobo. Ik meed steeds zorgvuldig haar blik maar na een paar dagen sprak ze mij rechtstreeks aan, zo onbevangen dat het pijn deed: ‘Hallo. Gij zijt Bert zeker? Ik ben Charlotte. Voelt ge u al wat thuis?’ Ik voelde het bloed naar mijn kop stijgen, klikte mijn blik vast aan de blauwe hoesjes rond mijn lelijke schoenen, stamelde ‘ja’ en maakte dat ik wegkwam. Een intens verdriet overmande me. Sinds die ontmoeting durfde ik niet meer naar de cafetaria en at ik mijn boterhammen alleen op, buiten. De verfmenger merkte dat ik van slag was en lachte een vettige lach. Hij haalde zijn vinger uit de brij, trok enkele draden met zijn duim, hield dan beide vingers vlak onder zijn neus en snoof eraan. ‘Bloemekes en honing’, zuchtte hij smachtend, waarna hij zijn tong zo snel hij kon in en uit zijn mond bewoog, ‘Riekt eens, Beire!’ Hij bracht zijn vingers mijn richting uit. Ik durfde hem niet van me afweren. Gelukkig hield hij snel op. ‘Over Charlotteke gesproken’, zei hij vervolgens, terwijl hij zijn vingers afveegde aan één van de vieze doeken die ik verlegd had, ‘als uw ontploffingske bedoeld was om indruk op haar te maken, mission accomplished, Beire. Knap gedaan.’ Ik keek hem vragend aan. ‘Ja, ik passeerde haar juist en ze vroeg achter u.’ ‘Echt?’ ‘Ja, serieus.’ Hij klonk wat verontwaardigd dat ik hem niet op zijn woord geloofde. ‘Ze vroeg of alles okee was met u.’ Hij liet een stilte vallen, keek me doodernstig aan en ging dan door. ‘Haar onderlip begon wat te trillen, haar ogen werden nat en toen zag ik ineens haar tepels helemaal…’ ‘Fuck off gast,’ onderbrak ik hem, oprecht kwaad, ‘stopt ermee!’ De verfmenger bulderde van het lachen, zijn kop werd vuurrood, en hij riep triomfantelijk: ‘Er zit dan toch iets van leven in de vatenvuller.’ Daarna legde hij warm zijn hand op mijn schouder, keek hij me aan met ogen die straalden en zei ‘Allez, ga uw vaatjes maar vol doen. Tot morgen he!’ ‘Tot morgen,’ antwoordde ik, waarna ik tussen de vaten verdween.           5       MIJN KAUW Er is chaos, en willekeur, en de mens die als een waanzinnige verhalen schrijft. Hij ziet verbanden, die enkel in zijn hoofd bestaan. Hij zegt alles hangt samen met alles, wat net zoveel betekent als niets hangt samen met niets. In mijn hoofd was het zonneklaar dat er van Charlotte een rechte lijn liep naar mijn kauw. Die laatste kwam in mijn bestaan omwille van mijn onvermogen de eerste onder ogen te komen. Sinds mijn ontmoeting met Charlotte ging ik elke middag naar buiten om te eten. Ik gebruikte daartoe de grote poort aan de achterzijde van de fabriekshal. Deze poort, langswaar de heftruckchauffeur de zilveren brij in vrachtwagens met vreemde opschriften laadde, stond altijd open en gaf uit op een grasveld, ter grootte van een voetbalplein. Daarachter lag een bos. Het was in dat bos dat ik tijdens mijn middagpauze beschutting vond. Een hele tijd later –het moet de lente van het daaropvolgende jaar geweest zijn- ontdekte ik daar, in een holte bovenaan een dikke boom, een kauwennest. Onmiddellijk vatte ik het plan op een kauwenjong te roven. Ik stond geen seconde stil bij het welzijn van dit dier. Ik wilde een tamme kauw en dat was dat. Misschien was ik zo ontheemd dat ik niet meer wist dat elk wezen, kauw of mens, ergens thuishoort. Misschien was het andersom, wist ik verdomd goed hoe ik er aan toe was, en roofde ik mezelf een lotgenoot. Weten we eigenlijk ooit wat ons werkelijk drijft? Feit is dat ik diezelfde avond nog terugreed naar de fabriek en daar als een dief in de nacht –wat ik welbeschouwd ook was- via het dak van mijn auto over het hek klom. Ik sleurde een ladder -die ik vlak voor ik naar huis ging tussen de struiken verborgen had- het grasveld over en zette die, eenmaal in het bos, tegen de boom waarin zich het nest bevond. Toen klom ik naar boven, stak mijn hand in de holte en graaide als een indringer in het rond. Eerst voelde ik takjes, het nest veronderstelde ik, en in dat nest inderdaad iets warm, levend. Ik snaaide het mee en vluchtte het bos uit. Hoe ik terug over het hek geraakt ben, kan ik mij niet meer herinneren. Pas toen ik in mijn auto zat, durfde ik mijn hand te openen. Ik keek. Het wezen dat daar lag te trillen, tartte werkelijk elke verbeelding. Een scharminkel, ledemaat zonder lichaam. Alsof een sjamaan achteloos wat botten en blauw vel op een hoop had gegooid en het in een tegennatuurlijk ritueel tot leven had gebracht. In het midden bevond zich een groteske, gapende bek van waaruit een net zo dwingend als wanhopig gekrijs klonk. Een kind kon zien dat het daarin was dat het eten moest. Thuis zette ik het wezen in een kartonnen doos. Elke ochtend en avond maakte ik het een papje van water, meel en maden die ik bij de viswinkel ging halen. Eerst sopte ik mijn wijsvinger in dat papje en daarna stak ik hem in de gapende bek. Het wezen zwolg mijn vinger dan kokhalzend naar binnen. Ik voelde hierbij duidelijk de onderkant van de maag. In het begin vervulde dit ritueel mij met walging maar al snel werd ik het gewoon, en raakte ik er zelfs op gesteld. Zo werd het wezen langzaam maar zeker groter. Eerst werd het zo mogelijk nog incoherenter, maar daarna begonnen de onderdelen samenhang te vertonen en nam het zowaar de vorm aan van een jonge kauw. Tegelijkertijd begon er iets van intelligentie of begrip door te schemeren in de zwarte kraaloogjes. Op zekere dag, tijdens het voeden, hield mijn kauw zijn kopje wat scheef en keek hij mij vol in het gezicht. Plots gingen de donsveertjes bovenop zijn kop recht overeind staan en kraste hij me toe, een scherp ‘kà’. Hij herkende mij. Ik weet niet waarom, maar dit stoorde mij enorm en ik voelde, als een tsunami, de aanvechting in me opkomen mijn kauw te pijnigen. Slechts ternauwernood kon ik deze aanvechting onderdrukken. Dagenlang bezwaarde dit mij.     *       Het was ook rond die tijd dat mijn kauw zijn kartonnen doos ontgroeide en een nieuwe thuis nodig had. Aan de achterkant van de fabriekshal had ik een ijzeren kooi opgemerkt die daartoe dienst kon doen. Die kooi stond al maanden te verroesten tussen stapels kapotte palletten. Ze bestond uit dunne tralies, van boven naar beneden en van links naar rechts, die op ideale afstand van elkaar stonden, en was ongeveer anderhalve meter lang en een meter breed. Enkel bovenaan was de kooi helemaal open, maar dat was geen bezwaar aangezien mijn kauw al wel wat fladderde maar nog niet kon vliegen. Tijdens een middagpauze wrikte ik de kooi los uit de stapel palletten en begon ik ze te verslepen. Ze was zwaarder dan ik gedacht had en trok twee diepe voren over de gehele lengte van het grasveld. Ik hoopte maar dat niemand hier aanstoot aan zou nemen. Uiteindelijk, met alle macht die ik in me had, kreeg ik de kooi waar ik ze hebben wilde, aan de rand van het bos waar mijn kauw vandaan kwam. Mijn kauw echter wou niet van zijn kooi weten. Vrijwel onmiddellijk nadat ik hem er met doos en al inzette, begon hij als een bezetene rond te fladderen. De houtvezel, die als bodembedekker dienst moest doen, stoof alle kanten uit. Uiteindelijk lukte het hem warempel de meter naar de bovenkant van de kooi te overbruggen en ging hij zitten op de bovenste tralie. Hij hield zijn kopje wat scheef, keek eerst naar beneden de kooi in en vervolgens recht naar mij, en kraste triomfantelijk ‘kà’. Opnieuw gingen de donsjes op zijn kop recht overeind staan. Die bovenste tralie werd zijn plekje. Ik haatte het hoe hij daar, dag in dag uit, zat. Alleen. Dof. Teneergeslagen. Vlakbij het bos waar de kauwen huisden, en tegelijkertijd werelden ervan verwijderd. Ik had mij een kauw gedroomd en zat met een schim opgescheept. Met een wezen dat wel de mogelijkheid in zich droeg kauw te zijn, maar het niet was. Hij herkende de geur niet van de kauwennesten die als het geregend had indringend het bos uitgewasemd kwam. Hij reageerde niet op het balorige gekras waarmee de echte kauwen hoog in de lucht met halsbrekende stunts hun vrijheid vierden. Mijn kauw zat op zijn tralie, had alleen maar oog voor de grote poort en wachtte geduldig. Op mij. Van zodra hij mij ’s middags uit de grote poort tevoorschijn zag komen, veranderde er iets in zijn voorkomen. Hij richtte zich wat op, als flakkerde er wat hoop in hem. Terwijl ik hem dan tegemoet stapte, het grasveld over, en zo hoog en schril ik kon zijn roep nabootste -‘kà’- kwam hij mij tegemoet gevlogen. Elke dag waagde hij de oversteek van wat verder weg. En elke dag zweefde hij wat mooier en plantte hij wat trefzekerder zijn klauwtjes in het vlees van mijn schouder. Het was daar, op mijn schouder, dat hij thuiskwam. Onmiddellijk na de landing trok hij met zijn uitwerpselen lange, witte strepen op mijn rug, als markeerde hij zijn territorium. Ik begon zowaar te twijfelen aan de wetenschap dat vogels hun sluitspier niet controleren kunnen. Hij zat op mijn schouder terwijl ik naar de rand van het grasveld wandelde. En hij zat op mijn schouder terwijl ik me daar op een stapel palletten neerzette. En terwijl ik mijn brooddoos opende, keek hij van op mijn schouder nieuwsgierig toe. Kipcurry was zijn favoriet. Als hij dat tevoorschijn zag komen, eiste hij nog dwingender dan anders zijn deel. Treuzelde ik wat te lang, dan pakte hij mijn oorlel beet, in zijn bek en begon hij eraan te snokken. Eerst zachtjes –bijna teder- maar allengs krachtiger. Dit irriteerde mij mateloos. Soms spande ik mijn middelvinger op achter mijn duim en liet ik hem vervolgens met volle kracht schieten tegen de zijkant van zijn kop. Nadien stemde dit mij droevig. Ik wilde hem geen pijn doen. Maar ik kon het ook niet tegenhouden. Na het eten wandelden we terug naar zijn kooi en zette ik hem daar, op zijn tralie, neer. Maar dat werd alsmaar moeilijker. Hij wou op mijn schouder blijven. In het begin lukte het mij nog hem af te leiden door stukjes kip curry op zijn tralie neer te leggen, maar tegen het einde van mijn tijd in de fabriek werkte ook dat niet meer.     *       Het moet mijn laatste week geweest zijn. Ik had mijn kauw net achtergelaten op zijn tralie met wat brokjes kipcurry en was het grasveld al bijna helemaal overgestoken toen ik plots, slechts enkele meters voor ik de grote poort van de fabriekshal binnenging, zijn klauwtjes op mijn schouder voelde. Woedend sloeg ik mijn kauw van me af. Ik stapte pisnijdig naar de stapel palletten aan de zijkant van het grasveld, trok er een groot pallet tussenuit en sleurde dit richting de kooi. De hele weg over het grasveld bleef mijn kauw proberen zijn plaats op mijn schouder te heroveren. Pas aan zijn kooi stond ik hem toe te landen, maar enkel zodat ik hem grijpen kon. Ik smeet hem ruw zijn kooi in en plofte zo snel ik kon het pallet er bovenop. Het duurde enkele tellen vooraleer ik mijn ademhaling terug onder controle had. Toen stapte ik met een verbeten trek rond mijn mond en een wee gevoel in mijn buik naar het kot van de verfmenger om mijn staal te laten controleren.           6       HET AMULET Herinneringen waar de tijd geen vat op heeft, ook dat zijn sleutels. Het is twintig jaar geleden, maar ik zie het voor me, als gebeurde het gisteren. Ik bevind mij in het kot van de verfmenger. Maar hij is er niet. ‘Vreemd,’ denk ik. Ik zet mijn staal op tafel en stap tot bij de glazen wand. Ik tuur de donkere fabriekshal in maar ook daar is hij nergens te bespeuren. Dan zie ik plots vanuit de duisternis, als in een nachtmerrie, mijn kauw opdoemen. Hij zweeft, oneindig langzaam, recht op mij af. ‘Hij ziet me hier staan, in het felle licht,’ realiseer ik mij. Ik begrijp onmiddellijk wat er gaat gebeuren. ‘Hoe is dit mogelijk?’ flitst het nog door mijn hoofd. ‘Het pallet? Heeft hij zich door de latten geworsteld?’ Dan is mijn kauw plots vlakbij en strekt hij zijn klauwtjes om te landen op mijn schouder. Onbewogen kijk ik toe hoe hij zich te pletter stort tegen het glas. Het volgende moment ligt hij roerloos op de grond. Zijn kraalogen staren me uitdrukkingloos aan. Wat er dan over mij komt, vervult me zelfs vandaag nog met afschuw. Ik gil niet. Ik krimp niet in elkaar. Doorheen het glas monster ik het lijkje en denk ik ‘de cirkel is rond. Hij ziet er nu uit zoals toen ik hem voor het eerst zag. Een tegennatuurlijk scharminkel. Een hoop botten en een bek.’ Dan begin ik hysterisch te lachen. En hysterisch lachend verdwijn ik. Ik ga de fabriekshal niet in. Ik neem mijn kauw niet teder in mijn handen. Noch draag ik hem wenend naar een laatste rustplaats. Ik laat het lijkje liggen. En verdwijn. In mijn appartement kijk ik voor de tweede keer naar The Lion King. De knokige hand van Rafiki plukt iets uit de lucht dat de wind, over de savanne, tot aan zijn baobab geblazen heeft. Hij snuift er onderzoekend aan. Dan lichten zijn ogen op. ‘Simba! He’s alive!’ roept hij extatisch uit. Dansend begeeft hij zich naar de beeltenis op zijn baobab, van een half weggevaagde Simba. Hij doopt zijn vingers in het vlees van een vrucht en geeft het leeuwtje, als was het een kroon, prachtige rode manen. Pas dan rollen de tranen over mijn wangen. ‘It is time,’ prevelt Rafiki nog voor zich uit en het voelt alsof hij die woorden aan mij persoonlijk richt. Een ijskoude rilling loopt langs de gehele lengte van mijn rug. De volgende dag is het lijkje van mijn kauw verdwenen. Ik haal zoals elke voormiddag mijn pot lijm en mijn stapel etiketten en verdwijn daarmee in het bos van vaten. Gehurkt zit ik een tijdje rustig te lijmen tot plots, vanachter een vat, de verfmenger opdoemt. Even schrik ik. ‘Wat doet hij hier?’ Vrijwel onmiddellijk daarna begrijp ik dat dit mijn laatste dag in de fabriek is. Vanuit een ooghoek, terwijl hij nadert, monster ik zijn aangezicht. Vooral veel blauw, en wat rood rond de neus. ‘Paars?’ grinnik ik hem toe bij wijze van begroeting. Dat was ons ritueel. Ik keek naar de spetters in zijn aangezicht en probeerde te raden welke kleur er in zijn ketel zat. Maar vandaag reageert hij niet. Hij hurkt naast me neer en neemt mij zwijgend de kwast uit handen. Hij begint te lijmen, maakt geen aanstalten om te spreken en kijkt me niet aan. De stilte voelt als een derde persoon. Ik kan er niet meer tegen en open mijn mond om iets te zeggen. Hierop heeft hij gewacht: ‘Beire, waar zijt gij eigenlijk mee bezig?’ ‘Etiketten plakken’, reageer ik. Dat bedoelt hij natuurlijk niet. ‘Wat zijt gij hier eigenlijk aan het doen?’ herhaalt de verfmenger. Alvorens ik zijn vraag opnieuw kan ontwijken, draait hij zich om en kijkt hij me recht in de ogen. Voor het eerst zie ik hoe helder –bijna geel, te midden de rode en blauwe spetters- de irissen van zijn ogen zijn. Hij priemt de kwast in mijn gezicht -ik ruik de lijm- en zegt dan, bijna dreigend: ‘Wat moet er, behalve ontploffende ketels, en vogels die zich te pletter vliegen, nog meer gebeuren vooraleer gij doorkrijgt dat ge hier niet thuishoort?’ Dan laat hij de kwast op de grond vallen. Daarmee is ook alle dreiging weg. Hij legt zacht zijn ene hand op mijn schouder en met de andere drukt hij me iets in de hand. Ik kan niet zien wat het is omdat hij onze handen verstrengeld houdt. Hij schudt langzaam zijn hoofd, en als een mist legt zich over zijn ogen een grote treurnis neer, terwijl hij zijn laatste woorden tot mij spreekt. Die klinken als een mantra en de dagen nadien hoor ik ze opnieuw en opnieuw. ‘Ik weet niet waar,’ zegt hij traag, ‘maar niet hier.’ En met die woorden verdwijnt hij opnieuw achter de vaten. En uit mijn leven. En ik kan het niet anders zeggen maar het lijkt alsof ik niet in het gezicht van de verfmenger gekeken heb, maar in mijn eigen gezicht. Misschien is de verfmenger helemaal niet in de buurt geweest. Misschien ben ikzelf het wel geweest die, in een finaal moment van helderheid, die woorden voor me uit gepreveld heb: ‘Ik weet niet waar, maar niet hier.’ Net als ik begin te denken dat ik me alles ingebeeld heb, voel ik dat er nog steeds iets in mijn hand ligt. Ik doe mijn hand open en kijk. Daar ligt het amulet. Het duurt een hele tijd voor ik begrijp dat de veren die ik zie, de veren van mijn kauw zijn. En dat de verfmenger ze gekleurd heeft. In zeewaardige kleuren.   7       THUIS ‘Papa? Wat is dat?’ De film is al even afgelopen en we liggen met z’n allen nog wat na te babbelen. ‘Wat bedoel je?’ ‘Dat in jouw hand.’ Ik merk nu pas dat ik het amulet nog steeds vasthoud. ‘Mijn amulet,’ zeg ik stilletjes. ‘Mooi he? Kijk, je kan zo over de veertjes aaien. Maar niet zó doen he, want dan gaan ze kapot.’ Max gaat voorzichtig, met één vingertje, over de veertjes. Toby durft niet. ‘Papa? Wat is dat,’ vraagt hij opnieuw. ‘Ben je de naam vergeten, schat?’ Hij knikt. ‘Een amulet,’ herhaal ik, ‘En moet ik eens vertellen waar dat voor dient?’ Dat is natuurlijk exact wat hij wil. ‘Dit amulet,’ zeg ik geheimzinnig, ’wijst altijd de juiste weg naar huis. Als je verloren bent, en je weet niet meer waar je woont, moet je niet bang of verdrietig zijn. Want met dit amulet vind je altijd de juiste weg terug.’ ‘Echt?’ vraagt Toby en nu raakt hij het met één vingertje aan. ‘Niet waar,’ bromt Max. Maar niettemin neemt hij het amulet steeds nadrukkelijker in zijn hand. Dan kijkt hij me poeslief aan. ‘Papa?’ ‘Nee,’ anticipeer ik op de vraag die gaat komen, heftiger dan mijn bedoeling was, ‘jullie krijgen het niet.’ De kinderen beginnen te zeuren. ‘Jongens, dat amulet is mijn belangrijkste herinnering ooit,’ probeer ik hen uit te leggen, ‘en daarbij, het verliest zijn kracht als ik het doorgeef.’ ‘Papa, in dit huis liegen we niet,’ kom jij kordaat tussen, en dan: ‘Komaan, gij hebt dat toch niet meer nodig? Gij kent uw weg naar huis toch al jaren.’ Ik probeer je met een vuile blik het zwijgen op te leggen. ‘Ja, papa,’ treedt Max je bij, ‘en je hebt al een gps ook trouwens!’ ‘Daarbij,’ zeg je langs je neus weg, ‘ge zou beter een amulet hebben dat de juiste weg naar uw kinderen wijst, zodat die niet heel de tijd van de trap donderen.’ ‘Max! Klikspaan!’ roep ik verontwaardigd uit. Max lacht een boosaardig lachje en maakt van de gelegenheid gebruik om mijn amulet van me af te pakken. Even later rollen we met z’n allen over elkaar heen. De kinderen gillen ‘vleeshoop’ Ik herover mijn amulet. ‘Ten aanval,’ gillen de kinderen. Ik worstel mij recht en steek mijn amulet hoog boven me uit. ‘Jullie mogen allemaal op jullie kop gaan staan,’ roep ik pathetisch, terwijl de kinderen tegen me op springen, ‘jullie krijgen het niet. Van mij!’ ‘Mama!’ roepen de kinderen in koor. ‘Papa doet gemeen.’ ‘Jongens, papa heeft gelijk,’ zeg jij gelaten, ‘het is zijn amulet en als hij het wil houden, dan mag hij dat.’ ‘Dank u,’ zeg ik. ‘Ook sommige volwassenen vinden delen nog moeilijk,’ zeg je fijntjes. Gelukkig zijn de kinderen te moe om nog verder te strijden. Ze nestelen zich terug tussen hun knuffels, pruttelen nog wat na en vallen een paar tellen later in slaap.       *   ‘Je hebt gelijk,’ zeg ik wat later. ‘Ik weet het,’ zeg jij. Meer woorden hebben we niet nodig. We wurmen ons stilletjes uit de omhelzing van onze slapende kinderen en beginnen hier en daar kasten en schuiven open te trekken. In een bak speelgoed vinden we eindelijk wat we zoeken: een oude sleutelbos. We zetten ons naast elkaar aan de keukentafel. Jij begint de sleutelbos te demonteren. Geduldig wrik je sleutel na sleutel los, tot je alleen de ijzeren ring overhoudt. Ondertussen haal ik drie veren uit mijn amulet, door de ijzerdraadjes los te prutsen van de centrale ring. Ik reik je die drie veren aan, en jij hecht ze terug vast, ditmaal aan de nieuwe ring. En zo ligt daar dan plots een tweede amulet op tafel. Je schuift het over tafel mijn kant uit en kijkt me aan. Nog steeds zonder woorden staan we recht en stappen we de living in, waar onze kinderen diep liggen te slapen. Ik kniel bij Max neer. ‘Hier Max,’ zeg ik en ik leg een amulet naast zijn hoofd, ‘voor als het tijd is om thuis te komen.’ Even nog wrijf ik hem over de borst. ‘Maar wel eerst goed verloren lopen he.’ Dan kniel ik bij Toby neer en doe ik hetzelfde. Daarna kegelen we hier en daar een popcornknots opzij en nestelen we ons tussen onze kinderen in. Je legt je hoofd op mijn schouder en ik streel rustig je zwarte haren. Zo liggen we wat voor ons uit te staren, beiden in gedachten verzonken. ‘Bert?’ vraag je uiteindelijk. ‘Ja?’ ‘Heb ik vandaag eigenlijk al gezegd dat ik u graag zie?’ ‘Nee,’ zeg ik. Net te laat besef ik dat ik in je val getrapt ben. ‘Dan zal ik daar wel een reden voor hebben,’ zeg je kurkdroog. We schateren het uit van het lachen. ‘Shhht,’ zeggen we tegelijk, ‘nu zijn we er eens vijf minuten vanaf.’ Opnieuw nestelen we ons in elkaars armen. En opnieuw is het stil. Ik luister naar je adem. ‘Schat?’ ‘Ja?’ zeg jij, op je hoede. ‘Ik zie u ook graag.’ Een beetje later vallen we, met onze kinderen aan onze zij, in slaap. Overal rond ons, strekt de toekomst zich uit, onpeilbaar als een zee, maar hier zijn we thuis.  

Bert Aerts
9 1

De Verfmenger

1       THUIS Bij ons thuis is de eerste nacht van elke vakantie filmnacht. Dan sleuren we matrassen, donsdekens, kussens en knuffels naar beneden, schoppen we de salontafel aan de kant en maken we onze nest voor één nacht in de living. Ons Lobke –de hond- snapt er niks van. Vanavond staat The Lion King op het programma dus mogen alle katachtigen meekijken. Dat hebben Max –zeven jaar- en zijn broer Toby –vijf- net samen beslist. Vandaar de verzameling leeuwen, tijgers, jachtluipaarden en panters in hun armen terwijl ze met driftige pasjes op me afgestormd komen. ‘Uit de weg, papa!’ gillen ze opgewonden. ‘We kunnen niet door!’ Ik sta bovenaan de trap, in gevecht met de laatste matras die naar de living moet. ‘Rustig,’ zeg ik, met langgerekte klinkers en zo diep ik kan, als om een tegengewicht te bieden aan hun hoog oplopende stemmetjes. ‘Voorzichtig,’ zeg ik ook nog. Op exact dezelfde toon. Ik zet een stapje opzij. Onmiddellijk trippelen mijn kinderen me hijgend voorbij. En dan gaat het mis. Toby struikelt over de staart van één van de katachtigen in zijn armen, een grote tijger denk ik, en katapulteert zich zo het gat van de trap in, hoofd vooruit. Handen heb ik –vanwege de matras- niet vrij dus steek ik, in een ultieme poging hem te redden, een been uit. Ik probeer hem te knellen tegen de trapleuning. Helaas, dat lukt niet. Hij duikelt mijn been over en is een fractie van een seconde later helemaal buiten mijn bereik. Ik kan enkel nog toekijken hoe hij, als in slow motion, een koprol maakt over de volledige lengte van de trap. Ik zie hem beide handjes voor zich uitsteken. Het volgende moment ligt hij beneden op de grond. Roerloos. ‘Misschien valt het nog mee,’ flitst het door mijn hoofd, ‘het zag er zo sierlijk uit.’ Een eeuwigheid gebeurt er niets. Dan krabbelt hij recht, gilt zo hard hij kan: ‘Geen pijn! Dikke duim!’ steekt olijk zijn duim in de lucht en begint te schateren van het lachen. De wereld begint opnieuw te draaien. Ik duw de matras tegen de muur, haast me naar beneden en hurk daar bij Toby neer. ‘Venteke toch! Pijn gedaan?’ vraag ik terwijl ik in de zwarte haartjes rond zijn kruintje kriebel. ‘Knuffel nodig?’ ‘Nee! Papa! Stop!’ Hij slaat me van zich af. Hij wil dat ik zwijg, want Max spreekt. Die heeft alles zien gebeuren en is zwaar onder de indruk: ‘Wow, Toby!’ gilt hij, ‘What the piep! Precies een echte stuntman!’ Toby glimt van trots. ‘Nog een keer?’ vraagt Max enthousiast. Toby haalt de schouders op. ‘Okee.’ ‘Niks van!’ roep ik uit, ‘Veel te gevaarlijk!’ en vervolgens, terwijl ik hen beurtelings streng in de ogen kijk en al mijn wijsvingers en wenkbrauwen de lucht in gooi: ‘Jongens! Dit is ons geheim! Niks tegen mama zeggen. Beloofd?’ Maar ze beloven niets. Ze zijn al weer verdwenen. Ik krabbel dan ook maar recht. Puffend ga ik de trap weer op en sleur ik mijn matras verder naar beneden. ‘All in a day,’ zucht ik.     *       ‘Ik moet mijn amulet halen,’ bedenk ik me dan, terwijl ik mijn matras in de living naast de andere neerplof, ‘ik kan niet na al die jaren terug naar The Lion King kijken zonder mijn amulet.’ Dus zet ik me op weg naar de zolder. Vanop de overloop van de eerste verdieping zie ik dat Max en Toby zich ondertussen in de speelkamer bevinden. Ze staan met hun rug naar me toe, broederlijk naast elkaar, tussen een gigantische berg knuffels en merken niet dat ik even halt houd om naar ze te kijken. ‘Nee Toby,’ hoor ik Max zeggen, op een toon die half geïrriteerd, half geduldig is, ‘een kikker is géén katachtige. Dat is een soort vis. Maar dan met poten. Die woont in het water.’ Hij heeft zijn hand bemoedigend op de rug van zijn broer gelegd. Toby kijkt, met hangende schoudertjes, teneergeslagen naar de grond. Hij houdt zijn kikker vast. Hij mummelt iets maar ik kan niet horen wat. ‘Mijn amulet,’ denk ik, en ik sluip stilletjes verder, de trap op naar de zolder. Daar duurt het even vooraleer ik een haalbare route bepaald heb, maar dan zet ik achtereenvolgens een voet over een paar zakken babykleding, vind ik vervolgens een plekje voor mijn volgende voet door er -terwijl ik me vasthoud aan een verzorgingstafel- een hoop duplo mee opzij te schuiven en stap ik, tenslotte, over een doos houten babypuzzels, middenin een zak, met daarin andere zakken. Zo kom ik uiteindelijk bij een stapel bananendozen die alle hetzelfde opschrift dragen: belangrijke herinneringen. Ik weet onmiddellijk welke doos ik nodig heb. ‘Hoe komt het dat ik dit nog weet?’ vraag ik me af, ‘ze zien er allemaal hetzelfde uit.’ Even later sta ik met een metalen doosje in mijn handen. Ik doe het open. Daar ligt het amulet. Het ziet er nog exact uit zoals ik het mij herinner: Zes veren. In zes verschillende kleuren. Rond elke steel zorgvuldig een ijzerdraadje gewikkeld. En daarmee vastgehecht aan een centrale ring. ‘De kleuren hebben niets van hun intensiteit verloren,’ denk ik ontroerd, ‘zelfs na al die jaren.’ Ik ga zitten op een oude versterker en neem het amulet uit het doosje. Ik voel het in mijn hand liggen. Met mijn wijsvinger streel ik voorzichtig de veertjes. Opnieuw en opnieuw. En net zoals een lang vergeten geur een mens instant kan terugwerpen naar een andere tijd, net zo overrompelt mijn amulet mij, hier op deze zolder, met oud verdriet, en met dankbaarheid. Herinneringen komen daar helemaal niet aan te pas. Mijn hart zwelt en mijn ogen vullen zich met tranen. Ik hoef niet terug te denken aan de gebeurtenissen die plaatsvonden twintig jaar geleden in de fabriek.     *       Langzaam maar zeker dringt geroep tot mij door: ‘Bert!’ en dan opnieuw, dringender: ‘Bèèrt!’ ‘Dat ben jij,’ realiseer ik me eindelijk met een schok, ‘en je klinkt serieus kwaad.’ Ik spring recht van mijn versterker, struikel de zolder uit en storm de trap af, ondertussen ‘jahaa, ik kom’ roepend. Beneden sta je mij inderdaad op te wachten, met Toby op je arm. Je geeft me onmiddellijk de volle laag: ‘Waar zit jij in hemelsnaam? Onze Toby is hier kei hard aan het wenen!’ Je gebaart naar Toby, die als was het om je woorden kracht bij te zetten, zijn keel nog wat verder openzet. ‘Ik ben in de keuken bezig he! Gij ging op de kinderen letten!’ ‘Ja, sorry, ik was eventjes op zolder,’ mummel ik ter verdediging en dan, vooral om de aandacht af te leiden: ‘Wat is er aan de hand Toby?’ ‘Max zegt dat mijn kikker niet mee naar de film mag kijken,’ snottert hij. Eerst versta ik hem niet maar dan zie ik de kikker in zijn handjes. ‘Mijn God,’ denk ik bij mezelf, ‘Dit gaat nog altijd over die kikker.’ ‘Ja papa,’ verdedigt Max zich, ‘alleen katachtigen mogen meekijken. Dat hadden we afgesproken!’ Hij heeft zijn lichaam op een vreemde manier over de trapleuning geplooid en wiegt ritmisch heen en weer. ‘En een kikker is géén katachtige!’ Die laatste zin gooit hij Toby briesend naar het hoofd. Hij is gestopt met wiegen. ‘Mijn kikker is wél een katachtige,’ krijst Toby terug, zo hard hij kan. Nu die op jouw arm zit, durft hij duidelijk wat meer. ‘Jongens! Jongens! Stop!’ roep ik, terwijl ik in een poging de situatie te ontmijnen, tussen hen in ga staan. Ik begrijp wat er gebeurd moet zijn. Bij hoog en laag volhouden dat een kikker een katachtige is, daarmee krijg je Max wel over het randje. Die heeft Toby natuurlijk een enorme klap verkocht. Vandaar dat hij daar zo schuldbewust over de trapleuning hangt te wiegen. Ik kijk Toby recht in de ogen: ‘Toby,’ zeg ik helder, ‘een kikker is geen katachtige.’ Ik schud begripvol het hoofd. ‘Sorry venteke.’ Jij streelt hem zachtjes over zijn rug. ‘Zie je nu wel!’ komt Max tussen. ‘Ik zei het toch!’ En hij laat zijn frustratie nog even de vrije loop met een welgemeende ‘echt he!’ ‘En ook geen ‘vis met poten’ Max!’ kaats ik onmiddellijk terug. ‘Ow.’ Hij voelt zich duidelijk opgelaten en begint opnieuw over zijn leuning te wiegen. ‘Een amfibie Max,’ plaag ik hem, ‘een kikker is een amfibie. Euh, hallo juf Lies? Is er nog plaats in de eerste kleuterklas?’ ‘Ow,’ zegt hij opnieuw. Ik peil je blik. Even houden onze ogen zich vast aan elkaar. Je lijkt niet meer kwaad. Integendeel. Je probeert met alle moeite van de wereld je lach in te houden. Ik leef op, en richt me dan opnieuw tot Toby: ‘Volgende keer kijken we naar een film van amfibieën schat,’ zeg ik. ‘Beloofd. En dan mag uw kikker meekijken.’ Geen reactie. ‘Toby? Gaat uw kikker dan meekijken volgende keer?’ probeer ik nogmaals. Helaas, er komt geen antwoord op die vraag. Toby begint opnieuw te huilen, zo mogelijk nog hartverscheurender dan voorheen. En doorheen dat gehuil begint Max hysterisch te brullen: ‘Auw Toby! Stop! Mijn oren! Ik haat jou!’ Opnieuw zoek ik je blik, maar ditmaal geef je niet thuis. En dan, terwijl ik me bedremmeld sta af te vragen wat er net gebeurd is, neem jij het heft in handen. *       ‘Venteke toch,’ fluister je Toby toe, ‘laat eerst al uw verdriet er maar eens uit. Laat u maar eens goed gaan.’ Toby doet exact wat je vraagt. Je streelt hem over zijn rug. Terwijl hij, tussen twee uithalen door, eventjes naar adem hapt, kijk je Max aan. ‘Ik weet het schat.’ Je wijst naar je oren en trekt een gek gezicht. ‘Nijp ze toe, dat helpt.’ Max doet wat je vraagt. ‘Amai, Bert, knap hoor,’ sis je mij vervolgens sarcastisch toe, ‘dikke duim!’ Ik trek een zuur mondje en draai met mijn ogen. Zo staan we daar een hele tijd te staan, tot iedereen uiteindelijk een klein beetje mildert. ‘Komaan he,’ zeg je dan. ‘Het is filmavond. We gaan ons toch niet laten kennen zeker. We vinden wel een oplossing. Daar zijn wij super goed in.’ Iedereen pruttelt wat. ‘Misschien Toby,’ ga je aarzelend van start, ‘is uw kikker eigenlijk een katachtige, maar dan in de vorm van een kikker.’ ‘Wablief mama?’ vraagt Max. ‘Waar wil ze naartoe,’ denk ik. Toby is gestopt met wenen en luistert aandachtig. Je kijkt heel ernstig. ‘Er bestaan bijvoorbeeld ook zeehondjes in de vorm van ijsberen’, zeg je, ‘en poesjes in de vorm van konijntjes. Die huppelen dan zo rond in het gras, met oren van een konijn, en zo’n wit staartje en helemaal fluffy. Maar vanbinnen voelen die zich een poes.’ ‘Hoe bedoel je mama,’ vraag Max. ‘Dit werkt nooit,’ denk ik. ‘Dat is eigenlijk heel verdrietig,’ ga je door. ‘Die konijntjes willen miauw zeggen en muisjes vangen, maar dat lukt natuurlijk niet. Zo bestaan er ook meisjes in de vorm van jongens. En jongens in de vorm van meisjes. Of schrijvertjes in de vorm van teamleiders.’ Die laatste zin is natuurlijk een sneer naar mij. ‘En prinsesjes in de vorm van huisvrouwen,’ steek ik terug. Je doet alsof je me niet hoort. ‘Toby? Zou het kunnen dat uw kikker eigenlijk een katachtige is?’ Toby begint opnieuw te huilen, maar ditmaal een andere soort tranen. ’Ja,’ snottert hij, zielsblij. ‘Een babyjaguar.’ ‘Een babyjaguar,’ herhaal jij. ‘Natuurlijk wil die mee naar de film kijken. Wat is dat nu!’ Ondertussen kijk je niet hem in de ogen, maar mij. ‘Breng hem maar snel naar de andere dieren.’ En weg drentelt Toby. ‘Ja, mama!’ roept Max nu verontwaardigd uit. ‘Dat telt niet he! Ze moeten er ook uitzien als een katachtige!’ Wat een onzin, de tranen springen er hem van in de ogen. Je legt zuchtend je hand op zijn rug en geeft hem een duwtje richting living: ‘Ik weet het schat.’ Zo wandelen jullie samen, als waren jullie beste vrienden, de living in. ‘Komaan Max,’ hoor ik je zeggen, terwijl ik achter jullie aan hobbel, ‘work with me. Een amfibie meer of minder.’ Nog even tornt hij eigenhandig het gewicht van de wereld en sloft hij verongelijkt naast je, maar dan zucht hij gelaten: ‘Okee dan mama.’ En weg is hij. Over je schouder kijk je me aan. Triomfantelijk. Je haalt vragend je wenkbrauwen op. ‘Rots,’ zeg ik. En al trek ik nog steeds een zuur mondje, mijn ogen stralen.     *       Net dan gaat het alarm van de oven. ‘Pizzaa!’ joelen we terwijl we met z’n allen de keuken in hollen. Daar laden we elkaars armen vol met snoepdozen, zakken chips en kommen popcorn. Op filmavond is ongezond voor één keer geen bezwaar. Max duwt Toby een gigantische kom marshmallows onder de neus: ‘Hier Toby,’ zegt hij geïrriteerd, ‘pak dan!’ ‘Dat gaat niet,’ roept Toby geïrriteerd terug, ‘ik heb mijn kikker al vast.’ ‘Ja, zet die er dan in he,’ roept Max nog geïrriteerder. ‘Ow,’ zegt Toby, en hij zet zijn kikker tussen de marshmallows. We lachen. Dan lopen we elkaar voor de voeten de living in, en ploffen we uitgelaten neer op een matras. Zie ons daar nu zitten, vier mensen, een hond en twee dozijn katachtigen, waaronder één babyjaguar in de vorm van een kikker, en een poes van vlees en bloed die nu net een schelletje salami van een pizza steelt. ‘Worf!’ gil ik. ‘Smakelijk eten,’ roept Toby en hij steekt zijn duim de lucht weer in, ‘heel bedankt!’ Dan komt de zon op boven de eindeloze vlaktes van de Serengeti en verstoort, tegen de achtergrond van de machtige Kilimanjaro, een familie buffels de ochtendmist. ‘Aah sevenyaah,’ joelen de kinderen mee. Hun ogen zijn gekluisterd aan het beeldscherm. Maar in mijn hand ligt nog steeds het amulet en, terwijl ik gedurig de veertjes streel, ontwikkelt zich voor mijn ogen een andere film.     2       DE FABRIEK De fabriek waarin ik een jaar lang verloren liep –dat moet nu twintig jaar geleden zijn- kon symbool staan voor mijn leven. Ik snapte er geen ene moer van. Ik wist niet welke de grondstoffen waren die de heftruckchauffeur –een stugge man die deed of ik niet bestond– op gezette tijden de fabriekshal binnenreed, ik wist niet wat de naam was van de dikke, zilveren brij die we produceerden en ik wist niet wat de bestemming was van de grote, blauwe vaten waarin we de brij uitstortten. Elke ochtend in de kleedkamer ontdeed ik mij van mijn kleren en stapte ik in mijn werkplunje: lelijke schoenen met een stalen tip, een brede, blauwe broek en een grauw T-shirt. Ook mijn naam liet ik achter in de kleedkamer. In de fabriekshal noemde iedereen mij Beire. Ik haatte die naam maar durfde er niets van zeggen. In de fabriekshal stond een gigantische ketel, zes meter hoog schat ik, waarrond een platform en een trap gebouwd waren zodat iemand de grondstoffen in een opening bovenaan kon kappen. In het begin was die eer mij een aantal dagen te beurt gevallen, maar dat was faliekant fout gelopen. Eerst kwam er dikke, zwarte rook uit de opening bovenaan, wat later ging er een oorverdovend alarm af en het eindigde met brandweersirenes en de evacuatie van het hele bedrijvenpark. Ik had geen idee wat er gebeurd kon zijn maar dat de oorzaak bij mij lag, daar twijfelde ik niet aan. Er werd mij niets gevraagd en ik vroeg niets. Ik werd voor de rest van de dag naar huis gestuurd. Die dag alleen in mijn appartement keek ik voor het eerst naar The Lion King. En zag een sleutelscène: Terwijl Simba pluk de dag doet met Timon en Pumba –god, wat heb ik een rothekel aan dat achterlijke wrattenzwijn en die irritante stokstaart- verschijnt daar eindelijk ten tonele de ziener Rafiki. Mandril, geen baviaan. Oude knoken, grijze manen. Staf in de hand. Hij komt Simba zoeken in dat holle leven dat het zijne niet is, sleurt hem eruit –‘You follow Rafiki, he knows the way’- en brengt hem naar het water. Maant hem daar, met een klap op z’n kop, tot stilte en gebiedt hem te kijken: ‘Look harder, Simba. You have forgotten who you are. You are more than you have become.’ Ook het oerwoud heeft zijn spiegels. Ik hapte naar adem en weende dikke tranen. En had geen idee van waar die kwamen. Bizar dat ik toen niet zien kon wat vandaag zo helder is: Die Simba, dat was ik. Ik hunkerde met heel mijn verloren gelopen wezen naar een Rafiki. En een klap op mijn kop. De volgende ochtend in de kleedkamer repte niemand met een woord over het incident van de dag voordien, maar eens in de fabriekshal stapte iemand anders zwijgend de trap naar mijn platform op. Ik was opnieuw tot de begane grond veroordeeld. Wat ik daar dan geacht werd te doen, werd mij pas duidelijk toen de heftruckchauffeur vanuit het magazijn de fabriekshal binnengereden kwam. Hij denderde met een pallet vaten recht op mij af, veel sneller dan nodig was, en zette het bruut neer, exact waar ik stond rond te lummelen. Ik kon nog net op tijd opzij springen. Ik begreep dat ik tot vatenvuller gedegradeerd was. Elke ochtend herschiep de heftruckchauffeur de fabriekshal in een bos van vaten, als een woesteling, en de gehele voormiddag hield ik me in dat bos schuil. Ik zeulde een emmer lijm en een stapel etiketten met daarop driehoekige waarschuwingstekens -danger, corrosive- achter me aan en hurkte zo, lijmend, van vat tot vat. Hoog boven mij, op het platform, prepareerde ondertussen iemand anders de zilveren brij. In de namiddag, als de brij klaar was, vulde ik de vaten. Ik manoeuvreerde pallet na pallet naar de onderkant van de ketel, opende de zware afvulkraan die zich daar bevond en keek lusteloos toe hoe de zilveren brij zich in de vaten stortte. Daarna sloot ik de kraan en duwde ik hijgend de loodzware paletten terug het bos in. Maar alvorens ik van start kon gaan met vaten vullen, moest ik een staal ter controle binnendoen. Dat deed ik vlak na mijn middagpauze. Zo leerde ik de verfmenger kennen.       3       DE INDIERS Het kot van de verfmenger was eigenlijk een havencontainer –van Maersk of zo- die droogweg tegen een wand van de fabriekshal aangeduwd leek. De container was aan alle kanten wit, maar de zijde gericht naar de fabriekshal bestond volledig uit glas. Binnenin was het zo licht dat het zelfs van hieruit –ik bevond mij aan de onderkant van de gigantische ketel- pijn aan de ogen deed. Ik had net een sliert van de zilveren brij in een aluminium potje opgevangen en zette me schoorvoetend op weg naar het kot. Terwijl ik het bos van vaten doorkruiste, zag ik doorheen de glazen wand de verfmenger duidelijk staan. Hij bevond zich bij een centraal geplaatste ketel en was druk in de weer met wat een elektrische mixer leek. Zoals altijd had hij zijn lange, witte stofjas aan. Ik vroeg me opnieuw af wat ik me al zo vaak afgevraagd had: Wat staat hij daar in hemelsnaam de godganse dag te doen? Wat brouwt hij in die toverketel van hem? En waarom in deze donkere fabriekshal, achter een glazen wand, als een gekko in een terrarium van licht? Later zou de verfmenger op al die vragen antwoord geven. Dan zat ik daar, in het licht van zijn kot, en staarde ik de duistere fabriekshal in terwijl hij, roerend in zijn ketel, zijn vreemde verhalen vertelde. Tot op de dag van vandaag weet ik niet zeker of hij de waarheid sprak, en misschien is dat ook niet belangrijk. Bij één van die gelegenheden vertrouwde hij me toe wat er in zijn ketel zat. ‘Ik brouw nieuwe kleuren,’ fluisterde hij, met nauwelijks verholen trots, als betrof het een heilige taak. ‘Nieuwe kleuren?’ vroeg ik. ‘Voor de Indiërs,’ verduidelijkte hij. Hij vroeg me of ik hen ooit ontmoet had. Ik schudde nee. De Indiërs waar hij over sprak, waren de twee eigenaars van de fabriek. Ze hadden een gigantisch bureel dat de gehele tweede verdieping van het hoofdgebouw besloeg. Niemand mocht daar komen en ze waren zelf ook zelden daar, omdat ze -dat was algemeen geweten- altijd op zee zaten, op hun zeilboot. ‘Ondoorgrondelijke wezens,’ prevelde de verfmenger, ‘zelfs als ze Engels spreken, zijn ze volledig onverstaanbaar. Als ze ja bedoelen, schudden ze nee en als ze nee willen zeggen, knikken ze ja. Meestal waggelen ze hun hoofd heen en weer in halve cirkeltjes.’ Zonder een zweem van parodie bootste hij hun hoofdbewegingen na. ‘Het komt er op aan,’ drukte hij me op het hart, ‘om met uitgestreken gezicht mee te waggelen, als was het de normaalste zaak van de wereld, en er dan maar op te hopen dat ze geen onraad ruiken.’ Hij liet een stilte vallen. ‘En natuurlijk hebt ge ze nog nooit gezien,’ vervolgde hij op betweterige toon. ‘Ze hebben een privélift. Rechtstreeks van de parking naar het tweede. Ge denkt toch niet dat ze de trap gaan pakken? En dan u daar tegen het lijf lopen zeker?’ Eens per maand moest hij zich melden in dat gigantische bureel, ging hij door, met één enkele nieuwe kleur. ‘Voor hun zeilboot?’ vroeg ik. De verfmenger knikte. “Voor hun zeilboot,’ herhaalde hij. ‘Soms heb ik visioenen,’ zei hij. Hij was even gestopt met roeren en staarde in zijn ketel. ‘Dan zie ik ze staan, op het dek van hun boot, de blik op oneindig, onwrikbaar als goden’. Het was meer zingen dan spreken wat hij deed. ‘Geruisloos doorklieven ze de zee, die zich overal rond hen uitstrekt, rimpelloos als een spiegel.’ Ik hing aan zijn lippen. Hij zuchtte diep, begon opnieuw in zijn ketel te roeren en vertelde verder. De Indiërs gaven hem geen enkele aanwijzing, behalve dat zijn kleur seaworthy diende te zijn, maar daar had hij naar eigen zeggen niets aan. Bijna altijd werd hij koudweg teruggestuurd. ‘Het gekke is,’ mijmerde de verfmenger, meer in zichzelf dan tegen mij, ‘ze hebben altijd gelijk. Nadien zie ik het ook, maar wat ik ook probeer, op voorhand tast ik in het duister.’ De stilte was totaal en het was in die stilte dat ik mijn volgende vraag stelde: ‘Waarom hier? In het zicht van iedereen, achter een glazen wand?’ Daarop lachte hij luid en zei: ‘Als ik heel de tijd op een witte container moet staren, ga ik geen schoon kleurekes kunnen fabriceren hè Beire!’ Ik vroeg me af wat het dan, in die grauwe fabriekshal, was dat hem inspireren moest, maar die vraag durfde ik niet stellen. Wel had ik sindsdien het onbehaaglijke gevoel dat ik in het oog gehouden werd. ‘Misschien is de verfmenger niet de gekko in het terrarium,’ bedacht ik mij, ‘maar ben ik dat.’ Heel soms raakte zijn nieuwe kleur iets in het hart van de Indiërs. Ze kregen dan tranen in hun ogen en omhelsden elkaar, minutenlang, zonder woorden. De verfmenger wees naar een kast waarop zich zes kleine verfpotjes bevonden. ‘Zes zeewaardige kleuren,’ zei hij. Hij beweerde dat de Indiërs dan eigenhandig hun boot overschilderden en hem nadien meetroonden naar een uitzuipbar, om te vieren. Hij beschreef begeesterd hoe daar dan ‘vrouwen als klassieke godinnen zich ontkleedden en de hele nacht lang, tot de zon weer opkwam, met ontblote borsten voor hen dansten.’ Toen ik opwierp dat ik dat een wel heel treurige manier van vieren vond, om zo ver van huis te moeten betalen voor wat gefingeerde liefde, reageerde hij erg boos. Hij keek me recht in de ogen, met een blik alsof hij van me walgde, en zei: ‘Wat is daar triestig aan, Beire? De éne mens gaat naar een hoerenkot, op duizenden kilometer van huis, en komt daar thuis. En de andere loopt verloren tussen de vaten, in een fabriek achter zijn eigen hoek.’ Maar dat was allemaal later. Nu stond ik met mijn staal in de hand voor zijn deur. Ik had nog nooit met de verfmenger gesproken en stapte onwennig, voor de allereerste keer, zijn kot binnen.     4       CHARLOTTE Toen mijn ogen gewend waren aan het felle licht, zag ik de verfmenger. Hij was als in trance met zijn brouwsel bezig. In alle uithoeken van zijn kot ging hij tubes halen, pigment naar ik veronderstelde. Hij kneep er een beetje van in het mengsel en smeet ze vervolgens op de grond. Dan hief hij zijn zware elektrische mixer in de ketel en begon hij te mengen. Hij had alle moeite om de mixer onder controle te houden. De verfspatten vlogen alle kanten uit. Ik zag ze terechtkomen op muren en meubilair, en langzaam dikke strepen naar beneden trekken. De verfmenger zelf zag er ook bepaald morsig uit. Zijn voorhoofd, zijn wangen en zijn haar zaten onder de vlekken verf. En de lange stofjas die hij droeg was misschien ooit wit geweest, maar was dat al lang niet meer. Elke kleur die hij ooit gefabriceerd had, had daar zijn beslag gevonden, als in een logboek. Het ding moest minstens een halve kilo zwaarder zijn dan toen het nog echt wit was. Nu viel mijn oog op de hoek rechts naast de deur waarlangs ik binnengekomen was. Tientallen beschimmelde schaaltjes met restanten van diepvriesmaaltijden hadden zich daar opgestapeld. In de schaaltjes zag ik onder meer ook koffiepads, broodkorsten en sigarettenpeuken. Misschien bevond zich onder die stapel een vuilbak maar daar was ik niet zeker van. Ik keek rond me en merkte nu pas wat een gigantische puinhoop het overal was. Een orgie van kleuren, en van vunzigheid. De verfmenger deed alsof hij mij niet had zien binnenkomen. Althans, dat veronderstelde ik, aangezien hij luidkeels -en opmerkelijk toonvast- een passage uit Light my Fire van The Doors te berde bracht. Ik kon mij echt niet voorstellen dat dit toeval was. Dat was natuurlijk om mij te jennen. Ik grinnikte. Ik was al lang blij dat er eens iemand niet deed alsof de gebeurtenissen gisteren niet plaatsgevonden hadden. De verfmenger beëindigde zijn schouwspel met een uithaal van jewelste: ‘Try to set the night on fiiiire. Yeah!’ Bij die laatste ‘yeah’ sprong hij met rood aangelopen kop en verwrongen gelaatstrekken de lucht in. Bij het neerkomen ontwaakte hij zogezegd uit trance en merkte hij mij eindelijk op. ‘Hier se! Firestarter!’ riep hij enthousiast. Ik wou ‘Hey Jim,’ zeggen, bij wijze van grap, maar durfde dit niet. In de plaats daarvan knikte ik kort, zonder hem aan te kijken. ‘Seg, hoe lang staat gij hier eigenlijk al?’ vroeg hij, ‘Ik verschiet mij een ongeluk.’ Zonder op die vraag te antwoorden gebaarde ik naar het staal in mijn hand. De verfmenger veinsde verbazing: ‘Hoe? Gij staat toch op het platform? Sinds wanneer moet gij de vaten vullen? Is er iets gebeurd of zo?’ Het theater was dus nog niet voorbij. Ik stond er wat bedremmeld bij en wist niet goed wat zeggen. ‘Grappig hoor,’ mompelde ik uiteindelijk, maar te stil om gehoord te worden. ‘Allez,’ zei de verfmenger, ‘ik zal stoppen met u te plagen. Als ge plechtig belooft niks in de fik te steken, zet uw potteke dan maar op die tafel daar.’ Hij wees naar een tafeltje bij de glazen wand. ‘En pakt ne stoel want ik ben hier nog efkes bezig. Er staat drinken onder tafel.’ Onder tafel vond ik inderdaad een pak halve-literflesjes River Cola. Ik nam er een flesje uit, duwde er de rommel op tafel mee opzij zodat ik het neer kon zetten, verplaatste een hoop vuile doeken van de ene stoel naar een andere en ging zitten. Elke namiddag sinds die dag zat ik aan tafel bij de verfmenger, en dronk ik een cola terwijl hij me liet wachten. Hij wist dat ik een ziel op de dool was en bood me een rustplaats. Ik twijfel er niet aan dat hij dat uit mededogen deed. In heel dat lange jaar in de fabriek heb ik me nergens zo dicht bij mezelf gevoeld als daar, in die puinhoop van de verfmenger, terwijl hij in zijn ketel roerde. Een hele tijd later durfde ik hem vragen wat zijn naam was. ‘Raphaël,’ antwoordde hij, voor één keer ernstig, ‘maar zeg maar Rafa.’ Ik knikte. Weldra zou deze Rafa zich ontpoppen. Tot mijn Rafiki.     *     ‘Allez, we zullen uw kwakske eens inspecteren,’ zei hij die eerste middag, na pakweg een kwartier. Hij kwam op me af en griste mijn staal van tafel. Ik had verwacht dat hij een soort apparatuur zou gebruiken, maar hij doopte gewoon vunzig langzaam zijn middelvinger in de zilveren brij. Ondertussen keek hij me recht in de ogen, stak zijn tong zo ver hij kon uit zijn mond, grimaste en kreunde op wansmakelijke wijze, alsof hij klaarkwam, ‘oh Charlotteke, zo lekker warm.’ Ik voelde me betrapt en krimpte in elkaar. Charlotte was de receptioniste. Hoe kon hij weten wat ik voelde voor haar? Als in een film drongen zich herinneringen aan me op, van mijn eerste dagen in de fabriek, toen ik nog in de cafetaria in het hoofdgebouw ging eten. Opnieuw zag ik voor me hoe ik ’s middags de andere arbeiders een sluis involgde die de fabriekshal met het hoofdgebouw verbond. Niemand zei een woord. In die sluis hielden we halt bij een onopvallende witte bak waarin blauwe plastieken hoesjes zaten. Die moesten we, ik vermoed om de traphal proper te houden, over onze schoenen trekken. Niemand gaf een krimp maar ik voelde mij, terwijl ik de trap opliep, een complete freakshow. Bovenaan die trap, achter een balie, zat Charlotte. Ze was onberispelijk gekleed en schonk me, telkens ik haar passeerde, de meest stralende glimlach. Haar lippen, glanzend van de lipgloss, hield ze daarbij lichtjes uit elkaar. Ze had kuiltjes in de wangen, zomersproetjes en een twinkel in de ogen. En ook al moet ze ongeveer mijn leeftijd geweest zijn, ze had net zo goed van een andere planeet kunnen komen. Ik voelde meer verwantschap met een bonobo. Ik meed steeds zorgvuldig haar blik maar na een paar dagen sprak ze mij rechtstreeks aan, zo onbevangen dat het pijn deed: ‘Hallo. Gij zijt Bert zeker? Ik ben Charlotte. Voelt ge u al wat thuis?’ Ik voelde het bloed naar mijn kop stijgen, klikte mijn blik vast aan de blauwe hoesjes rond mijn lelijke schoenen, stamelde ‘ja’ en maakte dat ik wegkwam. Een intens verdriet overmande me. Sinds die ontmoeting durfde ik niet meer naar de cafetaria en at ik mijn boterhammen alleen op, buiten. De verfmenger merkte dat ik van slag was en lachte een vettige lach. Hij haalde zijn vinger uit de brij, trok enkele draden met zijn duim, hield dan beide vingers vlak onder zijn neus en snoof eraan. ‘Bloemekes en honing’, zuchtte hij smachtend, waarna hij zijn tong zo snel hij kon in en uit zijn mond bewoog, ‘Riekt eens, Beire!’ Hij bracht zijn vingers mijn richting uit. Ik durfde hem niet van me afweren. Gelukkig hield hij snel op. ‘Over Charlotteke gesproken’, zei hij vervolgens, terwijl hij zijn vingers afveegde aan één van de vieze doeken die ik verlegd had, ‘als uw ontploffingske bedoeld was om indruk op haar te maken, mission accomplished, Beire. Knap gedaan.’ Ik keek hem vragend aan. ‘Ja, ik passeerde haar juist en ze vroeg achter u.’ ‘Echt?’ ‘Ja, serieus.’ Hij klonk wat verontwaardigd dat ik hem niet op zijn woord geloofde. ‘Ze vroeg of alles okee was met u.’ Hij liet een stilte vallen, keek me doodernstig aan en ging dan door. ‘Haar onderlip begon wat te trillen, haar ogen werden nat en toen zag ik ineens haar tepels helemaal…’ ‘Fuck off gast,’ onderbrak ik hem, oprecht kwaad, ‘stopt ermee!’ De verfmenger bulderde van het lachen, zijn kop werd vuurrood, en hij riep triomfantelijk: ‘Er zit dan toch iets van leven in de vatenvuller.’ Daarna legde hij warm zijn hand op mijn schouder, keek hij me aan met ogen die straalden en zei ‘Allez, ga uw vaatjes maar vol doen. Tot morgen he!’ ‘Tot morgen,’ antwoordde ik, waarna ik tussen de vaten verdween.           5       MIJN KAUW Er is chaos, en willekeur, en de mens die als een waanzinnige verhalen schrijft. Hij ziet verbanden, die enkel in zijn hoofd bestaan. Hij zegt alles hangt samen met alles, wat net zoveel betekent als niets hangt samen met niets. In mijn hoofd was het zonneklaar dat er van Charlotte een rechte lijn liep naar mijn kauw. Die laatste kwam in mijn bestaan omwille van mijn onvermogen de eerste onder ogen te komen. Sinds mijn ontmoeting met Charlotte ging ik elke middag naar buiten om te eten. Ik gebruikte daartoe de grote poort aan de achterzijde van de fabriekshal. Deze poort, langswaar de heftruckchauffeur de zilveren brij in vrachtwagens met vreemde opschriften laadde, stond altijd open en gaf uit op een grasveld, ter grootte van een voetbalplein. Daarachter lag een bos. Het was in dat bos dat ik tijdens mijn middagpauze beschutting vond. Een hele tijd later –het moet de lente van het daaropvolgende jaar geweest zijn- ontdekte ik daar, in een holte bovenaan een dikke boom, een kauwennest. Onmiddellijk vatte ik het plan op een kauwenjong te roven. Ik stond geen seconde stil bij het welzijn van dit dier. Ik wilde een tamme kauw en dat was dat. Misschien was ik zo ontheemd dat ik niet meer wist dat elk wezen, kauw of mens, ergens thuishoort. Misschien was het andersom, wist ik verdomd goed hoe ik er aan toe was, en roofde ik mezelf een lotgenoot. Weten we eigenlijk ooit wat ons werkelijk drijft? Feit is dat ik diezelfde avond nog terugreed naar de fabriek en daar als een dief in de nacht –wat ik welbeschouwd ook was- via het dak van mijn auto over het hek klom. Ik sleurde een ladder -die ik vlak voor ik naar huis ging tussen de struiken verborgen had- het grasveld over en zette die, eenmaal in het bos, tegen de boom waarin zich het nest bevond. Toen klom ik naar boven, stak mijn hand in de holte en graaide als een indringer in het rond. Eerst voelde ik takjes, het nest veronderstelde ik, en in dat nest inderdaad iets warm, levend. Ik snaaide het mee en vluchtte het bos uit. Hoe ik terug over het hek geraakt ben, kan ik mij niet meer herinneren. Pas toen ik in mijn auto zat, durfde ik mijn hand te openen. Ik keek. Het wezen dat daar lag te trillen, tartte werkelijk elke verbeelding. Een scharminkel, ledemaat zonder lichaam. Alsof een sjamaan achteloos wat botten en blauw vel op een hoop had gegooid en het in een tegennatuurlijk ritueel tot leven had gebracht. In het midden bevond zich een groteske, gapende bek van waaruit een net zo dwingend als wanhopig gekrijs klonk. Een kind kon zien dat het daarin was dat het eten moest. Thuis zette ik het wezen in een kartonnen doos. Elke ochtend en avond maakte ik het een papje van water, meel en maden die ik bij de viswinkel ging halen. Eerst sopte ik mijn wijsvinger in dat papje en daarna stak ik hem in de gapende bek. Het wezen zwolg mijn vinger dan kokhalzend naar binnen. Ik voelde hierbij duidelijk de onderkant van de maag. In het begin vervulde dit ritueel mij met walging maar al snel werd ik het gewoon, en raakte ik er zelfs op gesteld. Zo werd het wezen langzaam maar zeker groter. Eerst werd het zo mogelijk nog incoherenter, maar daarna begonnen de onderdelen samenhang te vertonen en nam het zowaar de vorm aan van een jonge kauw. Tegelijkertijd begon er iets van intelligentie of begrip door te schemeren in de zwarte kraaloogjes. Op zekere dag, tijdens het voeden, hield mijn kauw zijn kopje wat scheef en keek hij mij vol in het gezicht. Plots gingen de donsveertjes bovenop zijn kop recht overeind staan en kraste hij me toe, een scherp ‘kà’. Hij herkende mij. Ik weet niet waarom, maar dit stoorde mij enorm en ik voelde, als een tsunami, de aanvechting in me opkomen mijn kauw te pijnigen. Slechts ternauwernood kon ik deze aanvechting onderdrukken. Dagenlang bezwaarde dit mij.     *       Het was ook rond die tijd dat mijn kauw zijn kartonnen doos ontgroeide en een nieuwe thuis nodig had. Aan de achterkant van de fabriekshal had ik een ijzeren kooi opgemerkt die daartoe dienst kon doen. Die kooi stond al maanden te verroesten tussen stapels kapotte palletten. Ze bestond uit dunne tralies, van boven naar beneden en van links naar rechts, die op ideale afstand van elkaar stonden, en was ongeveer anderhalve meter lang en een meter breed. Enkel bovenaan was de kooi helemaal open, maar dat was geen bezwaar aangezien mijn kauw al wel wat fladderde maar nog niet kon vliegen. Tijdens een middagpauze wrikte ik de kooi los uit de stapel palletten en begon ik ze te verslepen. Ze was zwaarder dan ik gedacht had en trok twee diepe voren over de gehele lengte van het grasveld. Ik hoopte maar dat niemand hier aanstoot aan zou nemen. Uiteindelijk, met alle macht die ik in me had, kreeg ik de kooi waar ik ze hebben wilde, aan de rand van het bos waar mijn kauw vandaan kwam. Mijn kauw echter wou niet van zijn kooi weten. Vrijwel onmiddellijk nadat ik hem er met doos en al inzette, begon hij als een bezetene rond te fladderen. De houtvezel, die als bodembedekker dienst moest doen, stoof alle kanten uit. Uiteindelijk lukte het hem warempel de meter naar de bovenkant van de kooi te overbruggen en ging hij zitten op de bovenste tralie. Hij hield zijn kopje wat scheef, keek eerst naar beneden de kooi in en vervolgens recht naar mij, en kraste triomfantelijk ‘kà’. Opnieuw gingen de donsjes op zijn kop recht overeind staan. Die bovenste tralie werd zijn plekje. Ik haatte het hoe hij daar, dag in dag uit, zat. Alleen. Dof. Teneergeslagen. Vlakbij het bos waar de kauwen huisden, en tegelijkertijd werelden ervan verwijderd. Ik had mij een kauw gedroomd en zat met een schim opgescheept. Met een wezen dat wel de mogelijkheid in zich droeg kauw te zijn, maar het niet was. Hij herkende de geur niet van de kauwennesten die als het geregend had indringend het bos uitgewasemd kwam. Hij reageerde niet op het balorige gekras waarmee de echte kauwen hoog in de lucht met halsbrekende stunts hun vrijheid vierden. Mijn kauw zat op zijn tralie, had alleen maar oog voor de grote poort en wachtte geduldig. Op mij. Van zodra hij mij ’s middags uit de grote poort tevoorschijn zag komen, veranderde er iets in zijn voorkomen. Hij richtte zich wat op, als flakkerde er wat hoop in hem. Terwijl ik hem dan tegemoet stapte, het grasveld over, en zo hoog en schril ik kon zijn roep nabootste -‘kà’- kwam hij mij tegemoet gevlogen. Elke dag waagde hij de oversteek van wat verder weg. En elke dag zweefde hij wat mooier en plantte hij wat trefzekerder zijn klauwtjes in het vlees van mijn schouder. Het was daar, op mijn schouder, dat hij thuiskwam. Onmiddellijk na de landing trok hij met zijn uitwerpselen lange, witte strepen op mijn rug, als markeerde hij zijn territorium. Ik begon zowaar te twijfelen aan de wetenschap dat vogels hun sluitspier niet controleren kunnen. Hij zat op mijn schouder terwijl ik naar de rand van het grasveld wandelde. En hij zat op mijn schouder terwijl ik me daar op een stapel palletten neerzette. En terwijl ik mijn brooddoos opende, keek hij van op mijn schouder nieuwsgierig toe. Kipcurry was zijn favoriet. Als hij dat tevoorschijn zag komen, eiste hij nog dwingender dan anders zijn deel. Treuzelde ik wat te lang, dan pakte hij mijn oorlel beet, in zijn bek en begon hij eraan te snokken. Eerst zachtjes –bijna teder- maar allengs krachtiger. Dit irriteerde mij mateloos. Soms spande ik mijn middelvinger op achter mijn duim en liet ik hem vervolgens met volle kracht schieten tegen de zijkant van zijn kop. Nadien stemde dit mij droevig. Ik wilde hem geen pijn doen. Maar ik kon het ook niet tegenhouden. Na het eten wandelden we terug naar zijn kooi en zette ik hem daar, op zijn tralie, neer. Maar dat werd alsmaar moeilijker. Hij wou op mijn schouder blijven. In het begin lukte het mij nog hem af te leiden door stukjes kip curry op zijn tralie neer te leggen, maar tegen het einde van mijn tijd in de fabriek werkte ook dat niet meer.     *       Het moet mijn laatste week geweest zijn. Ik had mijn kauw net achtergelaten op zijn tralie met wat brokjes kipcurry en was het grasveld al bijna helemaal overgestoken toen ik plots, slechts enkele meters voor ik de grote poort van de fabriekshal binnenging, zijn klauwtjes op mijn schouder voelde. Woedend sloeg ik mijn kauw van me af. Ik stapte pisnijdig naar de stapel palletten aan de zijkant van het grasveld, trok er een groot pallet tussenuit en sleurde dit richting de kooi. De hele weg over het grasveld bleef mijn kauw proberen zijn plaats op mijn schouder te heroveren. Pas aan zijn kooi stond ik hem toe te landen, maar enkel zodat ik hem grijpen kon. Ik smeet hem ruw zijn kooi in en plofte zo snel ik kon het pallet er bovenop. Het duurde enkele tellen vooraleer ik mijn ademhaling terug onder controle had. Toen stapte ik met een verbeten trek rond mijn mond en een wee gevoel in mijn buik naar het kot van de verfmenger om mijn staal te laten controleren.           6       HET AMULET Herinneringen waar de tijd geen vat op heeft, ook dat zijn sleutels. Het is twintig jaar geleden, maar ik zie het voor me, als gebeurde het gisteren. Ik bevind mij in het kot van de verfmenger. Maar hij is er niet. ‘Vreemd,’ denk ik. Ik zet mijn staal op tafel en stap tot bij de glazen wand. Ik tuur de donkere fabriekshal in maar ook daar is hij nergens te bespeuren. Dan zie ik plots vanuit de duisternis, als in een nachtmerrie, mijn kauw opdoemen. Hij zweeft, oneindig langzaam, recht op mij af. ‘Hij ziet me hier staan, in het felle licht,’ realiseer ik mij. Ik begrijp onmiddellijk wat er gaat gebeuren. ‘Hoe is dit mogelijk?’ flitst het nog door mijn hoofd. ‘Het pallet? Heeft hij zich door de latten geworsteld?’ Dan is mijn kauw plots vlakbij en strekt hij zijn klauwtjes om te landen op mijn schouder. Onbewogen kijk ik toe hoe hij zich te pletter stort tegen het glas. Het volgende moment ligt hij roerloos op de grond. Zijn kraalogen staren me uitdrukkingloos aan. Wat er dan over mij komt, vervult me zelfs vandaag nog met afschuw. Ik gil niet. Ik krimp niet in elkaar. Doorheen het glas monster ik het lijkje en denk ik ‘de cirkel is rond. Hij ziet er nu uit zoals toen ik hem voor het eerst zag. Een tegennatuurlijk scharminkel. Een hoop botten en een bek.’ Dan begin ik hysterisch te lachen. En hysterisch lachend verdwijn ik. Ik ga de fabriekshal niet in. Ik neem mijn kauw niet teder in mijn handen. Noch draag ik hem wenend naar een laatste rustplaats. Ik laat het lijkje liggen. En verdwijn. In mijn appartement kijk ik voor de tweede keer naar The Lion King. De knokige hand van Rafiki plukt iets uit de lucht dat de wind, over de savanne, tot aan zijn baobab geblazen heeft. Hij snuift er onderzoekend aan. Dan lichten zijn ogen op. ‘Simba! He’s alive!’ roept hij extatisch uit. Dansend begeeft hij zich naar de beeltenis op zijn baobab, van een half weggevaagde Simba. Hij doopt zijn vingers in het vlees van een vrucht en geeft het leeuwtje, als was het een kroon, prachtige rode manen. Pas dan rollen de tranen over mijn wangen. ‘It is time,’ prevelt Rafiki nog voor zich uit en het voelt alsof hij die woorden aan mij persoonlijk richt. Een ijskoude rilling loopt langs de gehele lengte van mijn rug. De volgende dag is het lijkje van mijn kauw verdwenen. Ik haal zoals elke voormiddag mijn pot lijm en mijn stapel etiketten en verdwijn daarmee in het bos van vaten. Gehurkt zit ik een tijdje rustig te lijmen tot plots, vanachter een vat, de verfmenger opdoemt. Even schrik ik. ‘Wat doet hij hier?’ Vrijwel onmiddellijk daarna begrijp ik dat dit mijn laatste dag in de fabriek is. Vanuit een ooghoek, terwijl hij nadert, monster ik zijn aangezicht. Vooral veel blauw, en wat rood rond de neus. ‘Paars?’ grinnik ik hem toe bij wijze van begroeting. Dat was ons ritueel. Ik keek naar de spetters in zijn aangezicht en probeerde te raden welke kleur er in zijn ketel zat. Maar vandaag reageert hij niet. Hij hurkt naast me neer en neemt mij zwijgend de kwast uit handen. Hij begint te lijmen, maakt geen aanstalten om te spreken en kijkt me niet aan. De stilte voelt als een derde persoon. Ik kan er niet meer tegen en open mijn mond om iets te zeggen. Hierop heeft hij gewacht: ‘Beire, waar zijt gij eigenlijk mee bezig?’ ‘Etiketten plakken’, reageer ik. Dat bedoelt hij natuurlijk niet. ‘Wat zijt gij hier eigenlijk aan het doen?’ herhaalt de verfmenger. Alvorens ik zijn vraag opnieuw kan ontwijken, draait hij zich om en kijkt hij me recht in de ogen. Voor het eerst zie ik hoe helder –bijna geel, te midden de rode en blauwe spetters- de irissen van zijn ogen zijn. Hij priemt de kwast in mijn gezicht -ik ruik de lijm- en zegt dan, bijna dreigend: ‘Wat moet er, behalve ontploffende ketels, en vogels die zich te pletter vliegen, nog meer gebeuren vooraleer gij doorkrijgt dat ge hier niet thuishoort?’ Dan laat hij de kwast op de grond vallen. Daarmee is ook alle dreiging weg. Hij legt zacht zijn ene hand op mijn schouder en met de andere drukt hij me iets in de hand. Ik kan niet zien wat het is omdat hij onze handen verstrengeld houdt. Hij schudt langzaam zijn hoofd, en als een mist legt zich over zijn ogen een grote treurnis neer, terwijl hij zijn laatste woorden tot mij spreekt. Die klinken als een mantra en de dagen nadien hoor ik ze opnieuw en opnieuw. ‘Ik weet niet waar,’ zegt hij traag, ‘maar niet hier.’ En met die woorden verdwijnt hij opnieuw achter de vaten. En uit mijn leven. En ik kan het niet anders zeggen maar het lijkt alsof ik niet in het gezicht van de verfmenger gekeken heb, maar in mijn eigen gezicht. Misschien is de verfmenger helemaal niet in de buurt geweest. Misschien ben ikzelf het wel geweest die, in een finaal moment van helderheid, die woorden voor me uit gepreveld heb: ‘Ik weet niet waar, maar niet hier.’ Net als ik begin te denken dat ik me alles ingebeeld heb, voel ik dat er nog steeds iets in mijn hand ligt. Ik doe mijn hand open en kijk. Daar ligt het amulet. Het duurt een hele tijd voor ik begrijp dat de veren die ik zie, de veren van mijn kauw zijn. En dat de verfmenger ze gekleurd heeft. In zeewaardige kleuren.   7       THUIS ‘Papa? Wat is dat?’ De film is al even afgelopen en we liggen met z’n allen nog wat na te babbelen. ‘Wat bedoel je?’ ‘Dat in jouw hand.’ Ik merk nu pas dat ik het amulet nog steeds vasthoud. ‘Mijn amulet,’ zeg ik stilletjes. ‘Mooi he? Kijk, je kan zo over de veertjes aaien. Maar niet zó doen he, want dan gaan ze kapot.’ Max gaat voorzichtig, met één vingertje, over de veertjes. Toby durft niet. ‘Papa? Wat is dat,’ vraagt hij opnieuw. ‘Ben je de naam vergeten, schat?’ Hij knikt. ‘Een amulet,’ herhaal ik, ‘En moet ik eens vertellen waar dat voor dient?’ Dat is natuurlijk exact wat hij wil. ‘Dit amulet,’ zeg ik geheimzinnig, ’wijst altijd de juiste weg naar huis. Als je verloren bent, en je weet niet meer waar je woont, moet je niet bang of verdrietig zijn. Want met dit amulet vind je altijd de juiste weg terug.’ ‘Echt?’ vraagt Toby en nu raakt hij het met één vingertje aan. ‘Niet waar,’ bromt Max. Maar niettemin neemt hij het amulet steeds nadrukkelijker in zijn hand. Dan kijkt hij me poeslief aan. ‘Papa?’ ‘Nee,’ anticipeer ik op de vraag die gaat komen, heftiger dan mijn bedoeling was, ‘jullie krijgen het niet.’ De kinderen beginnen te zeuren. ‘Jongens, dat amulet is mijn belangrijkste herinnering ooit,’ probeer ik hen uit te leggen, ‘en daarbij, het verliest zijn kracht als ik het doorgeef.’ ‘Papa, in dit huis liegen we niet,’ kom jij kordaat tussen, en dan: ‘Komaan, gij hebt dat toch niet meer nodig? Gij kent uw weg naar huis toch al jaren.’ Ik probeer je met een vuile blik het zwijgen op te leggen. ‘Ja, papa,’ treedt Max je bij, ‘en je hebt al een gps ook trouwens!’ ‘Daarbij,’ zeg je langs je neus weg, ‘ge zou beter een amulet hebben dat de juiste weg naar uw kinderen wijst, zodat die niet heel de tijd van de trap donderen.’ ‘Max! Klikspaan!’ roep ik verontwaardigd uit. Max lacht een boosaardig lachje en maakt van de gelegenheid gebruik om mijn amulet van me af te pakken. Even later rollen we met z’n allen over elkaar heen. De kinderen gillen ‘vleeshoop’ Ik herover mijn amulet. ‘Ten aanval,’ gillen de kinderen. Ik worstel mij recht en steek mijn amulet hoog boven me uit. ‘Jullie mogen allemaal op jullie kop gaan staan,’ roep ik pathetisch, terwijl de kinderen tegen me op springen, ‘jullie krijgen het niet. Van mij!’ ‘Mama!’ roepen de kinderen in koor. ‘Papa doet gemeen.’ ‘Jongens, papa heeft gelijk,’ zeg jij gelaten, ‘het is zijn amulet en als hij het wil houden, dan mag hij dat.’ ‘Dank u,’ zeg ik. ‘Ook sommige volwassenen vinden delen nog moeilijk,’ zeg je fijntjes. Gelukkig zijn de kinderen te moe om nog verder te strijden. Ze nestelen zich terug tussen hun knuffels, pruttelen nog wat na en vallen een paar tellen later in slaap.       *   ‘Je hebt gelijk,’ zeg ik wat later. ‘Ik weet het,’ zeg jij. Meer woorden hebben we niet nodig. We wurmen ons stilletjes uit de omhelzing van onze slapende kinderen en beginnen hier en daar kasten en schuiven open te trekken. In een bak speelgoed vinden we eindelijk wat we zoeken: een oude sleutelbos. We zetten ons naast elkaar aan de keukentafel. Jij begint de sleutelbos te demonteren. Geduldig wrik je sleutel na sleutel los, tot je alleen de ijzeren ring overhoudt. Ondertussen haal ik drie veren uit mijn amulet, door de ijzerdraadjes los te prutsen van de centrale ring. Ik reik je die drie veren aan, en jij hecht ze terug vast, ditmaal aan de nieuwe ring. En zo ligt daar dan plots een tweede amulet op tafel. Je schuift het over tafel mijn kant uit en kijkt me aan. Nog steeds zonder woorden staan we recht en stappen we de living in, waar onze kinderen diep liggen te slapen. Ik kniel bij Max neer. ‘Hier Max,’ zeg ik en ik leg een amulet naast zijn hoofd, ‘voor als het tijd is om thuis te komen.’ Even nog wrijf ik hem over de borst. ‘Maar wel eerst goed verloren lopen he.’ Dan kniel ik bij Toby neer en doe ik hetzelfde. Daarna kegelen we hier en daar een popcornknots opzij en nestelen we ons tussen onze kinderen in. Je legt je hoofd op mijn schouder en ik streel rustig je zwarte haren. Zo liggen we wat voor ons uit te staren, beiden in gedachten verzonken. ‘Bert?’ vraag je uiteindelijk. ‘Ja?’ ‘Heb ik vandaag eigenlijk al gezegd dat ik u graag zie?’ ‘Nee,’ zeg ik. Net te laat besef ik dat ik in je val getrapt ben. ‘Dan zal ik daar wel een reden voor hebben,’ zeg je kurkdroog. We schateren het uit van het lachen. ‘Shhht,’ zeggen we tegelijk, ‘nu zijn we er eens vijf minuten vanaf.’ Opnieuw nestelen we ons in elkaars armen. En opnieuw is het stil. Ik luister naar je adem. ‘Schat?’ ‘Ja?’ zeg jij, op je hoede. ‘Ik zie u ook graag.’ Een beetje later vallen we, met onze kinderen aan onze zij, in slaap. Overal rond ons, strekt de toekomst zich uit, onpeilbaar als een zee, maar hier zijn we thuis.  

Bert Aerts
0 0

De Verfmenger

1       THUIS Bij ons thuis is de eerste nacht van elke vakantie filmnacht. Dan sleuren we matrassen, donsdekens, kussens en knuffels naar beneden, schoppen we de salontafel aan de kant en maken we onze nest voor één nacht in de living. Ons Lobke –de hond- snapt er niks van. Vanavond staat The Lion King op het programma dus mogen alle katachtigen meekijken. Dat hebben Max –zeven jaar- en zijn broer Toby –vijf- net samen beslist. Vandaar de verzameling leeuwen, tijgers, jachtluipaarden en panters in hun armen terwijl ze met driftige pasjes op me afgestormd komen. ‘Uit de weg, papa!’ gillen ze opgewonden. ‘We kunnen niet door!’ Ik sta bovenaan de trap, in gevecht met de laatste matras die naar de living moet. ‘Rustig,’ zeg ik, met langgerekte klinkers en zo diep ik kan, als om een tegengewicht te bieden aan hun hoog oplopende stemmetjes. ‘Voorzichtig,’ zeg ik ook nog. Op exact dezelfde toon. Ik zet een stapje opzij. Onmiddellijk trippelen mijn kinderen me hijgend voorbij. En dan gaat het mis. Toby struikelt over de staart van één van de katachtigen in zijn armen, een grote tijger denk ik, en katapulteert zich zo het gat van de trap in, hoofd vooruit. Handen heb ik –vanwege de matras- niet vrij dus steek ik, in een ultieme poging hem te redden, een been uit. Ik probeer hem te knellen tegen de trapleuning. Helaas, dat lukt niet. Hij duikelt mijn been over en is een fractie van een seconde later helemaal buiten mijn bereik. Ik kan enkel nog toekijken hoe hij, als in slow motion, een koprol maakt over de volledige lengte van de trap. Ik zie hem beide handjes voor zich uitsteken. Het volgende moment ligt hij beneden op de grond. Roerloos. ‘Misschien valt het nog mee,’ flitst het door mijn hoofd, ‘het zag er zo sierlijk uit.’ Een eeuwigheid gebeurt er niets. Dan krabbelt hij recht, gilt zo hard hij kan: ‘Geen pijn! Dikke duim!’ steekt olijk zijn duim in de lucht en begint te schateren van het lachen. De wereld begint opnieuw te draaien. Ik duw de matras tegen de muur, haast me naar beneden en hurk daar bij Toby neer. ‘Venteke toch! Pijn gedaan?’ vraag ik terwijl ik in de zwarte haartjes rond zijn kruintje kriebel. ‘Knuffel nodig?’ ‘Nee! Papa! Stop!’ Hij slaat me van zich af. Hij wil dat ik zwijg, want Max spreekt. Die heeft alles zien gebeuren en is zwaar onder de indruk: ‘Wow, Toby!’ gilt hij, ‘What the piep! Precies een echte stuntman!’ Toby glimt van trots. ‘Nog een keer?’ vraagt Max enthousiast. Toby haalt de schouders op. ‘Okee.’ ‘Niks van!’ roep ik uit, ‘Veel te gevaarlijk!’ en vervolgens, terwijl ik hen beurtelings streng in de ogen kijk en al mijn wijsvingers en wenkbrauwen de lucht in gooi: ‘Jongens! Dit is ons geheim! Niks tegen mama zeggen. Beloofd?’ Maar ze beloven niets. Ze zijn al weer verdwenen. Ik krabbel dan ook maar recht. Puffend ga ik de trap weer op en sleur ik mijn matras verder naar beneden. ‘All in a day,’ zucht ik.     *       ‘Ik moet mijn amulet halen,’ bedenk ik me dan, terwijl ik mijn matras in de living naast de andere neerplof, ‘ik kan niet na al die jaren terug naar The Lion King kijken zonder mijn amulet.’ Dus zet ik me op weg naar de zolder. Vanop de overloop van de eerste verdieping zie ik dat Max en Toby zich ondertussen in de speelkamer bevinden. Ze staan met hun rug naar me toe, broederlijk naast elkaar, tussen een gigantische berg knuffels en merken niet dat ik even halt houd om naar ze te kijken. ‘Nee Toby,’ hoor ik Max zeggen, op een toon die half geïrriteerd, half geduldig is, ‘een kikker is géén katachtige. Dat is een soort vis. Maar dan met poten. Die woont in het water.’ Hij heeft zijn hand bemoedigend op de rug van zijn broer gelegd. Toby kijkt, met hangende schoudertjes, teneergeslagen naar de grond. Hij houdt zijn kikker vast. Hij mummelt iets maar ik kan niet horen wat. ‘Mijn amulet,’ denk ik, en ik sluip stilletjes verder, de trap op naar de zolder. Daar duurt het even vooraleer ik een haalbare route bepaald heb, maar dan zet ik achtereenvolgens een voet over een paar zakken babykleding, vind ik vervolgens een plekje voor mijn volgende voet door er -terwijl ik me vasthoud aan een verzorgingstafel- een hoop duplo mee opzij te schuiven en stap ik, tenslotte, over een doos houten babypuzzels, middenin een zak, met daarin andere zakken. Zo kom ik uiteindelijk bij een stapel bananendozen die alle hetzelfde opschrift dragen: belangrijke herinneringen. Ik weet onmiddellijk welke doos ik nodig heb. ‘Hoe komt het dat ik dit nog weet?’ vraag ik me af, ‘ze zien er allemaal hetzelfde uit.’ Even later sta ik met een metalen doosje in mijn handen. Ik doe het open. Daar ligt het amulet. Het ziet er nog exact uit zoals ik het mij herinner: Zes veren. In zes verschillende kleuren. Rond elke steel zorgvuldig een ijzerdraadje gewikkeld. En daarmee vastgehecht aan een centrale ring. ‘De kleuren hebben niets van hun intensiteit verloren,’ denk ik ontroerd, ‘zelfs na al die jaren.’ Ik ga zitten op een oude versterker en neem het amulet uit het doosje. Ik voel het in mijn hand liggen. Met mijn wijsvinger streel ik voorzichtig de veertjes. Opnieuw en opnieuw. En net zoals een lang vergeten geur een mens instant kan terugwerpen naar een andere tijd, net zo overrompelt mijn amulet mij, hier op deze zolder, met oud verdriet, en met dankbaarheid. Herinneringen komen daar helemaal niet aan te pas. Mijn hart zwelt en mijn ogen vullen zich met tranen. Ik hoef niet terug te denken aan de gebeurtenissen die plaatsvonden twintig jaar geleden in de fabriek.     *       Langzaam maar zeker dringt geroep tot mij door: ‘Bert!’ en dan opnieuw, dringender: ‘Bèèrt!’ ‘Dat ben jij,’ realiseer ik me eindelijk met een schok, ‘en je klinkt serieus kwaad.’ Ik spring recht van mijn versterker, struikel de zolder uit en storm de trap af, ondertussen ‘jahaa, ik kom’ roepend. Beneden sta je mij inderdaad op te wachten, met Toby op je arm. Je geeft me onmiddellijk de volle laag: ‘Waar zit jij in hemelsnaam? Onze Toby is hier kei hard aan het wenen!’ Je gebaart naar Toby, die als was het om je woorden kracht bij te zetten, zijn keel nog wat verder openzet. ‘Ik ben in de keuken bezig he! Gij ging op de kinderen letten!’ ‘Ja, sorry, ik was eventjes op zolder,’ mummel ik ter verdediging en dan, vooral om de aandacht af te leiden: ‘Wat is er aan de hand Toby?’ ‘Max zegt dat mijn kikker niet mee naar de film mag kijken,’ snottert hij. Eerst versta ik hem niet maar dan zie ik de kikker in zijn handjes. ‘Mijn God,’ denk ik bij mezelf, ‘Dit gaat nog altijd over die kikker.’ ‘Ja papa,’ verdedigt Max zich, ‘alleen katachtigen mogen meekijken. Dat hadden we afgesproken!’ Hij heeft zijn lichaam op een vreemde manier over de trapleuning geplooid en wiegt ritmisch heen en weer. ‘En een kikker is géén katachtige!’ Die laatste zin gooit hij Toby briesend naar het hoofd. Hij is gestopt met wiegen. ‘Mijn kikker is wél een katachtige,’ krijst Toby terug, zo hard hij kan. Nu die op jouw arm zit, durft hij duidelijk wat meer. ‘Jongens! Jongens! Stop!’ roep ik, terwijl ik in een poging de situatie te ontmijnen, tussen hen in ga staan. Ik begrijp wat er gebeurd moet zijn. Bij hoog en laag volhouden dat een kikker een katachtige is, daarmee krijg je Max wel over het randje. Die heeft Toby natuurlijk een enorme klap verkocht. Vandaar dat hij daar zo schuldbewust over de trapleuning hangt te wiegen. Ik kijk Toby recht in de ogen: ‘Toby,’ zeg ik helder, ‘een kikker is geen katachtige.’ Ik schud begripvol het hoofd. ‘Sorry venteke.’ Jij streelt hem zachtjes over zijn rug. ‘Zie je nu wel!’ komt Max tussen. ‘Ik zei het toch!’ En hij laat zijn frustratie nog even de vrije loop met een welgemeende ‘echt he!’ ‘En ook geen ‘vis met poten’ Max!’ kaats ik onmiddellijk terug. ‘Ow.’ Hij voelt zich duidelijk opgelaten en begint opnieuw over zijn leuning te wiegen. ‘Een amfibie Max,’ plaag ik hem, ‘een kikker is een amfibie. Euh, hallo juf Lies? Is er nog plaats in de eerste kleuterklas?’ ‘Ow,’ zegt hij opnieuw. Ik peil je blik. Even houden onze ogen zich vast aan elkaar. Je lijkt niet meer kwaad. Integendeel. Je probeert met alle moeite van de wereld je lach in te houden. Ik leef op, en richt me dan opnieuw tot Toby: ‘Volgende keer kijken we naar een film van amfibieën schat,’ zeg ik. ‘Beloofd. En dan mag uw kikker meekijken.’ Geen reactie. ‘Toby? Gaat uw kikker dan meekijken volgende keer?’ probeer ik nogmaals. Helaas, er komt geen antwoord op die vraag. Toby begint opnieuw te huilen, zo mogelijk nog hartverscheurender dan voorheen. En doorheen dat gehuil begint Max hysterisch te brullen: ‘Auw Toby! Stop! Mijn oren! Ik haat jou!’ Opnieuw zoek ik je blik, maar ditmaal geef je niet thuis. En dan, terwijl ik me bedremmeld sta af te vragen wat er net gebeurd is, neem jij het heft in handen. *       ‘Venteke toch,’ fluister je Toby toe, ‘laat eerst al uw verdriet er maar eens uit. Laat u maar eens goed gaan.’ Toby doet exact wat je vraagt. Je streelt hem over zijn rug. Terwijl hij, tussen twee uithalen door, eventjes naar adem hapt, kijk je Max aan. ‘Ik weet het schat.’ Je wijst naar je oren en trekt een gek gezicht. ‘Nijp ze toe, dat helpt.’ Max doet wat je vraagt. ‘Amai, Bert, knap hoor,’ sis je mij vervolgens sarcastisch toe, ‘dikke duim!’ Ik trek een zuur mondje en draai met mijn ogen. Zo staan we daar een hele tijd te staan, tot iedereen uiteindelijk een klein beetje mildert. ‘Komaan he,’ zeg je dan. ‘Het is filmavond. We gaan ons toch niet laten kennen zeker. We vinden wel een oplossing. Daar zijn wij super goed in.’ Iedereen pruttelt wat. ‘Misschien Toby,’ ga je aarzelend van start, ‘is uw kikker eigenlijk een katachtige, maar dan in de vorm van een kikker.’ ‘Wablief mama?’ vraagt Max. ‘Waar wil ze naartoe,’ denk ik. Toby is gestopt met wenen en luistert aandachtig. Je kijkt heel ernstig. ‘Er bestaan bijvoorbeeld ook zeehondjes in de vorm van ijsberen’, zeg je, ‘en poesjes in de vorm van konijntjes. Die huppelen dan zo rond in het gras, met oren van een konijn, en zo’n wit staartje en helemaal fluffy. Maar vanbinnen voelen die zich een poes.’ ‘Hoe bedoel je mama,’ vraag Max. ‘Dit werkt nooit,’ denk ik. ‘Dat is eigenlijk heel verdrietig,’ ga je door. ‘Die konijntjes willen miauw zeggen en muisjes vangen, maar dat lukt natuurlijk niet. Zo bestaan er ook meisjes in de vorm van jongens. En jongens in de vorm van meisjes. Of schrijvertjes in de vorm van teamleiders.’ Die laatste zin is natuurlijk een sneer naar mij. ‘En prinsesjes in de vorm van huisvrouwen,’ steek ik terug. Je doet alsof je me niet hoort. ‘Toby? Zou het kunnen dat uw kikker eigenlijk een katachtige is?’ Toby begint opnieuw te huilen, maar ditmaal een andere soort tranen. ’Ja,’ snottert hij, zielsblij. ‘Een babyjaguar.’ ‘Een babyjaguar,’ herhaal jij. ‘Natuurlijk wil die mee naar de film kijken. Wat is dat nu!’ Ondertussen kijk je niet hem in de ogen, maar mij. ‘Breng hem maar snel naar de andere dieren.’ En weg drentelt Toby. ‘Ja, mama!’ roept Max nu verontwaardigd uit. ‘Dat telt niet he! Ze moeten er ook uitzien als een katachtige!’ Wat een onzin, de tranen springen er hem van in de ogen. Je legt zuchtend je hand op zijn rug en geeft hem een duwtje richting living: ‘Ik weet het schat.’ Zo wandelen jullie samen, als waren jullie beste vrienden, de living in. ‘Komaan Max,’ hoor ik je zeggen, terwijl ik achter jullie aan hobbel, ‘work with me. Een amfibie meer of minder.’ Nog even tornt hij eigenhandig het gewicht van de wereld en sloft hij verongelijkt naast je, maar dan zucht hij gelaten: ‘Okee dan mama.’ En weg is hij. Over je schouder kijk je me aan. Triomfantelijk. Je haalt vragend je wenkbrauwen op. ‘Rots,’ zeg ik. En al trek ik nog steeds een zuur mondje, mijn ogen stralen.     *       Net dan gaat het alarm van de oven. ‘Pizzaa!’ joelen we terwijl we met z’n allen de keuken in hollen. Daar laden we elkaars armen vol met snoepdozen, zakken chips en kommen popcorn. Op filmavond is ongezond voor één keer geen bezwaar. Max duwt Toby een gigantische kom marshmallows onder de neus: ‘Hier Toby,’ zegt hij geïrriteerd, ‘pak dan!’ ‘Dat gaat niet,’ roept Toby geïrriteerd terug, ‘ik heb mijn kikker al vast.’ ‘Ja, zet die er dan in he,’ roept Max nog geïrriteerder. ‘Ow,’ zegt Toby, en hij zet zijn kikker tussen de marshmallows. We lachen. Dan lopen we elkaar voor de voeten de living in, en ploffen we uitgelaten neer op een matras. Zie ons daar nu zitten, vier mensen, een hond en twee dozijn katachtigen, waaronder één babyjaguar in de vorm van een kikker, en een poes van vlees en bloed die nu net een schelletje salami van een pizza steelt. ‘Worf!’ gil ik. ‘Smakelijk eten,’ roept Toby en hij steekt zijn duim de lucht weer in, ‘heel bedankt!’ Dan komt de zon op boven de eindeloze vlaktes van de Serengeti en verstoort, tegen de achtergrond van de machtige Kilimanjaro, een familie buffels de ochtendmist. ‘Aah sevenyaah,’ joelen de kinderen mee. Hun ogen zijn gekluisterd aan het beeldscherm. Maar in mijn hand ligt nog steeds het amulet en, terwijl ik gedurig de veertjes streel, ontwikkelt zich voor mijn ogen een andere film.   2       DE FABRIEK De fabriek waarin ik een jaar lang verloren liep –dat moet nu twintig jaar geleden zijn- kon symbool staan voor mijn leven. Ik snapte er geen ene moer van. Ik wist niet welke de grondstoffen waren die de heftruckchauffeur –een stugge man die deed of ik niet bestond– op gezette tijden de fabriekshal binnenreed, ik wist niet wat de naam was van de dikke, zilveren brij die we produceerden en ik wist niet wat de bestemming was van de grote, blauwe vaten waarin we de brij uitstortten. Elke ochtend in de kleedkamer ontdeed ik mij van mijn kleren en stapte ik in mijn werkplunje: lelijke schoenen met een stalen tip, een brede, blauwe broek en een grauw T-shirt. Ook mijn naam liet ik achter in de kleedkamer. In de fabriekshal noemde iedereen mij Beire. Ik haatte die naam maar durfde er niets van zeggen. In de fabriekshal stond een gigantische ketel, zes meter hoog schat ik, waarrond een platform en een trap gebouwd waren zodat iemand de grondstoffen in een opening bovenaan kon kappen. In het begin was die eer mij een aantal dagen te beurt gevallen, maar dat was faliekant fout gelopen. Eerst kwam er dikke, zwarte rook uit de opening bovenaan, wat later ging er een oorverdovend alarm af en het eindigde met brandweersirenes en de evacuatie van het hele bedrijvenpark. Ik had geen idee wat er gebeurd kon zijn maar dat de oorzaak bij mij lag, daar twijfelde ik niet aan. Er werd mij niets gevraagd en ik vroeg niets. Ik werd voor de rest van de dag naar huis gestuurd. Die dag alleen in mijn appartement keek ik voor het eerst naar The Lion King. En zag een sleutelscène: Terwijl Simba pluk de dag doet met Timon en Pumba –god, wat heb ik een rothekel aan dat achterlijke wrattenzwijn en die irritante stokstaart- verschijnt daar eindelijk ten tonele de ziener Rafiki. Mandril, geen baviaan. Oude knoken, grijze manen. Staf in de hand. Hij komt Simba zoeken in dat holle leven dat het zijne niet is, sleurt hem eruit –‘You follow Rafiki, he knows the way’- en brengt hem naar het water. Maant hem daar, met een klap op z’n kop, tot stilte en gebiedt hem te kijken: ‘Look harder, Simba. You have forgotten who you are. You are more than you have become.’ Ook het oerwoud heeft zijn spiegels. Ik hapte naar adem en weende dikke tranen. En had geen idee van waar die kwamen. Bizar dat ik toen niet zien kon wat vandaag zo helder is: Die Simba, dat was ik. Ik hunkerde met heel mijn verloren gelopen wezen naar een Rafiki. En een klap op mijn kop. De volgende ochtend in de kleedkamer repte niemand met een woord over het incident van de dag voordien, maar eens in de fabriekshal stapte iemand anders zwijgend de trap naar mijn platform op. Ik was opnieuw tot de begane grond veroordeeld. Wat ik daar dan geacht werd te doen, werd mij pas duidelijk toen de heftruckchauffeur vanuit het magazijn de fabriekshal binnengereden kwam. Hij denderde met een pallet vaten recht op mij af, veel sneller dan nodig was, en zette het bruut neer, exact waar ik stond rond te lummelen. Ik kon nog net op tijd opzij springen. Ik begreep dat ik tot vatenvuller gedegradeerd was. Elke ochtend herschiep de heftruckchauffeur de fabriekshal in een bos van vaten, als een woesteling, en de gehele voormiddag hield ik me in dat bos schuil. Ik zeulde een emmer lijm en een stapel etiketten met daarop driehoekige waarschuwingstekens -danger, corrosive- achter me aan en hurkte zo, lijmend, van vat tot vat. Hoog boven mij, op het platform, prepareerde ondertussen iemand anders de zilveren brij. In de namiddag, als de brij klaar was, vulde ik de vaten. Ik manoeuvreerde pallet na pallet naar de onderkant van de ketel, opende de zware afvulkraan die zich daar bevond en keek lusteloos toe hoe de zilveren brij zich in de vaten stortte. Daarna sloot ik de kraan en duwde ik hijgend de loodzware paletten terug het bos in. Maar alvorens ik van start kon gaan met vaten vullen, moest ik een staal ter controle binnendoen. Dat deed ik vlak na mijn middagpauze. Zo leerde ik de verfmenger kennen.     3       DE INDIERS Het kot van de verfmenger was eigenlijk een havencontainer –van Maersk of zo- die droogweg tegen een wand van de fabriekshal aangeduwd leek. De container was aan alle kanten wit, maar de zijde gericht naar de fabriekshal bestond volledig uit glas. Binnenin was het zo licht dat het zelfs van hieruit –ik bevond mij aan de onderkant van de gigantische ketel- pijn aan de ogen deed. Ik had net een sliert van de zilveren brij in een aluminium potje opgevangen en zette me schoorvoetend op weg naar het kot. Terwijl ik het bos van vaten doorkruiste, zag ik doorheen de glazen wand de verfmenger duidelijk staan. Hij bevond zich bij een centraal geplaatste ketel en was druk in de weer met wat een elektrische mixer leek. Zoals altijd had hij zijn lange, witte stofjas aan. Ik vroeg me opnieuw af wat ik me al zo vaak afgevraagd had: Wat staat hij daar in hemelsnaam de godganse dag te doen? Wat brouwt hij in die toverketel van hem? En waarom in deze donkere fabriekshal, achter een glazen wand, als een gekko in een terrarium van licht? Later zou de verfmenger op al die vragen antwoord geven. Dan zat ik daar, in het licht van zijn kot, en staarde ik de duistere fabriekshal in terwijl hij, roerend in zijn ketel, zijn vreemde verhalen vertelde. Tot op de dag van vandaag weet ik niet zeker of hij de waarheid sprak, en misschien is dat ook niet belangrijk. Bij één van die gelegenheden vertrouwde hij me toe wat er in zijn ketel zat. ‘Ik brouw nieuwe kleuren,’ fluisterde hij, met nauwelijks verholen trots, als betrof het een heilige taak. ‘Nieuwe kleuren?’ vroeg ik. ‘Voor de Indiërs,’ verduidelijkte hij. Hij vroeg me of ik hen ooit ontmoet had. Ik schudde nee. De Indiërs waar hij over sprak, waren de twee eigenaars van de fabriek. Ze hadden een gigantisch bureel dat de gehele tweede verdieping van het hoofdgebouw besloeg. Niemand mocht daar komen en ze waren zelf ook zelden daar, omdat ze -dat was algemeen geweten- altijd op zee zaten, op hun zeilboot. ‘Ondoorgrondelijke wezens,’ prevelde de verfmenger, ‘zelfs als ze Engels spreken, zijn ze volledig onverstaanbaar. Als ze ja bedoelen, schudden ze nee en als ze nee willen zeggen, knikken ze ja. Meestal waggelen ze hun hoofd heen en weer in halve cirkeltjes.’ Zonder een zweem van parodie bootste hij hun hoofdbewegingen na. ‘Het komt er op aan,’ drukte hij me op het hart, ‘om met uitgestreken gezicht mee te waggelen, als was het de normaalste zaak van de wereld, en er dan maar op te hopen dat ze geen onraad ruiken.’ Hij liet een stilte vallen. ‘En natuurlijk hebt ge ze nog nooit gezien,’ vervolgde hij op betweterige toon. ‘Ze hebben een privélift. Rechtstreeks van de parking naar het tweede. Ge denkt toch niet dat ze de trap gaan pakken? En dan u daar tegen het lijf lopen zeker?’ Eens per maand moest hij zich melden in dat gigantische bureel, ging hij door, met één enkele nieuwe kleur. ‘Voor hun zeilboot?’ vroeg ik. De verfmenger knikte. “Voor hun zeilboot,’ herhaalde hij. ‘Soms heb ik visioenen,’ zei hij. Hij was even gestopt met roeren en staarde in zijn ketel. ‘Dan zie ik ze staan, op het dek van hun boot, de blik op oneindig, onwrikbaar als goden’. Het was meer zingen dan spreken wat hij deed. ‘Geruisloos doorklieven ze de zee, die zich overal rond hen uitstrekt, rimpelloos als een spiegel.’ Ik hing aan zijn lippen. Hij zuchtte diep, begon opnieuw in zijn ketel te roeren en vertelde verder. De Indiërs gaven hem geen enkele aanwijzing, behalve dat zijn kleur seaworthy diende te zijn, maar daar had hij naar eigen zeggen niets aan. Bijna altijd werd hij koudweg teruggestuurd. ‘Het gekke is,’ mijmerde de verfmenger, meer in zichzelf dan tegen mij, ‘ze hebben altijd gelijk. Nadien zie ik het ook, maar wat ik ook probeer, op voorhand tast ik in het duister.’ De stilte was totaal en het was in die stilte dat ik mijn volgende vraag stelde: ‘Waarom hier? In het zicht van iedereen, achter een glazen wand?’ Daarop lachte hij luid en zei: ‘Als ik heel de tijd op een witte container moet staren, ga ik geen schoon kleurekes kunnen fabriceren hè Beire!’ Ik vroeg me af wat het dan, in die grauwe fabriekshal, was dat hem inspireren moest, maar die vraag durfde ik niet stellen. Wel had ik sindsdien het onbehaaglijke gevoel dat ik in het oog gehouden werd. ‘Misschien is de verfmenger niet de gekko in het terrarium,’ bedacht ik mij, ‘maar ben ik dat.’ Heel soms raakte zijn nieuwe kleur iets in het hart van de Indiërs. Ze kregen dan tranen in hun ogen en omhelsden elkaar, minutenlang, zonder woorden. De verfmenger wees naar een kast waarop zich zes kleine verfpotjes bevonden. ‘Zes zeewaardige kleuren,’ zei hij. Hij beweerde dat de Indiërs dan eigenhandig hun boot overschilderden en hem nadien meetroonden naar een uitzuipbar, om te vieren. Hij beschreef begeesterd hoe daar dan ‘vrouwen als klassieke godinnen zich ontkleedden en de hele nacht lang, tot de zon weer opkwam, met ontblote borsten voor hen dansten.’ Toen ik opwierp dat ik dat een wel heel treurige manier van vieren vond, om zo ver van huis te moeten betalen voor wat gefingeerde liefde, reageerde hij erg boos. Hij keek me recht in de ogen, met een blik alsof hij van me walgde, en zei: ‘Wat is daar triestig aan, Beire? De éne mens gaat naar een hoerenkot, op duizenden kilometer van huis, en komt daar thuis. En de andere loopt verloren tussen de vaten, in een fabriek achter zijn eigen hoek.’ Maar dat was allemaal later. Nu stond ik met mijn staal in de hand voor zijn deur. Ik had nog nooit met de verfmenger gesproken en stapte onwennig, voor de allereerste keer, zijn kot binnen.   4       CHARLOTTE Toen mijn ogen gewend waren aan het felle licht, zag ik de verfmenger. Hij was als in trance met zijn brouwsel bezig. In alle uithoeken van zijn kot ging hij tubes halen, pigment naar ik veronderstelde. Hij kneep er een beetje van in het mengsel en smeet ze vervolgens op de grond. Dan hief hij zijn zware elektrische mixer in de ketel en begon hij te mengen. Hij had alle moeite om de mixer onder controle te houden. De verfspatten vlogen alle kanten uit. Ik zag ze terechtkomen op muren en meubilair, en langzaam dikke strepen naar beneden trekken. De verfmenger zelf zag er ook bepaald morsig uit. Zijn voorhoofd, zijn wangen en zijn haar zaten onder de vlekken verf. En de lange stofjas die hij droeg was misschien ooit wit geweest, maar was dat al lang niet meer. Elke kleur die hij ooit gefabriceerd had, had daar zijn beslag gevonden, als in een logboek. Het ding moest minstens een halve kilo zwaarder zijn dan toen het nog echt wit was. Nu viel mijn oog op de hoek rechts naast de deur waarlangs ik binnengekomen was. Tientallen beschimmelde schaaltjes met restanten van diepvriesmaaltijden hadden zich daar opgestapeld. In de schaaltjes zag ik onder meer ook koffiepads, broodkorsten en sigarettenpeuken. Misschien bevond zich onder die stapel een vuilbak maar daar was ik niet zeker van. Ik keek rond me en merkte nu pas wat een gigantische puinhoop het overal was. Een orgie van kleuren, en van vunzigheid. De verfmenger deed alsof hij mij niet had zien binnenkomen. Althans, dat veronderstelde ik, aangezien hij luidkeels -en opmerkelijk toonvast- een passage uit Light my Fire van The Doors te berde bracht. Ik kon mij echt niet voorstellen dat dit toeval was. Dat was natuurlijk om mij te jennen. Ik grinnikte. Ik was al lang blij dat er eens iemand niet deed alsof de gebeurtenissen gisteren niet plaatsgevonden hadden. De verfmenger beëindigde zijn schouwspel met een uithaal van jewelste: ‘Try to set the night on fiiiire. Yeah!’ Bij die laatste ‘yeah’ sprong hij met rood aangelopen kop en verwrongen gelaatstrekken de lucht in. Bij het neerkomen ontwaakte hij zogezegd uit trance en merkte hij mij eindelijk op. ‘Hier se! Firestarter!’ riep hij enthousiast. Ik wou ‘Hey Jim,’ zeggen, bij wijze van grap, maar durfde dit niet. In de plaats daarvan knikte ik kort, zonder hem aan te kijken. ‘Seg, hoe lang staat gij hier eigenlijk al?’ vroeg hij, ‘Ik verschiet mij een ongeluk.’ Zonder op die vraag te antwoorden gebaarde ik naar het staal in mijn hand. De verfmenger veinsde verbazing: ‘Hoe? Gij staat toch op het platform? Sinds wanneer moet gij de vaten vullen? Is er iets gebeurd of zo?’ Het theater was dus nog niet voorbij. Ik stond er wat bedremmeld bij en wist niet goed wat zeggen. ‘Grappig hoor,’ mompelde ik uiteindelijk, maar te stil om gehoord te worden. ‘Allez,’ zei de verfmenger, ‘ik zal stoppen met u te plagen. Als ge plechtig belooft niks in de fik te steken, zet uw potteke dan maar op die tafel daar.’ Hij wees naar een tafeltje bij de glazen wand. ‘En pakt ne stoel want ik ben hier nog efkes bezig. Er staat drinken onder tafel.’ Onder tafel vond ik inderdaad een pak halve-literflesjes River Cola. Ik nam er een flesje uit, duwde er de rommel op tafel mee opzij zodat ik het neer kon zetten, verplaatste een hoop vuile doeken van de ene stoel naar een andere en ging zitten. Elke namiddag sinds die dag zat ik aan tafel bij de verfmenger, en dronk ik een cola terwijl hij me liet wachten. Hij wist dat ik een ziel op de dool was en bood me een rustplaats. Ik twijfel er niet aan dat hij dat uit mededogen deed. In heel dat lange jaar in de fabriek heb ik me nergens zo dicht bij mezelf gevoeld als daar, in die puinhoop van de verfmenger, terwijl hij in zijn ketel roerde. Een hele tijd later durfde ik hem vragen wat zijn naam was. ‘Raphaël,’ antwoordde hij, voor één keer ernstig, ‘maar zeg maar Rafa.’ Ik knikte. Weldra zou deze Rafa zich ontpoppen. Tot mijn Rafiki.     *     ‘Allez, we zullen uw kwakske eens inspecteren,’ zei hij die eerste middag, na pakweg een kwartier. Hij kwam op me af en griste mijn staal van tafel. Ik had verwacht dat hij een soort apparatuur zou gebruiken, maar hij doopte gewoon vunzig langzaam zijn middelvinger in de zilveren brij. Ondertussen keek hij me recht in de ogen, stak zijn tong zo ver hij kon uit zijn mond, grimaste en kreunde op wansmakelijke wijze, alsof hij klaarkwam, ‘oh Charlotteke, zo lekker warm.’ Ik voelde me betrapt en krimpte in elkaar. Charlotte was de receptioniste. Hoe kon hij weten wat ik voelde voor haar? Als in een film drongen zich herinneringen aan me op, van mijn eerste dagen in de fabriek, toen ik nog in de cafetaria in het hoofdgebouw ging eten. Opnieuw zag ik voor me hoe ik ’s middags de andere arbeiders een sluis involgde die de fabriekshal met het hoofdgebouw verbond. Niemand zei een woord. In die sluis hielden we halt bij een onopvallende witte bak waarin blauwe plastieken hoesjes zaten. Die moesten we, ik vermoed om de traphal proper te houden, over onze schoenen trekken. Niemand gaf een krimp maar ik voelde mij, terwijl ik de trap opliep, een complete freakshow. Bovenaan die trap, achter een balie, zat Charlotte. Ze was onberispelijk gekleed en schonk me, telkens ik haar passeerde, de meest stralende glimlach. Haar lippen, glanzend van de lipgloss, hield ze daarbij lichtjes uit elkaar. Ze had kuiltjes in de wangen, zomersproetjes en een twinkel in de ogen. En ook al moet ze ongeveer mijn leeftijd geweest zijn, ze had net zo goed van een andere planeet kunnen komen. Ik voelde meer verwantschap met een bonobo. Ik meed steeds zorgvuldig haar blik maar na een paar dagen sprak ze mij rechtstreeks aan, zo onbevangen dat het pijn deed: ‘Hallo. Gij zijt Bert zeker? Ik ben Charlotte. Voelt ge u al wat thuis?’ Ik voelde het bloed naar mijn kop stijgen, klikte mijn blik vast aan de blauwe hoesjes rond mijn lelijke schoenen, stamelde ‘ja’ en maakte dat ik wegkwam. Een intens verdriet overmande me. Sinds die ontmoeting durfde ik niet meer naar de cafetaria en at ik mijn boterhammen alleen op, buiten. De verfmenger merkte dat ik van slag was en lachte een vettige lach. Hij haalde zijn vinger uit de brij, trok enkele draden met zijn duim, hield dan beide vingers vlak onder zijn neus en snoof eraan. ‘Bloemekes en honing’, zuchtte hij smachtend, waarna hij zijn tong zo snel hij kon in en uit zijn mond bewoog, ‘Riekt eens, Beire!’ Hij bracht zijn vingers mijn richting uit. Ik durfde hem niet van me afweren. Gelukkig hield hij snel op. ‘Over Charlotteke gesproken’, zei hij vervolgens, terwijl hij zijn vingers afveegde aan één van de vieze doeken die ik verlegd had, ‘als uw ontploffingske bedoeld was om indruk op haar te maken, mission accomplished, Beire. Knap gedaan.’ Ik keek hem vragend aan. ‘Ja, ik passeerde haar juist en ze vroeg achter u.’ ‘Echt?’ ‘Ja, serieus.’ Hij klonk wat verontwaardigd dat ik hem niet op zijn woord geloofde. ‘Ze vroeg of alles okee was met u.’ Hij liet een stilte vallen, keek me doodernstig aan en ging dan door. ‘Haar onderlip begon wat te trillen, haar ogen werden nat en toen zag ik ineens haar tepels helemaal…’ ‘Fuck off gast,’ onderbrak ik hem, oprecht kwaad, ‘stopt ermee!’ De verfmenger bulderde van het lachen, zijn kop werd vuurrood, en hij riep triomfantelijk: ‘Er zit dan toch iets van leven in de vatenvuller.’ Daarna legde hij warm zijn hand op mijn schouder, keek hij me aan met ogen die straalden en zei ‘Allez, ga uw vaatjes maar vol doen. Tot morgen he!’ ‘Tot morgen,’ antwoordde ik, waarna ik tussen de vaten verdween.         5       MIJN KAUW Er is chaos, en willekeur, en de mens die als een waanzinnige verhalen schrijft. Hij ziet verbanden, die enkel in zijn hoofd bestaan. Hij zegt alles hangt samen met alles, wat net zoveel betekent als niets hangt samen met niets. In mijn hoofd was het zonneklaar dat er van Charlotte een rechte lijn liep naar mijn kauw. Die laatste kwam in mijn bestaan omwille van mijn onvermogen de eerste onder ogen te komen. Sinds mijn ontmoeting met Charlotte ging ik elke middag naar buiten om te eten. Ik gebruikte daartoe de grote poort aan de achterzijde van de fabriekshal. Deze poort, langswaar de heftruckchauffeur de zilveren brij in vrachtwagens met vreemde opschriften laadde, stond altijd open en gaf uit op een grasveld, ter grootte van een voetbalplein. Daarachter lag een bos. Het was in dat bos dat ik tijdens mijn middagpauze beschutting vond. Een hele tijd later –het moet de lente van het daaropvolgende jaar geweest zijn- ontdekte ik daar, in een holte bovenaan een dikke boom, een kauwennest. Onmiddellijk vatte ik het plan op een kauwenjong te roven. Ik stond geen seconde stil bij het welzijn van dit dier. Ik wilde een tamme kauw en dat was dat. Misschien was ik zo ontheemd dat ik niet meer wist dat elk wezen, kauw of mens, ergens thuishoort. Misschien was het andersom, wist ik verdomd goed hoe ik er aan toe was, en roofde ik mezelf een lotgenoot. Weten we eigenlijk ooit wat ons werkelijk drijft? Feit is dat ik diezelfde avond nog terugreed naar de fabriek en daar als een dief in de nacht –wat ik welbeschouwd ook was- via het dak van mijn auto over het hek klom. Ik sleurde een ladder -die ik vlak voor ik naar huis ging tussen de struiken verborgen had- het grasveld over en zette die, eenmaal in het bos, tegen de boom waarin zich het nest bevond. Toen klom ik naar boven, stak mijn hand in de holte en graaide als een indringer in het rond. Eerst voelde ik takjes, het nest veronderstelde ik, en in dat nest inderdaad iets warm, levend. Ik snaaide het mee en vluchtte het bos uit. Hoe ik terug over het hek geraakt ben, kan ik mij niet meer herinneren. Pas toen ik in mijn auto zat, durfde ik mijn hand te openen. Ik keek. Het wezen dat daar lag te trillen, tartte werkelijk elke verbeelding. Een scharminkel, ledemaat zonder lichaam. Alsof een sjamaan achteloos wat botten en blauw vel op een hoop had gegooid en het in een tegennatuurlijk ritueel tot leven had gebracht. In het midden bevond zich een groteske, gapende bek van waaruit een net zo dwingend als wanhopig gekrijs klonk. Een kind kon zien dat het daarin was dat het eten moest. Thuis zette ik het wezen in een kartonnen doos. Elke ochtend en avond maakte ik het een papje van water, meel en maden die ik bij de viswinkel ging halen. Eerst sopte ik mijn wijsvinger in dat papje en daarna stak ik hem in de gapende bek. Het wezen zwolg mijn vinger dan kokhalzend naar binnen. Ik voelde hierbij duidelijk de onderkant van de maag. In het begin vervulde dit ritueel mij met walging maar al snel werd ik het gewoon, en raakte ik er zelfs op gesteld. Zo werd het wezen langzaam maar zeker groter. Eerst werd het zo mogelijk nog incoherenter, maar daarna begonnen de onderdelen samenhang te vertonen en nam het zowaar de vorm aan van een jonge kauw. Tegelijkertijd begon er iets van intelligentie of begrip door te schemeren in de zwarte kraaloogjes. Op zekere dag, tijdens het voeden, hield mijn kauw zijn kopje wat scheef en keek hij mij vol in het gezicht. Plots gingen de donsveertjes bovenop zijn kop recht overeind staan en kraste hij me toe, een scherp ‘kà’. Hij herkende mij. Ik weet niet waarom, maar dit stoorde mij enorm en ik voelde, als een tsunami, de aanvechting in me opkomen mijn kauw te pijnigen. Slechts ternauwernood kon ik deze aanvechting onderdrukken. Dagenlang bezwaarde dit mij.     *       Het was ook rond die tijd dat mijn kauw zijn kartonnen doos ontgroeide en een nieuwe thuis nodig had. Aan de achterkant van de fabriekshal had ik een ijzeren kooi opgemerkt die daartoe dienst kon doen. Die kooi stond al maanden te verroesten tussen stapels kapotte palletten. Ze bestond uit dunne tralies, van boven naar beneden en van links naar rechts, die op ideale afstand van elkaar stonden, en was ongeveer anderhalve meter lang en een meter breed. Enkel bovenaan was de kooi helemaal open, maar dat was geen bezwaar aangezien mijn kauw al wel wat fladderde maar nog niet kon vliegen. Tijdens een middagpauze wrikte ik de kooi los uit de stapel palletten en begon ik ze te verslepen. Ze was zwaarder dan ik gedacht had en trok twee diepe voren over de gehele lengte van het grasveld. Ik hoopte maar dat niemand hier aanstoot aan zou nemen. Uiteindelijk, met alle macht die ik in me had, kreeg ik de kooi waar ik ze hebben wilde, aan de rand van het bos waar mijn kauw vandaan kwam. Mijn kauw echter wou niet van zijn kooi weten. Vrijwel onmiddellijk nadat ik hem er met doos en al inzette, begon hij als een bezetene rond te fladderen. De houtvezel, die als bodembedekker dienst moest doen, stoof alle kanten uit. Uiteindelijk lukte het hem warempel de meter naar de bovenkant van de kooi te overbruggen en ging hij zitten op de bovenste tralie. Hij hield zijn kopje wat scheef, keek eerst naar beneden de kooi in en vervolgens recht naar mij, en kraste triomfantelijk ‘kà’. Opnieuw gingen de donsjes op zijn kop recht overeind staan. Die bovenste tralie werd zijn plekje. Ik haatte het hoe hij daar, dag in dag uit, zat. Alleen. Dof. Teneergeslagen. Vlakbij het bos waar de kauwen huisden, en tegelijkertijd werelden ervan verwijderd. Ik had mij een kauw gedroomd en zat met een schim opgescheept. Met een wezen dat wel de mogelijkheid in zich droeg kauw te zijn, maar het niet was. Hij herkende de geur niet van de kauwennesten die als het geregend had indringend het bos uitgewasemd kwam. Hij reageerde niet op het balorige gekras waarmee de echte kauwen hoog in de lucht met halsbrekende stunts hun vrijheid vierden. Mijn kauw zat op zijn tralie, had alleen maar oog voor de grote poort en wachtte geduldig. Op mij. Van zodra hij mij ’s middags uit de grote poort tevoorschijn zag komen, veranderde er iets in zijn voorkomen. Hij richtte zich wat op, als flakkerde er wat hoop in hem. Terwijl ik hem dan tegemoet stapte, het grasveld over, en zo hoog en schril ik kon zijn roep nabootste -‘kà’- kwam hij mij tegemoet gevlogen. Elke dag waagde hij de oversteek van wat verder weg. En elke dag zweefde hij wat mooier en plantte hij wat trefzekerder zijn klauwtjes in het vlees van mijn schouder. Het was daar, op mijn schouder, dat hij thuiskwam. Onmiddellijk na de landing trok hij met zijn uitwerpselen lange, witte strepen op mijn rug, als markeerde hij zijn territorium. Ik begon zowaar te twijfelen aan de wetenschap dat vogels hun sluitspier niet controleren kunnen. Hij zat op mijn schouder terwijl ik naar de rand van het grasveld wandelde. En hij zat op mijn schouder terwijl ik me daar op een stapel palletten neerzette. En terwijl ik mijn brooddoos opende, keek hij van op mijn schouder nieuwsgierig toe. Kipcurry was zijn favoriet. Als hij dat tevoorschijn zag komen, eiste hij nog dwingender dan anders zijn deel. Treuzelde ik wat te lang, dan pakte hij mijn oorlel beet, in zijn bek en begon hij eraan te snokken. Eerst zachtjes –bijna teder- maar allengs krachtiger. Dit irriteerde mij mateloos. Soms spande ik mijn middelvinger op achter mijn duim en liet ik hem vervolgens met volle kracht schieten tegen de zijkant van zijn kop. Nadien stemde dit mij droevig. Ik wilde hem geen pijn doen. Maar ik kon het ook niet tegenhouden. Na het eten wandelden we terug naar zijn kooi en zette ik hem daar, op zijn tralie, neer. Maar dat werd alsmaar moeilijker. Hij wou op mijn schouder blijven. In het begin lukte het mij nog hem af te leiden door stukjes kip curry op zijn tralie neer te leggen, maar tegen het einde van mijn tijd in de fabriek werkte ook dat niet meer.     *       Het moet mijn laatste week geweest zijn. Ik had mijn kauw net achtergelaten op zijn tralie met wat brokjes kipcurry en was het grasveld al bijna helemaal overgestoken toen ik plots, slechts enkele meters voor ik de grote poort van de fabriekshal binnenging, zijn klauwtjes op mijn schouder voelde. Woedend sloeg ik mijn kauw van me af. Ik stapte pisnijdig naar de stapel palletten aan de zijkant van het grasveld, trok er een groot pallet tussenuit en sleurde dit richting de kooi. De hele weg over het grasveld bleef mijn kauw proberen zijn plaats op mijn schouder te heroveren. Pas aan zijn kooi stond ik hem toe te landen, maar enkel zodat ik hem grijpen kon. Ik smeet hem ruw zijn kooi in en plofte zo snel ik kon het pallet er bovenop. Het duurde enkele tellen vooraleer ik mijn ademhaling terug onder controle had. Toen stapte ik met een verbeten trek rond mijn mond en een wee gevoel in mijn buik naar het kot van de verfmenger om mijn staal te laten controleren.         6       HET AMULET Herinneringen waar de tijd geen vat op heeft, ook dat zijn sleutels. Het is twintig jaar geleden, maar ik zie het voor me, als gebeurde het gisteren. Ik bevind mij in het kot van de verfmenger. Maar hij is er niet. ‘Vreemd,’ denk ik. Ik zet mijn staal op tafel en stap tot bij de glazen wand. Ik tuur de donkere fabriekshal in maar ook daar is hij nergens te bespeuren. Dan zie ik plots vanuit de duisternis, als in een nachtmerrie, mijn kauw opdoemen. Hij zweeft, oneindig langzaam, recht op mij af. ‘Hij ziet me hier staan, in het felle licht,’ realiseer ik mij. Ik begrijp onmiddellijk wat er gaat gebeuren. ‘Hoe is dit mogelijk?’ flitst het nog door mijn hoofd. ‘Het pallet? Heeft hij zich door de latten geworsteld?’ Dan is mijn kauw plots vlakbij en strekt hij zijn klauwtjes om te landen op mijn schouder. Onbewogen kijk ik toe hoe hij zich te pletter stort tegen het glas. Het volgende moment ligt hij roerloos op de grond. Zijn kraalogen staren me uitdrukkingloos aan. Wat er dan over mij komt, vervult me zelfs vandaag nog met afschuw. Ik gil niet. Ik krimp niet in elkaar. Doorheen het glas monster ik het lijkje en denk ik ‘de cirkel is rond. Hij ziet er nu uit zoals toen ik hem voor het eerst zag. Een tegennatuurlijk scharminkel. Een hoop botten en een bek.’ Dan begin ik hysterisch te lachen. En hysterisch lachend verdwijn ik. Ik ga de fabriekshal niet in. Ik neem mijn kauw niet teder in mijn handen. Noch draag ik hem wenend naar een laatste rustplaats. Ik laat het lijkje liggen. En verdwijn. In mijn appartement kijk ik voor de tweede keer naar The Lion King. De knokige hand van Rafiki plukt iets uit de lucht dat de wind, over de savanne, tot aan zijn baobab geblazen heeft. Hij snuift er onderzoekend aan. Dan lichten zijn ogen op. ‘Simba! He’s alive!’ roept hij extatisch uit. Dansend begeeft hij zich naar de beeltenis op zijn baobab, van een half weggevaagde Simba. Hij doopt zijn vingers in het vlees van een vrucht en geeft het leeuwtje, als was het een kroon, prachtige rode manen. Pas dan rollen de tranen over mijn wangen. ‘It is time,’ prevelt Rafiki nog voor zich uit en het voelt alsof hij die woorden aan mij persoonlijk richt. Een ijskoude rilling loopt langs de gehele lengte van mijn rug. De volgende dag is het lijkje van mijn kauw verdwenen. Ik haal zoals elke voormiddag mijn pot lijm en mijn stapel etiketten en verdwijn daarmee in het bos van vaten. Gehurkt zit ik een tijdje rustig te lijmen tot plots, vanachter een vat, de verfmenger opdoemt. Even schrik ik. ‘Wat doet hij hier?’ Vrijwel onmiddellijk daarna begrijp ik dat dit mijn laatste dag in de fabriek is. Vanuit een ooghoek, terwijl hij nadert, monster ik zijn aangezicht. Vooral veel blauw, en wat rood rond de neus. ‘Paars?’ grinnik ik hem toe bij wijze van begroeting. Dat was ons ritueel. Ik keek naar de spetters in zijn aangezicht en probeerde te raden welke kleur er in zijn ketel zat. Maar vandaag reageert hij niet. Hij hurkt naast me neer en neemt mij zwijgend de kwast uit handen. Hij begint te lijmen, maakt geen aanstalten om te spreken en kijkt me niet aan. De stilte voelt als een derde persoon. Ik kan er niet meer tegen en open mijn mond om iets te zeggen. Hierop heeft hij gewacht: ‘Beire, waar zijt gij eigenlijk mee bezig?’ ‘Etiketten plakken’, reageer ik. Dat bedoelt hij natuurlijk niet. ‘Wat zijt gij hier eigenlijk aan het doen?’ herhaalt de verfmenger. Alvorens ik zijn vraag opnieuw kan ontwijken, draait hij zich om en kijkt hij me recht in de ogen. Voor het eerst zie ik hoe helder –bijna geel, te midden de rode en blauwe spetters- de irissen van zijn ogen zijn. Hij priemt de kwast in mijn gezicht -ik ruik de lijm- en zegt dan, bijna dreigend: ‘Wat moet er, behalve ontploffende ketels, en vogels die zich te pletter vliegen, nog meer gebeuren vooraleer gij doorkrijgt dat ge hier niet thuishoort?’ Dan laat hij de kwast op de grond vallen. Daarmee is ook alle dreiging weg. Hij legt zacht zijn ene hand op mijn schouder en met de andere drukt hij me iets in de hand. Ik kan niet zien wat het is omdat hij onze handen verstrengeld houdt. Hij schudt langzaam zijn hoofd, en als een mist legt zich over zijn ogen een grote treurnis neer, terwijl hij zijn laatste woorden tot mij spreekt. Die klinken als een mantra en de dagen nadien hoor ik ze opnieuw en opnieuw. ‘Ik weet niet waar,’ zegt hij traag, ‘maar niet hier.’ En met die woorden verdwijnt hij opnieuw achter de vaten. En uit mijn leven. En ik kan het niet anders zeggen maar het lijkt alsof ik niet in het gezicht van de verfmenger gekeken heb, maar in mijn eigen gezicht. Misschien is de verfmenger helemaal niet in de buurt geweest. Misschien ben ikzelf het wel geweest die, in een finaal moment van helderheid, die woorden voor me uit gepreveld heb: ‘Ik weet niet waar, maar niet hier.’ Net als ik begin te denken dat ik me alles ingebeeld heb, voel ik dat er nog steeds iets in mijn hand ligt. Ik doe mijn hand open en kijk. Daar ligt het amulet. Het duurt een hele tijd voor ik begrijp dat de veren die ik zie, de veren van mijn kauw zijn. En dat de verfmenger ze gekleurd heeft. In zeewaardige kleuren.   7       THUIS ‘Papa? Wat is dat?’ De film is al even afgelopen en we liggen met z’n allen nog wat na te babbelen. ‘Wat bedoel je?’ ‘Dat in jouw hand.’ Ik merk nu pas dat ik het amulet nog steeds vasthoud. ‘Mijn amulet,’ zeg ik stilletjes. ‘Mooi he? Kijk, je kan zo over de veertjes aaien. Maar niet zó doen he, want dan gaan ze kapot.’ Max gaat voorzichtig, met één vingertje, over de veertjes. Toby durft niet. ‘Papa? Wat is dat,’ vraagt hij opnieuw. ‘Ben je de naam vergeten, schat?’ Hij knikt. ‘Een amulet,’ herhaal ik, ‘En moet ik eens vertellen waar dat voor dient?’ Dat is natuurlijk exact wat hij wil. ‘Dit amulet,’ zeg ik geheimzinnig, ’wijst altijd de juiste weg naar huis. Als je verloren bent, en je weet niet meer waar je woont, moet je niet bang of verdrietig zijn. Want met dit amulet vind je altijd de juiste weg terug.’ ‘Echt?’ vraagt Toby en nu raakt hij het met één vingertje aan. ‘Niet waar,’ bromt Max. Maar niettemin neemt hij het amulet steeds nadrukkelijker in zijn hand. Dan kijkt hij me poeslief aan. ‘Papa?’ ‘Nee,’ anticipeer ik op de vraag die gaat komen, heftiger dan mijn bedoeling was, ‘jullie krijgen het niet.’ De kinderen beginnen te zeuren. ‘Jongens, dat amulet is mijn belangrijkste herinnering ooit,’ probeer ik hen uit te leggen, ‘en daarbij, het verliest zijn kracht als ik het doorgeef.’ ‘Papa, in dit huis liegen we niet,’ kom jij kordaat tussen, en dan: ‘Komaan, gij hebt dat toch niet meer nodig? Gij kent uw weg naar huis toch al jaren.’ Ik probeer je met een vuile blik het zwijgen op te leggen. ‘Ja, papa,’ treedt Max je bij, ‘en je hebt al een gps ook trouwens!’ ‘Daarbij,’ zeg je langs je neus weg, ‘ge zou beter een amulet hebben dat de juiste weg naar uw kinderen wijst, zodat die niet heel de tijd van de trap donderen.’ ‘Max! Klikspaan!’ roep ik verontwaardigd uit. Max lacht een boosaardig lachje en maakt van de gelegenheid gebruik om mijn amulet van me af te pakken. Even later rollen we met z’n allen over elkaar heen. De kinderen gillen ‘vleeshoop’ Ik herover mijn amulet. ‘Ten aanval,’ gillen de kinderen. Ik worstel mij recht en steek mijn amulet hoog boven me uit. ‘Jullie mogen allemaal op jullie kop gaan staan,’ roep ik pathetisch, terwijl de kinderen tegen me op springen, ‘jullie krijgen het niet. Van mij!’ ‘Mama!’ roepen de kinderen in koor. ‘Papa doet gemeen.’ ‘Jongens, papa heeft gelijk,’ zeg jij gelaten, ‘het is zijn amulet en als hij het wil houden, dan mag hij dat.’ ‘Dank u,’ zeg ik. ‘Ook sommige volwassenen vinden delen nog moeilijk,’ zeg je fijntjes. Gelukkig zijn de kinderen te moe om nog verder te strijden. Ze nestelen zich terug tussen hun knuffels, pruttelen nog wat na en vallen een paar tellen later in slaap.       *   ‘Je hebt gelijk,’ zeg ik wat later. ‘Ik weet het,’ zeg jij. Meer woorden hebben we niet nodig. We wurmen ons stilletjes uit de omhelzing van onze slapende kinderen en beginnen hier en daar kasten en schuiven open te trekken. In een bak speelgoed vinden we eindelijk wat we zoeken: een oude sleutelbos. We zetten ons naast elkaar aan de keukentafel. Jij begint de sleutelbos te demonteren. Geduldig wrik je sleutel na sleutel los, tot je alleen de ijzeren ring overhoudt. Ondertussen haal ik drie veren uit mijn amulet, door de ijzerdraadjes los te prutsen van de centrale ring. Ik reik je die drie veren aan, en jij hecht ze terug vast, ditmaal aan de nieuwe ring. En zo ligt daar dan plots een tweede amulet op tafel. Je schuift het over tafel mijn kant uit en kijkt me aan. Nog steeds zonder woorden staan we recht en stappen we de living in, waar onze kinderen diep liggen te slapen. Ik kniel bij Max neer. ‘Hier Max,’ zeg ik en ik leg een amulet naast zijn hoofd, ‘voor als het tijd is om thuis te komen.’ Even nog wrijf ik hem over de borst. ‘Maar wel eerst goed verloren lopen he.’ Dan kniel ik bij Toby neer en doe ik hetzelfde. Daarna kegelen we hier en daar een popcornknots opzij en nestelen we ons tussen onze kinderen in. Je legt je hoofd op mijn schouder en ik streel rustig je zwarte haren. Zo liggen we wat voor ons uit te staren, beiden in gedachten verzonken. ‘Bert?’ vraag je uiteindelijk. ‘Ja?’ ‘Heb ik vandaag eigenlijk al gezegd dat ik u graag zie?’ ‘Nee,’ zeg ik. Net te laat besef ik dat ik in je val getrapt ben. ‘Dan zal ik daar wel een reden voor hebben,’ zeg je kurkdroog. We schateren het uit van het lachen. ‘Shhht,’ zeggen we tegelijk, ‘nu zijn we er eens vijf minuten vanaf.’ Opnieuw nestelen we ons in elkaars armen. En opnieuw is het stil. Ik luister naar je adem. ‘Schat?’ ‘Ja?’ zeg jij, op je hoede. ‘Ik zie u ook graag.’ Een beetje later vallen we, met onze kinderen aan onze zij, in slaap. Overal rond ons, strekt de toekomst zich uit, onpeilbaar als een zee, maar hier zijn we thuis.  

Bert Aerts
0 0

Gebeurtenissen uit de jeugd van Benoit die van hem een schrijver maakten

Brandweerman   Ik ben Benoit. En ik heb lang gedacht dat ik brandweerman zou worden. Dat dat het leukste beroep was. Wagens, sirenes, ladders, slangen, water. En spuiten. Als het maar nat is, dacht ik, is het goed. Bij regenweer heb je spijtig genoeg geen brandweermannen nodig. Wanneer het weerbericht slecht weer voorspelt is dat voor mij een dag om snel te vergeten. Dan ben ik verdrietig en loop thuis rond met krampen in mijn buik van pure stress tot ik op de wc ga zitten en mijn darmen leeg pers. Wachten op een straaltje zon kan lang duren als je in het kleinste kamertje zit. Geloof mij. Op dagen met onweer lees ik stripverhalen zolang het nodig is en vraag zo nu en dan aan Onze-Lieve-Heer om bliksem en donder voor eeuwig en altijd te verbannen naar de hel. Drie weesgegroetjes later zet hij dan meestal een regenboog aan de hemel. Daar ligt een schat begraven. Met kleurrijke snoepjes en gouden muntstukken uit chocolade. Voor heel brave kindjes zoals ik. Daar koop ik dan een paraplu mee. Dat is het enige wat ik kan doen om mij tegen de regendruppels te beschermen. Maar ik weet niet goed of dat wel echt werkt, want ondertussen liggen er al drie stapels stripverhalen onder mijn bed. Dat is genoeg voor minstens anderhalve week. Als het moet lees ik extra traag en dan kan ik twee weken verder. Op de hardnekkigste regendagen, wanneer de wolken zwart aan de lucht blijven hangen, als een kanker die je ondanks al dat water niet van je huid gewassen krijgt, twijfel ik over het bestaan van een God, dat geef ik eerlijk toe. Maar nooit heb ik getwijfeld dat ik brandweerman zou worden.   Geen seconde.     School   Onze klas telt achttien leerlingen. Evenveel jongens als meisjes. Les krijgen we van een juf. Haar naam is Frieda. Volgens papa is een meester beter, want met de wijven hebt ge niks as last. Ikkekannekik a schaamhaar zien zingt hij dan heel luid. Dat is een liedje op een vinylplaat. Van de groep Katastroof. Mijn mama geeft ook les op onze school. 1A is haar klasje. Bij aanvang van een nieuw schooljaar heeft zij ook achttien leerlingen. Kleutertjes is eigenlijk een juister woord. Op het einde van het schooljaar zijn die gegroeid tot minstens dertig. Dertig van die kleine in hun broekjes pissende en kakkende ettertjes. Mijn mama heeft daar weinig last van. Haar darmen zijn beter bestand tegen de stress dan die van mij. Ik zit nu in het derde klasje en doe het niet meer in mijn broek. Mijn grote hobby is zoals gezegd stripverhalen lezen. Het is te zeggen: ik kijk naar de prentjes, en teken die niet al te snuggere dikke agent over op vellen A4 papier en hang die dan met duimspijkers tegen de muur in mijn kamer, want lezen kan ik nog niet. Ik ben vijf. Agent 212 is superleuk. Mijn papa is ook politieagent.   Ergens in Brussel.     Schaarbeek   Schaarbeek ligt in Brussel en is een gevaarlijke stad. Dat is toch wat mijn papa zegt. Wanneer hij ’s ochtends naar zijn werk vertrekt is dat voor vierentwintig uur. Hij patrouilleert op straat, het liefst van al achtervolgt hij stoute mensen. Met zijn Volvo. Onverwoestbaar als je hem mag geloven. Zelfs wanneer zijn achtervolging in het Josaphat park eindigt en hij daarvoor trappen op en af moet rijden. Ik heb die Volvo nog niet gezien. Maar het is een zwarte. Met blauwe zwaailichten. Mijn papa is geen racist, maar uit ondervinding weet hij dat ge naast de wijven ook met de Marokkanen en de Joden niks as last hebt. Marokkanen hebben namelijk nooit iets gedaan. Ook al doen ze wel iets verkeerd, dan nog zullen ze volhouden dat ze het niet gedaan hebben. Dat zit in hun cultuur. Bovendien moet je opletten want ze zeggen erge dingen zoals: ‘Ik weet woon uw huis.’ ‘Ik poep uw moeder.’ Ze zullen het met de glimlach op hun gezicht blijven herhalen. Met gebalde vuisten achter hun rug. Joden zijn dan weer een ras apart. Die zwemmen in het geld en hebben hun eigen scholen die ze laten bewaken. Ik heb op het schoolplein gehoord dat Joden arm zijn, dat ze in kampen met miljoenen samenzaten en dat de Duitsers hen met gas hebben gedood. Hoe het dan komt dat er nog altijd rijke Joden zijn weet ik niet.   Misschien is mijn papa ook een Marokkaan.     Kraantjeswater   Wanneer het eens een dag regent en ik geen zin heb om stripverhalen te lezen, speel ik met de brandweerkazerne van Playmobil. Ik heb een extra ladderwagen en een rescue helicopter. Je zou eens moeten weten hoeveel keer ik denkbeeldige vuurtjes in ons -ondertussen vergeelde tapijt- heb geblust. Mama vindt dat ik voortaan kraantjeswater moet gebruiken. Dat Spa te duur is om het leven van mijn zus haar Barbie te redden. Ik was ervan overtuigd dat ik brandweerman ging worden tot ik vorige week bij mijn oma ging logeren. Daar ben ik voor het eerst beginnen nadenken.   Of politieagent niet beter bij mij past.     Meester   Op school krijgen we les van meester Deleu. Hij is wel vaak ziek en wordt dan vervangen door een interim juf. Op dagen dat hij toch voor de klas staat heeft hij het vooral moeilijk met het uit elkaar houden van David en David. Niet dat ze qua uiterlijk op elkaar lijken, maar omdat meester Deleu graag pintjes drinkt en af en toe ook een glaasje whisky of wodka.   David komt uit ex-Joegoslavië en wil als David (met duidelijke ‘A’) aangesproken worden. De andere David is de populairste jongen van onze klas en wil om dat te blijven niet met David vergeleken worden. Hij heeft liever dat we Devid tegen hem zeggen. (op z’n Amerikaans). David en Devid komen uit een marginaal gezin waar ook veel whisky’s en wodka’s gedronken worden.   Het is nooit mijn bedoeling geweest om mijn vriendschapsboekje door die twee te laten invullen. Maar op de een of andere manier is het hen toch gelukt. En spijtig genoeg staan er nu dingen in zoals:   Tiptaptop de datum staat op z’n kop Mijn fijnste schoolvak: Niks Mijn hobby’s: Op straat lopen Ik hou helemaal niet van: Joden en Marokkanen Wat ik later worden wil: Brandweerman of gigolo Mijn idool: Samantha Fox De beste (pop)groep: Beethoven, Europe Mijn beste boek: Vlasko en zijn hond Tophit: Putain putain van TC Matic Het beste tv-programma: Cocoricocoboy Mijn mooiste film: Rocky I II III IV, Flodder Het lekkerste eten: Frieten Ik hou helemaal niet van: meester Deleu en Sabien Het meest houd ik van: De interim juf met de dikke borsten           Broers: 1 Zusjes: /   Ik weet nog perfect hoe het koekje en het appelsapje uit mijn schooltas die dag smaakten. Zoals die keer dat mijn favoriete winkel gesloten was en mama besloot om naar de Aldi te gaan. Slecht. En toch slikte ik de brij door, en besliste om David en Devid tussen de andere klasgenootjes te laten staan.     24 uur   Als mijn papa zijn vierentwintig uren shift erop zit kruipt hij in bed. Dan slaapt hij en moeten mijn zus en ik stil zijn. Ik speel op die momenten vaak in de tuin. Met de tuinslang spuit ik de planten extra lang nat. Zo lang tot mijn zus Wendy roept dat haar Pluisje niet van water houdt. Pluisje is het konijn dat ze van de Sint heeft gekregen omdat ze zo’n goed rapport had. Pluisje zit eenzaam in een kot in de garage. Het doosje lucifers dat ik daar vorige maand vond ligt nu in de badkamer, in het medicijnkastje. Onder de keelpastilles en naast de hoestsiroop. De rododendron nog eens in brand steken mag niet meer van mama. Ik moet mijn fantasie gebruiken. Denkbeeldig vuur kan ook geblust worden. Liefst met droog water op het nieuwe Ikea tapijt.   Soms vraagt mama of ik zin heb in een spelletje. Mens-erger-je-niet vind ik plezant zolang ze mij laat winnen. Wanneer ik meer dan één pionnetje achtersta zeg ik dat ik kaka moet doen en ga op mijn kamer een stripverhaal lezen. Mijn favoriet blijft Agent 212. Iedere week breng ik er een paar van de bib mee. Ik zoek dan naar straffe verhalen. Tot nu toe is dat niet gelukt. Papa’s verhalen uit Brussel zijn veel spectaculairder.   Misschien moet mijn papa eens een stripverhaal maken.     Sabien   Devid heeft gezegd dat hij mij gaat tonen wat een gigolo doet. Devid is mijn beste vriend. Hij stelde Sabien voor. Omdat zij de enige is bij wie al iets te merken is van beginnende borstjes. Bovendien doet het gerucht de ronde dat ze afgelopen weekend haar eerste bh'tje zou hebben gekregen. Omdat Devid de populairste jongens van de klas is, wijk ik niet van zijn zijde. Dat komt mij misschien nog eens van pas. Ooit.   Het is hem gelukt onze klas te overtuigen. Tijdens de speeltijd, om tien uur, zullen ook nog eens alle jongens van 5B komen helpen. We hebben alle details besproken. De schoolmuur zal gedeeltelijk nieuwsgierige blikken afschermen. Voor de rest zorgen de andere leerlingen. Met hun ruggen naar de bakstenen muur en hun gezichten naar de speelplaats gericht. Het wordt een kringetje van jongens en van meisjes. Een halve cirkel eigenlijk. Sabien, Devid en ikzelf zullen in het midden staan. Voor de niet deelnemende leerlingen en vooral voor de leerkrachten die toezicht houden zal het lijken alsof we, zakdoek leggen niemand zeggen, aan het spelen zijn. Dat is toch het plan.   Om tien uur gaat de bel. Het is zover. Devid en ik stormen als gekken naar buiten. Sabien komt even later, alsof er niets aan de hand is, de speelplaats op gewandeld. Haar halflange blonde haren heeft ze in een staartje samengebonden. Devid deelt bevelen uit. Plaatst jongens en meisjes zo dicht mogelijk tegen elkaar. Jullie mogen in geen geval kijken, gezichten in die richting. Hij wijst naar de basketbalring op het einde van de speelplaats.   Ik sta in het midden van de door leerlingen gevormde halve kring samen met de populairste jongen en het mooiste meisje van onze klas. Is dit wel verstandig om hier en nu te doen, waren de toiletten niet veiliger geweest? Stel dat een van de leerkrachten komt kijken wat er hier gebeurt. Zoveel kinderen die stilstaan, met hun ruggen naar elkaar, is verdacht.   Devid vraagt of we borstjes te zien krijgen. Sabien schudt nee. De beschermende kring rond ons vertoont gaten. Borstjes heeft als een rode lap op een stier gewerkt. Enkele jongens hebben zich omgedraaid in de hoop een glimp van Sabien te kunnen opvangen.   Omdraaien, brult Devid hen toe. Vervolgens haalt hij zijn piemel tevoorschijn. Hij houdt het verrimpelde stukje huid wachtend in zijn hand, kijkt naar Sabien. Komaan, nu jij. Sabien doet het iets minder haastig, maar ze doet het. Met beide handen trekt ze haar broekje en onderbroekje naar beneden. Devid duwt zijn piemel tegen haar spleetje. Een… twee… drie seconden. Propt hem daarna weer in zijn broek. Jouw beurt, zegt hij. Mijn nieuwsgierigheid is sterker dan mijn angst. Het kan mij niet schelen wie of wat ons nu kan zien. Ik wil zoals Devid zijn: een gigolo.   Ik ben elf. Ik rits mijn broek open. Ik zeg niets. Sabien zegt niets. We zwijgen samen.   Ik tel de gaten in de muur niet meer. Mijn hand met daarin mijn penis zit op gelijke hoogte van een kleine witte navel. Ik mik nog enkele centimeters lager en kijk in de ogen van Sabien. Trrrrrrrrrriiiiiiiiiiiiiii…. De bel galmt over de speelplaats. Iedereen rept zich naar de geschilderde cijfers en letters op de grond waar iedereen netjes per twee op komt staan. Devid staat naast mij. Volgens mij weet hij het. Sabien ook. Ik ben geen gigolo. Ik word geen politieman. Ik zal nooit brandweerman zijn.   Toen ik de vakantie daarop weer bij oma bleef slapen en ik in de slaapkamer haar grijze schaamhaar kon zien was ik vastberaden om zoals de rijke Jood, die zijn school bewaakt, te worden.   Bij die gedachte verscheen er een glimlach op mijn gezicht.

Sascha Beernaert
3 0
Tip

Budi Wong

BUDI WONG   Ik leer Budi Wong kennen wanneer ik aan de receptie werk van een printerbedrijf op de twintigste verdieping van een kantoorgebouw op de hoek van West Hastings en Burrard Street in Vancouver. Het is een paar weken voor onze beider levens zullen veranderen. Het mijne geografisch, het zijne dramatisch. Budi Wong is een gezette man van Chinese origine uit Hong-Kong met een leeftijdsloos gezicht en pretogen. Hij is een verkoper van printers en lijkt die job met passie uit te oefenen. Zijn klanten kopen materiaal van hem en vergeten hem terstond. Zijn collega’s respecteren hem omdat hij de cijfers omhoog haalt maar nooit bovenaan de lijst topverkopers staat. Hij mag regelmatig de bel luiden, maar minder vaak dan de sterspelers. Hij is goed maar gemiddeld. En dat is voor iedereen prettig. Budi Wong is liever geliefd dan de beste.   Mijn bureau staat in het midden van de hal. Ik zit met mijn rug naar een groot raam met prachtig uitzicht over de haven van Vancouver en Grouse Mountain. Als er mensen aan de receptie staan, is dat wat ze zien. Ik kijk op de liftdeuren.   Wanneer Budi Wong iets komt vragen, maakt hij eerst een mop. Budi Wong lacht altijd. Behalve soms. Soms stopt hij met praten en kijkt hij in zichzelf, waar hij wordt omringd door vrouwen en mannen die wachten op telefoon van het voorjaar: “je buik is te bol, je dijen te dik.” Maar de lente belt niet dus iedereen schept nog eens op en bestelt nog een pint.   Mijn laatste werkdag, de eerste dag van mijn laatste week in Canada, is ook de dag waarop Budi Wong vastzit in de lift. Het is vrijdag en vergadering en er zijn donuts voor iedereen. Aan de muur hangt een groot scherm en we juichen team Canada toe tijdens de openingsceremonie van de Winterspelen in Sochi. De telefoon rinkelt maar ik hoef niet op te nemen. Niemand merkt de afwezigheid van Budi Wong op, of het rode lampje dat brandt boven de meest rechtse lift. Ik zit op een stoel in de hoek van de vergaderzaal en kijk naar buiten. Toen ik vanochtend vanuit het noorden van de stad naar het centrum fietste, over de Lions Gate Bridge en recht door Stanley Park, geurde de lucht naar Douglassparren en zee. Het was grijs en mistig, koud en donker. Ik bewoog door het spitsuur als een geroutineerd werkpaard terwijl ik ernaar keek met de betrokken afstand van een vogelspotter. Vrijheid is je ergens bevinden maar geen wortels hebben. Het moeilijkste is vertrekken wanneer je wortels beginnen groeien.   De telefoon rinkelt steeds vaker en steeds langer. De openingsceremonie is voorbij en de vergadering op zijn eind. Mensen verdwijnen druppelsgewijs naar hun eilanden en ik ruim in stilte de papieren bekers koffie op, plaats de stoelen weer op een lijn, zet een stap achteruit, verschuif de tweede stoel van rechts nog een paar centimeter en druk mijn neus tegen het raam voor ik de deur van de vergaderruimte sluit. Ik neem de telefoon op. Het is Budi Wong. Hij zit al twee uur vast in de lift. Het rode lampje knippert. Budi Wong is in paniek. Hij zegt dat ik hem moet helpen. Dat hij niemand kan bereiken. Dat er geen lucht meer is. Hij heeft zijn das al uitgedaan en zijn broek opengezet. Ik bel naar de lobby van het gebouw, ze zijn op de hoogte van het probleem, er is een technieker onderweg. Ik stel Budi Wong gerust. Het zal niet lang meer duren.   Ik wens dat ik in een lift zit die nergens heen gaat. Wanneer ik bevrijd word, ben ik nog in Canada. Maar ik hoef er niet per se uit, kan er voor altijd blijven zitten: achter die drie met beige ribfluweel bekleedde muren en weinig flatterende spiegel, bevindt zich de plek waar ik wil zijn. Waar mijn wortels zich ongemerkt in de grond hebben vastgezet.   Het duurt vier uur vooraleer ze Budi Wong hebben bevrijd. Ik zie hem niet meer want ik blijf boven tot sluitingstijd en Budi Wong ligt beneden huilend op de grond met zijn armen en benen gespreid. Zweet drupt langs zijn slapen en hij roept dat hij nooit nog een lift neemt. Hij roept het luid maar niemand hoort het. De portier praat met de technieker, de barista van de lobbybar flirt met de postbode. Budi Wong ligt op de grond, ik zit twintig verdiepingen hoger, en daartussenin luistert er niemand. Budi Wong staat op en neemt een taxi naar huis. Hij zegt tegen zijn vrouw dat hij ziek is en kruipt in zijn bed. Zijn zoon fluistert de eerste vijf minuten maar maakt daarna weer evenveel lawaai als voordien. Budi Wong valt in slaap en denkt: “ik neem nooit nog een lift.”   De volgende maandag neemt Budi Wong de lift. Hij heeft een belangrijke afspraak met een grote klant uit de kunstensector die vijf flatbed printers wil kopen. ’s Ochtends neemt hij de metro, zoals gewoonlijk, koopt hij onderweg een grote meeneemkoffie en een stuk citroencake, zoals gewoonlijk, loopt door de glazen draaideuren de lobby in en gebruikt zijn badge om de lift te roepen, zoals gewoonlijk. Hij heeft geen keuze, er is geen trap. En dan nog, het zijn twintig verdiepingen.   De rest van de week neemt hij elke dag minstens vier keer de lift. Behalve op vrijdag, dan eet hij ’s middags aan zijn bureau en lacht hij naar zijn collega’s en zegt hoera het is weer bijna weekend hebben jullie plannen ik moet het terras schilderen zolang het droog blijft en vanavond zullen we het er eens goed van nemen. Maar hij denkt iets anders. Hij denkt dat elke beslissing die hij ooit nam op een moment dat hij het meende, niets waard is. Hij beseft dat hij door zijn eigen leven beweegt alsof iemand anders de regie in handen heeft. Hij besluit dan en daar, met een hap Caesar’s salade in zijn mond, om de volgende dag met een volle gastank te beginnen rijden, alleen, naar de eerste plek waar hij iets besliste. Naar de eerste gebroken belofte.   Zaterdag vertrekt Budi Wong met een volle gastank maar ook zijn zoon van vijf op de achterbank en de wetenschap dat zijn vrouw hen zondag voor het eten thuis verwacht. Hij heeft snoep bij, en fruit, druivensap en rijstcrackers. In de koffer ligt een grote tas met spelletjes en propere kleren. Op de radio speelt een verslag van het kunstschaatsen in Sochi maar dat moet na een paar minuten uit want zijn zoon houdt meer van de soundtrack van Cars 2.   Terwijl Budi en Owen Wong door het weelderige en vochtige landschap van British Columbia rijden, zich allebei weinig bewust van de nochtans niet te negeren schoonheid ervan, pak ik mijn zakken – al is het er eigenlijk maar één en zit er niets in dat ik in België nog zal gebruiken omdat het me week zou maken van heimwee een trui te dragen die ik voor drie dollar kocht bij Salvation Army in Yellowknife. Niet omdat hij lelijk is maar omdat hij rood is, en Superman er op staat, en hij ruikt naar mensen en bomen die ik nooit meer zal zien. Mijn rugzak ligt op het bed van mijn eenkamerappartement in één van de drie grote blokken aan de noordzijde van Vancouver. De lelijkheid van de stadsrand verbindt er zee en bergen. Reusachtige tankers liggen stil aangemeerd, imposanter soms, dan de besneeuwde toppen op de achtergrond. Op de gang ruikt het kruidig en in het tapijt is licht het modderspoor van mijn fietsbanden te zien. Het maakt me, als bewijs van ongehoorzaamheid, ietwat trots: fietsen zijn binnen niet toegelaten. Maar de mountainbike past net op het kleine terras en is mijn enige bezit van waarde. Straks komt er iemand langs om hem te kopen. Hij krijgt mijn helm er gratis bij.   Budi Wong had uitgekeken naar de lange rit heen en terug naar Williams Lake – de stad waar zijn ouders ooit nieuw waren, toen oud, en dan niet meer. Zijn zoon slaapt veel en zeurt niet, maar het is niet hetzelfde. Hij moet op tijd in een degelijk bed en Budi Wong passeert meer dan één roadside diner waar hij niet kan stoppen voor een burger en een pint. Ze overnachten in de 100 Mile Motel, iets voor Williams Lake. De kamer is muf maar typisch en net daarom weer bijzonder. Budi Wong denkt aan een film die hij zag toen hij jong was. Voor Owen diagonaal de tweepersoonsmatras in beslag neemt, vertelt hij over een jongen in zijn klas die ook eens op reis was met zijn vader. Wanneer hij achteraf terug op school kwam, droeg hij een pet met een dinosaurus op.   Ik reserveer een taxi om me de volgende dag naar de luchthaven te brengen en blijf op mijn bed zitten. Ik ga niet kunnen slapen, maar wil ook niks leuks gaan doen. Vooral niet markeren dat deze avond de laatste is.   Budi Wong spendeert de nacht op zijn motorkap. Onder invloed van de sterren of de voorbijrazende trucks, ziet hij zich met zijn zoon aan Dugan Lake staan, beiden onder de indruk van het spiegelgladde water. Hij kan Owen daar geven wat hij er zelf van zijn grootvader kreeg toen ze pas uit Hong-Kong kwamen: een idee van dagen te plukken en levens te leiden. De afwisseling van stilte en het geluid van watervliegtuigen zullen zijn woorden onderstrepen. Hij zal nooit meer met spijt naar de kleine Budi Wong kijken, die met een oude man stond te vissen en plechtig beloofde om piloot te worden.   De volgende dag huurt Budi Wong een kano en bindt die op het dak van zijn truck. Ze rijden de tien mijl naar Horsefly Road, tot aan de toegangsweg tot Dugan Lake. Het meer is vies en halfdroog. Er landen geen vliegtuigen en het stinkt. Owen trekt zijn neus op, of zijn wenkbrauw. Maar Budi Wong heeft een kano op zijn auto liggen. Hij zet zijn zoon in de boot en geeft hem een vislijn. Hoewel hij door de te grote zwemvest amper kan bewegen, springt Owen in het midden van het meer enthousiast recht. Hij wijst naar een ree aan de overkant en lijkt, heel even, in het troebele water te gaan vallen. Budi Wong stelt zich de gevolgen voor: reddingshelikopters en zijn huilende vrouw. Maar er gebeurt niets en hij schrikt van zijn teleurstelling.   In het vliegtuig dwing ik mezelf om naar buiten te kijken. Met mijn handen krampachtig in mijn tas geduwd, zie ik enkel autostrade en tarmac en buitenwijken en winkelketens maar ik wil niets liever dan in de rij te staan voor de incheckbalie, dan in de rij te staan voor slappe koffie, dan in de rij te staan voor het toilet. Op de grond, en daar.   Onderweg naar huis stoppen ze aan een tankstation om naar huis te bellen. Owen praat met zijn moeder en wanneer ze vraagt of het er mooi is, zegt hij: “Saai.” Hij weet dat het niet meer nodig is, maar al rijdende beslist Budi Wong dat hij een verkoper is van printers en dat hij vader is van zijn zoon en man van zijn vrouw. Dat hij niet de beste is in leven, laat dat maar aan de durvers over, hij zal wel toekijken en het terras schilderen als het weer dat toelaat.   Ik ben Budi Wong. Ik wacht op telefoon van de lente. Ik wacht tot mijn leven gaat beginnen, terwijl elke voorbije dag er een is die ik niet opnieuw kan beleven. Ik zit op een stoel aan een bureau met achter mij een prachtig uitzicht en voor mij drie liften, die anderen op hun bestemming brengen. Ik ben Budi Wong. Morgen word ik piloot.  

Fien Meynendonckx
105 4

WE ZIJN WEG VAN JOU

Moesten jullie ook zo glimlachen toen in de krant stond dat de doventolkers ineens het gebaar voor het woordje ‘Jood’ moesten aanpassen? Tot hiertoe beelden die dovenvertalers dit woordje uit door met hun wijsvinger tegen hun  neus in een haakhoek te plooien. Dit blijkt een negatieve bijbetekenis en mag dus niet meer. Dit is plots na eeuwen gebarentaal racistisch.  De Joodse gemeenschap stelt zelf een tekentje van een baard voor. Maar met welk gebarenteken gaat men dan een hipster aanduiden ? Ik heb eventjes mee mijn hersenen gepijnigd om een nieuw gebaar te vinden. Wat dachten jullie van een rechtse dikke duim vooruit, waarbij je dan met de linker wijsvinger een snijgebaar over het topje maakt. De vraag is natuurlijk of de dove dan nog onderscheid weet te maken tussen het woordje ‘jood’ of ‘moslim’? Eindelijk hebben Greta, Anuna en ik een nacht kunnen doorslapen, zonder donkere gedachten of doemdromen. De alarmerende studie van de nog sneller opwarmende oceanen werd geschrapt. Oeps de klimaatwetenschappers maakten een foutje.  Gênant niet? Op welke manier vertellen deze onderzoekers dan aan die angstige milieutypetjes, aan die Pipi Langkous en aan die schoolspijbelaars, na zo’n onrustwekkende flater dat ze een onjuist statistiekje getekend hadden? Het oceaanwater zal niet sneller aan onze lippen staan, maar ondertussen donderen er stukken van gletsjers naar beneden en zal de Mont Blanc binnen geruime tijd wel de Mont Noir genoemd worden. En terwijl er overal klimaatdoemdenkers in allerlei panels ons een schuldgevoel proberen aan te kwekken, vinden zij het blijkbaar nog steeds oké dat er overal ter wereld Grand Prix koersen gehouden worden, er bolides met veel CO2 uitstoot door Afrikaanse en Zuid Amerikaanse natuurgebieden racen en dat iedere nitwit met geld de aarde rondvliegt met zijn privéjet. Maar de klimaatverandering hoeft niet voor iedereen zo’n negatief gegeven te zijn. Voor de Vlaamse Wegen en Verkeer blijkt de klimaatopwarming een regelrechte meevaller. Het zou volgens de nieuwe wetenschappelijke statistieken in ieder geval in Vlaanderen niet meer sneeuwen, ijzelen en vriezen! Kerstbomen zullen langzaamaan vervangen kunnen worden door palmbomen.  Van de door droogte verdwijnende Franse wijnstokken, zullen binnen enkele jaren op onze heuveltjes de eerste wijnen geoogst kunnen worden. Dit wil zeggen dat onze dienst Wegen en Verkeer geen strooizout meer moet inslaan en dat ze daar op het einde van het jaar een flinke geldreserve aan overhouden. In het strooimagazijn vind je geen korrel zout meer, hoogstens een snuifje om je tomaten mee op te pimpen. Dat ze daar bij de Vlaamse wegen en verkeer een financiële mazzel hadden gehad, konden wij zelf zien toen we na onze Zuid Franse vakantie terug over de Vlaamse snelwegen naar huis reden. We waren het bord ‘Vlaanderen’ nog niet gepasseerd of er stonden ineens overal van die megagrote affiches langs de weg. Er stond een foto op van twee helmdragende genderneutrale wegenwerkers en die hielden elk aan een kant een hart vast en daarin stond: “WIJ ZIJN WEG VAN JOU”. De rest van de tekst was zo klein, dat als je aan 100 km per uur voorbij zoefde nauwelijks begreep waarom die man en die vrouw, zo weg waren van ons. Wie in godsnaam strooide er zo kwistig met ons belastinggeld in het rond? Wie bedacht zo’n onleesbaar concept? Waar gaat dit over? Over wegenwerkers, wegenwerken of over slechtleerse snelheidsduivels? Bedenkt het hoofd van dat agentschap plots dat ze dringend met hun strooizoutbankoverschot iets moeten realiseren voordat de nieuwe subsidies binnenkomen? Wil hij kost wat kost zijn dommelambtenaren aan het werk houden? Komt daar een bainstormvergadering aan te pas? Zitten daar creatieve medewerkers die zelfstandig zulke affiches verzinnen of wordt zo’n opdracht aan een externe dienst uitbesteed? Moeten de resultaten verder onder een lunchke of drie besproken worden of vergadert men liever, nu het saldo het toelaat, met luxe dinertjes met de nodige glaasjes dure wijn? Wordt er tijdens het dessert en de café gourment slinks afgetast of er ergens een donkergrijs bonusje onder tafel geschoven kan worden? En als die affiches er dan uiteindelijk hangen, vraagt dat agentschapsambtenaartje  zich dan soms ook wel eens af of de tekst wel degelijk al rijdend leesbaar is en of de bewustmaking wel bij de voorbij bollende automobilist binnen zal komen. Moeten de chauffeurs niet op de rem gaan staan, met een mogelijke kettingbotsing tot gevolg, om uiteindelijk de onleesbare puzzel op te lossen. Wegenenverkeer.be maar de rest van de letters is nog steeds één grote mistige blubber. Blijkbaar wordt dit nooit door de desbetreffende artistieke creatievelingen uitgetest. Affiche af, geld opgesoupeerd en op naar de volgende absurde belastinggeldverspilling! Sim,  Edegem 29 september 2019

Sim
5 0

Hetty's Trofee.

"Marco...niet doen..." Schreeuwde Hetty. Bijna beet ze in haar tong terwijl zijn lid in haar binnendrong. Verdedigen was zinloos maar ze deed het wel, tevergeefs, terwijl rake klappen op haar inbeukten maar haar niet echt konden raken. De woorden die hij haar toeschreeuwde gingen aan haar voorbij. "Vuile hoer, je bent nog harder om te nemen dan je broertje en je kutmoeder..."   Lachend, terwijl Hetty de pijn trotseerde, trok hij haar bij de haren richtng het bed aan de andere kant van de grauwe halfdonkere kamer met vergeeld papier geplakt in jaren zeventig stijl. Geboeid op het bed kroop hij hijgend op haar gebroken lichaam en beukte met een dierlijke drift op haar in. Hij pompte hijgend op haar in terwijl haar vagina bloedde. Haar ziel bloedde van de pijn.   Een passant begon op haar te schelden toen bijna over haar was gestruikeld. Hij verweet de gedaante onder de lappen deken toe en maande haar aan om werk te zoeken en iets over een leven opbouwen of, zo.   Terwijl ze halfslapend uit haar droom werd getrapt trachtte ze de woorden tot haar te laten komen. Ze rochelde en spuugde het slijm in de richting van de man die zich snel uit de voeten maakte.    De koude winter had haar smalle frele lippen met kloven bezet. De aders op haar ingevallen gelaat meanderden als uitgedroogde beddingen.  Ze braakte. Net als welleer. De tel der jaren waren lang verlvlogen samen met haar perzikhuid en haar mooie gekamde haren.  Enkel de pijn was gebleven. Zelfs de spuit had ze niet kunnen verzachten.   Bevend van de koorts en de roep van de naald probeerde ze de plastiek wegwerpspuit op te rapen. Ze prikte de naald in de venen waar nog plaats was overgebleven en stond op. Ze wankelde.   Terwijl haar zwakke hart het begaf zeeg ze neer. Als in vertraagde film zag ze, terwijl haar laatste zuchtje leven in de vrieskou vernevelde, het beeld van haar Sater. Verrast door de uithaal van het mes. Zijn stijve lid als trofee voor een onmenselijke toekomst in de goten van de stad in haar hand. Terwijl het bloed uit de wonde spoot en het leven langzaam uit hem wegvloeide. Voor het laatst toverde zich toen een lach rond haar volle rode lippen.   Zacht liet ze zich wegglijden.   Een leven op dun ijs gebroken.         "

Thomas Haghenbeek
0 0

Koffie

KOFFIE   1.   “De koffie is op.” “Laat in de keuken nog een kan vullen.” “Er is geen koffie meer in de keuken. We moeten naar de winkel voor koffie.” “Ik kan hier niet weg schatje, ik kan hier niet weg.” “Dan ga ik.” “Nee, je blijft bij mij. Ik kan niet weg.”   Het is 1992. Ik ben zes. Ik schuil onder een tafel in een parochiezaal, tussen oude benen in panty’s van 100 den, de geur van gepoetste schoenen, het licht van de late zomerzon gebroken door het witte tafellaken. Tussen gefluister, vingergeroffel en af en toe schuldig gelach. Aan het raam helemaal achterin ruziën mijn ouders. De handen van mijn papa trillen, mijn mama frunnikt aan haar linkeroor. Ik zie hoe de paniek in hun lijf zich manifesteert, zich een weg naar buiten baant. Papa krabt zijn voorhoofd. Mama speelt met haar trouwring. Ze kijkt verbeten naar het buffet. De koffie is op.   Ik mag nog geen koffie, ik maak me geen zorgen. Al is mama strakker dan ooit, alsof ze hoekig werd en alle soepelheid uit haar lijf verdween. Dat is al zo sinds de geboorte. Wij zijn lieve kinderen. Ze ziet het niet.   Een week geleden keerden we terug uit vakantie in het Oosten van Denemarken, een ononderbroken rit van negen uur. Niemand gaf over. Linneke sliep door. Mama gaf de borst op de achterbank. Ik kreeg bij elke stop een nieuw stripboek. Suske en Wiske. Ik wilde Kiekeboe maar ik zeurde niet. Thuis aten we McDonald’s uit de drive-in, liep ik met mama door de tuin, gaven we de planten water, lieten de kippen los en proefden de eerste gevallen okkernoten. Dan bracht ik met papa de flessen wijn naar peter Pierre en tante Rika.   Tante Rika opende de deur. Ze keek niet naar mij. Ze keek naar papa. Ik zag nooit eerder een volwassene huilen. Een minuut later begon ook papa te huilen. Dan belden ze mama en toen die er was, begon ook die te huilen. En dan ook Linneke en dan ik. Maar ik huilde omdat ik met de racebaan wilde spelen en ik er niets van begreep. Peter Pierre was er niet, die haalde altijd de racebaan uit de kast. Op mijn eentje kon ik er niet aan. Tenzij, misschien, ik op een stoel ging staan.   Nog steeds verscholen onder de tafel, zie ik tante Rika zitten. Maar het is tante Rika niet. Ze is dunner en ze kijkt niet als een mens. Zelfs niet als een hond. Ze huilt zonder tranen. Haar schaduw heeft het origineel ergens achtergelaten. Ik ga plat op de grond liggen. Het begint er een beetje te stinken maar dat vind ik niet vies. Het wordt pas vies als het nergens naar ruikt. Zoals peter Pierre vanochtend in de kerk. Hij sliep niet. Want slaap stinkt.     2.   “We nemen een halfuurtje pauze. Versnaperingen zijn nog steeds te krijgen bij onze vlijtige helpers. Gewoon het vlaggetje in de lucht steken en de bitterballen zijn onderweg. En dan een dienstmededeling van de bar: het bier en de koffie zijn op. Ik herhaal: er is geen koffie meer, en geen pintjes. Wel nog thee en Duvel.”   De akoestiek in de refter is ellendig. Het is 2014. Ik ben 28 en zit op het toilet.   Halverwege de quiz staat mijn ploeg nog in de tweede kolom. Ik had hier een hele week naar uitgekeken. Naar iets dat ik onder controle heb. Naar ergens waar ik indruk kan maken. Iets waar ik de beste in ben. Maar niemand in Suske en Kwiske heeft me al vol bewondering aangekeken. Ik heb te snel gedronken. Ik heb koffie nodig.   Mijn hoofdpijn blijft zich uitbreiden. Vanochtend was het een licht tikken tussen mijn wenkbrauwen. ’s Middags, met de zon op zijn hoogst, voelde ik het tot in mijn haren. Ondertussen is er geen grens meer tussen mijn lichaam en de atmosfeer. Maar als alles ziek is, en jij voelt je anders, dan ben je gezond. Denk ik. Het is al te laat om een pijnstiller te nemen. Het is niet mijn bloed dat moet verdunnen, het is de lucht.   Op dit te lage toilet zonder privacy, met een deur die boven- en onderaan open is, herinner ik me iets uit één van mijn eerste gesprekken met mijn therapeut. Dat het niemand wat kan schelen dat mijn schoenen niet van veganistisch bioleer zijn, of mijn maandverband herbruikbaar. Dat niemand me uitlacht als ik Soedan niet op een kaart kan aanduiden. Gisteren probeerde ik bij hem te huilen. Maar ik gebruik geen papieren zakdoeken meer en mijn linnen exemplaar zat in de tas onder mijn stoel. Dus huilde ik niet. Begon ik over iets anders, een collega, het weer, de quiz waar ik zin in had. Ik zou moeten stoppen met therapie. Maar de schaamte om het uit te maken is nog groter dan die op het einde van elk gesprek, wanneer ik het geld overhandig en me vuil voel. Als ik buiten stap, doe ik dat snel, stiekem, met mijn blik ten gronde gericht. Ik vergeet waarom ik ooit begon.   Ik adem te veel lucht in, boer, trek mijn broek op. Terug aan de tafel zegt Linneke: “Ik dacht dat jij zo’n goeie quizzer was?”. Ik heb het koud en ik zweet. De koffie is op. Dan maar een Duvel.   3.   Het is vandaag. Ik ben ouder. Het stormt buiten, net als gisteren en morgen en ik heb de hele dag geslapen. Niet omdat ik moe ben, maar omdat ik moet schrijven. En wanneer ik moet schrijven, doe ik niets. Ik houd al twee weken de rolluiken gesloten om de warmte binnen te houden.   De koffie is op en de winkels zijn dicht en morgen moet mijn stuk binnen. Ik heb nog veertien uur. Mijn lief is in Seattle om een deal te sluiten, of misschien is hij al gesloten. Hij heeft me al twee dagen niet meer gebeld.   Ik neem de auto, dan hoef ik me niet aan te kleden. Ik word stilaan één van die dorpelingen die de auto neemt voor een boodschap aan het einde van de straat. Het waait echt wel te hard om te fietsen. Het is drie minuten rijden tot aan het tankstation. Er is altijd parkeerplaats.   Misschien had ik toch wat dagcrème moeten smeren. Het licht in de winkel is niet vergevingsgezind. Ik sta voor het rek met koeken, cake, koffie en vochtige doekjes. Er is geen fairtrade koffie. Alleen witte producten en Nescafé. Ik zoek op mijn telefoon naar de oorsprong van het koffiemerk van Carrefour. Een tl-buis flikkert. Ik zie mijn weerspiegeling in de koelkast met frisdrank, mijn witte Nikes opvallend fel. Krampen schieten door mijn maag. Ik probeer me te herinneren waarom ik die schoenen kocht.   Het lijkbleke gezicht in de koelkast kijkt me spottend aan. Mijn handen trillen. Het lijken mijn vaders handen wel. Ik draai me om en zie peter Pierre staan. Hij zegt: “Kan ik u helpen?” en verdwijnt. De enige andere persoon in de winkel is de vrouw met blauw haar achter de kassa. Ik koop niets en bel in de auto naar mijn moeder. Het is na tienen. Er neemt niemand op.   Ik start de wagen, ontsteek de lichten en zie een plastic zak over de parking waaien. Hij vliegt op en neer, van links naar rechts, en dan, plotseling, opnieuw naar de plek waar hij vertrok. Met wat dezelfde bewegingen lijken als eerder, waait hij terug op en neer, van links naar rechts. Tot hij vlak voor de vuilniscontainer opnieuw met een ruk naar links vliegt. Ik blijf een kwartier naar de plastic zak kijken.  Volg de keer op keer herhaalde bewegingen met mijn vinger tot ik het zie. De zak spelt een woord. De zak spelt ziek.   Misschien heeft het tankstation verderop wel fairtrade koffie. Onderweg belt mijn moeder terug. Ik hoor het niet, mijn telefoon staat op vliegtuigstand.

Fien Meynendonckx
31 1

verdikte tijd

Die dag op de trein tikte de tijd tergend traag voorbij. Er was geen rood sein, geen technisch probleem, geen mensen op het spoor of geen andere trein die voorrang moest krijgen en dus stiefelden we aan een gestaag tempo richting Brussel. Ik zag lege wasdraden en argeloos achtergelaten driewielers, een man in boxershort die lusteloos in zijn ballen dabde, een verzameling van afgedankte frigo’s en wasmachines waar kippen tussen scharrelden, verveelde koeien die onbegrijpend naar me terug staarden. En toch, terwijl de achterkant van het leven als een woeste rivier aan m’n ogen voorbij raasde, verdikte de tijd in de trein tot honing die maar niet van je lepel wil vallen.    Het gebeurde in het vorige station. Een menigte druilerige pendelaars verdrong zich voor de deur, maar niemand van hen kon voorbij aan de immense, zweterige vetklomp die zich als eerste in de wagon neer plofte, naast mij. Als op commando gingen de haren op mijn armen overeind staan.  Ze doorbraken eensgezind en zonder aarzelen de millimeter afstand tussen zijn arm -bloot, donker behaard en bezweet - en de mijne. Schielijk trok ik mijn arm terug en krabde in mijn haar. Daarbij probeerde ik subtiel ook mijn oor te bedekken, om toch maar die zware, hijgende ademhaling niet te moeten horen. De kolos boog zich voorover en opende daarbij zijn benen om ruimte te geven aan zijn pens. Ik wilde elk mogelijk lichaamscontact vermijden, sloeg mijn benen over elkaar en dook verstijfd ineen tegen het raam. Steunend greep hij zijn rugzak en haalde er een van vet doordrongen papieren zak uit. De geur van warme worstenbroodjes die eruit op steeg haalde mijn maag, nog nuchter om kwart over zeven ‘s ochtends, overhoop. Ik dwong mezelf om uit het raam te kijken. Voor het eerst in jaren pendelen vervloekte ik mezelf dat ik geen headset bij had, zodat muziek op zijn minst het geslobber en gesmak uit m’n oren kon verdrijven. Tot twee keer toe verdween de hand opnieuw in de papieren zak. Ik sloot m’n ogen en probeerde me te concentreren op een vluchtplan. Zijn lichaam was echter zo gigantisch in omvang dat ik hem niet zomaar voorbij kon. Het idee hem te moeten aankijken om te vragen of ik er even langs mocht, joeg de rillingen over mijn rug. Ik stelde me varkensoogjes voor, smakkende lippen die glinsteren van het vet, vier kinnen, zweet dat langs zijn slapen naar beneden stroomt. Ik panikeerde bij het idee dat hij niet vóór mij zou afstappen en overwoog de mogelijkheid om desnoods een station verder te reizen. Mijn ene been begon zwaar en dof te tintelen, maar ik kon het andere er niet af nemen zonder de man te raken. Ik verbeet het nu brandende gevoel, overwoog of ik zou afstappen in Brussel Noord, ook als de papzak bleef zitten, of één, desnoods twee haltes verder zou rijden. Hem aanspreken, in zijn gezicht moeten kijken en mogelijk ook moeten aanraken, of nog minstens vijf minuten langer deze kwelling ondergaan?   Ik opende m’n ogen nog voor ik besefte waarom, en werd overweldigd door een plotse invasie van zintuiglijke stimuli. Ik rook een doordringende stank, als van gebakken ui en camembert die te lang in de zon heeft gelegen. Tegelijkertijd zag ik de immense, witgerande zweetvlek die nu vlak voor m’n gezicht zweefde. Ik voelde hoe zijn arm m’n knie raakte in een poging het vettige zakje in het vuilbakje te proppen dat onder het tafeltje hing waar ik me in al mijn afgrijzen aan vastklampte. Pardon, baste de papzak, en daarbij vloog er een restantje van zijn worstenbrood voor me door in de richting van mijn arm die over het tafeltje lag. Met een schok kwam ik overeind. Ik stootte zowel m’n knie als m’n elleboog tegen het tafeltje en kon amper een schreeuw onderdrukken. Pijn schoot door m’n arm en beide benen. Het onder bacteriën en speeksel bedolven stukje vermalen vlees en dierlijk vet dat net zijn grote vraatzuchtige mond verlaten had, belandde op mijn arm, net onder mijn pols. Vol afgrijzen hield ik m’n arm voor me uit en hoewel mijn jas me gelukkig gered had van direct contact met het minuscule, half vermalen etensrestje, voelde ik m’n pols gloeien. Mijn obese buur zat inmiddels terug recht. Hij haalde luidruchtig zwoegend adem, alsof hij zonet een marathon gelopen had onder de Griekse zon in plaats van enkel zijn arm uit te steken naar een vuilbakje. Ik wilde een zakdoekje nemen om m’n mouw proper te vegen, maar mijn rugzak onder mijn zitje was net buiten bereik. Ik strekte mijn arm al uit, maar besefte dat ik zodanig veel opzij moest buigen dat ik niet anders kon dan de dikzak met mijn schouder te raken in zijn derde buikkwab. Bovendien zou mijn neus even ter hoogte van zijn meurende oksel blijven hangen, dus zag ik maar snel van dat idee af. Stiekem veegde ik het voedselrestje aan de zijkant van het zitje voor mij en nam me voor om mijn jasje vanavond onmiddellijk in de wasmachine te steken.    Ik keerde me terug naar het raam en met m’n ellebogen op het tafeltje en mijn vingers nu ostentatief in mijn oren keek ik door zijn weerspiegeling heen hoe we aankwamen in Vilvoorde. Bijna extatisch registreerde ik ‘s mans aanstalten om uit te stappen. De walm van ui en camembert toen hij z’n arm op de hoofdsteun voor hem legde, het gekreun dat hij uitstiet toen hij zichzelf omhoog probeerde te hijsen. Het hijgen toen hem dat niet lukte, de scheet die aan hem ontsnapte bij de tweede poging. Eindelijk stond hij daar, in al zijn logheid, en voor het eerst durfde ik hem aan te kijken. Hij nam zijn rugzak en draaide zich om om uit te stappen, zijn met pukkels bedekte bouwvakkersreet liet hij me na als onvergetelijk adieu.  

Hilde Christens
45 2

De keuze

De hele ochtend volgden we de weg die gelijk liep met de rivier. We -dat zijn de ninja en ik- luisterden naar het getsjirp van de krekels en het brommen van de kikkers en het geschater van de vogels. Het riet danste, net als de takken van de bomen. De zon was koning in een schaduwloos landschap. Zo verging het ons, tot we iemand zagen in de verte.Daar, aan de kant van de weg zat een man op een grote, gladde rots. Hij droeg een strohoed, een vuile tuniek en een gerafelde broek. Langs hem, in het vochtige gras, lag een kano. De man leek diep na te denken. Eens we dichtbij waren, vroeg ik hem waarover.‘Ik heb raad nodig,’ zei hij. ‘Want ik ben radeloos.’Ik zei dat ik geen raad kon geven, omdat ik niets wist. Wel bood ik een luisterend oor aan. Dat aanbod moet hem wel eerlijk geleken hebben, want hij vertelde me zijn verhaal.Ik volgde hem tot tot aan zijn dilemma, zijn kruispunt van keuzes. Toen vroeg hij me nogmaals om raad.Opnieuw zei ik dat ik geen raad voor hem had. Dat raad gevaarlijk kon zijn.‘Ja,’ zei hij. ‘Maar nu ken je het verhaal. Jij kan de kwestie benaderen op jouw manier. Ik vraag je, wat zou jij doen?’Ik dacht na. En opnieuw zei ik dat ik het niet wist. Toen kwam de ninja naast me staan. ‘Je twijfelt of je het juiste doet,’ vertelde hij. ‘En zo hoort het ook. Je kunt niet ver zien, dus bestaat er geen goed of slecht antwoord. Alleen misschien een gehaast antwoord. Maar dat betekend niet dat je moet zwijgen. Vertrouw de man. Vertel hem jouw waarheid.’Ik dacht lang na over de waarheid. Mijn waarheid. Ik was niet eens zeker of ik wist wat waarheid was. Alles kon eindeloos gerelativeerd worden, tot het punt dat het allemaal niets meer uitmaakt.Het begon reeds te schemeren eer ik wist wat ik wist.‘Dan zeg ik ja,’ zei ik uiteindelijk. 'Ga terug naar huis, vraag om vergiffenis en probeer het.'De man knikte, stond op en trok zijn kano tot aan de oevers van de rivier. Toen duwde hij het in’t water. Hij stapte in, nam zijn peddel vast en gleed stroomafwaarts, het schemer in. De horizon tegemoet.‘Is dat dan juist?’ vroeg ik de ninja.‘De waarheid bestaat enkel in het moment,’ zei hij.‘Enkel nu kan je juist zijn, als je het tenminste aandurft.’Ik vertelde hem dat ik niet juist of fout wilde zijn. Ik was al tevreden met gewoon te “zijn”.Hij droeg me net op om te kiezen. Iets wat ik nooit eerder had gedaan.

Stelselmatig
0 0

De dag dat de kater verdween

De dag ontwaakt en kondigt zich zacht en zomers aan, Stefano kijkt door het keukenraam naar de zon die langzaam omhoog klautert en het water in de fjord een zilveren glans schenkt. Vandaag zal hij eerst geconfronteerd worden met de verdwijning van Ziggy, de kater van het gezin. Wanneer de dag op zijn einde loopt zal hij bericht krijgen dat ook zijn moeder verdwenen is. Voorlopig is er nog geen vuiltje aan de lucht, goedgeluimd fluit Stefano een zelfverzonnen deuntje wanneer Martha vrolijk de keuken komt binnengehuppeld. Zijn vrouw Hilde is al naar het werk en het is Stefano’s taak om hun zesjarige dochter aan te kleden en naar school te brengen. Zoals steeds staat het ontbijt al klaar op het aanrecht: een grote kan koffie, een fles melk, enkele sneden brood, boter, beleg en twee stukken fruit. Ernaast staat de kanariegele broodtrommel van Martha vrolijk te blinken tot ze in haar rugzakje kan verdwijnen. Voor ze zelf aan de ontbijttafel kunnen plaatsnemen, moeten Martha en haar vader elke morgen hun ongeduldig miauwende kater van ontbijt voorzien. Maar vandaag schudt Martha wel vijf minuten lang met de zak kattenbrokken zonder dat Ziggy komt opdagen. Martha’s glimlach verdwijnt en een eenzame traan glijdt aarzelend over haar wang. Stefano probeert zijn dochter gerust te stellen: ‘Ziggy komt heus wel terug, hij heeft vast een mooi kattinnetje uit de buurt op het oog, die moet hij eerst zien te versieren en dan pas kan hij zijn brokjes komen opeten.’ ‘Echt papa, zou Ziggy verliefd zijn en straks thuiskomen met een vriendinnetje?’ ‘Dat denk ik wel, maar nu mag jij eerst je boterhammen opeten zodat we niet te laat op school komen.’ In de auto op weg naar school is Martha stiller dan anders. Stefano maakt zich voorlopig weinig zorgen over de kleine verstoring van hun ochtendritueel, hij is ervan overtuigd dat de speelse kater snel terug aan de achterdeur zal verschijnen. Hij levert Martha veilig aan de schoolpoort af en doet nog enkele boodschappen. Thuis ruimt hij de ontbijttafel op en steekt de borden, het bestek en de tassen in de vaatwasser. Daarna installeert hij zich op het terras met een tas koffie en de krant. Weinig nieuws onder de zon, hij sluit zijn ogen terwijl de pianoklanken van jazzpianist Dave Brubeck zijn oren vullen. Hij zweeft een uurtje rond in het niemandsland van de lichte slaap. Als hij wakker komt staat de zon al hoog aan de hemel. In de keuken maakt hij een snel pastagerecht klaar. Tijdens het eten realiseert hij zich dat Ziggy nog altijd niet terug is. Een vaag gevoel van onrust borrelt op en hij besluit de kat te gaan zoeken. Hij wandelt door de residentiële woonwijk waar ze nu al bijna negen jaar wonen, speurt in kleine steegjes en roept af en toe de naam van de verdwenen kater. Ziggy is nergens te bespeuren. Stefano is een rasechte Napolitaan die al van kindsaf droomde van een leven als muzikant. Hij studeerde piano aan het conservatorium van Napels en ontwikkelde zich als een degelijk en gedreven jazzpianist. Als jonge twintiger reisde hij de wereld rond, eerst speelde hij in diverse jazzclubs in de Verenigde Staten. Hij trok van Los Angeles naar New Orleans, woonde een tijdje in Chicago en probeerde door te breken in New York. Het was de meest opwindende periode uit zijn leven, maar hij kon er nauwelijks van leven. Hij gaf toe aan de roep van het geld en koos voor een leven als pianist op verschillende luxe-cruiseschepen. Op één van zijn ontelbare zeereizen, nu zo’n vijftien jaar geleden, leerde hij Hilde kennen. Hij was toen net dertig geworden, zijn hele leven draaide rond de piano en speelde zich af aan boord van de meest luxueuze schepen. De zeldzame vakanties, korte onderbrekingen tussen de verschillende cruises, bracht hij door in zijn thuisland. Het was een verademing om de glamoureuze wereld op zee achter zich te laten en terug te keren naar het rauwe, authentieke Napels. Voor een relatie had hij geen tijd, af en toe bracht hij de nacht door in de kajuit van een rijke jongedame tot wie hij zich fysiek aangetrokken voelde, maar hij had nooit de intentie om met één van hen een serieuze relatie op te bouwen. Hilde was een ander verhaal, ze ontmoetten elkaar op de Noordzee, tussen Duitsland en Noorwegen. De zee was ruw die avond, met zijn pianospel probeerde hij de passagiers af te leiden van de deining van de golven. Hilde viel hem meteen op, een prachtige, jonge blondine op de eerste rij, die met ingehouden adem naar hem keek. Na het concert raakten ze aan de praat. Hilde was een Noorse, vijfentwintig jaar oud, ze kwam uit een klein dorpje in het noorden van Noorwegen, studeerde rechten in Oslo en mocht er haar stage doen in een bekend advocatenkantoor. Op het eerste zicht verschilden ze als dag en nacht, maar het klikte meteen. Stefano leerde Hilde kennen als een sterke, onafhankelijke vrouw. Ze fleurde zijn eenzame bestaan op met haar gulle lach en kuste een verborgen verlangen in hem wakker. Nadat ze jarenlang een langeafstandsrelatie onderhielden, gaf hij zijn nomadenbestaan finaal op en vestigde hij zich in Noorwegen. Stefano en Hilde kochten een mooi huis aan de Oslofjord. Ze trouwden en kregen een dochtertje. Op Martha’s vijfde verjaardag kreeg het gezin het gezelschap van Ziggy. De beginjaren waren moeilijk voor Stefano, maar ondertussen heeft zijn leven een vaste structuur gekregen en voelt hij zich goed in zijn rol van echtgenoot en vader. Hilde werkt als advocate in een advocatenkantoor in het centrum van Oslo. Stefano treedt op donderdag-, vrijdag-, zaterdag- en zondagavond op in een vijfsterrenhotel in de stad en geeft op woensdagnamiddag en zaterdagmorgen pianoles aan jonge kinderen. Na zijn vruchteloze zoektocht naar Ziggy oefent Stefano een nieuw stuk in op de piano dat hij vanavond voor het eerst wil spelen. Hij haalt Martha van school en meteen vraagt ze naar Ziggy. Als hij haar vertelt dat hij nog steeds vermist is, begint ze meteen terug te huilen. Ze is vastbesloten om Ziggy te gaan zoeken en Stefano ziet zich genoodzaakt om, ditmaal met zijn dochter aan de hand, de wandeling van vanmiddag nog eens over te doen. Ook nu is Ziggy nergens te vinden. Stefano haalt opgelucht adem als hij merkt dat zijn vrouw al thuis is. Hilde staat achter het fornuis, kookt de aardappelen en schikt de garnalen en de groenten, die hij vanmorgen in de kleine buurtsupermarkt kocht, zorgvuldig op de borden. Hij kust haar op de lippen, Martha stort zich huilend in haar armen. Hilde beraamt samen met Martha een plan om Ziggy terug te vinden. ‘Mama gaat straks een foto van Ziggy zoeken, we kunnen de foto dan verspreiden in de buurt met ons nummer erbij. Ik ben zeker dat Ziggy snel terugkomt.’ Vol liefde en bewondering slaat Stefano hen gade. Na het avondeten, die ze traditioneel vroeg achter de kiezen hebben, vertrekt hij naar zijn werk. Stefano neemt plaats achter de vleugelpiano in het restaurant, zoals gebruikelijk speelt hij zachte pianomuziek bij het diner. Daarna begeleidt hij een jonge zangeres op de piano in de bar. Iets voor middernacht houden ze het voor bekeken. Hij kleedt zich om en kijkt op zijn gsm, hij heeft vijf gemiste oproepen, twee van zijn zus, drie van Hilde. Hilde sprak een bericht in. Zijn moeder ging vanmorgen inkopen doen op de markt en is ruim een half etmaal later nog steeds niet terug. Wanneer hij, met trillende handen, zijn zus opbelt krijgt hij meer informatie. Ondertussen hebben ze de politie verwittigd, en die doet er, gezien haar beginnende dementie, alles aan om hun moeder zo snel mogelijk terug te vinden. Na een slapeloze nacht belt hij naar zijn vader. Mama is nog steeds niet terug. Hij beslist zo snel mogelijk het vliegtuig naar Napels te nemen. Vlak voor de middag is er een vlucht. Zijn schoonouders zullen zich om Martha bekommeren. Twee maanden vroeger dan voorzien zet hij voet op Italiaanse bodem. Hij neemt een taxi naar zijn ouderlijk huis. Zijn lichaam staat onder hoogspanning, hij heeft geen controle over zijn ledematen. In zijn hoofd klinken onheilspellende pianoklanken. Hij ziet zijn ouders slechts één keer per jaar en hij weet dat ze daar onder lijden, vooral zijn moeder heeft het er moeilijk mee. Hij is haar enige zoon en heeft alles aan haar te danken. Ze leerde hem piano spelen toen zijn vingertjes nog nauwelijks de kracht hadden om de toetsen aan te slaan. Het was de muziek die hen verbond, maar het was ook de muziek die hen uit elkaar dreef. Hij koos voor het buitenland en een avontuurlijk leven op zee. Daarna settelde hij zich in Noorwegen. Nu hij geconfronteerd wordt met de verdwijning van zijn moeder, is het alsof de Etna, na jarenlang stilzwijgen, in alle hevigheid uitbarst en alle opgekropte gevoelens van heimwee naar zijn thuisland en diep gemis uitspuwt. Stefano belt aan, zijn zus doet open. Ze omhelzen elkaar stevig. Papa houdt de wacht bij de telefoon, hij ziet er oud en breekbaar uit. Stefano kust hem op beide wangen, hij voelt de tranen prikken in zijn ogen. Dan vermant hij zich, hij moet sterk blijven, nadenken, Ziggy kon hij niet vinden, zijn moeder moet hij absoluut zien te vinden. Hij dropt zijn bagage in zijn vroegere slaapkamer, die er nog net zo uitziet als vijfentwintig jaar terug, alsof de tijd is blijven stilstaan terwijl hij almaar verder wegging. Stefano wandelt door de stad waar hij zijn kindertijd doorbracht. Hij probeert zich te verplaatsen in zijn moeder, vraagt zich af hoe ze zomaar kon oplossen in deze stad, waar de scooters aan de macht zijn en het wasgoed de smalle steegjes kleurt. Hij snuift de stad op alsof hij er voor het eerst is. Dan krijgt hij telefoon van Hilde. Ziggy is terug. ‘Katten keren altijd terug naar de plaatsen waar ze zich thuis voelen, mama’s doen hetzelfde,’ klinkt het aan de andere kant van de lijn, enkele duizenden kilometers verderop. Plots krijgt hij een ingeving, hij springt op de metro en gaat naar het hotel waar zijn moeder jarenlang de kamers poetste, en waar hij zijn eerste stappen als beroepsmuzikant zette. Als achttienjarige kroop hij er achter de piano om de gasten te entertainen. Toen hij er twee jaar later zijn laatste optreden gaf, speelde hij één nummer samen met zijn moeder aan de piano, een emotioneel afscheidsritueel tussen moeder en zoon. Het hotel kijkt uit op de baai van Napels, waar de avondzon ondertussen het water streelt. Vijfentwintig jaar nadat hij hier de deur achter zich dichttrok heeft het hotel nog niks van zijn grandeur verloren. Hij gaat naar de receptie en legt de situatie uit aan de dame achter de balie, Sofia volgens haar naamkaartje, die hem met haar breedste glimlach ontvangt. Ze scrolt door het scherm en zoekt naar mevrouw Colombo. Hoopvol en gespannen wacht Stefano haar antwoord af. Hij ziet haar blik veranderen, ze schudt langzaam van neen. Stefano voelt zich verslagen, hoe dichter hij bij het hotel kwam, hoe zekerder hij werd dat hij het bij het juiste eind had. ‘Misschien onder haar meisjesnaam, Giulia Greco?’ De zoektocht begint opnieuw, nu klaart het gezicht van Sofia op. ‘Gisteren heeft er een Giulia Greco ingecheckt.’ ‘Welk kamernummer?’ ‘365.’ Nog voor Sofia kan uitleggen hoe hij daar komt, stormt hij de trappen op, liften vermijdt hij meestal, ze moesten maar eens stilvallen. Hij bonst op de deur, het blijft stil aan de andere kant. ‘Mama, ik ben het Stefano.’ Hij hoopt, beeft, begeeft het bijna van de spanning. De deur gaat open, daar verschijnt ze, zijn moeder. Ze draagt een lange, rode galajurk. Haar blik is vurig en verward. Hij neemt haar in zijn armen. Ze is zo dun dat hij bang is haar pijn te doen. ‘Pas op jongen, mijn jurk, we moeten vanavond nog piano spelen, jij en ik.’ Stefano lacht en huilt tegelijk. ‘Dat doen we mama, vanavond spelen we samen piano.’

Ine Moreels
11 2

Dief en diefjesmaat (dicteetekst)

De maan hield het die winternacht op een zuinige sikkel, maar daar was Klaas helemaal niet rouwig om. Hij trok zijn bivakmuts strakker over zijn oren en verschool zich diep tussen de struiken van het stadspark.   Ongerust staarde hij naar de toegangspoort van de bib. Zouden ze slagen in hun missie? Hij rilde van top tot teen. Verduiveld, waar bleef zijn handlanger nu toch? Pieter had hier al lang moeten zijn.   Hij schrok op. Hoorde hij geen geritsel? De angst stokte in zijn keel. Twee kille ogen staarden hem aan vanuit het struikgewas. Hij werd bespied! Maar dan zag hij nog net een kattenstaart wegglippen tussen de rododendrons. Hij haalde opgelucht adem.   En dat was een grove misrekening, want ineens voelde hij een hard voorwerp tegen zijn achterhoofd, koud staal dat hem langzaam maar gedecideerd in de richting van de bibliotheekingang duwde ...   Zijn knieën knikten terwijl zijn belager hem stevig tegen de poort aandrukte. Klaas prevelde een schietgebed.   Maar plots hoorde hij een schaterlach. Hij draaide zich om. Het was Pieter. Die borg zijn schroevendraaier snel weer op. Klaas wiste het angstzweet van zijn voorhoofd en stikte haast van woede. ‘J-jij stomkop. Haal je fratsen ergens anders uit. Straks verraad je ons nog.’   Klaas nam een grote stok, bedwong zijn opwelling om Pieter een ferme tik te verkopen en probeerde vervolgens met al zijn kracht om het slot te forceren. Vergeefs, hij kreeg er geen millimeter beweging in.    ‘Wacht, dat lukt nooit. Ik heb een beter idee.’ Als een volleerde acrobaat klom Pieter fluks langs de regenpijp omhoog. Klaas zag hem nog net achter de dakgoot verdwijnen.   Meteen leek het alsof hemel en aarde tegelijk vergingen. Na een hevig gerommel volgde een luide plof. Met een stevige krachtterm erachteraan.   Kriep! De poort zwaaide open. ‘Hun schoorsteen is dringend aan reiniging toe’ sakkerde Pieter middenin een hoestbui. ‘Gelukkig hing de sleutel netjes aan het rek.’ Hij maakte een diepe buiging: ‘Welkom in het heilige der heiligen.’   Klaas knipte zijn zaklamp aan en gluurde naar binnen. Zelfs in het halfduister viel het hem op: zijn kornuit zat helemaal onder de roetvegen. Nu was het Klaas’ beurt om binnensmonds te grinniken.   Pieter haalde zijn schouders op en toverde een jutezak tevoorschijn. ‘De kunstboeken eerst’, siste Klaas. Ze schuifelden voorzichtig naar de rekken.   Twi-i-i-iet!! Een snerpende pieptoon doorbrak opeens de stilte. Pieter dook instinctief achter een stapel boeken, maar zag dan vanuit zijn schuilplaats hoe Klaas gebiologeerd naar zijn smartphonescherm tuurde en een vuurrode blos op zijn wangen kreeg. Het was een sms’je van zijn liefje.   Koortsachtig tokkelde Klaas een antwoord. ‘Oei,’ riep hij vertwijfeld uit, ‘schattebout, hoe schrijf je dat in ‘s hemelsnaam? Met of zonder tussen-n?’ Pieter moest ook het antwoord schuldig blijven.   Op de tast ging Klaas op zoek naar een orthografische reddingsboei. Hoera, linksonder: de driedelige Dikke Van Dale. Zweetparels verschenen op zijn voorhoofd. Het kattebelletje schoot maar langzaam op. Honnepon, snoezepoes, hartendief. Pf, wat een hersenbrekers.   Ondertussen had Pieter zich in de jeugdafdeling languit op een poef neergevlijd, handen onder de kin, op-en-top verdiept in een lijvig boek.   Hij ging zo op in zijn lectuur dat hij wat later geen barst merkte van de razendsnelle omwentelingen: gierende autobanden, plots aanfloepende tl-lampen en een grote schaduw die angstaanjagend naderde. Klaas zag intussen asgrauw. Zijn ademhaling stokte. Vluchten kon niet meer.   Boven hen toornde de rijzige gestalte van de bibliothecaris uit. ‘Heren, zo vroeg al op pad? Wat kan ik voor jullie doen?’   Klaas slikte zijn zenuwen weg en herpakte zich gewiekst: ‘Euh ... twee bibliotheekpasjes graag’. Tot zijn opluchting ging de man nietsvermoedend meteen aan de slag.    ‘Oef, dat was op het nippertje’, fluisterde Klaas. Zijn maat bleef evenwel in trance doorbladeren. Klaas gaf hem geïrriteerd een por. Pieter veerde meteen recht en begon ... aan een rondedansje.   ‘Eureka!’ riep hij enthousiast uit. ‘Wat een fantastisch nieuw businessmodel voor dit illustere topduo! Ook zin in een radicale carrièreswitch, ouwe gabber?’   Klaas begreep er geen sikkepit van. Hij staarde vol verbazing naar de titel van het boek: ‘De Grote Speelgoedencyclopedie’.   Pieter knipoogde schalks: ‘Maar hoe dan ook, echt een boek om te stelen ...’

Ikkeherman
0 0