Zoeken

Monoloog Rabot

De vierde wereld bestaat. De vierde wereld bevindt zich dicht bij ons.Ik had er geen idee van. Ik wist niet eens dat er een vierde wereld bestond.Ik ben de die wereld gaan bekijken en gaan beluisteren.Toen ik daar aankwam luisterde ik naar de wind en bekeek de hoge gebouwen.De hoge gebouwen die er over een korte periode er niet meer zullen staan.Ik sta momenteel op stenen tegels en binnenkort op puin.Ik bel aan en luister naar de krakende stem die me vertelt dat de deur open is, zoals altijd.Terwijl ik door de deur stap zie ik dat de lift stuk is. Al jaren, zo vertelt één van de laatste bewoners tegen me.Ik ben reportagemaker vertel ik en ga met bepaalde verwachtingen naar boven via de trap.Eén van de twee uitgangen van het gebouw. De andere is via het dak, zo vertelde de bewoner me waarmee ik afgesproken had.Hij vertelde me dat hij vorig jaar rond deze tijd geroep hoorde.Help me, help me. Ik negeerde het, vertelde de bewoner.Tien minuten later hoorde hij een ambulance beneden aan het gebouw.Ik was in shock. Zoiets had ik nog nooit gehoord.Ik wist dat het erg was, maar zo erg. Nee.Vandaag ben ik opgestaan met verse moed en ga bezweet slapen.Bezweet van de angst, pijn en verdriet.Morgen is het een andere dag. Voor de bewoners een dag met een grote leegte want wat ik niet wist was dat er een kogel door de muren ging gaan.Toen mijn documentaire in première ging zag ik de bewoner terug.Hij kwam om een laatste herinnering. Het was ook mijn laatste herinnering aan hem.Of toch niet?Mijn laatste herinnering kreeg ik de volgende dag op de deurmat voorgeschoteld.In de krant, tussen de overlijdensberichten.Zelfmoord.Tot ziens, vriend. Tot ziens.

hennonr
0 0

Stinkend jaloers

Anne bladert in het fotoalbum. Ze ziet zichzelf terug als baby. Ze lacht. Een foto trekt haar aandacht. Op de foto is een toiletpot te zien. De klep staat open. Het lijkt wel alsof de pot geeuwt van verveling. Anne schuift haar bril naar boven. Op de bodem ziet ze iets liggen. Een enorme... Anne doet alsof ze moet overgeven. 'Wat ligt daar?' vraagt ze aan mama die over haar schouder meekijkt. 'Een drol. Dat zie je toch!' 'Dat bedoel ik niet. Ik zie ook wel dat daar een drol ligt. Ik heb het over de vorm.' 'Oh. Dat!' zegt mama. In de pot ligt een perfecte Y. Niet een van chocola, maar een van poep. Het lijkt wel alsof Sinterklaas hoogstnodig moest poepen en toen maar een letter in de toiletpot heeft achtergelaten. 'Wie heeft die Y gepoept? Toch niet Yasmin?' vraagt Anne ongelovig. Yasmin is haar jongere zus. Ze zijn altijd elkaars rivalen geweest.Anne voelt een steek van jaloezie. Tot overmaat van ramp zegt mama lacherig: 'Hoe raad je het!' Mama wijst naar de driedimensionale letter in de pot en zegt: 'Nog voor Yasmin kon schrijven, poepte ze de eerste letter van haar naam. Knap, he! Daarom heb ik deze foto genomen. Een drol kan je niet bewaren, zoals een tekening, een tand of een trofee. Mama heeft een koffer vol herinneringen. Anne kijkt met afschuw naar de drol. Gelukkig is de foto gemaakt in het stenen tijdperk. Toen Instagram nog niet bestond. Ze moet er niet aan denken hoeveel likes deze foto zou hebben gekregen als hij vijftien jaar later gemaakt was. Er bestaan in de wereld vast niet veel mensen die het presteren om de eerste letter van hun naam uit te poepen alsof het een koud kunstje is.            

Margaretha Juta
22 0

De praatjesmaker

We zijn een pakjesvolk geworden. Een cadeautjesvolk. We openen de aan onze voordeur geleverde pakjes alsof het geschenken zijn. Terwijl we goed weten wat er in zit. Het resultaat mag hetzelfde zijn, het voorspel (als u mij dat woord hier toestaat) is anders. Neem een boekhandel. De zaak waar je zowel nieuw als tweedehands koopt en in diverse steden een vestiging heeft, is een verdwaalparadijs. Meestal weet ik vooraf welk boek ik zoek, maar een uur later zitten er meer exemplaren in de bruine papieren zak. Een echt cadeautje. Ook het maken van een praatje bij de aanschaf van het boek is anders. Trouwens, iemand die graag praatjes maakt is nog geen praatjesmaker. Dat zeggen we tegen een bluffer, een dikdoener of een stoefer. Maar een stoeferke is dan weer een doekje dat mannen in het borstzakje van hun blazer steken. Soms zijn die mannen ook stoefers. Maar nu verdwalen we in het taalparadijs. Terug naar het praatje. In de boekhandel kan het over de aangeschafte boeken gaan, of je krijgt zomaar voor niets een boekentip. Aan de voordeur is dat anders. Toen ik onlangs aan onze deur een pakje in ontvangst nam, een boek, was de pakjesbezorger niet meteen te zien. Het boek lag op de grond en hij stond al bij de buren. “Moet ik niets tekenen?”, vroeg ik hoopvol. “Nee, dat is prima zo. U mag het meteen uitpakken”, zei de man vriendelijk. Ik wilde nog een praatje maken, maar de man had duidelijk geen tijd. De buurman was al naar binnen. Ik hoorde zijn inpakpapier nog ritselen. En daarna een stil gilletje van geluk. Terug in de woonkamer had ik niet meteen door dat ik tegen mezelf “mooie aankoop” en “veel leesplezier” zei. Ik zag mijn vrouw kijken. Mijn daarop volgende grijns maakte het niet beter.  

Rudi Lavreysen
7 0

Exitum

M’n handen waren bezweet, m’n hart stond stil. De figuur richtte een revolver op mijn gezicht terwijl hij me koelbloedig aankeek. Hij kon elk moment schieten. Kijkend naar de grond durfde ik hem niet aan te kijken. Ik zou elk moment kunnen sterven, dat wist ik. Dan zou ik op de grond vallen en langzaam verdwijnen uit deze wereld… ‘RENNEN, VERDOMME. REN!’ schreeuwde hij terwijl hij naast me sprintte. We liepen, weg van die plek. Ik keek af en toe achter me, de gloeiende rode ogen waren nog steeds zichtbaar. We begonnen te sprinten terwijl er overal zweet te ruiken was. We zouden ooit moeten stoppen, ik kon dit niet lang meer volhouden. De angst zorgde ervoor dat ik bleef doorlopen. Het was donkerder dan in het holst van de nacht, het was donkerder dan ooit. De takken van de bomen bewogen hevig in de wind terwijl we sprintten door de vele struiken. M’n voeten hadden nog nooit zo veel pijn gedaan, m’n longen schreeuwden dat ik moest stoppen. Ik kon niet stoppen, sorry longen. Het beest zat nog steeds achter ons aan, de gloeiende ogen waren het enige wat zichtbaar was in het donkere verlaten bos. We stopten toen we ontdekten dat we het einde hadden bereikt. Hoge hagen stonden voor ons, het leek op een of ander doolhof. De hoeven van het beest klonken steeds dichterbij, we hadden geen andere optie. Hij keek me aan, ik wist wat hij dacht: ‘We moeten hier in, het is nu of nooit.’ Van stilstand begonnen we al snel weer te sprinten, de doolhof in. Mijn ademhaling was oncontroleerbaar, ik moest stoppen. Shit, ik was op een doodlopend pad uitgekomen. Al snel bewoog ik me weer de andere kant op, de hoeven van het beest waren sterk hoorbaar. Hij liep niet meer naast me, ik was nu alleen en moest mezelf zien te redden. De geruststelling dat we het beest mogelijk te samen konden verslaan, was volledig verdwenen. Ik rende verder tussen de hagen, er moest een uitgang zijn. Dat moest gewoon. Het wapen van het beest maakte een angstaanjagend geluid terwijl het over de grond sleepte. Uitgekomen op een kruispunt, stopte ik even. Links of rechts? LINKS of RECHTS? Links of rechts? KIES. Er was geen tijd te verliezen, ik sprintte het linker pad op. Het beest zat me nog steeds nauw op de hielen. Door de hagen heen kon ik het beest langzaam zien bewegen terwijl het zijn metalen voorwerp achter zich meesleepte. Ik was nog steeds niet op de een doodlopend einde uitgekomen, het leek de juiste keuze te zijn. Te vroeg gejuicht, het pad leidde naar het midden van de doolhof. Een luid geschreeuw weerklonk terwijl de bomen nu nog heviger bewogen. De fontein die zich in het midden bevond spuugde een rode vloeistof die raar genoeg op bloed leek. Het beest had hem te pakken gekregen, ik was de enige die nog leefde. Het kwam dichterbij, ik hoorde het luid hijgen doorheen de bladeren. Mijn handen beefden in het wild toen ik de rode ogen voor me zag. Het had een lijk op zijn schouder die hij langzaam liet vallen in de fontein. Ik zou de volgende zijn, ongetwijfeld. Hij leek nog te leven, want toen het hem in de fontein dumpte stond hij weer recht. Hij en het beest keken me allebei koelbloedig aan. Ik schrikte toen ik zag dat hij nu ook gloeiende rode ogen had. Dit moest een nachtmerrie zijn, het moest wel. M’n handen trilden heviger dan ooit, zweet drupte van mijn vingers. M’n hart stond stil, hij richtte een revolver op mijn gezicht. Dit kon niet waar zijn, hij zou me nooit willen vermoorden. Hij zou dat nooit doen, toch? Klik. Het geweer was geladen, nog enkele tellen en het was gedaan met mij. Peng. De kogel vloog door de lucht, dit zijn mijn laatste momenten dacht ik. Een zwarte gedaante verscheen voor mij, de kogel weerkaatste de andere kant op.

Nova
19 0

Semiramis

(I) De zon staat hoog wanneer Tim zich geschrokken rechttrekt. Met de achterkant van zijn handpalm veegt hij enkele zweetdruppels van zijn vochtig geworden voorhoofd. Hij hoort zijn hart bonzen door de open spleten van zijn ribbenkast. ‘Emilia?!’ Het duurt vijf volle tellen, maar bij het gewaar worden van haar aanblik deinst zijn hart langzaam terug. Met beide armen in de lucht dobbert ze zorgeloos over het water. Zijn prinses van het zwembad. Tim spreidt zijn benen. Vanachter zijn donkere zonnebril slaat hij nog even gade hoe zijn dochter de vier zijden van haar koninkrijk afschrijdt. Vervolgens laat hij zich zakken in de rode strandstoel en grijpt naar zijn i-Phone. Tien over vijf. Zou de ruim drie kwartier voordat ze het zwembad moeten verlaten, volstaan om een kruiswoordraadsel op te lossen? Hij opent de puzzelapp die hij een paar weken geleden uit verveling op zijn telefoon installeerde. Een in hokjes onderverdeeld wit rooster vult zijn scherm. Gedurig overloopt hij de lege roosters van links naar rechts. Waar beginnen? Assyrische koningin die haar volk wist te herenigen na een lange periode van tweedracht. Negen letters. Hij drukt zijn wenkbrauwen naar elkaar en tuurt peinzend over het zwembad. Daar baddert en glundert Emilia. ‘Pa-pa’, krijst ze als hun beider ogen elkaar onverwacht raken. Haar glimlach spoelt aan op zijn gezicht. Alsof zich boven het zwembad een licht elektrisch geladen veld vormt waarin twee positief geladen magneten geleidelijk naar elkaar toe bewegen. Ze tikt met haar beide handen op het wateroppervlak. Druppels spatten als vreugdevuurwerk de lucht in.   Vijf jaar geleden schonk het leven hem haar liefde. Dat hij haar geschenk als liefde mag benoemen, is hij pas naderhand gaan beseffen: wanneer hij zich bewust werd van de vastberadendheid waarmee hij voor haar zorgt telkens als ze bij hem is, op de even weken van de maand. Elke ochtend wekt hij haar dan behoedzaam met een kus, steeds nadat hij eerst voor haar het ontbijt heeft klaargezet. En hoezeer ze ook dwarsligt, of hoe vaak ze ook weigert om de door hem gesmeerde boterhammen te eten, toch brengt haar koppigheid hem zelden van de wijs. Met zacht gepor en lieve bevelen, maant hij haar aan tot de volgende stappen. Terwijl zij hem verder beproeft, alsof ze testen wil tot hoever hij voor haar wil gaan, wast hij na het ontbijt haar smalle lijf, helpt haar in de kleren die ze de avond voordien met zijn goedkeuring heeft uitgekozen, en brengt haar vervolgens naar school. Vaak waant hij zich een huzaar op vrijersvoeten, wanneer hij met zinnen als ‘liefje, ik kan het niet helpen, maar met gekamde haren lijk je sprekend op de prinses van Doornroosje’ of ‘mijn engeltje, als je je met die zeep wast, ruik je frisser dan een maarts viooltje’, haar probeert te overhalen tot een volgende stap. Dat van liefde sprake is, blijkt ook uit de wederkerige warmte die hij van haar ontvangt. Wanneer zij bijvoorbeeld ’s avonds, na het afgaan van de schoolbel, in zijn armen rent, en hem daarna haar klasverhalen vertelt. Heel soms fluistert ze hem toe dat hij de liefste papa van de wereld is. Maar nog meer voelt hij haar liefde in het gemis van de oneven weken. Als een huilende wolf hunkert zijn hart dan naar het ritme van de vorige week; naar Emilia’s listige spelletjes en zijn geveinsde vleierijen om van haar gedaan te krijgen wat gebeuren moet. Het is de spankracht die hem recht houdt en hem verhindert om doelloos door de stad te zwerven. En zo ontfermt ook zij zich over hem, ongevraagd en onbewust, louter door haar aanwezigheid op vaste tijdstippen per maand. Het ritme leidt hen intussen ruim een jaar. Tim durft er niet aan denken hoeveel maanden hem nog resten tot de tijd hun trouw geordend schema door elkaar zal schudden; wanneer hij haar na school naar nieuwe afspraken zal moeten brengen. De balletles, de muziekklas, de voetbalclub, het eerste verjaardagsfeestje… Terwijl hij deze gedachten van zich af probeert te zetten, schuift een witte wolk voor de zon. Zijn Emilia drijft aan het andere eind van het zwembad, ingenomen door een achtergelaten blauw-wit gestreepte strandbal die ze vrolijk voor haar uit duwt. Nog een dik half uur. Hij brengt zijn i-Phone dichterbij en herneemt zijn kruiswoordraadsel. Assyrische koningin die haar volk wist te herenigen na een lange periode van tweedracht? Negen letters. S-E-M-I-R-A-M-I-S, drukken zijn vingers in een flits die zijn geest terug in de geschiedenisles brengt.   (II) Hij voegt in op de rechter rijstrook en schakelt de snelheidsregelaar in. Op de passagierszetel naast hem doorbladert Emilia haar dierenprentenboek. De zoete geur van kindershampoo vult zijn neusgaten. In een oogopslag merkt hij hoe de laag staande zon de bovenste kroon van haar natte blonde haren oplicht. Met een gekromde nek hangt ze over haar dierenrijk. ‘Hoe eerbiedwaardig verwonderd kan een kind de vlekken van een giraf observeren?’ Vanachter haar bruine zomersproeten brandt een zachte rode blos. Een warme gloed vult de bestuurdersruimte. Tim concentreert zich op de brede rechte weg die zich voor hem uitstrekt. Het onverwacht late zomerweer heeft meer verkeer op de baan gebracht dan normaal op een zondagavond. Na nog geen vijf minuten schakelt hij de snelheidsregelaar uit om een traag rijdende witte Ford Fiesta in te halen. Een ouder echtpaar, wellicht op de terugweg van een familiebezoek of een uitstap naar zee. Bij het invoegen blijft zijn aandacht enkele seconden hangen bij de kleiner wordende witte stip in zijn achteruitkijkspiegel. De tien minuten die volgen moet hij meermaals van rijstrook wisselen om trager rijdende wagens te passeren. Tussendoor lonkt hij af en toe naar de zetel rechts van hem. Emilia hangt nog steeds over haar geliefde giraf. Maar nu met haar ogen dicht. Het beeld vertedert hem en brengt hem tegelijk tot rust. Wanneer hij de afrit neemt, laat hij de wagen zachtjes uitbollen om te verhinderen dat ze uit haar slaap zou worden gewekt. De zon verdwijnt al achter de huizen als hij de parking voor het huis oprijdt. Nadat hij de motor tot stilstand heeft gebracht, tikt hij Emilia voorzichtig op de schouder. ‘Aaaah’, kreunt ze. Ze wringt zich los uit haar slaap. Het prentenboek dat op haar schoot ligt, valt tussen haar benen op de grond. ‘Kom, opstaan lieverd’, fluistert hij haar toe, ‘mama wacht’. Tim klikt hun veiligheidsgordels los, opent zijn portier en stapt richting de kofferbak om haar spullen uit te laden. Terwijl hij de kofferbak dichtslaat, ziet hij Els met haastige passen de wagen naderen. Ze opent het portier naast de passagierszetel en tilt Emilia in haar armen. ‘Hé schat’, sist ze, ‘was je in slaap gedommeld?’ Emilia spartelt tegen haar slaap. Het gevecht met haar armen noopt Els ertoe om haar neer te zetten. Ze houdt haar nog even vast als haar roze waterschoenen de grond raken. ‘Ga je naar jouw kamer’, vraagt ze, ‘jouw pyjama ligt op jouw hoofdkussen.’ Als een zigzaggende slak sleept Emilia zich het huis in. Intussen is Tim met twee tassen in zijn handen naast Els komen staan. ‘Hoe gaat het?’, vraagt ze. ‘Bwo, ça va’, stamelt hij. Een onhandige stilte waait over de parking. ‘Euh, ik heb haar kleren bij… en ook nog haar zwemtas’, mompelt hij na een tiental seconden. Ze neemt de tassen van hem over en werpt hem een zorgzame blik toe vanuit de hoeken van haar ogen. ‘Frederik is er niet. Kom je anders even binnen?’   (III) ‘Dance me’, schuurt Cohen met een bronzen stem door de autoradio. Tims gedachten ritsen afwisselend van de auto’s voor hem naar het avondfeest van vier jaar terug. De eindeloze rij genodigden schuift als voorbij de verkeersopstropping één voor één de zaal binnen. Hij voelt hun warme handen en hun zachte kussen. Achter zich hoort hij de champagnekurken ploffen. En dan ziet hij zichzelf de zaal toespreken: een ode aan de liefde, zijn Els, die hij sinds zijn kindertijd al kent. ‘Alsof de goden ons voor elkaar hebben uitverkoren’, zo concludeert hij poëtisch zijn speech. Na het buffet leidt hij Els de dansvloer op. Een slow, een salsa en een swing; elk van elkaar gescheiden door een teder intermezzo van zoenende lippen. Bij de eerste opwaartse beweging waarmee zij hem raakt, weerklinkt applaus en schril gefluit. De gasten verzamelen zich dicht rondom hen. Met een brandende viool wakkert hun schoonheid het dansfeest aan. Ook als hij thuis is, flakkeren de herinneringen aan zijn bruiloft verder op. Hij zakt door in zijn grijze stoffen hoeksalon en vult zijn glas Jim Beam whiskey bij. In de reflectie van de fles ziet hij Jonas en Wim onder de met klimop overgroeide schutting van het buitenterras. Ze vragen hem naar de plannen voor hun huwelijksreis. ‘Twee weken Bali’, verkondigt hij luid. ‘En we nemen Emilia gewoon mee!’ En dan doemt plots een nieuw beeld op. In het diepst van de nacht staan hij en Frederik aan de bar. Ze heffen hun zoveelste glas bier. Met een vermoeide stem schreeuwt Frederik hem uitbundig toe. ‘Echt een topvrouw, jouw Els. Knap, charmant, zorgzaam… Je had niet beter kunnen treffen!’ Ze grinniken het schuim van hun lippen. Hij knipoogt en tikt hem op de schouder. ‘Nu jij nog hé. Wanneer geraak jij van straat?’ Tim herspoelt de scène tweemaal. Wat aan deze woorden voorafging en hoe de conversatie verder liep, kan hij zich niet meer herinneren. Ze hebben nog gedanst. Met z’n drieën. Hij, Frederik en Els. Ook hebben ze ook nog meer dan één glas bier verzet. Om de gedachten aan die avond te doven, kruipt Tim recht uit de zetel. Hij plaatst zijn lege glas op de salontafel en neemt zijn i-phone. Eén ongelezen bericht van Els. Met een kruisbeweging met zijn rechter duim ontgrendelt hij de schermbeveiliging en opent zijn berichtenapplicatie. Tot zijn verbazing verschijnt een foto van een in kleurpotloden gemaakte tekening. Zijn ogen vallen op dikke donkerblauwe lijnen onder een felgele bol; een blauwe watermassa waaruit een oranje gezichtje met lange blonde haren en een buitenproportioneel klein lichaam oprijzen. Een lange pijl tilt het meisjeslichaam verder de lucht in. ‘Ik’, zo verduidelijkt een onhandvastig handschrift. Zeven centimeter verder op het blad zweeft een verticaal langwerpig lijf met een klein oranje hoofd en kort bruin stekelhaar. Ook dit lichaam is van een pijl voorzien. ‘Papa’, staat dit maal aan het uiteinde geschreven. Tim neemt de tekening een minuut lang op, krabt in zijn haar en blaast een blije zucht. Hij scrolt naar beneden en ziet dat Els nog een onderschrift heeft nagelaten. Hij leest: ‘Van de hand van ons Emilia, vanavond nog getekend, voor de beste vader die ik me voor haar wensen kan, xxx.’  

Roger Martin
0 0

Pinguin P

Pinguïn P wil geen nieuwe wending aan zijn leven geven. Hij piekert al maanden over een dreigende wending maar hij kan en wil de vredige alledaagsheid niet doorbreken. En toch lijkt zijn omgeving daar anders over te zullen beslissen.            Hij besluit op een dag naar Wim te gaan voor een gesprek. Wim ziet zichzelf het liefst als een pingofiel. De tocht naar deze levensgids is lang en niet zonder risico, beseft P hoewel de oude pinguin op zijn respectabele leeftijd nog altijd de fysiek van een zevenjarige heeft. Bij het krieken van de dag maakt hij zich klaar, neemt van iedereen afscheid, drukt hen op het hart dat hij zal terugkeren.            De zon doet warme pogingen om alle pinguïns richting flesjes zonnebrandolie te bewegen. Tegen het middaguur brandt ze op de vetlaag van hun witte buiken. Het wordt al snel te heet.In de tussentijd doen de pinguïns wat ze altijd doen: leven in zee, hun verenkleed wassen, hun kuikens voeden, korte vluchtjes door het water maken. En zweten.            Pinguïn P is vertrokken met een dubbele honger; een naar inktvisjes en een naar een rustgevend perspectief. Na drie uur heuplopen is P toch een beetje moe en rust hij wat uit op een blok ijs. Hij staart minutenlang voor zich uit. Veel meer doet hij niet. Zijn gedachten dwalen af naar een nieuwe en gevreesde transfiguratie. Hij heeft er lang over nagedacht, het zich ingebeeld, maar hij kan zich onmogelijk identificeren met een andere soort. Hoe kan hij zeeleeuw, zeehond of schorpioenvis worden? Hij wil pinguin blijven. Hij krijgt dwanggedachten waar hij vanaf wil. Ze verontrusten hem. Hij schaamt zich nu die dwingende en schrikwekkende wereld voor zijn geestesoog verschijnt. In een opeenvolging van beelden ziet hij: 1/een geheime voorbereiding, 2/een gecoördineerde actie, en dan 3/het resultaat van een massale pinguïnsuïcide. Overal liggen stukken van volwassen pinguïns. Zelfs de kuikens liggen er als bloedproppen bij. Ook de kleinsten hebben blijkbaar geholpen bij het hanteren van messen, het richten van mespunten, het precieze steken. Wat een gruwelijk tafereel! P krijgt krampen in de maag vanwege die angstaanjagende beelden. Ze wisselen mekaar snel af en doen zijn hoofd tollen als het hoofd van een dronken matroos. Vreemd genoeg draaien de beelden ook rond in een reuzenrad, ze bevinden zich in een pretpark voor zeevogels. Daar eten de vogels rode appels met suiker, en wafels met slagroom. Ze waggelen van het schietkraam naar de vrije-val-toren en lachen luid in hun onderbuik. Pinguïn P duizelt bij deze verwarrende toekomstbeelden. Aan zelfdoding doen in groep? Plezier maken in een pretpark?Hij vraagt zich af of hij misschien veel meer dan een mentale gids nodig heeft. Hij voelt dat zijn honger nog niet is gestild en waggelt naar de koude zee. Voorzichtig neemt hij een duik.             Na een korte lunchpauze zet pinguïn P zijn tocht verder. Hij heeft zijn nare ideeën in het ijswater achtergelaten. Na een tijdje heupwiegen lijkt een moeilijk pad zich voor hem te openbaren. Een erg smalle strook ijs, daar moet hij over zien te geraken. Hij berekent hoeveel stappen dat van hem vergt. Vijftig. Hij haalt diep adem en zet voetje na voetje tot hij aan de overkant die adem weer loslaat. Hij nadert Wim, dat weet hij wel zeker.            Toen de aarde nog niet opwarmde zoals de aarde nu opwarmt, was pinguïn P niet bang voor de toekomst. Hij kon als pinguïn leven en als pinguïn sterven. Sinds hij zijn zweet niet meer herkent als vluchtig maakt hij zich zorgen over wat nog moet komen. Hij vreest dat alle pinguïns moeten transformeren naar een andere soort; een soort dat in de diepte van de zee het leven kan verderzetten of een vliegend soort dat hoog boven de oceanen verder leeft. P weet wel zeker: hij is niet klaar voor die ommekeer. De geur van zijn zweet herkent hij niet sinds hij met die gedachte speelt. Hij wil vooral pinguïn blijven. Misschien kan Wim hem helpen?            P nadert het hol waar de pingofiel schuilt voor de vrieskou. Als hij bij de voordeur van het ijsgat staat hoort hij Wim al roepen: even geduld, ik kom zo! Als de zon ondergaat zitten ze beiden nog aan tafel bij een fles wijn en een stapel vis. P schudt heftig met z’n witte kop wanneer Wim zegt dat angst geen zin heeft.  Angst voor wat zal komen heeft geen zin. Zelfvernietiging? Wim schrikt van dat idee. Een voorbereidde zelfdoding? De veranderingen op Antarctica kunnen alleen nog maar aanvaard worden. Het is te laat voor de alarmbel. Te laat voor een betekenisvolle omslag. Daar is Wim van overtuigd.P begrijpt die boodschap niet. Hij wordt opstandig van het onomkeerbare. Er moet een oplossing zijn voor de opwarming van de aarde, het wegsmelten van zijn land, het verdwijnen van zijn voedsel. De pinguïnkuikens hebben recht op een toekomst en op hun aard, schreeuwt hij. Wim wordt triest van zoveel onmacht die nergens toe leidt. Hij is een absolute liefhebber van pinguïns maar kan P niet helpen. P wil zich bij voorbaat opsluiten in zijn identiteit. Wim is ervan overtuigd dat identiteit tijdelijk en inwisselbaar is.Ik ben hier en nu, zegt hij. Ik ben nu Wim maar morgen ben ik misschien een berg of een rivier. Ik leef met de stroom mee. Misschien word ik een vijand van mezelf, klaagt P, misschien word ik een zeeluipaard of zeemeeuw? Of erger nog: een mens? De gedachte een mens te moeten worden bezorgt P koudwatervrees, nee, het is sterker dan dat, het is de meest gruwelijke gedachte denkbaar. Hij weet hoe mensen omgaan met de aarde. Hoe konden zij hun moeder ooit opgeven?                     

Ingrid Strobbe
12 1

Kermisdagen

De hond beet, dus moest de hond weg. Ik huilde om de pijn in mijn arm en omdat de hond weg moest. Mijn vader vloekte. Mijn moeder stond stijf van de stress. De prille zomerzon gaf onze tuin ondanks het huilen en vloeken toch een feestelijke teint mee. ‘Kom Pluto, we zijn weg.’ Mijn vader kreeg een krop in zijn keel. Mijn moeder verstopte zich diep in een keukenhanddoek. Ik wilde mee. Ik wilde weten waar de hond naartoe zou gaan. ‘Niets van, gij blijft hier.’ Aan duidelijkheid geen gebrek. Mijn vader joeg de hond in zijn blauwe Ford Taunus. Pluto keek me na. Met trieste hondenogen, alsof hij schuldig pleitte. Ik vergaf hem, maar te laat. Hij was weg en zou nooit meer terugkomen. Zelf liep ik de rest van de dag verloren in mijn eigen tuin. De zon scheen, het was net zomervakantie. De schommel schitterde in al zijn glorie. Ik ging zitten op het schommelbootje. Mijn moeder verdween kortstondig achter onze grote groengele doornenstruik. Om te roken. Ze keek me niet aan toen ze terugkwam en passeerde me met haar blik op oneindig en verstand op nul. Het was weer niet gegaan zoals ze had gewild. Ik gooide kiezelsteentjes in de voederbak van de hond. De ketsende steentjes klonken scherp, mijn moeder keek door het raam. Ik hing onderste boven aan de buis van de schommel en putte moed uit een wereld op zijn kop. Als alles omgekeerd was zou Pluto misschien toch terugkomen. Het bloed zakte in mijn hoofd en ik voelde me ongemakkelijk worden. Alsof ik te lang op een draaimolen had gezeten. Toen ik moest plassen ging ik achter het tuinhuis staan en piste op mijn handen. De buurman zag het. Ik dook weg in het hoge gras. Hij wilde iets roepen maar bedacht zich. Ik bleef op mijn buik in het gras liggen en volgde de bewegingen van een lieveheersbeestje. Het gleed van grasspriet naar grasspriet, vloog kortstondig en landde uiteindelijk op mijn arm. Ik sloeg het met een welgemikte pets dood. Zo een dood beestje ruikt heel scherp. De kerkklok sloeg vijf uur, de zon stond nog steeds hoog aan de hemel en van enige wind was geen sprake. In de verte hoorde je het geluid van een draaiende rups. Kermis! Ik was het vergeten maar het was kermis. Mijn vader hield niet van kermissen dus meestal gingen we niet. Hij was nog steeds niet terug, hij zal de hond toch niet gaan begraven zijn ergens in de Ardennen of zo. Een nieuw baasje, dat was de afspraak, toch? Ik keek naar het dode lieveheersbeestje en dacht aan Pluto en beeldde me in dat hij ook dood was. Zou je dat ruiken, een dode hond? Een natte hond wel, dat wist ik. Hij mocht nooit binnen als het geregend had. ‘Kom ’t is kermis, we zijn weg.’ Mijn moeder stond voor me, helemaal opgemaakt. Mooie jurkje aan, lippenstift. Haar lange haren in een dotje. Hand in hand liepen we over straat in de late middagzon. Trottoir op, zebrapad af. Parkje door recht naar het dorpsplein. Een oase van molentjes, viskramen, botsauto’s, suikerspinnen en zo veel meer. We kochten drie kaartjes voor het molentje. Met een beetje geluk kon ik de flosj pakken en had ik een extra ritje tegoed. Ik besliste vooraf waar ik in zou gaan. De brandweerwagen, koersfiets en de bus. Het ritje stopte en ik nam plaats in de prachtig rode brandweerwagen. Ik zwaaide eventjes. De bel, klaar voor de start. Met het draaien van de molen klonk er ook muziek door de boksen. Een soort synthesizer zette een zware beat in gevolgd door een elektronische drum. En dan de zang: “Dear, love is a burning fire Stay, cause then the flames grow higher Babe, don ’t let him steel your heart...” Ik keek mijn moeder aan. Ze moet die muziek ook gehoord hebben. Ze huilde zacht. Tijdens de wissel zette ik me onbewust op de koersfiets en bleef mijn moeder aankijken. “Brother Louie, Louie, Louie Oh, she’s only looking to me Oh, let it louie She is undercover…” Ze nam een witte zakdoek, veegde haar tranen weg en wuifde een beetje wanhopig rond. Dat is mijn moeder ze is de liefste van de hele wereld, maar ze is vergeten wat het is om lief te zijn. Ze houdt van mij en ze houdt van het leven. Ze huilt omdat ze dat zo een vreselijk schoon liedje vindt. Ze huilt omdat ze aan mij denkt en aan Pluto. Ze vindt mijn sponsen broekje en sandalen zo lief. Ze wil dat de wereld aan haar voeten ligt. En de wereld zou aan haar voeten moeten liggen. Iedereen zou moeten weten dat mijn mama toevallig de allerbeste mama ter wereld is. De molen hield andermaal op. Ik merkte nu pas dat ik niet eens meer geprobeerd had de flosj te pakken. We vlogen elkaar in de armen en gaven elkaar een knuffel zoals nooit tevoren. We kochten oliebollen en aten door onze tranen heen spaarzame hapjes met telkens ruim bloemsuiker. Ergens ver weg blafte een hond.

Thomas De Mulder
24 1

Vesperum

'We zijn morgen weer terug hoor, schat' Ik haatte het wanneer ze me behandelde als een klein kind. Ik kon zeker wel een avondje alleen overleven. Ze keek me aan, gaf me een kus op m'n wang en vertrok met m'n pa naar de auto. Een gezellig uitje hadden ze gepland, naar een of ander festival. Het kon mij vrij weinig schelen want ik was alleen thuis en dat betekende dat ik de hele nacht kon opblijven! Ik hoorde de auto vertrekken van de oprit. Ik ging zitten in de living en legde de TV aan. Daarna keek ik in de keuken of er wat lekkers te vinden was en dat was er zeker! Ik nam een zak popcorn, begon te vreten en keek naar m'n favoriete serie. Voordat ik het wist werd het donker, het was fantastisch om alleen thuis te zijn. Ik keek even weg van de TV naar het raam dat uitkeek op onze tuin. Zag ik dat nu echt? Ik knipperde, even dacht ik dat ik rode gloeiende ogen had gezien. Het zal wel niets ergs zijn. Ik keek verder naar de TV. Toen gebeurde er nog iets, ik hoorde een geluid als van een stuk metaal die over de grond sleept. M'n hart begon deze keer sneller te kloppen, er was écht iets mis. Ik zette mijn serie op pauze en stapte naar het raam. Er was niets te zien. Het geluid was ook gestopt, ik kon niet geloven dat het een hallucinatie was. Het klonk té echt. Langzaam ging ik weer in de zetel zitten terwijl ik paniekerig het raam bekeek. De TV. Er was iets mis met de TV. Een afbeelding van een ijzeren zeis werd vertoond. M'n hart klopte sneller. De afbeelding veranderde, bloed drupte van de zeis. Nee nee nee, het kon niet waar zijn. Ik greep naar de afstandsbediening en zette de televisie zo snel mogelijk uit. Ik was nog niet veilig. Een vreemd getik klonk op de ramen van het huis. Rennend keek ik of alle deuren goed gesloten waren. M'n handen trilden terwijl ik een figuur in de tuin zag staan. Ik opende de keukenlade. Moet mes hebben. Moet kunnen verdedigen. Ik nam het scherpste mes dat ik kon vinden en nam het vast in m'n zweterige handen. Het getik klonk weer door het huis. 'W-w-wie doet dat?!' riep ik door het huis. Niets antwoordde. Ik wandelde terug naar de zetel terwijl ik nauwkeurig alle hoeken van de kamer controleerde. Wie deed dit? Ik durfde niet achter me te kijken terwijl ik stappen dichter hoorde komen. De deur kraakte, iemand had het slot geforceerd. Ik ga dood, ik ga dood. De stappen die ik achter me hoorde, kwamen steeds dichterbij. Vergeef me, alsjeblieft. Vergeef me. Een arm tikte op m'n schouder. Het was gedaan, vaarwel. Ik draaide me om en viel op de grond uit paniek. 'Vrolijk Halloween!' zei een blije stem.

Nova
8 0