Zoeken

ROCCO EN DE AIRCO

We staan nu ongeveer iets meer dan 3 weekjes met bijna allemaal dezelfde buren op  de camping. Komt daar eergisteren ineens een mega caravan achter onze haag opgedraaid. Nog voor de Nederlanders goed en wel geïnstalleerd zijn, wordt de airco opgezet. Niets mis mee. Het is warm en als je zo’n luxeding bezit, dan mag je dat ook gebruiken om wat koelte in de rijdende monstervilla te creëren. Zelfs als de kampeerders zelf niet aanwezig zijn, zoemt en bromt dat pleureding de ganse namiddag. Af,  en een paar minuten later terug aan. Af en aan. Leuk is anders, maar ja je begrijpt ergens andermans luxe. Ergerlijk wordt het als je wil slapen en die airco tot half twee ’s nachts door ronkt. En om zeven uur ’s morgens springt dat kreng terug aan. Het is eind september en ’s nachts al behoorlijk afgekoeld, zo’n 10 a 14 graden slaaptemperatuur. Ik begrijp niet waarom die Nederlander ’s morgens met ijspegels op zijn snor wil wakker worden. Misschien zijn het passanten, denk ik, en na een slapeloze nacht zal ik de zaak nog even aanzien. Maar als ze dan een luifeltje doorrijgen en die airco opnieuw continu een ganse dag opzetten, wil ik vermijden dat er nog meer slapeloze nachten gaan volgen.  Ik stap met een glimlach op ze toe. “Hallo buurtjes, mag ik jullie eventjes iets vragen, kunnen jullie de airco misschien ’s avonds en ’s nachts afzetten, want het geronk houdt ons wakker?” “Nou mevrouw, hoe komt U erbij dat het onze airco is?” “Ja omdat wij hier al geruime tijd met allemaal dezelfde kampeerders staan en er niemand airco heeft, of lawaai maakte, en omdat wij bij jullie caravan kwamen kijken en konden vaststellen dat het gezoem en gereutel bij jullie vandaan kwam!” Wel, dit is niet mogelijk hoor, hé Djon”? Djon schudt overtuigend nee. “Jij zette onze airco toch rond zo’n uur of zeven uit, niet Djon?”  Djon knikt krachtig ja. “Nou wij waren het niet hoor en dan zegt die troela ineens:” MISSCHIEN KOMT DAT GEZOEM GEWOON UIT UW HOOFD?” Ik voel hoe mijn, ‘ik kom in vrede act’ onmiddellijk naar een ijstijdniveau zakt. Terwijl ik de neiging onderdruk om met mijn vuist haar vooruitspringende Hollande duimzuigtanden eventjes in haar mond te corrigeren, glimlach ik en kijk haar heel doordringend aan. “Ik hoop dat U een grapje maakt?” Eventjes is de toetebel van slag. Ze loert naar Djon: “Ja hoor een geintje gewoon om te lachen, hé Djon, maar wij waren het zeker niet!” “Ach” zeg ik, “ dan was het misschien wel nachtlawaai van die viscentrale langs de rivier, hier zo’n dikke kilometer vandaan. Dat ga ik dan deze nacht controleren en dan vinden jullie mij morgenvroeg, met een geel hesje aan, demonstrerend aan hun ingang”. Of denk ik bij mezelf, dan trek ik vannacht jullie elektrische kabel uit het stopcontact.  Als die mensen nu gewoon hadden gereageerd met, ho, sorry wij waren ons niet bewust dat onze airco ’s nachts zoveel lawaai maakte, we houden er rekening mee...Maar zoveel trammelant en ontkenning. We zijn duidelijk in tijdperk van respectloosheid en egoïsme beland. Plots alsof ze beseft dat ze het plot verliest, verklaart de haaientandengeit, dat ze de airco speciaal voor hun hondje geïnstalleerd hebben en ze die misschien wel eens een ganse namiddag opgezet hadden. Als ze dan ’s morgens gaan fietsen of tochtjes met de auto gaan maken, dan sluiten ze Rocco op in de caravan en dan is het lekker koel voor hem. Er flitst iets door mijn hersenen, want er staat zoiets in het campingreglement, dat je je hond ten allen tijde aan de lijn dient te houden en nooit alleen op je kampeerplaats mag achterlaten, noch in de camper, caravan of in de auto. Het hondje is een schatje. Hij wipt rond mijn voeten, geeft likjes aan mijn tenen en springt tegen mijn benen omhoog om geaaid te worden. Ik wil de zaak dan ook niet ten top drijven. We hebben geen airco meer gehoord. Niet meer ’s nachts en ook niet meer voor hondje Rocco. ’s Anderdaags zagen we deze liegebeesten ’s morgens richting strand fietsen waar de honden nog steeds verboden zijn, dus zonder Rocco. ’s Middags vertrokken de Hollandse Pinokkioneuzen met de auto op uitstap, zonder de hond. Laat in de namiddag hoorden wij de autoportieren open en dicht gaan. “Djon, ik ga nog eventjes naar het zwembad hoor, laat jij effe de hond uit? “Ja hoor, eventjes snel, ik kom zo naar het zwembad.” De caravandeur gaat open en ik hoor Djon tegen zijn hondje zeggen. “Dag schatje, wat lijk jij blij dat je ons weerziet. Wij gaan eventjes snel een plasje maken, kom op” Daarna moet Rocco weer de caravan in, want aan het zwembad zijn de hondjes niet gewenst. En de airco mag niet meer aan van die stoute Belgische klagermevrouw hiernaast, hoor ik Djon bijna hardop denken.     Sim, al twee dagen en nachten zonder brommende airconditioning  19/9/2019 Agde  

Sim
103 0

THE KILLING FIELDS

Hoe het deze week mogelijk is weten wij niet, maar vanaf het moment dat wij borden op onze kampeertafel zetten, komt er een roedel vliegen op verkenningstocht. Een patrouille zoemt zich een rondje over onze glazen, borden en servietjes richting barbecue en terug. Manlief houdt de wacht en verdedigt het fort met een vliegenmepper. Gek dat wij onze Nederlandse overburen tijdens lunchtijd nooit met een vliegenmepper in actie zien. Maar natuurlijk, wie zou, als je zelf vlieg moest zijn, voorkeur geven aan een Royco minutesoepje met een restje baguette.  Dan zou ik ook opteren voor die Bourgondische etentjes van die Vlamingen. Wij begrijpen niet dat die vliegenbende zonder neus en aantoonbare oren, blijkbaar op een kilometer afstand kan ruiken en zien dat er iets op onze tafel gezet wordt. Nog maar net plaatsen wij een schoteltje oesters, scampi, gamba’s, gevulde inktvissen, een paëlla of een op de barbecue gegrild visje op onze tafel of de niet uitgenodigde zoemgasten proberen mee aan te schuiven. Geduldig wapperen wij met onze handen over onze borden en zetten zelfs op een meter afstand een speciaal lokbord met de graten, vellen en schelpen zodat ze daar hun feestdis ongestoord kunnen verderzetten. Tevergeefs, een mooi gedekte tafel en een gezellig gezelschap lijkt hun leuker.  Wat ze nog niet doorhebben is dat dat dikbuikige grijze mannetje, met het Dokter Spock-oortje en zijn niet weg te denken glas rode wijn, een onovertroffen seriemoordenaar blijkt te zijn. Mijn persoonlijke Pol Pot zwaait en klopt de vliegenlijven tot spijs. Hij spreekt ze zelfs in het Frans toe. Afschrikken in de eigen taal! Voilà, ils ont laissé leurs fromage, (zij hebben hun kaas gelaten) roept hij.  Encore une fois, weer één , mort comme une jetée (dood als een pier). Maar de vliegenjonkies laten zich nog niet echt afschrikken. Pats, twee bacteriebommen tegelijkertijd! Ils ont donné la pipe à Martin ( zij hebben de pijp aan Maarten gegeven). Wij ruimen de tafel af en onmiddellijk verdwijnt de meute insecten. Ons grondzeil ligt echter bezaait met lijken, ‘the Fly Killing Fields!’ Waarschijnlijk gaan de overlevenden nu, tot aan het diner, ergens op geurafstand een siësta houden . Ze zullen lang kunnen wachten, want wij gaan straks lekker uit eten. Dat ze de Nederlanders aan de overkant maar wat gaan irriteren! Sim, Agde 14 september 2019

Sim
19 0

BROMBEER

Wat een brombeer. Telkens iemand uit de groep een voorstel doet, horen wij hem op een grommende manier zijn tegenkanting kenbaar maken. Niet dat we duidelijke woorden horen, zijn spraakorgaan blijft gesloten. In het iets lager gelegen keelgedeelte lijkt steeds een opkomende storm in aantocht. Wanneer het laag begint, is ook de toon laag. Hoe hoger de klank vertrekt, hoe hoger de toon. De hoge tonen zijn uitzonderlijk, en worden met pruttelende lippen, speekselbellen spetterend, beëindigd. De lage tonen overheersen en blijven lang nagalmen. Door de tegenstem moet telkens een nieuw idee gezocht worden. Toch blijft de stemming lang uitbundig. Nieuwe voorstellen borrelen regelmatig op. De meest spontane worden met gejuich onthaald. Behalve door de brombeer. We horen alleen zijn speciale manier van afkeuren. Naarmate de tijd vordert, komt zijn mening steeds duidelijker tot uiting. Het gebrom wordt luider en luider. De slag om frisse ideeën lijkt gestreden, alleen de voorsteller kan er nog mee akkoord gaan. De groep kijkt elkaar beteuterd aan.     ‘Zeg Peter, heb jij geen idee? Alleen maar grollen helpt ons niet vooruit.’     Met een snok komt Peter ’s hoofd omhoog. Met waterige ogen kijkt hij rond. Bij elk gezicht houdt zijn blik halt. Dan knikt hij even en draait hij naar een volgende kennismaking. Ook daar volgt hetzelfde ritueel, fletse ogen blijven een tijd staren, de knik met het hoofd, de speurtocht wordt verdergezet.     De mondhoeken blijven naar beneden gericht en als een vis in troebel water komt daar nog geen beweging in. Uit zijn buik vertrekt een nieuwe luchtstoot langs de borrelende keel. Het geluid verplaatst zich langzaam naar boven. In de mond eindigt deze met een bijna knorrend geluid. Plots haalt hij snel een zakdoek tevoorschijn. Met een vertrokken gezicht houdt hij deze een tijd voor zijn mond.     Met een diepe zucht veegt hij laatste restanten weg en propt zijn gevulde zakdoek weg. Wanneer het leed geleden lijkt, vouwt hij deze weer open, inspecteert de groene slijminhoud met een gezicht alsof hij terug gaat kokhalzen, klapt deze vieze brij nu samen en steekt die veilig in zijn broekzak. Zijn handen wrijft hij over zijn broek, bekijkt ze even, draait de handpalmen naar boven en herhaalt dit ritueel. Na enkele droge oprispingen laat hij zijn handen rusten tussen zijn benen.     Hij richt zijn troebele blik naar boven: ‘Sorry, wat vroeg je?’

Luc Van Roosbroeck
0 0

Ik geloof dat ik van je hou, misschien

(Deze brievennovelle is in zijn geheel verschenen in Gierik NVT, 35ste jaargang, nummer 135 en op de website van Gierik NVT -- hieronder slechts het eerste hoofdstuk:)   Ik dacht dat de gênantheid van schrijven iets universeels was. Iedereen die ooit op school een opstel heeft moeten voorlezen weet hoe het voelt door de grond te willen zakken. […] Maar waarom? Omdat schrijven een kijkje in het hoofd van de schrijver biedt, dus iets intiems is? […] Het ligt […] niet aan de taal, maar aan het opschrijven op zich. Aan de poging de vluchtigheid op te heffen. […] het gênante van het schrijven komt voort uit de gênantheid van het leven zelf.   (Juli Zeh, Briefroman)                                                                 Ravels, 17 november 2014   Geachte heer Verhulst, Beste Dimitri,   Soms denk ik: ik gooi die laptop door het venster. Ik kap ermee, ik doe het niet meer, de muze kan de pot op. Ik haat het dat het mij niet lukt om gebeurtenissen neer te pennen, zo van en toen dit en toen dat. Uit wanhoop probeer ik dan om mijn medemens te observeren, u weet wel, op de bus enzo. Maar eerlijk, ik zie er de zin niet van in. Dan zit je je daar passief te bemoeien met andermans zaken, bijvoorbeeld zo’n oude man die voor zich uitstaart in de bus en het jonge meisje dat niet naast hem gaat zitten en dan zou je moeten weten wat er in haar omgaat. Wie weet heeft ze oudemannenangst, misschien wil ze wel staan omdat ze er de volgende halte alweer uit moet. Weet ik veel. Ik kan het al zeker niet verzinnen.     Voor het raam van de bibliotheekzaal waar ik doorgaans schrijf, staat een boom. De vogels vliegen in en uit, soms valt het avondrood heel mooi en droom ik weg bij de oranjeroze slierten en het geruis van het gebladerte. Dan hoor ik bijna, bijna, het verhaal opdoemen waar ik al zo lang op wacht. Ziet u, ik zou willen zijn zoals u en boeken schrijven die op leeslijsten voor middelbare scholen komen, beroemde boeken die prijzen winnen, en dan wil ik interviews geven, net als u, waarin ik welbespraakt en bedaard antwoord op de vragen. Maar ik wil niet schrijven over de vrouw aan de kassa van de supermarkt die al haar koperen muntjes een voor een moet uittellen. Je ziet dat ze geen geld heeft, je ziet haar rimpels en haar versleten jas. Wat moet je daarmee, je schrijft toch geen sentimenteel gedoe?    Ik wacht. Maanden nu al, en er komt niets. Weet u, het meest briljante dat aan mijn wil-graag-kan-niet-brein ontsproot, was een ode aan de buschauffeur. Dat hij zo’n mooie blauwe ogen had en van mijn leven elke dag een feest maakte voor de vijftien minuten dat ik met hem mocht meerijden. Puberaal, sentimenteel gedoe, de illusies van een veertienjarige met een ingebeelde liefde.   Vlak voor ik in slaap val, verschijnen er soms beelden. Over een vampiervrouw die duizenden jaren wacht om haar grote liefde haar vergiffenis te schenken. Ze houdt daar leegte aan over, dat spreekt vanzelf. Of ik zie een flard van een man, ineengestuikt op de keukenvloer. Hij ligt er al een paar uren, te kijken naar de korrelige structuur van het tegelvoegsel, hij vraagt zich af hoe het nu verder moet, of hij zal opstaan. Is dit het begin van het einde? Zal hij hier sterven, tussen de formica kastjes, omringd door de geur van rottende etensresten? Dweperij. Pathetische fantasieën voor mensen die de werkelijkheid niet interessant genoeg vinden. Die beelden zeggen dan ook nog eens genoeg op zichzelf. Wat kan een schrijver daar nu nog aan toevoegen?     En waarom? Waarom een vrouw eeuwen in wanhoop laten rondwaren als de oudjes met spijt in het hart gewoon bij elkaar te rapen zijn in het eerste het beste rusthuis? Waarom het leven uit een man op zijn vloertegels laten sijpelen als de halve Westerse wereld aan de antidepressiva zit? Wat heeft het voor nut om te schrijven als buiten de bib het ware leven wacht?    En toen bleek een paar weken geleden dat u naar mijn dorp zou komen. Zoiets houdt mij wakker, uren soms. Want ik lees ze allemaal, uw boeken, en ik zie wat u doet, waar uw ambacht een motief maakt van een verwaarloosde hond wier puppy’s verzopen moeten worden, hoe de eindes van uw hoofdstukken teruggrijpen naar het begin en hoe het laatste hoofdstuk alles samenbrengt en ik vraag me af hoe u dat doet. Waarom kan u verhalen vertellen over moeders die hun kinderen niet willen hebben en wordt het toch niet sentimenteel? Waarom lijken de werelden die u schept zoveel op de echte en zijn ze toch niet banaal? Nijdig word ik ervan, bijna zou ik uw boeken bij het oud papier zetten. Toch bent u gewoon een man, natuurlijk. Zoals ik gewoon een vrouw. Daarom besloot ik naar uw lezing te komen, mijnheer Verhulst. Ik wou u zien zitten, staan, ik wou u horen spreken, ik wou weten of u een écht mens bent met warm bloed dat door uw aders klopt. En ik wou uw nieuwe boek laten signeren.     Ziet u, ik heb al meer dan een jaar niet meer gevreeën. Heel cliché allemaal, de echtgenoot werd verliefd op een ander. Dus ik doe het tegenwoordig met mezelf. Na een tijdje kan een mens daar al eens gek van gaan doen. Dan ga je brieven schrijven aan je idolen, want die affectie moet toch ergens heen, nietwaar? Of dan ga je plots naar literaire lezingen, met prachtige voornemens en de moed der wanhoop. Ik zou op u afstappen na het programma en u vertellen waarom uw boeken mij keer op keer zo gelukkig hebben gemaakt. En dat zou ik dan heel welbespraakt doen, want het is toch zonneklaar dat je niet gewoon een boek in de handen van zijn maker kan duwen om dan schaapachtig op zijn handtekening te staan wachten. Helaas is het anders gelopen.   Netjes wachtend in de rij bedacht ik me dat ik een klinkende volzin klaar moest hebben. Ik bedacht ook dat de volzin kort moest zijn. En bijzonder. Wat kon ik zeggen? Waarschijnlijk hoort u elke dag hoe briljant mensen uw werk vinden, recensenten schrijven dat u een sterk stilist bent die alle registers van de taal beheerst. Waarschijnlijk spreken moeders en lotgenoten u aan om u te vertellen welke emoties u bij hen losweekt. Wat kon ik u vertellen dat u nog niet eerder had gehoord? Maar het was al te laat. Met een stuntelig alsjeblieft en een verwrongen glimlach heb ik u het boek in handen gegeven. Mijn naam kreeg ik nog net gezegd. Dus het is wel duidelijk. Ik kon nog geeneens twee zinnen bedenken om tegen u te zeggen, en dat pretendeert dan schrijfster te zijn. Jawel, u bent een man en ik ben een vrouw. U eet, u doucht, u schijt, net als ik. Maar hetzelfde zijn wij niet. Het is niet eerlijk, echt niet.   Met vriendelijke groeten   Julie Timmermans

Erica M.G. Smits
0 0

Hiervandaan

(verschenen in Gierik NVT,  35ste jaargang, winternummer 137)   Sofie zit aan het stuur en ze rijden samen naar haar afscheidsfeest. Ze vertrekt naar Amerika om daar voor een ngo te gaan werken, al haar ambities om de wereld te redden onder de arm. Hij wil niet naar het feestje, want soms wil een mens gewoon dat een ander verdwijnt zonder dat dat nog eens hardop gezegd moet worden, maar daar zwijgt hij over. Hij heeft zelfs het cadeau samengesteld, heeft whatsappberichtjes naar collega’s gestuurd terwijl hij het jaar daarvoor nog niet eens een smartphone had. Of de collega’s wilden bijleggen, en of ze nog een idee hadden wat Sofie leuk zou vinden. Straks zou ze lachen en haar neus zou opkrullen: ach lieverd toch, zou ze zeggen, speciaal voor mij zo’n irritante smartphone gebruikt, da’s echt lief van je. Toen hij nog een gewone gsm had, had hij wel door dat ze stiekem een beetje trots was op haar rol als boodschapper tussen hem, de lieve oude man, en hun jongere collega’s die voortdurend vrijdagavondborrels regelden op die schermpjes van hun. Dan kwam ze aangehuppeld, een en al stralende zon en ondeugendheid en gespeelde bezorgdheid. Arme man, jij hebt geen smartphone, zei ze dan, dus ik zal het je maar vertellen: om vijf uur zijn we d’r allemaal. En hij erheen op dat tijdstip, al was het maar om het zoveelste drama met een van haar weekendliefdes te aanhoren. Dat afscheidsfeestje kan hem aan zijn reet roesten. Hij wil niet kijken hoe ze zijn cadeau openmaakt, hoe ze zal lachen en dankjewel zeggen, en verder geen tijd zal hebben voor hem. Het zal een druk feestje worden, met al haar vrienden en hun collega’s, en op die plek zal hij niet alsnog zijn liefde aan haar verklaren. Dan blijft hij liever thuis, staren naar een leeg scherm dat hij tenminste nog kan opvullen met imaginaire werelden. Niet dat er tussen hen een verhaal te rapen valt. Iedereen kan schrijven over verkeerd verliefd worden. Hij vindt ook niet dat, pakweg in vergelijking met Romeo en Julia of Tristan en Isolde, de redenen voor hun scheiding dramatisch genoeg zijn. Eerder zielig, eigenlijk. Hij is meer dan twintig jaar ouder dan zij, heeft volwassen kinderen die haar jongere broers zouden kunnen zijn. Zij is jong en mooi, met hippe kleren en grote ogen, en ze staat voortdurend in de startblokken om de wereld te redden. Ze wil ook nog kinderen, maar niet nu. Ooit nog een keer, in een wereld die nu nog niet bestaat, wanneer ze klaar is om in een ligbed naast een zwembad vol krijsende kinderen te hangen op een of andere Zuid-Franse camping. Dat heeft ze hem verteld op een van hun vrijdagavonden en ze keek erbij alsof Franse campings haar idee van de hel waren. Hij krijgt een kleinkind ergens de volgende maand. De gynaecologe heeft tegen zijn oudste zoon gezegd het koffertje voor het ziekenhuis al maar in de auto te zetten. Zijn schoondochter heeft hem stralend aangekeken. Opa’s, daar schrijft niemand een tragisch gescheiden-geliefdenverhaal over. Hij voelt zich eenzaam en belachelijk wanneer hij het toch probeert. Soms vraagt hij zich af hoe het zover is gekomen. Hij zou kunnen beweren dat ze hem heeft verleid, maar de waarheid is zoals een koude winterochtend waarop je fiets een lekke band heeft en er ijsbloemen staan op alle ramen van je auto: hard en onverbiddelijk. Zij hoort niet bij hem, net zomin als tropische eilanden op reclameborden. Die zijn ook mooi, en die heeft hij ook nog nooit bezocht. Hij probeert niet naar haar te staren terwijl ze hem uit de doeken doet met wie hij allemaal kan babbelen op het feest. Ze noemt haar moeder, haar ooms en tantes, wie ze zijn en wat ze doen. Dat doet vaag pijn, op een onbestemde plaats. Ze draagt een zwarte jurk, met lange mouwen zoals het hoort in de winter, en donkere kousen in hoge laarzen. Ze draagt die jurk alsof het een gewone winteroutfit is zonder beoogd effect. Misschien is dat ook wel zo. Zoiets kan zij met de nonchalance waarmee een ander haar aardappels schilt. Hij kijkt naar de grijze overtrokken lucht, de stoplichten van de auto voor hen die telkens remt en weer versnelt. Haar benen zijn lichtjes opengevallen en haar jurk zit nu hoger dan net, toen ze breed lachend met haar warme bruine ogen op hem afstapte. Kom hier, zei ze, ik ben zo blij dat je meekomt, en toen drukte ze hem stevig tegen zich aan. Haar borsten drukten tegen zijn maag. Ze duwt op het gaspedaal, hij ziet hoe haar dij zich opspant. Hij aarzelt even of hij zijn hand daar zal leggen als een type uit een James Bondfilm, of hij met zijn duim een cirkel zal draaien op haar strakgespannen huid, of hij het voor elkaar krijgt om een verleidelijke blik op zijn gezicht te toveren. Ongeduldig vraagt ze of hij nog iets wil eten – blijkbaar heeft ze die vraag al een keer gesteld -- en het moment is voorbij. Ja, zegt hij, en of ze tijd hebben voor iets warms, want hij weet dat ze tegenover hem zal zitten en zal genieten met glanzend vet op haar lippen. Thuis heeft hij niks gegeten. Geen honger, zei hij tegen zijn vrouw. Hij heeft eigenlijk nog altijd geen honger, maar hij zit liever met Sofie ergens in een snackbar dan op een feest waar hij toch met niemand wil praten. Hij wil haar vertellen dat hij de hele dag op pad is geweest om haar cadeau samen te stellen, dat hij er een how-to-tweet-gids heeft bijgestoken zodat ze zeker het contact met het thuisfront onderhoudt, maar hij zwijgt en vraagt zich af of ze dat idee eigenlijk wel grappig zal vinden. Wie weet vraagt ze wel of Yvonne mee gaan kiezen is, en hij durft haar niet te zeggen dat hij zijn vrouw een halve dag alleen heeft thuisgelaten om alle spullen voor haar cadeau te halen. Sinds Yvonne in een rolstoel zit, is het gewoon eenvoudiger dat hij zoiets alleen doet, maar een halve dag is wel lang. Voor Yvonne dan, want voor hem is de tijd voorbijgevlogen. Heel even is de knoop in zijn maag verdwenen die er al was sinds de dag dat de dokter hen het slechte nieuws had gegeven: Yvonne zou ook na de revalidatie nooit meer kunnen lopen. Soms, ’s ochtends terwijl hij haar aankleedt, wordt hij overmand door donkere gedachten. Dat ze dood zou gaan als hij haar gewoon in bed liet liggen. Dat ze dat misschien wel zou willen. Hij kan er niet aan ontsnappen, want hoewel hij nooit langer dan noodzakelijk haar papieren huid en haar onwerkelijk dunne benen aan het daglicht blootstelt, wordt hij gedwongen haar te zien zoals ze daar ligt: een naakt, gekwetst vogeltje dat aan huis gekluisterd is. Op die momenten kijkt hij weg en probeert hij te denken aan zíjn Yvonne, dan wil hij denken aan de Yvonne van dertig jaar geleden in een dun zomerjurkje dat iets te strak rond haar heupen zat, de Yvonne die hem heeft onderhouden terwijl hij aan zijn eerste dichtbundel werkte. Er liggen nog altijd exemplaren van op zolder. Zoiets kan hij zelfs aan Sofie niet vertellen, en zij weet dat hij af en toe naar de hoeren gaat. Ze begrijpt dat hij het mist om te vrijen met iemand van wie hij houdt. Zo’n dingen vertellen zij aan elkaar. Zoals nu, terwijl ze zitten te wachten op hun Bickyburgers, want daar houdt zij van, het soort eten waarna hij een paar weken de koersfiets op moet. ‘Begeerte is dodelijk vermoeiend’, zegt ze, en ze zucht overdreven terwijl ze haar kin in haar hand laat zakken. ‘Je moet er constant een beeld voor in stand houden van de ideale geliefde, die altijd mooi is en altijd sterk.’ Voor hij kan knikken, gaat ze al verder. ‘Of zacht, al naargelang hè, wat je op dat moment nodig hebt. Knap, moedig, zorgzaam, soit, wat je maar nodig hebt, of die arme man of vrouw dat nu echt is of niet. Weet je…’ Ze neemt een gulzige slok van haar cola en moet een druppeltje wegvegen uit haar mondhoek. Wanneer ze zo op dreef is, ziet ze eruit als een meisje dat met de poppen speelt, ook al is ze bijna dertig, en wat ze zegt lijkt niet helemaal te passen bij haar glanzende ogen. ‘… voor begeerte moet een mens dramatisch doen, zo van: die gaat nooit van mij zijn. Want zodra je weet dat het wel zo is, dan kun je niet meer smachten. Je moet ach en wee kunnen zuchten, eenzaam en alleen, ver weg van de persoon die je wil aanraken, en je moet jezelf kunnen wijsmaken dat je al blij zou zijn als je hem of haar alleen maar eens kon vastpakken.’ ‘Maar dat is toch wat verlangen is, of niet soms? Dat je dicht bij iemand wil zijn?’ ‘Niet alleen dicht bij iemand, hè. Toch ook erin. Of errond, ’t hangt ervanaf.’ Ze grijnst. Ze zegt zo’n dingen vaak, ze gaat daar prat op in hun vrijdagavondgesprekken, alsof het haar missie is om de ware motieven van alle geliefden op de planeet bloot te leggen. Maar hij weet nog hoe ze hem vertelde dat ze niet kon slapen in een vreemd bed, naast een vreemde man die ze op een fuif had opgepikt. Ze werd gek van de geluiden die zo’n slapende man maakte, zei ze, maar meer nog van het gevoel van geborgenheid dat ze kreeg onder een warm donsdeken naast een warm lijf, en dat ze niet anders kon dan daar wegvluchten, midden in de nacht weer naar haar eigen huis, waar ze alleen sliep, precies zoals ze dat gewend was. Ze houdt van eten. Ze zegt, oh god, dit is lekker. Ze heeft een kanten bh aan, want het reliëf komt door de stof van haar jurk. Bij elke hap vervaagt haar rode lippenstift, ze sluit haar ogen en kreunt zachtjes – deze vrouw is nooit lang op dieet. In gedachten likt hij de saus van haar mond, zet hij zijn tanden zachtjes in haar onderlip. De tepel die door haar jurk prikt wordt een snoepje om op te zuigen. Zijn vingers klimmen tussen haar dijen omhoog, vinden de rand van haar slipje, openen haar vochtige lippen, glijden naar binnen. Hij zal de bakjes eten en de glazen van tafel duwen, haar erop zetten, haar benen openen en haar likken tot ze hem smeekt haar te neuken. ‘Kom, eet’, zegt ze. ‘Over een halfuur verwachten ze mij.’ Moeten we daar echt heen, wil hij zeggen, maar hij doet het niet. Hij weet eigenlijk niet wanneer het precies gebeurde, maar dat het gebeurd is, staat vast. Ergens onderweg, misschien toen hij te horen kreeg dat hij de rest van zijn leven voor een verlamde vrouw te zorgen had, maar misschien ook al eerder, alsof het er gewoon bij hoorde, alsof iedereen die de avond van zijn leven dichterbij ziet komen hetzelfde lot beschoren is, misschien een paar jaar geleden al, of misschien had hij het altijd al geweten, maar het nooit willen zien – enfin, ergens onderweg, was er een inzicht geweest dat zich naar de voorgrond van zijn gedachten had gewurmd. Dit is het dan, had hij plots geweten. Het quotum was gevuld, al lang geleden, maar nu had hij het pas begrepen. Nooit nog zou hij zijn hand op de boezem van een jonge vrouw leggen en zeker weten dat zij hem net zo begeerde als hij haar. En nog later wilde er zich hardnekkig een andere waarheid aan hem opdringen, maar die drukte hij altijd snel weer weg. Hij zou er de tijd niet meer voor krijgen om iemand te vinden die hem wou, met een vrouw die hem de godganse dag nodig had om haar aan te kleden en papjes te voeren. Die gedachte overvalt hem nu dagelijks, en versteent zijn benen zodat hij zich niet meer kan verroeren en wel moet kijken naar de ribben van Yvonne, die zich door haar dunne huid een weg naar buiten lijken te willen dringen. Op zo’n momenten zou hij iets stuk willen slaan, iemand met zijn blote vuist in het gezicht willen rammen tot zijn vel in flarden van zijn knokkels hangt, en wanneer het gevoel in zijn benen terugkomt, wil hij weglopen, de deur door, de straat uit, de stad uit, het land uit, ergens heen, het maakt niet uit waar, ergens waar er geen mensen zijn, alleen hij en Sofie en zon en ruisend gras en wind, zodat haar zomerjurk opwaait en hij haar benen kan zien terwijl ze op hem afloopt. Hij krijgt gelijk. Op het feest opent ze zijn cadeau. ‘Wie heeft dit bij elkaar gezocht? Nee wacht, ik weet het al!’ Ze glimlacht, er blinken lichtjes in haar ogen. ‘Jij hebt dit gedaan’, zegt ze. ‘Die twittergids ga jij harder nodig hebben dan ik!’ En ze blijft lachen, stoot hem aan met haar elleboog, pakt hem vast en zoent hem op zijn wang. Maar dan komen er meer cadeaus. En mensen. Iedereen zoent haar, ze lacht bij alle verrassingen, ze zwaait naar hem van de andere kant van de zaal, en dan verdwijnt ze tussen de massa, want er is iets waar ze heen moet en er is een wereld die gered moet worden, er is een vrouw die op hem wacht, en ooit moet Sofie nog op een Zuid-Franse camping liggen, aan een zwembad met krijsende kinderen.

Erica M.G. Smits
0 0

Grijze Jos

Grijze Jos leek op een aardappel: hij was bruin en pokdalig. Iedereen noemde hem Grijze Jos, ook onze ouders, en zij deden dat op een toon die een zekere ongerustheid verried telkens ze vroegen of wij hem gezien hadden en wat hij had gezegd.  Er liepen weddenschappen over hoeveel onderbroeken hij eigenlijk bezat, waarbij je kon inzetten op één of méér dan één, hoeveel meer bleef onbepaald.  Jimmy verzamelde de inzet en onthield de score met behulp van een stompje potlood en een rafelige envelop die hij ergens nog uit het oud papier had gevist. Eens per week eisten we dat hij het ingezamelde bedrag nog eens wilde omroepen en de namen voorlezen van degenen die hun bijdrage hadden gedaan. Daarna volgde er gewoonlijk een hevige discussie, want wie ging hier eigenlijk beslissen wie de winnaars waren, en hoe dan wel? Dat Grijze Jos minstens één onderbroek had wisten we doordat hij zich elke dag uitkleedde op het ponton. Dan sprong hij in het water en waste zijn lijf in de put waar wij onze zomers doorbrachten. De jongens sloegen er aanvankelijk geen acht op, maar wij, de meisjes, slaakten kreetjes van verbazing en trokken ongelovige ogen elke keer hij dat vuile, vlekkerige vod na zijn wasbeurt gewoon weer terug aantrok. Nadat hij zorgvuldig zijn sandalen, zijn broek, zijn hemd, en zijn onderbroek in een keurig gevouwen stapeltje naast zijn voeten had gelegd, dook hij als een ware atleet de put in, het water spatte amper op, misschien was hij in een vorig leven nog kunstduiker geweest. Hij waste zijn haren, besteedde daar zeker vijf minuten aan, weliswaar zonder shampoo, om zich vervolgens met evenveel toewijding te bekommeren om de baard die hem zijn bijnaam had geschonken. Zijn oksels, zijn armen, aan al zijn lichaamsdelen wijdde hij de zorg die wij na een dag zwemmen soms niet meer opbrachten; volgens ons was al ons vuil van ons vel geweekt zodra onze vingertoppen gingen rimpelen. En daarna trok hij zijn vieze lor weer aan. Kunstduiker was een even goede gok als alle andere, eigenlijk wist niemand wat Grijze Jos vroeger had gedaan of waar hij vandaan kwam. De wildste verhalen deden de ronde. Het meest angstaanjagende was dat hij in de gvangenis had gezeten. Hij zou een jongen in elkaar geslagen hebben die ’s nachts in zijn houtkot had ingebroken. We lachten het weg en Jimmy beweerde dat het een oudewijvenverhaal was om te zorgen dat wij allemaal braafjes voor het donker naar huis gingen en de mensen met rust lieten. Maar wanneer Grijze Jos onze vaste plek aan de put passeerde, keken we toch liever niet te lang in zijn ogen. Van de godganse dag deden wij daar niks nuttigs behalve leren hoe je dat juist deed, een lief krijgen. Geen kans werd onbenut gelaten in die dagen, sommigen onder ons hadden nog wat inhaalwerk te doen om hun eerste kus te bemachtigen, anderen wilden vooral wat streepjes bijzetten op hun lijst van veroveringen.  Jimmy was hors catégorie, een jonge blonde god met witte tanden die blikkerden in de zon. Zelfs het water dat van zijn lijf gleed wanneer hij zich uit de put en op het ponton duwde, leek eerder uit eerbied dan omwille van de zwaartekracht naar beneden te druppelen. Jimmy was wie al onze jongens wilden zijn en van wie al onze meisjes wilden zijn. Je kon in schoonheid dagen doorbrengen door eenvoudigweg te kijken naar zijn dubbele salto’s. Wanneer hij zwom, blonk de zon op zijn natte lichaam, maar dat deed ze ook op de lichamen van de andere jongens. En toch. De meisjes keken naar Jimmy. Hij zweeg voor niemand, je giechelde wanneer hij zijn vinger nat maakte, op je vel drukte en een sisgeluid nabootste. Van Jimmy werd verwacht dat hij met de oplossing kwam voor het onderbroekenvraagstuk en hoe onwaarschijnlijk het ook leek, ergens twijfelden we er niet aan dat die oplossing er zou komen. De meeste meisjes had hij al gehad, behalve Debby en mezelf. We waren ervan overtuigd dat onze borstgroei, of liever de tergend trage vooruitgang daarvan, de oorzaak was. Soms gingen er geen vijf minuten voorbij voordat een van ons weer naar beneden staarde, in de ijdele hoop dat er nu misschien toch al enige welving te bespeuren viel onder de gefronste stof van ons badpak. Zo gingen uiteindelijk de uren en dagen voorbij, in een traagheid die niet voorkwam in de wereld buiten de omheining rond de put. We hielden wedstrijden bommetje en om ter diepste en maakten ons niet druk over hoe waterproof onze zonnebrandcrème was, als we er al aan gedacht hadden om zoiets überhaupt mee te brengen. We dronken cola en aten chips, de chocoladerepen lagen te smelten in onze rugzakken. Erik at ze op, ’s avonds, en likte het goedje van de wikkel tot hij onder zat van neus tot kin en grijnzend vroeg wie nu hém schoon kwam likken. De gedachte dat we onze jonge lijven niet voor eeuwig zouden hebben en dat er zoiets bestond als calorieën, kwam in ons niet op. De zon scheen altijd, de graskant was van ons, de tijd strekte zich voor ons uit als een rimpelloze vijver. Erik was ros en had scheve tanden en een broer die Rudy heette. Waar Erik was, was Rudy en waar zij waren, was er speeksel. Speeksel en slijmen die met luide rochels uit de diepste regionen van hun slijmkanalen werden opgediept om met een luide plets op de straatstenen terecht te komen. Klodders spuug die deskundig werden vergeleken op kleur, viscositeit en samenstelling. Zeverdraden met een dikke, schuimende druppel aan het uiteinde die om het verste uit hun monden werden neergelaten om daarna in één haal weer opgeslurpt te worden. Brak de draad, dan was je de verliezer. De vorige zomer nog hadden Erik en ik op het bankje van het plein gezeten waarrond onze identieke blokkendooshuizen stonden, urenlang, terwijl hij mij instrueerde in de juiste techniek. De truuk was om je kwijl de juiste dikte te geven, daarom was drinken voor de wedstrijd essentieel maar je moest ermee oppassen. Te veel kon een te vloeibaar resultaat veroorzaken. Dat kon je testen door de klodder eerst door een spleet tussen je tanden te drukken, en daarbij trok Erik zijn sproeterige bovenlip op en toonde mij de spuug die inderdaad met precies de juiste plakkerigheid tussen zijn twee merkwaardig geplaatste snijtanden tevoorschijn kwam. Dat deden we nu niet meer. In plaats daarvan schudde hij zijn natte haren uit op mijn zonverhitte lijf of duwde me van het ponton. Vergeefs waren mijn pogingen hem mijn lot te laten delen, Erik was gegroeid en nu letterlijk kop en schouders groter dan ik. Ook al was Erik mager en bleek, in de zomers rood en verveld in plaats van bruin, kon je met zijn haren een smirnatapijt weven en waren zijn tanden als om fietsen tussen  te parkeren, ook al staarde ik naar Jimmy en zijn gouden vel, toch was het uiteindelijk Erik die mij leerde zoenen. Lang voordat de eerste broek werd opengeritst of de eerste borst werd betast, leerde hij mij ook dat een vrouwenlichaam meer erogene zones heeft dan enkel die twee. Daartoe had hij enkel zijn handen onder mijn t-shirtje te steken en mijn rug te staan strelen terwijl onze middels op indrukwekkende wijze van elkaar verwijderd bleven. Mocht zelfbeheersing een Olympische discipline zijn geweest, de medaille was voor hem, de hele zomer lang. En dat hij die sport met mij beoefende, hadden wij te danken aan Grijze Jos, zijn onderbroeken en zijn houtkot. Grijze Jos woonde langs de grindweg die naar de put leidde en langs de snelweg liep. De luiken aan zijn ramen waren gammel gevreten door houtwormen en konden nog amper doen waarvoor ze dienden in de  zomer: de zon buitenhouden. Af en toe zag je hem op een stoel voor zijn deur zitten en dan duwden wij plots iets steviger op onze fietspedalen dan de kilometers daarvoor of daarna. Naast zijn tuintje en zijn houtkot waren er maïsvelden opgedoken die zich in de loop der jaren enkel leken te vermenigvuldigen en aangezien Grijze Jos zijn boerderijtje niet bepaald onderhield volgens de moderne normen, leek het meer dan waarschijnlijk dat het na zijn dood zou worden platgeslagen om plaats te maken voor nog meer maïs. Jimmy riep de vergadering bijeen die ons uiteindelijk tot in het huis van Grijze Jos zou brengen. Hij was ook niet dom en besefte dat hij niet tot het einde der dagen met ons geld in een oude envelop kon blijven rondlopen, de winnaars hadden hun rechten en moesten uitbetaald worden. Bovendien had hij schrik van een pak slaag. Immers hielden wij niet van bedriegers, en al zeker niet van lafaards die weddenschappen begonnen die ze niet van plan waren af te maken. Dus floot hij op zijn vingers en gebaarde dat we rond hem moesten gaan zitten. ‘Het gaat over die weddenschap.’ ‘Dat werd tijd!’ Jimmy wierp de spreker van die uitroep, Erik, een ijzige blik toe. Erik zweeg. ‘In de pot zit 350 frank. Vier mensen hebben gezegd dat Grijze Jos maar één onderbroek heeft. Drie mensen hebben gezegd dat hij er meer dan één heeft.’ ‘Vertel eens iets nieuws, anders.’ Jimmy stapte op me af en ging op zijn hurken voor mij zitten. ‘Daar gaat het ook niet over, Laura meiske.’ Uitdagend keek hij rond. ‘Ik heb een plan.’ Het was één van de heetste dagen van die zomer en dat leek Jimmy tot de waanzin te hebben gedreven. Uiteindelijk bleek zijn plan van een eenvoud die je misschien briljant zou kunnen noemen, maar misschien ook wel volslagen getikt. Was hij misschien uit wanhoop tot deze strategie gekomen, bang dat wij anders zijn deel voor ons zouden opeisen voor geleden schade? Hij stak meteen zijn handen in de lucht met een kalmerend gebaar, tuitte zijn lippen die er zonder mankeren altijd uitzagen als de glanzende aardbeisnoepjes in de bakken van de plaatselijke supermarkt, en maande ons ook met woorden tot kalmte aan, zijn plan kon niet mislukken. Als we allemaal meewerkten. En kalm bleven. En het gerief meebrachten dat we moesten meebrengen. Die drie samen vormden wel erg veel voorwaarden waardoor alles faliekant kon aflopen. (to be continued)

Erica M.G. Smits
2 0

Hoofdrol

Er was eens een wc-rol genaamd Scotty die de hoofdrol wou spelen in een schijtfilm. Het was niet de eerste keer dat hij zich voor zo'n film kandidaat stelde. Maar voorlopig bleef de doorbraak uit. 'Er zit een geurtje aan de selectieprocedure.', had hij eens gezegd tegen zijn agent. Door alle afwijzingen die hij te verduren kreeg, was hij van pure miserie fel vermagerd. Laagje per laagje verloor hij aan zelfvertrouwen. Gelukkig had Scotty een dikke huid, anders had hij de filmindustrie al jaren geleden ingeruild voor een supermarktketen, waar hij waarschijnlijk wél op het bovenste schap zou liggen. Maar Scotty was een volhouder met een missie: de Golden Drop winnen als beste wc-rol in een film. Hij wilde beroemde konten vegen zoals zijn illustere voorgangers die onvergetelijke rollen speelden in geweldige schijtfilms als Dumb & Dumber, American Pie, There's Something About Mary en The Big Lebowski (waar wc-rol Lotus speciaal voor zijn rol vel over karton was). Maar je moet klein durven beginnen, dacht Scotty, die niet te beroerd was om een rol aan te nemen in een b-film. Uiteindelijk had hij meer kans dat er in de undergroundscene een schijtfilm zou gemaakt worden. Scotty had wel een probleem in zijn queeste naar eeuwige roem. Zijn vel was bedrukt met hartjes en hij geurde naar roosjes. De filmindustrie – en de meeste acteurs en actrices – waren meer te vinden voor geurloze, onbedrukte toiletrollen. Toch leek het Scotty een kwestie van tijd eer een superster een wc-rol zoals hij op zijn of haar wishlist zou zetten. En dan was hij vertrokken. Zijn uniciteit in de filmbusiness zou zijn sterkte blijken. Daar was hij heilig van overtuigd. Hij werd beloond voor zijn geduld en vastberadenheid toen zijn agent op een druilerige dag in Los Angeles heugelijk nieuws had. 'Scotty!''Ja?''Je mag meedoen aan de audities van de nieuwste Bondfilm!''Shit! Serieus?''Yep, het zou een geweldige schijtfilm zijn.''Wow. Speelt Daniel Craig nog steeds James Bond?''Yep. Er komen gouden tijden aan makker. We worden morgen op de set verwacht.' Scotty voelde zich gelukkiger dan ooit. Hij blonk zijn hartjes op en spoot nog wat rozengeur op zijn zachte huid. The smell of success, dacht hij. Hij voelde tot in het diepst van zijn vezels dat hij op het punt stond beroemd te worden. Hij keek naar de badkamerkast en wist exact waar hij de Golden Drop zou zetten. Vierentwintig uur later hing hij aan een gouden hanger in een fancy hotelkamer toen James Bond op de pot ging zitten. Scotty voelde geen camera's op hem gericht, maar hij was allang blij dat hij hier mocht hangen. En hij hing hoe hij het liefst hing, rollend met de wijzers van de klok. Dit was zonder twijfel het spannendste moment uit zijn leven. Toen de regisseur 'Actie!' riep, begon Bond zijn gevoeg te doen. Scotty zag hem even schudden met zijn gespierde poep en dacht: shaken, not stirred. De superster begon te rollen aan Scotty en nam maar liefst vijf blaadjes die hij op elkaar vouwde. Met mijn vel moet twee volstaan, wist Scotty, maar hij had al opgevangen dat filmsterren graag leven in overdaad. 'Cut!', riep de regisseur. En dus werd een nieuwe take opgenomen, met dat verschil natuurlijk dat Daniel Craig nu deed alsof hij moest kakken. Weer nam hij vijf velletjes. En dat voor een poep die al proper is! Scotty voelde zich verkwist. En zo ging het door, cut na cut, tot er van Scotty niets meer overbleef dan een lege rol. En zo voelde hij zich ook. Hij werd door de propsmaster in een vuilbak gesmeten waar hij terechtkwam tussen een hoop andere mislukte wc-rollen. Er hing een schrale rozengeur van gemiste kansen. Nu restte Scotty en de andere wc-rollen niets meer dan wachten tot ze vermalen zouden worden in een papierverwerkingsbedrijf. Na een slapeloze nacht waarin hij woelde en rolde, ging plots het deksel van de vuilbak open. Hij zag een man speuren die duidelijk naar iets specifiek op zoek was. Op zijn T-shirt stond cleaning services geschreven. Hij haalde de vuilniszak uit de bak, plofte hem neer en haalde er dan met zijn blauwe, doorschijnende handschoentjes de ene na de andere wc-rol uit. Scotty en zijn lotgenoten werden overgeladen in een kleiner plastic zakje dat vervolgens werd dichtgeknoopt. Hij was op van de stress. Wat stond er hem te gebeuren? Toen hij even later in een bestelwagen zat, kon hij alleen maar raden waar hij samen met de andere toiletrollen gedumpt zou worden. Na een uurtje schoof de deur van de bestelwagen open waardoor Scotty plots verblind werd door het felle zonlicht. Hij hoorde in de verte twee kindjes 'Daddy! Daddy!' roepen. De oudste van de twee meisjes ritste het zakje uit de man zijn handen, liep ermee naar de woonkamer en scheurde het gretig open. Scotty en de andere rollen tuimelden op de vloer. Grijpgrage handjes namen Scotty mee naar een kindertafeltje, waar hij tussen verfborstels en ander knutselgerei terechtkwam. Vrijwel meteen werd hij onder handen genomen voor een complete, ongewilde make-over. Ook enkele andere rollen ondergingen een wonderbaarlijke metamorfose. Toen het jongste meisje Scotty trots de lucht in stak om aan haar vader te tonen, zag hij in de spiegel van de woonkamer dat hij de Superman onder de wc-rollen was geworden. Met de S van Scotty op zijn buik geschilderd! Hij kreeg een plaatsje op de wandkast tussen enkele andere rollen, maar hij was dé ster. Hij had zijn hoofdrol te pakken en hij leefde nog lang en gelukkig.*   *tot de hond des huizes hem te pakken kreeg, in het toilet dropte en de poetsman besloot Scotty door te spoelen.

Antony Samson
34 0

Het boekarrest

Oberon wandelt door de kille, witte gang. Aan de muren hangen kaartjes van dank. Iedere paar stappen loopt hij een deur voorbij. De één staat open, een andere op een kier en nog andere zijn onherroepelijk gesloten. In de kamers waarvan de deuren openstaan, ziet hij nu eens mensen drommend rond een bed, dan eens iemand gehuld in lakens van waaronder kabels zich een weg naar buiten banen. Oberon is één van die mensen die zich vandaag begeeft naar een gesloten deur. Wanneer hij de juiste deur ontmoet, blijft hij even staan. In zijn handen rust een jas waarin een kleine bult afsteekt. Vooraleer hij de deur voor hem opent, kijkt hij schichtig om zich heen. Alsof hij op de hielen gezeten zit, duwt hij die open en verdwijnt met het pakketje door de opening. Eenmaal in de steriele ruimte komt hij op adem en zakt zijn hartslag. Ontspannen neemt hij wat gel uit de pomp en desinfecteert hij de blote stukjes huid. Daarna bedekt hij zijn handen en schoenen en trekt hij de lichtgele overall aan. Opnieuw staat hij voor een deur, maar opent deze nu met een ongedwongen kalmte.   “Oberon, je bent er!” Vanuit een bed groet de enthousiaste dame hem tegemoet. Ook hier zoeken kabels zich een weg tussen de zijkant van het bed. “Ik heb het boek!” “Echt?! Oberon, je weet dat het riskant is. Wat als ze het vinden? En de bacteriën?! Dat kan ik niet hebben!” zegt ze opgewonden. “Geen zorgen. Het is nieuw gekocht en ik heb het meteen daarna in een afgesloten zak verpakt.” “Hm, oké dan, maar wat als ze het vinden? Dan krijg ik gegarandeerd op mijn kop.” “Relax, Isobel. Dit is toch wat je wou? Hoe lang ben je hier nu al? Drie weken? Vier weken? Deze isolatie doet je de muren oplopen en je hebt nog steeds twee weken te gaan.” “Je hebt gelijk. Ik trek het niet meer. Ik mis de geur van papier en inkt. Het geluid van de bladzijden die omslaan. Geef mij!”   Oberon overhandigt Isobel het boek met de groen en rode omslag. Op de voorkant staat een koppel afgebeeld in een innige omhelzing. Het meisje neemt het boek gretig aan. Het is pas dan dat het Oberon opvalt hoe mager haar armen zijn. Haar huid ziet vaal en haar nagels tonen tekenen van broosheid. Langzaamaan laat hij zijn ogen over haar lichaam glijden. De blos op haar wangen is niet meer en van die prachtige lange, blonde haren staan enkel nog wat korte, witte donshaartjes overeind. Haar blauwe ogen staan dof, maar wanneer ze in het boek bladert, is een lichte schittering te zien.   “Bedankt, echt!” “Graag gedaan. Je hebt het hier al moeilijk genoeg. Dit zal je wel door jouw laatste weken in het ziekenhuis helpen.” “Ik moet enkel een goede verstopplaats vinden. Onder mijn matras misschien. Daar kijkt toch niemand.” “Of in het reservoir van het toilet.” “Hah, dat kan ook!”, ze schaterlacht. “Stel je voor dat ze het vinden. Wat zullen ze zeggen!? Mevrouw Dessani. Neemt u uw gezondheid wel ernstig? De minste bacterie kan u ernstig verzwakken en uw hele behandeling teniet doen! Lezen kunt u nog genoeg wanneer u aan de betere hand bent. Ik ben gedwongen u een boekarrest voor te schrijven.” Isobel giert van het lachen wanneer ze met een geforceerde, zware stem de dokter probeert te imiteren. Haar handen beelden uit hoe hij zijn voorschrijfboekje uithaalt en iets onleesbaar krabbelt. Wat is ze toch dapper denkt Oberon wanneer hij haar toneeltje met een grote glimlach aanschouwt.   Even later vertrekt hij weer. In de tussenruimte trekt hij zijn ruimtepak uit, zoals Isobel het zo graag noemt. Wandelend door de kille gang denkt hij aan de geheime boodschap die hij in het boek achtergelaten heeft. Letter per letter, doorheen het boek. Al lezend zal ze het mysterie kunnen onthullen. Zoals een raadsel op het einde van een krant. En pas wanneer ze het boek volledig uitgelezen heeft, zal ze dit zien staan: K.A.N.K.E.R K.R.I.J.G.T J.O.U N.I.E.T K.L.E.I.N, H.E.T M.A.A.K.T M.I.J.N L.I.E.F.D.E V.O.O.R J.O.U E.N.K.E.L G.R.O.T.E.R

Shana
0 0

De vrouw die stiekem boeken snoof

Elke vrijdag net voor sluitingstijd baande ze zich een weg door de pas aangevulde boekenrekken. Ze keek een aantal keer schichtig om zich heen en nam vervolgens het boek dat die dag haar voorkeur genoot. Terwijl ze de neus dichterbij bracht, gleden haar ietwat verrimpelde vingers door de pagina’s. Omdat ze niemand vertrouwde maakte ze geen oogcontact met anderen. Door haar eerder kleine gestalte kon ze zich makkelijk verschuilen achter de lage kasten. Haar kromme ruggengraat verstopte ze onder een versleten leigrijze parka. Haar gitzwarte, steile haren hingen als minutieus dichtgedraaide jaloezieën voor haar vaalbleke gezicht. Ze geurde naar een mengeling van gember en Marseillezeep. Op haar oude jas na, oogde ze verder niet onverzorgd.   Terwijl ze ogenschijnlijk geen interesse had in het geschreven woord, had ze die wél in de allesomvattende geur van pas gelezen novelles. Ze nam niet zomaar gelijk welk boek in de handen. Haar keuze ging uit naar de geur van angstzweet, gezellig haardvuur of de luchtigheid van een zomers terras. Ook tranen en coup de foudre konden haar bekoren. Haar doffe blik maakte keer op keer plaats voor lachrimpels of dromerigheid. Haar ogen werden glazig en haar adem stokte, maar steeds vormde er zich om haar lippen een zachte glimlach. Ze snoof, ze rook, ze bladerde en snoof opnieuw. Elke geur die ze waarnam, maakte van haar het hoofdpersonage in het besnuffelde verhaal. De hele week die erop volgde leefde ze verder als Griekse godin of als felbegeerde minnares. Intens beleefde ze elk avontuur terwijl ze er middenin stond. En elke week opnieuw koos ze voor een andere scenario.   De veertienjarige zoon van de bibliothecaresse, die tot zijn ergernis wel vaker in de bib moest wachten, had haar al die tijd als enige in de gaten gehouden. Zijn aandacht voor haar was in eerste instantie niet veroordelend of spottend, eerder mild en gefascineerd. Op een dag achtervolgde hij haar wanneer ze zichzelf moeizaam de trap ophees en nestelde hij zich op de jeugdafdeling tussen de kussens. Geboeid aanschouwde hij hoe ze met haar ruwe vingertoppen de kaften streelde. Hij merkte op hoe ze met gesloten ogen haar gezicht iets oprichtte bij het ruiken aan een open boek. Het kostte hem moeite om zijn gegrinnik te verbergen. Omdat het een leuke anekdote voor Facebook kon opleveren, schraapte hij zijn keel om de aandacht te trekken en wachtte hij haar reactie af. Omdat ze niet direct iets deed sloeg hij, zonder zijn blik van haar af te wenden, een graphic novel open en las ostentatief de tekstballonnen voor. Hij sprak traag en overdreven articulerend, terwijl hij haar tussendoor met een uitdagende blik bleef aankijken. De vrouw aarzelde en draaide slechts licht het hoofd, waarop de jongen verder las en elke lettergreep apart beklemtoonde. Haar trillende handen verraadden haar ongemak. Zijn toon verzachtte, de pauzes werden langer. Schoorvoetend kwam ze uiteindelijk dichterbij en fluisterde ze hem toe: “Je doet het verkeerd”, terwijl ze naar zijn vermiljoenkleurige sneakers staarde. De jongen keek verbaasd om zich heen. “Wat dan?”, vroeg hij lacherig. Ze strekte een arm naar hem uit. Haar pezige polsen en knokige vingers leken te zwemmen in de veel te wijde mouwen van haar jas. Pas nu werd zichtbaar hoe mager ze was. De jongen stond op en volgde haar slaafs doorheen de intussen leeggelopen bibliotheek. “Hier, ruik eraan!”, beval ze hem met zachte stem terwijl ze een detectiveverhaal onder zijn neus duwde. Zijn nieuwsgierigheid maakte plaats voor scepsis, en hij vond het er ook belachelijk uitzien. Snel bedankte hij voor het aanbod en ging er ongemakkelijk vandoor, terug naar die knusse kussens daar in de kinderhoek. De vrouw trok de schouders op en vertrok.   Iets later zou de bib sluiten en zijn moeder doofde alvast één voor één de lichten. “Kom je? Ik wacht buiten!”, riep ze hem toe. Haar stem weergalmde in de traphal. In het donker graaide de jongen nog snel een boek mee, rook eraan en gooide het daarna op de grond. “Wat een onzin”, dacht hij te kunnen concluderen. Met rasse schreden liep hij de trap af, trok zijn rode kap over zijn hoofd, huppelde naar de uitgang en werd opgegeten door de boze wolf. Mis gedacht…

Sarah Vanheuverzwijn
28 0

Het stond geschreven..

  Nu amper drie maanden na zijn moeder ook zijn vader overleden was, moest, met het oog op de verkoop, de ouderlijke woonst worden leeggemaakt. Het leeghalen van de woning was niet alleen fysiek maar ook emotioneel een zwaar karwei gebleken, maar de klus was geklaard.  Nu enkel nog de boeken. Hij had wel geweten dat zijn vader een boekenfan was, maar van de met boeken volgestouwde bibliotheekrekken in de studeerkamer had hij toch wel even opgekeken. Zelf was hij niet zo’n fervent lezer. De suggestie de boeken zelf te houden had hij, ietwat smalend, afgewimpeld, zeggend dat hij thuis al een boek had. Via een zoekertje in de plaatselijke krant had hij een opkoper bereid gevonden de toch wel honderden boeken voor 100 Euro over te nemen. Ze moesten enkel nog worden ingepakt om te worden opgehaald . Hij was kartonnen dozen beginnen vullen, alles door elkaar, meer in functie van grootte en dikte van de boekdelen dan naar onderwerp of auteur. Toen echter hij de vierde volle doos wilde wegzetten, scheurde die en vielen enkele boeken open op de grond . Er dwarrelde ook een 100-euro biljet neer.   Hij raapte de boeken en het biljet op, liet de pagina's door zijn vingers glijden en vond nog een tweede biljet. Het duurde enige tellen alvorens hij begreep wat er gebeurd was maar onmiddellijk nadien kwam het besef : zijn ouders hadden cash geld verstopt in een boek in de bibliotheek. In één boek of in meerdere ? Had zijn vader niet altijd gezegd dat zijn rijkdom in de boeken te vinden was.   Hij bekeek de boeken nu wat nader. Titels noch kaften, noch enig bijzonder merkteken lieten vermoeden dat er geld in verborgen zat. Ook de plaats waar ze in de boekenkast hadden gestaan vormde geen aanwijzing. Deze boeken verschilden niet van de andere. Het geld kon dus in gelijk welk boek zijn verstopt.   Hij doorzocht de andere boeken van de doos, daarna die uit de andere dozen en begon toen de nog in de rekken staande boeken te doorbladeren. Zijn aandacht werd getroffen door de titel en omslag van een boek dat hij net had doorzocht en in de doos wilde stoppen, “De alchemist” van ene Paulo Coelho. Een alchemist is toch iemand die lood in goud kan veranderen ! Geïntrigeerd begon hij willekeurig een alinea te lezen. Hij vond het verhaal op het eerste gezicht wat simplistisch aandoen, maar, door bepaalde gebeurtenissen en dialogen in het boek aan het denken gezet, raakte hij toch wel geboeid en begon hij te lezen van voor af aan. Het was het verhaal van Santiago, een Andalusische herdersjongen die zijn kudde verkocht en have en goed achterliet om zijn schat te zoeken bij de Egyptische piramiden en na talloze omzwervingen en ontmoetingen, tenslotte weer belandde in zijn eigen Andalusië en daar de schat vond in de oude kerkruïne waar hij altijd al met zijn schapen had overnacht.   Na het omslaan van het laatste blad, bleef hij in gedachten verzonken. Hij bedacht dat Santiago verkeerd had gezocht..… of toch niet, want zonder de jarenlange tocht, de meevallers en tegenvallers en de wisselvalligheden van het lot had de jongen nooit het geluk, zijn legende, in zijn eigen stek in Andalusië gevonden. Maar, dacht hij verder, zelf had hij ook verkeerd gezocht…...of toch ook niet, want als de doos niet was opengescheurd en de boeken er niet waren uitgevallen en hij daardoor niet naar het geld in de boeken was beginnen zoeken, had hij nooit dit boek ingekeken, laat staan gelezen, en begrepen hoe boeken je dieper konden doen ingaan op de “dingen des levens” en je eigen innerlijke zelf en te volgen levensweg hielpen ontdekken. Dit was de rijkdom waarover zijn vader het had gehad.   Hij dacht aan de kristalverkoper en zei bij zichzelf : “Maktub, het staat geschreven”, belde de opkoper af en bracht de hele collectie naar zijn eigen huis en rangschikte ze, nu naar onderwerp en auteur, in de met het gevonden geld betaalde boekenrekken.    

Kelhaut
3 0

Een bordkartonnen waterval

In het duister weerspiegelde de glazen bol de kaarsvlam. Het medium hield haar ogen gesloten, de vingers gespreid op het tafelkleed. Het was benauwd in het vertrek. De vrouw had mij in het halfdonker ontvangen, en niets wees erop dat de verschoten fluwelen gordijnen ooit tot meer dan een kier geopend werden. Een zware damp van wierook vulde, haast tastbaar, de atmosfeer. “Lukt het al?” fluisterde ik voorzichtig, waarbij toch een ondertoon van ongeduld meeklonk. “Stil!” reageerde ze geërgerd. “Ik voel zijn aanwezigheid. Het is een uitputtende geest. Veel negatieve energie. Ik zal me moeten inspannen. Geef me honderd euro meer.” Ik aarzelde maar kort. Ik had de raad van Hector Berlioz nodig.Zonder een gesprek met hem zou mijn reis naar dit afgelegen gehucht zinloos zijn geweest. Ik legde een biljet naast de twee die al op het zware velours tafelkleed lagen. Ik hapte naar adem. De brandende wierook leek wat over was van de zuurstof op te zuigen. Tien minuten moest het tafereel tegenover me al aan de gang zijn. Ik had al elke rimpel van het zwaar opgemaakte gezicht bestudeerd; de hoofddoek, de zwartgeverfde lange haren, de lippenstift die ver over de rand van de dunne lippen uitvaagde. Slaap begon de overhand te krijgen. Zuurstofgebrek wist ik; was het een truc van de oude heks om me te laten hallucineren, en me zo te overtuigen van de waarachtigheid van haar contact met de geesten? Een rauwe gil, als van buiten het oude wijf, bevrijdde me uit mijn lethargie. Ze schudde heftig. Haar lange vingers klauwden in het tafelkleed. “Laat me toch met rust,” kraakte een mannenstem in het Frans. “Merde! Ik spreek alleen met gelijkgestemde zielen. Wie valt me lastig?” Er zat een brok in mijn keel. Ik moest iets zeggen. “Bent u monsieur Berlioz?” “Wat, kent u me niet? Iedereen in Frankrijk, ja heel Europa weet wie Berlioz is. Mijn naam is zelfs tot in Engeland doorgedrongen!” “Ik…, ik zou u wat willen vragen over een muziektheaterproductie die ik onlangs heb gemaakt. Ik heb uw Memoires gelezen. U vertelt over de vele moeilijkheden die u ondervond bij het uitvoeren van uw composities. Ik wil uw advies vragen.” “Je interesse lijkt me oprecht, maar wees snel. Deze plek in die oude heks kost me veel kracht; ik voel negatieve energie. Laten we een gesprek voeren zoals Fux met Palestrina in Gradus ad Parnassum, zijn boek over de fuga. Een verouderd muzikaal concept overigens dat te veel ambtenaren en rekenaars tot zogenaamde componisten heeft gemaakt. Noem mij Hector, dan zal ik jou…, ja hoe zal ik je noemen?” “Ik heet Vincent, mijnheer Berlioz.” “Hector!” “Ik zal proberen u te tutoyeren, hoewel het niet makkelijk is een man als u zo te bejegenen. U veroorzaakte opschudding in de concertzalen…” “Wie geen vijanden heeft, heeft geen echte vrienden. In mijn jeugd maakte ik er een gewoonte van tijdens opera’s van Gluck orkest en dirigent uit te schelden als zij zich vrijheden met de partituur hadden veroorloofd. In Parijs had men de smakeloze gewoonte om bekkens toe te voegen aan de dans van de Scythen in Iphigénie in Tauris, waar Gluck alleen strijkers voorschrijft. ‘Wie durft het om de grote Gluck te verbeteren’, riep ik tijdens de opvoering. Ik provoceerde ook muzikaal. Mijn Harold in Italië veroorzaakte anonieme dreigbrieven. Ik ben tegen de doodstraf, maar alleen de doodstraf heeft me ervan weerhouden mijn talloze vijanden te vermoorden, en de wereld aldus te zuiveren. Dit schreef ik eens in het album van een jong meisje, en men lachte er hartelijk om. Niemand besefte dat ik het meende.” “Aaoouuuww.” Het was de stem van het oude mens. Ze ademde zwaar. “Negatieve energie…. contact is moeilijk. Geef me vijftig euro!” Ik legde het briefje naast de waaier van biljetten op tafel. Ik moest snel zijn. Ik kon Berlioz niet toestaan uit te wijden over zaken die niet van direct belang waren. “Hector,” – mijn stem sloeg over van de zenuwen -, “ik heb een musical geschreven en uitgevoerd. Veel dingen gingen niet goed. Vertel me hoe het beter kan!” De krassende stem was weer terug. “Musical? Wat is dat?” “Het is een soort opera waarin ook gesproken wordt. Mijn musical heet Een liefde in Zeeburg, en gaat over een Nederlands meisje en een Marokkaanse jongen. Een soort Romeo en Julia. Ik heb geprobeerd de integratie-problematiek – we hebben hier problemen met mensen uit andere landen, net zoals Frankrijk met Zigeuners vroeger -, lichtvoetig te benaderen, en de mensen aan het lachen te maken.” “Je hebt dus een ‘Opéra Comique’ geschreven. Dat je de onovertroffen Shakespeare als inspiratie gebruikt bevalt me, maar een dergelijk hoogstaand thema is allerminst geschikt voor plat amusement. Het is toch geen Vaudeville? Afschuwelijk volkstheater van laag allooi, waarbij het volk zich luidruchtig bedrinkt. Ooit moest ik mijn studie bekostigen als zanger in een dergelijk theaterkoor.” “De uitvoering was beschaafd, het publiek was stil en geboeid, en bestond voornamelijk uit de intellectuele elite. Na afloop applaudisseerde men langdurig.” “Dan heb je een goede prestatie geleverd. Was de koning aanwezig? De bijval van het publiek weerspiegelt de kwaliteit van je werk. Ik verbrandde mijn eerste composities toen ze onvoldoende begeestering opwekten. Hoe vaak is je komische opera opgevoerd?” “Vier keer. Het theater was telkens uitverkocht, maar er konden slechts honderd mensen in.” “Een aardig begin voor een eerste werk. Ik begrijp niet dat je klachten hebt.” “Ik zal een voorbeeld geven. Ik had tienduizend euro van de gemeente Amsterdam als budget, gewonnen in een prijsvraag, maar het was erg moeilijk een productieteam te vinden om me te helpen bij de uitvoering. De mensen die ik capabel achtte, hadden het al zo druk dat ze geen zin hadden in nog meer vrijwilligerswerk. En in anderen had ik geen enkel vertrouwen. Gelukkig heeft mijn vriendin het grootste deel van de organisatie gedaan.” “Vrijwilligerswerk, productieteam? Wat zijn dat voor woorden? Ik regelde altijd alles zelf, en betaalde zo mogelijk iedereen. Mensen die voor niets werken zullen zich niet volledig inzetten. Toen ik mijn Franc Juges ouverture voor het eerst uitvoerde, hadden veel musici beloofd onbetaald mee te werken. De generale repetitie volgde het patroon van al zulke gelegenheden wanneer een orkest voor niets speelt; veel spelers waren afwezig, en velen verdwenen al voor het einde. De repetitie van mijn allereerste concert mislukte doordat koorknapen mijn partituur hadden gekopieerd op bevel van hun dirigent. Er waren zoveel foute noten en ontbrekende maten dat ik de repetitie moest afbreken. Ik heb er daarna een gewoonte van gemaakt zelf het kopiistenwerk te verrichten; men kan eenvoudigweg niet vertrouwen op de kwaliteiten van een ander.” “Ik begrijp uw punt Hector. Maar mijn plan hield nu eenmaal in dat amateurs de musical zouden uitvoeren. Alleen voor de onkosten kregen we tienduizend euro. Het was een ‘sociaal’ plan, dat bedoeld was voor vrijwillige medewerking.” “Dan heb je je al in het begin in de voet geschoten. Je had de kosten zelf moeten dragen, dan was je aan niemand iets verplicht geweest. Geld is het beste – en vrijwel enige- middel waarover een componist beschikt om musici te laten doen wat hij wil. Voor mijn concert in het Théâtre-Italien had de directeur mij zijn orkest ter beschikking gesteld. Deze musici waren contractueel verplicht mee te werken aan ieder concert in het theater. Ik maakte de fout ook extra musici te huren, die wel betaald kregen. Dit veroorzaakte afgunst. Het programma die avond was zo uitgebreid, dat het om middernacht nog niet geeïndigd was. Na middernacht was het orkest niet verplicht te spelen. Tijdens een koor-intermezzo sloop het orkest stiekem weg. Alleen de door mij betaalde musici bleven op hun plaats. Toen ik mij omdraaide, bleek mijn orkest geslonken tot vijf violen, twee altviolen, vier celli en een trombone. Zorg er daarom voor dat je musici betaalt, desnoods door schulden te maken.” Ik knikte heftig naar de oude heks. Berlioz’ advies klopte. We hadden een regisseur en een zangdocent betaald, en deze waren zo’n beetje de enigen geweest op wiens aanwezigheid we werkelijk konden rekenen tijdens de repetities. Toch zat me iets dwars. “Maar door schulden te maken kan je toch in een moeilijke positie terechtkomen?” “En wat dan nog?” kraste de stem van het mens. “Er zijn altijd weldoeners te vinden die een succesvolle componist willen ondersteunen. Ik heb verschillende malen geld gekregen van voortreffelijke personen die mijn positie inzagen. Toen ik telkens verhinderd werd om te componeren, door mijn werk bij de krant, – wat mijn leven vergiftigde – , schonk een vriend mij tweeduizend francs. Zodoende kon ik mijn Bienvenuto componeren. Later schonk de doodzieke Paganini die aan een nektumor leed, uit bewondering me tweehonderdduizend francs. Maar accepteer geen geld van de overheid. De twee keer dat ik van het ministerie van binnenlandse zaken net als jij tienduizend francs kreeg voor een opdracht, liepen op grote ergernis uit. De eerste keer zou ik een Requiem componeren ter ere van de doden van de revolutie van 1830. Toen er een nieuwe minister aantrad, leek men deze opdracht vergeten. Een jaar later verzocht men mij het Requiem uit te voeren bij de begrafenis van een generaal. Ik had hoge onkosten gemaakt, omdat ik het koor een week liet repeteren, en ik vier fanfare orkesten met totaal tweehonderd blazers had geëngageerd. Het ministerie weigerde vervolgens me te betalen. Ik ben zo kwaad geworden dat ik met een stoel heb gesmeten in de kamer van de secretaris. Heeft men jou die tienduizend francs wel onmiddellijk ter beschikking gesteld?” “De administratie was keurig geregeld. Het grootste gedeelte werd vooraf betaald. Ik heb nog wel onderhandeld over de voorwaarde dat ik me aan mijn oorspronkelijke begroting moest houden. Die had ik op goed geluk verzonnen, dus ik wist dat daar moeilijkheden van zouden komen.” “Vincent, je bent minder wankelmoedig dan ik zo even dacht. Tegenwerking komt van alle kanten, onthoud dat. Maar vermijd afhankelijk te worden van de overheid.” “Hector, ik wil je mijn volgende vraag stellen. Ik kon nauwelijks een geschikt theater vinden. De belangrijke theaters waren al volgeboekt en de kleine theaters waren te klein, want ik had een orkest van twintig personen, en daar was in de beschikbare theaters geen ruimte voor. Hoe moet dat in het vervolg?” “Geen ruimte voor een dergelijk armetierig orkest? Dat valt me van je tegen Vincent. Hoe kan je jezelf componist noemen? In Rome, in de Sint Pieter, in het muzikaal achterlijke Italië, trof ik een koor van slechts veertig stemmen, wat volstrekt onvoldoende is om deze geweldige kathedraal te vullen. De muziek verliest haar effect volledig. Ik kreeg in 1829 de beschikking over het Theatre des Nouveautés en het vaste orkest. Maar ik wilde een grootschalige opvoering, dus huurde ik tachtig spelers extra. Bij de eerste repetitie, toen mijn orkest van honderddertig zich op het podium probeerde te schikken, was nergens plek. De kleine orkestbak kon nauwelijks de violen bevatten. Overal in het theater ontstond een chaos die de verstandigste componist gek zou hebben gemaakt. Er werd geroepen om lessenaars, timmerlieden fabriceerden iets wat als zodanig dienst kon doen. Men riep om stoelen, instrumenten, kandelaars, er was nergens plaats voor de trommels. Het liep geheel uit de hand. Dus,Vincent, nu ik me dit herinner, ben je verstandig geweest al in een vroeg stadium met de benodigde omvang van het theater rekening te houden, al begrijp ik niet dat je geen theater kon krijgen dat zo’n nietig orkest niet kan herbergen. Het zal wel weinig volume hebben voortgebracht.” “Uiteindelijk vonden we een theater dat beschikbaar was, en groot genoeg, maar het was heel iets anders dan ik voor ogen had. De directeur is een vage Engels sprekende Italiaan. Hij organiseert er vrijwel alleen feesten, en het ruikt er naar verschaald bier. Terwijl ik op een luxe ambiance met pluche hoopte. Ik heb voortdurend problemen gehad met die man. Van te voren bezocht ik er een voorstelling, en ontdekte ik dat hij tachtig stoelen had, terwijl hij ons verzekerde dat er honderd mensen in konden. Het orkest had ook nog eens twintig stoelen nodig. Ik heb toen contractueel laten vastleggen dat hij voor honderdtwintig stoelen zou zorgen. Een week voor de voorstelling was er nog niets geregeld. Inmiddels waren er nog meer stoelen stuk gegaan. Ik heb zelf zestig stoelen extra gehuurd, en de rekening van zijn honorarium afgetrokken.” “Wat zeur je over een paar stoelen!” De krakende tenor uit het oude mens klonk geagiteerd. “Ik voel er veel voor aan deze heks te ontsnappen. Spreek me over echte problemen!” WOOAAAA!!! De krijsende stem van het oude mens vulde het vertrek. “Het gaat zo niet langer, dit wordt mijn dood….” Ze kreunde alsof ze huilde. “Het is een gevaarlijke geest, zo’n sterke heb ik nog nooit meegemaakt! Honderd euro of ik stop!” Ik rukte haastig mijn portemonnee uit mijn broekzak en smeet een biljet op tafel. “Ga door alstublieft! Mijnheer Hector, nog een vraag. Ik had veel problemen met acteurs die niet konden zingen, en daarna met een man die wel kon zingen, – de enige goede zanger- , maar die zich zo aan de anderen ergerde dat hij een scène schopte en wegliep. We moesten toen snel een ander vinden, want er was nog maar weinig tijd. Hoe kan ik dit in het vervolg voorkomen?” Het bleef enige ogenblikken stil. Zou Berlioz nog terug komen? Ik moest proberen minder onnozele vragen te stellen. Deze laatste vraag leek me toch wel relevant… “Zangers…,” kraakte de stem, nu opgewonden van toon. “Als ik aan koorrepetities denk en aan zangers, begint mijn bloed te koken. In Dresden moest ik mijn Romeo en Julia afgelasten omdat de bas er niet in slaagde zijn partij te leren. Deze heer behoorde tot die grote en bloeiende categorie musici die geen muziek kunnen maken. Hij kon zijn rusten niet tellen, zette op de verkeerde plaats in, en kon zijn noten niet intoneren. Ik hield mezelf voor dat hij zijn partij nog niet had gestudeerd. Tijdens de generale repetitie, toen onze vriend nog geen enkele vooruitgang had geboekt, raakte mijn geduld eindelijk op. Ik bedankte koor en orkest. In mijn hotel gaf ik me over aan weemoedige bespiegelingen. Twee componisten, Mendelssohn – die het orkest leidde – en ik, die jarenlang al hun intellect en verbeelding hadden gewijd aan de studie van hun kunst, en tweehonderd uitvoerenden, geschoolde en concentieuze instrumentalisten en zangers, hadden een week lang vruchteloos gewerkt, vanwege de incompetentie van één man!” “Hector, ik begrijp niet dat je door zo’n ervaring niet gestopt bent met componeren!,” riep ik begeesterd. “Voor mij zou zoiets te veel zijn geweest.” “Leer hieruit dat men soms geen keus heeft. De meeste zangers zijn geen musici. Toch zijn ze nodig. Muziektheater is tenslotte de hoogste vorm van compositie. Men moet zich gelukkig prijzen als men een echte artiest ter beschikking krijgt.” Het gesprek scheen weer te vlotten. Het leek me mogelijk ook een ervaring te delen waar ik een beetje trots op was. “Ik heb een zanger ontslagen!” Mijn stem kraaide van triomf. “Hij kwam vaak niet opdagen op repetities, en had telkens weer een andere smoes. Ik wilde voorkomen dat hij met zijn luimen de gehele productie in gevaar zou brengen, zoals jij dat net geschetst hebt.” “Vincent, je toont je in je eerste opera al ervarener dan ik destijds was. Mijn complimenten. Ik raak nu toch wel nieuwsgierig naar je partituur. Heb je alle partijen zelf gekopieerd, net als ik altijd deed?” “Voor het kopiëren hebben we tegenwoordig een kleine drukkerij aan huis. Vergeleken met de dagen van zestien uur die het u kostte om uw partijen stuk voor stuk over te schrijven, waren de mijne snel gemaakt. Vergeleken met de energie die de organisatorische kant van de productie eiste, was het muzikale deel erg makkelijk.” “Dat is precies mijn ervaring”, kraste de stem van het mens. “Componeren kost mij geen enkele moeite. Het slavenkoor van mijn Faust schreef ik in een koets tijdens mijn reis door Hongarije, de ouverture schreef ik bij het licht van een etalage. Het componeren van Faust was niets vergeleken bij het werk dat de uitvoering vereiste. En het dirigeren van het orkest, hoe verging je dat?” “Dat was een angstwekkende ervaring. Eerst wilde ik een dirigent inhuren, maar we hadden te weinig geld. Ik besloot het dus zelf te doen. De eerste keer dat al die gezichten naar me keken, en het orkest begon te spelen, had ik het gevoel of ik op een op hol geslagen paard zat waar ik geen enkele controle over had.” Tegenover me was het mens langzaam voorover gezakt. Het leek of haar gezicht zich te ruste wilde leggen op het velours van het tafelkleed. De mannenstem, die zoeven nog luid en geagiteerd had geklonken, zonk weg in nauwelijks verstaanbaar gemompel. Berlioz en zij leken zich met elkaar verzoend te hebben. “Een componist moet zijn eigen werk dirigeren,” klonk het gedempt. “In mijn jeugd heb ik wat dat betreft nog even geaarzeld. Door mijn gebrek aan ervaring maakte ik tijdens Sardanaplus een fout, zodat de tweede violen hun inzet misten. Het gehele orkest raakte op drift. Vervolgens vertrouwde ik enkele malen op Girard. Maar in de vierde uitvoering van mijn Harold maakte hij een ernstige fout tegen het einde van de serenade. Het orkest raakte volledig verloren. Zodoende besloot ik voortaan zelf te dirigeren, zodat ik zelf mijn bedoelingen kon overbrengen. Ongelukkige componisten! Leer zelf te dirigeren, want dirigenten, vergeet dat nooit, zijn gevaarlijker dan al je uitvoerenden.” “Dus u hebt nooit meer met een dirigent gewerkt?” Bij de laatste uitroep had de stem zijn oorspronkelijke vitaliteit herwonnen. De vrouw richtte zich weer op. Levendig klonk het nu: “Helaas was ik enige malen gedwongen Habeneck te tolereren, aangezien hij de vaste dirigent van de Parijse Opera is. Hij heeft me ooit een poets gebakken die ik niet meer vergeet. Ik noem dit ‘het snuif incident’.” Het oude mens begon te lachen, eerst zacht, dan harder en na enkele ogenblikken met waanzinnige uithalen. “De eerste uitvoering van mijn Requiem wilde ik zelf dirigeren, waarmee ik Habeneck passeerde die bij dit soort staatsaangelegenheden officieel de leiding had. Na tussenkomst van generaal Bernard gaf ik de leiding terug aan Habeneck. Hij leidde zonder morren de repetities. Let op wat nu komt. Er is slechts één plaats in mijn Requiem waar de dirigent onmisbaar is, en dat is waar in het Tuba Mirum de muziek in half tempo overgaat, en verschillende groepen instrumenten om beurten inzetten. Dankzij mijn ingesleten wantrouwen was ik vlak achter Habeneck blijven staan. Met mijn rug naar hem toe hield ik de pauken in de gaten. In de bewuste maat waar het tempo zich verbreedt, legde Habeneck zijn baton neer, haalde kalm zijn snuifdoos te voorschijn, en nam hij wat snuif. In een oogwenk draaide ik me om, sprong voorwaarts, spreidde mijn armen, en sloeg ik de vier tellen van het nieuwe tempo. Had Habeneck dit met opzet gedaan? Ik heb er de rest van mijn leven over getwijfeld.” Er viel een stilte. Hoe interessant Berlioz’ ontboezemingen ook waren, ik moest de draad vasthouden. “Dank je Hector. Het is me nu duidelijk dat de componist zelf de leiding moet nemen. Mijn volgende vraag gaat over publiciteit. Iemand zou ons affiche ontwerpen, maar drie dagen voor de deadline had hij nog niks uitgevoerd. Ook die persoon hebben we bedankt, en we hebben zelf de poster ontworpen. Hoe zorgde jij voor een volle zaal?” Ik wachtte vol ongeduld, maar het bleef stil aan de andere kant van de tafel. De oude vrouw leek in slaap gevallen. Haar omvangrijke boezem ging regelmatig op en neer. “Mevrouw, wordt wakker,” riep ik, “Het gesprek is nog niet afgelopen!” “Wwat, huh… Ik ben moe. Hij heeft me uitgeput. Geen zin meer….” “Ik geef u honderd euro erbij!” Ik rukte mijn portemonnee te voorschijn en smeet mijn laatste biljet op tafel. “Met propaganda heb ik me nooit bezig gehouden,” kraste de tenor weer. “Er werden affiches en pamfletten voor me gedrukt. Maar het belangrijkste geheim van mijn succes is dat de kranten mij beurtelings afkraakten en ophemelden. Ik had onder de critici toegewijde vrienden en even toegewijde vijanden. Deels was dat het gevolg van mijn gebrek aan respect voor de versteende compositiemethoden, waardoor velen aanstoot aan mijn werk namen. Voeg daarbij mijn opvliegende karakter, – tijdens mijn eerste concert smeet ik mijn partituur tussen de musici omdat zij fouten maakten -, en ziedaar de ingrediënten voor beroemdheid.” De laatste zinnen werden door de vrouw met moeite uitgesproken. Ik moest snel zijn… “Hector, nu wil ik je vragen conclusies te trekken uit hetgeen je me hebt verteld.” “Conclusies? Je bedoelt een soort algemene gevolgtrekking? Waarom niet dit gesprek afsluiten zoals Fux dat doet. In Gradus ad Parnussum legt hij Palestrina in de mond dat hij ziek is, en te weinig kracht heeft om nog langer te praten. Een geforceerd, maar effectief einde.” “Alsjeblieft Hector, ik heb een algemene raad nodig!” “Nu, goed dan. Ik maak uit je vragen en je ervaringen op dat je onzeker bent. Door die onzekerheid heb je teveel mensen aangetrokken met dubieuze kwaliteiten. Leer uit dit gesprek dat je met de beste musici en artiesten moet werken, en dat je het kapitaal moet vergaren om hen te betalen, desnoods door jezelf in de schulden te steken. Het resultaat, de bijval van het publiek en de gunstige kritieken, zullen je naam doen rondzingen. Je wilt componist zijn. Een componist stelt zich, door zijn beroepskeuze, tussen God en de mensheid. Hij wil de menselijke geest in zijn macht krijgen; hij bezorgt de luisteraar vreugde en verdriet, en is daardoor sterker dan een koning. Om dat te bereiken moet hij eerst zijn musici bespelen. Muziek kent geen democratie, dus de componist moet niet schromen voor de enige passende rol; die van dictator. Verder zoekt ook het volk leiders. Men heeft een natuurlijke neiging zich ondergeschikt te maken, dus wanneer je initiatief neemt, zal dat worden aanvaard. Ik heb me als een god gedragen, en werd daardoor als een god vereerd en gehaat. Tegelijk was ik, helaas, maar al te gevoelig voor bijval en kritiek. Kritiek ontmaskerde ik door mijn tegenstanders als incompetent te beschouwen, terwijl bijval mijn voedsel was. Als je zo leeft, Vincent, zal je succes hebben. Al jou kleine probleempjes, zoals gebrek aan stoelen, en mensen die je moest wegsturen of die wegliepen; ik doe het af als gezeur en gelamenteer. Het leven is een voortdurende opoffering. De ene na de andere romantische illusie wordt stukgeslagen en de muzikale schatkamer van de verbeelding verkruimelt in de hopeloze realiteit. Zo wilde ik voor mijn eerste opvoering van mijn opera Les Troyens twaalf echte watervallen op het toneel. Ik kreeg er één, geschilderd op bordkarton. Je hebt met nog geen duizendste van de problemen van doen gehad waar ik me voor gesteld zag, en je zult dienovereenkomstig slechts een miljoenste van mijn beroemdheid oogsten, als je je door dergelijke kleinigheden uit het veld laat slaan. Het ga je goed. Vaarwel!” Het was stil. “Hector, ik…,” bracht ik uit. “Wat moet ik…, hoe…” Tegenover me lag de vrouw met haar hoofd op tafel. Regelmatig gesnurk ontsnapte langs haar neus- en snorharen. Ik stond op. In mijn portemonnee vond ik mijn laatste tientje. Ik legde het op tafel, op de waaier van bankbiljetten   Literatuur Berlioz, H. (1977). The Memoirs of Hector Berlioz. David Cairns (ed.) London: Victor Gollancz LTD. Mann, A. (1986).The Study of Fugue. New York: Dover Publications Inc.

Vincent Baumgart
0 0

Jaja, ‘Goud’ kut

Ochtendstond naakt voor de deur van zijn appartement. Nog niet fris en met de haren van vorige week. Hij bonsde zijn voorhoofd in radeloosheid. De zoveelste gons in zijn schedel. En zijn kruin leek al even samengeperst als zijn waardigheid en het hout in het goedkope paneel dat lag tussen hem en het bed waar hij nooit meer uit wou. Misschien had hij zichzelf vervloekt. Het goede nieuws was dat dit betekende dat hij toch een beetje invloed had op de loop van de dingen, waar hij zich doorgaans compleet van afgesloten voelde. Hij was altijd naakt, ten prooi aan welke omstandigheden er naar hem werden geslingerd; waaraan hij niet was aangepast. Het was ook koud. Hij besloot zelfs niet te proberen een plan te bedenken om hier zonder kleerscheuren (dat vond hij grappig, hij snoof) of eerverlies uit te komen. Hij had daar al niet veel van op overschot. Hij rook koffie, maar het was niet zijn koffie. Er werden ergens eieren gebakken, een vriendin verhief haar stem, een hond stopte met blaffen. Ze hadden allemaal evenveel, niets dus, met hem te maken.  Dit was doodgaan. De schaamte. Meer nog was dit het leven, nog eens bevestigd.  Hij sloeg zijn vuist op de deur. Ze trilde, de klink rammelde een beetje. De vijzen zaten wat los en als compromis beloofde hij dat hij ze zou vastzetten. Maar de deur ging niet open.  Op zijn minst stond de vuilzak al in de gang.  Hij beloofde ook dat hij niet meer zou drinken, en dat hij de volgende dagen van de week gewoon zou werken. Hij wist dat het nu niets zou uithalen.    Na een hele tijd deed hij wat op zo’n onwaarschijnlijk dieptepunt, met grote waarschijnlijkheid iedereen zou doen. Hij ging kijken wat er eigenlijk precies aan scheelde, en zo mogelijk de lift repareren.   

Erte
47 1

WITTE TANDEN

‘Wel verdomme, wie dat er daar is!’In slow motion komt hij overeind.‘Wie is dat wel misschien?’‘Het is Rino,’ zeg ik snel, om deze keer de eerste te zijn, ‘de oudste zoon.’Mijn grootmoeder kijkt naar mijn vader.‘Is dat waar?’ vraagt ze nijdig, verstoord door wat er nu plots weer uitkomt.‘Ja moeder’, zegt mijn vader.‘Hoeveel kinderen heb jij zo?’ vraagt ze.‘Vier’, zegt mijn vader.‘En ik wist daar niets van’, zucht mijn grootmoeder hoofdschuddend.
‘Zie haar zitten,’ zegt mijn vader, ‘zesennegentig komt ze eind deze maand… En ze stapt nog steeds alleen in en uit haar bed!’Grootmoeder schopt met haar ene been in de lucht.
‘Ga je je trui uitdoen?’, vraagt ze.‘Ja,’ zeg ik terwijl ik de col over mijn hoofd trek, ‘zo warm dat het hier is…’‘Ja, en nochtans, de kachel is uit!’ Grootmoeder schudt haar hoofd.Ze schuift de hele tijd met haar ene voet over de grijze vinyl waarmee de vloer bekleed is, iets sneller dan het ritme van de muziek die stil maar schel uit het oude transistorradiootje komt, de ene Vlaamse schlager na de andere.‘Ze loopt tot het eind van de hal en weer terug zonder haar wandelstok en je moet zorgen dat je mee bent hoor!’ zegt mijn vader.‘Waarom loop je zo snel?’ vraag ik aan mijn grootmoeder.Ze kijkt naar haar voet die heen en weer schuift en zegt: ‘Ik zit zo graag in mijn zetel.’
Er komt een vrouw binnen met een looprek, ze wijst naar me en knikt. ‘IK KEN JE HOOR!’ roept ze. ‘MAAR IK WEET JE NAAM NIET MEER!’‘Rino’, zeg ik.‘Je gaat het een beetje luider moeten zeggen,’ zegt mijn vader, ‘ze hoort elke dag een beetje minder.’
‘RINO’, zeg ik, een heel stuk luider nu. Ze kijkt naar me met dichtgeknepen ogen, terwijl ze een hand rond haar oorschelp houdt.‘RINO’, roep ik, nog luider en ze nijpt nog meer met haar ogen.‘RINO! RINO! RI-‘‘RINO!’ roept ze plots en lacht, alsof ze er zelf opgekomen is. Mijn vader en mijn grootmoeder lachen mee. Overal beangstigend perfecte, veel te witte tanden.
Ze staat strak rechtop, het looprek met haar twee knokige handen vasthoudend.‘Het is bijna november en de kachel brandt niet’, zegt mijn grootmoeder en ze schudt opnieuw haar hoofd.‘HEEL DE WERELD IS VERDRAAID’, zegt de vrouw met het looprek. ‘HET WEER IS VERDRAAID, DE NATUUR IS VERDRAAID, DE BEESTEN ZIJN VERDRAAID, EN DE MENSEN ZIJN VERDRAAID.’ ‘DAT IS MIJN OUDSTE ZOON’, zegt mijn vader.‘HET IS GEEN WAAR HOOR!’ roept mijn grootmoeder.‘Maar moeder toch’, zucht mijn vader. Zijn stem klinkt vermoeid.Grootmoeder kijkt van de één naar de ander met verschrikte ogen. De vrouw met het looprek knipoogt naar me, wendt zich naar mijn grootmoeder en zegt: ‘MAAR JIJ KUNT TE MINSTE NOG LOPEN ZONDER LOOPREK!’Lachend haalt mijn grootmoeder haar schouders op.
‘WAT GA JE NU FORCEREN?’ roept de vrouw met haar looprek terwijl ze de hal in staart die zich net buiten mijn blikveld bevindt. ‘Man man man, ze gaat nog eens verongelukken!’ zucht mijn vader die zonet half overeind gekomen is om het beter te kunnen zien maar nu weer gaat zitten.‘ZE STEEKT WEER TOEREN UIT’, zegt de vrouw met het looprek.‘Het is erg de laatste tijd’, zegt mijn vader.De vrouw met het looprek roept: ‘WACHTEN ZE ERGENS OP JE MISSCHIEN?’‘Wel merci,’ zegt mijn grootmoeder geschrokken terwijl ze naar me kijkt, en met haar hoofd knikt in de richting van de hal, ‘dat is nu de eerste keer dat ik dat van haar zie!’
‘JE HEBT DE KRANT MEEGEBRACHT!’ roept mijn vader naar de vrouw met het looprek en ze lachen naar elkaar, het betreft duidelijk een inside joke, zelfs mijn grootmoeder lacht mee.‘JA,’ zegt de vrouw met het looprek, ‘HOE MIN ZE HIER WETEN, HOE BETER ZE SLAPEN!’‘STAAT ER IETS IN MISSCHIEN?’ roep ik.‘HETZELFDE ALS GISTEREN’, zegt de vrouw met het looprek.‘Het gaat haar niet om wat er in staat,’ zegt mijn vader, ‘het gaat om wat er in zit!’De vrouw met het looprek vouwt de krant open.‘KIJK EENS HIER!’ Ze tovert een koekje tevoorschijn, en draait zich naar me toe: ‘MOESTEN ZE ZIEN DAT IK MIJN KOEKJE AAN JE VADER GEEF, IK ZOU ER GEEN KRIJGEN, BEGRIJP JE? HOEWEL IK EVENVEEL RECHT OP EEN KOEKJE HEB ALS IEDER ANDER. IK BETAAL HIER OOK ELKE MAAND MIJN DEE-‘‘WE GAAN DAT MET PLEZIER OPETEN!’ roept mijn vader.
Mijn grootmoeder is ongemerkt opgestaan en naar het wc gegaan. ‘Ik ga toch maar eens kijken’, zegt mijn vader na een tijdje.‘Maar moeder toch,’ hoor ik hem zeggen, ‘je moet je haar niet kammen, het is nog maar geborsteld, het zal helemaal plat liggen’.Ze komen samen weer tevoorschijn terwijl mijn vader vruchteloos door haar haar woelt met zijn hand. Mijn grootmoeder blijft staan met haar ogen toe.
‘Hou je sterk hé broere,’ zegt hij, we staan op straat en zoals gewoonlijk geeft hij mij eerst een hand en dan een kruisje op mijn voorhoofd,‘God zegene en beware je, en altijd goed opletten onderweg.’Ik kijk in mijn spiegel terwijl ik weg rijd en als ik aan het eind van de straat kom staat hij er nog steeds, met zijn armen gekruist.

Rino Feys
17 0

De andere kant

Tijdens een zomerwandeling in het bos Elfbergen geniet Sofie van de schaduwrijke verkoeling. Een paar uur later valt ze uitgeput onder een beukenboom op de grond, en schiet prompt weer overeind. “Au! Wat is dát nou?!” Met een van pijn vertrokken gezicht wrijft ze over haar bil.                 Tussen het gras en ander aan-de-natuur-gerelateerd materiaal, ligt een rechthoekig hoopje … bruin. Het lijkt te zijn gemaakt van zacht, lichtbruin leer. Ze aait met haar vingertoppen over het verweerde materiaal.                 Als Sofie ervan overtuigd is dat het echt niet één of ander monsterbeest blijkt te zijn, knielt ze in het gras. Op handen en knieën inspecteert ze het voorwerp.                 Een koffer, besluit Sofie bij het zien van het handvat en de slotjes rechts en links ervan. Koffertje, eigenlijk, want het ding is niet groter dan haar hand. Zou iemand het zijn vergeten mee te nemen? Is diegene nog hier – wordt ze bespied? Nerveus kijkt ze om zich heen, maar de schaduwen geven niets prijs en al snel wint haar nieuwsgierigheid het van haar angst.                 Met haar rug tegen de boom gaat ze zitten en pakt het koffertje. De geur van leer is subtiel. Het koffertje is licht. Ze schudt het heen en weer, maar naast het klapperen van het handvat, hoort ze niets. Zou het leeg zijn? Wat zou je erin kunnen doen? Een boterham en een pakje melk? Misschien een schetsboekje met potlood of –                 Of misschien schreef iemand een liefdesbrief en deed die in het koffertje en legde het op de plaats waar de twee geliefden elkaar altijd ontmoetten, in de hoop dat zij – want de man zou de brief hebben geschreven – het koffertje zou vinden en de brief zou lezen. Is het koffertje daarom zo verweerd? Ligt het al jaren buiten?                 Sofie lacht om haar eigen fantasie.                 De slotjes zijn numeriek, alle vier staan ze op nul. Sofie duwt tegen de metalen clips, maar er zit geen beweging in. Het soepele leer geeft wat mee onder haar vingertoppen, daaronder is het hard. De lijnen van de opening zijn zichtbaar, maar sluiten zo mooi op elkaar aan dat het koffertje waterdicht lijkt, zelfs in haar verweerde staat. De enige bezoedeling op het stukje schoonheid zijn de net zo verweerde Romeinse cijfers IV-II-IX-VII, gekerfd aan de onderkant van het leren handvat.                 Na een kort debat met zichzelf – want waarom zou iemand de code weggeven? – haalt Sofie haar schouders op en draait aan de slotjes. Ze duwt tegen de clips en het koffertje klikt open. Ze lacht verbaasd.                 Langzaam tilt ze het bovenste deel op en blaast dan haar ingehouden adem uit. Niks. Nada. Noppes. Had ze anders verwacht? Had ze anders gewenst? Sofie denkt aan de liefdesbrieven. Ook al was dat misschien wat overdreven, het was leuk geweest als er iets in het koffertje had gezeten. Ze slikt haar teleurstelling weg en reikt met haar hand in het koffertje. De stof is satijnzacht – dan wordt alles zwart.      “Hé, hé wordt wakker!”                 Sofie schudt de hand van haar schouder en draait op haar andere zij. “Nog een minuutje.”                 “Nee, nee, nee, jongedame. Vertel wat je hier doet! Hoe ben je hier gekomen? Nou ja, ik weet hoe, maar hoe kan dat? Waar is – “                 Sofie opent haar ogen en kijkt over haar schouder. “Kun je niet nog even wachten met al die vragen? Ik slaap.” Ze legt haar hoofd weer op haar arm en sluit haar ogen.                  Dan springt ze op. Met grote ogen bekijkt ze het wezen voor haar. “W-w-wie ben jij? Wát ben jij?”                 Het wezen draait met zijn ogen. “Ik ben een pratend konijn, dat zie je toch? Jullie hebben toch ook konijnen aan de andere kant, die praten weliswaar niet – veel saaier, geen idee wat zij de hele dag doen – maar – hé waar ga je heen? Kom terug, je moet mij vertellen waarom je hier bent!”                 Sofie rent tussen bomen door, over slootjes en langs struiken. Bloemen buigen voor haar opzij en – volgt die kraai haar nou? Is dit Elfbergen, het lijkt op hetzelfde bos, waar is het koffertje?                 Sofie stopt onder een boom. Met haar handen op haar knieën zuigt ze zuurstof in haar longen. Als ze haar ogen opent zit de kraai in een boom tegenover haar.                 “Rustig maar hoor,” zegt de kraai.                 Sofie zet gillend een stap achteruit.                 “We doen je niets, we willen gewoon weten hoe het kan dat je hier bent.”                 Sofie draait zich om. Het konijn glimlacht en houdt zijn voorpootjes in een onschuldig gebaar omhoog. Pratende dieren … word ik gek?                “Nee lieverd, je wordt niet gek,” zegt de kraai.                 Sofie stapt opzij zodat ze allebei de dieren ziet, en stamelt, “Hoe kan het – Waarom – Wie zijn – AARGH!”                 “Wij zijn de dieren van Dmitri. Je bent in hetzelfde bos, Elfbergen, maar dan aan de andere kant. Eh, zeg maar … de magische kant.”                 Mensachtige dieren, opzij buigende bloemen, een magisch koffertje …                 “Kun je ons vertellen hoe je hier komt?” vraagt het konijn.                 Sofie zit, met haar rug tegen de beukenboom, en vertelt de kraai en het konijn wat ze eerder die dag onder een andere beukenboom ontdekte.     “… maar ik heb geen idee waar het koffertje nu is, kan ik nog terug naar – jeweetwel – mijn kant?” besluit Sofie haar relaas.                 “Geen probleem, maar wil je niet meer over deze kant weten, meer zien?” Voor Sofie antwoord kan geven grijpt het konijn – Berend – haar schoenveter en trekt haar mee. Tijdens het lopen vertelt hij.                 “Dmitri is, was, een magiër en leefde heel lang. De laatste eeuwen veranderde de wereld; de mensen, de natuur – hij was niet blij met het resultaat.                 “Die bloem daar noemen ze Sint-Janskruid. Dmitri werd verstoten toen hij daarmee het bloeden van een jong meisje stelpte, terwijl de dokter een aderlating wilde verrichten. Later werd hij verjaagd toen hij het vuur dat een bliksem veroorzaakte doofde en daarmee een huis redde. Zie je, Dmitri kon alles dat bij Moeder Aarde hoort bevechten, manipuleren en laten triomferen, maar mensen werden bang.                   “Dat is ook de reden dat wij bestaan. Dmitri was ongelukkig en eenzaam en hij wilde een plek waar hij zichzelf kon zijn, ergens waar al het mooie leven beschermd is. Maar we hebben hem al een hele tijd niet gezien. En na wat jij ons hebt verteld …” Berend kijkt Sofie aan en haalt dan diep adem.                 “De enige die de code voor de slotjes op het koffertje kan lezen, is een magiër. Het koffertje kan niet zonder meester, of meesteres in dit geval, en … hé, hé gaat het wel? O shit, ga even zitten, je trekt helemaal wit weg!”                 Ik, een magiër?                 Sofie laat zich naar de rand van een beekje leiden en ploft daar op een steen. Ze pakt Berend en zet hem op schoot. Terwijl ze naar de stroming kijkt, aait ze over zijn vacht en Berend laat het genietend toe.                 “En nu?” vraagt Sofie na een tijdje.                 “Nu ga jij naar huis, neem je jouw koffertje mee en ga je nadenken. Als je er klaar voor bent zullen wij je helpen. Je bent hier altijd welkom en,” lacht Berend, “je weet hoe je hier komt.”                 Hij springt van haar schoot en brengt haar naar de beukenboom. Daar zet hij haar met de rug tegen de stam en zegt haar haar ogen te sluiten.     De schemering zet in. Sofie wrijft de slaap uit haar ogen en kijkt naast haar. Het koffertje is gesloten, de slotjes staan op nul. Wat stijfjes komt ze overeind, pakt het koffertje en loopt richting de uitgang van het bos.

schaapschrijft
0 0

Het Brughuis

In die vijf jaar was er weinig veranderd aan Het Brughuis. Doorheen zijn jeugd was dat de enige constante dat onveranderd bleef. Het enige dat steeds anders was, waren de eigenaars. Het leek alsof de eigenaar het steeds maar enkele jaren volhield. Elke drie jaar werd er van eigenaar gewisseld, wat resulteerde in een nieuwe constante. Na drie jaar kon je er op wedden dat er iemand nieuw aan de teugels trok.  Vijf jaar geleden was het dat Lewylyn deze plaats nog bezocht had. Het was op deze plaats dat zijn toenmalige vriendin een einde had gemaakt aan hun jarenlange relatie. Natuurlijk was het vanzelfsprekend dat Lewylyn deze plaats meed. Hij wou niet telkens weer herinnerd worden aan de avond dat zijn leven ineen stortte. Na enige overtuiging van zijn innerlijke demonen, besloot hij toch plaats te nemen op het terras. De zon had moeite om door te breken doorheen het wolkendek, maar eens de lichtstralen op het eeuwenoude gebouw schenen, vroeg hij zich af waarom het zolang had geduurd voor hij hier terug kwam. Het gebouw zelf was in al die jaren weinig veranderd. De enkele ouderdomsscheuren waren ondertussen opgevuld, maar dit bracht enkel maar meer charme toe aan het eigendom.  Na zijn breuk met de liefde van zijn leven had hij geen contact meer met haar, maar de liefde voor haar is nooit weggegaan. Ze zat nog steeds in zijn hoofd, maar met de jaren heeft hij het een plek kunnen geven vanachter in zijn hart. Haar fantoomijk aanwezigheid werd zo steeds meer naar de achtergrond gedreven.   Hij had er echter niet op gerekend dat alles, maar dan ook alles, in het Brughuis deze barrière zou doorbreken. Doordat de zeldzame lichtstralen de eiken biertonnen streelden, werd hij vrijwel onmiddellijk herinnerd aan het golvende bruin/rosse haar dat haar zo sierde. De barvrouw had net hetzelfde gestreepte t-shirt aan als hetgeen hij haar had gegeven nadat hij er rode wijn op had gemorst. Het jonge meisje aan de overkant had net dezelfde tic-nerveus als haar. Elke keer ze zich ongemakkelijk voelde, begaf ze haar hand naar haar linkeroor. Bijna als een reflex bestelde Lewylyn hun lievelingsdrank, een Maneblusser. Het was hun liefde voor deze Mechelse streekdrank dat hen bijeen had gebracht.  Vijf jaar lang had hij haar niet meer gezien, maar op deze bewolkte zondagmiddag leek het alsof ze vlak naast hem zat.   Het geluid van de Dijle en de vele Maneblussers deden hem richting het sanitair wandelen. Hier waande hij zich net weer op Groezock, het festival waar ze elk jaar als koppel naartoe gingen. De plassen urine voor het toilet, vermengd met de geur van gemorst bier en modder, brachten hem weer naar zijn zeventienjarige zelf. Bijna geconditioneerd gebruikte hij steeds hetzelfde hokje. Daar, in de rechterhoek stond het geschreven, de woorden die voor eeuwig zijn melancholie zouden aanwakkeren: hun namen, enkel en alleen gescheiden door een hart, iets wat normaal eeuwig had moeten duren, vertoonde nu ook al enkele barsten. Wolken hadden ondertussen de zon volledig doen verdwijnen, en al slenterend, verzonken in gedachten, liep hij richting de metalen ophaalbrug. Halverwege, al zwevend boven de Dijle, gescheiden door metaal, hield hij halt. Startend in het niets keek hij voor zich uit, tot het geluid van bewegend water zijn aandacht trok. Zijn blik schuimde af over het water, zoekend naar iets specifieks. En net daar, vijf meter voor hem, zag hij een reflectie van hem en de liefde van zijn leven. Omstaanders gingen nietsvermoedend verder met hun drinkrituelen, terwijl Lewylyn zijn blik gefocust bleef op het water. Een spelend kind gooide net op dat moment een steen in het water, op die precieze plek in het water, waardoor de reflectie stilaan, maar zeker begon te verdwijnen in het niets. Als een reflex wou Lewylyn er achteraan springen, al grijpend naar een reflectie van een gelukkigere tijd. Nog net voor Lewylyn zijn voeten van de grond raakten, greep iemand hem bij de arm. “STOP! NIET DOEN!” riep een vertrouwde stem hem toe. Zijn blik staarde naar Anke, de liefde die hem vijf jaar geleden zijn wereld deed instorten. Op het water was de reflectie helemaal glad gestreken, alsof het water van de Dijle in het teken stond van een schone lei…   EINDE

Nick Van Loy
0 0

De tietenbus

Mijn rechterborst wordt op het glazen planchet geduwd. Een minzame opmerking van de mevrouw in het wit; “hm, u heeft een operatie gehad”. Geen ontspannen begin voor deze tweejaarlijkse marteling voor-je-eigen-bestwil. Ik wist niet dat ze vrouwenhaters aannamen voor deze baan. Mevrouw trekt en duwt aan mijn arm en mijn schouder en manouvreert mijn rechterborst tussen de mangels. Ik voel me een middeleeuwse gevangene op weg naar het cachot. “Mijn borsten worden straks zo plat aangeduwd dat ze bijna springen en dan gaan ze me staatsgeheimen ontfutselen”, schiet het door me heen. Mijn  borst doet niet wat er gevraagd wordt. Toch lukt foto 1. Nog 3 te gaan.    Het martelwerktuig wordt een kwartslag gedraaid en van mij wordt verwacht te begrijpen dat ik mee moet draaien,”nee, niet zo!” bijt ze me toe.  “U bent erg hardhandig” zeg ik assertief, “mag ik dat zeggen?” Ze kijkt me aan door vette brilleglazen en slikt iets weg. “Ja, dat mag.” De kwartslag draai is een feit, maar het gaat niet goed. “Niet uw buik inhouden”, zucht mevrouw in het wit. Ik ben slank, trots op mijn 52 jarig lichaam: “ik houd mijn buik niet in”, bijt ik terug.   Tijd voor de andere kant. Hetzelfde tafereel maar dan in spiegelbeeld. Nog meer geduw en getrek en dan is het klaar. Ik heb geen vrienden gemaakt, maak ik op uit de nog killere sfeer in deze tietenbus. “Aankleden en wachten bij de balie”, is het bevel. Ik salueer als een soldaat: ‘Jawohl’. Ik had mijn hoge laarzen nog aan en het effect van mijn blote bovenlijf en de klakkende laarzen maakt indruk. Ze kijkt geschokt. Aan de andere kant van het hokje ga ik gedwee zitten en wacht. “Moet ik nu nog wachten?”, vraag ik voor de zekerheid aan de jongere versie van mevrouw in het wit. Ja dat moet. Voor het geval het niet gelukt is. Naast mij zit een nieuwe dame, nerveus kijkt ze me aan. “Vreselijk hè”. Ik ben op slag blij met deze nieuwe vriendin en antwoordt gretig “ja en helemaal omdat die vrouw daar heel hardhandig en onbeschoft is.” “Ja!”, ze glundert met een blik van angst; “ja, dat heb ik vaak gehoord van andere vrouwen die hier waren”. Ze kijkt van mij naar de jonge versie achter de balie en daarna weer naar mij: “neem zo een enquête mee”, spoort ze me aan. “Dat ga ik zeker doen!” In één stap ben ik bij de stapel folders en gris er één mee waarbij ik de baliedame aankijk, “want zo ga je niet met mensen om”. De wanna-be gestapo verpleegster steekt haar bebrilde kop om de hoek en snauwt: “u kunt gaan. Ze zijn gelukt”.  “Mooi zo! Nog een fijne dag en bedankt voor de samenwerking”, kwetter ik met een benepen stem.   Eenmaal buiten besef ik dat ik bijna huil, niet om het pletten van mijn borsten die nog nagloeien, maar om het stuk erkenning van een medevrouw die ik niet kende.

Susanna
79 0