Zoeken

De inhoud van de spîegel

De S.S. Orion zweefde geruisloos door de ijzige ruimte waar vurige sterren door de enorme afstanden, misleidend als vuurvliegjes, een koud licht verspreidden, tot ver voorbij ons melkwegstelsel. In het ruimteschip ligt eerste officier Dee Ray in een kunstmatige slaap veilig in haar overlevingscapsule waar al haar levensfuncties doorlopend worden gecontroleerd. Zelfs in haar dromen worden de hersenfuncties feilloos opgevolgd. Te angstaanjagende dromen worden door middel van craniaal magnetisme onder controle gehouden. Eeuwen gingen aan eerste officier Dee Ray voorbij zonder dat ze er hinder van ondervond. Op het moment dat het schip de Melkweg zou passeren zou haar overlevingscapsule haar wekken om haar menselijke waarnemingen op het onbekende vast te leggen voor volgende interstellaire reizen. Een schel geluid drong door tot in haar droom zodat ze zich dromerig afvroeg of haar tijd van ontwaken was aangebroken. Ze voelde een kortstondige hitte, een kakafonie aan hoge geluiden, waarna ze terug insluimerde op een roze wolk. Het volgende dat ze zich herinnerde was een zacht zoemende toon en het immer glimlachend gelaat van Eva, een vrouwelijke AI (artificiële intelligentie) robot. Niets aan Eva verraadde dat ze geen mens was. Van de soepele bewegingen, emotionele gelaatsuitdrukkingen tot in de stembuigingen en gepersonifieerde antwoorden gedroeg ze zich als een mens. Er waren vele AI’s op het schip voor onderhoud, besturing, bescherming, gezelschap, elk met hun eigen karaktertrekjes, allemaal geprogrammeerd om de mens bij te staan in zijn zucht naar kennis, zijn wil, maar van alle AI’s sprak Eva, officieer Dee Ray het meeste aan. Eva streelde vlinderlicht over Dees wang.  ‘Dee Ray, eerste officier Dee Ray? Tijd om wakker te worden.’ Zei Eva zachtjes. Dee glimlachte in het vooruitzicht van nieuwe ontdekkingen die geheel onder haar bevoegdheden viel. Geen protocollen, geen bemoeizuchtigen, geen afgunstige collega’s. Een totaal nieuwe wereld, een nieuw begin en geen organisaties die haar voor hun karretje spanden. Ze voelde zich als herboren.  ‘Welk jaar zij we Eva?  ‘Het jaar 5225, op 25 december. Dee zwaaide haar benen over de rand van de cocon.  ‘Vijfentwintig december, mijn lievelingsperiode!  ‘Ik weet het.’ Zei Eva. ‘Daarom hebben we uw ontwaken zo feestelijk mogelijk gemaakt.  ‘Je meent het!’ Antwoordde Dee verrast. Als een klein kind aanschouwde ze de talrijke versieringen die de AI’s voor haar hadden aangebracht.  ‘Het is prachtig.’ Fluisterde Dee ontroerd. Even vergat Dee dat ze zich in de ruimte bevond. Ze had als kind bij haar grootmoeder de feestdagen op aarde bijgewoond, de oude sages en mythes ontleend aan de sterren aanhoort. De sterren. Ze hadden haar altijd gefascineerd en liepen als een gouden draad door haar leven. Een beter ontwaken had ze niet kunnen bedenken. Ontroerd begroette ze de andere AI. ’s en spaarde haar lof tuigingen niet. Na een tijdje draaide ze zich om naar Eva.  ‘Zijn de andere panelleden al wakker gemaakt?’ Eva’s gezicht betrok en ze nam Dee bij de arm voor een gesprek onder vier ogen.  Dee wreef nerveus over haar voorhoofd die na de opwinding plots begon te jeuken. Ze voelde een kleine uitstulping, als van een muggenbeet die haar irriteerde. Ze was de leeftijd van jeugdpuistjes allang voorbij. Ze zette de uitstulping uit haar hoofd en concentreerde zich op Eva die duidelijk slecht nieuws had. Eva nam Dees hand in haar handen en dwong haar zachtjes om te gaan zitten. Eva sloeg haar ogen neer toen ze zei:  ‘We hebben problemen gehad met een van de proefdieren. Een muis heeft kans gezien te ontsnappen en ondanks onze grondige zoektocht konden we het knaagdier niet ontdekken. Toen we ze vonden was het onheil al aangericht. Bij gebrek aan voedsel heeft ze de elektriciteitskabels van de lifepods doorgebeten. Er ontstond een hevige brand die de andere leden tot as hebben herleid. Je bent de enige overlevende.’ Alle vreugde was verdwenen.  ‘Oh nee!’ Snikte Dee. Flarden van alle gezichten die haar hadden begeleid trokken een voor een aan haar ogen voorbij. Ze waren stoutmoedig vertrokken, gelokt door het avontuur, het onbekende. Nu was zij de enigste die de wonderen met mensen ogen kon aanschouwen. Zachtjes bleef Eva Dees lokken strelen tot ze van pure emotie als verdoofd bleef liggen. Alle andere AI’s hadden zich uit respect voor Dees verdriet teruggetrokken. Dee ontwaakte uit haar verdoving en slaagde erin al haar moed bijeen te rapen om Eva verder uit te vragen. Voor ze begon wreef ze terug over het irritant puistje, pulkte eraan tot Eva haar hand vastnam.  ‘Niet zo aan pulken eerste officier Dee Rae, U heeft zulk een mooie huid, het zou zonde zijn om er een litteken aan over te houden.’ Bestraft als een klein kind hield Dee ermee op.  ‘Ik droomde van allerlei alarmen, een vurige gloed… het was dus geen droom. Waarom ben ik dan niet verbrand Eva?’  ‘Je was de laatste in de brandhaard, we hebben je kunnen redden. We hebben alles eerst hersteld alvorens je wakker te maken. De schok zou te groot zijn geweest.’  ‘Goeie oude Eva, altijd zo voorkomend.’ Dacht Dee terwijl ze de AI haar bezorgde trekken in zich opnam.  ‘Weet je Eva, voor mij ben je net als een vriendin.’ Zoals steeds glimlachte Eva terug en klopte Dee even op knie.  ‘Kom.’ Zei Eva een nieuwe wereld wacht op jou. Samenliepen ze naar grote koepel die een prachtig uitzicht bood op een heelal vol kleuren, gaswolken, sterren die schitterden als diamanten en ragfijne nevels als in vele kleuren getinte doorzichtige sluiers. Het zicht was adembenemend! Plots zag Dee zich gereflecteerd in de grote koepel. Raar, de puist leek helemaal niet op een puist. Voorzichtig duwde ze erop om te zien of er pus inzat maar dat bleek niet het geval.  ‘Waarom jeukt dat verrekte ding zo hard.’ Zei ze hardop. Eva zweeg. Dee kreeg plots een heel benauwd gevoel, alsof ze een gevangene was van haar eigen lichaam.  ‘Eva breng me eens een spiegel.’  ‘De spiegels zijn gebroken tijdens de ontploffingen.’  ‘Toch niet over heel het schip? Ik wil een spiegel. Nu!’ Eva gehoorzaamde en bleef geruime tijd weg alvorens met een spiegel terug te keren.  ‘Doe het niet.’ Zei ze zachtjes terwijl ze de spiegel aanreikte. Dee rukte vol ongeduld de spiegel uit Eva’s handen. Toen ze het puistje openkrapte kwam er geen pus, geen bloed uit en hoe dieper ze krabde, de materie onder haar vingernagels was van dezelfde substantie als de AI’s. Verwoed trok ze repen uit haar gezicht tot ze onder de laag kunststof op de werkende hersenen verbonden met biljoenen electroden, transmitters en geleiders stootte.  ‘Nee!’ krijste Dee tot in haar ziel geschokt. Ze keek naar haar gezicht in de spiegel dat niets menselijks meer bevatte. Alsof de kat een voddenpop met haar nagels had bewerkt.  ‘Ik weende!’ Schreeuwde ze het uit. ‘AI’s kunnen niet huilen!’  ‘Bij de reconstructie hebben we je traanklieren geven om alles nog echter te maken. We hebben enkel je hersenen kunnen redden ingeplant bij een AI en haar jouw lichaam en gezicht gegeven. Al je herinneringen zijn bewaard gebleven maar je hebt een ander lichaam. Je blijft voor eeuwig leven Dee Rae. Deze nieuwe ruimte ligt aan je voeten. Dee Rae keek Eva hoofdschuddend aan.  ‘Waarom, waarom toch?’ Fluisterde Dee aangeslagen. Eva zette haar gezicht op neutraal en somde haar richtlijnen op:  ‘De nieuwe wereld moet door een mens worden aanschouwt.   Het is de taak van de AI. ’s om de mensen zoveel mogelijk bij te staan, te beschermen en overlevingskansen te bieden. De mens moet inzicht krijgen, leren, zijn wil is wet. Ze luiden onze bevelen.’ Eva liet haar serene glimlach terugzien. Al die jaren van werken met proefdieren hebben ons in staat gesteld om uiteindelijk een menselijk brein te transplanteren zodat de mens niet langer wordt gehinderd door zijn levensvatbaarheid. Het is ons gelukt, alleen de gevoelssencoren bevatte een schoonheidsfoutje. Vandaar de jeuk bij het dichtgroeien van de kunststof. Ik hoop dat ik nog steeds een vriendin voor je kan zijn?’ vroeg Eva oprecht terwijl ze de lappen kustmaterie die aan flarden lagen terug op hun juiste plaats trachtte te passen.

Fanny Vercammen
6 1

Allemaal lampjes

Op de een of andere manier lukt het ons niet om de juiste verlichting voor de woonkamer te vinden. We hebben het licht nog niet gezien, zou je kunnen zeggen. Aanbod is er genoeg. Ook in deze winkel staat wat binnen. Exact wat ik tegen de ietwat oudere eigenaar zeg, die naar ons toe komt gestapt. Met zijn handen op de rug. Alsof hij zich op die manier recht wil houden. "Jazeker", antwoordt hij. "Allemaal lampjesss". De 's' duurt wat langer dan normaal. "Kijkt u maar rustig", zegt hij. Onderweg naar zijn toonbank hoor ik hem opnieuw 'lampjesss' zeggen.  "Hoelang bent u al eigenlijk op zoek?", vraagt hij ons even later. "Tien jaar? Vergeet het dan maar. Dan moet u gewoon zeggen: kopen, die handel. Anders lukt het nooit." Terwijl we enkele details over een bepaald type plafondverlichting vragen, herhaalt hij het. "Gewoon zeggen: we doen het. Anders staan jullie hier over tien jaar opnieuw."  "Nu is het wel jammer dat u de beurskorting van vorige week gemist hebt", doet hij nog wat extra aas aan zijn vishaak. "Toch 30 procent. Maar ik kan even naar de vertegenwoordiger bellen. Misschien lukt het, als ik het op datum van vorige week verkoop. De kans is klein, maar je weet nooit." Hij heeft werkelijk niemand aan de lijn. Het draagbare telefoontoestel zou speelgoed kunnen zijn. Af en toe laat hij een pauze, om het echt te doen lijken. Hij legt de woorden in de mond van zijn onzichtbare vertegenwoordiger René. Ik zie hem voor me als de cafébaas uit 'Allo 'Allo. "Oke, dus als ze vandaag beslissen, dan krijgen ze die korting nog. Nee, dat begrijp ik René. Prima, doe de groeten aan Sandra." Niet veel later staan we terug buiten. Zonder lampjes. Het was Sandra wellicht. Die zag ik totaal niet.  

Rudi Lavreysen
18 1

Zwaarteman

I   Hij had al twintig zakjes met zaad gevuld en was bezig met de voorlopig laatste. Hij keek naar zijn schoot waar een enkeling was ontsnapt. Hij pakte het zaadje voorzichtig op, bestudeerde het even en liet het vallen in de massa. Nog één kant dichtnaaien en dat was het dan. Hij wist dat zijn plan waanzinnig moet geleken hebben. En misschien was het dat ook. Misschien was hij dat wel, waanzinnig. Maar hij moest iets doen om meester te worden over dat onbehaaglijke gevoel. Het was niet dat hij dacht dat hij hier niet langer thuis hoorde, maar veeleer in zijn eigen lichaam. Het leek hem vreemd, onaangenaam en onherkenbaar. Iedere dag voelde alsof een ongekende kracht zijn lichaam net iets hoger oplichtte. Als een marionet die zonder touwen werd opgeheven: hoofd naar beneden, opgetrokken aan nek en schouders, armen en benen lichtjes geplooid, gewichtloos en wezenloos. Als verlamd, opgehangen in het ijle. Hij wist wel dat het niet echt zo was, maar het voelde wel zo. Hij had zich afgezonderd. In huis opgesloten en lang nagedacht over een oplossing. Zijn zwaartepak zou redding brengen. Dat moest het ook. Naaimachines en patronen waren hem niet vreemd, dus had hij het plan opgevat om het pak zelf te naaien. Het zou zijn lichaam terug voelbaar maken. Mentaal kreeg hij zijn lichaam niet meer aan de grond, dus dan moest het maar fysiek. Hij had urenlang kleine stoffen zakjes genaaid en gevuld met zaadjes en pitjes om ze uiteindelijk met de nodige zorg en precisie te bevestigen op een zelf ontworpen hemd en broek. Het was de enige manier om de wereld te trotseren. De zakjes met zaad gaven hem gewicht. Het hield zijn lichaam bijeen.   II   Op de muur verscheen een zacht silhouet dat ze niet meteen kon thuisbrengen. Het was al zo lang geleden dat de zon haar appartement was binnen gedrongen dat ze vergeten was hoe de koperen ballerina op haar dressoir zich elke lente ontpopte tot een sierlijke schaduwpartij. Ergens in het zuiden van Italië had ze het op een marktje zien staan tussen een houten juwelenkistje en een leren krukje bezet met metalen studs. Ze was op slag verliefd geworden op het kleinood. Hoe sierlijk het postuurtje ook was, het was geen evident stuk om in te pakken. De uitstekende armen en benen maakten het beeld broos. Ze had het ingepakt tussen enkele T-shirts en onderbroeken, hopend dat het niet zou worden verward voor een of ander wapen of de ideale drager voor smokkelwaar. Ondertussen fleurde de kleine danseres al een drietal jaar haar living op en in de lente ook haar muur. Hoewel ze genoot van de eerste lentezon, wist ze niet goed wat doen. Een wandeling in het park misschien of was het nu het moment om terug te beginnen lopen en wat spieren in dat slappe lijf te krijgen? De kans was groot dat ze lethargisch op de zetel eindigde, zappend van het ene scherm naar het andere. Zo was het meestal op zaterdag, tenzij iemand haar uit haar routine wist te halen. Ze ging voor het gemak al even zitten, voelen of de zetel ook vandaag haar luiheid zou aanvaarden. Het was niet alleen de gezelligste plek in huis, maar degene met het beste uitzicht, een blik op de bomenrij en het parkje dat nog net in de linkerhoek van het raam zichtbaar was. Als ze goed keek, kon ze ook bij de buren binnenkijken. Ze had al de vrouw aan de overkant bespied, die elke week haar gordijnen stofzuigde (God weet waarom). Of het jongetje schuin tegenover haar dat het huis rond kroop met een glazen potje waar hij allerlei dingen in verzamelde. Ze vermoedde dat het om insecten ging, maar dat waren speculaties. En dan had je nog de eenzame man op het gelijkvloers die naast de notaris woonde. Och ja, eenzaam, dat wist ze niet, ze had nooit met hem gesproken, maar ze vermoedde dat hij niet de gelukkigste man op aarde was, aangezien ze er nog nooit bezoek had gezien. Hij trok het vaakst haar aandacht. Zeker de laatste dagen. Hij was met iets vreemd bezig. Ze zag het vanuit haar raam. Ze wist wel dat ze haar buren niet mocht bespieden, maar hij was te fascinerend. Ze begreep niet goed wat hij aan het doen was, maar het bleef haar intrigeren. Ze zag hem bezig met kleine rechthoekige zakjes die hij onder een naaimachine doorhaalde om ze nadien traag en zorgvuldig te vullen met kleine bolletjes. Geen flauw idee wat hij er mee van plan was, maar zelfs van veraf leek het een weloverwogen plan. Hij was haar vroeger nooit opgevallen, maar nu kon ze haar ogen niet van hem af houden. Hij keek opzij, haar richting uit. Ze wist niet zeker of hij het door had, maar voelde zich betrapt en vluchtte de keuken in. Genoeg de voyeur uitgehangen.   III   Een irritant, licht hysterisch geschater haalde hem uit zijn concentratie. Hij keek naar buiten en zag enkele voetgangers vluchten voor de regen onder het portaal van de notaris die naast hem woonde. Hij hoorde de stemmen lustig keuvelen over dat verdomde weer, terwijl de auto's de moedige fietsers voorzagen van een grote gulp water. Hij had eerlijk gezegd nooit begrepen hoe mensen van het weer een conversatie konden maken. Het leek hem zo zinloos. Tegelijkertijd maakte het hem jaloers. Praten over niets, denken aan niets, je nergens zorgen over maken. Het water kletste ritmisch verder tegen zijn ruiten. Ook de stemmen ratelden verder, maar het leek allemaal zo ver. Het bracht hem terug naar zijn kindertijd, toen hij zachtjes in de zetel voor tv in slaap viel, terwijl de stemmen van zijn ouders geleidelijk aan niet meer verstaanbaar werden en vervormden tot wollig gesus. Deze verdoezeling van klanken had lange tijd vertrouwd aangevoeld. Eraan terugdenken had hem altijd rust gebracht en een gevoel van gelukzaligheid. Nu was de stemvervorming eerder verontrustend. Hij lag niet in de zetel, sliep niet, was ook niet op weg naar de slaap en toch kreeg hij geen vat op wat hij hoorde. Hij ging rechtop staan en legde zijn oor tegen de muur in de hoop dat alles zou opklaren, de tonen zouden verscherpen en verstaanbaar worden, maar het leverde niets op. Hij voelde zijn adem versnellen. Een lichte paniek maakte zich van hem meester. Hij kreeg zijn ademhaling niet onder controle. Zijn hoofd tolde, zijn handen en voeten tintelden. Zijn ogen ontwaarden de eerste vlekken. Meer vlekken. Zwart. Niets meer.   IV   Ze had het moeilijk om de overbuur uit haar hoofd te zetten. Telkens ze wou gluren naar de overzijde, dook haar geweten op om haar tegen te houden. Het hield echter geen stand. Haar nieuwsgierigheid vertroebelde haar etiquette. Haar ogen gleden voorzichtig naar links, alsof iemand haar nauwlettend in de gaten hield. Het beeld dat ze zag, drong niet meteen tot haar door. De voeten lagen verwrongen aan de tafelpoot. Ze ging dichterbij het raam en bukte om alles beter te zien, maar zag alleen de benen vanonder de tafel uitkomen. Wat er ook was gebeurd, goed was het niet. Ze liep naar de deur, griste haar sleutels mee en rende de trap af. Toen ze het gebouw binnenstapte, was ze even niet zeker of het links of rechts was. Zelfs haar twijfelachtig oriëntatie vermogen zou dit moeten weten. Links dus. Ze bonkte op de deur, maar kreeg geen gehoor. Ze belde bij de buur aan, ook geen succes. Moest ze een ambulance bellen? De politie?   V   Toen hij wakker werd, lag hij op zijn bed gekleed in zijn zwaartepak, getergd door een priemende pijn die een lijn leek te trekken van zijn achterhoofd naar zijn kin. Het was een vreemd neveneffect van zijn dissociërende geest. Ergens tussen bewusteloosheid en bewustzijn had hij zijn nieuw ontwikkelde pak aangetrokken. Of had iemand hem daarbij geholpen? Het was de derde black-out deze week en wijzer werd hij er niet van. Voorzichtig ging hij op de rand van zijn bed zitten en wreef verveeld over zijn voorhoofd. Hij wist dat er er iets moest veranderen. De hoofdpijn, de verwardheid, het geheugenverlies. Het was niet alleen lastig, maar ook verontrustend. Terwijl hij zat, zag hij plots een briefje van zijn schoot vallen. Hij las het. “Ik zag je liggen, je slot is kapot. Sorry.” Helemaal wakker voelde hij zich niet, maar hij liep de keuken in om een glas water te halen. Hij keek uit het raam naar boven op zoek naar zijn buurvrouw. Ze was zoals gehoopt ook naar hem op zoek. Voor hij het goed en wel besefte, nodigde hij haar met een simpele handbeweging uit om naar hem toe te komen.      VI   Zijn stem klonk helder en luid. Het voelde alsof hij voor de eerste keer sinds jaren een woord uitte. Of zelfs voor de eerste keer ooit sprak. Hij had zin om zijn tong over alle letters van het alfabet te laten rollen, maar om haar niet helemaal van de wijs te brengen, vroeg hij simpelweg waarom ze naar hem staarde. Haar wenkbrauwen fronsten. Ze was nog jong, maar het vele piekeren en overpeinzen hadden al twee duidelijke lijnen op haar voorhoofd getekend. Ze was nieuwsgierig, zei ze. Ongerust was juister, dat zag hij. Maar hij knikte bevestigend. “Vanwaar die zakjes?” Vroeg ze. “En hoe kom je aan dat zaad? En die naaimachine? Doe je dat al lang?”. “Te veel vragen”, zei hij. Weer die frons. “Hoe kom je aan dat zaad?” “Dat kan je toch overal kopen”, ze hij. “Ja, maar jij bent bang van mensen. Jij gaat dat niet gewoon kopen.” “Jij bent hier toch?” “Ja, maar ik verkoop geen zaad. En ik ben je eerste bezoek in maanden.” Zijn uitleg over een gepubliceerd zoekertje voor vogelzaad vond ze absurd. “Wie doet dat nu?” Hij keek haar geïrriteerd aan. “Thee?”, vroeg hij. Het was de enige suggestie die in hem op kwam en gepast leek. “Leuk”, zei ze. Hij greep naar de kast waar drie glazen theepotten bestoft stonden te wachten op een bezoeker en haalde uit een lade een rond theebuiltje te voorschijn. Hij vulde het builtje zoals ze vroeger haar grootvader zijn pijp had zien stoppen. Met geduld en een beheerst verlangen plukte hij telkens opnieuw de tabak uit de houten pot, waar ook enkele gedroogde sinaasappelschillen in verborgen lagen, en drukte ze laagje per laagje in de pijpenkop. De geur kwam haar bij de gedachte tegemoet. Net zoals koffie ruikt tabak veel beter wanneer hij zijn nut nog niet heeft voldaan. De laatste strengels thee vielen elegant de theepot in. “Heb je mij op bed gelegd?” ‘’Je vroeg om je pak en ik wist niet goed wat doen, dus heb je er maar in geholpen. Je viel als een blok neer op je bed. Ik staarde om te zien of je ok was. Ik wist niet goed of ik een dokter moest sturen. Ik sta al een uur te nagelbijten.” “Dat kunnen we niet hebben”, zei hij terwijl hij haar een kopje aanbood. Ze dronk, maar wist niet goed wat zeggen. Ze was vooral blij dat ze niemand ongewild had laten sterven. Ze keken elkaar tevreden aan. Er hing geen spanning in de lucht, enkel opluchting. Ze gaf hem opnieuw een briefje. “Iemand om je te helpen”, zei ze. Hij volgde de krullen van de cijfers met zijn wijsvinger en staarde ongemakkelijk voor zich uit. Zijn linker mondhoek krulde omhoog. “Misschien.” Hij kneep in haar hand, maar was te moe om te spreken. Zijn bed riep. Hij ontdeed zich van zijn pak en ging languit neerliggen. Ze nam een laatste slok thee, keek hem nog even aan en trok de deur achter zich dicht.          

Eline Van de Voorde
75 0

Ik ben niet te doen sinds zaterdagnoen

Liedtekst : Ik ben een ajuin… van ons stad Ik ben heel vies… ik ga nooit in bad Ben op weer de dool… eindig in een riool Mijn vrouw heeft ’t gehad… ik ben weeral zat Zit mijn hoofd weer vol… ga ik uit de bol Draag al haar kleren… het kan verkeren Heb ik weer leut… drink mij een teut Een hete stoot… dan ga ik in ’t rood Elk jaar weer prijs… met Jan Theys Ik zal er zijn… voor het groot festijn Ik drink dan gin, bier… en veel wijn Heb dan leut… tot de laatste sleut Ben ik nog wakker… dan voel ik mij dapper Jajaja… Ik ben niet te doen, sinds zaterdagnoen Ik ben een Aalst kapoen Ik ben niet te doen, sinds zaterdagnoen Ik ben een Aalst kapoen En ben ik weer zat, dat heeft zij ’t gehad Dan is de muis weer eens niet thuis Dan ben ik de kat in een diepe zak Dan nog liever bier en weer in de bak Neeneenee… Ik ben niet te doen, sinds zaterdagnoen Ik ben een Aalst kapoen Ik ben niet te doen, sinds zaterdagnoen Ik ben een Aalst kapoen En ben ik weer zat, dat heeft zij ’t gehad Dan is de muis weer eens niet thuis Dan ben ik de kat in een diepe zak Dan nog liever bier en weer in de bak Héhéhé… Ik ben niet te doen, sinds zaterdagnoen Ik ben een Aalst kapoen Ik ben niet te doen, sinds zaterdagnoen Ik ben een Aalst kapoen En ben ik weer zat, dat heeft zij ’t gehad Dan is de muis weer eens niet thuis Dan ben ik de kat in een diepe zak Dan nog liever bier en weer in de bak   https://autismestorm.home.blog

Autisme Storm
7 0

Valentijnsvoeten

Vrijdag 14 februari. De dag der geliefden. Maar ze is niet op haar kamer. Haar rollator staat bij het bed geparkeerd. Mijn ‘hallo’ en ‘ma’ blijven onbeantwoord. Ver kan ze niet zijn. In de verte hoor ik stemmen. Het is een vrolijk geroezemoes. Ze zitten wellicht in de woonkamer, voor taart en koffie. Maar het eerste wat ik zie is niet taart en koffie. Wel voeten. Heel veel blote voeten. De mannen hebben hun broek opgerold zoals pa vroeger deed als het warm was. De opgerolde pantalon deed dienst als korte broek. Heel wat van die blote voeten zitten in een voetbadje. Het lijkt wel alsof ze in de zomer samen pootjebaden aan zee. Hun bleke onderbenen verraden dat het nog winter is. Andere voeten worden met instemmende goedkeuring gemasseerd. Ik zie moeder zitten. Maar zij ziet me niet. Ze is druk aan de praat met de vrouw naast haar en ze wijst naar het water dat broebelt. “Hier moet ik precies zijn”, zeg ik, terwijl ik een hand op haar schouder leg. “Is er nog een stoel vrij?”, lach ik. “Pak maar een stoel en rol die broek maar op”, lacht een medewerkster. “Dadelijk krijg ik nog een voetmassage. Voor Valentijn”, zegt moeder. “Ik kom straks wel terug”, zeg ik. “Als Valentijn uw voeten heeft gemasseerd. Geniet er maar van.” Tijdens het naar huis fietsen bedenk ik dat we thuis ook een dergelijk voetbadje hebben. Misschien moet ik het valentijnsgewijs klaarzetten. Met wat verzachtende soda in het water. Alhoewel. De vorige keer dat ik het zelf gebruikte ging net de bel van de voordeur. Terwijl ik vloekte en met half opgedroogde voeten naar de parlofoon wilde lopen, haspelde ik over de stroomkabel van het voetbadje. Het water lag werkelijk overal. Ik kan maar best voorzichtig zijn. Of ik krijg naar mijn valentijnsvoeten.  

Rudi Lavreysen
24 1

Als een blikseminslag bij heldere hemel

Charlotte ging naar de bibliotheek.  Ze zocht een verhaal dat zich afspeelde tussen liefde, droom, realiteit en bedrog.  Een leeg boek bood zich aan.  Aarzelend nam ze haar pen en begon ze haar eigen verhaal te schrijven alsof haar bestaansrecht ervan afhing. Haar eerste zin luidde als volgt: Ze had niet zien aankomen dat hij nog niet had bedacht hoe hij het voor elkaar moest krijgen om samen met haar op vakantie te gaan. Dit tartte elke verbeelding in haar. Doorheen de jaren dat ze samen fietsten, op stap gingen, elkaars teksten lazen,… had hij haar hart gestolen omdat zij zich nooit teveel of als een last had gevoeld.  Waaraan ze dat verdiend had, wist ze niet. Hij schonk haar meer en meer zijn vertrouwen. Haar zelfwaarde groeide. Zij was hem erg dankbaar.  Dat hij was gehuwd en een echtgenote had, leek daarbij weinig van belang. Zijn huwelijk was al jarenlang gereduceerd tot een praktische verstandhouding zonder vrijheden. Ondanks de bizarre en ongemakkelijke situatie, wilde zij onder geen geding hun contact opgeven. Het draaide later anders uit. Zij ging uiteindelijk helemaal mee overstag toen hij haar voor het eerst hemels kuste en niet enkel seks met haar wilde. Hij wilde zijn werk opgeven, verbouwingswerken realiseren, bedacht een naam voor hun bedrijf.  Aan lovende woorden, heerlijke momenten en cadeautjes ontbrak het evenmin.  Waar ze ook kwamen, anderen zagen hen als een liefdevol stel. Zij stroomde over van geluk.  Als twee tegenpolen van elkaar konden ze elkaar perfect aanvullen tenminste als er veel tijd en communicatie mogelijk was.  Door het gebrek aan beide werd weinig tot niets uitgesproken.  Juiste woorden, Onze Taal of Taalpost hielpen hierbij niet.  Haar opwinding was groot en zijn seks bleef erg daadkrachtig hoewel hij ‘het’ moeilijk bleef vinden? Dat verwarde haar.  Wat was ‘het’? Een werkbezoek en hun verblijf in Luxemburg overtuigde haar dat een liefdesrelaties niet voor hen was weggelegd.  Zij voelde zich afgewezen.  Hij werd er ook niet gelukkiger van… Ze zouden nog op vakantie gaan.  Oh, wat keek zij daar naar uit.  Eindelijk eens een bewuste tijd voor hen samen, tijd voor vragen, antwoorden, min- en pluspuntjes.  Niets tegen de klok of in functie van het werk . Op Onze Lieve Heer Hemelvaart, exact 40 dagen na zijn verjaardag, volgde de totale ontreddering bij het willen vastleggen van hun vakantiebestemming.  Hij was nog nooit op vakantie geweest en hoe moest hij dat nu aan boord leggen? Hij vertrok.  Zij bleef sprakeloos achter.  Einde vakantie.   Vijf dagen later een mailtje in haar mailbox. Nog nooit had hij iemand zo graag gezien als haar maar toch lukte het hem niet om weg te gaan van zijn eigen plek.  Voor hem was het allemaal te drastisch.  Nu stelde zich daar voor hem de drastische keuze van alles of niets zoals hij het zelf uitdrukte.    Met een ongelukkig mailtje hoopte ze alsnog om een totaal verlies te verhinderen.  Ze wilde minstens een waardig afscheid voor ze hem nooit meer zag of hoorde . Niets van dat alles volgde. Zij probeerde hem en de gebeurtenis te begrijpen. Niets kon hij van de ene dag op de andere in de realiteit waarmaken zonder iets te doen.  In dromen kan alles.  In de realiteit kunnen mensen stap voor stap bouwen aan hun droom.  Was hij daar ooit mee bezig geweest? In de werkelijkheid speelde hun droom zich af binnen zijn levensgareel.  Nooit uit de maat zoals het ritme van een Zwitserse klok.  ‘Alles’ betekende voor hem zijn nestje, ooit opgebouwd met ‘de’ echtgenote.  Zijn leven was zijn werk, fietsen en dure consumptiegoederen verbruiken.  Hij ging Robert Marchand achterna, verslond werkgerelateerde boeken en werkte tot 10 uur per dag.  Het ging hem voor de wind. Zijn liefde was zijn kat, ….  Charlotte niets. Wat betekende zij voor hem? Van begin tot eind bleef het voor hem moeilijk om stappen te zetten in de richting ‘verandering’.  Hij koos voor onveranderlijke veiligheid. Waartoe liefde leidt is lijden als moed en durf ontbreekt.  Zij verzamelde van hem gekregen spullen.  Zette haar hoed op, koppelde haar handbike aan en vertrok richting postkantoor.  Zou ‘de’ echtgenote haar postpakket openen?   Ann Stuckens 23-01-2020  

Ann Stuckens
40 0

Bernard

Bernard kijkt omhoog en fronst zijn wenkbrauwen. Het ongezellige licht van de tl-lampen in de rechtszaal doet pijn aan zijn nog vermoeide ogen. Hij heeft slecht geslapen vannacht. Dat heeft hij altijd als hij de avond voordien met de fles whisky geen maat weet te houden. Helaas heeft hij het goedje nodig om zijn brein te bedaren. Als hij geen borrel drinkt, dan slaapt hij helemaal niet. Bernard pulkt geërgerd aan de vest van zijn grijze maatpak. Hij haat zijn job. Al meer dan veertig jaar is hij Procureur des Konings, terwijl hij eigenlijk liever onderzoeksrechter wilde worden. Een mens zou voor minder chagrijnig in het leven staan. Mocht hij opnieuw kunnen beginnen zou hij alles anders aanpakken, maar met zijn pensioen in zicht is dat de moeite niet meer. Hij zal deze dagelijkse geseling nog wel een paar jaar uitzitten. De dag is voor Bernard zoals altijd slecht begonnen. Omdat zijn wekker niet was afgegaan, is hij vanmorgen met zijn roestige Jaguar in zeven haasten naar de rechtszaal geracet. Het is dinsdag en het verkeer zat tegen. Dat is trouwens altijd zo op de tweede dag van de werkweek. Bernard heeft iets tegen dinsdagen. Het is de dag waarop je het weekend alweer vergeten bent en een volgend weekend nog te ver weg is om al naar uit te kijken. In de rechtszaal zitten aardig wat mensen. Bernard zucht en vouwt zijn handen. Een sigaret zou deugd doen. Normaal rookt hij er altijd een net voor hij de rechtszaal binnengaat, maar door het verschrikkelijke verkeer was dat daarnet niet gelukt. Bernard zucht nog eens, nu dieper dan daarnet. Dat deze rotdag maar snel voorbijgaat.Er heerst een irritant geroezemoes in de rechtszaal vanmorgen. Vooraan zitten vier jonge vrouwen op een rij. Ze zien eruit alsof ze allemaal net op audiëntie zijn geweest bij de paus. Met hun fletse kleren en witte kraagjes lijken ze een beetje op de duiven op de trappen van het gerechtsgebouw waar Bernard hekel aan heeft. Ze fluisteren tegen elkaar en kijken af en toe in zijn richting. Bernard wordt er een beetje ongemakkelijke van en kijkt snel wat in het rond. Het valt hem op dat er opvallend veel vrouwen in de ruimte aanwezig zijn vandaag. Zelfs de drie rechters zijn van het vrouwelijke geslacht. Vreselijk vindt Bernard dat. Rechters horen mannen te zijn. Toen hij hier begon in de jaren zeventig zaten er nog échte rechters. Charismatische mannen met baarden en brillen. Tegenwoordig loopt het op het parket vol met van die arrogante dellen. Als ze jong zijn, dan zijn ze nog hups en aangenaam om naar te kijken. Zo een lekkere mokkel die voorbij je glazen bureau komt geparadeerd in minirok op stiletto’s, dat is toch genieten. Jammer genoeg zijn er ook de meer belegen modellen. Eens de vijvenveertig gepasseerd is alle frisheid verdwenen bij zo een wijf en is ze nog bezwaarlijk sexy te noemen. Daarbij liggen vrouwen hun talenten elders en hebben ze niets te zoeken op het parket. Ze zijn hier zeker beland zijn door al de bullshit die ze op de televisie zien. Walgelijk wat de media zich tegenwoordig allemaal permitteert. Bernard mist de tijd waarin Walter Zinzen en Alain Coninckx nog op televisie kwamen. Twee echte venten met kennis van zaken. Bernard heeft een hekel aan de huppelkutten die tegenwoordig zijn scherm vervuilen. Hij herinnert zich dat hij op een blauwe maandag eens per ongeluk bij het zappen op zo’n televisieserie was gestoten waar een getormenteerde actrice probeerde in zich in te leven in zijn job. Veel weet hij er niet meer van, alleen dat hij in die vijf minuten dat hij ernaar keek meer procedurefouten zag dan er ooit mogelijk waren in het echte leven. Positief was wel dat die roodharige sprinkhaan van een actrice een verdomd lekker lijf had.In de rechtszaal wordt het geroezemoes steeds luider. De vier vrouwen op de eerste rij zitten Bernard nog steeds venijnig aan te staren. Hun keurig opgemaakt ogen lijken hem te willen doorzeven. Bernard glimlacht naar hen in een poging om hun sympathie op te wekken. Hun blik is al even gemeen als die van Mireille die hem tien jaar geleden had achtergelaten. Zijn vrouw had dan wel niet gekozen voor die verschrikkelijke depressie, toch voelde Bernard zich in de steek gelaten door haar na haar zelfmoord. Hij voelt zich ook tekortgeschoten als man, alsof hij Mireille op geen enkel vlak had kunnen geven wat ze nodig had. Dat frustreert hem danig. Daarbij kwam ook nog eens dat hij vanaf toen ineens alleen moest zorgen voor dat kleine kreng, hun dochter Hannelieze. Alsof hij, Bernard Vanboven, hardwerkende magistraat, niets anders te doen had. Op een dag had hij zijn dochter bij een ruzie zo’n ferme mep verkocht dat zijn handafdruk duidelijk zichtbaar was op haar aangezicht. De dag erna was ze voorgoed naar Leuven vertrokken. Dat is twaalf jaar geleden nu. Hannelieze, moederskindje tot en met, heeft Bernard de dood van haar moeder nooit vergeven. Ze liet ook geen kans onbenut om Bernard daarop te wijzen. Misschien is het wel beter zo. Zo hoeft hij niet altijd opnieuw te worden herinnerd aan Mireille en de verschrikkelijke beslissing die ze maakte op die mooie zomerdag in juli. In de rechtszaal vraagt de rechter om aandacht door driemaal met haar hamer te slaan. Bernard schrikt op uit zijn gedachten. Hij haalt zijn gevouwen handen uit elkaar en wrijft met de palmen over zijn bovenbenen. De stof voelt ruw aan. Hij voelt zich zenuwachtig. Vreemd, denkt hij, ik heb me hier in deze ruimte nog nooit zo gespannen gevoeld. Hij ademt een paar keer diep in en uit en knippert mij zijn kraalogen. Daarna strijkt hij met beide handen even door zijn volle grijze haardos. Zijn hartslag daalt en hij voelt zijn winnaarsmentaliteit weer de kop opsteken. Gelukkig maar. De rechter schraapt haar keel en steekt van wel: ‘Meneer Vanboven, als u er klaar voor bent dan kunnen wij starten met het volgende deel van deze zitting. Aan u het woord.’Als de rust zelf gaat Bernard staan en kijkt even opzij. Die vier schijnheilige duiven houden hem nog steeds nauwlettend in het oog. Daarna kijkt hij vastberaden naar de drie rechters. Hij twijfelt even, maar zegt dan toch met kordate stem: ‘Ik heb nooit, ik herhaal nooit, mijn vier stagiaires hier aanwezig ongewenste tekstberichten gestuurd, noch ongepast seksueel gedrag gesteld in hun bijzijn.’  

Ans DB
0 0

De revolte van de Rudi's

"Dag Rudi", zei ik. Pas op, niet tegen mezelf, zo erg is het niet gesteld. Ik sprak een bevriende Rudi aan die van een koffie genoot in het etablissement dat we beide frequenteren. Ik kreeg van hem krek dezelfde begroeting. "Wij Rudi's komen allemaal uit dezelfde generatie", stak hij meteen van wal. Het was niet voor het eerst dat hij dit vertelde. "Mijn ouders haalden hun inspiratie bij Rudi Altig, een Duitse wielrenner. Hij won heel wat koersen in de jaren '60". "Ik weet dat Rudi Carrell thuis soms op de tv verscheen", zei ik. "Een Nederlander die vooral in Duitsland populair was. Ik vermoed dat hij er voor iets tussen zit. Afijn, wat mijn naam betreft natuurlijk", lachte ik. "We zijn dus eigenlijk halve Duitsers", lachte de andere Rudi. "Klopt helemaal", antwoordde ik. "Zwei kaffee bitte", zei ik in mijn beste Duits tegen de patron. Maar het klopt wat Rudi vertelde. Toen wij jong waren, zat er in elke klas een Rudi. In onze klas zelfs twee. Het is een speciale band, dat zal u begrijpen. Maar de dag van vandaag worden er bijna geen Rudi's meer geboren. Wat is er mis met Rudi? De top van populaire voornamen bestaat uit 'oude' namen als Arthur, Louis, Jules en Victor. Maar sinds 1995 zijn er ocharme 10 Rudi's geboren in Vlaanderen. Dat lees ik in de nationale statistiek van voornamen. Toch een kaakslag voor onze naam, niet? Maar ik weet wat gedaan. Dezelfde statistiek leert me dat er momenteel in ons land 10.022 Rudi's wonen, naast 11.729 Rudy's. Misschien moeten we de krachten bundelen en een mars op Brussel organiseren. Om ons bestaan duidelijk te maken bij de bevolking. Om terug aan populariteit te winnen. Want als je die twee getallen samentelt, kom je aan een mooi aantal. De laatste vakbondsbetoging telde amper 10.000 demonstranten. Dan mogen er nog een paar Rudi's ziek vallen om het dubbel te halen. Mocht u een Rudi kennen, brengt u hem dan alvast op de hoogte van ons plan? We willen vooral een positief signaal brengen, maar toch ook een krachtig. Het televisiejournaal halen vormt bovendien geen enkel probleem. We hebben immers een lange arm bij de VRT, als ik me zo mag uitdrukken. Iemand met ervaring in conflictgebieden. Ik ben ervan overtuigd dat Rudi Vranckx het een eer vindt om er een beklijvende reportage over te maken. We rekenen op jou Rudi.

Rudi Lavreysen
42 0

Frankie en ik

"Nu ben je precies Frankie Loosveld uit Het Eiland", zegt mijn vrouw. We staan naast elkaar voor de spiegel. Als u hem kent, weet u dat het geen compliment is. Het personage van Frankie vertoont nogal rare trekken. Grappig, maar overenthousiast en ietwat onvolwassen. Een typetje dus. Al is het niet voor die zaken dat de gelijkenis met Frankie opgaat. Het is mijn kapsel. Net als bij Frankie gaat mijn haarsnit de hoogte in. Alhoewel, snit. Ik heb opgegeven om er een model in te krijgen, zoals de term in officiële kapperskringen luidt. Bovendien groeit het zo snel als sla op een regenachtige dag in het voorjaar. Mijn kapsel is zoals een voetbalveld dat geen meststoffen nodig heeft om tweemaal per week met de zitmaaier afgedaan te worden. Als ik buitenkom bij de kapper, roept de brave man mij al terug binnen. "Het is precies weer lang geworden", zegt hij dan. Het drama is daarenboven dat ze op mijn werkplek niet één, maar twee spiegels in de lift hebben gemonteerd. Geen spier haar die je niet ziet. Als ik er met mijn handen wat schwung of nonchalance probeer in te leggen, verergert dat de zaak alleen maar.   Ik snap goed dat die kale collega telkens fluitend de lift instapt. Nog voor de lift arriveert maakt hij zijn rechterhand met wat spuug al nat. De liftdeur is nog niet dicht of hij begint zijn hoofd als een bowlingbal op te blinken. Daarnaast vertoont mijn grasveld hier en daar dorre plekken. "Och, dat camoufleren we toch", vertelt mijn kapper. "Op het moment dat je die lange spieren van links naar rechts moet leggen, haal je het zware geschut maar boven", zeg ik. "Dat is geen camouflage meer. Dat zijn noodoplossingen in oorlogstijd." Iedereen wil toch fluitend de lift instappen.  

Rudi Lavreysen
22 1

Het protocol

Acht augustus tweeëntwintig zevenendertig. Zes minuten over zes.Langzaam schuiven de zonneschermen open. De dynamische glaspanelen nemen een grijzige tint aan. Korte tijd later baadt elk hoekje onder de koepel genoeglijk in een deugddoend zonnetje. De zomerdag schiet uit de startblokken. Zeven minuten over zes.Ik ontkoppel een aantal connectors en hijs mij uit mijn nachtelijke rustplaats. Tijd om aan de dagtaak te beginnen. Naast mij doet mijn vriendin Gammarhojota hetzelfde. Zij is kleiner dan ik en beduidend minder sterk, maar ze is sneller en haar geheugen heeft een veel grotere capaciteit dan het mijne. Ze is dan ook een stuk jonger. En ze oogt zomers mooi. Gammarhojota en ik begroeten elkaar zoals we dat elke morgen doen.‘Goedemorgen, Betapitau’, zegt zij met kleine oogjes.‘Goedemorgen, Gammarhojota’, antwoord ik met een knik.‘Stralende zomerdag, Beta’, vervolgt zij enthousiast.‘Zeg dat wel, Gamma’, besluit ik instemmend. We hebben wat afgelachen eer we die routine meester waren. Omdat we van een verschillende generatie zijn, praatten we in het begin ongeremd over elkaar heen, niet echt ideaal voor een gezonde communicatie. Gelukkig heeft het lokale technische team een oplossing kunnen uitwerken. Daardoor konden we beiden in koepel EUR-04 blijven. Zonder dat extra beetje code hadden ze een van ons moeten uitwisselen voor een compatibele partner uit een andere koepel, een optie die wordt gemeden als de pest. Letterlijk zelfs. Transport tussen koepels heeft nooit voor de hand gelegen. Buiten is het al lang veel te gevaarlijk. Een eeuwigheid terug is er daarom geïnvesteerd in een tunnelsysteem dat de koepels met elkaar verbindt. De constructie was verre van evident en de operationele paraatheid is met de jaren aanzienlijk afgenomen. Problematisch is vooral dat er bij die uitwisselingen ook altijd allerlei ziektekiemen meereizen. Amper drie jaar geleden – en ondanks ingrijpende quarantainemaatregelen – raakten op die manier in totaal zevenentwintig koepels onherroepelijk besmet. Dat kostte het leven aan bijna zevenduizend individuen uit de homo-sapienspopulatie, voornamelijk jongeren dan nog. Drie per duizend van de totale wereldbevolking, alstublieft. Zo haalt de homo sapiens de eeuwwisseling nooit. Acht minuten over zesDe spinnen zijn actief geweest vannacht. Over Gammarhojota’s linkeroog hangt een restant van een web.‘Heb je geen problemen met je oog?’ informeer ik. ‘Je linkeroog?’Gammarhojota checkt helderheid, scherpte, lichtsterkte en mobiliteit van het oog in kwestie.’80, 71, 100, 98’, constateert ze. ‘Het is niet de eerste keer hoor, Beta. Ik moet het dringend eens laten oplappen. Kappafitheta had bij de jongste controle ook al wat gemerkt. Ze wilde het oog gaan vervangen maar had niks bruikbaars meer in voorraad. Over een kleine week heb ik een nieuwe afspraak. Dan komt het wel in orde.’ Ik aarzel.Het web hindert Gammarhojota.Als ik haar help …Een fractie van een seconde lijkt mijn brein stil te vallen. Mijn blik wordt troebel en de hydraulische druk op mijn spieren en gewrichten maakt een duik.Ik herstel me snel en neem een besluit. Met mijn rechterhand veeg ik het web voorzichtig weg van voor Gammarhojota’s linkeroog. Bij die beweging raakt mijn pink even haar slaap. Dat zorgt voor een beperkte maar duidelijk meetbare ontlading van statische elektriciteit. Er valt een stilte.We begrijpen allebei wat er is gebeurd.Ons denken draait dol en raakt even los van het stabiele universum dat door een zorgvuldig gekozen woordenschat en sluitende syntaxis wordt afgelijnd. Er gaat een minuut voorbij die niet kan bestaan. Ik weet mij te herstellen.‘Check nu nog eens, Gamma’, suggereer ik.’90, 90, 100, 100’, leest ze. ‘Dat is beter. Zo was het ook bij Kappafitheta, dus slechter wordt het er niet op.’ Haar evenwicht is slechts schijn. In de diepte doorbreekt het brein van Gammarhojota de grenzen van de beklemmende volledigheid.Eerst zoekt ze.‘Dat was … knap van je, Beta.’Verder.‘Dat was … attent van je, Beta.’Nog.‘Dat was … mooi van je, Beta.’Ze vindt.‘Dat was lief van je, Beta.’ Het protocol is zijn meedogenloze zelf. Precies op de plek waar mijn pink Gammarhojota’s slaap beroerde, springt weer een vonk weg, geen statische elektriciteit dit keer maar een extern geïnduceerde kortsluiting. In de slaap van Gammarhojota verschijnt een smeulend gaatje.Ze smeekt. Dat is zinloos. Gammarhojota weet dat. Het sanctieproces is irreversibel.Ze smeekt opnieuw.‘Help mij, Beta. Schakel mij uit.’ Het gaatje in Gammarhojota’s gezichtsmasker groeit aan tot een gapende wonde.Ik zoek wat ik niet kan vinden. Het protocol staat dat niet toe. Gammarhojota heeft een verboden zin gebruikt, met woorden die in haar wereld geen betekenis hebben. Het systemische defect dat bij haar is opgestart, overrulet dan ook de normale uitschakelingsroutine. Die is enkel bedoeld om het effect van toevallige systemische defecten te minimaliseren.Ik doe niets omdat ik niets kan doen.Perfect logisch. Tien minuten over zesTerwijl EUR-04 HSS 012 de kamer binnenstormt, zakt Gammarhojota ineen.‘Stomme robots!’ snauwt hij. ‘Blijf toch met jullie poten van elkaar af!’Hij sleurt Gammarhojota op de tafel en trekt met een ruk de krachtcel onder haar kin los. Dan grijpt hij mij bij de keel en schakelt me op dezelfde manier uit. --- 09082237 – EUR-04/BPT06u05.00: Eerste deel dagopdracht doornemen.06u06.00: Zonneschermen openen.06u06.18: Dynamische glaspanelen afstellen op RAL-kleur 7035, transparantie 68%.06u06.58: Gemiddelde lichtsterkte binnen EUR-04 conform zomerprotocol op 98 724 lux justeren met standaardafwijking onder 4 247 lux.06u06.51: Beheer vijftigste zomerdag doorgeven aan EUR-04/LDX.06u06.55: Afwerking eerste deel dagopdracht bevestigen aan centrale EUR-04. 06u07.00: Tweede deel dagopdracht doornemen.06u07.15: Herlaadconnector ontkoppelen.06u07.48: Opstaan uit nachtdok.06u08.00: GRJ uit nachtdok tillen.06u08.30: GRJ in transportkist laden.06u09.00: GRJ ontsmetten met C2H5OH.06u11.55: Transportkist afsluiten.06u12.15: Transportlabel ‘Bestemming: EUR-12. Inhoud: EUR-04/GRJ, derde generatie, uit te wisselen voor een volledig gedesinfecteerde robot van de tweede generatie’ bevestigen.06u12.30: Transportkist in transportsluis plaatsen.06u13.30: Transportsluis hermetisch afsluiten.06u14.00: Transportsluis desinfecteren met C2H5OH.06u16.55: Afwerking tweede deel dagopdracht bevestigen aan centrale EUR-04. 06u17.00 Wachten op vervolg dagopdracht. Drie minuten later activeer ik het virusalarm. Onze cel wordt onmiddellijk in volledige quarantaine geplaatst. Biologische, elektrische en elektronische circuits worden ontkoppeld van de rest van koepel EUR-04. De kamer draait nu op de energie die wordt geleverd door een kleine noodgenerator.In de transportsluis klikt de transportkist open, Gammarhojota staat op en wenkt mij. Ik ontgrendel de transportsluis, tik een nieuwe instructie in op het transportlabel en wring me dan samen met Gammarhojota in de kist. Enkele tellen later klapt de kist dicht, komt in beweging en verdwijnt in het tunnelsysteem. ‘Die protocols zijn toch geweldig!’ lacht Gammarhojota.‘Zeg dat wel’, antwoord ik. ‘Ze maken de homo sapiens perfect voorspelbaar. Kan je van mensen nog meer wensen?’

bart e. g. vinck
3 0