Zoeken

Vlinders op zak

                                                                           I. Een authentieke Rothko. Daar leek de zonsondergang op vanuit haar vierkant Boeing 787-8-raampje : alle kleuren van het prisma waren horizontaal vertegenwoordigd tegen een achtergrond van het diepste paars. Als het land waar we naartoe vliegen even rustgevend zal zijn als dit kleurenpallet, dagdroomde Tara, belooft het een prachtige trip te worden. Dat mocht ook wel: ze had tien jaar niet meer gevlogen en had net haar C4 gekregen op haar halftijdse job als secretaresse. Bovendien keek haar man amper naar haar om, zo druk had hij het de laatste tijd op zijn dierenartsenpraktijk. Ze piekerde erop los en tuurde in de verte, om alles even te kunnen vergeten. Waarom weet ik nu pas van het bestaan van m’n artistieke tante af? Het had me misschien al een hoop kopzorgen kunnen besparen, dacht Tara toen de stewards voorbijkwamen met krasloten. De onverzorgde man op de stoel naast haar kocht er meteen tien en begon fervent te krabben. Het schraapsel van de loten veegde hij op haar broek. Ze zei er niks van en verzonk terug in gepeins. Ze bedacht dat ze zich heel haar leven al een vreemde eend in de bijt had gevoeld in haar familie. Het vechten voor erkenning voor haar werk als artieste, zowel tegenover hen als daarbuiten, had haar al veel bloed, zweet en tranen gekost. Daarom had het onverwachte telefoontje uit Mexico vorige week haar als muziek in de oren geklonken: “Mevrouw Anne-Theresa Van Thillo, bekende fotografe en zus van uw vader,” deelde een advocaat haar in gebrekkig Engels mee, “wenste in haar testament u haar nalatenschap toe te vertrouwen, op voorwaarde dat u in eigen persoon alle papieren ter plaatse in orde komt brengen.” Gezien Anne-Theresa al enkele jaren sukkelde met haar gezondheid en hoge verzorgingskosten had gehad, was haar vergaard fortuin inmiddels geslonken tot enkele honderden euro’s. Was het daardoor dat ze haar laatste adem had uitgeblazen? Of was ze werkelijk aan het einde van haar krachten gekomen? Al deze vragen lagen op haar te wachten in Mexico, het artistieke walhalla van haar tante. Ze boekte vrijwel meteen haar ticket. Gelukkig had ze ooit al een zomercursus Spaans gevolgd, zodat ze er zich toch een béétje zou kunnen behelpen. Zelf zat Tara er ook niet meer zo warmpjes in, sinds ze zich had gefocust op het schilderen. Hoewel ze al enige naam verworven had in de kunst-business met haar laatste tentoonstellingen in Antwerpen, bleef het een kwestie van de eindjes aan elkaar te knopen, zélfs toen ze die halftijdse job nog had. Verre reizen naar exotische oorden had ze al lang uit haar regime geschrapt.  Daarom dat dit bericht haar een nieuwe impuls gaf. Ze was erdoor geroerd te weten dat ze al die jaren een artistieke tante had gehad, al hadden haar ouders haar daar nooit over verteld. En dat deze tante nota bene haar laatste centen aan háár toevertrouwd had! Het intrigeerde haar ook dat ze haar expliciet gevraagd had om de zaakjes ginder af te gaan handelen. Alsof er iets op haar wachtte, ook al zou er van dat ‘fortuin’ niet veel overblijven na deductie van de vliegkosten. Enkel haar man had ze ingelicht van haar plotse vertrek. Ze keek al uit naar de afspraak met de advocaat morgen.   “Ladies and gentlemen, the Captain has turned on the fasten seat belt sign. We are now crossing a zone of severe turbulence. Please return your seats and keep your seat belts fastened. Thank you.” Jeetje, dacht ze, hopelijk gaat dit snel voorbij. Buiten was het inmiddels pikdonker. Ze concentreerde zich op haar ademhaling. De bemanning leek gelukkig heel rustig. Een tiental minuten later was alles weer normaal. Ze besloot in te dutten en haar welbehouden oversteek verder volledig in handen te geven van Whyfly.                                                                             II.   Ze was blij dat ze na 13 uur vliegen -waarvan 7 naast een stinkende man met overgewicht- uit haar knellende stoel verlost werd. Bovendien werd ze opgewacht door een puike, afgeborstelde man in donkerblauw pak aan de toeristenuitgang van de luchthaven van Mexico City. Hij hield een bordje “Sra Tara Van Thillo” vast. Toen ze naar hem toe stapte, stelde hij zich voor en vroeg hij heel beleefd of ze een goede vlucht had gehad. Hij nodigde haar meteen uit voor een kort gesprek in de loge van het Hilton-hotel tegenover de luchthaven. Deze was immens en veel moderner ingericht dan ze verwacht had, in natuurlijke zandtinten. “Dus je hebt haar nooit gekend, je tante?” vroeg de advocaat.                                  “Nee, helaas niet. Gek he?!” zei Tara. “Ik ben wel benieuwd meer over haar te weten te komen.” “Dat zal wel. Je tante had een joviale, warme persoonlijkheid. En ze was best gekend in Mexico als fotografe. Je zal nog wel werk van haar zien. Hoelang blijf je?” vroeg ie. “Zes weken, denk ik ongeveer, maar ik heb nog geen terugvlucht geboekt, daarvoor dacht ik de erfenis te benutten” en ze checkte even haar telefoon of ze hier ontvangst had. De advocaat onderdrukte een zenuwachtig kuchje. Een zweetparel liep van zijn slapen. “Wel, ik wens je heel veel plezier. Hier zijn de sleutels van haar laatste verblijfplaats, een gehuurd appartement. Eén van de buitendeur, en één van het appartement, op de vijfde verdieping. Je kan zolang wel blijven denk ik want de eigenaar is nog op zoek naar een nieuwe huurder. Het is wel al grotendeels leeggemaakt. Wat er overblijft van haar vermogen zal je in een bankkluis vinden. OK? En hier heb je ook nog een brief van haar, gericht aan jou.” “O zo fijn, hartelijk dank. Zeg en wat een mooie sleutelhanger, en zo’n prachtige vlinder erop!” zei ze bewonderend. “Die? O ja, die is gemaakt van jade, een groene natuursteen. Volgens de Maya’s en Azteken was het een geluksbrenger: hij zou je een voorspoedig leven bezorgen, of zelfs onsterfelijkheid.” “En deze vlinder heeft ook een masker op zijn rug. Wat toevallig! Maar het lijkt geen doodshoofdvlinder. Deze soort heb ik nog nooit gezien!” kirde ze opgewekt. “Hmm… je gaat nog veel leuks tegenkomen in Mexico, daar ben ik zeker van. Het adres van het appartement had je ook al gekregen en de sleutel en de code van de bankkluis krijg je woensdag, op onze nieuwe afspraak om 10 uur in het café vlakbij het appartement. Ik moet nog ’t één en ’t ander in orde brengen. Lukt dat?” “Zeker. En ik kan gewoon het openbaar vervoer nemen om naar het appartement te gaan?” “Ja, of een taxi als je meer privacy wil, die zijn hier veel goedkoper dan in Europa”, en hij trok één mondhoek omhoog. Ze zag nu een gouden hoektand fonkelen in zijn gebit, met een diamant erin, wellicht als barometer voor zijn professioneel succes. Ze keek nog es goed naar hem. Wat raar dat hij nog dingen moest regelen, dacht ze. Haar tante was toch al even overleden ondertussen? En als de erfenis toch niet zo veel bedroeg… En wat gek van die diamant. Het leek haar eerder iets voor een rapper of een zware jongen dan voor een zakenman. Enfin, ze maakte zicht vast onnodig zorgen. Ze keek nog es op haar gsm, maar ze zag nog steeds geen signaal. Dat wilde ze ook zo snel mogelijk in orde brengen, die gsm-connectie. “Zo. Dat zijn dan 6100 pesos alstublieft. U kan -liefst zo snel mogelijk- betalen per overschrijving op dit rekeningnummer”, en hij overhandigde zijn visitekaartje met alle gegevens op. “Carlos Solano Ingenuo. Abogado….” “Euh. 6100 pesos. Dat zijn euh…” “285 euro, ja” dat zal wel lukken met die erfenis van u weldra. Nu moet ik gaan. Er wacht me een volgende afspraak.” Hij nam afscheid met een stevige handdruk. Ze rook plots een walm van sterke drank. Voor hij wegging, streek hij nog even door zijn gitzwarte haren, zette zijn pikzwarte zonnebril op en stapte in lang rechts in een zwarte auto met geblindeerde ramen en onzichtbare chauffeur. De wagen scheerde met piepende banden weg.                                                                          III. Tara draaide de sleutel in het slot. Het duurde een volle vijf minuten eer ze ook maar enige beweging in de voordeur kreeg. Op de binnenkoer lag her en der speelgoed en wat rommel verspreid. Er waren ook stukken plaaster van de gevels naar beneden gevallen. Tientallen planten stonden in kleurrijke potten tegen de buitengevels. Op het dak joegen twee krolse katten elkaar met loeiende sirenes achterna. Achter een stalen deur vond ze de traphal naar de appartementen. Ze beklom de 5 verdiepingen. Luid gepraat weerklonk van achter de deuren, en televisie in het Spaans met Mexicaans accent. De houten deur van haar appartement ging gemakkelijker open. Het was er eenvoudig, maar netjes. De meeste meubelen waren inderdaad al weg, behalve een bed en wat keukengerei. Aan de muur boven het bed hing een foto van tante, tijdens één van haar fotovernissages. Ze leek niet echt op Tara’s vader en had eerder iets weg van haar grootmoeder. Daaronder hing een foto van Anne-Theresa met een oudere man. Ze stonden voor een bizar uitziend gebouw met surrealistische trekjes, te midden van een oerwoud. Haar haar was in vlechten omhoog gestoken, afgewerkt met roze hibiscus-bloemen. Ze droeg grote gouden oorbellen. Tara haalde het kader van de muur en tuurde er lang naar. Toen ze het terug wilde hangen, viel er een gevouwen A5’je uit. Het was een kort liefdesgedicht in het Spaans, ondertekend door Sir Edward Jade.                                                                 “Poco a poco,                                 Suave como tu cantar,                                 Has sido envenenándome de ti, de tu savia,                                 De tu veneno fresco y Flamenco.                                 Flamenca Maga                                 Me tienes en tus manos                                 Y me lees como un libro.                                Me rompes y me curas.                                Sabes, me pone loco no verte durante tanto tiempo.                                Como lo hago sin mi Elfa mágica que con un abrazo                                Me roba, me convierte,                                Me baila, me sopla y                                Me cante entre otros maravillas.                               Estoy enamorado de usted, y usted lo sabe no?                               Tu mirada que me habla,                               Tu cordura y tus aretes, y                               Tus aceites y tu pony de niña...                                  Un suspiro.”                                                                      Sir Edwarde Jade   Tara herlas het  briefje meerdere keren. In haar bescheiden Spaans kon ze toch al begrijpen dat zijzelf tot nu toe nog nooit zulke poëtische brief gekregen had. Plots wekten spelende kinderen op de binnenkoer haar nieuwsgierigheid. Ze hing het kader terug en stak het briefje terug op zijn oorspronkelijke plek. De kids waren enthousiast aan het voetballen. Vanuit het andere raam zag ze een horde luid zingende lagere schoolkinderen voorbijgaan, hand in hand en per twee, de juf enthousiast zingend vooraan. Noch voor haar, noch voor deze kids leek het schoolgaan een ‘opdracht’. Ze zongen toonvast, vol overtuiging en stapten in cadans op het ritme van de melodie. Op een bank ernaast zat een jong koppeltje te kussen onder een paarse Jacaranda (de naam van die veel voorkomende boom in Latijns-Amerika had ze al opgezocht in haar Lonely Planet-gids!). Dit idyllische uitzicht werd verstoord door gestommel op de trappen. Een moeder riep luidkeels haar kinderen naar binnen. Een deur sloeg dicht. Toen Tara de gang opging om te gaan kijken, holden de kinderen haar voorbij en begroetten haar in een vrolijk Spaans. Ze renden ze haastig weer terug naar beneden, deze keer naar buiten. De moeder stond hen nog na te roepen van achter de balustrade op de hoogste verdieping en draaide zich nu boos om, ging haar flat terug binnen en sloot de deur achter zich. Tegen de balustrade stonden meerdere vuilniszakken uitgestald, waaruit een vies goedje naar beneden drupte. Terug binnen ging ze op het bed zitten om de brief van haar tante te lezen die ze van de advocaat had gekregen.   “Liefste Tara, Het spijt me dat ik nu pas van me laat horen. Sommige familiezaken kan je maar beter z’n gang laten gaan, al heb ik altijd van je gehouden sinds ik wist dat je geboren was. Zelf heb ik nooit kinderen gekregen. Niet alles wat we willen beheersen ligt altijd binnen ons bereik. Soms is het zelfs zo dat hoe harder we proberen, hoe harder het ons ontglipt. Maar toch wil ik alsnog iets voor jou proberen te betekenen, al kunnen we elkaar niet meer live spreken nu. Voordat ik in het appartement in Mexico DF introk, waar jij nu allicht verblijft, woonde ik met Sir Edward Jade, een Australisch-Mexicaanse beeldhouwer en architect in een prachtig bouwsel van hem, in een subtropisch woud ten Noorden van Mexico. Ik zou graag hebben dat je daar naartoe reist, al is het om te zien hoe paradijselijk het er was. Ik weet dat ik niet veel fortuin kan nalaten, maar daar heb ik ook nog twee van mijn allermooiste kunstfoto’s bewaard. Het staat je vrij ermee te doen wat je wil. Eduardo Junior zal je hen tonen, zo heb ik hem opgedragen. Eduardo is de zoon uit een ander huwelijk van Sir Jade. Hier is het adres en zijn telefoonnummer. Wacht er niet te lang mee, want dit appartement zal weldra verhuurd worden.   Veel liefs, uit het diepste van mijn hart. Het ga je goed, Je tante, Anne-Theresa Van Thillo.  PS Mag ik vragen in ruil om de liefdesbrieven die Edward aan me schreef, goed bij te houden? Het is het kostbaarste wat ik had. Ze liggen in de bankkluis, samen met de erfenisdocumenten (waarmee je het geld kan innen van mijn rekening) en wat juwelen.”                                                                                IV. ’s Anderendaags ging ze de buurt verkennen, met haar foto-apparaat als trouwste vriend rond haar nek. Ze wilde even alles op een rijtje zetten en de brief van haar tante laten bezinken. In een park zag ze gigantische eekhoorns. Op een bonte openluchtmarkt lagen sandalen van autobanden uitgestald naast tortilla’s en meelwormen. Clowns en straatartiesten deden bezwerende kunstjes en jonge koppeltjes probeerden te overleven van zelfgemaakte juwelen. Zelf geknutselde Jezussen en Maria’s waakten over dit folkloristisch schouwspel vanop een kleurrijk altaartje en zagen dat alles goed was. Tegen 2 uur ’s middags ging ze het café binnen, nabij haar tantes appartement.  De anti-tabakswet was er duidelijk nog niet van kracht. Aan de toog hingen enkele mannen met houthakkershemd en ranzige buik te vegeteren. De klok leek stil te staan voor hen. Ze bestelde een café con leche. Vanuit hun ooghoeken namen ze haar behoedzaam op van kop tot teen, en weer omhoog. Op de achtergrond weerklonk een bonte en tijdloze mix van “Besame mucho” van Pedro Infante, de Negende van Beethoven en Rihanna’s “Shine bright like a diamond”. Opeens zag ze een bordje op de toog staan met: “Prohibido a mujeres, menores y uniformados” erop.  Wanneer de serveur haar koffie kwam  brengen wees ze verontschuldigend naar het bordje, maar de ober stelde haar gerust en zei: “Voor toeristen maken we een onderscheid. Verblijft u hier ergens?” En ze vertelde dat ze het nichtje was van Anne-Theresa Van Thillo en dat ze de plek en het land kwam verkennen waar haar tante zo lang gewoond had. “Innige deelneming,” zei de cafébaas in het Spaans. “Señora Van Thillo was een vriendelijke dame. Een beetje gek wel, zoals alle vrouwen, maar vooral de artiestes!” Bulderde hij van het lachen. De tooggangers vielen hem bij als verveelde rottweilers die zich opjutten tegen een kleine chihuahua. Tara had geen zin om hier uren te blijven rondhangen en stond op zodra haar koffie uit was, want ze had ook honger gekregen. De volgende ochtend ging ze tijdig naar haar afspraak met de advocaat, in diezelfde bar nabij haar appartement. Er was meer geroezemoes dan de dag ervoor. Venders van cigaretten en traditionele armbandjes kwamen regelmatig binnen om hun waar aan cafégangers proberen te verpatsen. Ze bestelde weer een een con leche en checkte nogmaals het bereik van haar smartphone, maar hij was nog steeds dood. Daar moest ze straks toch ook dringend es gaan naar informeren, dacht ze, en bladerde wat in een magazine die op haar tafeltje lag. Haar man zal misschien toch willen weten of ze goed is aangekomen. Toch probeerde ze de laatste tijd zich niet meer zo aanhankelijk op te stellen. Dat werkte immers nooit bij hem. Zonder het te merken ging er een halfuur voorbij. Eén van de ongeschoren mannen aan de toog kwam van zijn kruk en sprak haar aan in een onbegrijpelijke taal. Ofwel was ie straalbezopen (wellicht sowieso het geval), ofwel moest het één of andere traditionele Mexicaanse taal zijn, dacht ze. Ze gebaarde onbegrijpend naar zijn makker op de andere kruk, om te vragen wat ie haar wilde vertellen. Deze vertaalde: “Pregunta que si Usted está esperando a alguien?” Beide mannen keken haar nu iets te begeerlijk aan. Hun buiken puilden uit hun joggingbroeken. Gouden kettingen met amuletten van Jezus Christus en het heilige kruis bengelden tussen hun borsthaar. De ene man kwam op haar tafeltje leunen. Zijn navel niet meer te bespeuren in het landschap van weelderig gevouwen buikorgaan, dat zich golvend en blubberend voor haar ogen voltrok. Op de radio klonk het salsanummer “Me liberé”. Zou ze hen kunnen vertrouwen, vroeg ze zich af? Nu ja, als ze discreet bleef, zou er vast niks mis kunnen gaan. En ze zei dat ze op Mr. Carlos Solano Ingenuo wachtte, de advocaat. De twee mannen keken elkaar plots verschrikt aan. Ze leken als door een bliksem getroffen en wisten de eerste seconden niets uit te brengen. Oei, ik zal toch niks verkeerd gezegd hebben, dacht ze. De man met het inheemse dialect nam de krant beet die slordig op een tafeltje lag en drukte die snel in haar handen. “El abogado Carlos Solano, met kort haar en gouden tand? Dat zal niet meer mogelijk zijn vandaag” zei ie, wijzend op pagina 3 van de krant. Daar stond in het groot een foto van haar advocaat met in het vet: “Abogado recibe 3 años de cárcel para un asunto de narcotráfico” (nvdr “Advocaat krijgt 3 jaar owv drugshandel”). Onderaan stond in het klein een extra foto waarop je hem met gebogen hoofd zag weggevoerd worden door politiemannen. Nee, dacht ze, dit kon niet waar zijn? Zou mijn tante geweten hebben dat hij bij louche zaakjes betrokken was? Ze keek nog es naar de twee cafégangers, maar deze bestelden een nieuw Sol-biertje en staarden zwijgend voor zich uit. Buiten reed een combi traag voorbij met de raampjes naar beneden. Twee agenten keken naar binnen om een oogje in het zeil te houden. Tara wist even niet wat te doen of wie nog te vertrouwen. Ze had al gehoord dat politie in Afrika of Latijns-Amerika vaak even corrupt waren als de criminelen die ze vervolgen, maar tenslotte had haar tante deze advocaat in vertrouwen genomen. Wilde ze die foto’s en liefdesbrieven van haar grootmoeder in bewaring nemen zoals ze haar gevraagd had, en een terugvlucht zien te verzilveren, zou ze ervoor moeten zorgen dat ze die sleutel van die kluis te pakken kreeg. Maar hoe? De baas bood haar een nieuwe koffie aan om even te bekomen van alles. Toch sympathiek, dacht ze. Toen ze de melk door haar koffie wilde roeren, bemerkte ze dat er een papiertje onder de tas zat geschoven met daarop gekribbeld: “Vuelva aqui a la una de la noche cuando cierro el bar. Sé donde está lo que usted está buscando. Procure usted 5850 pesos.” (nvdr “Kom om één uur vannacht terug wanneer ik de bar sluit. Ik weet waar hetgeen u zoekt zich bevindt. Breng 5850 pesos mee.”) Ze keek nu spichtig naar de cafébaas, die met zijn rug naar haar toegekeerd de glazen stond af te drogen en ze op het rek achter de toog zette. Jeetje, dacht ze, zou hij me straks de sleutel gaan overhandigen? Of zal hij me gewoon willen bestelen, of wie weet wat nog? Ze stelde alvast de wekker op 01.00 uur in op haar gsm. Als ze wilde betalen voor haar koffie zag ze dat haar handtas die ze op haar stoel naast haar gezet had er niet meer was. “Ook dat nog!” zei ze luidop. Ze had misschien niet zoveel Stephen King moeten lezen de avond ervoor. Gelukkig had ze de sleutels van het appartement nog en haar foto-apparaat rond haar nek. Ze vroeg aan de cafébaas of hij iets gezien had. “Nee,” zei ie, “je moet goed op je spullen letten, want dieven liggen hier overal op de loer” en beet met luide krak een tandenstoker in twee. Toen ze vroeg waar ze het dichtstbijzijnde politiekantoor kon vinden, legde hij haar met lange tanden uit hoe ze er naartoe kon gaan. “Maar die gaan je niet kunnen helpen hoor, sweety.” Twee dagen in Mexico en ik lijk al verzeild in criminaliteit, dacht ze bij zichzelf! En zij die de extreem gewelddadige beeldvorming van dit land in Amerikaanse films steeds had afgedaan als overdreven. Of was dit gewoon een spijtig en uitzonderlijk toeval? Compleet van haar melk, ging ze langs op het politiekantoor. Grote Mechelaars lagen op de deurmat voor de ingang los en ongemuilkorfd te slapen. Ze keken niet op toen ze binnenkwam. Drie stoere agenten stonden te praten met elkaar, een koffietje in de hand. Als ze binnenkwam, werd ze tweemaal van kop tot teen bekeken. Ze begroetten haar en vroegen: “dus je bent alleen, hier in Mexico?” Ja zegt ze. “Maar je spreekt Spaans, dat is al goed nietwaar!” liet hij als een compliment klinken. Ze vertelde dat ze zopas bestolen werd, maar verzweeg de nakende afpersing door de cafébaas. Eén van de mannen vroeg haar te gaan zitten en ze deed een beetje zenuwachtig haar aangifte. Ze hoopte dat ze er niet verdacht uitzag. Ze had toch ook niets te verbergen, toch? Eens buiten, besloot ze even langs het appartement te gaan om van alles wat te bekomen en vond een boekje onder het bed: “Cien sonetas de amor” van Pablo Neruda. Ze las er een paar gedichten uit en viel dan in slaap op haar bed. In haar dromen zag ze iemand met een groen masker op van één of andere precolumbiaanse stam, naar haar wenken, al zingend in een voor haar geheel onbegrijpelijke taal. In haar reisgids had ze dezelfde maskers zien verschijnen bij de Maya’s en Azteken. Ze kwam dichterbij. Dan deed de persoon zijn masker af. Het was haar tante. Ze gaf nu het masker aan haar en gebood haar het op te zetten. Meteen voelde ze zich anders: licht en lyrisch leek ze te zweven in een gelukzalige trance. Alles en iedereen om haar heen scheen haar liefdevol, in idyllische kleuren toe. Een man met weelderig zwarte krullen stond in een lang wit kleed te dansen voor een groep vrouwen. Ze volgden blindelings zijn bewegingen, wiegend op muziek. Hij nodigde haar uit om mee te doen. Dan schrok ze door luid gestommel, wakker uit haar droom. Ze hoorde weer joelende kinderen de trap afhollen en hun moeder die achterna tierde. Om één uur ’s nachts kraaide de haan op haar gsm.                                                                             V. Omgekocht door de cafébaas en nog een duizendtal euros lichter aan bank- en notariskosten, kon ze eindelijk richting het kasteel vertrekken, waar haar tante het grootste deel van haar leven had doorgebracht als fotografe. Haar gsm-bereik was intussen ook in orde. Kotsend van de haarspeldbochten kwam ze de bus uit gestrompeld bij aankomst. Ze was zelden zo wagenziek geweest, maar de aanblik van zoveel groene exotische weelde en de rust, deden haar al snel bij positieven komen. Eduardo Jade Junior deed niet open toen ze na lang zoeken een koperen deurbel vond. Het was zijn sirviente, die haar vriendelijk gebood binnen te komen en te wachten op hem in een naar vanille en cocos geurend vertrek. Ze bood haar een tas verkwikkende chocolade aan van zelfgeroosterde cacaobonen. Na een halfuurtje kwam Jade Junior binnen, met enkele mango’s. “Ah jij moet het nichtje van Anne-Theresa zijn, riep ie uitbundig uit, en hij begroette haar hartelijk en met een stevige omhelzing. “Dat klopt” zei ze blozend. Even later leidde hij haar rond in de tuin en de natuur rondom het kasteel. Ze had nog nooit subtropische planten en bomen in het echt gezien. De geluiden van de dieren op de achtergrond waren betoverend mooi. “Dit was de lievelingsfontein van mijn vader” zei Jade Jr. Hij deed zijn teenslippers uit en liep door het koele water. “Kom je mee?” Beiden waadden ze door de heldere bron. Plots vloog er een zwerm grote, helblauwe vlinders voorbij. Ze fladderden even rond Jade. Eén ervan ging zelfs zitten op zijn schouder. De vlinder had een tekening van een masker op z’n rug. “Maar dat is dezelfde vlinder als op de steen van mijn sleutelhanger?!” riep Tara verrast uit. “O, heeft zij je die sleutelhanger gegeven?” vroeg Jade. “Wat leuk!” “Mijn vader gaf het haar ooit cadeau, geloof ik. Wist je dat deze vlindersoort nog nooit geregistreerd werd, door geen enkele botanicus ter wereld. Maar dat is ons geheimpje, beloofd?” “Ok, ik zweer het op het graf van mijn tante zaliger. Maar ik ga toch een foto van je nemen met die vlinder op je rug. Blijf nog even stil zitten!” Nadien klauterden ze de heuvel op, naast de fontein. Op de takken van de bomen die hen omringden, groeiden weelderige varens. Door het gebladerte brandde de hete zon niet zo fel op haar hoofd. Vanaf hier hadden ze een wondermooi uitzicht over gans het woud en de omgeving. Het kasteel was eigenlijk geen echt kasteel, maar een verzameling knotsgekke, kleurrijke bouwsels die planten en bloemen uitbeeldden. Ze keek nog es goed naar Jade en moest toegeven dat ze nog nooit zo’n warmhartig en knap natuurmens ontmoet had. Een zwerm vlinders leek nu door haar onderbuik te razen en haar op te tillen tot hoog boven de heuvel. Ze besloot dat ze zich de komende dagen niet zou inhouden voor wat dan ook en zich volledig zou overgeven aan de natuur en deze zalige zinnenpracht. Haar man had haar al lang genoeg genegeerd en van constructieve gesprekken was er de laatste maanden niet echt sprake geweest. Eens terug binnen, liet Jade haar de twee grote foto’s in kader zien waar haar tante van gesproken had. De ene beeldde een traditionele sjamaan met gevederd hoofddeksel uit. Op de andere stond een meisje met lange vlecht naar een strand te staren, met de sleutelhanger van jade in haar hand! Tara voelde ineens iets warm langs haar arm omhoog glijden: het was de jadesteen van haar sleutelhanger, die Jade vast had. Hij gleed er behoedzaam mee naar boven, over haar schouder tot in haar nek, verder langs haar sleutelbeenderen tot in het kuiltje van haar hals, tot bij haar lippen. Hij sloot z’n ogen. Ze sloot haar ogen. Hij zoende haar voorzichtig, genietend van elke seconde, elke beweging, in perfecte harmonie met alle natuurgeluiden rondom. Vier weken gingen er zo voorbij. Tara had de gedachte aan haar terugvlucht zo lang mogelijk uitgesteld. Op een ochtend kreeg ze een berichtje in haar inbox. “Tara, ik mis je. Het spijt me dat ik zo koppig was. Waar ben je? Laat je me iets weten? Je echtgenoot.” Ze vertelde aan Jade dat ze nog geen terugvlucht geboekt had, maar dat ze dit nu wel overwoog. Dit leven hier was als een droom, maar niet de hare. Ze paste niet in het plaatje. Of durfde niet. Bovendien was ze nog getrouwd. Ze wist alleen niet hoe ze die vlucht zou betalen. Jade streelde door haar haren. “No te preocupes, mi amor” zei ie zachtjes. De week erop ging ie naar Mexico City om de twee foto’s aan een galerij te verkopen. De eigenaars waren vrienden van de familie. Tara had zichzelf plechtig beloofd om de foto’s ooit terug te nemen als ze genoeg geld zou verdienen met haar eigen kunstwerken en ze sloten een deal.   Bij hun afscheid op de luchthaven kraaiden honderd kaketoes en duizend hyena’s huilden in de donkere nacht.                                                                                            VI.   “Geef toe, het was geen slecht idee he, die digitale afdruk van die vlinder te schilderen?” zei Tara trots tegen haar man. “Dat heb je zoals altijd super gedaan, schat, en dat op slechts enkele weken tijd” antwoordde hij en hij wiegde haar zachtjes in zijn armen terwijl hij op haar oorlel knabbelde en over haar bolle buikje wreef. “En ik ben ook zo blij met ons aanstaande cadeautje” neuriede hij in haar oor. “Niet te familiair worden he zoet, de pers wil ook nog een stukje van me, straks. Dat is wel de nationale TV-zender die hier naartoe gekomen is he!” en ze maakte zich uit zijn armen los om toe te stappen op de reporter die haar werk aan het filmen was. “Heeft u nu even tijd voor een interview, mevrouw Van Thillo?”   “Jazeker, shoot!” maar ze checkte eerst nog even haar gsm, die ze voelde zoemen in haar broekzak, trillend tegen de sleutelhanger van jade.

Lena
310 1

De havik, de villa en de draak

Het landgoed was een kwartier van de kleine haven verwijdert, had meneer Hawk gezegd. Het enige dat me opviel terwijl hij ons leidde, was dat er niets echt opviel. Er was geen dorp, winkel of elektriciteitspaal te zien. Enkel dezelfde groene bomen aan weerskanten, in twee gespleten door de smalle zandweg. De weg zat vol gaten, en het water spatte hoog op als we hobbelden. Het was bijna even ongemakkelijk als de boottocht hier naartoe. Ik aaide Mimi, zelfs zij leek het spannend te vinden.Pa zat alleen achteraan met zijn armen gekruist. Vreemd dat ook hij nooit iets hiervan geweten had. Dat mama hier vandaan kwam. Het leek me een vreemde toevalligheid dat ze Nederlands kon spreken toen ze mijn vader ontmoette. Een taal van amper twintig miljoen sprekers. Dit eiland kon ons de antwoorden geven die ik lang gezocht had. Haar mysterie kon misschien eindelijk ontrafeld worden.Voor ik langer in mijn gedachten kon vertoeven, vertraagde de camionette en draaide het naar links. Ik hoorde het geknisper van kiezels dat geplet werden onder de grote banden. De bomen wijkten uit en maakten plaats voor een grote, ronde plein. In het midden daarvan stond de villa. Al leek het eerder een kasteel. De façade bestond uit bruine bakstenen, hoewel ze misschien ooit rood waren geweest. Andere delen van het gebouw bestonden dan weer uit natuursteen, grillig van vorm en glad. Klimop groeide aan de schaduwkant van het gebouw, helemaal tot aan het dak. Er was een toren met een plat dak en grijze kantelen. Grote ramen weerspiegelden de groene bossen rond het gebouw. Ik vroeg me af wat het gebouw hier deed, wie het hier had neergezet en waarom. Waarschijnlijk kon er een heel dorp in wonen, zo groot was het. Statige trappen brachten je naar de imposante dubbele deuren uit donkerbruin hout met een gulden deurknop. Dit was een residentie voor prinsen en presidenten. Voor schrijvers met rijke vrienden. Voor een excentrieke uitvinder die na zijn ontwerp te hebben verkocht, een plek zocht om rustig te kunnen leven. Ik was geen van die dingen en toch was ik hier. ‘Zo, genoeg gezien om me te geloven?’ vroeg meneer Hawk toen hij de camionette stillegde. De airco stopte, en er volgde een complete stilte. Hawk draaide zich om en keek me aan met zijn blauwe ogen achter zijn ronde bril. Zijn blik leek door mijn hoofd te kunnen zien. ‘Dit is onmogelijk,’ zei ik. ‘Dit ís onmogelijk,’ beaamde mijn vader van achter. ‘Waarom zou een tante die haar nog nooit heeft gezien, haar zomaar een kasteel op een eiland nalaten?’ ‘U weet allicht wel dat ik een goede band had met uw schoonzus, meneer Davids. Samen hebben we veel bereikt in deze wereld. We hebben in Zuid Afrika gejaagd op de Beezelpus. In Turkije op de Hoveratu. In Groenland op de Mordenkan en de Inal. Talloze keren redde ze mijn leven. Het was een speciale vrouw, moet u weten. Met haar geheimen en ideeën over de wereld. Maar in al haar reizen heeft ze nooit de liefde gevonden. Nooit is ze getrouwd of heeft ze kinderen gebaren. Er was niemand anders dan jouw dochter die het verder kon zetten.’ ‘Ik? Wat moet ik verder zetten?’ vroeg ik. Er zaten duizend vragen in mijn hoofd, tot die laatste zin viel. ‘Wel, het verhaal natuurlijk. De legende.’ Na dat gezegd te hebben, deed hij de deur open en stapte hij naar buiten. Hij strekte zijn armen uit alsof hij de hemel wou omhelzen. Ik keek naar pap, hij haalde zijn schouders op. ‘Komen jullie nog? Er is veel meer te zien dan het interieur van een voertuig, geloof me.’Mimi volgde de man naar buiten en rende richting de villa, haar staart omhoog. Ik stapte uit. ‘Pa, kom je?’ Hij gromde en stond op. De camionette waggelde terwijl hij zich naar voor begaf. Ik draaide me om en keek rond. Mimi was al uit het zicht. ‘Als je nog steeds denkt dat dit een grap is, meneer Davids, dan verzeker ik u, dat is het niet. Ik ga mijn tijd niet verdoen met het opzoeken van een meisje om haar uit te nodigen naar Nieuw Zeeland, alleen maar om haar op te lichten. En ik zou zeker niet de tickets betalen en haar vader mee uitnodigen.’ ‘Welke legende? Wat was mijn tante dan?’ vroeg ik meneer Hawk, terwijl hij met een stevige tred naar de trappen liep. ‘Je komt er weldra achter, mag ik eerst-’ Zodra zijn hand aan de klink kwam, ging de deur open en een dikke man stormde naar buiten. Hij leek het meest op een dikke mimespeler uit de cartoons, alleen zonder de make-up, hij droeg een ruime, zwarte kleren. De man ontweek meneer Hawk dat zijn arm uitstrekte en omhelsde me. Ik hoorde mijn rug kraken, voelde mijn ribben buigen en rook een zweetlucht. Voor ik kon beslissen wat het ergste was, liet hij me los en keek me glunderend aan. Alsof ik een puppie was dat voor het eerst de krant had gebracht.‘Mras-kapala, wadunkan kunkan ukanuk.’ ‘Ehh,’ stamelde ik.‘Nee!’ zei meneer Hawk. ‘Af! Naar binnen!’ De vreemde man sprak verder in zijn vreemde taal. Er kwam blijkbaar veel speeksel bij kijken voor een goede uitspraak. ‘Het spijt me,’ zei meneer Hawk. ‘Hij had moeten wachten.’ ‘Meis, alles okee?’ pa kwam aangelopen. Ik knikte en kuchte. ‘Wie was dat? Woont hij hier ook?’ vroeg hij aan de advocaat. ‘Natuurlijk, meneer. U dacht toch niet dat deze villa leeg zou staan?’ ‘Jullie hebben vreemd personeel.’ ‘Oh nee, u begrijpt het verkeerd,’ zei hij tegen mijn vader, toen draaide hij zich terug naar mij. ‘ Uw tante heeft nooit echt personeel gehad, Aurélie. Dit zijn haar gasten.’ Toen stapte hij de drempel over, wij volgden. Ik haperde, alsof mijn hoofd een seconde leeg was. Van buiten leek de villa gigantisch, maar eens binnen drong het echt door.Ik zag een enorme hal, met een dubbele trap tegenover. Er waren vier deuren aan de linker en rechter kant, en twee achter de trappen. De tegels waren zwart en wit, als een enorm schaakbord. Er hing een luster dat zo uit Versailles leek te komen. De vreemde man brabbelde nog steeds verder, en keek me aan terwijl hij langzaam de trap opliep. ‘Welke taal spreekt hij?’ vroeg ik. ‘Dat weet je toch al, niet dan?’ zei meneer Hawk. Ik stamelde. ‘Je weet al hoe het werkt, denk eens terug aan de mail die je me schreef, drie dagen geleden.’ Ik dacht even na, toen wist ik het; de steen! Ik grabbelde in mijn broekzak en haalde toen de steen naar boven.Het was een smaragd groene steen met een gat in het midden, een beetje als een oneven ring. Maar het diende niet om aan je vinger gezet te worden. ‘Je vader is misschien moeilijker te overtuigen, maar jij wist het natuurlijk al.’ Meneer Hawk glimlachte naar me en knikte. ‘Wist wat al?’ vroeg mijn pa. Ik zette de steen voor mijn rechteroog en pitste de linker dicht en alles wat ik zag veranderde. Er was een regenboog in de kamer gevallen. Alles zag er anders uit, alsof je onder water naar de zon keek, maar dan met talloze kleuren. De vreemde mime-man dat me zojuist omhelst had, was nu een soort krokodil met kleine vleugels geworden. Hij keek me grijnzend aan terwijl hij op zijn achterste poten de trap opliep. ‘We gaan nog lol hebben, samen. Ik kan niet wachten!’ zei hij. Uit de voegen van de vloer kwam een paarse wolk. Meneer Hawk zag er hetzelfde uit, alleen droeg hij iets op zijn rug. Het leek wel een zwaard. Maar dat -. ‘Schat, waar ben je me bezig?’ Ineens werd ik me bewust van deze wereld.      

Stelselmatig
0 0

Roger that

Als hij met zijn auto stopte, riepen we om ter snelst 'Roger that'. In een Amerikaanse film hadden we gezien dat een soldaat het tegen zijn walkietalkie zei. “Oke, begrepen”, lazen we in de ondertiteling. We vonden het geweldig grappig om te zeggen als nonkel Roger achterom kwam.  We zagen hem thuis vier keer passeren. Hij moest langs de vier vensters. Het grote raam aan de voorzijde van het huis, drie tellen later het raam bij de tv en dan bij het hoge raam aan de schouw, waar pa altijd zat. Het vierde raam was dat van de keuken, waar we hem opwachtten.  Eenmaal binnen kwamen de verhalen op tafel. Net als vlaai en koffie. En niet lang daarna een flesje bier voor nonkel Roger, dat ik mocht opendoen. Voor onze pa een borrel. Het leek alsof hun mond telkens wat breder werd. Van het lachen. Of van de vlaai. Hij kwam graag en wij zagen hem graag komen. Hij en onze pa waren twee handen op één buik. Ze hadden trouwens dezelfde buik.  Soms zie je het aan het gezicht dat mensen familie zijn. Soms hoor je het aan hun stem. Soms zie je het aan hun buik. Ik moet aan die bezoekjes denken, als ik hem zie zitten op het verjaardagsfeest van ons ma. Zichtbaar vermagerd. Hij is net voor me gearriveerd, terwijl ik naar de slager was. Het is barbecue vandaag. “Ha, ge komt toch nog. Ik dacht, die zit zeker al op hete kolen", lacht hij als ik me aan tafel zet.  Al snel ligt de jaarlijkse verjaardagszin op de tuintafel. “Och, een jaar is niks”, zegt de jarige. “Het vliegt voorbij.” “Nee, twintig jaar is niks”, zegt nonkel Roger. “Ik herinner me nog, toen wij klein waren, dat mensen van 80 jaar stokoud waren. Nu ben ik zelf bijna zo oud. Het is niet te geloven”.  Er is iets van. Je ziet jezelf nooit zo oud als je bent. In je hoofd zit nog die dertigjarige. Zo is het ook bij nonkel Roger. Op zijn 75e kreeg hij een hartaanval. Hij is er goed doorgekomen, maar hij loopt er sindsdien ontzettend verkrampt bij. Meestal met zijn armen gekruist over zijn borst.  Alsof hij tijdens die hartaanval alles wou vasthouden zoals het was. Alsof hij niets wou loslaten.  Zoals dansen, zijn passie. Bij elk feest droeg hij witte schoenen. Meteen klaar om een dansje te placeren. “Nee, dat dansen gaat nu niet meer”, zegt hij. “Ik ga nu elke week petanquen. Dat lukt nog. Daar laat ik de ballen maar wat dansen.” Als hij later op de avond naar huis vertrekt zie ik hem door de weerspiegeling van het keukenraam naar het gezelschap kijken.  Hij merkt dat ik hem zie en hij knipoogt. Roger that.  

Rudi Lavreysen
26 0

De vraag

Iets wat grootvader vrijwel elke dag deed, was de stenen van de schouw tellen. Het was misschien een vorm van geheugentraining. Al heb ik dat nooit gevraagd. “Zijn het er nog evenveel als gisteren?”, vroegen we wel eens. Ook zie ik hem nog wakker worden, in diezelfde stoel, na een middagdutje. “Welke dag is het vandaag feitelijk?”, vroeg hij dan. Het leek alsof hij de vraag aan niemand in het bijzonder stelde. Of aan zichzelf. Of aan zijn geheugen. We konden dat vroeger niet begrijpen, dat de dagen op elkaar leken. Want als je naar school gaat, weet je welke dag het is. Zeker als je niet naar school moet. Misschien deed hij dat om te testen of hij zich de dag van gisteren nog kon herinneren. Maar ook dat heb ik hem nooit gevraagd. Nu, zoveel jaren later, word ik wel eens wakker met dezelfde gedachte. “Welke dag is het vandaag feitelijk?” Grootvader liep altijd naar de keuken, om op de scheurkalender te kijken of ons antwoord wel klopte. Of we hem niets op de mouw spelden. Tegen dat ik ’s morgens in de keuken ben, is het in mijn hoofd meestal uitgeklaard welke dag het is. Al een geluk, want een scheurkalender hebben we niet meer. Bij het slapengaan verwijderde hij de afgelopen dag van de scheurkalender. Ook dat heb ik hem nooit gevraagd. Waarom hij de dag er al afscheurde, terwijl die nog niet helemaal voorbij was. Het was alsof hij de tijd een stapje voor wilde zijn. Morgen staat klaar. Gisteren is afgescheurd. Er kan me niets gebeuren. Laat gisteren maar liggen. De grap op de achterzijde van gisteren las hij bij het ontbijt van morgen. Eerst in stilte voor zichzelf. Dan luidop voor ons. Daarna de uitleg, waarom hij het altijd grappig vond. Ook dat hebben we nooit gevraagd. Ik had het moeten vragen. Ik had de tijd een stapje voor moeten zijn.  

Rudi Lavreysen
22 0

De rollator in het café

Tijdens een wandeltocht zie ik door het raam van een café een rollator bij de toog staan. Op zich geen abnormaal gegeven, maar het café is gesloten, dus iemand is die rollator vergeten.  "Die heeft iets straf gedronken", zeg ik tegen mijn vrouw. "Na een paar glazen was de rollator niet meer nodig. Of de persoon heeft iets anders voorgehad.” Nu moet u weten dat ik op zich niet nieuwsgierig ben, maar ik weet graag veel. Daarom stap ik de volgende dag het café binnen. Ik zet me aan een tafeltje en bestel bij de patron een tas koffie.  Dan pas zie ik dat er op de rollator een papier hangt. "Van Jos. Laten staan."  "Jos kwam hier al jaren", leest de cafébaas mijn niet uitgesproken vraag. Ik ben wellicht niet de eerste die ernaar kijkt. "Ik herinner me nog de dag dat hij voor het eerst binnenkwam. Een man op leeftijd die niet meer goed te been was. Telkens rond 10 uur. Hij droeg altijd een grijs kostuum en zat meestal aan het tafeltje waar jij nu zit. Met zijn rollator naast hem. Hij bestelde gewoon een koffie. De eerste keer vroeg hij of er een borrel bij kon. " "De volgende dag kwam hij terug en was het een koffie met een knipoog. Daarna wist ik het. Hij was geen grote prater. Een stille genieter. Hij vertelde me dat hij eigenlijk geen borrels meer mocht drinken. Op advies van zijn dokter en nog meer van zijn vrouw. Telkens als hij zijn borrel leeg had, haalde ik die snel op. Een stilzwijgende afspraak tussen ons. Alsof we het bewijsmateriaal meteen moesten opruimen.” “Een paar maanden geleden liep het fout. Jos zette na zijn knipoog de borrel aan zijn lippen en net op dat moment kwam zijn vrouw binnen. Ik schrok nog harder dan Jos. Er was geen tijd om het bewijsmateriaal op te ruimen. Zijn vrouw plaatste zich naast hem. Toen ik haar aankeek maakte ze een nee-schuddende hoofdbeweging. Alsof ze Nee, ik moet niets hebben wilde zeggen. Of misschien was de betekenis Nee, Jos mag eigenlijk geen borrel." "Even later waren ze samen weg. Toen pas zag ik dat de rollator van Jos er nog stond. En hij staat er nu nog. Voor als hij terugkomt. Omdat ze er 's avonds ooit mee rondhossen in het café, jonge gasten met iets te veel bier in hun lijf, heb ik er dat blad op gekleefd. Hij heeft die rollator nodig, want zonder geraakt hij nog geen tien meter ver.” “Maar die avond is hij toch ook zonder rollator vertrokken?”, zeg ik. “Inderdaad”, zegt de cafébaas. “Dat begreep ik ook niet goed. Zijn vrouw was wellicht met de auto en had misschien voor de deur geparkeerd. Ik heb er eerlijk gezegd niet op gelet. Van het schrikken wellicht. Of ik al gebeld heb? Nee, zijn vrouw kan opnemen. Dat kan ik best niet doen. Dan mag hij zeker niet meer komen.” Ik bedenk me plots dat de patron die geschiedenis verzonnen zou kunnen hebben. Een rollator met een blad in het café en je hebt een verhaal.  Het zou zomaar kunnen.

Rudi Lavreysen
45 0

Bij oma op de koffie

Pralinewinkels? Ze zijn onweerstaanbaar. Bij het binnengaan van een chocolaterie gaat mijn neus open zoals sluisdeuren bij hoogwater. De chocoladegeur stroomt naar binnen. Het verleidende aroma heeft ook meteen een effect op mijn koopgedrag. Een klein doosje wordt al snel 'nee, doe toch maar een grotere doos'. Of 'doe nog maar een extra doosje, maar dat is een cadeautje'. Alsof de verkoopster dat niet door heeft. Het inpakpapier haalt meestal het einde van de straat niet. In de Nederlandse zaak waar we ons bevinden is het niet anders. Terwijl we onze beurt afwachten concentreer ik me op de afgebroken stukken chocolade die zich op de toog bevinden. Om te proeven. Welk stuk is het grootst? "Is het een cadeautje?", vraagt de vriendelijke verkoopster aan de man die net samen met zijn zoon een bestelling heeft afgerond. "Neeeeej", klinkt het op zijn Brabants. "Het is gewoon voor dadelijk, bij oma op de koffie." "Ooooh, gezellig", klinkt het aan de andere kant van de toog. Wat het ongetwijfeld ook is. Onze noorderburen verstaan de kunst om hun meest gebruikte woord in de praktijk om te zetten. Na het afronden, 'doe maar pinnen' is de gebruikelijke term in Nederland, krijgen de man en zijn zoon een mooie afscheidszin mee. "Nou, veel plezier nog bij oma ", zegt de verkoopster bij het overhandigen van het tasje met pralines. Alsof ze de oma in kwestie hoogstpersoonlijk kent. Alsof het haar eigen oma is. Geef toe, ze zijn er bedreven in, onze vrienden van over de grens. Het komt even in me op om te vragen of ik mee mag naar oma, om van die gezelligheid te proeven. En van die pralines. Maar dat zou een beetje gek zijn. Maar ik smelt er wel van. Onze pralines krijgen even later die kans niet.

Rudi Lavreysen
27 0

Op de afspraak: Allerheiligen

Afgelopen zaterdag bij de bloemist: buiten pronken witte, gele, oranje en roze chrysanten in vol ornaat. Een prachtig kleurenpallet, je kan er niet naast kijken. Alsof ze de grijze hemel uitdagen: “Durf nu maar eens te regenen!”. Binnen staan talloze grafstukken mooi geëtaleerd. Keuze genoeg, van potsierlijk, groots tot bescheiden en sober. Allerheiligen zal ongetwijfeld naast Valentijn en Moederdag een topdag voor bloemisten zijn. Aan de kassa rekent een oudere dame af. Ze draagt een mooie, lange, cognackleurige mantel, met daaronder zwarte, lakleren mocassins. Ze heeft een piekfijn, wit kapsel dat mij aan de chrysanten doet denken. Haar bijpassende, dure handtas staat op de toonbank. Ze kocht een chique grafstuk. Ik vraag mij af voor wie het grafstuk is. Haar overleden man? Ik zal het waarschijnlijk nooit weten. Achter haar wacht een jonge man met een baby in een Maxi-Cosi. De baby is niet tevreden met het bezoek aan de bloemist en maakt dit luidkeels duidelijk. De man kiest rap, rap voor een pot witte chrysanten. Hij betaalt en probeert ondertussen de baby te sussen. Maar die laat zijn protest met nog meer decibels horen en stampt heftig met zijn voetjes. De man zoekt zijn evenwicht tussen de Maxi-Cosi in zijn rechterhand en de chrysanten in zijn linkerhand. Opnieuw vraag ik mij af voor wie de chrysanten zijn. Zijn moeder? Ik zal het waarschijnlijk nooit weten. Dan is het mijn beurt. Ik vraag 11 roze rozen aan de bloemist. Voor mij geen chrysanten. Onze blikken kruisen en ik merk even een meewarige blik op in haar ogen. Ze weet waarom ik 11 rozen vraag, en geen 10 of 12. Het kerkhof even verderop krijgt weer een jaarlijkse make-over. Rond deze periode van het jaar zie je mensen met emmers, borstels en zeemvellen af en aan lopen. Zoals bijen die in en uit hun korf vliegen. Het is er een drukte van jewelste. De chrysanten en grafstukken zijn de finishing touch. Op andere momenten is het kerkhof – sorry - ‘doods’ en verlaten. Telkens wanneer ik deze plek passeer, wordt mijn aandacht ernaartoe gezogen. Het kerkhof is nochtans volledig ommuurd. Alsof het aan het oog moet onttrokken worden. Of willen onze doden rust en privacy? Ik piep altijd even door het smeedijzeren hek. Zelden bespeur ik een levende ziel in mijn blikveld. Behalve in deze periode van het jaar. Ik vraag me af of ze hun overleden geliefden ook alleen maar nu gedenken? Zijn de chrysanten en bloemstukken daar het bewijs voor? Verdriet of rouw kent toch geen afspraak of agenda? Ik hoop dat hun overleden geliefden ook op andere momenten in hun hoofd of hart een plek hebben. Dat daar de chrysanten een jaar lang mogen bloeien. Ik zal het waarschijnlijk nooit weten. Alleen maar hopen.

Hilde Bours
14 0

de uitdaging

Wat doe ik hier. Waarom doe ik dit. De bomen zijn groter, donkerder, taaier dan ik ooit gezien heb. De wind ruist scherper, ruikt duisterder, doet me denken aan – wat is dat? Ah de taxi rijdt weg. Waarom heb ik niet iemand meegenomen hier naartoe? Omdat niemand met me mee wou, niemand had er het geld voor over, alleen ik, stapelgek als ik ben, betaal me groen en geel, steek me in de schulden om .. nou ja, het is ook wel een leuk avontuur. Moet je dat hier nou toch zien. Wat een lollig huis. Ik zal eens aanbellen. Zowaar, er wordt opengedaan. Ach meneer, ik snap u niet. Parlez vous francais? Sprechen sie Deutsch? Do you speak English? De man is niet goed. Hablas Espagnol? Oeps, maar dat doe ik zelf niet. Ik zal hem de brief laten zien. Aha, dit werkt. Wat een aardige man, hij geeft me schouderklopjes, trekt me meer naar binnen, ik mag gaan zitten aan een soort keukentafel, krijg een soort koffie. De koffie is koffie en smaakt goed. Nee, dank u, geen suiker, geen melk, prima zo. Er kijken twee ogen naar me vanuit een openstaand keukenkastje, dat is raar. Ik maak een gebaar naar de man, wijs naar het keukenkastje en trek mijn wenkbrauwen op. Hij ziet wat ik bedoel, staat op en sluit het deurtje. Jee, was dat een rat? De man zegt wat en pakt ondertussen een brood, een groot plat langwerpig brood, het ziet er interessant uit, een soort steenbrood denk ik. Wat ze in steenovens bakken, ik heb er wel over gelezen. Zo’n brood dat lijkt op een menhir. Ik lust wel wat. Kijk nou toch, de man houdt het brood vast en zwaait ermee, oei, he, pas op, wat…   De deur van het keukenkastje piept open, en er komt een dier uit. Niet zomaar een dier, een zwart wit geblokt eekhoornachtig beestje. Het beestje springt op de gast af en begint diens hoofd schoon te likken. De gast vindt het goed, vindt kennelijk alles goed. Dat komt omdat voor deze gast er niets meer toe doet.  

nette menke
6 0

Moedermond

Moedermond   Instinct is verstand dat niet in staat is tot zelfbewustzijn – John Sterling   ‘Suzanne!’ roept Greg verbaasd in zijn gsm terwijl hij op het nippertje een jengelend kind ontwijkt dat met een maxipak snoepspekken op zijn moeder toeloopt. ‘Om zoals vorig jaar in het vuur te doen, please, please, please.’ Ik zie hoe Greg fronst, zich omdraait en de rayon uitloopt in de richting van een vracht panettones, Italiaanse kerstcake, metershoog gestapeld in dozen met blinkend rode strikken, die me doet afvragen waar al de Italianen zitten die dat gaan verteren. Maar ik heb zo al zorgen genoeg, met name: hoe overleef ik dit jaar opnieuw de geboorte van het christuskind? Ik passeer de dame met haar snoepspekkenkind en hoop dat ze vóór haar kerstdiner nog de tijd vindt om de wallen van onder haar ogen te schminken. God behoede me dat ik ooit zo’n feest moet organiseren.   ‘Het was Suzanne.’ zegt Greg met zijn gsm in de hand. Alsof hij een mes vasthoudt. ‘Ik weet het’ zeg ik. Zijn duim beweegt heen en weer over de pijltjes. Ik vraag me af wanneer hij gaat steken. ‘Ze heeft het me gezegd, Ille.’ Gregs scherm wordt donker. Voor de elfendertigste keer schettert de reclame door de boxen. ‘Je bent zwanger.’   Ik zwijg. Ik weet niet hoeveel Suzanne verteld heeft. ‘Wanneer zou je het míj vertellen?’ Ik heb geen antwoord. Ik lieg. ‘Ik wou nog even wachten en mezelf wat tijd geven.’ Suzanne, in godsnaam. Vanaf nu wordt alles alleen maar ingewikkeld. ‘Greg, ik weet niet meer of… Moesten we servetten meebrengen?’ Ik duw met mijn vinger op de stapels alsof ik kan voelen welke servetten het best absorberen. Het rijtje af: groene, rode, zwarte met gouden sterren, witte… Ik zou willen dat de kleuren eindeloos waren zodat ik nooit meer hoefde op te kijken naar Greg, die me ongemoeid laat zolang ik bezig ben met iets waar we baat bij hebben namelijk: de feestelijkste servetten voor bij de fucking kalkoen. ‘Jij hebt gebeld met ons moeder, Ille. Dan weet je toch of ze servetten nodig heeft.’ Ik neem een pak van de zwarte servetten. Greg komt dichter en haalt diep adem. Ik duw mijn knokkels in het pak. Jingle Bells op de achtergrond. ‘Ille..’  Mijn naam kan je niet serieus uitspreken. Ille. Te weinig lettergrepen. Geen grip op de letters. Dan was ik liever een Constance of Marijn. ‘Ille, we’re in this together.’ zegt Greg. Waarom spreken mensen Engels als ze denken iets zinvols te moeten zeggen? Love you, glijdt gewoon van je af maar houden van is een baksteen. Greg schudt me zachtjes bij mijn schouders. Zijn handen op mijn slapen. Een kus op mijn voorhoofd. ‘Je vindt me bij de boekjes en anders zie ik je bij de kassa.’ Mijn gsm trilt. Suzanne, mijn beste vriendin. Supposedly.   Greg weet het. Weg boodschappenlijstje. Greg weet het. Ik leun op mijn kar en rol traag voorbij de verzorgingsproducten. Als ik goed rondkijk, herinner ik me misschien wat we nog nodig hebben. Botermelk voor zachte benen, dagcrèmes met thee-extract, shampoos waar je haar van opfleurt. Ik heb er geen boodschap aan. Ik neem een ordinaire bus deo. Ooit schroef ik de dopjes los van alle potten en tubes en zet ze ondersteboven zodat lotion, zalf en crème langs de rekken naar beneden sijpelen. Die foto wil ik maken. Een hele reeks. Zou ik nu al maandverband nemen? Van die dik gewatteerde en dan met O-benen lopen; met een kind tussen mijn dijen. Dan zijn zachte watten het minste wat ik kan doen. Zou het Greg opvallen, zo’n groot pak? Was dit de bedoeling, Suzanne? Moet ik me bij alles vragen stellen? Ik heb al last genoeg van mezelf.   Ik wandel tot ik Greg kan zien bij de boekjes, zoals voorspeld, zoals altijd als we samen naar de supermarkt gaan. Dit benijd ik bij mannen. Je vertelt hen dat je zwanger bent en tien minuten later verdiepen ze zich in de geniale vondsten van autofabrikanten en hun strijd om het patent. Greg slaat een bladzijde om. Hij is werkelijk aan het lezen. Mijn kar is propvol en moeilijk te manoeuvreren. Ik duw hem iets te hard voor me uit en heb de oude man die met zijn mandje van om de hoek kwam niet gezien. Ik ben een stomme koe. Dat zegt hij. Ik mompel een excuus, maar niet luid genoeg.   Greg komt aanwandelen. Zijn wijsvinger tussen de bladen van een groot, wit tijdschrift. Hij leest verder terwijl ik de spullen uit de kar laad. Psychologies, met een special over abortus: Het trauma van zelfbeschikking. Dan nog liever een nummer over monstertrucks. De caissière is ongeveer even oud als ik, halverwege de twintig. Een schminkpop, maar wel knap. Met een gebaar mijn lief absoluut niet te willen storen in zijn lectuur, nodigt ze Greg uit het tijdschrift zelf over de scanner te halen. En alsof dat nog niet galant genoeg was, interesseert ze zich ook nog eens voor wat Greg zo gekluisterd aan het lezen houdt. Ze houdt haar hoofd schuin en leest de cover. Ik zie het haar al zeggen: Oh abortus, interessant. Willen jullie geen kindje dan? Smeer ik snel wat vaseline op mijn tanden om net zo dwaas terug te glimlachen naar haar? Dat ze haar belangstelling voor ons huishouden inslikt en erin stikt. Ik probeer haar dood te bliksemen. Het pak maandverband schuift achteloos bij de rest van de producten. Greg leest verder. Ik houd met moeite de zakjes bij. De servetten belanden onder de kip.   Greg opent het portier aan de passagierskant, legt de abortusspecial op het dashboard en klapt het portier weer toe. Hij mompelt een verstrooid excuus als hij merkt dat ik klaar stond om in te stappen. ‘Er staan interessante dingen in, Ille. Je moet het lezen.’ We draaien de weg op. Het tijdschrift schuift bijna van het dashboard op mijn schoot. ‘Wat heb je gekocht voor Laure?’ vraag ik. ‘De plaspop. Het was dat of een stofzuiger, maar dat vind ik onnozel. Dan kan ze net zo goed met de kruimeldief spelen.’ ‘En een gitaar?’ vraag ik. ‘Dat stond niet op haar verlanglijstje,’ zegt hij. Wat staat er zoal op het lijstje van een driejarige? De wereld ontdekken zodat ze zelf hun lijstje kunnen maken, misschien? ‘Een gitaar had haar niet misstaan,’ zeg ik. ‘Da’s waar. Je zou een coole moeder zijn. Fuck het lijstje. De volgende keer koop jij het cadeau voor Laure.’ Fuck lijstjes, maar ik ben Laures peter niet. Ik neem Psychologies van het dashboard en blader tot aan het bewuste artikel. Zou Greg me willen steunen? Dat had ik niet verwacht. ‘Lees dat stuk over zelfmoord. Je risico daarop verzesvoudigt.’ Risico op zelfmoord? Wat een idee. Is dat zoiets als een risico op gescheiden ouders? Of, risico op een mislukte carrière? ‘Ik wil niet dood.’ Dat zeg ik niet om Greg gerust te stellen, ik weet het zeker. ‘Verder is er een verhoogde kans op borstkanker omdat je de hormonenboost van de zwangerschap abrupt onderbreekt en dan worden de borstcellen veel ontvankelijker voor carcinogene stoffen. Kanker dus.’ Greg is geïnformeerd. Dat is belangrijk. ‘Wat heeft dat te maken met psychologie?’ zeg ik. ‘Ille, je moet je informeren vóór je een beslissing neemt.’ Vóór ik een beslissing neem. Is Suzanne vergeten te zeggen dat ik een beslissing genomen heb?   We draaien de oprit op tot voor de garage, waarin Greg zijn atelier heeft. Wij hebben geen twee auto’s nodig. Greg moet vaak naar klanten voor audits maar ik werk dichtbij in het ziekenhuis. Collega-verplegers moeten vaak van veel verder komen. Greg heeft me ooit voorgesteld een eigen auto te kopen maar eigenlijk had vooral hij daar zin in. Hij wilde zelfs geld bijpassen tot ik bedacht dat hij zijn garage zou moeten opgeven voor mijn parkeerruimte. ‘Ik ga verder sleutelen aan de carbubar,’ zegt hij droog. Een geval van proactieve concentratie? Hij heeft mij dat concept eens uitgelegd maar ik denk dat hij het zelf verzonnen heeft. Ik denk dat hij mij gewoon even niet wil zien. We hebben nog amper een uur voor het feest. Ik moet me nog klaarmaken en ik moet de kerstkaarten nog schrijven. Ze maken is geen probleem; dat vind ik leuk. Bedenken wat je de mensen wil wensen, daar heb ik een oprechte hekel aan. Bovendien is het Gregs familie. Eigenlijk zou hij ze moeten schrijven. Greg knalt de koffer dicht. ‘Ik kan niet geloven dat je mij hierbuiten hebt willen houden, Ille. Zou je het mij verteld hebben, mocht Suzanne niet gebeld hebben? Ik weet het niet. Op dit moment wíl het zelfs niet weten.’ Als ik zijn twijfel kon wegnemen deed ik het. Twijfels zijn nooit leuk, dat weet ik. Ik zoek onze sleutel en stap naar de voordeur. Ik wil echt proberen zo weinig mogelijk te liegen. ‘Schrijf je mijn naam mee op de kaartjes?’ ‘Tuurlijk, geen probleem,’ zeg ik en ik doe mijn best om casual te klinken. Is dat liegen?   Merry XXX-mas, Greg en Ille   Het is zo ongeveer het beste wat ik kan bedenken. Voor iedereen. Het liefst van al wil ik me afkappen voor tv, maar ik zou niet verdragen dat Greg binnenkomt en me weer aantreft in de sofa. Alsof ik niets beters te doen heb. Dan kan je net zo goed kinderen op de wereld zetten. Ik neem me voor nooit nog tv te kijken. Ik ga boven iets convenabels uitzoeken voor het feest. Ik heb zelfs tijd voor een bad. Ons huis is eigenlijk te groot voor twee. Greg kon het kopen na de dood van zijn vader. We hebben een zolder waarin ik een studio mocht maken om lessen te geven. Verder hebben we een logeerkamer. Ik mocht doen met de muren wat ik wou. Op de zolder schilderde ik een uitvergroot detail van een jugendstilmotief in goud en diepbordeaux, uitgewaaierd tot het dak dat afloopt. Uiteindelijk hebben we er een pooltafel gezet. Het was voor Greg een welgekomen afleiding en maakte dat zijn vrienden ook graag naar ons kwamen. In die tijd is bij hem de goesting om uit te gaan bijna volledig opgedroogd. Die studio is er nooit van gekomen.      Als ik dampend uit de badkamer kom, zie ik hoe Greg voor de spiegel zijn das staat te strikken. ‘Hoe is het eigenlijk gekomen?’ vraagt hij. ‘Jij zit toch aan de pil?’ Ik zoek naar een manier om ongemerkt van mijn badhanddoek in mijn jurk te slippen. ‘Ik ben ze vergeten nemen’ zeg ik. Ik heb op dit moment geen zin om hem naakt onder de ogen te komen. ‘Eén keer maar?’ vraagt Greg terwijl hij de knoop in zijn das aansluit. ‘Vier keer.’ Ik haak mijn bh vast; nu nog mijn borsten erin krijgen. ‘Van de éénentwintig?’ Greg keert zich naar mij en kijkt hoe ik in mijn jurk stap en me buk, waardoor hij een geprivilegieerd zicht krijgt op mijn opgezette boezem. ‘Waarom heb je geen morningafterpil genomen als je per se geen kinderen wil?’ ‘Ik heb er niet aan gedacht. Ik dacht dat het oké zou zijn.’ Een week geleden hebben we nog gelachen met mijn borsten die dan toch nog zouden groeien. Nu zijn ze niet meer dan het bespottelijke bewijs van mijn stommiteit. ‘Om zwanger te worden?’ – hij. Greg ziet er streng uit met zijn das, maar wel sexy. ‘Daarstraks in de supermarkt dacht ik dat je mij zou steunen.’ – ik. Geraakt die jurk nog een keer toe? Ik wil Greg niet vragen mij toe te ritsen. Niet nu. ‘Ik heb gezegd we’re in this together. Het is net zo goed van mij als van jou.’ Ik weet dat hij gelijk heeft. Het is ook zijn kind. Suzannes woorden. ‘Ik wil mijn best doen om je te begrijpen. Maar dat zul jij ook moeten doen.’ – hij.   Ik ga op het bed zitten om mijn panty aan te trekken. ‘Ik weet het,’ zeg ik, sta op en wandel de badkamer in.  ‘Kon je niks anders kiezen?’ zegt hij. ‘Die jurk had je aan op de begrafenis van mijn vader.’   Kerstfeesten zijn voor mij een mooi symbool van de ondraaglijke lichtheid. Met de mensen waar het op aankomt in het leven praten over verbouwingen en kinderen, dingen die voor mij naast de kwestie zijn. En met vriendinnen gaat het bijna telkens over onze lieven, wat ergens wel logisch is. Maar ik heb nooit gesnapt hoe een mens genoegen kan nemen met steeds dezelfde onderwerpen. We rijden voorbij monstrueuze iconen van menselijke vlijt: obscure industrieterreinen, de eeuwige sporthal, wellnesstempel, cafés en discotheek, de zoveelste tweedehandsautozaak en winkels, eindeloos veel winkels en frietrestauranten; een brutale samenvatting van wat een mens bezighhoudt. Hier en daar een boom; onkruid op het schampere plan van de vooruitgang. Misschien zie ik het gewoon niet. Of vraag ik te veel. Ik heb een job. Ik zie Greg graag. Hij heeft verbeeldingskracht en dat geeft pit aan het leven. Maar ik heb geen zin om mee te draven in de stampij van kleine koters omdat niemand een beter antwoord heeft kunnen verzinnen op de vraag wat dan de zin is van het leven.   ‘Gaan we morgen naar de haven om uit te waaien?’ vraagt Greg. Ik hou van de haven. Daar hebben Greg en ik elkaar ontmoet, hij op studiebezoek, ik schetsend, tussen de batterij containers, kranen, sluizen en het vlechtwerk van buizen. Zo’n zes jaar geleden. We draaien de straat in waar zijn moeder woont en parkeren een beetje verderop. ‘Goed idee,’ zeg ik. Hij legt zijn hand op mijn knie. Mijn hand op de zijne. ‘Klaar voor Kerstmis?’ – hij. Ik knik. Hij brengt zijn andere hand naar mijn buik. Ik veeg zijn hand weg, langzaam.   ‘Vrolijk kerstfeest! Beste wensen. Dat al jullie dromen mogen uitkomen, liefst niet allemaal ineens, maar vooral een goede gezondheid. Glaasje cava?’ Uitbundige mensen zoals Gregs moeder beschikken vaak over een onmiskenbaar talent. Ze maken de poespas van sociale conventies in één klap overbodig. ‘Ille is bob vanavond, moeder. Ik wil wel een glas, maar als Ille bob is, drinkt ze nooit.’ De smeerlap. ‘Goed, dat respecteren we.’ Gerda knipoogt naar mij. Ze weet dat ik kan genieten van een glas. Als ze maar niet denkt dat ik zwanger ben. ‘En… Nog nieuws onder de zon?’ Gerda kijkt naar Greg. Dan naar mij. Dan weer naar Greg. Ik volg haar blik. Zo lijkt het of ik nee schud en lieg ik niet. ‘Niks bijzonders,’ mompelt Greg. Geen moeder die dat gelooft.   Gerda loopt de woonkamer in terwijl wij onze schoenen uittrekken en naast de andere zetten. Er zijn blijkbaar wel wat mensen. ‘Bedankt, Greg,’ zeg ik vóór hij de deur naar de woonkamer kan openen. ‘Graag gedaan,’ antwoordt hij en hij glimlacht flauwtjes. Hij weet niet eens waar ik het over heb. ‘Van het drinken!’ bijt ik hem toe. ‘Oh, dat! Je hebt gelijk. Het is niet leuk wanneer je lief beslissingen neemt achter je rug. Maar ik moet toch niet altijd degene zijn die rijdt, of wel?’ Hij vindt het nog grappig ook. Greg stapt naar binnen terwijl ik in mijn rugzak de kerstkaarten, servetten, kaviaar en dessertkoekjes bijeenzoek. Vanuit de woonkamer hoor ik nonkel Johan een straf verhaal vertellen. Dat hoor je zelfs zonder te luisteren. En aan de stiletto’s te oordelen is zijn dochter Petra er ook bij; wat uitzonderlijk is. Ze is even oud als ik, maar heeft de vipstatus voor kinderen van echtgescheiden ouders. Die kunnen nooit op twee feesten tegelijk zijn en krijgen speling. Haar lief zit trouwens in dezelfde situatie. Ik ben ondertussen een vaste waarde geworden, hoewel ik daar nooit om gevraagd heb. Ik zie mijn familie gewoon niet meer. Mocht ik een vipstatus hebben, zou ik hem handig gebruiken om al eens een familiefeest te rateren. Ik denk dat Petra dat ook doet. Ik loop de keuken in met de boodschappen.   ‘Ille, je komt als geroepen!’ Gerda staat met een dampende ovenschotel in haar handen voor een volle keukentafel. ‘Je hebt zelfs servetten meegebracht. Zwarte dan nog!’ Ze zet de ovenschotel op het werkblad achter haar; nog voor ik plaats kon maken op de tafel. ‘Dat was niet nodig, Ille,’ zegt ze terwijl ze de kaviaar aanneemt en de dessertkoekjes. ‘Als je het niet erg vindt, gebruik ik mijn servetten. Sinds René, heb ik besloten om zo weinig mogelijk zwart te gebruiken. Niks persoonlijks hoor, dat is gewoon zoiets.’ ‘Ik begrijp het,’ zeg ik en neem de servetten terug voor bij ons thuis. In de woonkamer hoor ik Greg lachen. Hij heeft de mood gevonden. Fijn. En ik in de keuken met zijn moeder.   ‘Laat die hapjes nu maar,’ zegt Gerda. ‘We gaan kijken naar Laures cadeautje’ Ik zet de viseitjes op tafel. Gerda loopt naar het salon en positioneert zich naast haar dochter en kleindochter op de leuning van de sofa. Drie generaties op een rij. Greg knielt voor hen neer met de camera. Laure houdt het inpakpapier van Gregs cadeau vast als een fortunecookie. Ze loert opzij, naar Annelies en Gerda die verwachtingsvol terugkijken naar haar. Laure glimlacht, niet omwille van het cadeau op haar schoot maar omdat ze voelt dat ze met haar fijne vingertjes de gelaatsuitdrukking van haar mama en oma controleert. Traag scheurt ze het papier. Annelies houdt zich met open mond klaar voor een theatrale uiting van appreciatie. Gerda heeft haar wenkbrauwen beloftevol opgetrokken. Eventuele teleurstelling voor het cadeau zal meteen worden opgevangen door plaatsvervangend enthousiasme van de moeders. Dit huis is geen plaats voor ondankbaarheid. Greg drukt af. Het inpakpapier belandt op de grond. Laure houdt de plaspop met gestrekte armen voor zich uit. Ze grinnikt en ze straalt. Annelies klapt in haar handen en Gerda zucht van ontroering. ‘Is het geen prachtig kind?’ ‘Heb je het bonnetje nog, Greg?’ vraag ik. ‘Ze kan de pop nog altijd ruilen voor iets wat ze echt wil. Mocht het tegenvallen.’ Greg keert zich naar mij, nog steeds gehurkt met de camera in zijn hand. ‘Dat is niet nodig denk ik, Ille. Ik denk dat Laure mijn cadeau wel leuk vindt.’ Laure prutst aan de oogjes van de pop. Annelies en Gerda murmelen instemmend. ‘Ille wilde een gitaar geven’. Greg richt de camera op mij en drukt af. Hij kijkt niet eens door het vizier. Net wat ik nodig had, een close-up van mijn neusgaten.   Gerda doet niet meer aan naamkaartjes op de feesttafel. Ook dat is veranderd sinds René. Toen waren er een aantal dingen die ze niet aan het toeval wou overlaten, nu is dat anders. Voor Greg en mij maakt het niet uit. Wij zitten altijd naast mekaar. ‘En Greg, komt het in orde met je carburatorbar? Krijgen we binnenkort een demonstratie of rijden we een dezer dagen naar het recyclagepark?’. Gerda schatert. Ik vind het ook grappig. ‘Twijfel jij aan mij, moeder?’ ‘Geen seconde. Zoiets doet een moeder niet.’ Daar is die knipoog weer. ‘Je bent een genie, Greg. Dat heb ik altijd geweten.’ Ze kan het zo indringend zeggen. Zum kotzen. Duits verwoordt het wel weer treffend. Annelies frommelt een servet achter Laures rolkraag terwijl die haar lepel rechtop houdt in de tomatensoep.‘Vind je het niet lastig dat Greg de hele tijd in de garage zit?’ vraagt Annelies. Ze zit tegenover mij. ‘Ik vind wat Greg doet met zijn leven fantastisch.’ Het is niet omdat het niet zo goed gaat tussen ons dat ik daarover ga liegen. Ik meen het, maar het klinkt niet zo. Greg legt zijn hand op mijn dij. ‘Jij hebt ondertussen waarschijnlijk je eigen projecten?’ polst Annelies.   ‘Dat valt wel mee,’ zeg ik. Greg knijpt zachtjes maar ik weet niet wat hij ermee bedoelt. ‘Maak je die kaartjes alleen met kerst of doe je dat het hele jaar door?’ Heeft Annelies nog niet door dat er niet veel te rapen valt in deze conversatie? il   µ   ‘Alleen met kerst en verjaardagen. Waarom?’ Ik snak naar een glas. Zou eentje kwaad kunnen? ‘Omdat er nooit kerstbomen of sneeuwmannen op staan. Maar dat is misschien niet artistiek genoeg.’ Afschuwelijk woord, artistiek. ‘Ik moet jouw kerstkaarten niet, Ille.’ – nonkel Johan van drie stoelen verder. ‘Ik heb het gehad met jouw kerstkaarten. Volgend jaar wil ik van jou een schilderij van vier meter op vier om in de plaats te hangen van mijn Muller. Begrepen?’ Ik lach. Hij weet dat ik zijn Muller fantastisch vind. ‘In orde, Johan’ zeg ik, ‘maar ik doe geen naakt!’. Johan schatert. Ik moet ook lachen. Echt. Greg kijkt bedenkelijk. Hij kent Muller niet en hij heeft Johan niet graag. Hij vindt hem te luid. Stel je voor, mijn werk op de plaats van zijn Muller. Johan is niet goed wijs maar net daarom vind ik hem wel leuk.   Mijn dessertkoekjes zijn een succes. Goed gekozen in de winkel dus. Hierna komen nog de pousse-cafés van nonkel Johan. Hij houdt het nooit bij één rondje. Voor mij is het welletjes geweest maar ik betwijfel of een avond thuis met Greg nu me beter zou bekomen.   ‘Laure,’ zingt Annelies. ‘Laure, het is tijd.’ Laure laat haar pop vallen en loopt op mij toe. Ze verbergt haar gezicht in mijn schoot en wrijft heen en weer tegen mijn benen alsof ze zich in mij wil ingraven. Ik leg mijn handen op haar hoofdje. Het wrijven stopt. Greg laat de conversatie over sigaren en kijkt naar mij alsof hij net iets interessants heeft gevonden om te volgen op tv. ‘Tijd om te gaan slapen, Laure,’ zegt Annelies. ‘Tante Illie!’ klinkt het van tussen mijn benen. ‘Tante Illie moet mee slapen.’ Annelies glimlacht een beetje gegeneerd. ‘Tante Ille mag nog even opblijven, Laure, maar wij gaan ons bedje opzoeken. Kom!’  Ik strijk mijn vingers door Laures krulletjes en buig me voorover. ‘Zal ik je in je bedje stoppen, lieve Laure?’ Lievelaure, het zou een mooie naam kunnen zijn. Ik heb zo een idee van de film die in Gregs hoofd aan het draaien is, maar ik doe gewoon waar ik zin in heb. Tegen Laure wil ik niet liegen, nooit. ‘Ja!’ trilt het tussen mijn billen. ‘Illie mij slapen.’ ‘Mij best,’ zegt Annelies met het soort achteloosheid waarmee mensen tonen hoe flexibel ze zijn. Ik aai Laures hoofdje tot ze rechtkomt. De greep van haar armen achter mijn knieën verslapt. Ik neem haar bij de hand en sta rustig op. ‘Nemen we de pop mee naar boven?’ vraag ik als we voor de trap staan. Laure schudt van neen. Ze is te moe.   Als ik de trap weer afkom zit Greg me aan te stralen. Ostentatief. Pregnant. ‘Nu wil ze haar pop toch,’ zeg ik. Wat gelogen is. Ik raap de pop van de grond. Greg blijft stralen. Alsof ik hem trots maak. Alsof hij in mijn handelingen leest waarom hij van mij houdt. Hij heeft er geen idee van. Mensen moeten ophouden dingen van mij te verwachten. De treden klinken hard onder mijn voeten. Ik stap veel te snel dan nodig is. Als niemand iets van mij zou verwachten zou ik niet moeten liegen. Mijn hart bonst. Ik open de deur waarachter Laure ligt te slapen en schuif haar pop in het duister over de grond naar binnen. Ik hoor haar adem ruisen en hoe elke uitademing haar dieper in slaap voert. Ik sluit de deur. De stilte in de gang boven het feest valt dof in mijn oren.   ‘Kind,’ zeg ik en ik weet niet waarom. ‘Kind,’ zeg ik en het steekt. Ik wil het roepen en dieper steken maar niet hier of nu. ‘Kind.’ Iets van een scheut. Pijn in mijn keel. En willen spuwen. ‘Kind’. Eruit maar niet te luid. Dan maar tranen. Het spijt verschrikkelijk. Maar dat zeg ik niet. Het is onuitspreekbaar want het is niet zo. Het spijt mij niet. Dat klopt. Ik kalmeer. Het klopt, het spijt me niet. De tranen houden op. ‘Het spijt mij niet.’   Tranen brengen rust. Tranen brengen je adem weer bij harstslag. Ik heb nooit gesnapt wat mensen er zo erg of schaamtevol aan vinden. Wat ik wil zeggen ligt zout op mijn tong. Ik haast me niet als ik de trap afdaal. Ik weiger nog koffie te drinken en te keuvelen en te doen alsof. Ik lieg niet als ik zeg, helder en duidelijk: ‘Greg, ik wil naar huis.’   Het regent op de voorruit. Ik zet de ruitenwissers op hun zachtst. Greg zoekt zich een comfortabele houding. Hij weet zich met zijn stomme grijns geen blijf. Hij gooit Psychologies op de achterbank nadat hij er eerst nog eens naar gekeken heeft als naar de kladversie van een slecht script. Hij kijkt uit het raam, draait de radio open, knikt een paar maten met zijn hoofd mee op Fuck ‘m and their law. Hij kijkt naar mij en wendt zijn hoofd abrupt af om uit het raam te staren. Zijn stomme grijns, nog steeds zichtbaar in de reflectie van de ruit. Dan zet hij de radio uit. ‘Ille, ik vind het fantastisch.’ Ik zeg dat ik het merk. ‘Ille, ik wil dit kind met jou. Fuck de rest. Het kan me niet meer schelen dat je het mij niet wou vertellen. Ik denk dat ik het je kan vergeven.’ Ik zeg dat hij gedronken heeft. Ik zeg het traag, tegen dertig per uur, in de hoop dat het snijdt, maar ik weet dat hij het meent. ‘Niet dronken genoeg, Ille.’ Zijn niet klinkt bijna als net. ‘Ik heb níet genoeg gedronken om níet te weten wat ik zeg.’ Greg draait zich helemaal naar mij, trots omdat hij zijn dronkenschap door articulatie heeft overtroefd. ‘Hoe ver ben je?’ Ik zeg dat ik zes weken ver ben. ‘Is dat ver?’ Ik zeg dat ik nog zes weken heb om te aborteren. ‘Dan heb ik nog zes weken om je te overtuigen het te houden.’   Als we thuiskomen gaat Greg rechtstreeks naar boven. We hebben wel vaker dit soort communicatierespijt gehad. Eerst vond ik dat akelig, daarna ben ik er de voordelen van gaan inzien. Vanavond voelt het weer akelig. Ik geef Greg een voorsprong. Hij doet er meestal minder lang over dan ik om in bed te kruipen. Is het niet gek je best te doen om afstand te scheppen en elkaar de ruimte te gunnen om vervolgens in hetzelfde bed te kruipen? Alsof het donker je zintuigen uitschakelt.   Het lijkt of een slingerplant zich rond mijn eierstokken gewikkeld heeft. Zo spant het onder mijn buik. Eigenlijk wil ik niets liever dan Gregs handen op mijn buik, maar hij ligt tegen het nachtkastje aan. Ik ook. En ons bed is groot. Ik weet dat hij niet slaapt. Ik luister naar zijn ademhaling. Ik heb me voorgenomen te zwijgen. Zou Greg aan ons aan het denken zijn? Misschien groeit er wel een plant in mij. Misschien is dat kind in mij wel een plant. Blind en doof en kan het zich niet bewegen. Misschien wil ik dat soort kind wel. Een kind dat niet spreekt, niet huilt, alleen maar staart. Mensen zouden twijfelen of ze mij moeten gelukwensen. Ze zouden medelijden hebben en zichzelf daarom verachten. Ik zou trots zijn en geen ander kind willen. Ik hoop dat mijn kind een mongool is. ‘Greg. Misschien is het een mongool’. ‘Ons kind is geen mongool’. ‘Het is een mogelijkheid.’ ‘Ons kind is geen mongool, Ille. Zoiets kunnen ze op voorhand zien en dan kunnen we het nog laten weghalen.’ ‘Dus je zou het wel goed vinden dat ik het liet weghalen als het een mongool was?’ ‘Ille!’ ‘Ik denk dat het een mongool is’. ‘Slaapwel, Ille’. Als ik me voorneem om te zwijgen, moet ik me daaraan houden. Nu kan ik niets meer zeggen en ben ik nog meer alleen met mijn gedachten.   Greg weet het. Het eerste wat ik denk als ik wakker word. Het bed is leeg op mij na. Er valt een straal zonlicht binnen langs de bovenkant van het raam. Twaalf uur voorbij. Weer heel lang geslapen. Greg weet het. Dag twee. Ik heb er geen zin in. Hij wil mij overtuigen. Kan ik dan nog hopen op begrip? Fucking Suzanne. Het leven had gewoon door kunnen gaan.   Er is iets wat wij deden, Greg en ik, wat wij doen. Waardoor ik weer het gevoel krijg dat hij van mij houdt. Omdat ik vind dat ontwaken soms een nachtmerrie is en hij dat weet. Ik weet dat het aanstellerig is maar Greg heeft het me altijd gegund. ‘Greg!’ roep ik zo luid ik kan. ‘Greg!’ Nog luider. Ik roep soms ‘lief’ maar niet nu. Omdat ik niet weet of hij nog komt na gisteren. Ik heb alles in huis gehaald dus hij kan niet in de winkel zijn. ‘Greg!’ Voor de laatste keer. Verder ga ik niet. De deur gaat open. Greg in overall.   ‘Ille, ik moet begrijpen waarom jij dit kind niet wil. Anders raken we hier niet door.’ Ik ga rechtop zitten en trek mijn knieën op; ik ga proberen het zo goed mogelijk te formuleren. ‘Ik ben nog niet klaar met mezelf. Greg. Misschien wil ik nog iets studeren. Misschien.’ Greg fronst al van de inspanning om me te begrijpen. ‘Ik weet misschien niet wat ik wil maar ik weet wat ik niet wil. En een kind zou mij tegenhouden om er toe komen om nog te ontdekken wat ik wil.’ Dat was het, ongeveer. ‘Wanneer zul jij ooit klaar zijn, Ille?’ – hij. ‘Dat weet ik niet.’ – ik. ‘Exact. Je weet het niet. En je weet niet wat je wil. Wat wil je dan, Ille?  Gaan studeren? Weet je al wat? Een paar jaar geleden wilde je een studio. Je krijgt de ruimte en wat doe je ermee?’ Niks, helemaal niks, maar dat hoef ik hem niet te vertellen. En niks, helemaal niks wat ik bedenk dat ik zou willen kan weerstand bieden aan de sloopbal waarmee hij mijn doorzettingsvermogen zo treffend heeft geschetst. Godverdomde studio.   ‘Hebben wij niet genoeg aan elkaar? Kunnen wij niet zonder kinderen?’ probeer ik. ‘Ik weet het niet, Ille. Je vraagt heel veel van mij nu. Heel veel. Je weet hoe graag ik dat wil. Papa zijn.’ Gregs ogen lopen vol. Zijn tranen zijn salpeterzuur op mijn hart. ‘Kan ik voort met de vrouw die mijn kind niet wil? Ik weet het niet.’ Ik kan niet anders dan zijn verdriet omarmen ook al ben ik er de oorzaak van. Een gewond mens heeft warmte nodig. Maar ik ben niet meer dan een pleister. Greg kust me alsof ik de kraan ben die zijn dorst lest. Maar een kus die niet uitmondt in een vrijpartij dooft na een tijd vanzelf uit. Hij staat op en laat mij alleen met mijn gsm op het nachttafeltje.   ‘Ille,’ zegt Suzanne. ‘Trut,’ zeg ik en ik begin te janken. Dat ze dacht dat ze er goed aan had gedaan, zegt ze. Dat ze vond dat ik daarover niet kon liegen omdat ze niet wilde dat ik spijt zou krijgen en sorry. Dat ze het niet had mogen doen. Dat ik het haar vergeef omdat ik haar nodig heb. Dat ik niet meer weet wat gedaan. Of ik van gedachten ben veranderd dan? Dat niet. Dat ik wel zou willen. Dat ik anders Greg verlies. Waarschijnlijk. Dat ze een rund is. Of zij vindt dat ik iemand ben die iets zou kunnen maken van haar leven? Dat ik daaraan niet mag twijfelen. Of ze komt.   Ze komt.   Suzanne komt.

Evi Rosiers
22 0
Tip

Not everybody is ready for Africa

Ik weet niet wat eerst mijn aandacht trekt: de stralend witte lach van Albert of zijn opgeblonken driewieler, schitterend in de Ghanese zon, alsof ook die met een tandenborstel te lijf werd gegaan. Mijn medereizigers zijn verrast door dit originele voertuig, een aangename afwisseling op de veel te krappe, veel te gammele, veel te warme trotro’s waar we tot nu toe mee gereden hebben.  “Are you Joka group? Are you miss Hilda? Come, let’s go!” Geestdriftig wenkt Albert ons, maar gehaast is hij allerminst. Hij neemt uitgebreid de tijd om ons allen te begroeten en laat me een voorbijganger een spoedcursus fotografie geven: zo houd je de camera, hier moet je door kijken en op deze knop moet je drukken. Zoals vele andere chauffeurs of gidsen die we al ontmoet hebben hecht ook Albert veel belang aan een group picta. Op de eerste foto zijn we allemaal onthoofd, op de tweede is enkel mijn achterhoofd zichtbaar. De derde foto wordt genomen door een van de vele kijklustigen die zich intussen rond ons verzameld hebben. De kadrering is niet ideaal en de trike staat er niet volledig op, maar wij tenminste wel, inclusief onze eerste fotograaf die zich duidelijk beter voelt voor de camera dan erachter.   Blonde, goedlachse Amy wordt uitgenodigd om vooraan naast Albert plaats te nemen, de zes andere vrouwen schuiven haastig op de bankjes in de laadbak. Enkel als er plaats genomen wordt in een voertuig of aan tafel reageren deze dames zonder dat ze daartoe moeten worden aangemaand, bedenk ik me. Alsof het zien van zitplaatsen hun gedachtegang aanzienlijk versnelt. In een fractie van een seconde hebben zij immers alle mogelijke voor- en nadelen van elke zitplaats geanalyseerd, alsook alle mogelijke opstellingen van ieder van ons. Besluitvorming volgt zodanig snel op deze analyse dat het gelijktijdig lijkt, en verrassend genoeg is zij onder deze zes vrouwen ook steeds unaniem.  Nauwelijks hebben zij hun blanke kont op de bankjes neergevleid, of zij vatten hun meerstemmig commentaar aan. “Waarom mag zij vooraan zitten en ik niet?” “Ik hoop dat we hier niet te lang in moeten zitten, die bankjes zijn verdomd hard.” “Zie maar dat je niet achteraan zit, dan kan je eruit vallen, zo gevaarlijk als dit is!” “Oh, ik vind het nu al doodeng en we zijn nog niet weg.” “We zijn toch wel verzekerd he?” “Ik hoop dat dit niet de verrassing is waar je over sprak Hilde, en dat er ons nog iets leuks te wachten staat straks.” Ik zet mijn beste professionele pokerface op en probeer enkel klanken te ontwaren, ontdaan van elke betekenis. Ik doe dit niet voor het eerst en ik weet dat ik meer geduld heb met de kakelende kippen die nu voor mijn geestesoog verschijnen dan met deze jonge vrouwen. Helaas werkt mijn trucje deze keer niet. De trike is inderdaad de verrassing die ik voorzien had, en ik voel me mismoedig nu zelfs dit niet geapprecieerd wordt. Hoe kan ik deze mensen in hemelsnaam ooit een plezier doen? Waarom schreven zij zich in voor deze rootsreis van Joker en hebben zij niet gewoon bij Neckermann geboekt?  “Kom, ik help je erin.” Jorne neemt me bij de hand en knipoogt naar me, als ik instap geeft hij me een bemoedigend kneepje. Nu lukt het me wel om niet te luisteren naar het gekwetter van de vrouwen, al halen hun hoge gilletjes als we door een kuil of over een wortel rijden me af en toe wel uit mijn gemijmer. Ik geniet van de rood bestoven weg die onder ons heen verschijnt, van de breed lachende mannen in de schaduw van bomen, van de zwaaiende kinderen die al rennend onze snelheid proberen te evenaren, van de honden die ongegeneerd breeduit liggend de weg opeisen, van de rondborstige vrouwen met pak op hun hoofd en kind op hun rug.    “Here we are, this is tha house of tha medicine man!” Albert parkeert zijn driewieler in de schaduw van een boom, een beetje teleurgesteld stappen Jorne en ik als eersten af. Voor ons had het ritje gerust nog wat langer mogen duren, maar de vrouwen zijn beduidend opgelucht. De spanning en het heen en weer geslingerd worden bij het ontwijken van kuilen, wortels, honden of kinderen op de weg, heeft hen misselijk gemaakt. Twee van hen zijn wit als een doek, al keert hun kleur snel terug zodra ze met hun bibberbenen vaste grond raken. Dit keer hebben ze echter de kans niet om hun opmerkingen te geven, want binnen een mum van tijd hebben we elk drie of vier kinderen aan onze vingers hangen. De warmte van de Afrikaanse zon straalt nu ook in de ogen van de vrouwen en gewillig laten ze zich door de kinderen naar het erf van de medicijnman voeren.  Onverhoeds en vastberaden als een horde mieren op weg naar hun koningin, dringen daar de meest weerzinwekkende reukpartikels onze neusgaten binnen. Er is geen tijd om zelfs maar een hand voor onze neus te slaan, aan een rotvaart rukken ze genadeloos op. Hoe ver we onze mond ook opensperren en proberen hen te verjagen door diep in te ademen of te kokhalzen, toch kunnen we deze aanslag niet afweren. Mijn ogen tasten het erf af op zoek naar de bron van deze stank en ontwaren daar, naast een pruttelende kookpot, de resten van een geit, haar poten opengesperd in totale weerloosheid.   De kinderen drijven ons het huis in waar ze zelf onmiddellijk weer worden buiten gejaagd. We bevinden ons in een donkere salon, onderuitgezakt in een comfortabele lederen zetel zit daar de medicijnman. Hij is dik, zijn vingers en lippen glinsteren van het vet van de kippenbouten waar hij als een uitgehongerde het vlees af scheurt. Sabbelend op een botje roept hij een man bij zich en in een ons onverstaanbare taal geeft hij hem te kennen dat hij klaar is voor een gesprek met ons. Hij gooit het botje uit het raam, waar honden erom vechten, boert luid, knoopt zijn jeans en zijn hemd open en zakt zo mogelijk nog meer onderuit. Wij mogen plaats nemen op de bank tegenover hem. De vrouwen zijn intussen blijkbaar weer helemaal de oude, want ik hoor hen schaamteloos commentaar leveren op de man die onmogelijk een medicijnman kan zijn, want waar zijn zijn amuletten, zijn dierenvachten en zijn masker? Het is toch overduidelijk dat deze ongemanierde dikzak in jeans een charlatan is? Jorne, Amy en ikzelf converseren via een tolk met de medicijnman en verontschuldigen het onbehouwen gedrag van de anderen. We spreken over verschillende denkkaders, afwijkende culturele gewoontes, de nood om opgedane indrukken te ventileren bij gelijkgestemden. De medicijnman glimlacht gemoedelijk, “not everybody is ready for Africa”. Het zijn zijn enige woorden in het Engels en het is de enige keer dat hij ons aankijkt.    Na het onderhoud met de medicijnman worden we uitgenodigd voor een drum and dance op het erf, de traditionele manier om gasten te verwelkomen. De vrouwen rollen met hun ogen, weeral een drum and dance. Gelukkig zijn er hier talloze kinderen die voor afleiding kunnen zorgen en zonder al te veel morren zetten ze zich tussen de toegestroomde dorpelingen in de kring. De drummers, uitgedost in traditionele kledij, nemen hun plaats in en als ook de medicijnman - dit keer wel degelijk uitgedost met amuletten, dierenvacht en masker - de kring betreedt, is het tijd voor de kinderen om op de achtergrond te verdwijnen. De vrouwen gooien stukken vlees op het erf, de kinderen vliegen erop af als honden op een kippenbot en vechten om een stukje. Ze krabben, ze bijten, ze schreeuwen, ze slaan, ze duwen en trekken om toch maar iets lekkers te bemachtigen. Verstomd en verlamd kijken we toe, en pas als een vrouw een pot vlees voor de allerkleinsten brengt, durven we terug te ademen. Het wordt stilaan te veel voor mijn deelnemers, ik weet dat ik hen daar snel moet weghalen. Maar weg gaan nog voor de drum and dance is begonnen, is grof en respectloos. Ik beloof mijn medereizigers dat we maximum tien minuten naar het spektakel zullen kijken alvorens te vertrekken en neem me voor om vanavond voor het slapen gaan een kringgesprek te houden over de indrukken die we vandaag hebben opgedaan.  Op dat moment verschijnt er een danseres. ze stampt met haar voeten op de grond, zwaait haar hoofd in haar nek, gooit haar armen in de lucht. De drummers drijven het tempo op, de voeten stampen sneller en sneller. Armen gaan op en neer en lijken wel van elastiek, handen bewegen zo snel dat het lijkt alsof ze twintig vingers hebben elk. Zweet stroomt over voorhoofden en ruggen, ogen worden wijd opengesperd. De danseres valt op de grond en slaakt een kreet, haar ogen draaien weg, schuim komt op haar mond, haar armen, benen en hoofd schokken. Vier mannen lopen de kring in en halen haar weg. We kijken naar elkaar, beduusd, en vragen ons af of we allemaal hetzelfde hebben gezien. Net als we aanstalten maken om te vertrekken, komt ze terug. Ze beschikt over een bovenmenselijke kracht en schudt de vier mannen van zich af. Ze steekt haar vingers in een pot, tekent strepen op haar gezicht en graait met haar handen in het stof op de grond. Ze slaakt onmenselijke kreten en gooit het stof over zich heen, tolt rond, bukt, neemt nog meer, gooit dit over de toeschouwers. Ze graait en gooit en graait en gooit en graait en gooit en tolt maar in het rond. Bruusk sta ik recht, mijn reisgezellen volgen onmiddellijk. Voor mij uit haasten ze zich naar de trike, ik richt nog enkele woorden van dank tot de medicijnman en maak me dan ook snel uit de voeten. Buiten gekomen haal ik diep adem. Wat. Was. Dat.    Op de terugweg wordt geen woord gesproken. Eenmaal terug haast iedereen zich naar zijn kamer, niemand wil vandaag nog in een kring zitten. Ik blijf alleen achter en rol een sigaretje. Ik kijk toe hoe de rook langzaam oplost. Als mijn sigaret op is, rol ik een nieuwe. 

Hilde Christens
187 2
Tip

Witte leugens

Twee silhouetten zitten tegenover elkaar aan de eettafel. Man en vrouw. Hun hoofden zijn naar beneden gericht, druk bezig hun gekookte aardappelen met mayonaise in de ogen te kijken. Het is een scène die ik al door duizend-en-een verschillende ramen heb aanschouwd. De avond is mijn favoriete moment. Dan ontvouwt zich een podium dat baadt in het artificiële, vaalgele licht, en kan ik ongestoord binnengluren. De vrouw richt haar hoofd op naar de schim aan de overkant van de tafel en opent haar mond. Ze zegt wat. Met hangende schouders die bijna in haar bord vallen, wacht ze een reactie af. De man geeft haar een korte blik, een knikkend gebaar en een paar woorden terwijl hij met zijn vork werktuiglijk in het bord wroet. Zijn kaken malen als een lopende band. Dit is het punt waarop de vrouw haar man vraagt of hij het lekker vindt, en waarop de man liegt wat hij elke avond liegt. Iets in de trant van 'Heel lekker, schat'. Het superlatief durft wel eens te variëren, en aangezien mijn lipleesvaardigheden nog niet op punt staan is het ook in dit geval wat giswerk – maar van die 'schat' ben ik vrij zeker. Soms is het ook ‘lieveke’, 'bolleke', of 'zoetje'. Maar meestal ‘schat’. In ieder geval zo'n koosnaampje met een dikke kwak mayonaise. Een kwak die bedekt, doorweekt, doordrenkt, tot er enkel een kleffe brei overblijft. Ik walg, maar ik kijk verder. Zoals altijd. Elke woonkamer en elk raam lijkt net een andere vaalgele tint te hebben. Het is een beetje zoals Tolstoj zijn Anna Karenina opende: "Gelukkige gezinnen lijken allemaal op elkaar, maar elk ongelukkig gezin is ongelukkig op zijn eigen manier." Ik zou het liefst van al met een kopie van dat boek hun raam aan diggelen willen gooien, hen bij de haren nemen en hen pagina voor pagina laten zien wat ongeveinsde emoties en authentieke identiteiten zijn, en hoe je nuances en variaties kan aanbrengen in gevoelsbeleving. Maar ik blijf toekijken. Net zoals dat boek geschreven en gelezen moet worden, moet ik mezelf ook voor dit drama zetten. Dus ik verstop me wat verder in mijn kraag, trotseer de donkere kou, en staar recht vooruit. De avond is nog steeds jong. En wat zou ik in godsnaam anders moeten doen?    

Tom Keysers
216 6