Nieuws

Volgspot - Hans Depelchin op shortlist de Boon

Op 9 januari 2026 werd de shortlist voor de Boon Literatuurprijs 2026 bekendgemaakt. Op die lijst staan meerdere auteurs die in ons voormalig magazine VERZIN aan het woord kwamen, over ambacht, schrijfgewoontes en verrassende wendingen. We delen de komende weken de artikels voor het eerst integraal online, in de rubriek Volgspot.

In deze blogpost: Hans Depelchin, die in 2022 in gesprek ging met Julie Putseys over zijn tweede boek ‘Spanriem’. 

***

Hans Depelchin komt nog geen twee jaar na zijn debuut 'Weekdier' al met een tweede boek op de proppen. De 31-jarige auteur maakt met 'Spanriem' een bocht van 180 graden: van een wrange satire in proza naar een lyrische ode aan de liefde in poëzie. Ondertussen zit de Oostendenaar niet stil, maar werkt hij constant voort aan volgende publicaties. “Ik heb schrik van de leegte.” 

Hoe is je schrijverscarrière begonnen? 

In 2018 heb ik de Babylon interuniversitaire prijs voor proza gewonnen, da’s een schrijfwedstrijd voor studenten, gesteund door het tijdschrift DW B. Daarna plaatste DW B af en toe poëzie van mij en kon ik via hen ook schrijven voor Het Liegend Konijn en een paar andere magazines. Het was geen grote stap voor mij om teksten op te sturen, want ik volgde Woordkunst op het conservatorium. Ik wist dat ik kon schrijven, maar ik wist alleen niet goed welke vorm dat moest hebben.

Hoe kwam dan je eerste roman tot stand?

'Weekdier' was oorspronkelijk een bundel met vijf korte verhalen. Het was het eindproject voor mijn studies. Ik stond al in contact met uitgeverij De Geus en daar vroegen ze of ik er een roman van kon maken. Aan de ene kant was dat natuurlijk strategie: korte verhalen verkopen nu eenmaal niet goed. Aan de andere kant was het ook wel een uitdaging voor mij: hoe kon ik met al die losse verhalen één boog maken?

Ik had eerlijk gezegd niet eens door dat het initieel niet bedoeld was als roman…

De hoofdstukken zijn allemaal afzonderlijke verhalen, er is weinig overlap. De Mathilde-figuur die ertussen komt en de personages verbindt, is pas later gekomen. Ik voel dat natuurlijk nog wel in de vorm, maar voor een lezer is het anders.

 

Ik wist dat ik kon schrijven, maar ik wist alleen niet goed welke vorm dat moest hebben.

 

'Weekdier' kreeg mooie commentaren. Hoe was het om na dat succes aan je volgende werk te beginnen? 

Een succes zou ik het niet noemen. Het is goed ontvangen in de gespecialiseerde pers, denk ik, maar met een debuutroman moet je al veel chance hebben om een groot lezerspubliek te bereiken. Dat is met 'Weekdier' niet gebeurd. De verkoop blijft rond de 1.000 boeken hangen. Maar ik ben wel content over hoe het ontvangen is, want op zich was dat wel een eigen project. Het had niet de perfecte vorm. Ik voelde ook al wel dat het niet mijn grootste werk zou zijn. Je studeert af en je bent met dát en dát bezig. Je wilt er alles inproppen, heel veel tegelijk. Het is ook al een paar jaar geleden dat ik het geschreven heb ondertussen. Dus ja, je evolueert daar ook wel rap in: hoe je werkt, met welke thema’s je bezig bent, enzovoort.

Had je geen drempelvrees voor je volgende boek?

Neen, ik ben vrij snel aan mijn tweede begonnen, want ik ben altijd heel bang voor de leegte. Ik begin meestal al aan iets anders terwijl het vorige in de eindfase zit. Omdat ik het niet aankan om een periode te hebben waar er niets op stapel staat. Dat vind ik lastig. Ook door een soort drang: ’t zijn je eerste boeken, ’t is de eerste keer dat je naam publiek wordt, je wil niet afgaan.

Met 'Weekdier' was er al wel wat tekst voor een nieuwe roman, maar dat ging wat moeilijker. Je probeert na een eerste boek toch angstvallig te vermijden dat je hetzelfde boek schrijft. Dat had ik wel. Daardoor werd die stijl opeens heel belangrijk. ‘Ik moet nu in een compleet andere stijl schrijven,’ dacht ik, ‘plots een ik-verteller, dichter bij mezelf…’ Ik legde mezelf allerlei dingen op om vooral geen tweede 'Weekdier' te schrijven.

Je bent in je opzet geslaagd om iets totaal anders te schrijven. Een ander genre zelfs.

Er stond al veel poëzie klaar, maar ik had nooit het idee dat ik er iets mee ging doen. Tot ik dan al die gedichten had staan. Ik heb ze doorgestuurd naar de uitgeverij, maar die zei: “Dit is nog niets, we moeten hiermee wachten, we denken dat het beter is om verder te gaan met je tweede roman.” En: “Doe maar op het gemak, Hans.”

Ik had zin om met die poëzie verder te werken en een maand of twee, drie later stuurde ik een nieuwe versie in. Dan zeiden ze: “Ja, je hebt veel stappen gezet in die paar maanden én we zijn van plan om met De Geus ook weer poëzie te doen.” Eerst moest wel nog besproken worden of het strategisch de beste keuze was. Zogezegd verklein je je publiek, want de mensen die poëzie lezen zijn vrij schaars. Maar ze zeiden: “Anderzijds is het ook goed, want dan toon je je veelzijdigheid.”

Met poëzie is het ook veel fijner om op een podium te staan. Ik ken een hele hoop gedichten uit mijn hoofd: een reeksje dat ik doe als ik een kwartier de tijd krijg. Poëzie voordragen zorgt er ook voor dat mijn boeken aandacht krijgen.

 

De fase waarin je verkeert als mens, bepaalt heel fel hoe je bepaalde thema’s aansnijdt. 

 

Is 'Spanriem' autobiografisch? 

Euhm, ik vind dat een moeilijke term. Ik ben vertrokken van wat ik ken en dan heb ik dat in een vorm gegoten. Het eerste deel gaat over of je al dan niet je liefde naar het buitenland volgt, iets dat ik zelf heb meegemaakt. De insteek is dus wel autobiografisch, maar wat er vervolgens met de tekst gebeurt niet. Die is zowel in de taal als in de beelden ontspoord. Als mijn ex dat boek zou lezen, zou ze zeggen: “Dát klopt niet, dá’s niet waargebeurd, enzovoort.” De bundel gaat hopelijk ook over heel veel andere mensen, over vragen waar andere mensen ook mee bezig zijn.

Je noemt de bundel een ode aan de liefde. Ben je een romanticus?

(lacht) Goeie vraag. Dat denk ik wel, ja, maar er is wel een grens aan hoe romantisch ik ben. Misschien kan ik wel romantisch doen in een terugblik op een relatie, maar als puntje bij paaltje komt, ben ik vrij nuchter.

'Weekdier' gaat ook over relaties, maar is veel rauwer.

Ja, maar da’s misschien ook wel het effect van proza versus poëzie. Het is niet dat poëzie dwingt om sentimenteel te zijn, maar de manier waarop ik met de taal omga in poëzie maakt dat dat wel lyrischer voelt, zeker in hoe de liefde gestalte krijgt. En ik was ook op een ander punt in mijn leven, met een andere persoon samen, in een andere stad… De fase waarin je verkeert als mens, bepaalt heel fel hoe je bepaalde thema’s aansnijdt, denk ik. Ik krijg inderdaad reacties op 'Weekdier' als: “Amai, die doet wel heel cynisch over de liefde,” of “Da’s wel heel hard.” 

Als de liefde nu in mijn werk aan bod komt, zal dat weer anders tot uiting komen, een andere manier om haar te analyseren. Dat is ook het schrijfproces. Je moet jezelf constant bijsturen in hoe je naar de dingen kijkt en hoe je alles meemaakt.

Je bent ook nog jong.

Dat sowieso, ik heb nog niet de levenservaring van iemand die zestig is en op de liefde terugblikt, of zo.

In 'Weekdier' zitten veel creatieve personages die voor hun werk heel erg ver gaan. Is dat iets herkenbaars voor jou?

Die rode draad is er eigenlijk per ongeluk in gekropen. Franky was een gefaalde fotograaf, Colline was actief in de podiumkunsten… Dan dacht ik: ‘Oké, gebruik ik dat om iets over het wereldje te zeggen?’ En dan was Siffer een beeldhouwer, Mathilde werd een schrijfster, en dan bleek dat heel het boek over de kunsten ging. Ik denk dat dat ook kwam omdat ik op het conservatorium zat en daar wel kritisch naar keek, naar die opleiding. Ik dacht: ‘Ik wil daar eigenlijk wel iets over zeggen, over hoe klein het wereldje is, navelstaarderig.’ Ik heb het dus een beetje op de korrel genomen.

 

Soms moet ik mezelf tegenhouden om alles in functie van een project te zien.

 

Lees je zelf veel? Haal je inspiratie uit andere auteurs?

Ik probeer wel veel te lezen. Als ik met poëzie bezig ben, lees ik graag dichters. Ik vind Tijl Nuyts zijn bundel, bijvoorbeeld, echt heel strak. Daar ben ik jaloers op. Nu ik weer in een proza-adem zit, lees ik goede prozaïsten. Ik ben bezig aan de autobiografie van Stefan Zweig. Da’s voor mij zo’n schrijver die toestemming geeft om breedvoerig te zijn, om wijds te schrijven zonder al te veel censuur. Doorgaan zonder punten te zetten. Dat heb ik nodig, in de eerste fase van het schrijven maakt het toch nog niet uit. Bij Harry Mulisch heb ik dat ook.

Een van de beste dingen die ik dit jaar gelezen heb zijn de korte verhalen van Carmien Michels, 'Vaders die rouwen'. Soms staan mensen dicht bij je, en dan lees je een boek van zo iemand en denk je: ‘What the fuck?’ Ik was al vergeten dat ze zo getalenteerd is. Zij is zo mooi aan het ontwikkelen als schrijver.

Wat ligt er voor jou in het verschiet nu?  

Er is een manuscript gepland voor 2024. Het is niet af, maar er is wel al veel tekstmateriaal, en mijn redacteur wil ermee aan de slag. Maar toen ik in Berlijn op residentie was, ben ik aan iets anders begonnen dat een beetje uit de hand aan het lopen is. Op een bepaald moment is het kiezen: gaan we met het ene of het andere verder? Wat moet er nog rijpen? Wat is klaar voor redactiewerk? Het zal afhangen van het komende jaar welk van de twee prioriteit krijgt.

Toen ik aankwam voor het interview, was je ook iets aan het schrijven.

Ja, ik ben nu met een kort verhaal bezig. Terwijl ik dat aan het schrijven ben, denk ik: ‘Hmm, misschien moet ik een manier bedenken dat het toch in een boek kan terechtkomen?’ Maar soms moet ik mezelf tegenhouden om alles in functie van een project te zien. Da’s een beetje mijn valkuil, denk ik. Da’s gevaarlijk.

Gevaarlijk, omdat je jezelf dan te veel druk oplegt?

Ja, er gaat wel druk mee gepaard. Een beetje druk is nodig: het is bijvoorbeeld goed als je schrijven in je agenda inplant. Maar ’t is ook belangrijk om soms gewoon te oefenen, schetsen te maken tussendoor. Want anders wordt het echt werk, en dreigt de lol ervan af te zijn. Zoeken naar het plezier in schrijven, dat vind ik heel belangrijk.

 

 

Dit artikel verscheen oorspronkelijk in VERZIN herfst 2022, geschreven door Julie Putseys.

Beeld: Hans Depelchin door Eva Donckers

Gepubliceerd op

12 jan 2026