Verslag

Leve VERZIN - afscheid van ons magazine

Leve VERZIN!

Op vrijdag 23 januari namen we officieel afscheid van ons magazine VERZIN. Samen met redacteurs, medewerkers en andere vrienden van Creatief Schrijven deelden we dankbaarheid voor alles wat VERZIN mogelijk heeft gemaakt. In 75 nummers en duizenden pagina’s bracht VERZIN verhalen, inzichten en stemmen samen, telkens met dezelfde motivatie: mensen aan het schrijven krijgen. 

Tijdens het afscheidsmoment blikten we terug, lachten we om anekdotes en stonden we stil bij wat was. We bladerden niet enkel door herinneringen, maar ook letterlijk door alle covers van het magazine, vereeuwigd in een kunstwerk dat voortaan in ons kantoor zijn verhaal blijft vertellen. Het kunstwerk VERZON, gemaakt door Jan Hongenaert en Zazie Norden, is te bewonderen in ons kantoor. Ben je benieuwd? Kom dan even langs tijdens onze openingsuren om het zelf te ontdekken.

De avond werd afgesloten met een speech van voormalig hoofdredacteur Michiel Leen, die VERZIN nog één keer samenvatte zoals alleen hij dat kan. Je leest zijn woorden hieronder.

 

Uitgesproken bij ten kantore van Creatief Schrijven ter gelegenheid van 20 jaar VERZIN. 

VERZIN is dood, leve VERZIN! 

Beste vrienden, collega’s, geëerd publiek in al uw graden en hoedanigheden, 

Het is een beetje met een dubbel gevoel dat ik hier sta. We zouden vandaag feestelijk kunnen klinken op het 20-jarig jubileum van ons tijdschrift, en uiteraard houdt niets ons tegen om dat straks daadwerkelijk te doen, maar in de werkelijkheid staan we hier natuurlijk om afscheid te nemen van onze papieren VERZIN. Dode bomen kosten veel geld, en dus is ook ons tijdschrift, helaas, geveld. Er zijn evenwel toekomstplannen, waarover An straks meer gaat vertellen, dus laat ons niet te zeer vervallen in treurigheid. 

Want we mogen verdorie trots zijn op wat we in al die jaren als tijdschrift hebben gerealiseerd. 

Zoveel nummers. Een tachtigtal, alles samen meer dan 3.000 bladzijden met verhalen en knowhow om de gepassioneerde liefhebber aan het schrijven te zetten. 

Zoveel diepgravende interviews met literaire hoogvliegers uit binnen- en buitenland. Annelies Verbeke. Gaea Schoeters. Christophe Vekeman. Peter Terrin. Peter Verhelst. Mustafa Kör.

Buitenlandse kleppers als Colson Whitehead, Renate Dorrestein, Peter Buwalda, David Mitchell, Irvine Welsh, Carlos Ruiz Zafon, et j’en passe

Jonge hoogvliegers, van wie velen intussen hun plek in het literaire landschap veroverd hebben. Moya De Feyter. Yousra Benfquih. Lara Taveirne. Frederik Willem Daem. Zoveel nieuwe initiatieven, wedstrijden, cursussen, debuten onder de aandacht gebracht. De wisselwerking met de Azertyfactor, waarbij schrijfliefhebbers de professionele feedback op hun borelingen des breins zwart op wit konden terugvinden op geduldig papier. 

Kortom, ik denk dat we onze tagline “het tijdschrift dat je aan het schrijven zet" dubbel en dik hebben waargemaakt. Kijk alleen al eens naar het zootje pennenvoerders dat hier vandaag verzameld is. VERZIN is ook voor hen een belangrijk platform geweest. 

 

Kortom, ik denk dat we onze tagline “het tijdschrift dat je aan het schrijven zet" dubbel en dik hebben waargemaakt.

 

U zult het mij niet kwalijk nemen dat het verhaal hier ook wat persoonlijker wordt. VERZIN is ook 15 jaar van mijn journalistieke carrière. 

Ik was 24, net uit de school en de facto werkloos – in de media noemen we dat “freelance” – toen ik voor het eerst een voet over de drempel zette bij Creatief Schrijven, toen nog in de Zirkstraat. Er was een wedstrijd voor journalistieke verhalen georganiseerd, die ik volgens mijn gewoonte niet had gewonnen, maar blijkbaar was er iets in mijn inzending dat de redactie had aangesproken. Of ik geen zin had om af en toe iets voor het tijdschrift te doen. Dat moesten ze mij natuurlijk geen twee keer vragen. 

Het tijdschrift was toen in de bloei van zijn jeugd. Enkele jaren tevoren was het gelanceerd, de anciens weten dat nog wel, als “VOLZIN”. Onder die noemer is het bij mijn weten slechts twee keer verschenen, want er bestond al een tijdschrift Volzin. Iets met het geloof, als ik mij goed herinner. Ze waren nogal stellig in hun claim dat zij en zij alleen de naam Volzin konden claimen. Dan maar een andere naam bedacht. Met lui die Onze Lieve Heer aan hun kant menen te hebben, moet je niet te veel willen discussiëren. 

Enfin, VERZIN dus. Het tijdschrift had in die eerste jaren al een paar echte vedetten voor de microfoon gehad: Ramsey Nasr, Bart Moeyaert, Jonathan Coe, … Een medewerkster was zelfs undercover gegaan met een eigen manuscript om inzicht te krijgen in de werking van het print-on-demand-wereldje, dat voor schrijvers in eigen beheer heel aanlokkelijk was, maar ook zijn eigen valkuilen had. 

 

Stefan Hertmans had tandpijn. Maar dat weerhield hem er niet van om ons in te wijden in de geheimen van zijn schrijverschap.

 

Mijn eerste wapenfeit werd een interview met Saskia De Coster, in Borgerhout. Later dat jaar volgden Irvine Welsh en Anne Provoost. Van Anne herinner ik me haar prachtige schrijfkamer, maar ook de fysieke moeite die het haar kostte om te schrijven. Zeg nu nog eens dat het een gemakkelijk beroep is. 

Bij het interview met Welsh leerde ik dan weer dat het heel belangrijk is om je fotograaf goed te briefen over wie je gaat interviewen. Onze fotografe probeerde het ijs met de Britse cultschrijver te breken door hem te vertellen dat ze 'De wereld volgens Garp' zo’n goed boek gevonden had. Dat vond Irvine Welsh ook. Alleen: hij was niet de schrijver van Garp. Dat was John Irving. Het zit soms in een klein hoekje. 

Ik herinner me de brandgaatjes in de veston van Ilja Leonard Pfeijffer toen ik hem in een Amsterdams hotel ging interviewen over zijn handleiding 'Hoe word ik een beroemd schrijver'. Nog net niet knie tegen knie aan een klein tafeltje in een hotelsuite waarin nog gerookt mocht worden - hoe lang is dat geleden? Of ik iets uit de minibar beliefde? Het werd een geanimeerd gesprek, zoveel is zeker. Het was alleszins nog niet de tijd waarin Pfeijffer gezwind met de fiets naar Genua peddelde. 

Stefan Hertmans had tandpijn. Maar dat weerhield hem er niet van om ons in te wijden in de geheimen van zijn schrijverschap. Hij stond aan het begin van zijn bestsellercarrière: 'Oorlog en Terpentijn' was net uit, wat natuurlijk de vragen over het onderscheid tussen feit en fictie scherp stelde. Ging hij graag op in. Aan het einde van het gesprek voegde hij er fijntjes aan toe: “Wat een waarheden allemaal! Als het nu ook nog eens waar was, hé?” 

 

Van Anne Provoost herinner ik me haar prachtige schrijfkamer, maar ook de fysieke moeite die het haar kostte om te schrijven. Zeg nu nog eens dat het een gemakkelijk beroep is. 

 

We zijn niet alleen het eerste, we zijn wellicht ook het énige literatuurtijdschrift geweest dat ooit Clement Peerens op de cover heeft gezet. Dat kwam zo: we hadden weliswaar een interview met de enige echte Hugo Matthysen, maar erg vlotten wilde het niet. Dus vroeg ik hem lukraak hoe het nog was met Clement. Waarop het gesprek meteen een meer geanimeerde wending nam. Kwam daar nog bij dat het intussen te donker was geworden om nog goede foto’s te maken. Zelfs de schijnwerpers van mijn Renault Clio konden daar niets aan verhelpen. Gelukkig had de platenmaatschappij andere beelden in stock. En dus staat de muzikale snorremans uit Maarksem prominent op de cover. “Zorg dat je je tijdens het schrijven amuseert” als tagline. Het zal nogal eens niet! 

VERZIN bracht mij naar een concentratieschool waar een leerlinge aan het eind van de workshop al haar medeleerlingen stil kreeg met een eigen gedicht. Naar de gevangenis van Dendermonde, waar een gestrafte kruimeldief schreef over zijn heimwee naar huis, waar intussen het fruit rijp was. Naar schrijfdagen en boekenbeurzen, literaire speeddates en slamtoernooien. 

We hadden het voorrecht om de schrijvers in het lang en het breed aan het woord te laten in het vuur van hun passie. En allemaal waren ze van mening dat je het niet kon leren, schrijven. Met andere woorden: wat zitten wij hier eigenlijk te doen? Notoire uitzondering, op de valreep, in het allerlaatste nummer: Roel Richelieu van Londersele. Maar hij is dan ook een pionier van het schrijfonderwijs in Vlaanderen. 

 

We hadden het voorrecht om de schrijvers in het lang en het breed aan het woord te laten in het vuur van hun passie.

 

We dachten graag in rubrieken. Snelvuur, bijvoorbeeld, een ideaal format om debutanten en prijswinnaars voor het voetlicht te krijgen. Een tijdlang zetten we ook literaire tijdschriften in de kijker. Ik herinner me de doorstart van Raster als Terras en de lancering van een zeer blits boekje uit Amsterdam: Das Magazin. We zouden er later nog van horen. De rubriek was evenwel geen heel lang leven beschoren: een bepaald moment waren de nieuwe tijdschriften gewoon op. 

Een andere vaste afspraak, zo leek het wel, was een belletje naar Rudy Vanschoonbeek. Rudy is een man van vele kwaliteiten, maar VERZIN mag hem vooral dankbaar zijn, denk ik, in zijn hoedanigheid van meest benaderbare uitgever in het Nederlandse taalgebied. “Hebben we al naar Rudy gebeld voor dees nummer?” was een klassieker op vergaderingen. 

God, de vergaderingen! De vergáderingen! VERZIN is ook: een clubke. Met eigen in-jokes, die er bijvoorbeeld voor zorgen dat niemand ter redactie nog het woord “fantasy” kan uitspreken zonder in de lach te schieten. 

Bij VERZIN kon je veel leren over de edele kunst van het vergaderen. En over het navergaderen, bij voorkeur in de Zurich of in ’t Heilig Huisken. Veel geleerd van de specialist ter zake. Ik ga geen namen noemen, maar zijn naam rijmt op Steve Goris. Tijdschriften maken is mensenwerk. Je maakt geen tijdschrift op een eiland. 

Om maar te zeggen: VERZIN, ge had erbij moeten zijn. 

Laat ons toch niet vergeten dat we er in al die jaren in geslaagd zijn om een volwaardig, welja, journalistiek product neer te zetten. 

 

Beloofd, laatste anekdote voor dit deel van de avond, maar ze is te mooi om niet te vertellen.

 

We zijn het tijdschrift geweest dat voor het eerst de twee dichters des vaderlands van België en Nederland samen aan tafel zette. Dat schrijvers bevroeg over hun engagement. Dat de moeite deed om auteurs opnieuw op te bellen wanneer ze aan hun twééde boek toe waren, lang nadat de flashy berichtgeving rond hun debuten was verstomd. 

We konden daarbij rekenen op de samenwerking met professionele lay-outers en redacteurs, de back-office van Creatief Schrijven, drukkers en distributie, die ik hier ook expliciet wil bedanken voor hun goede zorgen om van elke VERZIN een mooi hébbeding te maken, dat in geen enkele boekenkast zal misstaan. 

Ik dank ook de professionele fotografen die doorheen de jaren onze verhalen van unieke beelden hebben voorzien. Isaora Sanna, Katrijn Van Giel, Wendy Marijnissen, et j’en passe

Zonder Wendy, bijvoorbeeld, zou ons interview met Jeroen Brouwers er wellicht heel anders hebben uitgezien. Beloofd, laatste anekdote voor dit deel van de avond, maar ze is te mooi om niet te vertellen. Brouwers woonde toen nog in zijn boshut in Zutendaal, wat toch al snel 100 kilometer van Antwerpen vandaan is. Wendy en ik reden samen vanuit Antwerpen. Om onderweg niet door het hongerklopke overvallen te worden, had ze een pak wafels meegenomen. Niet dat ik een hap door mijn keel kreeg. Ik was zo’n bewonderaar van Brouwers dat ik vooral heel erg nerveus op weg was naar het interview. Het was voor mij zoiets als Elvis gaan interviewen. Maar wat als Elvis mij maar een onbenul zou vinden? Waren mijn vràgen wel goed genoeg? Dat soort plankenkoorts, kortom. 

De grote schrijver had trouwens niet veel zin in een interview. Zijn roman 'Het Hout' was net uit en hij had zo uit het hoofd al 17 interviews over dat boek achter de rug. "Enfin, kom binnen, ik heb koffie gezet. Stel uw vragen maar." En toen zei Wendy: “Ah, wij hebben iets bij voor bij de koffie!” En ze haalde het pak wafels tevoorschijn. En kijk, Jeroen Brouwers was wel voor een wafeltje te vinden. Het ijs was gebroken, de schrijver ontdooide en het werd een stevig gesprek over het beroep van de literatuur. Ik nam me meteen voor om nooit nog als een veredelde fanboy naar een interview toe te gaan. Wel nog aan Wendy gevraagd om een foto te maken van Jeroen en mij. En Jeroen wilde graag op de foto met Wendy. 

 

Om maar te zeggen: VERZIN, ge had erbij moeten zijn. 

 

Enfin, beste vrienden, ik ben er zeker van dat uzelf ook nog van die unieke VERZIN-verhalen hebt. Ik denk dat er straks ook een uitgelezen kans is om ze nog eens op te halen, want wat is een VERZIN-samenzijn zonder navergadering, nietwaar? 

En ja, verdorie, ik ga het missen. Het doet vreemd aan om te moeten bedenken dat die collectie VERZINs op mijn schap nu volledig voltooid is. Het is spijtig om vast te stellen dat de praktische bezwaren de overhand hebben gekregen op droom en daad. Tijdschriften maken is iets dat je doet tegen beter weten in, dat weten we allemaal. En toch: áls er dan een titel wordt opgedoekt, valt er een leemte. Maar we mogen fier zijn op wat we hebben neergezet met zijn allen. Bedankt aan iedereen die dat mee mogelijk heeft gemaakt. Bedankt dat ik er mijn chaotische steentje aan heb mogen bijdragen. Om het met Reve te zeggen – geen nood, ik heb het citaat nog even gedubbelcheckt – “Het is gezien, het is niet onopgemerkt gebleven.” 

VERZIN is dood. 

Leve VERZIN. 

Ik dank u. 

Gepubliceerd op

3 feb 2026