Zoeken

Casa obscura, casus cinereus

  via toegangsdeuren die zelfs hun scharnieren ooit hebben verraden het was met wentelingen naar een ondergang misschien een keldertrap door de sluwe gangen met een tegelvloer voor mank geschaak naar de tuinen waar de ondergrond met veel ongemak de tijd verteert weg zijn de bloemen en ze verschijnen weer die boomskeletten raven hebben er hun nesten, de gebroken takken zijn getemd  is er iemand die de doornstruiken snoeien durft, bloed graag proeft wil de hemel mij nu zeggen waar de rode pannen zijn gebleven  wil het maanlicht schijnen, de gordijnen met wat tederheid bekleden waar is het bed zonder die spijkers, geef die kaars nooit meer vals vuur laat me rusten in de weemoed, slapen op die asse van verkoolde tijd adieu wereld, fout been en fontein vol treurnis, het is tijd ik moet weer moedig opstaan, durven, steigeren gelijk een mier het is naar die gebarsten regenboog, weg van hier, dat ik trekken zal onderweg naar overmorgen, via gisteren, opnieuw door dat gellegat door die boringen gemaakt voor kleinigheden in de bast van treurwilgen naar die stervende rivier, met zijn heen- en weerwolf op dat vlot grauwe nevel doet de wanhoop goed, de regen is voorlopig echt voor hoe lang nog, voor welk duister doel, loerde ergens ooit geluk heeft de toekomst ooit gebloeid, roeide ooit een lichte bries me tegemoet was er ooit een kans dat er larven zouden dansen op het wateroppervlak vraag me nu niets meer, verdwaalde uil, mijn vingers worden liever stil ik wil dit plot verlaten, proeven eten van het dunne winterlicht         uit de reeks 'Reizen met Ricky'  

Bernd Vanderbilt
0 0

Ford Scorpio

  Kijkt toe. Dit is geen ordinaire volkswagen. Het is een ware Touareg. Speciaal model met wankelmotor voor in twijfeltijden Zeer uniek. Deze machine is speciaal gebouwd voor op die parking naast mijn huis. Het gazon is gekleurd in prachtig British racing green. Bewondert dit. De velgen zijn verzilverd en de pook is van een lekker goud voor extra veel genot. Ik ben een connaisseur in die materie voor de echte man. Is het een kameel met paardenkracht, my lord? Scheurt hij 'wredig' door de bochten, plet hij elke schorpioen? Mijn god, wat glimmen toch die banden, wat zijn ze cool en beestig zwart. Pas maar op, gij kleine man. Ik heb veel zeggenschap, een generaal of tien voor elke vinger van de macht. Kom maar mee. Straks wordt uw ziel gekraakt onder de wielen van mijn Touareg. Er zijn hier knoppen voor de juiste straf en in de koffer ligt het masker voor de beul. Oejoejoei! Ik hoor. U bent wel degelijk een stoer geval, geen kwal die op uw ruitersstoeltje kwijlen zal.  Ik moet nu voort. Mijn voeten zijn doorboord met oude nagels en mijn hemelgeest zoekt frisse lucht. Toch is er hoop, voor U en mij, want de woestijn zal dorstig zijn. Hij slurpt zeer binnenkort de wereld op. Echt. De verlossing is nabij. Heb nog een dag of twee geduld. Dan zijn de oorlogen voorbij. Dan raast die storm niet meer, stopt die razernij. Dan zien die ogen van het zand, voorgoed weer zuiver licht en is ook onze duivel blij, met eindelijk wat rust.       uit de reeks 'Reizen met Ricky'    

Bernd Vanderbilt
0 0

Zeven zonden

Wandelweekend dag 3 Ze zijn terug thuis in de Vlaamse Ardennen. Ze ligt in bed, hij kruipt erbij en knipt het licht uit. Zo onverwacht. De routine om te lezen in bed doorbreekt hij zelden, maar als hij het doet wordt ze meteen stil. Ze luistert, voelt en kijkt in het duister. Hij ligt op zijn rug, zijn handen gevouwen. Er is rust. Hij lijkt te wachten. Ze denkt aan gisteren, aan de abdij en de pot met erwtjes die op tafel stond. Hij vroeg of ze echt waren en wou ze mee naar huis om te laten groeien. Ze nam er zeven uit het potje en stak ze in zijn borstzak. Hij vroeg of het wel genoeg was, of ze er niet beter 70 meenam of het hele potje. Ze zei: je hebt gelijk, de kans dat ze allemaal groeien is klein. Dus stak ze er nog zeven in haar broekzak om de kans te verdubbelen. Ze begint zacht te praten. Vraagt of hij weet waarom ze zeven erwtjes nam. Mijn zeven zonden, vraagt hij. Nee, dan had ik er toch zeventig meegenomen zoals je voorstelde antwoordt ze al lachend. Jij bent diegene die al lang niet meer te biecht is geweest reageert hij. Ik wou anders vandaag wel, kaatst ze terug, maar je durfde mijn biecht niet afnemen. Het is wel een kerk, die fantasieën van jou kunnen echt niet in een kerk, zegt hij alsof hij altijd de heilige is geweest, en daarbij het gaat nu toch niet, ik kan en wil het niet. Dat begrijpt ze.  Dan vertelt ze zacht dat hij haar op de zevende voor het eerst gezoend had en dat zij op een zevende verjaart en zeven altijd haar lievelingsgetal was, samen met drie en éénentwintig. En dat ze naarmate ze ouder werd ontdekte dat haar lievelingsgetallen ook magische getallen waren. Hij zegt dat zijn lievelingsgetal drie was en hij op een derde verjaart. Zij zegt: dan moeten we misschien op een éénentwintigste trouwen, maar het jaar dertig zal te vroeg zijn met al die blokkades van jou, we zullen het jaar zeventig nemen, tegen dan weet je het misschien wel. Hij lacht. Hij wacht even, dan veert hij recht en neemt zijn telefoon. Hij wil weten waarom het magische getallen zijn. Hij leest voor. De uitleg is passend voor wie zij zijn. Ze wordt slaperig en brabbelt nog: drie en zeven, het kan geen toeval zijn, we passen gewoon. Ze denkt aan de erwtjes in haar broekzak. Morgen moet ze die een veilig plaatsje geven. Mijn erwtjes ben ik kwijt, zegt hij droevig, en ik weet precies waar: bij de boomstronk waar we gerust hebben. De wandeling vandaag ging eerst weer door het bos. Het was koud, maar zonnig. Zij deed een sjaal aan, maar was meteen aan het zweten. Hij vroeg om het half uur of hij haar rugzak niet moest dragen en wist dat ze nee ging zeggen en dan volgde zijn hoofdschudden en een omhoog getrokken mondlijn omwille van haar koppigheid. Ze vond die mondlijn fijn. Die veranderde samen met zijn ogen naargelang zijn gemoed. Na een goed uur wandelen kregen ze aan de rechterzijde de weidsheid van de hoge venen te zien. Prachtig vonden ze het. Hij deed zijn hemd uit en legde het op een boomstronk om te gaan zitten turen in de verte. Zij ging naast hem zitten. Ze vertelde over haar angst van vleesetende planten en afgevroren voeten als je vast kwam te zitten in de venen. Hij deelde zijn herinneringen uit zijn kindertijd. Hij ademde diep in en zei dat hij zo graag in vrijheid en weidsheid wou leven, maar zo vast zat en geen uitweg zag. Zij wreef over zijn rug. Ze begreep hem. Bij het opstaan vielen de erwtjes uit zijn hemd, daar in niemandsland, zij waren wel ontsnapt om in de lente uit te breiden, in alle weidsheid en vrijheid, net als hun liefde.  De erwtjes liggen daar perfect zegt ze. Ze zoekt zijn hand en valt in slaap. 

Fien SB
20 2
Tip

Erwtensoep

Wandelweekend tweede dag Ze zijn op één kilometer van hun vertrekplaats. Zij herkent plots de baan. Ik ben hier al geweest, zegt ze. Gisteren had ze op kaart zitten kijken welke wandeling ze vandaag konden doen. Ze toonde welke haar interessant leek. Een wandeling van 15 kilometer, een stukje bos, een stukje langs de rivier en ook langs een abdij. Zijn interesse was meteen gewekt. Toon eens, had hij gevraagd. Ze toonde hem de foto's van de abdij en las de beschrijving: “In de abdij van Mariawald kan je nog steeds de welbefaamde erwtensoep eten.” Hij veerde enthousiast op achter zijn stuur “Het is die, het is die abdij!”. Zij voelde vuurvonkjes in haar binnenste. Ze had de abdij uit zijn jeugd waar hij vorige maand naar zocht gevonden. En hoe fijn vond ze het om hem blij te maken. Kon ze dit maar alle dagen doen! Ze komen aan op de parking. Zij gelooft haar ogen niet. Ze trilt. Haar buik voelt warm. Ik ben hier al geweest, zegt ze nog eens. Ze loopt in de richting van de abdij, als betoverd. Ze was er inderdaad al geweest, 2 zomers ervoor. Ze had haar toenmalige partner doen stoppen langs de baan omdat ze een mooie witte muur had gezien en wou weten wat daarachter zat. Hij had gereageerd dat de stopplaats niet ideaal was, maar zij wou absoluut uitstappen. Ze was langs de muur gelopen en had getrild. Ze wist niet waarom, maar ze wou hier even rondlopen. Haar partner en kinderen waren gevolgd. Ze liepen langs de abdijmuur naar boven. Daar was zij op het bankje gaan zitten. Ze was stil. Ze voelde iets maar kon dat niet delen. Ze zou wel weer horen “ben je daar weer met je rare gewaarwordingen”. Dus was ze stil en genoot van het gevoel te zweven, langs de abdij, over de uitgestrekte velden, in de zon, naar het verleden. Ze voelde liefde, de liefde die ze vaak miste. Ze lachtte naar haar kinderen. Wat was het leven mooi zo. Ze wou dat gevoel zo lang mogelijk vasthouden. Ze was thuis en ze wist niet waarom. Voor ze de plek weer verliet ging ze nog eens binnen in de kerk en keek door het raam van de cafetaria. Er was niemand. Alles was verlaten. Hij komt naast haar staan. Jouw abdij is mijn abdij, zegt ze en vertelt haar verhaal al wandelend. Er is veel zon, maar ze moeten eerst door het bos en zitten daarna aan de verkeerde kant van de vallei. Toch geniet ze. Hij is speelser vandaag. Ze kruisen een Vlaams koppel met hond. Ze praten wat over het ras en dan over de streek. Hij en de dame hebben vooral het woord. Haar introverte man kan wel heel gemakkelijk met vreemden praatjes maken en dat vindt ze fijn. Na een zin of drie doet hij het weer: hij brengt tijdens het gesprek zo subtiel zijn liefde voor haar naar boven dat ze gloeit. Hoe kan hij toch zo zacht duidelijk maken dat ze de vrouw is waarmee hij oud wil worden? Het laatste stukje is een ommegang, een klim naar boven. De zon recht in het gezicht. Ze zweten. Een zestiger komt naar beneden met een paternoster, strak gezicht. Hij zegt dat ze helemaal toe zit, madam paternoster. Zij lacht dat hij dat net moet zeggen met zijn blokkades. Dan lacht hij: “ik had die reactie zien aankomen”. Ze bekent dat zij ook zou toe zitten als hun relatie zou kapot gaan. Jij bent het, zegt ze, jij en niemand anders meer. Eindelijk zijn ze er. Hij gaat met de hond een plaatsje zoeken in de cafetaria, zij schuift aan voor zijn erwtensoep met worst. Hij zit in de zon. Ze zet de soepkom voor zijn neus, maar hij schuift hem naar het midden om met haar te delen. Zijn ogen spreken liefde en weemoed, hij neemt haar hand, zij wrijft over zijn vingers, kijkt hem in de ogen. Ze delen het abdijbier en de kaastaart. Ze voelt een gelukzalige vermoeidheid opkomen. De emoties van het goddelijke. Zijn abdij is haar abdij. Het was voorbestemd. Ze passen bij elkaar als twee erwtjes in één peul.

Fien SB
79 2

Zebrapad

  Zonder kleuren te begrijpen koopt de moed een ladder. Duizend sporten. Lang genoeg voor elke regenboog. Een aarzeling verklaart hem gek want tussen zwart en wit leeft enkel grijs. Zoiets weet een monochrome camera. Ik doe het toch, fluistert de hoop. De oversteek is link. Het zwart laat moeilijk los. Langzaam door de sneeuw. Overnachten moet men in een bruine kroeg. De waard hij heeft een glazen oog. Daar is geen vraag die leeft. Ik ben het zeker. Ja. Zelfs koffie zal hier niet ontkennen. Nergens bestaat zuiver zwart. Nacht en sterren weten. Fonkelingen drinken te veel vreugde. Dronken zal het uur niet worden van een beetje licht  Overal hetzelfde. Nuances hebben er de boel besmeurd. Ik moet hier weg. De duisternis wil mee. Één stuiver wordt gevraagd voor het gelach en ik kan gaan. De zon komt op. Blijft netjes wit. Omdat een berg dat wil. Het kerkhof dat ik zoek voor de begrafenis van de verleden tijd. Het ligt ginds aan de achterkant. Daar waar de pas verdwijnt. De horizon een inzinking verdraagt. Ginds zal het zijn. Het einde van de reis. Een clown. Een niet bestaande circustent. Onmogelijke trouw aan rood op wangen van de hartenzot. Iedereen en alles zal mij daar ontvangen met gebroken armen. Kom maar mee. Vergruis hier maar die smart. De littekens vergaan tot stof. Een indianenkind verbergt het in een zadeltas. Wees gerust, zegt er een stem. Zebra's zijn gevonden voor het trekken van de kar. De lijkstoet zal niet volgen want men is te moe. Het paard kan dat alleen. Eindelijk. Weer. Draven. Vrij. Ver weg van hier.  Met in die zadeltas geleden tijd. Voor nog een overtocht.     uit de reeks 'Reizen met Ricky'    

Bernd Vanderbilt
3 0