Zoeken

De Duitse hoge laarzen...

Meestal zitten ze naast elkaar, op de wereldwijd bekende Griekse, rieten stoelen. Verkoeling zoekend in de schaduw van een plataan of een druivenlaar die het terras overschaduwt. Ze zijn gehuld in zwarte kledij, soms een zwarte stofjas, met zwarte, lederen knielaarzen van Duitse makelij, die meer dan 80 jaar oud zijn en opnieuw en opnieuw en opnieuw werden voorzien van nieuwe zolen. Laarzen die op tijd en stond worden opgeboend met wolvet of olijfolie om het leder soepel te houden en de glans te bewaren. Dit kniehoog schoeisel zijn relicten uit een afschuwelijk oorlogsverleden, toebehorend aan jong Duits kanonnenvlees dat tijdens WOII per parachute neerdaalde op Kretenzische stranden, dorpen platbrandden, gezinnen uitmoordden en leefgemeenschappen en wegen voorgoed van de kaart veegden. De Kretenzische mannen, veelal boeren, wroetend in de aarde, verdedigden zich en rijgden menige Duitse soldaten aan hun riek. Diegenen die  het oorlogsgeweld overleefden, nu 95 plussers, zoeken elkaars gezelschap nog steeds op, dragen de Duitse knielaarzen trots en triomfantelijk als ereteken voor moed en overwinning. Deze Partizaners worden tot op de dag van vandaag met grootste respect behandeld door iedereen. En zo zitten zij daar dan samen, de oude rimpelige handen leunend op een olijfhouten stok, knoestig en verweerd. Hun ogen staren zonder echt te kijken. Roerloos zitten zij, als beeldhouwwerken. Levende monumenten die in stilte samen rouwen. Een tasje Griekse koffie of Raki staat binnen handbereik, maar er wordt niet aan genipt. Als je hen begroet lijken ze even uit hun dagdromen te ontwaken. Ze monsteren je dan van kop tot teen, zich wellicht afvragend of je DNA afstamt van het land waar hun laarzen werden vervaardigd, om opnieuw weg te zinken in hun bodemloze gedachten. Hun werkhanden blijven de stok omklemmen; handen die manden hebben gevlochten, aardappelen hebben gepoot, ijzer hebben gesmeed en een oorlog hebben gevochten. Handen die ontegensprekelijk hebben vermoord maar evenzeer geliefden hebben gered en levens hebben verdedigd. Hun diep gerimpelde gezichten vertellen verhalen; verhalen die ik kan rijmen met wat ik heb gelezen over de Duitse invasie, gecombineerd met voedselschaarste, hongersnood en doffe ellende. Hier kende het beroemde Kretenzische dieet ook zijn oorsprong: leven van zaden, noten, peulen, yoghurt, olijfolie en honing. Functioneel en nutritief ongeraffineerd voedsel, boordevol vitaminen, mineralen en anti-oxidanten. Geen tierlantijnen, geen culinaire hoogstandjes, noch design bestek of kristallen glazen. Boers en onelegant voor de ene, het summum voor de andere. Wat graag zou ik met hen kunnen praten en vragen wat zich afspeelde in de olijfgaard waar ik mijn vakantiehuis heb staan. Niemand praat met hen. Ze praten nog niet eens met elkaar. Alsof zij geen woorden meer nodig hebben en niets nog bevestigd willen zien. Zij hebben wellicht geen vragen meer, zij zijn immers het antwoord daarop. Als je ooit in Kreta bent en de eer hebt deze immer rouwende en uitstervende Partizaners te ontmoeten, maak dan nooit de fout die ik ooit maakte...  Uit diep respect, uit medeleven, uit erkenning ze allemaal een glaasje Raki aanbieden. Omwille van een grote taalbarrière lukte het mij niet om de ober op gepolijste wijze mijn intenties duidelijk te maken, wat resulteerde in het feit dat ik was rechtgesprongen, elke Partizaner met de vinger had aangewezen en luidkeels "raki! raki! raki! raki! raki!" had geroepen. Ik geef toe, deze aanpak moet ongetwijfeld nogal Duitserig zijn overgekomen en ik sluit niet uit dat ik heb geklonken als een mitraillette. Geen van de oude mannetjes heeft deze traktatie willen aanvaarden. Nu, na zoveel jaar vraag ik me nog steeds af... lag het aan mijn blauwe ogen? Of aan mijn hoge zwarte laarzen?

Malotira
0 0

Een stoere Madame en 'Lisbeth' is overal

Verslag van een driedaagse op 5,6 en 7 September 2014 in de Vogezen       Een stoere Madame op de Col Amic en Lisbeth is overal     Ook deze keer zijn we genoodzaakt met ons twee de trip te maken op deze vrijdag 5 September, want Luc heeft net een knie-operatie achter de rug maar hopen hem volgend jaar zeker te recupereren. Ik ben laat vertrokken in LIER want Fred heeft een druk beroepsleven als crisismanager, maar om twintig voor twee is het zover, mijn Renault Scénic zet koers richting Soultzmatt, gelegen in het Zuiden van de Elzas.  Maar het geluk is niet aan onze zijde, want wij dachten s ’avonds nog een lekkere maaltijd te kunnen verorberen in het restaurant van het hotel waar we verblijven maar een file op de E411 doet de deur helemaal dicht. We verwittigen meteen Isabelle van de hotelreceptie dat ze het pasje van de kamer klaar legt want negen uur s ‘avonds blijft  wel ons doel, maar de realiteit is meestal anders met zulke verplaatsingen. We nemen toch maar de beslissing via Straatsburg te rijden en aldus vlak voor Metz de bekende Franse “péage” te nemen. We kunnen dus wat sneller vorderen, maar na enige  tijd krijgen we honger en eten een boterham op een rustige plek, waar we ook met onze tankaart van het Franse  TOTAL de dieseltank terug vol doen. Fred neemt nu het stuur van ondergetekende over, want tenslotte zal hij op zondag zich weer door het Vogezenmassief worstelen. Het wordt nu stilaan donker en we rijden nu op de A35 richting Colmar en Mulhouse en terwijl Fred zijn gedachten op de weg houdt probeer ik via mijn Blackberry een mailtje te versturen naar een bestuurslid van Tata Steel in Nederland, waar ondergetekende al bijna 37 jaar actief is, inclusief een reeks voorgangers, waaronder het vroegere SIDAL in Duffel. Het kost me meer moeite dan voorzien en moet nu opletten dat Fred ook de laatste kilometers veilig volmaakt want onze GPS loodst ons richting Rouffach, om daarna af te zwenken naar Westhalten, wat je bijna ongezien kan voorbijrijden want Soultzmatt ligt nu op grijpafstand. We passeren eerst het bekende kasteel, daarna de kleine maar gezellige dorpskom, die mooi verlicht is en dan de waterfabriek van Lisbeth, het zalige water uit de gelijknamige bron, dat zowat tien jaar geleden tot beste plat water uit flessen in Frankrijk werd verkozen. Daarna volgt het donker, maar enkele honderden meter verder zien we licht en Fred draait links af. Het is nu steil omhoog richting hotel “LA VALLE NOBLE”, waar een immense parking voor ons opduikt, die helemaal volstaat, te beginnen met twee autobussen en naar schatting een vijftigtal wagens; wij kunnen nog net aan het eind parkeren en stappen meteen uit richting receptie. De verbinding  tussen de parking en de glazen inkomdeur wordt gemaakt door een brede loopbrug van een twintigtal meter. Als we op de brug staan zien we een enveloppe aan de deur geplakt met daarin onze toegangspasjes. Als we ons omdraaien zien we ook Isabelle beneden uit een zijdeur komen en ze loopt ons vriendelijk tegemoet.  Wij voelen ons meteen in ons sas na deze lange rit en gaan op zoek naar onze kamer. Het blijkt dat we in kamer 312 slapen, waar ikzelf nog met Monique sliep een tijdje terug tijdens een vierdaagse trip begin juni. We besluiten de avond aan de bar, die vlakbij het restaurant ligt. Fred drinkt een wijntje maar ik hou het bij een glas bier en spoel daarmee niet alleen de lange tocht maar ook de hele week op het werk door.     In overleg hebben we beslist een toeristische dag in te plannen op zaterdag. Op verzoek van Fred rijden onder een stralende ochtendzon richting Colmar. Daar parkeren we in parking Rapp, genoemd naar de Franse generaal Rapp, die leefde eind 18de en begin 19de eeuw. We wandelen door de straten en maken zelfs een huwelijk mee, dat op deze zaterdag wordt gesloten in het stadhuis van Colmar, dat in feite midden in de winkelstraten gelegen is. Mijn vrouw Monique heeft er al een paar keer kinderkleding gekocht, maar dat is niet aan mijn kunde en die van Fred besteed, dus beperk ik mijn tot artisanale koekjes. Op verzoek van Fred vragen we ook een Française om een foto te nemen van ons beiden tussen de vele bloemen, die de stad sieren. Finaal besluiten we na een rondgang door de stad als rasechte Belgen ons land alle eer aan te doen en iets te drinken in café JUPILER, op de place de la Cathédrale. Ik bestel alvast een halve liter “Lisbethwater” want het is warm op deze zaterdagochtend en zeker een atleet op leeftijd heeft behoefte aan voldoende vocht. Plots krijgt ondergetekende een ingeving : ik stel Fred voor naar Ribeauvillé te rijden, gewoon omdat het nog te vroeg is om iets te eten. Het is niet veel verder dan een dertigtal kilometer daar vandaan. Richting dit fabelachtig mooie plaatsje stoppen we langs de ROUTE DU VIN om even te proeven van de druiven. Fred zal als avonturier deze taak op zich nemen en “ze smaken zoet” was zijn besluit, zonder te weten om welke (witte) druif het hier ging. Aangekomen op de parking van Ribeauvillé parkeren we met behulp van een ouder Frans koppel onze auto op hun plek; we krijgen zelfs hun parkeerticket. Als we uitstappen begrijpen we waarom het hier zo druk is, want s’anderendaags , op 7 September als wij afzien in de cols hebben hier grote feesten plaats, genaamd “Fête des ménétriers”; dit feest gaat terug tot in de middeleeuwen en heeft steeds de eerste zondag van september plaats.   Er is ook een park ingericht als Romeinse pleisterplaats en de dorpelingen zijn dan ook mooi verkleed en presenteren waren, die in die tijd ook aan de man hadden kunnen gebracht worden; zo koop ikzelf twee potjes honig; die duidelijk onder het oog van de imker werden geproduceerd.  Na een “tarte flambée”, een typisch Elzasgerecht besluiten we rechtsomkeer te maken richting ons hotel in Soultzmatt; de fietsveteraan wil na een onderbroken voorbereiding (zware val tijdens een training midden Augustus)testen hoe het gesteld is met de klimmersbenen, want dat zal morgen hard nodig zijn op dit meedogenloze terrein. Ik kleed mij dus om in een bijna volledig witte outfit met FDJ-truitje en wil de benen testen richting “Le Markstein”, dezelfde route dan de Tourrenners hebben afgelegd tijdens de 9de rit op zondag 13 juli van dit jaar. Vooraf heb ik met Fred afgesproken het oefenritje te  beperken tot 15 kilometer. Ik vertrek dus met volle moed en bereik als snel het dorpje Lautenbach, waar we morgen tijdens de afdaling voorbijkomen en rij verder omhoog richting top, en de benen doen het beste verhopen voor morgen want ik slaag erin een redelijk klimmerstempo te onderhouden. Als Fred mij opwacht na 15 kilometer waag ik het toch wat verder en dus steiler bergop te rijden; Fred duwt mij af en weg ben ik, maar de benen krijgen het moeilijk op deze kuitenbijter met meer dan 8% stijgingsgraad en omdat de ene veteraan de andere aanvoelt (Fred was destijds mijn ploegmaat in de triatlon) had hij zich in een haarspeldbocht enkele kilometer verder opgesteld. Daar hebben we de fiets terug in de auto opgeborgen en onze tocht per automobiel verder gezet. We rijden nu in omgekeerde richting precies het parcours af wat morgen gevolgd wordt. Als we op circa 1000 m aangekomen zijn in de afdaling van de Col Le Markstein stopt Fred spontaan op een kleine parking links van de weg; deze is blijkbaar aangelegd om toeristen of sportliefhebbers toe te laten te genieten van het landschap en in het bijzonder van het “paragliden” . Op deze zonnige dag zijn er tientallen avonturiers die een sprong wagen in de diepte. Ze springen boven vanop Le Markstein de open lucht in en eens de weg over waar wij geparkeerd staan gaan ze honderden meters de diepte in, want het dal ligt op nauwelijks 200 à 300 meter hoogte. Zo zien we haast een peloton sporters met een valscherm de diepte ingaan in dit weergaloze landschap, waar de natuur duelleert met haar eigen ongereptheid. De zon straalt nu op het dal en dat geeft een extra dimensie aan dit unieke beeld. Hier kunnen wij  ontzettend van genieten, meer dan morgen ooit  het geval zal zijn.  We zetten onze tocht nu verder en komen omstreeks  om tien voor zes aan op het marktplein in Thann, waar de kraampjes met fietsen stilaan hun spreekwoordelijke matten oprollen, maar aan het gebouw aan de overkant schuiven onze collega-amateurs aan. Ik zeg mijn naam en bijna onmiddellijk komt het woord “mille cent soixante huit” eruit, want dat is mijn rugnummer voor zondag. Ik ontvang ook nog een veel te grote plastic zak met wat gadgets inclusief de altijd aanwezige drinkbus. Fred heeft de auto reeds in de goede richting gezet en we zijn weer weg, want we hebben nog een (ongeschreven) afspraak met Madame van het CHATEAU en de trouwe lezers van deze reeks weten dan waar onze GPS ons naartoe voert. Het zal bijna halfzeven zijn als we SOULTZMATT terug binnenrijden, maar het is bang afwachten of de poort van het kasteel nog open is. En ja we rijden door de ijzeren poort en parkeren onze auto naast een BMW van een fransman, die niet meer beseft hoe belangrijk de auto-industrie voor zijn land is. We wachten beiden een vijftal minuten buiten, want we horen een ontzettende hoeveelheid stemmen in de gelagzaal, maar ons geduld raakt snel op en lopen een sterke vrouw tegemoet, die het gepresteerd heeft een nazaat van de familie Klein aan de spreekwoordelijke huwelijkshaak te slaan. De nazaten van deze familie, domineren in de streek rondom  Soultzmatt nu eenmaal de wijnbouw, wat niet abnormaal is omdat hun geslacht teruggaat tot het jaar 1610. We nemen een voorproefje op de dag van morgen en drinken een glas CREMANT D’ALSACE, de door mijn neef Luc zo gesmaakte bubbeldrank. Mijn collega voegt eraan toe dat de temperatuur en smaak van deze drank, die samengesteld is uit zowel de Chardonany als de Pinot Blanc-druif  perfect is. Ik plaats een bescheiden bestelling en druip af want het grote gezelschap heeft al meerdere flessen gedegusteerd en zit nog volop in de bekende drankflow. Vooraleer we in de auto stappen drukt Mevrouw ons nog stevig de hand en reikt een extra fles Pinot Blanc aan, die we maar al te graag meenemen. We sturen nu richting hotel want we willen nog graag een stevige maaltijd achter de kiezen slaan voor we zondagochtend het Vogezenmassief induiken, ikzelf met mijn CUBE, een blauw exemplaar van het Duitse fietsenmerk en Fred met mijn bedrijfswagen. We begeven ons naar het restaurant waar vlees aan het spit maar dan wel “à volonté” geserveerd wordt. Voor een zacht prijsje van 26 EUR kunnen we de hele avond smullen van allerlei soorten vlees inclusief zowel de klassieke biefstuk als de lokale worsten uit de Elzaskeuken.  Ik beperk mij tot een stuk rosbief; een stukje van het varken en een worst, maar mijn collega doet zich te goed aan bijna alle aangeboden smaken, maar dat is normaal want ik kan niet gaan slapen met een zware maag en het zal wachten zijn tot zondag  na de wedstrijd voor ons beiden om nog warm te eten. Terwijl Fred nog knabbelt aan het vlees en geniet van een Pinot Noir neem ik nog een ijsje en een kop thee om alles door te spoelen. We praten de hele avond nog vol op onze grote kamer en slapen pas rond de klok van twaalf. De wekker had ik gezet om vijf na halfzeven en dan spring ik er ook uit, spijtig genoeg maar eens per jaar dat we fysiek nog eens alles uit de kast halen, maar wel met plezier. Om enkele minuten voor zeven begeef ik mij in rennerstenue naar het restaurant, de beentjes reeds ingewreven met de klassieke Kneipp-massageolie. Ik beperk mij tot twee boterhammetjes met confituur en een stukje cake met uiteraard de gebruikelijke zwarte thee. Omstreeks kwart voor acht zet mijn collega de auto in beweging richting Thann; het is zo’n dertig kilometer over meestal grote wegen  waar je 110 mag rijden.  Een kilometer voor de start draait Fred een straatje in, waar we de fiets kunnen uitpakken. Het is misschien een risico, maar heb mijn CUBE-fiets met aluminiumframe en SHIMANO TIAGRA als afmontage meegebracht en dat is een zware fiets in vergelijking met het lichte carbonexemplaar wat nog in LIER staat. Deze keer heb ik de clubshirt onze wielerclub aangetrokken, waarvan Luc de Voorzittershamer hanteert, kwestie van respect te tonen voor mijn boezemvriend. Ik sluit mij nu aan  bij de achterste rij terwijl de omroeper met dienst “dix minutes encore” door de micro schreeuwt. Ik besluit toch mijn fiets tegen een boom te zetten en een andere boom wat verder weg op te zoeken want we vatten aan met 22 km vals plat en wil het peloton niet uit het oog verliezen. “Encore trois minutes” galmt er uit de luidsprekers nu en hij somt alle nationaliteiten die deelnemen nog eens op. De start volgt nu gauw maar vanwege de meer dan zevenhonderd deelnemers duurt het zowat vijf minuten vooraleer ik echt kan vertrekken. Onmiddellijk na de start draaien we de bekende N66 op, die ons ook naar de naar de klim van de overbekende Ballon d’Alsace voert, maar na 12 km zullen we hier afdraaien richting Kruth. Ik rij nu in de voorlaatste groep met ook een aantal dames daarin. We rijden snelheden tussen 20 en 30 km per uur en het parcours is wisselend licht oplopend en licht aflopend, maar globaal gezien is het stijgend want THANN ligt helemaal in het dal en de klim richting LE MARKSTEIN vangt aan op een hoogte van 562 meter, als we tenminste het opdraaien vanuit KRUTH als basis nemen. Als we in het dorpje ODEREN aankomen horen we plots een oorverdovend lawaai waarvan iedereen schrikt in het peloton, maar het blijkt gelukkig de voorbode van een straatorkest dat met pauken en trommels en ander zwaar muzikaal geschut de renners aanmoedigt. Een hart onder de riem ook want terwijl het in Thann nog relatief koud was begint de zon nu wat warmte uit te stralen. We hebben nu 19 kilometer op de teller en het eerste “beest” van de dag nadert. Het tempo wordt zoals in het echte peloton ook wat opgedreven, ondanks het feit dat de drie laatste kilometers gemiddeld bijna 2% omhoog lopen, wat pijn doet aan mijn oude spieren. En ja plots een horde aan veiligheidsmensen en ook supporters van collega’s langs de weg, die hun boezemvrienden aanmoedigen net voor we de bijna 15 km lange klim aanvatten. Filosofisch had Fred mij gezegd bij de start ‘ je rijdt van Mechelen naar Lier bergop op de eerste col’ en dat blijkt ook wel, want de eerste kilometer is loodzwaar met liefst een stijgingspercentage van 8,6% en deze veteraan geraakt maar niet in het klimritme, terwijl dat gisteren op training zo vlotjes ging. Het is werkelijk harken om in het ritme te komen en ik kijk nu op mijn nieuwe fietscomputer wanneer die verdomde eerste kilometer teneinde komt, want ik verlies nu terrein op de concurrentie, maar ook de tweede klimkilomter aan ‘slechts’ 6,6% is nog lastig voor mij, maar stillaan kom ik toch in mijn ritme richting derde kilometer op deze lange col. Het wordt nu stilaan wat kouder omdat we nu éénmaal hoogte nemen en het is vroeg in de ochtend. Iedere kilometer  staat de hoogte trouwens aangegeven en dat is steeds een ijkpunt. Door de koude en ondanks mijn nieuwe koersbroek van professionele kwaliteit voelt mijn zitvlak niet goed aan. Ik moet nu ook van de fiets om een plas te maken en probeer dat zo snel mogelijk te doen, maar het is moeilijk om het menselijk waterpistool te vinden bij deze temperatuur. Ik kruip terug op de fiets en kom nu stilaan beter in het ritme, vermoedelijk ook omdat de helft van de klim nu in zicht is. Vanaf de zevende klimkilometer komen er nu stukken van 2 en 3% aan en dat geeft mij de kans om op mijn 39 vooraan te schakelen en achteraan zelfs 21 en 24. Ik maak nu meer snelheid en haal soms bijna twintig per uur. Ik probeer nu ook mijn mobieltje uit mijn achterzak te halen en aldus Fred te bellen, afwisselend op de autotelefoon en zijn eigen nummer, maar dat lukt niet. Niet te verwonderen want in deze omgeving woont echt niemand, waarom zou hier dan mobiel telefoonbereik zijn. Maar na 10 kilometer klimmen, op een hoogte van 1032 m wordt het terug steiler, maar het ritme is nu helemaal terug en het is nu nog 3,5 km doortrappen tot een hoogte van 1200 meter. Dat is dan ook de top voor vandaag want daarna gaat het zeer licht bergaf  tot de immense vlakte die LE MARKSTEIN is.  Ook de eerste bevoorrading is daar voorzien maar ik had met Fred afgesproken dat ik een klein colaatje en een koekje van het merk GRANNY zou eten, teneinde wat voortgang te maken, maar eerst neem ik nog een banaan en wat koekjes voor mijn collega, die achteraf gezien zelfs een pannenkoek had gegeten op Le Markstein.   Fred verwittigt mij dat de ziekenwagen net nog een slachtoffer van een zware valpartij net voor de afzink had meegenomen en vertrek dus voorzichtig na cola en koek te hebben verorberd. Ik doe echter eerst mijn nieuwe gele regenjasje aan, want het is nog redelijk koud daarboven en de afdaling is bijna dertig kilometer lang. Ik trap mij langzaam de afdaling in, het geel jasje helemaal toegesnoerd en dat blijkt nodig want de wind blaast mij letterlijk op de borst in deze steile afdaling, waar Tony Martin, de Duitse hardrijder uit het Quickstepteam in omgekeerde richting nog furore maakte tijdens de laatste Tour richting Mulhouse. Vooral de eerste kilometers zijn gevaarlijk want zonder te trappen moet ik beide remmen gelijktijdig in de greep houden wil ik niet uit de bochten vliegen. Het wegdek is overigens nat hier, niet enkel vanwege de dauw maar ook vanwege het naburige meer. Ik durf dan ook niet naar mijn kilometerteller kijken en hou mijn aandacht op de weg, het valt ook op dat niemand mij voorbij steekt; tenslotte sleep ik een zware fiets met 82 kilogram erop naar beneden en dat laat sporen na in de fysica.   Plots stopt de afdaling en komt er een klein klimmetje vooraleer verder af te dalen richting LAC DE LA LAUCH, een  artificieel meer dat op 923 m hoogte ligt en aan het einde van de negentiende eeuw door de toenmalige Duitse  regering werd gebouwd en nu dienst doet als waterreservoir voor de streek. Het gaat nu verder gierend naar beneden maar we blijven tussen de bossen doorrijden, waar het wegdek soms nat is en het redelijk koud aanvoelt. Pas als we in  Lautenbach aankomen voelen mijn benen de warmte aan  en wat verderop, na bijna 25 km dalen , zijnde op een hoogte van circa 400 m stop ik even om het gele vestje uit te trekken, dat helemaal nat geworden is. We rijden nu in de open ruimte en de temperatuur voelt nu steeds warmer aan, ik heb intussen gezelschap gekregen van twee  struise bonken en trek hard door op een licht dalend stuk. Een mens beseft niet wat een colaatje van 15 centiliter kan doen want ik heb de kracht weergevonden om tegen 35 km per uur richting cols te fietsen.  Ik lees nu op mijn fietscomputer dat de grens van de 60 km nu overschreden is, vervolgens bel ik Fred dat de klim zo dadelijk begint. Nog een tweetal kilometer rijden we nu op een vlak stuk in de blakende zon, die nu echt warm aanvoelt; gelukkig zijn er veel seingevers op post, die ons veilig door het verkeer loodsen want hier zijn de banen breed en het verkeer drukker met de ene rotonde na de andere. Maar lang duurt het niet ; er staat 63 km op de teller en plots zie ik voor mij een smalle weg omgeven door bomen en een bord met daarop “11,5 km”,  wat betekent dat dit de afstand is tot op de top van de col Amic, die op 825 m ligt. Mijn spieren staan nu opnieuw onder spanning en wetend dat de tweede bevoorrading volgt na 65 km trek ik door. Inderdaad midden in een zeer beboste omgeving, waar de zonnestralen nu fijntjes maar sterk doorkomen staat een heel kraam opgesteld met sportvoeding allerhande. Ik stap af, zet mij fiets tegen een ijzeren paal en ga richting kraam, waar ik een hele banaan neem, deze weliswaar niet helemaal opeet, maar dat heeft te maken met een combinatie van voedselveiligheid en verteerbaarheid. Ik vul mijn driekwartliter drinkbus nog bij met sportdrank, want er zit alleen maar water in en stap terug mijn fiets op. Het klimt nu licht omhoog maar plots heb ik een afdaling van ongeveer één kilometer voor de wielen. Ik zie links van mij een camping liggen in volle zon en ben in feite jaloers op de mensen , die hier nog met vakantie zijn, want met bijna 70km in benen is het geen lachertje om hier naar boven te rijden. Elke kilometer staat er wel een bord met de hoogte en het aantal km tot aan de top van de GRAND BALLON.  Vooral de hoogte interesseert mij, want daar heb ik een beter gevoel bij naarmate de hoogte stijgt. Het eerste bord na de klim wat ik tegenkom wijst 414 m aan, oftewel nog 400 hoogtemeters. Ik heb nog 8 km klimwerk voor de wielen op deze geleidelijk oplopende col en zit nu in een vast tempo. De klim verloopt via een smalle asfaltweg, die door het bos heen loopt en dat geeft een gevoel, alsof je op de overwinning in een Tourrit afstevent, maar in werkelijkheid is het een overwinning op het meedogenloze verouderingsproces van de spiermassa. Ik zit op mijn fiets en tracht alleen de benen in eenzelfde trapfrequentie voort te bewegen en rij nu tussen 10 en 12 km per uur en steek zelfs een collega voorbij, die de helm aan het stuur hangen heeft en die nog nauwelijks vooruit komt. Hij blijkt nochtans dertig jaar jonger dan ondergetekende, maar heeft zich duidelijk slecht voorbereid. Dat geeft een mens moed en trek door om hopelijk ruim binnen de afgesproken tijd aan te komen. Plots zie ik een bord voor mij met de vermelding ‘1km’ erop en ja in de verte zie ik ook mensen staan. Ik nader nu stilaan de top van de col Amic, dat in feite op een kruispunt ligt, waar je rechts de slotklim richting GRAND BALLON kan aanvatten en links verder doorstomen richting Vieil Armand, waarvan de top op 956 m ligt en dat doen de amateurs van vandaag dus. Naarmate ik de bekende bocht nader zie ik meer mensen opdoemen en vooral een grote, stoere dame met een blauwe T-shirt, waarvan ik het gewicht op meer dan 130 kg schat. De dame, die zeker kan duelleren met onze Maggie de Block roept mij wat toe en dat inspireert mij om te versnellen want er komt een kasseistrook aan en de indruk wekken aan dat mooie volk dat je kapot zit is geen prioriteit. Plots zie ik ook Fred opdoemen, die naar nu naar mij komt toegelopen en vraagt hoe het gesteld is, maar de organisatie maant Fred aan afstand te nemen, want het is daar een drukte van jewelste. Ik draai nu linksaf richting eindklim en meer en meer Françaises moedigen mij nu aan, terwijl het verder steil bergop loopt. Ik rij nu door richting Vieil Armand, de laatste hindernis van de dag. Ik pers de laatste krachten uit mijn lijf om tegen een behoorlijk tempo de klim te voleindeigen. De spieren doen gewoon pijn en ik drink nu voortdurend van mijn drinkbus omdat de vermoeidheid alsmede de dorst nu toch volop is toegeslagen. Tot mijn verbazing heeft Fred ook post gevat in een bekende scherpe steil bocht, die naar de top loopt en waar de ingehuurde fotograaf met dienst kiekjes neemt van de zwalpende zwanen , zoals ondergetekende. Nu nog enkel honderden meters en de top van de Vieil  Armand is in zicht, althans dat denk ik want er volgt nu een korte afdaling, maar daarna is het klimmen tot op de top, waarna een steile afdaling volgt. Ik zie Fred met mijn bruine Renault nu in de verte rijden en de teller draait nu rond het niveau van 60 km per uur; ik steek nu nog een collega voorbij en zit bijna in het spoor van mijn eigen auto. Fred heeft het moeilijk om zich los te weken van het peloton, want voorbij rijden zou ik wel kunnen, maar ik denk aan mijn eigen vege lijf en hou dus wat in. Ik snel nu het bord met “10 km” voorbij tegen een razende vaart, de teller loopt op tot 64, zonder dat ik één trap teveel geef.   Wat verderop, waar het iets minder steil daalt neemt Fred afscheid en krijg ik nu de volle zon op mijn spieren, wat de temperatuur is nu duidelijk opgelopen richting 28 graden.  De snelheid situeert zich rond dertig per uur en probeer dat zo lang mogelijk vol te houden. Ik kom nu voorbij het bord “5 km” en vat maar al te graag deze laatste meer vlakke weg aan. Ik probeer nu de laatste druppels uit mijn drinkbus te persen, want het vat is bijna af, maar samen met een vrouwelijke deelneemster snellen we richting eindmeet. Als ik de aankomststreep in de verte zie  ben ik toch weer fier het gehaald te hebben ; ik knijp de remmen langzaam  toe om langs de smalle corridor de tijdsmeting te kunnen passeren. Terwijl mijn naam met een tijd van 4 uur en 54 minuten op het grote scherm verschijnt roept de omroeper mijn naam door de microfoon; misschien de laatste keer ooit maar daar durf ik nu niet aan te denken. Fred komt naar mij toe en hij heeft weer eens zijn waarde bewezen, want hij heeft een parkeerplekje voorzien vlak bij het plein, waar het virtuele restaurant is gevestigd. Eerst de fiets in de auto gezet en daarna een lekkere sportmaaltijd afgehaald met bijbehorend flesje Lisbeth; ook Fred betaalt uit eigen zak een maaltijd en drinkt een cola van het gelijknamige huis Lisbeth.  We keuvelen nog na tijdens de maaltijd en besluiten dat we weer veilig en wel aan de streep gekomen zijn; bovendien was de organisatie uitstekend inclusief de maaltijd die we aan het verorberen zijn. Ik haal tenslotte mijn diploma af bij een vriendelijke Française en dan tover ik de laatste truc van de dag tevoorschijn; ik dien mij om te kleden op straat want hotel of douches zijn niet in de buurt; ik was mij met behulp van een flesje rode SPA en veeg zo de olieresten en het vuil van mijn glad geschoren rennersbenen; vervolgens trek ik als een volleerde stripper mijn koerskleren uit en anderen weer aan. Fred neemt het stuur en zet zich op weg om via de N66 richting EPINAL de eindspurt richting thuisland in te zetten. Na de Col de Bussang gepasseerd te hebben rijden we door het gloeiende Vogezenmassief dat er mooi bijligt langs weerszijden van de weg nu de zon volop van de partij is en de bossen vooral groene aardkracht uitstralen. Het is een nostalgische gedachte dat het weer een jaar kan duren vooraleer we hier nog eens arriveren; of kom ik toch vroeger dan voorzien een trainingsritje maken met een sportvriend ? In ieder geval geven we rendez-vous voor LES BALLONS VOSGIENS van 30 augustus 2015, een jubileumeditie vanwege de twintigste keer.          Eduard Lambrechts Lier, 14 September 2014 COPYRIGHT GCV LAMBRECHTS  

Eduard Lambrechts
1 0

La Roche du Diable

Strijdlust in de Vogezen – Verslag van een driedaagse op 30 en 31 augustus en 1 September 2013.     La Roche du diable   De trip naar ons geliefkoosde terrein heeft deze keer plaats binnen een andere context. Mijn neef Luc, die sinds jaren onze trouwe compagnon is kan deze keer de trip niet meemaken wegens constructieve werkzaamheden binnen de familie en dat verdient alle aandacht. Daarom zijn we genoodzaakt met ons twee de trip te maken op deze vrijdag 30 augustus. We vertrekken na het middageten wat voor ondergetekende lang is uitgelopen vanwege vertraagde voorbereiding , die voornamelijk het gevolg is van het moeilijk afkikken van de stress op het werk in Nederland. Dat heeft tot laat donderdagavond zijn invloed gehad. Ook het feit dat Astrid met haar vriend Jan een boterhammetje komt eten op deze zonnige vrijdag heeft de start vertraagd, maar dat is eerder positief na een dergelijke stressperiode. Ook onze trouwe begeleider is aan zijn huis in de Mussepi nog begaan met bezigheidstherapie want Fred is zijn garage aan het opruimen als ik arriveer, dus nemen we effectief de start omstreeks 14.00h. Dat moet ons in staat stellen om de deadline van 19.00h, die hotel LA GRANDE CASCADE in Le Tholy zichzelf gesteld heeft te halen. We rijden deze keer wel met mijn Renault Grand Scénic, die sinds enkele weken als zevende bedrijfsvoertuig ooit ter beschikking van ondergetekende is. Deze auto, voorzien met technische hoogstandjes voert ons voor de eerste keer naar het Vogezengebied. We doen nog een stop aan een benzinestation tussen Metz en Nancy om daar de tank te laten vollopen op kosten van de zaak maar dat is slechts een kleine tegenprestatie van het bedrijf want deze keer zal de enige veteraan met dienst uitzonderlijk met een truitje vol reclame voor het geplaagde staalconcern figureren in het Vogezengebergte. Als onze boordcomputer aanwijst dat we tien minuten over tijd aan het hotel zullen arriveren bellen we de receptie van het familiehotel om dat te melden, maar in werkelijkheid was het overbodig want het hotel ligt we op het grondgebied van het dropje Tholy, maar nog een heel eind verwijderd van het centrum, waarop onze TOMTOM was ingesteld. Het hotel zelf is een bijzonder groot complex voor een familiehotel en het scoort ook geen goede punten op de vermaarde site “BOOKING DOT COM”, maar wij verblijven er uit nostalgische overwegingen want de dienstverlening is er voor ons prima inclusief een plichtsgetrouwe kok die de garage omstreeks 10 uur sluit en dat persoonlijk aan ondergetekende komt melden; tenslotte staat mijn dure KOGA erin en het is ook de eerste keer dat dit Hollandse technologisch fietshoogstandje wordt ingezet in een Vogezenrit. Aangekomen hebben we zelfs de keuze tussen een kamer aan de achterkant met uitzicht op het grote bos maar met een tweepersoonsbed of een kamer aan de straatkant met twee gescheiden bedden. We kiezen voor de straatkant want Le Tholy is in de zomer een rustig oord in tegenstelling tot de winter wanneer er skidrukte heerst. Uitzonderlijk hebben we dus een dag respijt vooraleer we de wedstrijd aanvangen en dus maken we een planning op; deze is snel gemaakt tijdens de het diner s’avonds, waarbij Fred een Belgisch  donkerbier drinkt en ikzelf een zogenaamde “pression” van 1664.  Maar vooraleer zaterdag in te stappen genieten we van de artisanaal bereide maaltijd, waarbij ikzelf een lokaal gevangen visje eet en Fred voor vlees kiest. Het menselijk vlees was hem die avond beter bevallen dan de hoofdschotel want een iets jongere dame dan de eigenares op leeftijd valt Fred in het oog en zij komt ook steeds vriendelijk bedienen. Wij speculeren beiden of de oudere maar slechts lichtgrijzende heer de echtgenoot is van de dikkere eigenares of hij met het jongere exemplaar in zee is. Wij vermoeden dat het ofwel om de dochter gaat ofwel een naast familielid want in het hotel hangen divers foto’s van generaties terug die de familie Pierre als eigenaar van het pand etaleert. In feite is de aandacht van mijn compagnon niet abnormaal want hij is nog steeds op zoek naar de juiste “match”; Fred heeft als scheidrechter en lijnrechter reeds decennia achter de rug en kent dus veel van matchen maar in de sector van de intermenselijke relatie heeft hij het juiste speelveld nog niet gevonden. De match die ikzelf zondag speel is gewoon kijken of grenzen op oudere leeftijd nog kunnen verlegd worden of niet.  Daarom hebben we zaterdagochtend ook een oefenrit voorzien. Het is zowel voor fiets als man een belangrijke test, want een echte col heb ik sinds twee jaar niet meer beklommen; erger nog de vorige keer was tijdens dezelfde wedstrijd op hetzelfde parcours in 2011;toen klokte ik op bijna 55-jarige leeftijd af op meer dan 4 uur en 31 en een halve minuut.   Het idee is om vanuit het hotel naar de top van de Col de la Schlucht te fietsen; maar het parcours valt een beetje tegen want eerst moet de top van de Col de la Bonne Fortune genomen worden en die ligt op 677 meter; daarna krijgen we een forse afdaling tot beneden in het dal waar we op de grote weg komen richting Gérardmer. Daar stap ik af want mijn fietscomputer heeft nog niet gewerkt tot hiertoe, maar blijkbaar heb ik mijn wiel lichtjes scheef in de vork geplaatst. Bij correctie blijkt dat de fietscomputer het wel doet en dus is het nog precies 10 kilometer tot aan het meer. Daar aangekomen beginnen we in feite aan de beklimming die officieel 17 kilometer lang is maar voor de kenners begint het echte klimwerk in Xonrupt-Longemer op een hoogte van 744 meter, daarna is het nog precies 9 kilometer tot aan de top, die op 1139 meter ligt.  Wegens mijn knieblessure, opgelopen in 2011 en behandeld in 2012 heb ik een aangepaste casette laten monteren op mijn KOGA, zodat ik desnoods een kleinere versnelling kan trappen. Dat probeert ondergetekende uit op de steile stukken van de “Schlucht” en de eerste drie kilometer lukt dat aardig, ik trap met name 39X30 en dat is circa 2,73 m. maar probeer daarna toch iets kleiner. Als ik de befaamde La Roche du Diable nader zie ik Fred boven op de rots zitten; het is in ieder geval een onvergetelijk beeld en het geeft mij ook de moed om de klim in gestrekt tempo verder te zetten want de conditie is blijkbaar beter dan twee jaar geleden. Ik trapte zelfs  13 per uur op de steilere stukken en dat is niet evident voor een veteraan van bijna 57. Na de befaamde rotsboog is het nog een kilometer steil en daarna neemt de stijgingsgraad af; ik trap dan opnieuw een grotere versnelling en rij boven tot aan de echte top (want morgen draaien we net voor de top rechts af), waar Fred mij opwacht. Nu volgt een ritueel wat morgen na de wedstrijd nog eens zal overgedaan worden, wat betekent dat ik op vijf minuten tijd terug onder de burgerbevolking mag verschijnen.   In overleg hebben we beslist een toeristische namiddag te organiseren en ons oog is gevallen op de vallei van de Kaysersberg. Vooraleer af te zakken naar de Kaysersberg zelf stoppen we aan het befaamde ‘Lac blanc’, gelegen op 1050 meter hoogte te midden van het mooie Vogezenmassief. Het functioneert als skioord tijdens de winter en tijdens de zomermaanden is het gewoon een toeristische trekpleister voor natuurliefhebbers want het is gelegen in het natuurreservaat ‘des Ballons des Vosges’. Het is ook te merken dat deze plek klasse uitstraalt want aangekomen zien we bijna alleen dure Duitse wagens, duidelijk bevolkt door Duitssprekende toeristen. Ook een bus met oudere personen van Duitse nationaliteit, die vermoedelijk de laatste wereldoorlog nog hebben meegemaakt is daar gestationeerd. Een Duits koppel met een peperdure sportwagen van het merk Mercedes valt op, vooral mevrouw met haar dure gewaagde merkkleding trekt de aandacht en zou borg kunnen staan voor een reclamespot voor het desbetreffende merk. De kwaliteit van de wagen is hierbij niet zo van belang maar wel de gepresenteerde carrosserie en design van de wagen, die helemaal in overeenstemming is met het vrouwelijke Duitse model. Over een paar jaar pas als de samenwerking tussen de huizen Renault en Daimler helemaal op dreef is zal deze wagen over alle mogelijke technische snufjes beschikken maar voorlopig is de ster belangrijker dan de inhoud. We nemen een paar foto’s omdat de omgeving zo onaangeroerd is maar merken tegelijkertijd op dat het energiebedrijf EDF een project klaar staan heeft, dat 50 ingenieurs behoeft om het water van het Lac Blanc naar het lager gelegen LAC NOIR te laten lopen, om zo verval en aldus elektriciteit op te wekken. We vervolgen onze weg naar de Kaysersberg zelf, uitgekozen tot één van de mooiste plekjes in Frankrijk, waar alle huizen origineel zijn (een GOOGLE-search is hier aangewezen).  Het is bovendien gelegen te midden van de befaamde ROUTE DU VIN, en het bestaan van dit kleine stadje, wat behoort tot het arrondissement Ribeauvillé gaat terug tot de Romeinse tijd. Wij genieten van de zon en het authentieke straatbeeld en maken van de gelegenheid gebruik om een pizza te eten en de tactiek voor de dag erna te bespreken.   We gaan ons omstreeks 16.30h inschrijven op het zogenaamde domein met toepasselijke naam “Domaine Skiable”, dat een hoger gelegen platform is nabij het meer. Daar staan rijen amateurs zoals wij aan te schuiven voor de bevestiging van hun inschrijving, die eerder elektronisch was gedaan. We ontvangen een roze zak met daarin een zwarte T-shirt en het enige echte stuk waarom het draait, met name het rugnummer en dat is dit keer twee nummers lager dan twee jaar geleden. Of dit een gunstig voorteken is moet nog blijken maar wat niet meer kapot kan is de sfeer want om dit te vieren gaan we een glas drinken in een brasserie gelegen in het centrum van Gérardmer. Daar zitten meestal duurder uitziende dames met hun partner iets te drinken, maar ook een zogenaamde MILF met haar moeder in wat slonzige kledij drinkt naast ons een halve liter chocomelk uit met een vuurtoren van slagroom erop. Wij zouden na zulk een festijn afhaken voor het avondeten en daarom drinken wij ook maar thee. We genieten van het avondeten in ons hotel en doen het omgekeerde van vrijdag; want Fred eet een lokale vissoort terwijl het slachtoffer van zondag vlees eet; tenslotte wordt het calorieverbruik s’anderendaags geschat op meer dan 4000. We sluiten af met een ijsje met fruit want de kaas laten we net zoals gisteren links liggen. Fred heeft het idee opgevat om een kleine investering te doen en zijn meegebrachte PC aan te zetten, wat ons toelaat om ook de afgelopen beursweek te overschouwen. Tot mijn verrassing ontdek ik nog dat een voorzitter van een beursgenoteerde holding, die ik samen met mijn vriend Paul de Herdt op 31 mei nog de hand gedrukt heb op 4 juli overleden is. Het is een toch een schok en stuur meteen een SMS naar mijn compagnon uit Reet. S’morgens volgt een ritueel dat geen enkele lezer zal verbazen want omstreeks 7.00h uit bed ga ik het ontbijt nuttigen vooraleer de gasten van het hotel dat doen, maar de eigenares komt omstreeks kwart na zeven toch al aanzetten; op dat ogenblik heb ik al twee kleine croissantjes en twee stukken brood met veel confituur naar binnen gewerkt heb, maar hier stopt het ook want een overladen maag is het ergste wat je kan overkomen bij de start.  Ik doe nu iets wat ik normaal vooraf doe en dat wil zeggen mijn beenharen nog wat bijscheren want anders is het moeilijk om de Kneipp-olie in te masseren en deze keer ga ik voluit want er ligt nu een dikke laag olie op, dit in het licht van een koude ochtend en een zware wedstrijd. Ook inzake uitrusting is dit een bijzondere dag want een collega niet-fietser heeft mij een unieke wielertrui van Tata Steel met ook de Duitse merknaam KALZIP erop geschonken. Deze trui met zwarte achtergrond en blauwe letters past perfect bij mijn zwarte broek. Ook doe ik voor de eerste keer mijn blauwe helm op, die ik twee jaar gelden na suggestie van Luc heb gekocht. Fred brengt mij naar een parking op zo’n vijf kilometer van het beruchte meer. De klok geeft nu 08.25h aan en ik vertrek rustig richting start , maar merk onmiddellijk dat het nog koud is. Gelukkig had ik de avond tevoren een dikkere shirt met mouwen erin kort geknipt, m.a.w. alleen mij borst was beslagen en de armen zijn nu helemaal bloot onder mijn wielertrui, wat mij instaat stelt om flexibeler te bewegen en toch de koude tegen te gaan. Als ik aanschuif bij het deelnemersvolk zie ik dat de meeste van mijn collega’s een regenvestje of een trui met lange mouwen aanhebben. Gelukkig heb een zogenaamde bandana onder mijn helm, zodat mijn kale hoofd toch beter beschermd is.  Parcourskennis ontbeer ik niet deze keer en ik maal rustig de eerste kilometers af om vervolgens de laatste negen kilometer van de beklimming aan te vatten. Zoals sinds gisteren in mijn hoofd geprent leg ik de ketting vooraan op het middenblad en achteraan op de kleinste naaf, ofwel in technische termen uitgedrukt een 39X30; ik zet mij onmiddellijk in het wiel van een jonge dame die blijkbaar een veel te grote versnelling rond draait en blijkbaar niet veel kleiner kan schakelen, maar na twee kilometer voel ik mij geroepen om haar voorbij te steken; want te weinig inzicht en gebrek aan ervaring doet haar reeds op deze eerste maar zware col van de dag naar adem snakken. Ik tracht tot aan de wereldberoemde rotsboog (we zijn precies vier kilometer stevig aan het klimmen) een tempo van minstens 12 per uur vol te houden, na de boog ga ik zelfs to 15 à 16 per uur omdat de col dan iets minder steil loopt, maar negen kilometer is lang en precies aan de bocht richting Le Markstein klokt mijn fietscomputer af op 52 minuten. Dat is iets beter dan voorzien in het theoretisch schema dat voorziet in een eindtijd van 4 uur en 20 minuten of 11 minuten beter dan twee jaar terug en dus zeer ambitieus. Fred heeft het schema in de volgwagen liggen en kan zo telefonisch de wedstrijd volgen, tenminste als er contact is met de veteraan op de fiets.  De eerste twee kilometer richting Le Markstein vallen toch zwaarder uit dan gedacht want ik moet nu kleiner schakelen wil ik mij niet forceren, het is nog redelijk koud, temeer daar we op circa 1200 meter hoogte fietsen nu. Maar er is geen terugweg, ik bijt nu door en waar het lichtere stuk begint zet ik mij noodgedwongen langs de kant voor een korte plas en dan voel ik pas aan den lijve dat het 1 September is. De vergezichten zijn idyllisch mooi in dit Bijbelse maanlandschap zoals Fred dat noemt, maar ik moet letterlijk en figuurlijk een tandje hoger schakelen wil ik de deadline halen. Ik draai de benen vlot rond en leg mij in de korte maar soms scherpe afdalingen plat op mijn fiets om zo weinig mogelijk energie te verbruiken en ook de koude wind op de borstkas te vermijden.  De snelheid varieert nu tussen 15 en 55 per uur in dit verschrikkelijk hellend landschap en renners moeten scherp blijven voor het veiligheidsaspect want in tegenstelling tot de eerste col is deze weg niet volledig afgesloten en ik kom zelfs twee toeristenbussen tegen.   We bevinden  ons nu op de Route des Crêtes en op dit  22 kilometer lange pad liggen in feite nog twee cols verscholen, met name de Col du Herreberg en de Col d’Hahnenbrunnen, die ik met souplesse probeer op te fietsen, maar dat kost wel krachten waarvoor ik wellicht elders een prijs betaal. Richting Le Markstein is er dus nauwelijks een vlakke strook te bespeuren en dat sloopt de weerstand. Inmiddels nader ik toch de volgende officiële top op het parcours want op circa 5 kilometer ervan probeer ik met het enige attribuut wat in mijn wielershirt zit naast twee verpakte koekjes van het merk Granny te bellen met Fred; hij neemt tegen zijn gewoonte in niet onmiddellijk op, ook niet op mijn eigen Blackberry, die in de auto gemonteerd staat maar 15 seconden later gaat mijn eenvoudig Nokia-mobieltje wel af. Ik vraag waar hij vertoeft maar blijkbaar geeft de boordcomputer van de Renault nog 32 minuten aan vooraleer le Markstein te bereiken. We spreken noodgedwongen af dat Fred mij opwacht tijdens de beklimming van de Col du Bramont. Maar ik nader nu in het spoor van een groepje de top van de tweede officiële col van de dag. Plots merk ik het bord met “ravitaillement 1 KM” wat een mens moed geeft want de top is dan vlakbij en inderdaad de bussen met of zonder Duitse toeristen zie ik in de verte op de grote parking van Le Markstein staan. Ik let dan ook op voor het te drukke verkeer en zie op mijn elektronisch bord dat ik 1 uur en 47 minuten op mijn fiets zit of 5 minuten sneller dan twee jaar terug.  Boven draaien we rechts af om de afdaling te nemen richting Kruth en Wildenstein, maar rechts boven staat de wagen met proviand en ik besluit snel af te stappen, een klein stukje banaan en appelsien te nemen en nog een stukje brood en opnieuw op de fiets te springen, tenslotte heb ik nog een extra koekje in de achterzak. Naarmate ik vorder op het licht dalende stuk begint de zon lichtjes maar sterker te branden op mijn getergde ledematen. Als de echte veel steilere afdaling van 13 kilometer lang eindelijk begint neemt ook mijn vederlichte KOGA-fiets vaart, want voor de eerste keer vandaag ligt de ketting op het 52-blad vooraan. Met mijn 82 kg aan gewicht loopt de snelheid stilaan maar zeker op, maar plots zie ik, een verdwaasde collega langs de weg staan met een brandweerauto aan de overkant. Ik kan mij inbeelden wat er is voorgevallen maar rij met nog meer aandacht en scherpte verder.  Dit is zeker één van de meest veilige afdalingen van het gebied omdat de baan er goed bij ligt en meestal een goed uitzicht biedt op de vervolgweg naar beneden, maar nog twee kilometer verder zie ik zowel een brandweerwagen als ambulances staan en is men blijkbaar een renner in geelrode shirt  aan het reanimeren, gewikkeld in een alu-folie. Ik heb niet echt de tijd om na te denken maar probeer niet echt meer bij te trappen en de fiets zijn werk te laten doen, om de snelheid niet artificieel op te drijven. Maar toch rij ik constant boven het niveau van 60 per uur; wanneer het steilste stuk van de afdaling eraan komt duikt mijn snelheidsmeter richting 70; de adrenaline giert nu door mijn vermoeide lichaam en dat is niet verwonderlijk want het gaat duizelingwekkend hard zodanig zelfs dat ik nog wordt voorbij gereden tegen deze reeds waanzinnige snelheid. Ik durf uit angst niet meer naar mijn klokje kijken; achteraf zou blijken dat mijn fietscomputer 69,2 registreerde als hoogste snelheid. Ik concentreer mij nu op de fiets en we stevenen opnieuw af op een grote haarspeldbocht, waarbij de kamikaze piloten voor mij massaal in de remmen gaan; gelukkig had ondergetekende zijn voorzorgen genomen op veilige afstand want dit is gewoon waanzin.  Ook komt een extra brandweerwagen ons weer tegemoet; een fransman zou mij later aanspreken met de boodschap dat er zich twee zware valpartijen hebben voorgedaan. Als ik de verte het einde van de afdaling zie ga ik meteen in de remmen want er heerst in het dal duidelijk paniek na de incidentrijke afdalingen want politie en seingevers houden alle vervoer tegen als wij beneden rechts richting Wildenstein opdraaien. De lezers van deze vervolgserie weten wat Wildenstein voor ons betekent en vooral het is de start van een kilometerslange klim richting top van de Col du Bramont; in feite mijn lievelingsklim omdat het zo egaal klimt in een schitterend haarspeldbochtendecor. De zon schijnt nu eindelijk op onze benen en dat inspireert; ik kijk ook voortdurend op mijn fietsklok om te kijken welke gemiddelde snelheid ik haal, respectievelijk wanneer ik naar schatting zal arriveren.  Ik bel nog even met Fred om te kijken waar hij is en ja hoor hij heeft zich gepositioneerd op de col zelf.  Ik zie dat enkele collega’s door hun krachten heen zitten en rij ze dan ook voorbij; zelf heb ik meer last van mijn rug dan van de benen, die helemaal niet kapot zijn; dat stelt mij ook in staat op een tempo van circa 11 per uur deze klim af te werken. De zon geeft een beter gevoel tussen de rotsen en het groen en ik probeer een hoge trapfrequentie aan te houden om het tempo niet te laten zakken en inderdaad in een haarspeldbocht kom ik voor de eerste keer vandaag mijn begeleider tegen. Hij zag dat  het goed was en hij stoomt door naar de top; waarbij ik hem vraag de massage-olie klaar te houden want mijn oude spieren, vooral diegene van mijn rechterbeen, waarmee ik veel kracht zet staan enorm onder spanning en zijn aan verfrissing toe; als ik kilometerpaal 18 zie met het bordje 950 meter versnel ik nog even om de top te nemen en ja 50 meter verder staat Fred klaar met de achterklep van de auto helemaal open; de drinkbus is snel bijgevuld en het rechterbeen op 15 seconden gemasseerd. De kaap van de 60 kilometer is nu genomen en ik daal nu af richting La Bresse tegen een razend tempo want de col is langs de voorzijde nog steiler en dat voel je omdat de fiets dan sneller vaart neemt. Zoals steeds heeft de organisatie een professioneel instituut ingehuurd om foto’s te nemen langs het parcours. Een fotograaf kan in een haarspeldbocht nog net zijn camera op ondergetekende richten om hopelijk een mooie actiefoto te schieten. Beneden in het dal voel ik goed dat de zon nu echt warmte brengt en dat doet goed maar de vermoeidheid is ook toegeslagen en het is de kunst de tweede adem te vinden in dit hele lange oplopende stuk richting Col des Feignes; ook merk ik dat vele collega’s veteranen nu stilaan het loodje leggen ; achteraf zou ook blijken dat er veel opgevers waren. Fred komt nu naast mij rijden met een rare en tegelijk angstaanjagende mededeling, met name dat hij zijn portefeuille niet meer kan vinden; ik kan dat moeilijk geloven en stap kort even af om te kijken in de auto maar hecht geen geloof aan een diefstal. En het blijkt spoedig want mijn Renault heeft een zogenaamde ‘hidden kastje’ in de middenstrook en daar zat zijn portefeuille in. Dat geeft mij echt inspiratie en rij met een tweede adem naar de top toe, zodat er reeds vier cols opzitten. Er volgt nu een lichtlopende afdaling richting Lac de Lispach, een werkelijk idyllisch kader waar de organisatie deze keer ook een fotograaf heeft opgesteld. Voor de rest zie ik niemand meer behalve dan enkele verliefde koppeltjes die langs de over van het meer wandelen; waar een oase van rust heerst. Voor de afdaling echt ten einde is nemen de renners, een smalle weg naar boven richting Col de Grosse Pierre. Op dit steile stuk ben ik twee jaar geleden echt kapot gegaan en wegens knieproblemen en ook vermoeidheid is mijn collega Luc er toen vandoor gegaan met als gevolg 5 minuten achterstand op mijn medemaat aan de aankomst. Deze keer rij ik op mijn allerkleinste versnelling; om zo mijn linkerknie te sparen op deze veel te steile en gevaarlijke beklimming, waarvan het stijgingspercentage zeker boven een niveau van 12% uitkomt. Het is nu echt zoek naar de derde adem want de snelheid is er nu helemaal uit en ik maak me zorgen over de vooraf bepaalde tijdslimiet want de klok wijst richting 13.00h en dat betekent vier uur wedstrijd maar na wat gekreun op de trappers zie ik de signaalgevers staan, die mij richting laatste col sturen, die ik maar al te graag opdraai. Wat twee jaar geleden nog een calvarietocht was is nu een motivatie om zo spoedig mogelijk te finishen ofschoon ik nu echt kapot zit.  Het is een ongelijke strijd tegen de tijd maar ik geef alles wat nog in mijn vege lijf zit om zo snel als mogelijk de top van de Col du Grosse Pierre te bereiken; zijnde de laatste col van de dag. Ik trap nu stevig door richting Gérardmer en geniet van het panorama in de hoop nu snel verlost te worden van mijn pijnlijke rug. De laatste vijfhonderd meter voelen aan als een triomftocht want het is nog geen 20 na één op mijn klok en zie Fred in de verte staan. Hij heeft zich in de laatste bocht gepositioneerd en duwt mij symbolisch nog eens af in de wetenschap dat de streep nu slechts 100 meter af ligt. Ik schud nog een laatste versnelling uit de benen en rij over de aankomstlijn waar een dame de renners opwacht om het nummerplaatje met een tang van de fiets te knippen, want blijkbaar doet dit dienst als elektronische  tijdsopname. Fred komt nu enthousiast op mij toegelopen en begrijpt meer dan ikzelf dat deze prestatie zoet zal smaken voor deze veteraan, terwijl ik probeer te recupereren van de meer dan vier uur durende inspanning die al mijn ledematen heeft getergd. Mijn begeleider neemt nog enkele foto’s van een blije maar vermoeide coureur, die er voor het eerst ooit in geslaagd is een wedstrijd zonder kleerscheuren uit te rijden. Achteraf blijkt dat deze inmiddels twee jaar oudere man liefst 14 minuten sneller is afgeklokt dan in 2011 en met een tijd van 4 uur en 17 minuten binnen het doel gebleven is; zonder kleine stop en samen met vriend en krachtpatser Luc had dit wellicht nog sneller gekund. Ter staving kan aangevoerd worden dat een medemens, geboren in 1940 amper 5 minuten later finishte dan ondergetekende, wat deze gedachte nog meer staaft. Maar de opluchting na de knieperikelen en de onzekerheid over de conditie is nu helemaal weg. We gaan onze fiets nu in de Renault stoppen, mijzelf wat aankleden en dan aanschuiven voor een sportmaaltijd in het hoger gelegen cafétaria. Maar daar is de organisatie omgekeerd evenredig met die van de koers zelf want het duurt drie kwartier vooraleer we een bord spaghetti kunnen claimen en erger nog het voorgerecht ontbreekt; het blijkt dat de zaal niet eens vol zit maar gewoon de traiteur of de koks de hongerige renners niet kunnen volgen; ik eet dan maar twee keer een bord spaghetti en blijf met Fred nog wat nakeuvelen. Daarna rijden we rustig richting thuisland want het is goed geweest; ons beider moreel peil is goed en we keren zeker terug naar dit heiligdom van de fiets waar Merckx ooit zijn eerste bergrit in de Tour won op de legendarische Ballon d’Alsace. Volgend jaar trotseren we vermoedelijk de befaamde en gevreesde “La Vosgienne”, hopelijk met drie medemensen aan boord van de Renault.         Eddy Lambrechts Lier, 5 September 2013 COPYRIGHT GCV LAMBRECHTS  

Eduard Lambrechts
3 0

De Crémant dik verdiend

Strijdlust in de Vogezen –Verslag van een driedaagse op 27,28 en 29 augustus 2011     De CREMANT dik verdiend     Het echte vertrek is zoals gewoonlijk voorzien aan de Mussepi in Katelijne. Fred heeft deze keer nog theoretisch examen van de scheidsrechterlijke kunsten en laat omstreeks 11.30h weten dat hij pas rond de klok van enen zal arriveren. Nerveus rij ik richting Berlaar waar Luc mij reeds opwacht en zijn blauwe DIAMANT naast mijn rode SPEZIALIZED op de fietsendrager achteraan mijn Peugeot 5008 monteert. We hebben nog even de tijd en halen in LIER nog een allergiepilletje op in de wetenschap dat wij veteranen zijn, die niet alleen vechten tegen verouderde spieren maar ook tegen kleine kwaaltjes. We stomen nu richting Katelijne en aangekomen doet Fred de deur open. Hij ploft zich op de enige beschikbare zetel achteraan en weg zijn we want het is nu 13.15h en we moeten ons in de buurt van Gérardmer aanmelden voor 19.00h om zondag rustig de start te kunnen nemen. We voorzien 460 km om tot daar te komen en omdat we geen enkele lange stop nemen arriveren we ook aan het bekende meer rond 18.00h, maar we moeten nu wel de plek vinden waar laatkomers zich nog kunnen aanmelden want de inschrijving werd eerder via het web gedaan.  Luc zit aan het stuur en we zien reeds borden van de organisatie met daarop “DEPART” en “ARRIVEE” maar de plaats van afspraak vinden dat is andere koek. Na wat ronddwalen vragen we een “oudere plaatselijke schone” om raad en wijst ons de weg naar het zogenaamde OCDVL, wat blijkbaar gans boven op een steil stuk voorbij de aankomstreep gevestigd is. Daar worden we vriendelijk ontvangen en krijg ik mijn eerder toegezonden bankcheque ongeschonden terug en betaal als compensatie in contanten het inschrijvingsgeld. Tevens leveren we onze medische attesten af als blijk van fysieke paraatheid. We hadden in feite nog een verkenning voorzien van de Col de la Schlucht maar gezien we tegen de klok van zeven lopen besluiten we hotel LA GRANDE CASCADE op te zoeken. Daar parkeren we onze auto in de lager gelegen parkeergarage waar ook onze fietsen veilig staan, maar we laten ze onberoerd op de fietsendrager want de garage gaat met het vallen van de avond  gewoon dicht. Het geeft een goed gevoel terug te komen naar een plek waar ik samen met Luc in 2005 drie dagen verbleef en een memorabele tocht langs de Route des Cretes maakte.    We hebben een kamer geboekt voor drie, kwestie van sfeerschepping, maar ook om geldverspilling tegen te gaan. Het tweepersoonsbed is opgemaakt voor de ‘leader of the pack’ en er zijn nog twee eenpersoonsbedden voorzien die Luc en Fred innemen. Er zit niets anders op dan het avondmaal te nuttigen in het restaurant van het hotel wat de hotelbaas het ‘restaurant panoramique’ noemt want het geeft uit op een wondermooi natuurspektakel.  Om krachten op te doen voor de dag die komt kiezen we allen voor een “entrecote maitre d’hotel”, maar de fritten laat ondergetekende in de keuken, want ofschoon wij deze keer opteren voor 90 km i.p.v. de lange en slopende “Ballons Vosgiens” van 155 km heeft onze ervaring geleerd een dergelijke opdracht vooral niet te onderschatten want deze keer willen we in één ruk naar de eindstreep rijden en dit binnen de voorziene tijdslimiet. Een toetje kan er nog wel bij want tenslotte worden er morgen duizenden calorieën verbrand; daarom bestellen we ook alle drie een ijsdessert en hou het zelf bij drie bollen met verse slagroom. Luc en Fred dronken tijdens de maaltijd een Pelforth Brune; ikzelf beperk mij tot een glas Pinot Noir, waar ik van hoopte goed te slapen, maar dat valt tegen want het grote bed wat blijkbaar voor mij gereserveerd was lag niet al te best en tijdens de nacht werd ik diverse keren wakker, maar vanaf ik het prille zonlicht door de rolluiken zie gluren verlang ik naar de fiets. Het ontbijt staat voor de ‘coureurs’ klaar in een aparte ruimte naast het eigenlijke restaurant, heel eenvoudig omdat het officiële ontbijt pas start om acht uur en dat is wat laat om het voedsel nog fatsoenlijk te verteren voor de start. Ondanks de slechte nacht maak ik mij met spoed klaar om rustig te kunnen ontbijten maar dat verloopt wat chaotisch want de warme drank dient getapt te worden in een aanpalend zaaltje, niet uit een vat maar wel uit een koffiezetapparaat waarin alles chemisch geprepareerd wordt. Uit voorzichtigheid neem ik een chocolademelk en eet ik kleine croissantjes en koffiekoekjes, alsook een yoghurtje. Luc gaat mij min of meer achterna en terwijl we ontbijten komen een heer en dame het hotel binnen om het echte ontbijt voor de andere gasten te prepareren; ze trekken de rolluiken op en het is nu duidelijk dat we in tegenstelling tot de regenachtige dag van gisteren een zonnige dag krijgen. Terwijl we ons intussen klaarmaken op kamer 8 van de eerste verdieping eet onze begeleider samen met de andere gasten in de gelagzaal. Wij trekken voor het eerst op een officiële wedstrijd het nieuwe wit-blauwe nogal koele plunje aan van de wielerclub, geassorteerd met zwarte broek. Zoals gewoonlijk masseer ik mijn benen met natuurlijke Kneipp-olie, wat ook tegen de koude beschermt want aan de start zal de temperatuur niet veel hoger zijn dan 10 graden. Als uitrusting draag ik net zoals Luc een truitje met korte mouwen maar met daarboven een windstopper zonder mouwen, kwestie van  makkelijk te kunnen anticiperen op temperaturen incl. de wind in de afdalingen. Het is nu circa kwart na acht en de temperatuur stijgt niet alleen buiten maar ook bij de veteranen van dienst. Zo vertrekken we met Fred aan het stuur voor een tochtje van 16 km tot aan het einde van het Gérardmer, waar we op een parking van een chique hotel ons posteren om gewoon uit te pakken, d.w.z. voor het eerst onze fietsen van de drager te halen en de banden onder zware spanning te zetten. Luc doet niet mee want heeft deze oefening thuis reeds voorgedaan. Ik vul ook mijn twee witte drinkbussen op het asphalt en stel gelukkig na minder dan 5 seconden vast dat er een wesp in een bus zit en giet de overtollige sportdrank meteen leeg. Ik neem dan maar een ander blikje dat ik verdeel over de twee witte drinkbussen en verleng de drank met water van het merk SPA; niet uit Hollandse gierigheid of schaarste wel omdat het dan beter te verteren is op de fiets. We rijden nu in zacht tempo naar de startplaats een kilometer verderop en schuiven gewoon aan bij de massa vertrekkers (naar schatting 600 à 700). We zien meteen naast ons een lokaal TV-station een interview afnemen van een voor ons onbekende deelnemer, een categorie waar wij ook toebehoren. Om precies 09.00h gaat de meute van start en het is dringen om te kunnen starten; het zal circa 2 minuten duren vooraleer de nummers 875 en 876 van start kunnen gaan. We zitten nog maar tweehonderd meter op onze fiets of Fred, die het  gepresteerd heeft om op een standbeeld te klimmen wuift ons  officieel uit. Wat we zeker weten is dat we tot aan de top van de eerste col geen auto zullen zien want het parcours is tot daar hermetisch afgesloten. De eerste kilometers halen we nog snelheden boven dertig per uur maar naarmate de klim nadert wordt het lastiger en dunt het peloton uit. Na zo’n zes en een halve kilometer begint de feitelijke klim van de Col de la Schlucht, een stevige col van tweede categorie in de TOUR, die in de gelijknamige Ronde voor het laatst werd beklommen in 2009, toen de aankomst in Colmar lag. Toen kwam de Spanjaard Ruben Perez daar als eerste boven voor Chavanel en Haussler, drie renners die ontsnapt waren uit het peleton. Nu vatten Luc en ondergetekende de klim aan en ik probeer de eerste kilometer op een iets grotere versnelling bergop te rijden maar dit negen kilometer volhouden zal moeilijk zijn, vandaar schakel ik terug naar 30X24, Luc heeft zich nu inmiddels op kop gezet maar het is voor ons beiden moeilijk om in het klimritme te komen; de ademhaling is nog niet afgestemd op de inspanning. Luc vraagt dan ook na vier kilometer om over te nemen wat ik ook doe als ‘co-equipier’. Ik ben niet in staat zoals Luc om constant een snelheid van 12 km per uur aan te houden maar het fluctueert eerder tussen 10 en 14. We rijden op de SCHLUCHT onder de bomen want de rotsen zijn hier volledig bedekt met groen en we rijden gans de beklimming met de rotsen aan de linkerkant en het dal, dat reeds in de zon ligt aan de rechterkant, het zicht is ook uitzonderlijk mooi maar daarvan kunnen wij moeilijk genieten nu. We horen nu nog alleen de versnellingsapparaten van de fietsen en de al of niet harmonieuze ademhaling van de renners want de col is helemaal afgesloten voor het verkeer. We bevinden ons uiteraard in de staart van het peloton waar het niet druk meer is. Plots zie ik het bord “La Roche du diable” en dit geeft moed, niet alleen vanwege het panoramisch zicht wat historisch is omdat het rijpad daar als het ware uit de rots gehouwen is maar ook vanwege het feit dat het nu minder steil is en we dus het tempo kunnen verhogen. De eerste klim zit er virtueel bijna op en laat Luc even voorbij rijden om Fred te kunnen bellen die niet rechts van de baan te zien was waar de rotsroute de eerste keer een weg kruist. Blijkbaar was hij opgehouden door de Gendarmerie en hij komt dan ook een minuut later dan verwacht ons voorbij gestormd. We draaien nu rechtsaf de “Route des Crêtes” op voor een zwerftocht van 22 km want het is afwisselend klimmen en dalen want de Col du Markstein ligt op circa dezelfde hoogte dan de Col de la Schlucht. Het tempo varieert dan ook meestal tussen 15 en 50 km per uur. Deze interval oefening kost wel veel krachten ; daarom stoppen we na een paar kilometer verder bij onze gids, die zelf dit decor vorig jaar omdoopte tot een Bijbels landschap. Het is de gelegenheid om samen met Luc de tocht verder te zetten want een gat dicht rijden van 100 meter op dit parcours is voor een veteraan niet zo evident. Ikzelf maak een plas en neem twee slokken van een colaatje om wat extra suikers in te slaan. Het blijft ondanks de zon aan de horizon toch relatief koud op deze hoogte en dat voel ik aan mijn oude spieren. Niet de spieren maar mijn linkerknie heeft blijkbaar last van de koude maar de wedstrijd is volop aan de gang en Luc dicteert weer het tempo ofschoon we af en toe naast mekaar rijden op wat men meestal vals plat meent te noemen. Ondanks het voortdurend schakelen hebben we de indruk dat we terrein winnen op de tegenstand. We merken dat ook op onze fietscomputer dat we goed  binnen ons tijdschema zitten en dat geeft ons moed. We trekken uit enthousiasme het tempo nog op als we in de verte de top van de Grand Ballon zien, waarvan Le Markstein het voorgeborchte is.  Na precies 1 uur en 52 minuten arriveren we samen aan de bevoorrading op Le Markstein, we pikken een schijfje appelsien en een koekje mee en zetten de rit verder; na enkele honderden meters merk dat mijn valhelm nog bij Fred in de auto ligt, maar die komt er na enkele seconden aan, zodat ik de afdaling richting Kruth kan verder zetten. Ik rij nu Luc voorbij want afdalen blijft een gevaarlijke sport en afstand houden is hier de boodschap. In een recht lang stuk geef ik nog wat extra trapkracht en mijn boordcomputer zal achteraf dan ook 68,9 aangeven als topsnelheid; meer dan zeventig per uur is hier moeilijk vanwege de minder steile afdaling. De organisatie en beveiliging van deze “cyclo” zit goed want gans beneden gekomen staat er een horde ordehandhavers klaar om mij de richting aan te geven; ik draai rustig rechts af en milder het tempo in afwachting dat Luc er zo aankomt. Na driekwartminuut is het zover; Luc komt eraan gesneld en we rijden rustig richting  Wildenstein, een voor ons beiden uiterst bekend oord. De zon is er nu helemaal en net voorbij het meest rudimentaire hotel uit de streek begint de klim. Ik heb mijn windstopper nog aan maar deze staat nu open want Luc neemt een egaal tempo van 11 per uur aan wat vrij veel is want het gaat om een zeer homogene klim van boven de 6% op een uitstekend wegdek. Na de aanloop komen we kilometerpaal 13 tegen, waar we net boven de 700 meter zitten of nog bijna 300 hoogtemeters te gaan. De mooi opeenvolgende haarspeldbochten maken van deze col de parel van de Vogezen, zoals collega’s professionele schrijvers deze col noemen. We zitten gezwind in het tempo dat steeds door Luc gelijkmatig wordt aangehouden maar ikzelf drink van de tweede bus want de eerste,is ondanks aanvulling bij de bevoorradingspost op Le Markstein inmiddels leeg.  Nog 100 meter roept Fred, die deze keer ons langs de weg aanmoedigt, maar hij bedoeld hoogtemeters, wat toch nog circa  twee kilometer betekent; bijna tegelijkertijd gaan de flitsen van de camera’s aan want de organisatie heeft ervoor gezorgd dat alle belangrijke momenten worden vastgelegd op de digitale plaat. We trappen nu nog een fractie harder want in tegenstelling tot vorig jaar is de spreekwoordelijke kaars nog  niet uit op de Bramont; de top is na het bord van 950m in zicht en Luc neemt symbolisch als eerste de top en duikt daarna de drie kilometer steile afdaling in want de andere kant is nog steiler en dat voel je goed, het gaat nu boven de 60 per uur zonder één pedaalstoot en beneden draaien we rechts richting Col des Feignes wat een lang stuk rechte weg is wat langzaam bergop loopt. Onderweg geef ik mij windstopper aan Fred en zet de achtervolging in op Luc, waarin ik ook slaag maar de linkerknie voelt alsmaar pijnlijker aan terwijl ik contradictorisch genoeg de vermoeidheid in de benen niet voel. Met de tweede bevoorrading van de dag in zicht laat ik Luc even rijden en rij rustig naar Fred, die ons aldaar op wacht. Ik vul mijn bus, deze keer met onversneden sportwater en rij samen met Luc weer weg. Na tweehonderd meter komen we feitelijk op de top van de col en nu dalen we af op een brede baan richting Lac de Lispach, waar een oase van rust heerst omdat het gewoon in een natuurgebied gelegen is; deze rust wordt onderbroken door een groep van tierende tienermeisjes die ons luidkeels aanmoedigen, wat een mens altijd goed doet. Van enthousiasme trap ik wat harder en zit ik Luc opnieuw op de hielen. Ik veronderstelde onder het bruggetje na het meer rechtdoor te kunnen rijden maar dat was mis gedacht want we moeten rechtsaf waar plots een steile klim voor ons opduikt. Luc heeft zelfs de indruk dat er stukken inzitten van dicht tegen 20%; het lijkt in ieder geval zo en spreek af met mijn trouwe ploegmaat dat we ieder ons eigen tempo rijden want de aankomst ligt nu op minder dan 10 kilometer van ons verwijderd. Ik wil mijn pijnlijke knie absoluut sparen en rij nu dus op mijn kleinste versnelling naar boven. De warmte begint nu meer en meer zich van ons meester te maken en gelukkig heb ik nog wat drank op overschot en laat vooral mijn rechterknie het werk doen. Ik merk nu dat we op het laatste stuk van de Col du Grosse Pierre zijn aanbeland, een lange brede weg, die zal leiden tot de laatste top van de dag, die op 955 meter ligt. Ik wurm mij letterlijk naar boven want de pijn in de knie is nu nauwelijks te harden, maar de aankomst is in zicht dus zet ik door, zelfs in de gevaarlijke afdaling, die wordt afgebroken door een horde veiligheidsmensen, want in plaats van naar beneden te rijden tot aan het eigenlijke meer moeten we rechtsaf draaien richting hoger gelegen aankomst. Nog enkele pijnlijke bulten en dan zie ik de rechte lijn voor mij, de eerste keer ooit dat ik de aankomststrook nader en na een kort spurtje met aanmoedigingen van Fred onder de opgetrokken boog doorkom. Ik val Fred in de armen en zie Luc terug, die er een tijdritje bergop van gemaakt heeft want hij is 5 minuten voor mij afgeklokt.  Een prachtige prestatie van deze doorzetter, die dat illustreert door de wil om met de fiets naar het hotel te willen rijden. We blazen eerst wat uit en schuiven aan voor de maaltijd, aangeboden ten behoeve van de overlevers van de BALLONS VOSGIENS 2011. We hebben Fred, zoals het hoort ook ingeschreven voor de sportmaaltijd en schuiven aan in een lange rij, maar de organisatie is behoorlijk goed want ook dit onderdeel hebben ze onder de knie. We krijgen een voorgerecht met groenten en uiteraard als hoofdschotel “spaghetti bolognese” en ook nog een dessertje in de vorm van een stuk appeltaart. De sfeer zit er goed in; we eten rustig en geamuseerd de borden leeg en genieten van het vakantiesfeertje wat er hangt. We hadden s’ochtends afgesproken samen met de fiets naar het hotel te rijden, zo’n 18 kilometer ver, maar met mijn  knieperikelen geef ik forfait. We stappen samen naar mijn Peugeot, waar Fred het stuur neemt en rustig afdaalt richting Gérardmer. We zijn dus benieuwd of Luc het meer reeds voorbij is; maar dat blijkt een zware onderschatting van Luc zijn conditie want net voor we rechts afdraaien richting Le Tholy, zo’n zes kilometer van het hotel passeren we Luc; hij heeft ons dus wel een neus gezet. Daarmee is het sportief onderdeel van ons verblijf in de Vogezen afgelopen, maar we moeten ons nog wel verfrissen vooraleer we het burgerleven induiken. We nemen één voor één een verfrissende douche en ik merk dan ook dat mijn benen toch te lijden hebben gehad onder de zon. Maar het doet deugd en van vermoeidheid is nauwelijks sprake. We rijden dan ook een uurtje later zonder onze fietsen richting Gérardmer, waar het bovendien kermis is. We drinken enkele glazen bier op een terras in de Rue Francois Mittérand en de straatnaam geeft duidelijk aan dat de staatsman geboren was in 1916 en op 80-jarige leeftijd overleden in 1996. We wandelen zoals het goede Vlamingen past over de “Kermesse” en ook daar zien we kramen met snoepgoed, schieten op ballontjes, viskramen die ik zelfs voor geen EURO zou overnemen en oh ja botsautootjes voor de allerkleinsten. We besluiten nog een glas te drinken in LA BRESSE, het meest bekende skioord in de Vogezen. Daar drinken we op de hoek in een groot etablissement dat sinds mijn laatste passage met Monique een andere naam gekregen heeft buiten op het terras nog een glas, positief terugkijkend op de dag die voorbij is. We passeren bij het terugkomen nog de laatste 5 kilometer van het parcours. S’anderendaags passeren we de eerste Col van de sportzondag nogmaals, maar dan met de auto want via de Col de la Schlucht rijden we richting Soulzmatt, een dorp waar zowel Luc als ondergetekende goede herinneringen aan hebben. Reeds in 2004 tekenden de toen nog iets jongere veteranen voor de eerste keer present in La Vallée NOBLE, het meest respectabele hotel uit het zuiden van de 175km lange ROUTE DU VIN. Toen reeds hadden wij kennis gemaakt met het dorp en zijn wijnbouwers. Net voor en na onze tocht over de GRAND BALLON hadden wij toen het CHATEAU WAGENBOURG bezocht en voor de eerste keer hun PINOT GRIS geproefd. De dame des huizes, die intussen bijna een vriendin van de familie geworden is was toen ook al present om de honneurs waar te nemen en dat werd ook digitaal vastgelegd. Maar nu arriveren wij na bijna een uur rondzwerven tussen Vogezen en Elzascols aan het beruchte kasteel waar de familie KLEIN sinds 1610 wijn produceert. We drukken de dame des huizes uiteraard vriendelijk de hand maar verzoeken meteen, maar niet zonder enige aandrang vanwege de commerciële slagkracht te starten met de degustatie van de CREMANT D’ALSACE 2009.  De aangetrouwde dame, want haar man is de afstammeling van het vermaarde geslacht drinkt samen met de driemusketiers uit Vlaanderen mee en wij beschouwen het als de spirituele bekroning van deze driedaagse. Maar we besluiten toch nog een aantal specialiteiten zoals de MUSCADET en de GEWURZTRAMINER te proeven, zodat de eigenaar van de ‘voiture’ nog wat extra aankopen doet voor zichzelf en een goede vriend uit Reet.  Met een gezamenlijke foto nemen we afscheid van de kasteeleigenaars tot volgend jaar. Maar wanneer we komen hangt af van de conditie van het veteranenvolk.        Eddy Lambrechts Lier, 18 September 2011 COPYRIGHT GCV LAMBRECHTS

Eduard Lambrechts
0 0

Een diploma voor de choucroute

Strijdlust in de Vogezen –Verslag van een tweedaagse op 4 en 5 September 2010     Een diploma voor de choucroute     Het echte vertrek is voorzien aan de Mussepi in Katelijne waar sportveteraan Fred woont. Daar vertrekken we om precies 10.41h want scheidsrechter Schellens heeft die zaterdagochtend zijn testen afgelegd om de carrière in het zwart, die is uitgegroeid tot een succesvolle loopbaan als grensrechter te kunnen verder zetten tijdens het voetbalseizoen 2010-2011. Fred heeft in laatste instantie nog boterhammen gesmeerd, die hij kan verorberen terwijl ikzelf aan het stuur zit met Luc naast mij. Het weer is grauw en dat werkt deprimerend maar dat spoort niet met onze mentaliteit want Fred kondigt beter weer aan eens de Maas overgestoken, zich baserend op een volkse wijsheid van zijn overleden vader, die tevens een fervent fietser was. We besluiten diesel te tanken aan het eerste tankstation op de E411 richting Luxemburg, waar ik snel nog wat blauwe snoepjes koop van het merk Vicks omdat ik vrees voor een zere keel vanwege een allergieprobleem of misschien wel een beginnende verkoudheid. De muntjes blijken een succes want ook mijn twee compagnons snoepen als het ware mee. Aan het laatste tankstation op Belgische bodem houden we halt om de broodjes, die de echtgenote van Luc heeft klaargemaakt te verorberen. De voorspelling van Fred is uitgekomen want, hoe hallucinant ook, precies 1 kilometer voorbij de Maas doemde een zomerse zon op. We genieten nu volop van ons middagmaal want het is precies 13.00h en Luc en ondergetekende werken naast broodjes met kaas en kip nog twee taartjes naar binnen, kwestie van niet zonder energie te vallen.  Fred neemt het stuur over als we de Franse grens naderen want hij dient zich als begeleider voor te bereiden op de dag die komt.   De buitentemperatuur stijgt naarmate we de Vogezen naderen, zelfs naar 27°, maar eens in de buurt van Nancy krijgen we te maken met een monsterfile op de E31. Die omzeilen we door spontaan een voor ons onbekende afrit te nemen; we stellen vervolgens onze GPS in op de kortste weg naar ons doel en we vervolgen op een parallelweg  die we na Nancy terug verlaten. Om precies 18.37h arriveren we in Thann, nadat we de Col d’Oderen zijn gepasseerd die we de dag erna met de fiets dienen te beklimmen. We waren trouwens verbaasd dat er zo weinig pijlen op de col stonden in functie van de wedstrijd van zondag. Maar de sfeer op het plein in Thann is bijna doods en steekt schril af met het VIP-dorp drie geleden in Straatsburg, startplaats van  de beruchte L’etape de Légende, waar we het meer dan 150 km volhielden . We confirmeren onze inschrijving aldaar en krijgen een groen rugzakje cadeau met daarin wat rommel maar een paar witte kousen op maat krijgen we er wel bovenop. Maar vooraleer we in de auto stappen wil Luc uit interesse voor sportnieuwsgaring de onder het tentzeil  tentoongestelde fietsen van het merk MANNHEIM bemonsteren; en het is de moeite want  geïnformeerd naar de prijs vertelt de verkoper ons dat de fiets circa 4.500 EUR kost maar slechts 7,5 kg weegt. Het frame van de fietsen blijkt gemaakt uit zogenaamde HIGH STRENGHT STEELS, een hoogtechnologische staalsoort waarmee ook de carrosserie van moderne auto’s wordt vervaardigd. Het label werd zelfs op de bovenbuis geschilderd. Fred, die in de wagen op ons gewacht heeft voert ons nu naar het hotel in Kruth, precies 18 kilometer ten noorden van Thann en op loopafstand van het parcours van morgen. Het hotel AUBERGE DE FRANCE genaamd ziet er wat verouderd uit maar wel groot van formaat voor een familiehotel.  Als we uit de auto stappen komt de kok net naar binnen gelopen met een emmer vol forel, waarschijnlijk net opgeschept uit een nabijgelegen bergriviertje want het schepnet heeft hij nog onder de arm. Wij checken in, wat betekent dat wij gewoon de eigenares aanspreken te midden van de gelagzaal en vervolgens geeft zij ons de sleutels van de kamers 10 en 11  alsook de sleutel van de garage waar onze fietsen kunnen gestald worden. We twijfelen of we ook ter plaatse zullen eten maar de aantrekkelijk geafficheerde prijzen doen ons besluiten ter plaatste het avondmaal te gebruiken. We eten alle drie choucroute, een specialiteit van de streek. Over de koers van s‘anderendaags wordt quasi niet gesproken; ik heb daartoe ook niet veel zin want mijn stem voelt zwaar aan en dat zal de ademhaling niet vergemakkelijken. We besluiten tegen een sportieve gewoonte in toch een karaf witte wijn te bestellen, maar we houden het wel bij een halve liter PINOT BLANC voor ons drie. Na een lekker voorgerecht krijgen we elk een bord met de zuurkool erop maar het vlees wordt separaat aangevoerd in een koperen pan, die vol ligt met spek en de typische worst die bij een originele Choucroute Alsacienne  hoort. We krijgen dus waar voor ons geld, wat ook blijkt uit het feit dat intussen de twee verbruikszalen bijna helemaal vol gelopen zijn. En als mannen met ervaring kunnen we niet ontkennen dat er veel schoon volk is samengetroept in het etablissement waar ze naast choucroute vooral verse forel serveren. We hebben een deal gemaakt met de bazin dat we ontbijten omstreeks 6.30h, zodat we dan tijdig vertrekken richting Thann; waar de renners voor de editie 2010 verzamelen omstreeks 7.45h.   Fred, die deze keer apart op kamer 11 sliep besluit ons in de ochtend snel weg te voeren om dan terug te keren naar het hotel om rustig te ontbijten. Hij parkeert de auto amper 500 meter van de startplaats, waar wij onze fietsen van de auto nemen en een laatste keer de bandenspanning controleren. De benen voelen koud aan want de natuurlijke massageolie, die ik s ’morgens vroeg na het ontbijt gebruikt heb is al opgedroogd. Als uitrusting draag ik net zoals Luc een truitje met korte mouwen met daarboven een windstopper zonder mouwen, maar het geeft geen warm gevoel en de vraag is hoe het boven op de cols is. We staan precies 4 minuten later dan voorzien aan de start in Thann, waar wij ons achteraan het peloton hebben aangesloten. Blijkbaar was dit een symbolische daad want wanneer het startschot wordt gegeven rijden de veteranen bij de laatste tien deelnemers weg. Nog geen tweehonderd meter verder voelt het aan alsof mijn wiel sleept, ik stap vervolgens even af maar spurt terug in de richting waar Luc rijdt. Ik verzoek Luc even halt te houden want er zit duidelijk iets fout, ondanks alle voorbereidingen; ik zet het wiel even los en draai het terug vast aan, zodat het zeker klem zit in de daartoe voorziene opening in het frame. Deze operatie neemt misschien 40 seconden in beslag maar aan het eerste kruispunt moeten we al vragen aan de seingever waar we heen moeten want het peloton is als een razende vaart vertrokken; we zien zelfs de bezemwagen voor ons uitrijden en we zijn amper één kilometer ver. Het lijkt wel fictie want alleen in de verte zien we nog een wielershirt terwijl wij pas de klim van de Col du Hundsruck inzetten. Forceren heeft geen zin en Luc vreest dat we de ganse dag achteraan zullen rijden. Luc rijdt het tempo wat hij aankan met de redelijk zware mountainbike terwijl ikzelf op een “Specialized Allez” zit. We zijn nu op het gedeelte gekomen boven de 7% en dat voelen we. De laatste kilometer klimt het vlotter en de aankondiging dat de fotograaf op de top staat schept moed maar ons moreel wordt snel ondergraven als we zien dat de fotograaf zijn stoel reeds heeft verlaten, we hebben ook meer dan 40 minuten gedaan over de eerste 7 kilometer, wat toch zeer traag kan genoemd worden. Ik zet mijn fiets nu even opzij om even een plas te maken om de afdaling rustig aan te vatten, maar die is van korte duur want de volgende 15 kilometer is het parcours hellend want we rijden van Masevaux naar Sewen, waar de beklimming van de Ballon d’Alsace op het programma staat en dat is een reus die nog steeds aanzien heeft in het wielerpeloton. Ik heb in een steiler stuk even Luc losgereden en heb de kans om te spreken met de chauffeur van de bezemwagen, hem zeggende dat wij ook in koers zijn en dat wij dus voor hem dienen te rijden. Hij doet dat dan ook en Luc sluit gauw aan, we rijden nu op een mooi stuk van het parcours en ik stop nog eens om te plassen, want de cacaomelk van s’morgens heeft volop zijn werk gedaan. Ik zie Luc zelfs niet meer rijden maar geef nu gas op een grotere versnelling en het loopt vlotter tot we uiteraard in Sewen aankomen en de klim van deze Tourreus begint. Wij rijden wel langs de achterkant de Ballon op, wat als gevolg heeft dat we 9 kilometer klimmen met stukken van circa 9% en daarna het hellend naar omhoog gaat richting de top op 1178 meter, die elke wielertoerist in zijn fotoboek staan heeft.   Luc neemt nu de leiding over, met nog steeds de bezemwagen achter ons, want van tegenstand of collega’s wielrenners is niets te merken, of toch want een zwaarder gebouwde Vlaming roept ‘mijne rug is kapot’ en hij stapt de bezemwagen in. Er staat ook een gevallen renner, met een folie rond zijn lenden klaar om de bezemwagen in te stappen; de Col eist dus duidelijk zijn tol want het duo uit de provincie Antwerpen vervolgt nog steeds de klim en op de moeilijkste stukken worden we aangemoedigd door kleine groepjes mensen, wat ons plezier doet. Ik heb Luc al en paar keer moed ingesproken dat het moeilijke stuk stilaan ten einde loopt, maar de wetten van de sport liegen niet want in groene verf staat op het wegdek geschilderd hoever het nog is tot het einde van het steile deel. Voor het eerst zie ik dat als de verf drie kilometer aanwijst of 7 kilometer van de officiële top.  Tijdens die laatste kilometers gaat mijn GSM af, die ik vanwege de aanzienlijke trapfrequentie gepaard gaande met een hoge hartslag moeilijk kan opnemen, maar toch maak ik de ritssluiting van mijn bodywarmer los en kan ik nog net opnemen want wie anders dan Fred is er aan de lijn. Hij vraagt zich af waar we zijn want hij heeft vooraf een gedetailleerd schema ontvangen met geschatte tussentijden op elke top. Ik antwoord terwijl het zweet toch al op de wangen plakt dat we dicht bij de top zijn en vraag hem massageolie en zonnecrème klaar te houden want zowel de zon als vermoeidheid steken voor het eerst de kop op. De laatste vijfhonderd meter staan er elke honderd meter groene letters op het asfalt; Luc is duidelijk blij als we de laatste 100 meter inzetten en ik ga nu wat sneller door op een iets grotere versnelling om de benen even onder spanning te houden; in de afdaling rijden we toch op afstand van mekaar uit veiligheidsoverwegingen. De laatste 4 kilometer, die we ook in 2006 deden vallen nog tegen, vooral in tijd, want we hebben het parcours blijkbaar op diverse vlakken onderschat, evenals de tegenstand, die nergens te bekennen is. Als ik aan het bord kom waarop in omgekeerde richting het bordje Ballon d’Alsace staat moet ik denken aan onze rit in 2006, toen het boven ijskoud was en we op een nat wegdek naar beneden reden. Nu is de zon duidelijk doorgebroken ofschoon het niet heel warm is en ik zet de afdaling krachtdadig in langs de bekende Noordkant van de col; die daar ook zeer goed bereidbaar is. Ik haal spoedig een Citroën C8 bij, wat altijd een kick geeft. Ik bewaar steeds een afstand van 100 à 150 meter uit voorzichtigheid; de wagen kan geen afstand nemen van mij, want daarvoor gaat het waarschijnlijk te snel, telkens als een bocht nadert kom ik gevaarlijk dichterbij, maar hij blijft gas geven zodat ik snel beneden ben want langer dan 10 minuten heeft de afdaling van 9 kilometer niet geduurd. Fred roept mij van ver toe wat hij heeft mijn filmcamera in de aanslag en heeft de auto iets verderop naast het parcours geparkeerd. We draaien tegen mijn verwachting in rechtsaf beneden aan de Ballon en ik neem extra drank en eet meteen een koekje op, maar langer dan één minuut duurt het niet vooraleer Luc eraan komt. Ik realiseer mij nu dat we bijna 20 minuten vertraging hebben op ons eigen schema en dit op een totale geschatte duurtijd van 8 en een half uur. We hebben nog maar 47 km op de teller en er volgen er nog precies 113 andere. We beginnen aan een lang stuk op de bekende N66, dit met de bezemwagen terug achter ons; we draaien af op een plek waar wij het niet verwachten, een soort rotonde waar de weg steil omhoog loopt en waar de weg plots smaller wordt. Het wegdek zit vol gaten en is in feite te smal om op een fatsoenlijke manier een peloton over te laten rijden, maar we zijn gelukkig maar met twee. De klim duurt circa zes kilometer en onze trouwe begeleider Fred fungeert nu als DIRECTEUR SPORTIF want hij rijdt met mijn Peugeot 5008 nu 100 meter voor ons uit, wat nooit onze bedoeling was want wij zouden participeren in een wedstrijd, maar zo heeft het nooit aangevoeld vandaag, want wij rijden een soort tijdrit per twee gevolgd door de bezemwagen. Onze benen gaan nu langzaam kapot want na de Ballon is deze Col du Page echt wel een dooddoener, dit is andere koek dan de Col d’Oderen, die wij verwacht hadden onder de wielen en sommige stukken zijn meer dan 8% steil. Luc voert wel de cadans aan maar hij heeft ook duidelijk te lijden, het lichaam roept om vocht en de spieren om rust. Op de top gekomen laat we ons zakken in de afdaling, aan mijn rechterhand heb ik mijn rood vestje dat ik klem tussen mijn hand en de onderkant van het stuur met de bedoeling van even te stoppen om het vestje aan te trekken, maar de afdaling is zo scherp en gevaarlijk dat dit gewoon niet lukt, ik houdt mijn  stuur nu goed vast want de snelheid is op deze smalle asfalt erg hoog – ik haal bijna 69 per uur en gelukkig kom ik geen enkele auto tegen; de bezemwagen is ook niet meer te bespeuren als we uitkomen op de veel gemakkelijkere Col d’Oderen, waarop nog circa twee kilometer te klimmen valt. Eindelijk zien we de bevoorrading staan boven op de  Col d’Oderen, liefst de vierde col van de dag. Maar de dames van de stand aldaar zijn uitgeblust evenals de spijzen zelf want de stukken banaan zien er niet uit; het beste is een verse banaan naar binnen te werken en een glas water te drinken. Fred heeft nog voldoende proviand in onze ijsbox zitten, waar we een greep in doen en achteraan in onze koerstrui stoppen. Ik geef mijn glad geschoren benen nog een geïmproviseerde massagebeurt, waarna we afdalen richting KRUTH, waar ons hotel gelegen was; de Limburger met zijn pijnlijke rug stapt nu plots uit de bezemwagen en rijdt met rugnummer gewoon met ons naar beneden alsof er niets aan de hand is.  De rijweg is hier breed en zelfs in haarspeldbochten kan je snelheid maken zodat we een paar minuten later links afdraaien richting Wildenstein, een voor ons bekend oord waar we in 2006 drie dagen verbleven hebben. De zon is nu doorgebroken en eindelijk voelen de benen warm aan maar dat compenseert onze vermoeidheid niet want de rit is slopend geweest tot hiertoe. We beginnen dus met de moed der wanhoop aan de vijfde klim van de dag.  Opmerkelijk is dat de bezemwagen ervan door is onder het motto dat de veiligheid op het parcours niet meer kan gewaarborgd worden. We rijden dus in feite buiten koers maar we zetten onze rit verder met de bedoeling minstens de top te bereiken van deze 956 meter hoge col; in Wildenstein zelf begint het echt steile gedeelte van de klim, waar het nog 8 kilometer is tot aan de top van de Col du Bramont. Ik zit nog goed in mijn tempo en Fred volgt ons als een echte Sportdirecteur, d.w.z. van heel dichtbij. Deze col lijkt op een echte alpencol met zijn talloze haarspeldbochten en Luc volgt in het wiel terwijl ik het tempo aangeef; Fred kan op het elektronisch bord in de auto zien hoeveel hoogtemeters we nog dienen te maken om de top te bereiken. Wanneer we het bord 850 meter langs de weg zien is dat niet alleen een bevestiging van wat Fred ons toeroept, het betekent nog twee kilometer afzien.  Ik besef dat mijn krachten, aangetast door de allergieaanval niet tot in Thann zullen reiken zonder enige rustperiode; ik drink in de laatste honderden meters wel minstens vier keer van mijn reserve drinkbus, dit keer een te slap mengsel van water en sportdrank. Blij ben ik als ik mijn Peugeot geparkeerd zie op de top van de Col du Bramont net onder het bord met de naam en hoogte erop; zoals dat gebruikelijk is. Fred staat te kletsen met een bekende uit Bonheiden, die vooral Fred kent vanuit het voetbal en niet omgekeerd; het is in feite een halve Belg met Kroatische achtergrond, die de dag ervoor ook al 80 km gefietst heeft en besluit de weg verder te zetten maar de binnenbocht wil nemen naar het hotel waar hij logeert. Ik vraag aan een blonde dame op leeftijd, wat een zeker risico impliceert voor de kwaliteit van het werk, die  samen met haar man met een moto rondtoert door het landschap om een foto te nemen op dit misschien historische moment. Fred klimt op een rotsblok om zich letterlijk boven ons te hijsen zodat de verhoudingen duidelijk zijn. We zitten daar nu met een dilemma, ofwel onze tocht op eigen tempo voortzetten richting aankomst in Thann ofwel misschien wel stoppen maar daar hebben we eigenlijk geen zin in. Luc is terecht van mening dat verder rijden niet zinvol is gezien de moeilijkheidsgraad want dan komen we te laat aan in Thann wat chronometrage en koersmaaltijd betreft en tenslotte doen wij het voor ons plezier. We besluiten de fietsen op de auto te zetten en verder te rijden op het parcours. We rijden nu richting Le Markstein nadat we zelf 82 km getrapt hebben en genieten van het panorama. Ik zit naast Fred en Luc zit achteraan. Vooraleer we het plateau van Le Markstein naderen zien we een helikopter een man naar boven trekken in de ijle lucht want we zitten op een niveau boven 1000 meter. Het landschap is hier gewoon ruw en de natuur haalt hier de overhand; Fred spreekt van een Bijbels landschap uit de tijd van Cain en Abel omdat het uitzicht hier quasi bovennatuurlijk is. De Vogezen op hun best in feite want op het plateau van Le Markstein is ook de weg naar de hoogste top, met name Le GRAND BALLON, maar die staat niet in het officieel schema en wij houden nog even stil in een feeëriek adembenemend landschap omdat we de bezemwagen naderen en we willen deze uitsluitend voorbij steken op een brede weg want wij willen per fiets de aankomststreep bereiken. We houden stil net voorbij de top van de Col Amic, waar ons nog een kleine klim rest om daarna af te dalen richting Thann. Deze gedurfde operatie lukt uitstekend want we zitten binnen één minuut op onze fiets en de vermoeidheid lijkt wel volledig verdwenen; althans zo voelt het aan want ik rij snel bergaf; door autoverkeer raak ik enkele honderden meters achterop maar ik zet mijn SPECIALIZED nu op de grootste versnelling en haal behalve in de haarspeldbochten constant een snelheid van boven 60 per uur; zo kom ik terug in het wiel van Luc. In het dal voelen we plots de warmte op ons toch vermoeide lijf en om als een echte coureur door de finish te kunnen rijden doe ik nu  mijn vestje uit en geeft het door het raam aan Fred, die inmiddels naast ons is komen te rijden, zodat ook mijn rugnummer nu zichtbaar wordt. In een razende vaart gaat het nu richting aankomst op brede wegen met seingevers alom en het moreel stijgt opnieuw want het eerste gedeelte van de koers heeft ons moreel en fysiek uitgeput ; tenslotte vijf tourcols verwerkt, en nu kunnen we nog rustig genieten onder een warme septemberzon in de Vogezen, waar mijn naamgenoot ooit een historische zege inclusief gele trui  pakte na een beklimming op de Ballon d’Alsace in 1969. We rijden nu richting aankomst over brede betonwegen en genieten voor het eerste vandaag van een echt panorama. Om de aankomst te ordenen is de rijweg versmald zodat de wieleramateurs na mekaar over de ingebeelde streep rijden, waar het rugnummer wordt gescand.  Eerst komt Luc aan de beurt om de barcode op ons rugnummer in te scannen en de aankomstrechter noemt ons vervolgens bij onze voornaam, die dan  op een groot scherm verschijnt. We vinden dit beiden erg plezierig want we hebben de Fransen in  feite in het ootje genomen en kunnen nu genieten van een warme maaltijd in een sfeer van muziek en plezier.  In ruil voor ons rugnummer eten we koude aardappels met warm vlees dat normaal bij choucroute geserveerd wordt maar het is erg lekker want er wordt zelfs een dessert opgeschept op het plastic bord. We krijgen beiden bovendien nog brood met beleg en dat offreren we aan onze trouwe begeleider zonder wiens steun we hier vanavond hadden gearriveerd zonder enige ontvangst. Luc is een soldaat van vele oorlogen, ook plezante oorlogen en vraagt of hij zijn diploma kan krijgen want voor renners die de aankomst bereiken wordt er een papiertje uitgereikt met de vermelding goud, zilver of brons. Het staat chic maar wij nemen de wereld niet te serieus, dat is ook, de reden waarom we naar la Douce France gekomen zijn; ons ontspannen in een sportieve sfeer teneinde de batterijen terug op te laden en humor is een belangrijk onderdeel daarvan. Met het ‘diploma’ in de hand druipen we nu stilaan af, maar Luc ziet het nummer 362 op een bord staan. Hij zegt ‘ ik heb nog een prijs’ waarop, ik repliceer dat hij nummer 368 had; Luc checkt aan de stand van de diploma’s dat hij wel degelijk het nummer 362 had en gaat naar een andere stand met de vraag om de gewonnen prijs af te halen; vervolgens komt er een jonge man aangelopen, die niet om legitimatie vraagt maar gewoon Luc een zonnebril laat kiezen ter waarde van 65 EUR; de dag kan niet meer kapot. We hadden het parcours onderschat maar de organisatie duidelijk overschat en daar lag het spanningsveld vandaag. Maar met compagnons zoals Luc en Fred is dat geen probleem. Daarom komen we zeker terug naar deze streek, waar het leven goed is tussen de Elzassers.        Eddy Lambrechts Lier, 16 September 2010  

Eduard Lambrechts
0 0

Terug naar de Tour van 1967

De wielerlegende in : terug naar 1967    Dit jaar zouden we in augustus afzakken naar ons geliefkoosd terrein, de Vogezencols maar toen we begin juli via het allesomvattende internetmedium een verwijzing zagen naar “ L’étape de Legende” met vertrek in Straatsburg vroegen we ons af of we niet beter wachten tot eind September om af te reizen. Inderdaad op zaterdag 22 September staan Luc en ondergetekende klaar om te vertrekken; maar deze keer zijn we met drie want onze kameraad en sportveteraan Alfred Schellens zal ook meereizen.  We pikken hem op in Katelijne en rijden omstreeks 10.30h richting Straatsburg. Om de trip zo efficiënt mogelijk te laten verlopen had Dina, de echtgenote van Luc broodjes klaargemaakt, die we op een parking in Luxemburg verorberen. Terwijl we de sandwiches opeten op de houten zitbank in een brandende zon krijgen we het gevoel dat we te midden een zomerse vakantiesfeer vertoeven; maar we moeten wel richting Straatsburg waar we onze inschrijving moeten bevestigen via een fysieke verschijning aldaar, om uiteindelijk te kunnen starten in een competitiewedstrijd over 210 km met aankomst op de top van de mythische Ballon d’Alsace; een rit meer dan een Touretappe waardig want het is een replica van een befaamde rit uit 1967 over 10 cols.  We komen aan in een mooi park, vlakbij het centrum van Straatsburg waar een rennersdorp naar het model van de Tour werd opgebouwd, want tenslotte is het diezelfde ASO, die de TOUR telkens in de maand juli organiseert. Fred bewaakt als begeleider onze fietsen terwijl wij ons aanmelden en meteen een enveloppe met rugnummer, enkelband en fietsplaat meekrijgen. De enkelband wordt elektronisch getest aan de volgende stand, waar een ouder Belgisch echtpaar ons toespreekt. Maar naast twee t-shirts met het wedstrijdlogo erop ontvangen we nog een tas die moet herinneren aan deze eerste editie. Daarna verlaten we Straatsburg om af te zakken naar het hotel waar we twee nachten zullen verblijven. Aangekomen in Rosheim maken we kennis met “Hostellerie du Rosenmeer”, een hotelcomplex met bijbehorend luxerestaurant, dat vlakbij de Elzasser wijnroute ligt. De artisanale keuken bewijst zich niet alleen door de grote keukenzaal die wij bemerken als we langs de achterkant het hotel binnengaan maar ook door de grote voorraad aan voedingsmiddelen die opgeslagen liggen in de kelders van hotel met inbegrip van circa 5 ton aardappelen van alle formaten en soorten. Vooraleer het “laatste avondmaal” te nuttigen verkennen we met de auto de eerste beklimming op het parcours, m.n. de “Col du Kreuzweg”. De beklimming is  14  kilometers lang , niet zo steil wat wel het geval is voor de afdaling. We maken rechtsomkeer vooraleer we terug in het dal zijn want tenslotte willen we nog een stevige maaltijd nemen na deze toch vermoeiende dag. Als Spartaans geïnspireerde schepsels nemen we het standaardmenu van de hotelgasten terwijl het aanpalende restaurant goed is volgelopen met chique volk. Wij zitten tussen een aantal gepensioneerde Franse hotelbezoekers en genieten van een lekker voorgerecht met vis. De sfeer zit er goed in aan tafel want het lijkt wel hoogzomer daar in de Elzas. Het is zo warm binnen dat we na de maaltijd nog een frisse neus halen op het aanpalend terras, waar we op een bank tussen de tuinverlichting mijmeren over wat komen gaat. Zo maken we een prognose voor onze rit van zondag met aankomst op de Vogezentop waar Merckx in 1969 reeds schitterde. We proberen de sportprestaties, die we als jonge veteranen nog aankunnen in te schatten. Onze opinie was dat we blij mogen zijn dat we de eerste test na circa 80 km overleven want de tijden werden scherp berekend. Rond elven is het hoogtijd dat we het bed induiken; Luc slaapt naast mij en Fred op een separaat bed achteraan de kamer; nadat het licht is gedoofd slapen we quasi onmiddellijk in want er wacht ons nog sportspektakel op zondag. Reeds om vijf uur gaat Luc zijn GSM af.  Wij trekken  meteen onze wieleruitrusting van onze club “WTC Berlaar” aan; terwijl Fred zich rustig klaarmaakt. Ik masseer intussen mijn oude spieren met behulp van natuurlijke massageolie. We verplaatsen ons naar het gelijkvloers waar een noodontbijt klaar staat, want het hotel is op zondag niet open en noch de eigenaars, noch het hotelpersoneel zijn aanwezig. We nemen wat brood en confituur en drinken het ananassap op wat in een glazen flesje voor ieder van ons klaar stond. Ik laat wat extra klontjes in een halve tas koffie smelten om wat extra energie op te doen. Om precies dertien minuten na zes vertrekken we met Fred aan het stuur van mijn Peugeot 607; nog 33 kilometer tot aan het vertrek geeft ons navigatiesysteem aan. Buiten is het nog pikdonker en niets laat vermoeden dat we hier straks in de buurt met de fiets voorbijkomen. Ik heb naast onze begeleider plaatsgenomen en tel elke kilometer af want het gaat trager dan verwacht vanwege een aantal stoplichten en om zeven uur klokslag is het vertrek voorzien. Fred maakt hier zijn reputatie als ervaren gids waar want hij weet op circa 100 meter van de startlijn nog te parkeren. Op het ogenblik dat we uitstappen horen we de speaker van dienst roepen; “encore treize minutes”. We nemen vervolgens onze fietsen van het rek en ik pomp mijn gloednieuwe rode achterbandje op tot een druk van 7 kilogram; de zenuwen gieren nu door mijn lijf want ik moet mijn drankbus nog vullen, maar precies 5 minuten voor de start sta ik samen met Luc gans achteraan in de rij van de groep met 2400 als hoogste rugnummer. De Tourorganisatie geeft meteen haar visitekaartje af want om zeven uur bij de start  heeft de donkere ochtend plaats gemaakt voor een mooie en warme ochtend. Precies drie minuten later geef ik de eerste pedaalstamp. Luc rijdt de eerste honderden meters een tiental meters voor mij uit want de straten in de Europese wijk van Straatsburg zijn breed en het peloton giert tegen hoge snelheid en breed verspreid over de baan de stad uit. Veel lokale bewoners moedigen ons reeds aan in de eerste kilometers op dit toch ongewone uur; maar het voelt goed van dit wielercircus deel te mogen uitmaken.  Ik heb mij definitief in het wiel van Luc genesteld, maar de snelheid is er zeker niet minder om. Na één uur hebben we 32 km op de teller staan; ik vraag aan Luc het tempo iets te matigen maar dat heeft weinig zin zolang we in het zog van een pelotonnetje rijden. Na circa 35 km koers stap ik snel af voor een noodplas en kruip daarna snel in het wiel van enkele achterblijvers die mij na enkele honderden meters terug in het wiel van Luc brengen. Na 37 km komen we aan een rond punt in de buurt van Andlau waar we onze begeleider verwacht hadden, maar hij is er niet en we concentreren ons op de eerste beklimming, die zodadelijk aanvangt. Eerst nog door de dorpskom van Andlau over de kleine kasseitjes, die we op zaterdag verkend hadden en dan richting top met weliswaar 13,9 kilometer klimwerk. We halen nog snelheden tussen 14 en 20 km per uur zodat we na iets meer dan 2 uur koers op de top aankomen. Van vermoeidheid heb ik geen last en ik laat mij als het ware naar beneden vallen in de afdaling, maar toch trap ik wat bij om enkele collega’s voorbij te snellen op het nieuwe asfalt; het geeft met name een goed sportgevoel om vrij als een vogel de diepte in te duiken en vooral een kick als mijn Koga tegen 70 km uur of meer over het nieuwe asfalt “vliegt”. Maar het besef dringt spoedig tot mij door dat nog veel klimwerk volgt en dat krachten sparen de boodschap is: dus laat ik mij wat uitbollen met als gevolg dat Luc gauw komt aansluiten. We rijden vervolgens richting Col de Fouchy, maar we rijden nog in het dorpje Villé, gelegen in het dal van het Vogezenmassief en dat in 1914 nog het decor was voor hevige gevechten tussen Fransen en Duitsers, maar nu het vertrekpunt naar een volgende col, deze loopt drie kilometer aan het steilere werk begint daarna met percentages tussen 6% en 7,5%. Maar zoals voorzien zijn de laatste 3 kilometer loodzwaar en Luc presteert het om toch een strak tempo aan te houden. Hij duwt met krachtige pedaalslag zijn  kroontje met 27 tanden rond. Onze snelheid is weliswaar gezakt tot 11 à 12 per uur, maar we rijden opvallend veel collega’s voorbij; op één kilometer van de top balt Luc de vuisten; hij heeft er niet alleen zin in maar bedoeld ook dat we zeker de eliminatielimiet halen bij de eerste bevoorrading. We dalen nu snel om nog 8 kilometer af te werken tot de bevoorrading, waar we hopen Fred te zien. Als we bijna beneden zijn op 2 kilometer van het voorlopige eindpunt gaat mijn mobieltje af, maar opnemen is te gevaarlijk en bel hem op als het bord ‘zone de ravitaillement’ in zicht is. Inderdaad, Fred is ter plaatse en dat is een hart onder de riem. Ik heb wel een beetje honger en probeer die te stillen na precies 3 uur en 19 minuten koers. Fred is goed gepositioneerd en vangt ons op; ik neem wat stukjes appelsien en ook twee stukjes banaan, die al wat verkleurd zijn door het warme weer.  Omdat Fred ons aanmaant niet te lang te dralen neem ik nog een reep mee in mijn achterzaak en vertrek tezamen met Luc.  Na enkele kilometers eet ik die reep gewoon op in de gedachte wat extra krachten op te doen, maar lang houdt die illusie niet staande want de reep wil opnieuw naar boven komen. Ik wil drinken van mijn gevulde bus, maar de sportdrank die met water en poeder was tot stand gekomen krijg ik niet meer naar binnen.  Plots voel ik mij bijzonder slecht; wat verderop giet ik mijn bus leeg terwijl een student mijn drankbus met publiciteit van ‘FERYN’ erop vult met leidingwater, in de hoop toch te kunnen drinken. Wat verderop heeft Luc last van krampen in zijn linkerbeen, maar we bijten door tot op de top van de Col de Ribeauvillé en dit na pas 95 km. We stoppen even om wat naar adem te happen, mijn benen doen het wel maar het lijf voelt slecht aan.  Ik herhaal tegen mezelf de boodschap van de dag tevoren, m.n. dat we het tweede eliminatiepunt absoluut willen overleven. We rijden richting Col de Fréland, die acht kilometer verder en 100 meter hoger ligt. Daar kom ik alleen boven, want ik wil niet forceren en heb Luc laten gaan; ik kan nu wat recupereren want de afdaling duurt 12 kilometer vooraleer de volgende beklimming eraan komt. Inderdaad er volgen 17 klimkilometers richting ‘Collet du Linge”; uiteindelijk moet er een hoogteverschil van circa 600 meter overbrugd worden. Ik begin eraan met enig wanhoopsgevoel maar bijt door op een constant ritme. Onderweg vult een vriendelijke Française mijn bus met flessenwater van het bekende merk Vittel en ze duwt mij nog af ook; in feite een moment waarop de oude krijger glorieert. Ik rij nu richting top van de ‘Col de Wettstein’, die eerst moet overwonnen worden om uiteindelijk het slotgedeelte richting laatste col voor de tweede bevoorrading aan te vatten.  Op één kilometer van de top zie ik bij een grote bocht tientallen collega’s stil staan na hun opgave met hun fiets in de hand; ik schep moed en rij richting top; nog circa 500 meter en ik zie de fotografen met dienst flitsen. Ik besef dat de rits van mijn truitje openstaat, maar dit is een noodzaak vandaag want het windbeschermende ondergoed is in feite te warm voor deze temperaturen.  Uiteindelijk kom ik boven met 129 km in de benen, na een voor mij moeilijk tweede gedeelte en vat de korte maar steile en gevaarlijke afdaling aan; waar we aangemaand worden de snelheid te matigen maar wanneer ik tegen 65 per uur naar beneden duik zie ik nogmaals flitsen afgaan, maar dat interesseert mij maar matig. Ik begin mij zowaar beter te voelen en een enthousiast orkest, opgesteld voor het plaatselijk dorpscafé blaast krachtige muzieknoten wanneer ik gans alleen voorbij kom, vlak na de afdaling. Nog enkele honderden meters en het tweede ijkpunt is in zicht; ik trap nu stevig door en kom slechts drie minuten na Luc aan; wat ik een hele prestatie vind gezien de omstandigheden. Aan de bevoorradingstand gekomen rij ik recht in de lens van mijn eigen digitale camera die Fred in zijn hand vast heeft. Ik wordt samen met Luc verteerd door verdeeldheid; met name of het goed voor ons geweest is of we door moeten gaan; we hebben nog 14 minuten reserve op het schema. Na overleg met Fred, die richting Ballon rijdt met de auto vertrekken we toch; Luc loopt iets harder van stapel want het constant op de tanden bijten kost extra krachten en dat laat zich nu voelen. Ik rij nog altijd door en twee derde van de koers zit erop. Graag had ik samen met Luc over de aankomststreep gereden maar dat zal moeilijk zijn want na 148,5 kilometer precies komt er een wagen van de organisatie naast mij gereden om mij te wijzen op 10 minuten reservetijd en het feit dat dit net niet voldoende zal zijn om de aankomst te halen tijdens het wedstrijdgedeelte. Ik besluit uit koers te stappen want ofschoon de benen niet kapot zijn is het lijf dat wel, wat niet verwonderlijk is met reeds 65 klimkilometers in de benen en met de zwaarste beklimming van de dag, m.n. de ‘Col de Platzerwasel’ nog in het vizier zou het misschien een Col teveel kunnen worden. Mijn ‘responder’ wordt afgenomen en mijn fiets in de aanstormende vrachtwagen geladen, terwijl ikzelf plaats neem in de bus met opgevers.  Amper twee kilometer verder zie ik mijn maat zoals verwacht terug. Luc heeft, zijn mentaliteit eigen het beste van zichzelf gegeven ondanks spierkramp en een weerbarstige linkerknie maar stapt zelfvoldaan en goedlachs de bus op; we zijn tevreden dat de inspanning erop zit voor ons na meer dan zeven uur fietsen. De bus recupereert nu hordes opgevers en er wordt langdurig halt gehouden bij de derde bevoorrading in ‘la Bresse’. Daarna zou de bus doorrijden tot op de top van de ‘Ballon d’Alsace’. Maar dat laatste lukt niet want de bus mag om veiligheidsredenen niet op de berg. Noodgedwongen maakt de bus een ommetje van circa 80 kilometer, maar dat loopt slecht af want er is onderweg file maar ook de beklimming is steil na het bekende dorpje MASEVEAUX zodat wij pas na 19.00h s’avonds arriveren. We zijn dolblij onze Peugeot langs de kant van de weg te zien staan,want Fred had de aankomst van de laatste overlevenden meegemaakt en voor ons zelfs twee maaltijdpakketten opgepikt, alsook één voor hemzelf. Fred is namelijk een soldaat van vele oorlogen en zowel in de sport als het volkse leven heeft hij zijn strepen verdiend en die sociale vaardigheden komen hem hier van pas. Na onze fietsen gerecupereerd te hebben voert Fred ons richting hotel in Rosheim, maar dit zal nog twee uur in beslag nemen want onze boordcomputer wijst nog 153 km te gaan aan en in die omgeving loopt het verkeer so wie so traag. Goed dat we ook nu het hotel gereserveerd hadden want het is erg laat vooraleer we na een warm badje in ons bed terechtkomen. De sfeer zit er ook nu goed in want we hebben het stokbrood met beleg verorbert, wat blijkbaar de recuperatie bevorderd heeft. Ook s ’anderendaags zet het herstel zich verder; het is dan maandag en één dag na de eerste ‘ETAPE DE LEGENDE‘ ooit. We zetten ons neer in het restaurant en schuiven aan langs het buffet om zo wat extra calorieën op te slaan. Inmiddels schotelt de bazin van het hotel ons een volle pagina voor uit de regionale krant terwijl ze vraagt hoe het met ons is afgelopen. We lezen een verklaring van wielerlegende  Laurent Jalabert, die ook deelnam als voorbereiding op zijn triatlonavonturen en betrokkene was verrast door het loodzware parcours.  We voelen ons nu geestelijk en fysiek heel goed en tevreden dat we in een fantastisch sfeer dit wielerevenement hebben mogen meemaken. We genieten van een heerlijk ochtendbuffet terwijl we rustig de gebeurtenissen van zondag overlopen. Van maagproblemen of stramme spieren is geen sprake meer en ik zet mij een uurtje later zelf aan het stuur om Fred in Luxemburg tot bij zijn werkgever te brengen. Het bekende tweetal zakt nu af richting Vlaanderen, waar we in de wintermaanden de basis zullen leggen voor een nieuw wieleravontuur.     Lambrechts Eduard Lier, 14 Oktober 2007 Copyright GCV Lambrechts

Eduard Lambrechts
1 0

Vitaminen voor klimtalent

Vitaminen voor klimtalent (het jaar 2005)    We waren naar de Vogezen gekomen om de Ballon d’Alsace te beklimmen, want namen trekken nu éénmaal aan, maar omdat ons hotel in Le Tholy gelegen was (ongeveer 13 km van Gérardmer) zagen we af van een tocht die meer dan 160 km zou duren. Dan maar overgestapt op tochten die we vooraf hadden uitgestippeld, met vertrek vanuit ons minikuuroord, vlakbij de Col de Bonne Fontaine. Op zondag 29 Mei omstreeks 10.15h met een schitterende zon aan de hemel draaien we dan richting Gérardmer; eerst drie kilometer afdaling en dan gedurende 10 km lichtjes bergop tot aan het meer. Vervolgens rijden we langs het meer heen richting Bas-Rupts. Het is de bedoeling de D486 te volgen tot in La Bresse. De eerste echte klimkilometers komen er nu aan en zoals altijd zet Luc zich op kop want hij weegt toch lichter dan ikzelf. Na circa drie kilometer komen we boven op de Col du Haut de la Côte, de voorloper van de Col de Grosse Pierre, die we aanvatten na een korte afdaling (eerste col in de zware Vogezenrit van 10 juli dit jaar). Deze col is al wat zwaarder met een maximumstijgingspercentage van 7%. Na enkele kiekjes genomen te hebben boven op de top, vatten we op een mooie weg de afdaling aan richting la Bresse. Ik probeer nog in het spoor te blijven van enkele motorrijders, maar tevergeefs. We hebben er circa 30 km opzitten en de klok staat bijna op 12.00h en we besluiten een noodzakelijke bevoorrading te organiseren in het centrum van la Bresse. Terwijl de marktkramers zich opmaken voor de terugtocht zetten wij ons neer op een terras van een koffiehuis. We besluiten beide een pannenkoek met suiker te eten. Mijn neef Luc drinkt Perrier terwijl ikzelf thee bestel aan de waardin en eigenares op leeftijd. Na enkele minuten komt de dochter met gedurfd topje ons bedienen en wij genieten van de zonnestralen, ofschoon de heuvels in de verte al een schakering vertonen. Na een kwartier vragen we de echtgenoot van de waardin om uitleg want hoewel we zelf een gedetailleerde kaart bij ons hebben op A4-formaat is het niet duidelijk hoe we de Col de Bramont moeten bereiken. We draaien omheen het grote ronde punt links van het koffiehuis en volgen een vijftal kilometer de D34 en zien zoals voorspeld door de waard het bordje met de naam van de col erop. We draaien nu rechts richting Col de Bramont en na drie moeilijke kilometers bereiken we de top van de Col die ook in juli de renners moeten torsen. Bijna op de top roept Luc mij toe “het regent verdomme” en inderdaad enkele druppels komen neergestreken en vooraleer de afdaling in te kunnen zetten barst er een onweer los en zetten we onze fietsen tegen een hele grote eik. Beiden hebben we een rugzakje mee, waarvan we ons ontdoen om ons regenvestje te kunnen nemen. Er is nu een hels onweer losgebarsten met bliksem en donder als mokerslagen. Een wandelend Frans koppel probeert ons moreel op te krikken door een foto te nemen van ons beiden voor het bord met de naam van de col erop en de hoogte die 956 meter bedraagt. Na bijna een uur wachten onder de immens grote bomen brengt een fietsende Koreaan ons een blijde boodschap. Hij komt langs de andere kant de col opgereden en wijst ons in  het engels erop dat het niet regent in het dal. Hij kraamt nu enkele engelse slagzinnen uit waaruit we begrijpen dat hij met éénzelfde fiets rijdt dan het CSC-team waarvan Yvan Basso de kopman is voor de Tour. We trekken ons niets meer aan van de enkele druppels die nog uit de lucht vallen en vatten voorzichtig de afdaling aan en wonder bij wonder, na slechts 300 meter is het wegdek kurkdroog. In razende vaart vervolgen we onze weg op de D13 richting Wildenstein. We zijn net 8,5 kilometer terug op de fiets en nadat we het enige dorpscafé voorbij zijn breekt een hels onweer los, schijnbaar nog erger dan wat we net onder de bomen getrotseerd hadden. We knijpen wel de remmen dicht maar vinden niet direct een schuilplaats. We staan nu beiden onder een veel te kleine boom en dreigen nat te worden. Ik loop naar een aanpalend huis waar ik onder een klein afdakje aanbel en na enige aarzeling een slecht geschoren Fransman opendoet. Hij geeft te kennen dat we onder het afdak van zijn niet meer in gebruik zijnde schuur kunnen schuilen. Luc haalt nu ook onze fietsen naar het afdak waar we ons wat moedeloos op het beton neerzetten. Ik trek zelf een droog T-shirt aan maar na meer dan een uur wordt ik wel nerveus want we moeten nog bijna 70 km afleggen en we worden tussen 7 en 8 s’avonds in het restaurant van het hotel verwacht voor het avondmaal. Ik stel aan Luc voor om 16.30h als deadline te stellen want we moeten toch weg uit dit niemandsland want we zien zelfs in de verte geen huis meer staan. Nog tot 16.20h hebben we de forse regen getrotseerd en zijn auto’s, moto’s en zelfs de fietsende Koreaan voor onze ogen voorbijgereden. Het regent nog wel wat maar in de richting van de afdaling, die nog niet helemaal ten einde was zien we enige opklaring en tegen beter weten in stappen we op de fiets. De eerste drie kilometer zijn zwaar want het wegdek is kletsnat en het blijft lichtjes regenen. Ik heb zo hard doorgetrokken dat ik 100 meter voorsprong genomen heb op mijn fietsmaat maar zoals gewoonlijk wacht ik hem op aan het punt waar we links af moeten afslaan richting Le Markstein. Le Markstein is een zeer bekend punt voor echte wielerfanaten want daar lopen drie wegen samen die allen leiden naar de top van de Col du Grand Ballon, de hoogste Vogezentop (die ook de renners zullen doen in de Tour van dit jaar). Onze derde Rondebeklimming is nu aangevat en op het bordje staat er 14 km aangegeven. We zeggen niets tegen elkaar omdat we beseffen dat deze klim veel van onze krachten zal vragen en hoewel de regen gestopt is blijft het wegdek toch nat. Ik zet mij nu op kop, terwijl Luc dat gewoonlijk doet, omdat hij een uitstekende temporijder is. Luc trapt nu 39X26 als versnelling terwijl ik tracht de beklimming rond te maken met 30X21. Af en toe maak ik een klein gaatje omdat ik niet zo goed de kunst versta om een egaal tempo te ontwikkelen en nerveus de beklimming aanvat want ik zie ons al na achten volkomen uitgeput aankomen in het hotel en het avondeten aan onze neus voorbijgaan. Toch wacht ik Luc telkens op want hij heeft wat last van de luchtwegen en rijdt dus niet op 100% van zijn krachten. Twee kilometer voor de top vul ik mijn drinkbus nog snel bij want mijn lichaam schreeuwt om vocht. Ik heb gelukkig nog een halve liter sportdrank op overschot in mijn rugzak, die ik snel overgiet in mijn bus. Het venijn zit in de staart zegt het spreekwoord en dat is op deze col niet anders want de laatste twee kilometer, die we beiden gelijk aanvatten zijn verschroeiend, vermoedelijk omdat er sleet komt op de spieren van de twee veteranen hier aanwezig.  Naar mijn hartslagmeter, die ik voor de eerste keer gebruik kijk ik nu niet meer ofschoon die zelden boven de 150 is uitgekomen, wat mij wel positief verrast. Het is een opluchting om na bijna een uur na het vertrek uit ons schuiloord boven op Le Markstein aan te komen. We zijn nu aangekomen op 1190 meter en in normale omstandigheden hadden we snel de 6 kilometer lange beklimming richting Grand Ballon gedaan (een jaar eerder was Luc daar met goede benen als eerste boven gekomen) maar de tijd verhindert ons dat. Het is nu circa 22 graden, het wegdek is volledig droog en we besluiten snel een cola light te drinken in één van de twee grote tavernes daar. Een Fransman probeert ons nog te overtuigen het plaatselijke museum te bezoeken middenin zijn zaak, hij zegt tot twee keer toe dat de echte koersfiets van Richard Virenque er te bewonderen is, maar we houden de boot af; het is bijna 18.00h en Virenque heb ik nooit echt vereenzelvigd met de grote ronderenners zoals Merckx, Hinault, Indurain,Van Impe e.d. Hij roept mij eerder herinneringen op als vooraanstaand epogebruiker en een renner die ze laten rijden als hij weer van bij de start was weggesprongen. Het was blijkbaar geen goed idee om een cola light te drinken want we hebben nog 22 km voor de boeg richting Col de la Schlucht en dat is afwisselend dalen en klimmen, wat enorm veel krachten vraagt. Luc maakt nu fors tempo op de kleine maar scherpe klimmetjes terwijl ik blijkbaar door mijn beste krachten heen zit. De rollen zijn nu omgekeerd en ik zit nu voortdurend aan het wiel van Luc. We stoppen nog snel twee keer om een paar foto’s te maken want zowel temperatuur als panorama zijn nu perfect.  Tijdens de laatste korte stop eet ik de laatste koekjes op die in mijn achterzak zitten in een poging om alsnog wat energie te vergaren. Er ligt zelfs nog wat sneeuw langs de weg want er zijn belangrijke skipistes in deze buurt, maar we laten ons niet afleiden door de enkele toeristen die we op onze weg nog tegenkomen want we doen er alles aan om nog op een aanvaardbaar uur in het hotel aan te komen. Ik neem trouwens tijdens de laatste korte stop telefonisch contact op met de eigenares van het hotel met de belofte dat we tegen kwart na acht zouden arriveren en we doen er dan ook alles aan om die doelstelling te halen. Na precies 22 km kruisen we de klim richting Col de la Schlucht en draaien links af op de D417  zodat we de afdaling richting Gérardmer inzetten; na twee kilometer licht bergaf begint bij het bord 13 km de echte afdaling. We stuiven nu naar beneden en met mijn 80 kilogram lichaamsgewicht ga ik steeds als eerste de afdaling in, want dat is een afspraak die ik met Luc heb. Ofschoon het wegdek daar nog niet helemaal droog is haal ik toch meer dan 67 km per uur want beneden wil ik absoluut een klein filmpje maken van Luc met mijn digitale Sony. Ik slaag er net op tijd dat te doen mede dankzij de voorzichtige aanpak van Luc. Dan rijden we wiel in wiel naar het hotel en nemen afwisselend de kop. De koekjes hebben blijkbaar gewerkt want we halen nu bijna 40 per uur op een licht afhellend parcours en ik blijf gas geven tot wanneer we het meer verlaten; dan neemt Luc weer over want we moeten nog 3,5 kilometer de Col de Bonne Fontaine op als laatste hindernis richting hotel. Uiteindelijk arriveren we om precies 20.10h aan het “Hotel de la Grande Cascade”, dat duidelijk recent in het geel geschilderd werd; de eigenares zou ons nog diezelfde avond vertellen dat het hotel door de organisatie van de Tour werd afgehuurd voor de nacht van 9 op 10 Juli, vlak voor de zware Vogezenrit. Welke ploeg er zou komen was ook voor haar nog een geheim. Het voorgerecht was niet lang een geheim die avond want het stond reeds klaar als we ons bij het raam neerzetten aan onze vaste tafel in het restaurant. Als hoofdgerecht eten we smakelijk calorierijk schapenvlees om het zware verlies energieverlies na een rit van 113 km over een moeilijk parcours beter te verteren. En dat zijn geen holle woorden want in de avonduren genieten we nog van een lokaal biertje (Meteor) in het uitgangscentrum van Gérardmer waar Franse dames luchtig gekleed met hun minnaars de nacht voorbereiden en waar het idee voor deze sportieve literaire oefening is ontstaan dankzij neef en soulmate Luc.   Vitaminen voor klimtalent - vervolg  (2006)     Gezien de ervaringen van 2005 hadden we deze keer een slaapplaats uitgezocht in Wildenstein, een klein dorpje gelegen op de D 13BIS wat we ons voornamelijk herinneren vanwege het langdurig schuilen vorig jaar toen we op weg waren naar ”Le Markstein”. Deze keer was ons vast voornemen de Ballon d’Alsace te beklimmen; tenslotte had ik samen met mijn vrouw en dochter Astrid de renners nog aangemoedigd tijdens de laatste Ronde van Lance Armstrong in 2005 en alle wielerliefhebbers van mijn generatie zullen zich zeker nog het Tourexploot van Eddy Merckx herrinneren op de Ballon, want daar legde Eddy de eerste steen voor een jarenlange overheersing van het rondewerk. Deze legendarische Col wilde ik samen met Luc dus te lijf gaan op donderdag 22 juni. De weervoorspellers waren het er allen over eens dat het een zonovergoten dag zou worden en omstreeks 10.45h vertrekken we vanuit het hotel richting Kruth, nadat Luc achteraan en ikzelf vooraan onze fietsen van een nieuwe buitenband hadden voorzien. Na 11 kilometer draaien we linksaf op de N66, bekent bij iedere Vogezenkenner. Na precies 21 kilometer draaien we af aan het bord “ Col du Hundsruck”. Ik controleer nog even mijn kleurenkaartje op A4-formaat dat in mijn rennerstruitje zit en merk dat we inderdaad op het goede spoor zitten. Luc neemt  zoals onze ongeschreven afspraak het voorschrijft de kop en weg zijn we voor de eerste beklimming van de dag. Al snel wordt het steil want Luc gebruikt noodgedwongen zijn 26 achteraan en tracht het tempo egaal te houden waarin hij altijd weer slaagt. Er is een geweldige tegenwind opgestoken en na circa 7 kilometer klimmen, komen we boven in de druilerige regen. We zijn beiden geschrokken van de moeilijkheidsgraad en het zweet loopt vanonder onze helm  naar beneden. Luc was toch geschrokken van de lastige klim en accepteert mijn voorstel om volgend jaar vooraan een blad met 39 kronen te laten monteren i.p.v. 42 nu; tenslotte zitten we beiden in de categorie van de veteranen. Ik trek zoals gewoonlijk mijn plastic jasje aan teneinde geen kou te vatten en we vragen een Fransman een foto te nemen voor het bord waarop de naam van de Col staat geblokletterd, doch achteraf merken we dat die fransman geen kaas had gegeten van digitale camera’s want er staat gewoon niks op.  De bedoeling was in Maseveaux halt te houden voor onze klassieke rustpauze en we rijden tot in wat op hoogdagen een drukke winkelstraat moet voorstellen. De straat is smal maar bijzonder netjes opgeruimd maar toeristen zijn er op dat ogenblik niet te bespeuren althans die zitten zeker niet op een van de terrasjes want wij nemen plaats voor een mooi restaurant met taverne en een dame die blijkbaar de kwaliteit van het etablissement moet uitstralen staat ons te woord. We bestellen uit noodzaak thee en fruitsap want het prestigieuze huis had duidelijk niet gerekend op toerisme vandaag want geen cola light noch ice tea in de ijskast. We werken elk een energiereep met kokos alsook een graanreep met bosvruchten naar binnen want tenslotte moet het zwaarste klimwerk nog komen. Gezien de mislukte fotosessie van hedenochtend vraag ik tot twee keer toe de hoffelijke Française om een kiekje te nemen maar blijkbaar is er op de eerste verdieping een feestje aan de gang dat alle aandacht vraagt en we besluiten te betalen en ons klaar te maken voor vertrek. Terwijl ik mijn geldbeugel orden wordt Luc aangesproken door een Hollander gevolgd door drie landgenoten. Het blijken twee koppels op pensioen die genieten van hun rente maar wegens gebrek aan zonneschijn door de straten aldaar slenteren. De man in kwestie polst naar het aantal kilometer dat we nog moeten doen, waarop Luc repliceert “ nog 70 om zo op circa 100 uit te komen”. De man schrikt en zegt: “er is gisteren een Nederlander van 23 aan een hartstilstand overleden tijden het fietsen”. We kunnen duidelijk aflezen op hun gezicht dat ze het blijkbaar niet zien zitten dat wij ons zo afbeulen op de Vogezencols. We vragen of zij wel een foto kunnen nemen van ons twee wat met veel enthousiasme ook gebeurt. Vervolgens vragen we om na te kijken of de foto er wel goed uit ziet waarvan de dame in kwestie schrikt want zij kon niet geloven dat een directe controle mogelijk was; maar het blijkt al dadelijk waarom want zij vraagt ons een foto van hun vieren te nemen met een verouderde analoge camera. Blijkbaar is hun pensioenrente niet zo hoog ofwel dragen zij nog altijd de zuinigheidsrichtlijn van hun voorouders uit. Na door de straten van Maseveaux te hebben gereden rijden we plots in het spoor van een groepje wielertoeristen die duidelijk gewapend zijn om ook de Ballon d’Alsace te lijf te gaan. Na enkele kilometers blijkt dat het groepje gevolgd wordt door een rode Renault Scenic met twee oudere dames erin. Het blijkt een organisatie van TC de Pinte. Luc wil graag in groep naar boven rijden maar ik vraag toch even te stoppen vooraleer de beklimming aan te vatten want het worden lastige kilometers want enkele honderden meters voorbij de plashalte rapen we enkele andere veteranen op die duidelijk ons tempo niet kunnen volgen maar de groep wielertoeristen is nu helemaal uit elkaar gevallen want in de verte zien we de jongere elementen uit de groep al verderop in de klim. Luc voert nu weer het tempo aan en ik nestel mij weer in het wiel. De beklimming wordt alsmaar lastiger en voor het gebrek aan trainingsarbeid tijdens de wintermaanden moet ik nu wel boeten want ik krijg het lastig en ik zie af, maar bijt door. Ik tel dan ook langzaam de kilometers af die aangegeven staan op de paaltjes rechts van ons in het gras. Ik zie het bordje twee kilometer maar mijn rug is nu ook slachtoffer van deze robuuste Vogezencol  want de pijn is niet meer te harden; want ondanks vijf massagebeurten bij een plaatselijke massagebeul in Lier de week voor ons vertrek moet ik nu noodgedwongen loslaten; de benen willen nog wel maar de pijn is zo indringend dat ik besluit het tempo te milderen om het vervolg van onze fietsvakantie niet in gevaar te brengen.    Ik kom nu op een kruispunt en het lastigste deel van de col is nu achter de rug maar de top is nog circa twee kilometer af. Ik heb intussen gezelschap gekregen van een Vlaamse wielertoerist en samen rijden we op een minder stijl stuk; ik geraak nog tot op vijftig meter van Luc, maar forceren heeft weinig nut want er staat nog maar 55 kilometer op de teller en we moeten nog een eind door. Het idee was om op de top iets te drinken en te genieten van het panorama maar de weergoden hebben anders beslist want we rijden in de mist naar de top toe en we worden ook bestookt met lichte druilregen. Als ik afstap contrasteert dan ook mijn zweterige lichaam met de onverwacht lage temperatuur. Ik neem dan ook mijn rugzakje en trek een droog T-shirt aan bovenop mijn koersonderlijfje, ook met oog op de afdaling, waarbij mijn rode plastic jasje een zekerheid is. Bovendien heb ik het jasje speciaal behandeld voor de afreis zodat het ook als regenjasje kan gebruikt worden. Luc wil ook zijn regenjasje aantrekken maar een lieve grijzende dame die de wielerclub uit de Pinte volgt bied zich spontaan aan als fotograaf want vele jaren hebben wij alleen maar foto’s gezien op het internet van fietsende wielertoeristen die fier poseren op de top van de Ballon d’Alsace. Nu staan we er zelf en ofschoon het redelijk koud is zijn we toch tevreden van onze prestatie en Luc heeft weer eens getoond hoe sterk hij is. Aangezien het wegdek stilaan nat wordt besluiten we onmiddellijk na de kleine fotocessie de afdaling in te zetten. Ik laat mij nu naar beneden zakken richting Maurice sur Moselle in de hoop in het dal de zon terug te zien. Mijn snelheid situeert zich tussen 55 en 65 kilometer per uur maar voluit gaan durf ik toch niet, maar na circa elf minuten kom ik beneden aan op de plaats waar ik de renners vorig jaar heb opgewacht samen met Monique en Astrid, toen ze langs de andere zijde de col opreden richting Mulhouse. Beneden is de temperatuur wel iets hoger maar het dreigt nu echt te gaan regenen maar noodgedwongen wacht ik anderhalve minuut op Luc die nu ook zijn gele regenjasje heeft aangetrokken. We draaien nu rechtsaf op de N66 richting Col du Bussang maar na enkele honderden meters houden even stil aan een bushokje op verzoek van Luc. Na nauwelijks een drietal minuten stopt het met regenen en we vervolgen de weg richting laatste col van de dag want we beklimmen gelukkig de col du Bussang langs de makkelijkste zijde; de afdaling is weliswaar hels maar op een mooie brede weg. Ik zit bijna steeds boven de zestig per uur en terug op het vlakke gekomen begint zowaar de zon te schijnen. We bergen dan ook onze regenjasjes op en vervolgen onze weg tot op het kruispunt waar we vanochtend de N66 zijn opgereden en draaien nu linksaf richting Kruth en dus ook richting hotel. Net de weg ingeslagen maan ik Luc aan tot stilstand om een Franse krant te kunnen kopen. Buitengekomen bel ik met mijn mobieltje een vriend die blijkt aan de Belgische kust in goed gezelschap te zijn en bovendien een Duvel te drinkt. Nu vatten we de laatste kilometers aan en bereiken omstreeks 17.30h het hotel. Na een plons in het bad van ons bescheiden hotel gaan we richting bijbehorend restaurant waar we bijna alleen zitten want na enige tijd komt er nog een man aanzetten die alleen aan een tafel plaats neemt maar andere gasten zijn niet te verwachten want donderdag is de wekelijkse sluitingsdag van het restaurant. We krijgen droge pasta met schnitsel  aangerukt en daar is mijn fietsmaat niet zo happy mee. Gelukkig is er de dessertkeuze die voorziet in een authentieke chocomousse die we de dag van onze aankomst al geproefd hadden maar we die we vandaag wegens te zwaar links laten liggen. We werken het menu zoals volgzame Vlamingen past helemaal af inbegrepen twee literflessen bruisend water want tenslotte hebben we veel vocht verloren tijdens onze tocht. We hebben geen zin om s’avonds WK-voetbal te kijken en nemen we na het avondmaal de auto en rijden via de col du Bramont naar La Bresse, de bedoeling is wel een stuk van het parcours van de volgende dag te verkennen alvorens een plaatselijke kroeg in te duiken. We arriveren uiteindelijk in het centrum van La Bresse om daar ‘Bar Le Slim’ in te duiken. Binnengekomen besef  ik daar de vorige zomer met vrouw en kind ook vertoefde  maar toen zat dit mooie café helemaal vol om de aankomst van de Tourrit naar Mulhouse te volgen terwijl nu in de aanpalende zaal er niemand kijkt naar het grote scherm waar Brazilie tegen de WK-bal trapt maar dat is uiteraard geen spek voor de bek van het Franse publiek. We zetten ons aan een tafel en terwijl ikzelf een fruitsapje bestel drinkt Luc een pilsje van het merk Kronenburg 1664. Een jong koppeltje achter ons besteld Maredsous, althans dat had ik begrepen want tenslotte zijn we  in  een klein Vogezenstadje en niet in Vlaanderen. Ik sta dan ook recht en ga de tapkast bekijken en merk dat naast de klassieke pils er ook Maredsous met een alcoholgehalte van 6 graden getapt wordt; Duvel wordt er ook verkocht maar wel voor 3,80 EUR wat duidelijk geafficheerd staat boven de lange toog waar duidelijk enkele liefhebbers van Belgische bieren hebben plaatsgenomen en zij drinken naast pilsbier ook trappist van Orval en Brugs witbier. Maar tegen onze gewoonte in gaan we de nacht in met elk een oerfranse Perrier teneinde het opgelopen vochtverlies definitief te compenseren. Maar aan het hotel gekomen wacht ons  een verrassing; want in tegenstelling tot de afspraak die we gemaakt hadden met de vrouw van de eigenaar-kok is de deur van de receptie achteraan het hotel op slot. We zijn licht in paniek want er is geen licht te bespeuren in de kamers van het hotel en besluiten aan te bellen bij de buren. Een jongen van vijftien maar met het gewicht van een zwaargewichtbokser doet de deur open en na mijn noodkreet haalt deze er onmiddellijk zijn vader bij. Het is duidelijk dat de twee naaste bloedverwanten zijn want zijn vader kan de strijd aanbinden met elke sumoworstelaar en deze trekt snel een T-shirt aan om met mij naar het hotel te wandelen. Hij roept alsmaar en zeer krachtig; Christian, Christian; blijkbaar de voornaam van de eigenaar die blijkbaar in het in onbruik geraakte deel van het hotel woont met zijn vrouw en twee kinderen. Hoe hard de galm van deze imponerende man ook weerklinkt; er komt geen reactie ofschoon we duidelijk schemerlicht zien in wat het appartement van de eigenaars moet voorstellen.  De man is ten einde raad en geeft mij het advies te claxonneren met mijn autoclaxon; wat ik dan ook doe. Luc die bij de deur heeft plaatsgenomen hoort Christian nu naar beneden komen en met de “smile” van een Fransman die net de Tour gewonnen heeft opent hij de hoteldeur. Het is 23 juni s’ochtends; we eten weer stukjes Frans brood met een droge koffiekoek zoals gisteren; blijkbaar hebben we het meest sobere hotel uit de streek uitgezocht; gelukkig voor ons gaat dit ook gepaard met een sobere prijszetting. We vertrekken omstreeks 10.00h onder een stralende zon. Na zeven kilometer draaien we rechts af richting de Col d’Oderen. Amper een kilometer verder begint de klim en Luc zet algauw weer in het goede tempo en we zijn vertrokken voor circa zeven kilometer bergop. De zon brandt nu als het ware op onze hoofden en ik zit algauw de zweetdruppels op Luc zijn aangezicht verschijnen. Tot twee keer toe worden we geconfronteerd met wegenwerken. De tweede keer worden we als het ware begeleid zolang we langs een strook rijden waar nieuw asphalt wordt aanlegd want tenslotte rijden we langzaam bergop en aan de overkant wachten ongeduldige franse chauffeurs.  Terug op de normale baan merken we dat ook daar het asfalt eivers is; we voelen nu de straatbedekking aan onze wielen kleven en Luc geeft het sein af te stappen. We kijken naar onze wielen en merken dat stukjes asphalt zich aan onze dunne bandjes gehecht heeft. Ik probeer met een stuk textiel wat ik uit mijn rugzakje haal de bandjes weer schoon te vegen, maar dat blijkt een hopeloze onderneming. Ik stel voor met gras een poging te wagen maar het gras is schaars langs de kant van de weg en doe een verwoede poging met wat wij klasseren onder de noemer van konijnenvoer en jawel het blijkt te lukken want door steeds weerkerend wrijven wordt het rubber nat gemaakt en komt het kleverige asfalt stilaan los.  Als we terug op de fiets stappen blijken we amper 500 meter van de top te zijn en na opnieuw een inspectie van onze bandjes vatten we toch de afdaling aan. Het is nu bloedheet en zetten onze tocht verder richting Cornimont. Als we echter in Ventron aankomen stop ik spontaan aan een krantenwinkel maar in plaats van een krant te kopen koop ik twee ansichtkaarten van de streek. Naast de winkel is het postkantoor gevestigd en plak er  twee bijbehorende zegels op. Nog snel een boodschap voor mijn vader en een trouwe vriend en we zijn weer weg; althans dat was de bedoeling want ik wil de ketting van mijn “triple” vooraan op het grootste blad leggen aangezien het verder licht bergaf gaat, maar dat lukt niet meer.  De hendel aan de linkerkant van mijn stuur waar ik het versnellingsapparaat bedien lijkt wel geblokkeerd. We besluiten evenwel eerst af te dalen en dan nog eens een poging te wagen maar als we rechts zijn afgedraaid richting  Cornimont en La Bresse legt Luc de ketting met de hand op het middenblad, want het is nu licht bergop.   We genieten in taverne “Le Slim” van thee en cola en verorberen alle repen die we in onze rugzak hebben want we  hebben besloten ons parcours nog wat bij te stellen. Die ochtend hadden we in het hotel met de enige andere gast gesproken en het bleek een Westvlaming die een week in het hotel verbleef om te genieten van een fietsvakantie en hij kende de streek als het zeemvel van zijn fietsbroek want hij deed de vakantie van vorig jaar gewoon over. Daarom hadden we besloten na de Col des Feignes ook verder door te rijden naar de Col de la Schlucht om zo via “Le Markstein” naar Wildenstein te rijden.  In de taverne vragen we echter het adres van de dichtstbijzijnde fietsenzaak teneinde mijn nieuwe maar gehavende ”Specialized” onder de loep te nemen.  Aangekomen in de dorpskern zetten we ons voor de vitrine waar blijkt dat de zaak pas om 14.00h open gaat; terwijl het circa 13.20h is op onze klok. Luc is altijd pienter en hij merkt dat iemand langs de achterkant de zaak wil binnenkomen en we snellen naar hem toe en wat wij vermoeden bleek waar; het was de mecanicien zelve. Hij stelt vast dat de stalen kabel die het versnellingsapparaat moet aansturen vast zit in de behuizing en tien minuten later zijn we weer vertrokken. We draaien even terug en draaien rechts de D34 op richting Col des Feignes. De eerste kilometers zijn niet zo steil en ik gebruik deze keer een veel grotere versnelling dan Luc. We transpireren hevig want de zon staat loodrecht op onze hoofden en we glijden over het wegdek tegen 12 tot 14 per uur. Ten behoeve van de Tourdoortocht in 2005  had het wegdek een  nieuwe slijtlaag gekregen.  We zien vooral namen van lokale renners op het wegdek geschilderd en deze van Jean-Patrick Nazon steekt er qua oppervlak helemaal bovenuit. Het wordt nu alsmaar stiller want huizen of auto’s zijn hier niet meer te bespeuren. We naderen nu “Le Lac de Lispach” waar we nog uitsluitend het geruis van onze fietsen horen en af en toe het zachte gekreun van twee veteranen die hun benen afwisselend soepel en stampend bewegen. Na dit bijna mystieke plekje rijden we nog een eindje verder bergop om zo de top van de Col des Feignes te bereiken die ironisch genoeg iets lager ligt. We maken nog even een babbeltje met een Duitse geestesgenoot en draaien links af richting D417. Aan het kruispunt gekomen draaien we uiteraard rechts en het is nu twee kilometer stevig klimmen, vervolgens draaien we de D430 op richting “Grand Ballon”, maar zover laten  we het vandaag niet komen, want we hebben mekaar beloofd de meest duistere klimmetjes van de Vogezen te bestormen en met de beklimming van de Col du Hohneck doen we dat letterlijk en figuurlijk want eens links afgedraaid aan een mooie taverne rijden we op een zeer slecht wegdek vol gaten al kreunend omhoog want het stijgingspercentage doet hier eerder denken aan de Berendries of de Taaienberg. Het is twee kilometer precies vooraleer we de top van 1366 meter bereiken. Het staat er vol zware motoren en hun bestuurders en we maken van de gelegenheid gebruik om even uit te rusten. Ofschoon  beneden in het dal vermoedelijk de temperatuur hoog oploopt is het zelfs frisjes maar we genieten van de skipistes waar zelfs nog sneeuw ligt en de top van de Grand ballon evenals  het Schwarzwald aan de overkant van de grens zijn in zicht.  Als we afdalen moeten we voortdurend de remmen dichtknijpen om niet uit de veel te smalle bochten te gaan, maar nog circa 16 kilometer en we komen in ” Le Markstein” aan waar zovele wielerliefhebbers stoppen voor een oponthoud of zoals wij genieten van het mooie panorama en beseffen dat het telkens weer zwoegen is om hier te komen; op dit plateau van circa 1100 meter hoogte. Na een frisse cola genieten we van een zalige afdaling richting Wildenstein, waar ons hotel op ons wacht na weer meer dan 90 kilometer op de teller; eerst een korte knik en dan liefst bijna dertien kilometer bergafwaarts op een breed wegdek. Ik probeer de kaap van de 70 per uur te halen maar het lukt net niet maar toch genieten we van deze vogelvrijheid en hopen volgend jaar terug te keren naar dit fietsparadijs.     Lambrechts Eduard Lier, Juni 2005 en 2006 Copyright GCV Lambrechts      

Eduard Lambrechts
0 0

Bom Dia

In Portugal, Italië of Spanje stap ik onder een stralende zon in het vliegtuig en in ons land stap ik er onder de ‘drache nationale’  weer uit. Het waren de woorden van een bevriend zakenman die er aan toevoegde dat het tijd werd  om een beslissing te nemen.  Met wat de fiscus hem hier afhandig maakte kon hij in Portugal een riante villa kopen. Een tijdje later voegde hij de daad bij het woord. Om ter plaatse naar een geschikt onderkomen op zoek te gaan, huurde hij in de winterperiode een vakantieverblijf. Het optrekje was een enorme villa met een zevental kamers en badkamers en een zwembad.  Inbegrepen in de huurprijs  was ook een bediende die er dagelijks kookte en de was en de plas deed. Wij kregen al snel een aanbod dat wij niet konden weigeren om met  onze twee dochters enkele weken het gure decemberweer in ons landje te ontvluchten. Ter plekke begeleidden wij onze vrienden soms bij hun zoektocht naar een geschikte woonst.  Het was de periode dat vele Engelse grootgrondbezitters en eigenaars de biezen namen na de politieke omwenteling in het land.  Gewiekste advocaten, een soort surrogaat-notarissen, verkochten er eigendommen  tegen tien keer de prijs die je zou betalen als je rechtstreeks van de eigenaar kocht. Maar er was dus die Portugese ‘ajuda doméstica’, die naast het opdekken van de bedden en het schrobben van de badkamers en vloeren , ons ook dagelijks deed genieten van haar kookkunst. Erg verfijnd was die niet, want ze had voor een langere periode een soort tomatensaus bereid, die elke dag opnieuw werd geserveerd.  Maar er  was ook dagelijks verse vis.  Overheerlijk, het leek wel of die rechtstreeks vanuit de zee in haar keuken was aangespoeld. Als deze lieve ‘faxineira’  toekwam  en wij aan de ontbijttafel zaten klonk er steeds een luide begroeting: ‘Bom dia’. Af en toe hoorden wij hoe ze tijdens het werk liedjes zong.  Ze legde uit wat ‘saudades’ betekent , het Portugese begrip  voor heimwee of zielesmart, die zo prachtig vertolkt wordt in de fado, de nationale zangkunst of  het levenslied. Wanneer wij al een tijdje terug  waren in het druilige vaderland vroeg onze jongste dochter: ‘Hoe zou het nog met Bomdia zijn?’  Dan bleek  dat ze dacht dat het de naam was van de Portugese mevrouw die de kook en plas deed. Nadien hadden we  zelf een aantal werksters en huishoudhulpen van Braziliaanse afkomst die wij tot hun groot jolijt, steevast Bomdia noemden.   Een van hen zong ook regelmatig tijdens het werk maar het voorstel om een cd met fado’s op te leggen  wimpelde ze af. “ Veel te triestig”, zei ze: “deze Bomdia zingt liever de Samba!”   

Vic de Bourg
6 0