Zoeken

Ionut en de basketbal

Ik sprak af met Robbrecht dat hij gewoon zou doorwerken aan ons huis, de oude boerderij die we anderhalf jaar geleden samen gekocht hadden. Ik noemde het nog steeds onze ruïne ook al leek die ondertussen met dat nieuwe dak en die herstelde muren op veel meer dan dat. De dag erna nam ik het vliegtuig en vloog naar Roemenië. Mijn moeder had tijdens haar leven altijd gezegd dat ik zigeunerbloed in de aderen had. Ik was afgestaan na geboorte en zij en mijn papa hadden me als baby’tje geadopteerd zonder veel van me te weten. De nonnen duwden me gewoon in hun handen en dat was het eigenlijk. Deze baby was voor hun. Geen andere. Trek uw plan. Ze wisten niets van me en toch beschouwden ze me als hun kleine zigeuner, hun kleine Zigi. Later namen ook mijn vrienden die koosnaam over. Misschien dat ik in het zigeunerland bij uitstek, Roemenië, iets van mezelf wilde kunnen terugvinden. Waarom wilde ik anders zo nodig naar Roemenië? Als ik er even tussenuit wilde, weg van de verbouwing, had ik ook gewoon ergens aan het strand kunnen gaan liggen. Ik reed urenlang door bossen en bergen, helemaal tot aan de Moldavische en Oekraïense grens en terug. Ik overnachtte in jagershutten en blokhutten, in een tent naast de auto of in een occasioneel guesthouse. Slechts eenmaal bleef ik drie nachten in hetzelfde stadje. En daar leerde ik Ionuţ kennen, het kleine jongetje van zes dat ongegeneerd door zijn moeder ingeschakeld werd om de gasten te bedienen. En hij is meteen het enige waar ik het over wil hebben. De bossen en kastelen waren geweldig mooi en ik heb er prachtige foto’s getrokken, maar er gebeurde omzeggends niets.  Vanuit de keuken riep de moeder luid zijn naam en het jongetje schoot haastig langs de tafeltjes heen, stootte ondertussen een stoel om, twijfelde even of hij die nu eerst moest oprapen en dan naar zijn mama moest lopen, of dat hij eerst naar zijn mama moest. In dat moment had ik de stoel al opgeraapt en draaide hij zich weer snel om. Even later kwam hij met een vol plateau voorzichtig aangestapt. Hij had een voorschoot aangebonden gekregen die tot over zijn knieën kwam en hem hinderde. Er stond een kostuumpje op afgebeeld waardoor het leek alsof hij ook effectief een strikje en een gilet aan had. Hij keek aandachtig naar wat er op zijn plateau stond. De koffie klotste een beetje over de rand en dat stelde hem zichtbaar teleur. Hij zette het plateau op mijn tafeltje en ik liet hem er een voor een alles vanaf zetten. Dat deed hij weer extreem voorzichtig. Een mok koffie, brood, boter, een potje confituur, een bordje met een spiegelei en een kommetje romige mămăligă, een soort van pap die blijkbaar typisch was voor de streek. Na mij serveerde hij de andere gasten, een Duits koppel dat aan het raam zat. Zowel de man als de vrouw waren ongezond dik en spraken over hoe ongehoord het was om zo’n klein kind aan het werk te zetten alsof niemand hen kon verstaan. Maar hij was wel schattig, zei de vrouw. Natuurlijk was hij schattig, antwoordde de man, alle kleine kinderen zijn schattig. Daarna wenkte hij Ionuţ met een kort handgebaar en wees naar zijn eitje. Hij had er twee besteld, zei hij, en hij stak twee vingers in de lucht. Zwei, verstehen Sie, zwei, nicht eins. Ionuţ schoot naar de keuken en hield de hele tijd zijn twee vingers omhoog. Ik dacht dat hij het niet begrepen zou hebben, maar hij was blijkbaar meer bijdehand dan ik dacht, want het duurde niet lang of er kwam nog een eitje op een plateau aan. Na het ontbijt stond hij met een grote, afgesleten bal op de binnenkoer. Er hing een basketring op een vrij lage hoogte waar hij de bal in probeerde te mikken. Hij gooide me de bal toe toen ik hem met open handen naderde. De bal was iets te slap opgepompt om deftig te kunnen botsen. Toch probeerde hij me tijdens het spel dat volgde voortdurend voorbij te dribbelen. Hij glom van trots wanneer dat ook effectief lukte. Als één van ons in de ring wierp, sprong hij in de lucht, klapte hij in zijn handjes en riep hij iets wat waarschijnlijk zoiets als ‘bravo’ betekende. Na een half uurtje riep zijn moeder zijn naam. Onmiddellijk onderbrak hij zijn spel. Met de bal onder zijn arm verdween hij naar binnen. De tweede en de derde ochtend herhaalde zich dat tafereel. Toen zijn moeder hem riep op de derde dag en hij de bal opraapte om naar binnen te gaan, riep ik ook zijn naam. Hij verstijfde. Het briefje van 200 lei dat ik hem wilde geven, bekeek hij alsof hij niet wist wat het was. Ik wees naar hem om hem duidelijk te maken dat het geld voor hem was, maar nog nam hij het niet aan. Hij keek er alleen maar naar. Zijn moeder riep nog eens maar dan dwingender zijn naam en verscheen in de deuropening. Ionuţ liep snel naar binnen. Ik stapte op de moeder af en bood haar het geld aan en wees naar haar zoontje. “Voor een nieuwe bal,” zei ik. Met een kort gebaar nam ze het aan en stak ze het in de zak van haar vest. “Thank you,” was alles wat ze zei en ze blafte Ionuţ iets toe waarop het jongetje nogal schaapachtig “multumesc” zei. Daarmee was voor haar de kous af en ze draaide zich met de rug naar me toe. Ze duwde Ionuţ voor zich uit, verder naar binnen. Toen ik die middag met mijn koffer door de gang sukkelde zag ik door een open deur hoe Ionuţ ook werd ingeschakeld bij het poetsen van de kamers. Hij trok het bed af in de kamer naast me, waar het Duitse koppel had gelegen. De lege bierblikken lagen overal half bijeengeknepen, een lege fles wijn stond op het nachtkastje en er lagen pizzadozen op het kamerbreed tapijt.  Met hem voelde ik me wel verbonden, met de rest van de Roemenen niet. Misschien waren mijn verwachtingen te hoog geweest omdat mijn ouders en mijn vrienden me liefhebbend hun zigeuner genoemd hadden. Of ik echt verwant was aan zigeuners of Roemenen was trouwens de vraag, want afgaand op mijn uiterlijk kon ik evengoed van Marokkaanse afkomst zijn, wie weet Grieks, Turks of Tunesisch of Spaans of ja, Italiaans. Mijn huid was getint en mijn haar ravenzwart, mijn ogen donker donkerbruin, als diepe poelen. Ik was een zuiders type, dat was zeker, maar het zuiden was groot. Bovendien had ik thuis samen met mijn broer, die uit Haïti kwam, dat wisten we zeker, op ónze koer naar een basketring gegooid. Met een degelijke, strak opgepompte bal.  

Hans Van Ham
15 1

Uit mijn dagboek

Shenandoah- National park – Virginia Rileyville, 16 april 2022 Terwijl we die middag dieper in het hart van het bos afdwaalden, wikkelde vermoeidheid zich als een zware mantel om me heen. Mijn metgezellen gingen door, ik bleef alleen achter in een woud dat door de tijd onaangetast was. Hier, in deze desolate wildernis, omhulde de stilte me als een dikke mist, een stilte zo diepgaand dat ze tastbaar was, een scherp contrast met de drukke wereld. Toch vond ik in die griezelige omhelzing een vreemde troost. Welke geheimen lagen verborgen in de schaduwen van de torenhoge bomen? Welke onzichtbare ogen keken vanuit de dichte struiken en achter de scherpe rotsen? De kale takken fluisterden oude verhalen, hun kromme vingers krabbelend aan het canvas van de lucht. Boven cirkelden de gieren met een doel, hun schaduwen glijdend over de grond, wat zochten zij? En terwijl ik in de eindeloze uitgestrektheid van het bos keek, dansten visioenen voor mijn geestesoog, me uitnodigend om hun mysteries te onthullen. De beer en haar drie jongen, een symbool van bescherming en zorgzaamheid, bleven in mijn gedachten hangen, een herinnering aan de kwetsbare balans van de natuur. En dan was er het hert, met zijn nieuwsgierige blik, me uitnodigend om na te denken over wat er onder onze fragiele coëxistentie lag. Waarom had ik ervoor gekozen om net voor de top te stoppen? Was het vermoeidheid of angst? Of misschien iets dieper, een erkenning van mijn eigen beperkingen?  In dit moment van stilte, terwijl ik aandachtig luisterde naar de hartslag van het bos, voelde ik een onverklaarbare verbinding met alles om me heen. De stilte was niet slechts een afwezigheid van geluid, maar een uitnodiging om de diepten van mijn verbeelding te verkennen, waar de weg naar morgen wachtte, kronkelend door de schaduwen en het licht van het onbekende. Welke avonturen wachtten er net achter de sluier, als ik maar durfde ze te onthullen?

Nadia Lang
3 1

Don Key Kong

Helaas en zoals gewoonlijk. Het interne groepsgesprek verliep onordentelijk. Het begon bij die zingende bewaker van de lichtgrijze zone. ~ Kom van je paard af! Ik waarschuw niet meer! Hierachter is De Zone. Niets straalt daar nog. Geen zon. Geen atomen. Geen gimlach. Geen uranium. Daar komt geen Dionysus. Geen nar. Geen chear leader. Geen tear kisser. Geen Bacchus. Geen zot. Manke held, kom nu van je paard af! Strompel terug naar de mensheid. Eet shit aan de tafel van Gert. Kijk naar het bejaardennieuws op de VRT. Om 19h00. Boer Harms komt aan het woord met zijn onverkoopbare patatten. Eugène is een duif kwijt. Gestolen door een postbode. Aan de kust wordt niet meer gekust. Een journalist vraagt naar de oorzaak. Gewoon. Maritieme vettigheid. Gevaar op slipperijen. Aldus random aangesproken, eerste de beste liplezer. Terug naar de studio in Brussel. Oké, en deze winter viel ook de verkoop van sneeuwbanden enorm tegen. Er is een grote daling. In ijsdagen, in schaatsmogelijkheden en echt kritisch denken. Halt! Enough monkey madness! Ja. Werkelijk. Stop hier, Donkey Shot! Kom van dat beest af! Ik waarschuw nu echt niet meer! Moet ik dan specialisten in verleden tijd laten komen? Keer terug! Alles wat men had kunnen redden, heeft men reeds vrijwaard. Bitter weinig is dat en toch waarschuw ik, u: Kom van dat paard af! Lik aan de hoeven van vooruitgang! Moet ik die sukkelfilosoof eens aan het woord laten? Maarten Moudry? Moet ik die rechtse zot uitnodigen voor een kaas- en wijnavond met schele ruiters. Die sul kan schimmel van oude dogma's schrapen. Hij weet alles over demente welvaart en bejaarde normen. Hij kan groeidoelstellingen voor champignons vergelijken met het welzijn in de Onderwereld. Echt! Stop hier, man! Kom van dat paard af! Passeer dit bord niet! Daarachter heersen stilte, berusting. Ledige vlinderhulzen liggen daar. Ga niet kijken! Daar is De Zone. Zonder toekomst. Zonder goden. Zonder idiote stripfiguren met duizend bommen en granaten.       uit de nieuwe reeks 'Foute titelatuur'

Bernd Vanderbilt
10 0

Casa obscura, casus cinereus

  via toegangsdeuren die zelfs hun scharnieren ooit hebben verraden het was met wentelingen naar een ondergang misschien een keldertrap door de sluwe gangen met een tegelvloer voor mank geschaak naar de tuinen waar de ondergrond met veel ongemak de tijd verteert weg zijn de bloemen en ze verschijnen weer die boomskeletten raven hebben er hun nesten, de gebroken takken zijn getemd  is er iemand die de doornstruiken snoeien durft, bloed graag proeft wil de hemel mij nu zeggen waar de rode pannen zijn gebleven  wil het maanlicht schijnen, de gordijnen met wat tederheid bekleden waar is het bed zonder die spijkers, geef die kaars nooit meer vals vuur laat me rusten in de weemoed, slapen op die asse van verkoolde tijd adieu wereld, fout been en fontein vol treurnis, het is tijd ik moet weer moedig opstaan, durven, steigeren gelijk een mier het is naar die gebarsten regenboog, weg van hier, dat ik trekken zal onderweg naar overmorgen, via gisteren, opnieuw door dat gellegat door die boringen gemaakt voor kleinigheden in de bast van treurwilgen naar die stervende rivier, met zijn heen- en weerwolf op dat vlot grauwe nevel doet de wanhoop goed, de regen is voorlopig echt voor hoe lang nog, voor welk duister doel, loerde ergens ooit geluk heeft de toekomst ooit gebloeid, roeide ooit een lichte bries me tegemoet was er ooit een kans dat er larven zouden dansen op het wateroppervlak vraag me nu niets meer, verdwaalde uil, mijn vingers worden liever stil ik wil dit plot verlaten, proeven eten van het dunne winterlicht         uit de reeks 'Reizen met Ricky'  

Bernd Vanderbilt
2 0

Ford Scorpio

  Kijkt toe. Dit is geen ordinaire volkswagen. Het is een ware Touareg. Speciaal model met wankelmotor voor in twijfeltijden Zeer uniek. Deze machine is speciaal gebouwd voor op die parking naast mijn huis. Het gazon is gekleurd in prachtig British racing green. Bewondert dit. De velgen zijn verzilverd en de pook is van een lekker goud voor extra veel genot. Ik ben een connaisseur in die materie voor de echte man. Is het een kameel met paardenkracht, my lord? Scheurt hij 'wredig' door de bochten, plet hij elke schorpioen? Mijn god, wat glimmen toch die banden, wat zijn ze cool en beestig zwart. Pas maar op, gij kleine man. Ik heb veel zeggenschap, een generaal of tien voor elke vinger van de macht. Kom maar mee. Straks wordt uw ziel gekraakt onder de wielen van mijn Touareg. Er zijn hier knoppen voor de juiste straf en in de koffer ligt het masker voor de beul. Oejoejoei! Ik hoor. U bent wel degelijk een stoer geval, geen kwal die op uw ruitersstoeltje kwijlen zal.  Ik moet nu voort. Mijn voeten zijn doorboord met oude nagels en mijn hemelgeest zoekt frisse lucht. Toch is er hoop, voor U en mij, want de woestijn zal dorstig zijn. Hij slurpt zeer binnenkort de wereld op. Echt. De verlossing is nabij. Heb nog een dag of twee geduld. Dan zijn de oorlogen voorbij. Dan raast die storm niet meer, stopt die razernij. Dan zien die ogen van het zand, voorgoed weer zuiver licht en is ook onze duivel blij, met eindelijk wat rust.       uit de reeks 'Reizen met Ricky'    

Bernd Vanderbilt
0 0

Zeven zonden

Wandelweekend dag 3 Ze zijn terug thuis in de Vlaamse Ardennen. Ze ligt in bed, hij kruipt erbij en knipt het licht uit. Zo onverwacht. De routine om te lezen in bed doorbreekt hij zelden, maar als hij het doet wordt ze meteen stil. Ze luistert, voelt en kijkt in het duister. Hij ligt op zijn rug, zijn handen gevouwen. Er is rust. Hij lijkt te wachten. Ze denkt aan gisteren, aan de abdij en de pot met erwtjes die op tafel stond. Hij vroeg of ze echt waren en wou ze mee naar huis om te laten groeien. Ze nam er zeven uit het potje en stak ze in zijn borstzak. Hij vroeg of het wel genoeg was, of ze er niet beter 70 meenam of het hele potje. Ze zei: je hebt gelijk, de kans dat ze allemaal groeien is klein. Dus stak ze er nog zeven in haar broekzak om de kans te verdubbelen. Ze begint zacht te praten. Vraagt of hij weet waarom ze zeven erwtjes nam. Mijn zeven zonden, vraagt hij. Nee, dan had ik er toch zeventig meegenomen zoals je voorstelde antwoordt ze al lachend. Jij bent diegene die al lang niet meer te biecht is geweest reageert hij. Ik wou anders vandaag wel, kaatst ze terug, maar je durfde mijn biecht niet afnemen. Het is wel een kerk, die fantasieën van jou kunnen echt niet in een kerk, zegt hij alsof hij altijd de heilige is geweest, en daarbij het gaat nu toch niet, ik kan en wil het niet. Dat begrijpt ze.  Dan vertelt ze zacht dat hij haar op de zevende voor het eerst gezoend had en dat zij op een zevende verjaart en zeven altijd haar lievelingsgetal was, samen met drie en éénentwintig. En dat ze naarmate ze ouder werd ontdekte dat haar lievelingsgetallen ook magische getallen waren. Hij zegt dat zijn lievelingsgetal drie was en hij op een derde verjaart. Zij zegt: dan moeten we misschien op een éénentwintigste trouwen, maar het jaar dertig zal te vroeg zijn met al die blokkades van jou, we zullen het jaar zeventig nemen, tegen dan weet je het misschien wel. Hij lacht. Hij wacht even, dan veert hij recht en neemt zijn telefoon. Hij wil weten waarom het magische getallen zijn. Hij leest voor. De uitleg is passend voor wie zij zijn. Ze wordt slaperig en brabbelt nog: drie en zeven, het kan geen toeval zijn, we passen gewoon. Ze denkt aan de erwtjes in haar broekzak. Morgen moet ze die een veilig plaatsje geven. Mijn erwtjes ben ik kwijt, zegt hij droevig, en ik weet precies waar: bij de boomstronk waar we gerust hebben. De wandeling vandaag ging eerst weer door het bos. Het was koud, maar zonnig. Zij deed een sjaal aan, maar was meteen aan het zweten. Hij vroeg om het half uur of hij haar rugzak niet moest dragen en wist dat ze nee ging zeggen en dan volgde zijn hoofdschudden en een omhoog getrokken mondlijn omwille van haar koppigheid. Ze vond die mondlijn fijn. Die veranderde samen met zijn ogen naargelang zijn gemoed. Na een goed uur wandelen kregen ze aan de rechterzijde de weidsheid van de hoge venen te zien. Prachtig vonden ze het. Hij deed zijn hemd uit en legde het op een boomstronk om te gaan zitten turen in de verte. Zij ging naast hem zitten. Ze vertelde over haar angst van vleesetende planten en afgevroren voeten als je vast kwam te zitten in de venen. Hij deelde zijn herinneringen uit zijn kindertijd. Hij ademde diep in en zei dat hij zo graag in vrijheid en weidsheid wou leven, maar zo vast zat en geen uitweg zag. Zij wreef over zijn rug. Ze begreep hem. Bij het opstaan vielen de erwtjes uit zijn hemd, daar in niemandsland, zij waren wel ontsnapt om in de lente uit te breiden, in alle weidsheid en vrijheid, net als hun liefde.  De erwtjes liggen daar perfect zegt ze. Ze zoekt zijn hand en valt in slaap. 

Fien SB
20 2
Tip

Erwtensoep

Wandelweekend tweede dag Ze zijn op één kilometer van hun vertrekplaats. Zij herkent plots de baan. Ik ben hier al geweest, zegt ze. Gisteren had ze op kaart zitten kijken welke wandeling ze vandaag konden doen. Ze toonde welke haar interessant leek. Een wandeling van 15 kilometer, een stukje bos, een stukje langs de rivier en ook langs een abdij. Zijn interesse was meteen gewekt. Toon eens, had hij gevraagd. Ze toonde hem de foto's van de abdij en las de beschrijving: “In de abdij van Mariawald kan je nog steeds de welbefaamde erwtensoep eten.” Hij veerde enthousiast op achter zijn stuur “Het is die, het is die abdij!”. Zij voelde vuurvonkjes in haar binnenste. Ze had de abdij uit zijn jeugd waar hij vorige maand naar zocht gevonden. En hoe fijn vond ze het om hem blij te maken. Kon ze dit maar alle dagen doen! Ze komen aan op de parking. Zij gelooft haar ogen niet. Ze trilt. Haar buik voelt warm. Ik ben hier al geweest, zegt ze nog eens. Ze loopt in de richting van de abdij, als betoverd. Ze was er inderdaad al geweest, 2 zomers ervoor. Ze had haar toenmalige partner doen stoppen langs de baan omdat ze een mooie witte muur had gezien en wou weten wat daarachter zat. Hij had gereageerd dat de stopplaats niet ideaal was, maar zij wou absoluut uitstappen. Ze was langs de muur gelopen en had getrild. Ze wist niet waarom, maar ze wou hier even rondlopen. Haar partner en kinderen waren gevolgd. Ze liepen langs de abdijmuur naar boven. Daar was zij op het bankje gaan zitten. Ze was stil. Ze voelde iets maar kon dat niet delen. Ze zou wel weer horen “ben je daar weer met je rare gewaarwordingen”. Dus was ze stil en genoot van het gevoel te zweven, langs de abdij, over de uitgestrekte velden, in de zon, naar het verleden. Ze voelde liefde, de liefde die ze vaak miste. Ze lachtte naar haar kinderen. Wat was het leven mooi zo. Ze wou dat gevoel zo lang mogelijk vasthouden. Ze was thuis en ze wist niet waarom. Voor ze de plek weer verliet ging ze nog eens binnen in de kerk en keek door het raam van de cafetaria. Er was niemand. Alles was verlaten. Hij komt naast haar staan. Jouw abdij is mijn abdij, zegt ze en vertelt haar verhaal al wandelend. Er is veel zon, maar ze moeten eerst door het bos en zitten daarna aan de verkeerde kant van de vallei. Toch geniet ze. Hij is speelser vandaag. Ze kruisen een Vlaams koppel met hond. Ze praten wat over het ras en dan over de streek. Hij en de dame hebben vooral het woord. Haar introverte man kan wel heel gemakkelijk met vreemden praatjes maken en dat vindt ze fijn. Na een zin of drie doet hij het weer: hij brengt tijdens het gesprek zo subtiel zijn liefde voor haar naar boven dat ze gloeit. Hoe kan hij toch zo zacht duidelijk maken dat ze de vrouw is waarmee hij oud wil worden? Het laatste stukje is een ommegang, een klim naar boven. De zon recht in het gezicht. Ze zweten. Een zestiger komt naar beneden met een paternoster, strak gezicht. Hij zegt dat ze helemaal toe zit, madam paternoster. Zij lacht dat hij dat net moet zeggen met zijn blokkades. Dan lacht hij: “ik had die reactie zien aankomen”. Ze bekent dat zij ook zou toe zitten als hun relatie zou kapot gaan. Jij bent het, zegt ze, jij en niemand anders meer. Eindelijk zijn ze er. Hij gaat met de hond een plaatsje zoeken in de cafetaria, zij schuift aan voor zijn erwtensoep met worst. Hij zit in de zon. Ze zet de soepkom voor zijn neus, maar hij schuift hem naar het midden om met haar te delen. Zijn ogen spreken liefde en weemoed, hij neemt haar hand, zij wrijft over zijn vingers, kijkt hem in de ogen. Ze delen het abdijbier en de kaastaart. Ze voelt een gelukzalige vermoeidheid opkomen. De emoties van het goddelijke. Zijn abdij is haar abdij. Het was voorbestemd. Ze passen bij elkaar als twee erwtjes in één peul.

Fien SB
98 3