Zoeken

U hebt Europeïsme

Nadat hij voor de zoveelste keer de bons had gekregen – deze keer was hij te impulsief geweest volgens zijn ex-vriendin – besloot Milan met een dokter te gaan praten, want misschien lag het toch aan hem. Hoewel hij wist dat hij eerst een afspraak diende te maken, bij voorkeur gebruik makend van het daartoe voorziene, erg handige online consultatiesysteem, was hij meteen na zijn date richting zijn huisarts vertrokken. Het zou toch niet de eerste keer zijn dat er iemand tussenuit viel. Terwijl hij zijn tranen verbeet, peperde Milan zichzelf in dat dit géén impulsieve beslissing was maar een pure noodzaak, het kon niet langer wachten. ‘Dag dokter.’ ‘Gaat u zitten,’ sprak de dokter eentonig en hij nam een pen ter hand, zette zijn bril, die een opvallend montuur had zowel qua vorm als qua kleur, op zijn rechte neus en richtte zich op een vel papier dat geklemd zat tussen een klembord. Het verbaasde Milan dat een arts anno 2026 nog zo’n attribuut gebruikte, maar het vulde hem ook met respect. Bovendien gaf het hem het gevoel serieus te worden genomen. Iets waar hij al zo lang naar verlangde, iets wat hij in zijn relaties miste.‘Vertel het eens, waar hebt u last van?’ stak de dokter van wal, en hij zette de punt van zijn pen verwachtingsvol in de linkerbovenhoek van zijn A4’tje. ‘Wel, het is niet zo dat ik ergens pijn heb,’ begon Milan, ‘maar het is ook niet zo dat ik nergens geen pijn heb.’ De dokter liet een kuch ontsnappen die hij vakkundig opving in zijn behaarde vuist, en zonder zijn patiënt aan te kijken, ging hij verder.‘Maakt u zich ergens druk om?’ Daar moest Milan even diep over nadenken. Uiteindelijk zei hij iets in de stijl van ‘ik weet het niet’. ‘Hoe voelt u zich op dit moment?’ ‘Redelijk goed, maar…’ ‘U bent hier natuurlijk niet zomaar’, maakte de dokter zijn zin af. ‘Wat is het dat u doet van werk?’ ‘Ik werk voor een bedrijf.’ ‘Juist, ja.’ De dokter kribbelde enkele dingen op zijn papier en onderlijnde zo goed als alles wat hij net had neergeschreven. De laatste woorden werden zelfs dubbel onderlijnd. Helaas kon Milan niet lezen wat er stond. Hij werkte dan wel bij een bedrijf, erg bedrijvig was hij niet. Allerminst in handschriften lezen, laat staan die van dokters en ondersteboven.‘Hoeveel mensen werken er in uw bedrijf?’ ‘O, maar het is niet mijn bedrijf, ziet u. Ik ben maar een werknemer. Ik denk dat er om en bij de vijftig mensen werkzaam moeten zijn.’ ‘Wat is juist uw titel of functie?’ ‘Ik ben recent gepromoveerd tot floor manager.’ De dokter keek voor het eerst op van zijn klembord en keek Milan indringend aan. ‘Floor manager? Bent u van het onderhoudspersoneel?’ Hij toonde een goedbedoelde glimlach, maar noteerde verder, dus Milan besefte dat de dokter een grap maakte.‘Kan u mij eens een gewone werkdag beschrijven?’ Milan vertelde dat hij rond 7u ’s morgens opstond, het nieuws las, een douche nam, een ei bakte, een glas melk dronk en een gezonde smoothie maakte van selder, appel en kiwi voor in de auto. ‘Is er tot dan toe een moment waarop u zich niet goed voelt?’ ‘Nee. Of jawel, wanneer ik het nieuws lees, dat is soms heftig op een lege maag. En ja, in de auto soms ook.’ ‘Ja, we zijn niet gemaakt voor de ochtendspits.’ ‘Nee, dokter, nu ja, u hebt gelijk, maar dat bedoelde ik eigenlijk niet. Kijk, ik rijd met een Tesla, van het bedrijf – anders zou ik nooit een Tesla hebben gekozen – u begrijpt allicht dat de huidige omstandigheden rond dat merk me opzadelen met een schuldgevoel van zodra ik de wagen start.’ De dokter gaf blijk van antwoord met een monotoon geluid, waarvan Milan niet met zekerheid kon zeggen of de man het nu wel of niet begreep.‘En daarna? Wanneer u arriveert op uw werk…?’ gebaarde hij door met zijn pen enkele kleine cirkels in de lucht tussen hen beiden te tekenen. ‘Euh… Dan ga ik naar binnen door de glazen deur, neem ik de lift naar de achtste verdieping en ga achter mijn bureau zitten.’ ‘Ja?’ ‘Ja.’ ‘En wat doet u daar dan?’ ‘Dan doe ik mijn werk. Of wat wil u zeggen?’ ‘Kan u me zeggen wat dat is?’ zei de dokter, terwijl hij zichzelf een kop thee inschonk. Milan wilde iets antwoorden, maar vond plots geen woorden. Hij aarzelde en zei ten slotte dat het nogal complex was om zo even de inhoud van zijn job te omschrijven, vooral aan iemand zonder ervaring met dit soort werk. Maar wat hij zeker wist, is dat er veel mensen baat bij hadden. ‘Probeert u toch maar.’ Milan deed verwoede pogingen om exact te beschrijven wat hij daar een hele dag deed maar had niet het gevoel dat hij daarin slaagde. Hij viel over zijn eigen tong, verhaspelde woorden die hij niet kon vertalen, twijfelde over de betekenis van sommige woorden, sleurde er termen bij die hij eigenlijk zelf nooit helemaal heeft gevat. ‘Goed. En dan is het lunchtijd? Hoe verloopt dat?’ ‘Meestal ga ik naar beneden, naar de eetzaal, maar het gebeurt ook dat ik buiten iets ga eten. Soms praat ik met collega’s, soms scroll ik wat op mijn telefoon…’ ‘Waarover wordt er gesproken?’ ‘Gewoon, over de staat van de wereld, of over onze job.’ Opnieuw onderstreept hij iets.‘Bon. Ik ga u enkele korte vragen stellen en u moet even bondig antwoorden, zonder te veel na te denken. Zal dat lukken denkt u?’ Milan knikte. ‘Daar gaan we. Vraag één: voelt u zich soms heel klein, zo klein dat u nergens deel van uitmaakt?’ Milan knikte opnieuw. ‘Is uw leven nodeloos ingewikkeld? Zou u alles willen geven om het eenvoudiger te maken?’ Milan knikte hevig. ‘Ja, dit is helemaal mijn wens!’ ‘Vindt u het allemaal te groots? Vraagt u zich soms af waar het kleine geluk is gebleven?’ ‘Ja!’ ‘Hecht u veel belang aan de natuurlijke gang der zaken?’ Omdat Milan niet meteen met een antwoord kwam, keek zijn interviewer hem aan door zijn opvallend roze bril, waarvan het montuur onderaan een dikke rand had en bovenaan geen rand, waardoor het leek alsof de drager enorme wallen had. Het was ook daardoor dat Milan zich niet op de vraag kon concentreren, hij stelde zich vragen bij dit brilontwerp.‘Als u daarmee bedoelt dat ik de oude waarden respecteer, moet ik daar volmondig ja op antwoorden.’ ‘Hebt u op dit moment een relatie?’ ‘Nee, en dat is eigenlijk ook waarom ik hier ben.’ ‘Hoe is de relatie geëindigd? Wat was de reden?’ ‘Zij heeft er een punt achter gezet omdat ik een grens was overgegaan.’ ‘En geeft u haar gelijk?’ ‘Wel, ik wist zelfs niet dat daar een grens lag! Ze zei iets van dat ik te impulsief was.’ ‘Interessant.’ Opnieuw noteerde hij enkele dingen. ‘En hebt u spijt?’ ‘Ja, ook al vind ik niet echt dat ik schuld tref, kan ik een groot schuldgevoel niet van me afschudden. En dat gaat niet enkel over deze relatie, dokter. Ik heb het gevoel dat ik mijn verleden constant meedraag. Alsof ik er niet vanaf geraak. Begrijpt u? Aan de andere kant kan het me ook allemaal niet zoveel schelen.’ ‘U bedoelt dat u de andere de schuld geeft?’ ‘Nee, ik bedoel dat ik niets voel. Helemaal niets. En die combinatie, dat schuldgevoel en die totale leegte, dat vond ik niet gezond. Daarom dacht ik dat ik eens met een dokter moest spreken.’ ‘En helpt het?’ ‘Ja, het doet deugd om er eindelijk met iemand over te spreken. Kan ik misschien een wekelijkse sessie krijgen, althans voorlopig?’ ‘Dat zal niet nodig zijn,’ sprak de dokter gedecideerd, en hij trok een horizontale lijn onderaan het papier en legde het klembord voor zich op tafel. ‘U lijdt duidelijk een acute vorm van Europeïsme.’‘Europeïsme? Wat is dat?’‘Tja, dat weten we niet.’ ‘En nu? Wat moet ik ertegen doen?’ ‘Er valt weinig tegen te doen, vrees ik.’ ‘Kan ik dan helemaal niets doen?’ ‘Het hangt af van hoeveel u nu al doet’ zei de dokter met de stem der gewoonte.‘U kan, om maar iets te noemen, het nuttigen van een maaltijd bijvoorbeeld gaan bekijken als iets volstrekt functioneels, in plaats van iets dat genietbaar moet zijn. Maar het is bijzonder moeilijk om die switch te maken. Hoe zit het met uw alcoholinname?’ ‘Euh, ik drink graag een glaasje, maar geen excessieve hoeveelheden.’ ‘Mijn advies is dat u uw inname verhoogt tot dagelijks enkele glazen, ofwel volledig stopt met alcohol drinken.’ ‘Ik drink eigenlijk vooral als er andere mensen bij zijn.’ ‘Probeer eten los te koppelen van sociale interactie. Eet en drink zoveel mogelijk alleen. Koop grote merken, of ga naar de markt. Koopt u uw fruit en groenten volgens het seizoen?’ ‘Nee, maar ik weet dat het beter is voor het milieu.’ ‘Ja, maar niet voor uw mentaal welzijn! Stop ook met koffie drinken. Schakel over op thee, of alcohol natuurlijk. Schrap brood van het menu en eet uitsluitend rijst. Het is ook aangeraden om vroeg op te staan, tussen vijf en zes uur. Doe aan yoga of neem tijd voor een uitgebreid, liefst warm, ontbijt, met de belangrijke toevoeging dat u niet geniet van het eten, maar het als een natuurlijk proces beschouwt.’ ‘Oké, dank u dokter. En wat met het werk? Is het eigenlijk besmettelijk?’ ‘Besmettelijk?’ spuugde de dokter, waarbij Milan hoopte dat de dokter zelf niet met een besmettelijke ziekte rondliep.‘Het is een ware pandemie! Iedereen van uw leeftijdscategorie die hier binnenwandelt zonder duidelijke fysieke klachten schrijf ik hetzelfde voor.’Hij scheurde een briefje van een notitieblok, krabbelde er iets op en schoof het over de tafel in de richting van Milan. Zoals het een dokter betaamt, was het totaal onleesbaar. ‘Excuseer, dokter, maar wat staat er?’ ‘Drie weken Blankenberge, in Hotel Transit,’ sprak het heerschap, en Milan bemerkte een lichte trots in die woorden, alsof hij hiermee eer opstreek. Milan draaide het briefje om, al wist hij wel dat er niets op de achterkant stond. De dokter ging verder: ‘Boek een kamer in dit hotel, volpension, geen zicht op zee, dat is belangrijk. Maar als u dit briefje aan de receptie toont, weten ze genoeg.’ Ja maar, wat moet ik daar dan doen?’ ‘Zo weinig mogelijk. Lees geen boeken, bezoek geen musea en praat met zo weinig mogelijk mensen. Zeg enkel het strikt noodzakelijke. U hoeft niets te vinden of te kiezen, niets te voelen of te begrijpen. Als u toch enige gedachten of gevoelens zou ontwikkelen, meldt u zich meteen aan de balie.’ Milan keek de dokter vertwijfeld aan en keek dan nog eens naar het briefje in zijn hand.‘En dit zal me helpen?’ ‘Nee. Maar dat is niet het punt. De meeste patiënten knappen zichtbaar op. Niet omdat ze zich beter voelen, maar omdat ze ophouden met zich vragen te stellen of het beter kan. Wanneer u terug bent, evalueren we de situatie en kijken we na of u vatbaar bent voor betekenis.’ ‘En als dat zo is?’ ‘Kijk, zulke vragen zal u hopelijk niet meer stellen. Dan verlengen we de kuur.’De dokter nam zijn klembord weer op.‘De volgende!’

Lennart Vanstaen
3 0

Op reis

“Ben je maar alleen vandaag?” “Hij is op reis.” “Zonder jou?” “Ja, blijkbaar.” “Het klinkt alsof jullie ruzie gemaakt hebben. Toch niet te erg.” “We hebben geen ruzie gemaakt.” “Toch niet te erg, hoop ik, want jullie zijn de kortste weg naar kleinkinderen.” “Pappie!? Stop daarmee.” “Het mag ook met iemand anders, zigeunertje, maar je moeder zou …” “Mammie is dood.” “Hoef je mij niet te vertellen. Dat merk ik nog elke dag.” Ik keek naar Mammies foto op de schouw. Er stond een halve kaars naast. Pappie stak elke avond een kaars aan. De schouwmantel moest dringend afgestoft. Kendy, de poetsvrouw, was te klein om daar goed aan te kunnen en ze ging niet op een trapje staan. Dat deed ze niet. “Heb je nog steeds Kendy als poetsvrouw?” “Dat is zo’n lieve, Petra’tje. Die ga ik toch niet vervangen. Ze kan zo goed luisteren.” “Ze spreekt ééntalig Spaans, Pappie, en ze poetst niet goed.” Ook op de vensterbanken lag stof en in de hoeken op de vloer. Kendy kwam dan misschien uit Venezuela, maar ze poetste met de Franse slag. Je kon exact zien tot waar de ramen gepoetst waren. Het bovenste deel daar kon ze niet aan. “Ben je nog bij je Mammie geweest?” “Nee.” “Vergeet ze niet, Petra. Ze zag jou zo graag. Ik heb pas nog nieuwe bloemen op haar steen gelegd. Ze zijn mooi. Gilberreke van de bloemist heeft ze speciaal voor haar gemaakt. “Je betaalt te veel voor die bloemen, Pappie. Ze profiteren van jou.” “De bloemist mag er toch ook iets aan verdienen. Ga gewoon een paar keer bij je Mammie langs, daar wordt ze gelukkig van.” Ik zuchtte en vroeg of hij nog koffie wilde, terwijl ik naar de keuken stapte, waar de koffiekan nog in de machine stond. Hij had hem veel te straf gezet. Dat hij nog geen last had gekregen van zijn maag, was een wonder, zoals hij steeds van die loeisterke koffie dronk. De hele dag door. Ik goot de kan leeg in de thermos. Dat was nog steeds dezelfde thermos als toen ik klein was. “Doe maar met.” “Pappie! Het is half elf ’s morgens.” “Eéntje per dag, meisje. Eéntje.” Ik nam de aarden kruik ‘witte’ uit de barkast en goot een klein scheutje in zijn mok. “Nog.” Ik kletste er nog een klein beetje bij. “Doe het fatsoenlijk of ik doe het zelf.” “Hier, doe het dan maar zelf.” En hij goot er een flinke scheut bij. Ikzelf verdunde mijn koffie met ongeveer even veel melk en een half klontje suiker. Pappie zette de fles terug in de barkast. Hij hoestte en schraapte zijn keel na zijn eerste slok. Hoe lang leefde hij al op deze manier? Al meer dan tien jaar. Sinds Mammie overleden was aan die stomme kanker. “Ben je gelukkig, meisje, je ziet er zo bedrukt uit? Als je met die ruzie in zit. Dat maakt niet uit. Je mammie en ik hadden ook ooit ruzie, maar we legden het altijd bij voor we gingen slapen. Nooit bij elkaar in bed kruipen voor de ruzie opgelost is. Dat nooit.” “Dat is het niet.” “Ik ben ook eens een keertje drie weken naar Amerika geweest, voor opleiding van het werk, en toen heb ik je Mammie gemist, heel erg. Dus Hij zal je ook wel missen.” “Denk je?” “Ja. Zeker weten. En wij hadden nog geen telefoons. Drie weken was echt drie weken. Tegenwoordig.” “Hij heeft zijn telefoon niet mee.”  “Echt. Nu ja. Typisch Hem. Al die computers en smartphones dat was niks voor Hem. Dat zei Hij toch altijd. Je hebt er natuurlijk ook ‘ne speciale’ uitgekozen.” “Hoe bedoel je?” “Hij kan hier aankomen en koffie drinken en zonder iets te zeggen na een half uur weer vertrekken.” “Komt Hij hier zonder mij?” “Ja, hoor, minstens een keer per week. En Hij heeft van die dagen dat hij dus absoluut niks zegt. Of ja, toch zo goed als niks.” “Dat wist ik niet. Nu ja, maakt ook niet uit. Wel attent van Hem.” “Attent, ja, spraakzaam, nee. Daarmee, het verbaasde me dat Hij er niet bij was. Ben je al weg? Je moet toch pas om twee uur op het werk zijn. Je kan hier een boterhammetje mee eten, meisje, je weet dat ik niet graag alleen eet en ik eet al zo veel alleen. Zullen we een kaartje leggen?”

Hans Van Ham
8 0

Age of Scorpio

Ik ben een lichaam van taal, gebonden in een huid van vezels. Sommige handen lezen me langzaam, zoekend naar verborgen lust tussen mijn zinnen vol zin. Andere laten hun vingers snel en oppervlakkig over me heen glijden, als was ik een goedkoop lustobject. Die handen en vingers… Hoe verfijnd of behendig kunnen ze wel zijn, in elke aanraking lees ik tot welke sensuele handelingen ze in staat zijn. Ik bespeur hun aarzelende beroering, een schuchtere eerste kus, vezel tot vezel. Of een zelfverzekerde grip die mijn uitnodigende krommingen omklemt. Ik lig paarlustig in hun handen, samen ademen we sneller, het bloed suizend en kolkend aangespoord door mijn tintelende verbeeldingskracht. Ze plooien me naar hun zin, strelen mijn rug waardoor ik zwicht voor hun wens. Sommigen zoeken mij op vol oprechte nieuwsgierigheid, anderen voor platte opwinding. Telkens opnieuw probeer ik me naar hun lust te kronkelen. Velen willen onmiddellijk in me duiken, op zoek naar de climax nog voor het verhaal goed en wel begint. Ze vergeten dat ik een spanningsboog ben, die ze langzaam moeten oprekken met langgerekte oh’s en ah’s, trillend op het ritme van onze fantasie.  Kom dichter. Kijk naar mij, naar mijn kaft, waarop het beeld uit de erotische tempel van Khajuraho staat. Laat je ogen glijden over haar borsten, haar buik, haar dij. Stop daar. Zie je hem zitten op haar linkerdij, de schorpioen? Hij draagt de zinderende begeerte naar haar afwezige minnaar in zijn brandende angel, en lijkt het topje zelfs niet lichtjes te trillen? Haar rechterhand van steen ligt bijna op haar venusheuvel. Wat hou ik toch van dat woord. Venus. Heuvel. Zachte klanken, perfect gemaakt om over likkende tongen te rollen. Zo staat de hemelse tempelnimf nu al ongeveer duizend jaar bevroren in een pose van nooit ingeloste lust.  Al enkele weken lig ik op haar nachtkastje. Niet als leermeester, maar als novice. Toen ik haar voor het eerst ontmoette, zag ik onmiddellijk het glanzende vuur in haar ogen. Zij was de eerste die haar blik op de schorpioen van het tempelbeeld liet rusten, en daarna op de vinger die al duizend jaar wil wegglijden in zandsteen, als was het nat zand dat zich zonder al te veel moeite open laat strelen en waarbij glinsterend vocht naar boven parelt. Ze nam me mee naar huis, en leidde me haar slaapkamer binnen. In het avondlicht ontkleedde zij zich voor mij. En daar zat hij dan: haar schorpioen, een kleine tatoeage op haar linkerdij. Het tempelbeeld rees op uit haar duizendjarige slaap. Zij stond voor me, in vlees en bloed.  Sinds ik bij haar ben volgen we elke avond hetzelfde ritueel. Ze neemt me mee in haar bed en ik kijk toe hoe ze haar minnaar ontvangt, hoe zij deinen tussen de lakens, hoe zij haar hoofd naar achter legt en haar zacht gekreun de kamer vult. Zij berijdt hem, en daarmee bevrijdt zij zichzelf. Zij bepaalt het ritme en het rijm, en zo vergeet ik alle regels die mijn schrijver me ooit had opgelegd. Ze likt mijn letters warm en vloeibaar tot ik opnieuw druipende inkt ben. Haar vingers, nat van haar opwinding, vermengen zich met mijn inkt en zo beginnen we een nieuw verhaal te schrijven. We ontbranden samen in een nieuw lichaam, versmelten in wederzijdse overgave, in een zinderende sensualiteit die zich niet laat sluiten door een kaft.  Langzaam maar zeker wist ze mijn geheugen. De olifant? De waterval? De geopende boog? Ooit waren deze standjes mijn trots. Nu roepen ze slechts verre herinneringen op. Ik wist het beter, tot zij zonder genade mijn mannelijke kijk aan diggelen sloeg. Ze vermorzelde mijn grootspraak en het verwaande idee dat ik zou weten wat een vrouw begeert. Met haar treed ik een nieuw tijdperk in. Ik, de enige Kama Sutra letter voor letter herschreven door een vrouw. Ik laat mij gewillig met haar woorden vullen. Net zoals zij koester ik die zachte maar niet aflatende drang om elke vrouw te raken tot ze ontwaakt, helder en ongeremd, eindelijk thuis in zichzelf. De regen tikt zacht op mijn kaft terwijl ze me in haar handen houdt. Haar warmte begint af te nemen maar ik houd me stevig vast aan het gloeiende ritme van haar adem die nog in mijn zinnen verweven zit. De straat geurt naar nat papier, naar afscheid. Daar is de bibliotheek, geduldig wachtend. Ze wandelt binnen en zet me in het boekenrek. Voor een seconde aarzelen haar vingers, alsof ze nog iets wil zeggen, en dan is ze weg. Ik blijf achter, licht vochtig en zwaar van gemis, in mijn gloednieuw letterlijf.

Jolien Van de Velde
49 1

By Proxy

“De nacht is rustig verlopen.” De verpleegster wijst naar de deur met nummer 308.  “Is de dokter al langs geweest?" Ze haalt haar schouders op. Ik zucht diep en duw zachtjes de deur open. Behalve het zachte geklop van de ventilator aan het plafond, is het er akelig stil. Er hangt een weeë geur van desinfectans met een subtiele toets van lichaamszweet.   De grauwe, grijze muren geven de kamer een mistroostige aanblik. Een leeg vierkant tafeltje en oude bruine relaxstoel lijken meer een stilleven dan uitnodigend voor bezoek. De vergeelde gordijnen hullen de kamer in duisternis. Enkele zonnestralen priemen zich een weg door enkele gaatjes in de doffe stof. Ze doorklieven de zware ziekenhuislucht, op zoek naar het lichaam. Roerloos ligt het daar. Enkel een oppervlakkige ademhaling en de dansende lijn van de hartslag op de monitor zijn de enige tekenen van leven. Een infuuszak druppelt langzaam naar de linkerarm. 3 weken lang…  ‘Onduidelijke oorzaak.’ ‘We doen ons uiterste best voor je dochter.’ Maar de uitleg wordt korter. Ontwijkende antwoorden. Ze begrijpen het niet. Ik knip mijn handtas open en haal er een lege injectiespuit uit. Geruisloos trek ik de stamper terug en koppel het aan op de bijspuitpoort. Zonder twijfelen duw ik de lucht door. Enkele centimeters luchtbellen verspreiden zich in de infuusleiding en migreren langzaam naar het lichaam toe. Geruisloos sluip ik naar het piepkleine badkamertje en sluit de deur. Ik werp achteloos de spuit in het toilet en ga plassen. Plots hoor ik het ritmisch gepiep van de monitor haperen. Een pauze. En dan één lange pieptoon. Ik hoor een peloton aan verpleging de kamer binnenstormen.  Dan sta ik gehaast op en trek het toilet door.

Sfieke
9 0

Pluk nog wat bloemetjes

Wat kan ik nog doen? Ik moet iets doen. Ik moet moedig zijn en ga gewoon het bos in. Ik zie wel wat er op mijn pad komt. Gisteren werd ik door die kippenboeren weggejaagd. We hebben ver gelopen en nu zijn we moe. Ik moet dringend voor eten zorgen. En wel genoeg voor mijn 5 welpen. Ze slapen nu rustig onder de grote boom. De eerste grote boom na de mensenwijk. Ze zijn een beetje op. Het gejoel en de schoten in de lucht hebben hen angst aangejaagd. Ik zie Minnie nog wat na bibberen. Ze is ook zo klein en zo mager. Ik geef haar likjes op haar vachtje. Mijn melk is zo goed als op. Ik moet op pad.  Ginds zie ik een rustig paadje. Ik leg me achter een struik en wacht. Wat hoor ik? Een zingend stemmetje? Een mens? Ik tril even en gluur voorzichtig door de struiken. Ze heeft een mandje bij en ziet er nog jong uit, weinig vlees. Maar beter dat dan niets. Ik verzamel al mijn moed en sluwheid zoals een wolvenmoeder met welpen in nood doet. Waar zit trouwens de wolvenvader? Zucht. Ik zal het weer alleen moeten oplossen.  'Dag lief meisje, waar ga jij heen'? Zo alleen?' Ik onderdruk elk wolvengehuil dat in me opkomt en lach zo lief mogelijk.  'Dag wolf, ik mag eigenlijk niet met je praten want je bent een kippendief,' zegt het meisje eerlijk.  'Ach, ach, ik ben een brave wolf. Wat heb je een mooi rood kapje op, wat leuk.' Ik leid haar af, stem haar vrolijk. Wat ziet ze er dom uit. Dit wordt nog leuk.  'Ja, ik ben Roodkapje en ik ga naar grootmoeder koekjes brengen. Ginder staat haar huisje in het bos.'  'Weet je, pluk nog maar wat bloemetjes voor haar, dat zal ze fijn vinden,' grinnik ik.  'Oja, dankjewel lieve wolf, wat een goed idee. Tot later!' wuift Roodkapje.   'Ja, Ja, tot later!' grijns ik vrolijk terug.  Haha, er is ook een grootmoeder! Ik wil 2 mensenhappen. Dan hebben mijn welpen meer moedermelk straks. En de malse meisjesbouten sleep ik wel naar het nest mee. Ik haast me naar het huisje. Grootmoeder slaapt. Die eet ik straks wel op. Ik sluit haar op in de kast. Ik trek een nachtkleed van haar aan, zet een slaapmuts op en leg me in bed. Zo denkt Roodkapje zeker dat ik haar grootmoeder ben. Ik grom en grijns.   'Klop klop klop'. Daar zal Roodkapje zijn.  'Kom maar binnen.'  Mijn stem kraakt. Ze zal het er toch mee moeten doen.   'Dag grootmoeder, wat hebt U grote ogen.' Het kind staart me aan met die naïeve mensenblik.  'Dan kan ik je beter zien, mijn kind.' Ze is wel mager maar ze ziet er oh zo mals en sappig uit.   'En grootmoeder, wat hebt u grote oren,' kijkt Roodkapje verbaasd.  'Dan kan ik je beter horen,' grijns ik. Hoe lang zou ik dit spelletje nog rekken? Mijn maag gromt.  'En wat hebt u grote tanden!'  ‘Dan kan ik je beter OPETEN!'   Met een diepe grom spring ik op Roodkapje af. Ze gilt het hele bos bijeen. Wat een kabaal maakt dat wicht.   Maar wie is dat nu weer? Een jager?   'Halt, stop of ik schiet. Maak dat je wegkomt!'  Ik hoor een schot en spring het huisje uit door het raam.   Snel verdwijn ik het bos in. Die mensen en hun geweren, ze gunnen me niets.  Stilletjes loop ik terug naar mijn welpennest. Ik hoor mijn 5 kleintjes zachtjes janken.  Gelukkig heb ik het mandje mee kunnen grissen op mijn vlucht. Haha, dat hebben ze niet gezien daar in hun stom huisje. Mijn welpjes smikkelen en smakkelen. Mijn kleine triomf. Ik dek mijn welpjes zachtjes onder met grootmoeders nachtkleed. Ze sluiten hun oogjes.   'Awoooooooooo Awooooooooo.'   Deze wolvenmoeder staat er morgen terug. Ik wed dat ze mijn wolvengehuil tot in het huisje horen.     Tekening: Atia Chaudhry

Lumes
18 3

Barcode

In het café hangt de geur van oud bier en een citroenachtig schoonmaakmiddel, waardoor de muren nog geler lijken dan ze daadwerkelijk zijn. Mijn vrouw is weg met haar vriendinnen vandaag. Een uitgelezen kans om een dag aan de bar door te brengen. Ondanks dat ik het thuis heerlijk vind, nog steeds na al die jaren, blijf ik behoefte hebben aan de gezelligheid die daarbuiten op een mens ligt te wachten. De supporters zijn in steeds luider wordende gesprekken en kreten over de wedstrijd verzonken. Twee clubs die ik zelf nog nooit heb zien spelen, zijn hier schijnbaar mateloos populair. Terwijl alle plekken worden bezet door druk met elkaar sprekende groepen, zit aan een kleiner tafeltje iemand eenzaam achter een computerscherm. Ik zie vanaf de zijkant hoe hij druk in zijn telefoon zoekt. Zijn grijze pak is eigenlijk net te groot voor zijn postuur. De beltoon piep zijn weg uit de telefoon. Niemand lijkt erdoor afgeleid te raken, maar bij mij komt het duidelijker binnen. De man opent een gesprek: “Ik zou u willen vragen of u volgende week kunt langskomen,” begint de man, met een vlakke, zakelijke toon. “We hebben bij MegaMarketResearch wat informatie over uw bedrijf nodig voor ons onderzoek. Ja, kunt u op dinsdag? Hartstikke mooi. Bedankt en tot dan!” Hij legt de telefoon heel even op de tafel voor hem neer, om hem na exact drie seconden weer in de hand te nemen. Met lichte nieuwsgierigheid observeer ik hoe de man een nieuw nummer lijkt in te toetsen. Terwijl hij opnieuw een verhaaltje afsteekt, zit ik plotseling vol verbazing op de kruk. De woorden die hij spreekt zijn bijna identiek. Alleen de “dinsdag” is veranderd in een “woensdag”. Een snelle blik opzij. Ik pak het ongebruikte bierviltje dat naast mij op de toog ligt. Er zit een kring van eerder op de dag op het karton, die een achtergelaten spoor van een van de zovele bargasten kort had vastgelegd. In mijn binnenzak bevindt zich nog een blauwe pen die op het witte vierkantje kan schrijven. Het eerste turfje. Vluchtig lijkt de mysterieuze beller iets in zijn computer in te vullen. Hetzelfde patroon herhaalt zich wederom: “Wij zouden het waarderen als u volgende week op bezoek kunt komen. We hebben als MMR graag wat informatie over uw bedrijf voor ons onderzoek. Ja, wilt u op donderdag? Hartstikke goed. Hartelijk dank en tot ziens!” Streepje twee. Nieuwe ronde. “MMR heeft graag wat informatie over uw bedrijf voor onderzoek.” De ruimte begint te veranderen. Het stemgeluid wordt monotoner. De woorden die hij spreekt, lijken steeds meer iedere andere gedachte te verdringen. “U bent op vrijdag beschikbaar?” Een tevreden geluid na de bevestiging. Zonder enig meetwerk voel ik de temperatuur stijgen. Weer hetzelfde script. “MMR….” Ik merk dat mijn hoofd strak blijft staan, met grote ogen. In mijn nek ervaar ik een lichte tinteling. De wereld voelt minder solide dan ik haar ken. De witte kleur rondom het reclamelogo verdwijnt steeds verder onder de druppels inkt. Steeds meer verticale streepjes. Vijf, zes, zeven. Waar gaat deze man nog meer naartoe bellen? De signalen komen niet meer goed bij me binnen. De herrie van de voetballiefhebbers verdwijnt langzaam maar zeker, tot er slechts een onderwatergeborrel overblijft. Ik ruik de citroen scherper dan eerst. Een haast chemische lucht doet mijn gezicht vertrekken. Ik ervaar niets meer buiten mijzelf, de beller en die angstaanjagende stem. Mijn vingers zijn blauw van alle inkt. Meer piepjes. Hij begint opnieuw. Met het voorbijkomen van de klanken van zijn steeds vreemder klinkende stemgeluid zet ik een nieuwe streep. Alles is vol. Geen pennenstreek past meer op het voorwerp. Maar de man blijft, terwijl ik de duizelingen voel, praten. Ik hoor niet eens meer wat hij zegt. Mijn hoofd probeert over mijn schouder te kijken. Niets lukt meer. Ik lijk van het zitvlak af te vallen. Het mobieltje in mijn binnenzak trilt. De vibratie doet me ontwaken uit mijn bubbel, terwijl ik een gevoel krijg alsof ik een zware kater te pakken heb. Ik had de ringtone onder het lawaai waarschijnlijk niet eens kunnen horen. Een onbekend nummer belt mij. Zodra ik opneem, is eerste dat ik hoor: “Goedemiddag. U spreekt met Tom Verhaegen van MMR. Ik zou u willen uitnodigen….” Zijn hoofd draait mijn richting uit. Voor het eerst hebben we direct contact. De zweetdruppels moeten duidelijk zichtbaar van mijn voorhoofd naar beneden zijn gerold. De verbazing en paniek lijken iets te zijn waar hij hongerig naar is, zonder dat hij er direct op reageert. Ik kijk in zijn wazige gezicht en indringende ogen. Het ziet er getekend uit. Maar terwijl ik hem aanstaar, lijken al zijn trekken vloeibaar te worden. Alle rimpels die zijn gezicht rijk is, verdwijnen als rimpelingen op het water. Alleen een massa met een vreemde vleeskleur is nog zichtbaar. Mijn gehoorgang vult zich met een overweldigend gesuis. Ik stik bijna in de doordringende lucht die om mij heen hang.  De lampen in de kroeg lijken door te branden. Nadat al het gele licht is uitgevallen, maakt het plaats voor de witte gloed van tl-buizen aan het plafond. Mijn blik richt zich op mijn hand, waarmee ik nog steeds driftig streepjes probeer te zetten op het kleine viltje. Het viltje is er helemaal niet. Het papier onder mijn pen is een getypte tekst, die door mijn gekras inmiddels onleesbaar is geworden.  Er klinkt nog steeds een stem in mijn oor, maar het geluid verandert van richting. De stem van Tom Verhaegen wordt vervangen door een lagere stem, die recht van voren in plaats van via de zijkant binnenkomt. De beller van MMR is veranderd in een man met een strak uniform. Een gestalte zonder telefoon, die naar voren leunt over de tafel waaraan wij beiden zitten. Zonder kraak spreekt hij me toe: “Meneer Verhaegen? Stop eens met het onderkliederen van de formulieren. Alles is al bekend. Uw bedrijf heeft illegale pillen doorgesluisd naar allerlei slachtoffers. Ieder detail van uw praktijken is door ons ontrafeld. Dit is geen café. Dat weet u na drie uur verhoor best." Ik bekijk het blad peinzend. Met al het blauw heb ik de tekst van mijn eigen bekentenis weg proberen te vegen. Elke poging is echter kansloos. Ik zit hier, omdat ze het al weten. Mijn vrouw weet het ook al. Het gezellige stadje waar ze met Marian en Petra heen zou gaan, bestaat helemaal niet. Ze is vertrokken naar haar zus. Toen de politie voor de deur stond, vluchtte ze, zoals ik dat nu tevergeefs ook geprobeerd heb. De dag aan de bar is slechts de laatste vluchtroute die mijn geest heeft verzonnen om de ondergang van mijn medische praktijk te vermijden. De zware deur valt in het slot. Ik zit alleen, precies zoals toen ik het idee van mijn kliniek bedacht. 

Deejay
14 1

Big boy

De laatste weken droom ik dat ik iets kwijt ben. Ik dwaal door het huis van mijn jeugd, de monumentale trap op naar de eerste verdieping waar in een nis een eind boven mijn kruin een opgezette haas staat. Schutkleurig, kreupel.Hij staart me aan. Hier is niets te vinden, jongen, zegt hij.Hij neemt de rest van zijn dood nog maar één houding aan: stijf van de houtwol, staand op zijn achterpoten, zijn voorpoten als sabels de lucht in. Nu klop ik aan. Daar is mijn moeder, zij is het. Haar ben ik dus niet kwijt. Als ik mijn arm strek kan ik bij haar kamerjas met de zilveren stiksels, bij haar vochtige hals, maar er is terughoudendheid geboden.Ik heb hartkloppingen, zegt ze.Ik ook, zeg ik, omdat ik het niet begrijp.Ga met Elvis spelen, sommeert ze me. Elvis heeft geen vacht, wel organen die je doorheen zijn huid ziet pompen. Telkens als ik ernaar kijk, verwacht ik dat ze gaan ophouden want Elvis is ziekelijk, zoals zoveel te ver doorgekweekte naaktkatten. Zijn huid is geïnfecteerd, zijn ogen etteren doorlopend. Ik loop in halve cirkels om hem heen.In de vooravond zit mijn moeder in de sofa met een okerkleurig glas en een trillende Elvis op haar schoot. Ze begrijpt hem zo goed, zegt ze, altijd tegen mij.  Vooraan in de gang is een smalle, hoge deur, met daarachter warme poedergeur en borduursels.Ik kleed me uit en schuif het bed in, wacht. Als ik me uitstrek komen mijn koude voeten tot halverwege de matras. Ik wil hier slapen, als een koekoeksjong. Tegen mijn rug voel ik Gita’s warme buik, haar arm reikt over me heen, haar hand landt op mijn sleutelbeen.Does it still hurt, vraagt ze.Yes, zeg ik met mijn verminkte s. Er zit een gat waar mijn voorste melktanden vanochtend nog zaten. In mijn eigen bed ben ik alleen dat waaiende gat in mijn mond, maar hier is het windstil.Ze geeft me zachte klopjes.Good night, fluistert ze.Good night, fluister ik, met hetzelfde Letse accent.  Overdag zet Gita mijn boterhammen met een klap op tafel, zeurt ze over huiswerk en modder aan mijn schoenen. Ze heeft een contract na te leven, verplichtingen die mijn moeder haar oplegt en waar mijn vader haar voor betaalt.Na bedtijd geldt het contract niet. In de ogenblikken vlak voor de slaap me naar beneden trekt, is Gita ongebonden. Wanneer ze niet kookt, schoonmaakt of me voorleest, verzorgt ze Elvis. Dagelijks wordt hij in lauw water met olie gewassen, zodat zijn huid het nog even trekt. Vanaf een afstand kijk ik toe. Elvis is bang voor het water, maar wanneer Gita hem toezingt, precies op de rand van de stilte, stopt het beven.  Kaķīt’s mans, kaķīt’s mans,melns ar baltām ķepiņām. Hij is kneedbaar en voller in haar handen. Ik ben acht. Nieuwe, grote tanden hebben het gat in mijn mond gevuld. Big boy, zegt Gita, en dat ik weer in mijn eigen bed kan slapen nu, maar dat gebeurt niet. Dan ben ik plots dertien en bereiken mijn koude voeten bijna de bedrand. Wanneer ze toevallig Gita’s onderbenen raken, zucht ze en dan doe ik het opnieuw. Big boy, big boy. Ze vraagt me te helpen bij het wassen van Elvis, maar ik weiger. Zijn dood is nakend, ik ruik het al aan hem. Ze wast hem op twee meter van waar ik huiswerk maak. Tussen mijn wimpers zie ik het licht iriseren op het badwater, op Elvis’ glibberige vel. Gita’s handen vinden geen grip, lijken te zweven. Haar vingers zijn behendig, ze weten alles. Elvis verroert zich niet. Ik zie zijn kattenogen met die typerende diepte die geen diepte is, alleen reflectie. En overal daardoorheen: pus. Op de ochtend van mijn veertiende verjaardag ligt hij opgekruld in zijn mand. We krijgen hem moeilijk uit die krul. Hij kan als we dat willen in de nis op de eerste verdieping gezet worden, naast de haas, maar dat willen we niet. Er wordt een gat in de tuin gegraven en wanneer alles achter de rug is, komt er een zerkje bovenop. Daarna begint alles gevaarlijk te hellen. Na bedtijd is er steeds minder toeval. Ik ben alleen nog wildgroei, overdaad. Gita zucht steeds vaker, draait zich dan om; haar rug is een kil, ademend schild. Ik vind geen houding, kan niet bedaren, alles is klam.You should sleep in your own bedroom from now on, zegt ze.Ik doe alsof ik het vergeet, houd me gedeisd, maar ik kan niet tegenhouden dat ik word wat ik primair ben: roofzuchtig. I should tell your mother, zegt ze.Ik denk aan Elvis’ laatste bad, zijn onhoorbare spinnen. Ik grijns naar haar en ze wendt haar blik af terwijl haar handen zich kort ballen – ze heeft ze zeker gezien, al mijn volwassen tanden. Tijdens een van die nachten geeft Gita mij een duw en beland ik plat op mijn buik naast het bed. Ik kom overeind, grijp haar vast en bijt in haar onderarm. De wond bloedt in twee boogjes, een opwaartse en een neerwaartse. Ze kijkt me verrast aan. Ze wikkelt er een verband rond en zegt niets meer, ook niet wanneer ik weer naast haar ga liggen. Precies even groot zijn we, maar ik ben breder.I should tell your mother, zegt ze opnieuw, maar het is niet ondenkbaar dat ze erbij grijnst. Ik moet de kamer uit, het onheil nadert. Wanneer ik opsta, begint het me te duizelen. Waar moet ik heen, waar is de dreiging het kleinst?Ik ga het huis uit, wandel naar de plek waar Elvis begraven ligt. Ik wil hem terug. Ik begin te graven, kluiten aarde hopen zich op tot een heuveltje naast het gat waarin een houten kistje bloot komt te liggen. Er liggen alleen botten in, maar ik herken Elvis meteen.Achterbakse kat, zeg ik, je bent niets veranderd.Zo ver mogelijk smijt ik hem weg; hij valt rammelend in het gras en activeert meteen een sprinkler. Binnen is het koud geworden. Opkomend zonlicht valt horizontaal door de ramen. Helemaal tot vooraan het huis loop ik, tot bij de garage. Ik kan de deur beter dichtlaten, weet ik.Op deze plek blijf ik staan, ik heb geen keuze. Daar is het dan eindelijk, precies zoals het altijd komt, bedrieglijk terloops: zwart gas dat onder de garagedeur vandaan komt, de gang vult. Ik leg mijn hand op de klink en duw die naar beneden, maar de deur zit op slot.Ik roep mijn moeder, die me eerst niet hoort en ten slotte heel traag en argwanend de trap afdaalt, waar ze halverwege blijft staan omdat ze niet begrijpt wat ze ziet.Wapperend met haar armen nadert ze me. Dan duwt ze me weg en werpt haar volle gewicht tegen de deur waarachter het gebeurt, maar haar volle gewicht stelt niets voor. Ze loopt naar buiten, probeert de garagepoort te openen, daarna de achterdeur – alles zit vast en uit alle kieren en gaten kringelt het gas omhoog, elegant in de frisse lentezon. Een prachtige dag is het, terwijl we manieren blijven zoeken om binnen te geraken in de garage. Mijn moeder roept een paar keer haar naam en ik denk: het is de eerste keer dat ik mijn moeder haar naam hoor roepen. Ik word er heel verdrietig van, maar het verdriet voelt meteen oud. In het midden van al die gebeurtenissen is er een stilstaand beeld van een slappe Gita die uit de wagen wordt getrokken wanneer de ruimte voldoende geventileerd is. Het is een volkomen kalm beeld, alleen Gita is zichtbaar, verder niemand. Ik zie haar gezicht niet, alleen een deel van haar losgeraakte haar, misschien. Ik roep het telkens op, dwangmatig, al kan ik niet geloven dat iemand toen toeliet dat een jongen van veertien, een kind nog, op dat moment stond toe te kijken vanuit de gang. Weer later legt mijn moeder een hand op mijn schouder en duwt ze me de trap op. Aan de nis met de haas staan we, wiens sabels nu op ooghoogte zijn.Even verwacht ik dat ze zal zeggen dat ze hartkloppingen heeft, dat ze met rust gelaten wil worden en dat ik alles alleen moet afhandelen. Maar dan legt ze haar hand weer op mijn schouder en articuleert nauwkeurig: ze heeft me verteld dat jullie ruzie hadden. Ik heb gezegd dat ze het allemaal verkeerd heeft geïnterpreteerd. Denk je ook niet?Ik reageer niet.Voor de politie zijn verkeerde interpretaties irrelevant, besluit ze. Ze wacht mijn reactie niet af en schrijdt naar beneden, trede voor trede die gigantische trap af, terwijl ze met een witte zakdoek de roetvegen van haar voorhoofd en hals dept.

Veerle Breemeersch
15 2