Zoeken

Wat overblijft

Margot rook de haas voordat Pierre hem op de tafel legde. Onder de gewone geur van wild en bloed zat iets zoets dat daar niet hoorde. Ze drukte haar duim in het vlees aan de binnenkant van de achterpoot en wachtte tot de afdruk terugveerde. Dat deed hij niet. "Die gaat niet naar boven." Pierre keek naar het dier alsof het hem persoonlijk teleurgesteld had. "Valère heeft er gisteren nog voor betaald." "Dan heeft Valère gisteren een slechte haas gekocht." Valère deed de boodschappen en hielp in de keuken wanneer er handen tekortkwamen. Ze hield haar vingers onder Pierres neus. Hij trok zijn hoofd weg en nam de haas weer op. "De andere is kleiner." "De andere is goed. Dat is genoeg." Hij grijnsde en verdween naar de voorraadkamer. Margot veegde haar hand aan haar schort af en keek opnieuw naar het blad naast de snijplank. Juffrouw Amélie had het haar de avond voordien gegeven. Bij het eerste lezen had Margot gedacht dat twee maaltijden door elkaar waren geraakt. Potage à la reine. Snoek. Kapoen met kastanjes. Hazenpastei. Duiven. Artisjokken, pastinaken en wortelen met boter. Daarna kaas, peren in wijn en amandeltaart. Onderaan, door een witruimte van de rest gescheiden, stond rijstebrij met kaneel. "De snoek is er." Cécile kwam achterwaarts door de deur met een natte doek tegen haar borst gedrukt. De staart van de vis brak los, raakte een houten kom en stuurde die over de vloer. Pierre probeerde te helpen en kreeg een slag tegen zijn pols. Margot nam de snoek achter de kop, legde hem op de werkbank en bracht hem met één slag tot rust. Cécile wreef over haar arm. "Rotbeest." "Dat vond je buiten nog een mooie vis." Margot zette haar mes onder de buikvin en daarmee begon de dag. Tegen negen uur had de keuken haar ochtendkou verloren. Achteraan trok bouillon uit kalfsbot, kippennekken, rundvlees en groenten. Cécile trok de laatste stoppels uit de kapoen, terwijl Pierre veren opveegde. Margot hield van dit uur, waarin een keuken nog tijd bezat. Later zouden de pannen elkaar op het vuur verdringen en zou boven een bel klinken alsof beneden niets anders bestond dan de hand die eraan trok. Nu kon alles nog worden voorbereid voor het ogenblik waarop het nodig was. Wat uren nodig had, stond al op. Wat sterk rook, bleef weg van melk en boter. Ze sneed de lever van de goede haas in plakken en liet boter schuimen in een kleine pan. Pierre keek onmiddellijk op. "Ik dacht dat jij hout ging halen." "Dat heb ik gedaan." "En toch sta je hier." "Hout ruikt niet zo." Cécile schoof dichterbij. Margot verdeelde de gebakken lever over drie stukken brood van gisteren. Cécile beet te snel en hield haar mond open om de hitte kwijt te raken. Pierre veegde met zijn korst de boter uit de pan. "Waarom krijgen zij dit nooit?" vroeg Cécile. "Omdat jij het opgegeten hebt." "U weet wat ik bedoel." Dat wist Margot. "Er zitten nog stoppels onder de vleugel." Cécile zuchtte en ging weer aan het werk. Vlak voor de middag kwam meneer naar beneden. Margot zag eerst zijn schoenen op de trap en merkte dat ze zijn tred niet meer herkende. Vroeger had ze kunnen horen of hij kwaad was, honger had of onaangekondigd gezelschap meebracht. Nu zette hij zijn voeten voorzichtig neer, alsof iedere trede eerst overtuigd moest worden hem te dragen. Pierre maakte ruimte. Margot ging verder met de kapoen. Meneer keek langs de koperen pannen, de stenen vijzel, de geopende haas en de snoek, en bleef uiteindelijk rusten op de kom waarin Margot de rijst had klaargezet. "Je hebt eraan gedacht." "Het stond op uw lijst." "Met veel kaneel." "Dat stond er niet bij." Hij glimlachte. "Mijn moeder deed er altijd te veel op." Margot duwde de kastanjevulling dieper in de vogel. "De oude mevrouw kwam zelden in de keuken." "Je weet wat ik bedoel. Maak hem zoals toen." Haar vingers bleven een ogenblik stil. "Welke keer?" Hij leek de vraag niet te begrijpen. "Zoals mijn moeder hem liet maken. Je weet hem toch nog?" Margot keek hem aan. Hij was zestig en zij negenenzestig. In haar gedachten bleef hij een kind uit een andere verdieping van hetzelfde huis. "Ja," zei ze. "Ik weet hem nog." "Ik ook." Hij liep terug naar de trap. Margot hoorde zijn stappen verdwijnen en trok de draad waarmee ze de kapoen had dichtgenaaid iets harder aan dan nodig was. Ze was zeventien geweest. Het bericht was 's morgens gekomen, gebracht door een jongen uit haar dorp die zijn muts in beide handen hield terwijl hij vertelde dat haar moeder die nacht gestorven was. De begrafenis zou de volgende ochtend plaatsvinden. Margot had Béatrice gevonden bij het fornuis. De kokkin had geluisterd zonder haar werk neer te leggen. Er waren die avond twaalf mensen aan tafel voor de verjaardag van de oude mevrouw en de keuken liep al achter. Margot mocht gaan, dat had Béatrice gezegd. Ze mocht haar spullen pakken en naar huis lopen. Niemand zou haar tegenhouden. Alleen kon Béatrice niet beloven dat haar plaats er nog zou zijn wanneer ze terugkwam. Er waren meisjes genoeg die een betrekking zochten, en een keuken kon niet wachten tot verdriet voorbij was. Margot was gebleven. Dat deel had ze later vaak anders proberen te herinneren. Soms maakte ze van Béatrice een hardvochtige vrouw die haar eenvoudig verboden had te vertrekken. Maar Béatrice had haar niet gedwongen. Tegen de avond moest ze de rijstebrij maken waar de oude mevrouw van hield. Ze zette melk op het vuur, voegde de rijst toe en roerde terwijl ze probeerde niet te denken aan de kleren waarin haar moeder begraven zou worden. Ze wist niet welke jurk haar zussen gekozen hadden. Ze wist zelfs niet of er genoeg geld was voor kaarsen. Ze merkte de geur te laat. Béatrice rook hem eerder. De kokkin nam de pan van het vuur, stak een lepel door de bovenste laag en schraapte over de bodem. "Proef." Margot wilde zeggen dat ze wist wat er gebeurd was. Béatrice hield haar de lepel voor. De eerste smaak was zoet. Daarna kwam de aangebrande melk, bitter en vuil, een smaak die achter op haar tong bleef hangen. "Nog eens." Margot proefde opnieuw. Béatrice zette de pan weg. "Onthoud eerst de geur. Dan hoef je dit nooit meer te proeven." Meer straf kreeg ze niet. Dat was bijna erger. Margot spoelde de pan uit, goot nieuwe melk in een andere en begon opnieuw. De tweede rijstebrij brandde niet aan. Meneer was toen acht geweest. Hij had er twee kommen van gegeten. "Margot?" Cécile stond met een geschilde peer in haar hand. "De wijn. Hoeveel?" "Tot ze half onderstaan. Daarna water." Cécile pakte een fles. "Niet die. Dat is meneers wijn." Cécile zette hem terug. De rest van de middag liet weinig ruimte voor gedachten. De kapoen werd voor het vuur gehangen. De snoek kreeg boter, wijn en kruiden. De haas verdween onder deeg. De peren kleurden langzaam donkerrood. Toen het tijd werd voor de rijstebrij, nam Margot de kleine sleutel van het koord onder haar schort. Het suikerbrood en de kaneel lagen samen in de voorraadkast. Ze schraapte suiker in een kom en ving met haar duim het gruis op dat naast de kom dreigde te vallen. De kaneel had Valère uit Antwerpen meegebracht; volgens de kruidenier kwam hij van Ceylon. Cécile keek naar de suiker. "Nog een lepel?" Margot knikte. Daarna zette ze de melk op en gaf Cécile de houten lepel. "Niet alleen bovenaan." "Dat doe ik niet." "Je voelt de bodem niet." Margot legde haar hand over die van het meisje en veranderde de hoek van de lepel tot het hout zacht over de bodem schraapte. "Daar." Cécile bewoog langzamer. "Nu voel ik het." Margot liet haar los. "Onthoud dat." Later in de middag kwam Amélie naar beneden. Ze droeg een eenvoudige grijze jurk en geen juwelen. "Wanneer komen de gasten?" "Er komen geen gasten. Vader heeft die twaalf plaatsen zelf gevraagd." Margot draaide de kapoen een kwartslag. Achter Amélie verschenen twee mannen in de gang. De oudste droeg een donkere jas; de jongste had een schrift onder zijn arm. Hij opende de linnenkast en begon servetten te tellen. "Die met het blauwe borduursel horen bij de kleine salon," zei Margot. "Als u alles samen telt, kunt u opnieuw beginnen." De man keek naar Amélie. "Laat hem maar, Margot." Nu zag ze de kleine papieren kaartjes. Eén hing aan de hoge kast, verderop zag ze er nog een aan de klok en een derde aan het marmeren tafeltje. Ze hoefde niet te lezen wat erop stond. Margot schepte vet uit de braadslede en goot het over de kapoen. Ze had de gesloten kamers gezien, de reparaties die niet meer uitgevoerd werden, de wijnkelder die leger bleef dan vroeger. Sinds de zomer werden er minder mensen ontvangen. Ze had ieder teken apart gehouden van het volgende. "Wanneer moet de keuken leeg zijn?" Amélie aarzelde. "We vertrekken overmorgen." "Dat vroeg ik niet." "Overmorgen, Margot." Margot schepte opnieuw vet over de kapoen, hoewel dat niet nodig was. "En sinds wanneer weet u dat?" "Vader heeft in augustus beslist. We wilden eerst alles regelen." Augustus. Margot dacht aan het meel dat ze in september had besteld, de wintervoorraad, de nieuwe pot mosterd. Ze had niet gevraagd waarom er geen hout meer naar de bovenste kamers ging. "Wie eet er?" "Vader, Philippe en zijn vrouw, de kinderen en ik." "Zeven." Margot keek naar de gerechten. De snoek die meneers vader graag had gegeten. De kapoen die de oude mevrouw ieder jaar op haar verjaardag vroeg. De hazenpastei waar Philippe als jongen ziek van was geworden omdat hij er te veel van had gegeten. De peren. De amandeltaart. Vijf lege plaatsen. "Vader wilde nog één keer alles zoals vroeger." Tweeënvijftig jaar had Margot in deze keuken gestaan; de man die de servetten telde had eerder geweten dat het voorbij was dan zij. "Dat kan niet," zei ze. Margot strooide kaneel over de rijstebrij. "Maar hij kan dit krijgen." Amélie vertrok. Margot wachtte tot de deur boven dichtviel. Daarna liep ze naar de wijnkast en haalde de fles die ze Cécile eerder uit handen had genomen. Ze zette vier aardewerken bekers op de werktafel en schonk ze in. Pierre keek naar haar toen de stop loskwam. Valère zei niets. Cécile hield haar handen stil boven de schaal die ze afdroogde. Margot schoof een beker naar Pierre, een naar Valère en een naar Cécile. De vierde hield ze zelf. Niemand hief zijn beker. Margot dronk. Daarna zette ze de halflege fles terug tussen de andere wijn. "De kapoen," zei ze. Pierre draaide zich om naar het vuur. De eerste schalen gingen naar boven terwijl beneden de volgende werden afgewerkt. Gerechten verdwenen en kwamen terug. Boven stonden ze bijeen op tafel voor mensen die konden kiezen; beneden moest wat warm hoorde te zijn warm aankomen en wat luchtig was niet inzakken. Tussen het werk door aten zij. Pierre kreeg de wang van de snoek. Cécile brak brood in het braadvet van de kapoen en duwde Valère opzij toen hij hetzelfde wilde doen. Margot proefde van alles en at nauwelijks. De rijstebrij ging naar boven bij het laatste deel van de maaltijd. Margot had het vel intact gelaten en er nog wat kaneel over gestrooid. Cécile droeg de schaal weg. Toen ze terugkwam, was die bijna leeg. "Meneer heeft twee kommen genomen. Hij zei dat zijn moeder hem precies zo liet maken." Margot nam de schaal. Langs de rand zat nog wat rijstebrij. Ze streek er met haar vinger doorheen en proefde. Melk. Rijst. Suiker. Kaneel. Ze wachtte op de bitterheid van de aangebrande melk. Er kwam niets. "Is er iets mis?" vroeg Cécile. Margot gaf haar de schaal. "Was hem af." Het was na middernacht toen de keuken eindelijk stil werd. Margot had Cécile naar bed gestuurd en de laatste pannen zelf geschrobd. Het vuur liet ze laag branden. In al die jaren had ze de keuken zelden volledig koud achtergelaten; een vuur dat 's nachts bewaard werd, vroeg 's morgens minder werk. Op de tafel lag een stuk brood dat ze die ochtend had afgesneden en vergeten. Ze smeerde er wat gestold braadvet op en at terwijl ze om zich heen keek. Er stond geen deeg voor het ontbijt. Niemand had bonen te weken gezet. Aan de haak bij de achterdeur hing geen bestelling voor melk. De rest van de bouillon stond nog in de pot en voor het eerst had Margot niet bedacht wat ze er morgen mee zou doen. In de voorraadkast stonden meel, gedroogde bonen, uien, zout, mosterd en genoeg kaneel voor de winter. Ze sloot de deur. De sleutel bleef in haar hand liggen voor ze hem weer aan het koord onder haar schort stak. Haar messen zou ze aan Cécile geven. Niet allemaal. Het kleine uitbeenmes hield ze zelf. Het handvat was door de jaren glad geworden. Van haar moeder vond ze eerst alleen dingen terug: een zwarte kookpot, een aardewerken kom met een barst langs de rand, een mes met een hoornen heft. Haar gezicht kwam niet. Margot wist niet meer precies hoe haar haar langs haar slapen had gelegen en zelfs de kleur van haar ogen was ergens in de voorbije halve eeuw verloren geraakt. Ze probeerde harder. Dat hielp niet. Pas toen ze het opgaf, kwam de geur. Ui in reuzel. Margot opende haar ogen. Haar moeder bakte uien wanneer er weinig in huis was. Brood erbij, soms een ei als de kippen gelegd hadden. Margot herinnerde zich niet dat ze het bijzonder lekker had gevonden. Maar ze zag een hand. Een brede duim met een nagel die aan één kant krom groeide. Haar moeder viste altijd het eerste stukje ui uit het vet en gaf het aan haar, veel te heet om meteen te eten. Margot stond op. In de voorraadkast vond ze een kleine ui. Ze zette een pan op het vuur, schepte er reuzel in en wachtte tot het vet helder werd. Daarna sneed ze. Niet dun en gelijkmatig zoals ze het Cécile geleerd had, maar in ongelijke stukken. Een dikke schijf, een dunne, daarna een stuk dat eigenlijk te groot was. Ze wist niet of haar moeder werkelijk zo had gesneden. De ui begon te sissen. Margot schoof de stukken door het vet. De scherpe geur veranderde langzaam terwijl de randen doorschijnend werden en begonnen te kleuren. Toen kwam het. Niet het gezicht van haar moeder, alleen die hand. De kromme nagel was er weer. Ze stak haar hand naar de pan, voelde het vet spatten en trok haar vingers terug. Een lach ontsnapte haar voordat ze wist waarom. Ze nam het kleine uitbeenmes en viste daarmee een stuk ui uit de pan. Even hield ze het voor haar mond. Daarna at ze. Veel te heet.

Dominique80
0 0

Artemis & Orion

Het laatste daglicht verdween uit haar haren. Een frisse bries streelde haar wakker. Door haar halfopen ogen zag ze de maan boven de heuvel uitkomen. Het zilveren licht verspreidde zich over de vallei en bereikte haar nest van zacht, sappig mos, zorgvuldig gevlochten takken en uitgekozen veertjes. Ze ontwaakte in de schaduw van haar dichte woud. Nog even duwde ze zich dieper in het mos. Haar blik bleef bij de maan hangen. Haar maan. Vanavond was ze niet vol. Ze was gekrompen tot een stralende sikkel. Artemis glimlachte zacht. Net genoeg licht viel over de donkere hemel om ook het verborgen deel van de maan zichtbaar te maken. Het stuk waar niemand op lette. Het stuk dat zij zelf het liefst verhuld hield. Ze stond op en baadde in het asgrauwe licht. Ze liet het over haar huid stromen, over haar zachte borsten, langs haar vermoeide armen, naar de warmte onder haar navel. Ze leidde het naar binnen, alsof ze de maan zelf in zich wilde bewaren. Daarna keek ze naar de donkere zijde, die ze koesterde als een zeldzame zwarte parel. Artemis voelde hoe het natte mos aan haar voeten zoog. Ze maakte haar blik los van de hemel en zocht haar boog. Haar vingers gleden over de pees. Ze trilden niet. Maar diep in haar borst rolden wilde golven af en aan. Haar geest daverde, terwijl haar lichaam er roerloos onder bleef. In het schijnsel van de maan tekende het pad naar de open plek zich af. Orion. Haar jager. Hij wachtte. Vanavond nam ze slechts één pijl mee. Al weken kon ze zich niet meer aan haar jacht overgeven. Elke pijl die ze afvuurde, vond haar prooi, maar drong nooit echt door. Nochtans was haar grip rond de boog sterk, en haar blik trefzeker. Ze verwondde slechts. En elke wonde die zij maakte, leek zich ook in haar eigen ziel af te tekenen. Ze speurde opnieuw de hemel af, op zoek naar het donkere deel van de maan. Hij was degene die het in haar had aangeraakt. Hij had iets in haar gezien wat zijzelf zorgvuldig verborgen hield. Hij raakte aan haar mysterie, en sinds hij dat had gedaan, voelde haar ongenaakbaarheid niet langer als kracht. Waar zijn blik haar raakte, leek haar huid te gloeien. Het zilver in haar werd vloeibaar en zakte langzaam naar een brandpunt diep onder haar navel. Meer dan eens had ze haar boog in het mos willen werpen en haar vingers daarheen willen brengen. Maar ze had een eed afgelegd. Ze omklemde de boog steviger. Hij stond al op haar te wachten. Zijn eigen boog lag naast hem in het gras. De pijl lag ernaast, onaangeroerd. Ze stapte op hem af. Hij nam haar vast en kuste haar. In één beweging brak iets open wat eeuwenlang gesloten was gebleven. Een honger die ze niet kende, of misschien veel te goed kende, trok door haar heen. Haar handen sloten zich om zijn hals. Ze hield zich aan hem vast alsof ze daarmee haar voeten op de aarde kon houden. Ze wilde niet langer een hemellichaam zijn. Het maanlicht leek om hen heen te pulseren. Haar onaantastbaarheid gleed van haar af. Hij maakte haar boog los. Ze verzette zich niet, ze stak hem haar laatste pijl toe. De pijl die hem had moeten raken. Ze wandelde enkele passen terug, draaide zich om en keek hem strak aan. Geen van beiden bewoog. Toen trok hij de pees van haar boog strak. Ze voelde hem niet binnendringen. Alleen de slag, diep in haar kolkende kern. De pijl drong niet door, zelfs al had hij haar vol geraakt. Ze wankelde niet. En toen begreep ze het: zij was hem geworden, en hij haar. Orion kwam naar haar toe. Hij nam haar vast en legde zijn hand op haar onderbuik, precies daar waar de warmte al die tijd had gewacht. ‘Orion,’ fluisterde ze, bijna zonder stem, ‘heb ik je dan eindelijk gevonden?’ Hij bracht zijn gezicht naar het hare en kuste haar opnieuw. Dit keer ontloken haar lippen in warmte. Haar adem stokte. Hij trok zich terug en in zijn ogen zag ze iets veranderen. De wonde die hij haar had toegebracht, had ook hem bereikt. Iets wat hij zo lang had verborgen gehouden, kwam naar boven en liet zich niet meer terugduwen. Ze maakte zich van hem los en voor het eerst zagen ze elkaar naakt. Er nestelde zich een broze warmte in hun lichamen. Ze keek naar de pijl die tussen hen in lag en liet haar blik omhoog glijden naar de maan, naar het donkere deel dat zich niet langer verborg. Voor het eerst wist ze niet meer wie van hen beiden de jager was.   

Jolien Van de Velde
250 0

Kunstuur

Ze keek naar het visgraatmotief dat in het parket verweven zat. Ze volgde het patroon en liet zich naar de zware deur leiden. Ze sloot haar ogen, liet de geluiden van de ruimte over zich heen spoelen. Zo drong hij langzaam bij haar binnen. Zijn voetstappen klonken gedecideerd, zelfs lichtjes gejaagd. Opwinding echode in zijn kielzog door de gang. Met een trage zwaai opende ze de deur. Zoals altijd verwelkomde ze haar vaste bezoeker met de warmte die ze voor hem had opgespaard. Ze gloeide als een laatste zomerdag in de herfst, waarop elke kleur nog één keer in haar warmste tint te zien was.  Het warme eikenhout van het parket vormde een vreemdsoortige harmonie met de bijna klinische witte muren van de kunstgalerij. De werken varieerden in grootte en kleur. Ze zorgden zo voor een fragiel evenwicht in de kamer. Doorheen de ruimte klonk enkel hun ademhaling. Ze hoorde het zachte schuiven van zijn kleding wanneer hij zich iets naar voren boog om een kus op haar wang te drukken. Hij was klaar om de rondleiding voort te zetten. Haar hakken tikten speels op het houten parket. Ze leidde hem steeds verder naar binnen.  Ze liepen voorbij de werken die ze in de weken ervoor hadden besproken. Haar uitleg volgde een vast stramien. Telkens begon ze met een naam. De nacht waarin het was ontstaan. Een lichaam dat ze zich na jaren nog precies herinnerde. Ze streek met haar vingertoppen over littekens, kleine onvolmaaktheden die haar intens aantrokken en een liefdevolle genegenheid in haar opriepen. De kleine imperfecties maakten haar alleen maar vastberadener in haar toewijding. Het was haar gave, had ze gezegd. Om de weeffouten van het lichaam met tedere vingers te beroeren, tot ze even verdwenen.  Terwijl haar woorden klonken keek hij gebiologeerd naar de andere mannen. Haar stem zakte soms, alsof wat ze hem toonde niet gemaakt was voor het daglicht. Ze vertelde over mannen die ze nooit echt had kunnen vatten, en daarom zo lang had begeerd. Ze vertelde, en ze kreeg het onbestemde gevoel dat haar herinneringen niet langer alleen van haar waren. Naarmate het ritme van hun voetstappen samenviel, viel ook zijn schroom weg. Wanneer hij wegkeek en hun blikken daarna elkaar terugvonden raakten ze elkaar nog dieper aan. Op die momenten werd de ruimte kleiner, werd ze zich bewust van haar handen en de warmte in haar gezicht.  Ze gingen verder, ze weidde uit over het zoete gevaar van haar geheimen, over de opwinding die kon ontluiken wanneer iets niet mocht bestaan. Zonder franjes gaf ze toelichting bij de werken die haar sensuele drift verbeeldden. Over beproefde technieken en gewaagde experimenten. Hij luisterde zonder enig ongemak, alsof het donkerste werk een ereplaats verdiende in haar collectie.  Telkens wanneer ze iets nieuws onthulde, trok er een lichte spanning door haar lichaam. Dan rechtte ze haar rug, sloeg ze haar blik naar beneden en pas toen de laatste klank van haar woorden verdween keek ze hem recht in de ogen. Soms wist ze niet meer wat haar het meest blootgaf: het verhaal dat ze vertelde, of de manier waarop ze hem aankeek terwijl ze het vertelde. Ze naderden de deur van haar atelier. Begeleid door etherische stemmen dreven ze naar dat kloppende hart van haar privégalerij. Monteverdi. Madrigali guerrieri e amorosi. Altri cante d’Amor. Laat de anderen maar over de liefde zingen. Liefde en oorlog. Ze stapte binnen, hij volgde.  In het midden stond een tafel waarop een blad lag. De eerste lijnen waren al uitgetekend. Haar mond, haar lippen met hun zachte welvingen. Vingers die reikten naar haar albasten lichaam. Ze liet haar hand in de zijne glijden. Op de tast las ze zijn littekens. Zijn hand trilde, ze had hem nog nooit zo aangeraakt. Ze registreerde zijn angsten, zijn pijn. Ze ontleedde zijn drift en dissecteerde de weg naar zijn ultieme genot. Ze liet zijn hand los, liep naar het papier en bleef even staan. Plots draaide ze zich om. ‘Deze keer kan ik het niet alleen’, fluisterde ze. Ze nam het stuk houtskool en gaf het aan hem. Hij antwoordde met een aarzelende blik.  Hij stapte naar voren. Een dunne, onzekere lijn verscheen. Ze observeerde de beweging van zijn hand. Er was iets onherroepelijks aan zijn eerste spoor. Hij viel stil. Ze kwam naast hem staan, hun schouders raakten elkaar bijna. Ze rook de warmte van zijn huid, en hoorde hoe zijn adem stokte toen ze haar hand over de zijne legde. Ze leidde zijn vingers een fractie verder. Toen ze zich terugtrok, bleef hij staan. Hij zocht haar blik. De lijnen waren vers en toonden de plek waar hun handen elkaar hadden geraakt. Geen van beiden bewoog. Het laatste licht gleed langs de witte muren. In de schemering die volgde, bleef het papier op hen wachten.

Jolien Van de Velde
278 0

Bankje

Ik snapte het niet. Ik snapte gewoonweg niet waarom ze me niet zagen staan. Dag in dag uit stapten ze me voorbij. Niet één keer bleef er iemand stilstaan. Niet één keer koos iemand ervoor om even bij mij te rusten, het zonnetje op te vangen en verhalen hier neer te leggen. Ik was nochtans opgefrist. De bloembakken? Die waren gevuld. Alles was klaar om mensen te ontvangen. Maar niemand keek naar me om. Behalve die ene hond. Die elke keer weer zijn rechterachterpoot hief en mij zonder schaamte besproeide. Zijn baas? Gunde me geen blik. Die keek steevast de andere kant op. Verderop was het anders. Daar zaten de jongeren. Elke dag na school lachten ze, aten ze, leefden ze. Ze zaten op de trap van de kapel, dicht tegen elkaar aan. ‘Ik heb misschien niet zoveel plaats… maar met een beetje inschikken past het hier ook. Ik ben een bankje, weet je wel. Om op te zitten.’ ‘Kom hier… zet je neer,’ fluister ik naar elke passant.‘Dan weet ik hoe het voelt.’ Terwijl ik diep in gedachten verzonken was, stond er plots een oude man met een loopkarretje vlak voor mijn neus stil. Hij keek naar links en naar rechts en liet zich kreunend op mijn planken zakken. Oh, wat een zalig gevoel. Eindelijk iemand die ook blij was met mij! Maar het duurde niet lang. De oude man begon te schuifelen en fronste. “Maar wat is die stank?” Hij draaide zich om, tuurde even en las luidop: “honden toilet”. “Een gekke plaats voor dit bankje,” mompelde hij. “Ik zal een brief schrijven naar de gemeente.” Langzaam kwam hij weer recht. Hij nam zijn karretje vast en schuifelde stap voor stap weg. “Dank je wel, oude meneer… en tot snel!” riep ik hem nog na. Maar hij kwam niet terug. Niet de volgende dag. Niet na een week. En ook niet na een maand. Tot, na twee maanden, er plots vier mannen verschenen. Ik begreep niet wat er gebeurde. Ze kwamen dichterbij, overlegden kort en haalden een machine en kettingen boven. Voor ik het besefte, trokken ze me uit de grond. Oh nee… wat gaan ze met me doen? Word ik weggegooid? Of nog erger… maken ze brandhout van me? Halen ze me door de hakselaar? Help… stop… Ik voelde hoe ik loskwam van de grond. Mijn planken trilden. Ik kneep al mijn ogen dicht en hakkelde een schietgebedje. En dan… stilte Aarde, ik voelde de aarde onder mij. Voorzichtig opende ik mijn ogen. Ik keek om me heen en zag het meteen: De kapel! Ik sta dichter bij de kapel. Mijn planken maakten een sprongetje van vreugde terwijl ik stevig in de grond werd verankerd. Ik sta gewoon… dichter bij de kapel. Sindsdien word ik elke dag bezocht. Jong en oud komt langs om even te zitten, te rusten of te lezen. Of gewoon… om te genieten van mij. Net zoals jij.  

Idha Zadel
1 0

Hoger dan ik durfde

Onze moeders zaten gezellig te kletsen en koffie te drinken toen ze onderbroken werden door ons gesmeek. We moesten beloven dat we zeker niet zouden oversteken naar 'het tunneltje'. Het was voor het eerst dat we alleen buiten mochten spelen, zonder dat onze oudere zussen erbij waren. Vanaf het balkon hadden onze moeders zicht op de speeltuin, dus ze konden ons in de gaten houden, had mama nog gezegd. We renden jubelend via het trappenhuis naar beneden. We kunnen niet ouder zijn geweest dan 7 jaar. Ze liep enkele passen voor me en hield plotseling halt op het fietspad. Ze keek naar links en naar rechts om te zien of er een fiets aankwam. Vervolgens keek ze vluchtig achterom om zeker te zijn dat niemand ons zag en stak over richting het tunneltje. Ik volgde zonder te twijfelen. Het tunneltje was altijd al een verboden plek geweest, zelfs als onze zussen erbij waren mochten we er niet spelen. Het was een fietstunnel waarover een trein reed die ons dorp verbond met de grote stad. De tunnel zelf was voor ons een doorgang tussen twee werelden. We waren nog nooit in die andere wereld geweest. Het hekwerk volgde de contouren van de fietstunnel, stevig verankerd in een betonnen boord. Het klom langzaam omhoog, om daarna weer af te dalen naar de stoep aan de overkant. We waren er al vaker geweest, dan klommen we op het betonnen boord, dat laag bij de grond begon en klommen we zo hoog dat we door de spijlen van het hekwerk het duivenkot en de weide met afgedankte materialen van de flodders konden zien. Wanneer we waren uitgekeken liepen we weer terug naar beneden, om vervolgens zo hoog als we durfden van het boord op de stoep naar beneden te springen. Ook deze keer stapte ze direct op de boord en haakte haar arm over de reling. Ik volgde haar en al gauw stonden we op de gekende hoogte van waar we de weide konden zien. Ze stopte even, draaide zich om en zei: "Kom, we gaan verder" . Ik aarzelde maar volgde haar toch verder naar boven, terwijl ik mijn arm steviger vastklemde om de reling. Ze bleef stappen, keek niet meer om en zei niks meer, hoger en hoger... Tot ze bij de brug was. Ik stond enkele passen van haar verwijderd, wachtend totdat ze zich zou omdraaien. Maar ze draaide zich niet om, integendeel, ze reikte met haar linkerhand naar het hekwerk van de brug waarover de trein reed. Ik keek voorzichtig naar beneden, maar de afstand naar de grond was zo groot dat ik me niet meer durfde te bewegen. Zij stond ondertussen al volledig op de brug. Omdat daar geen boord was zette ze haar voeten zijwaarts stap voor stap tussen de tralies en schoof telkens mee met haar beide armen over de reling. "Ko-hom!" riep ze me ongeduldig toe. Ik durfde niet te weigeren en volgde met knikkende knieën haar voorbeeld. Voorzichtig schoof ik mijn voeten tussen de tralies en klemde mijn bovenlichaam tegen de spijlen. Beide armen klemde ik tot aan mijn oksels over de bovenste rand van het hek. Met mijn beide ellebogen naar buiten uitstekend en mijn handen die het koude hekwerk zo stevig vastklemde dat mijn knokkels wit werden, begon ik langzaam zijwaart te schuivelen. Mijn hart bonkte zo hard dat ik amper zou kunnen horen of er al een trein aankwam die ons aan een enorme snelheid en oorverdovend kabaal voorbij zou razen. Ik deed iets wat ik niet mocht doen: Ik keek naar beneden en zag verschillende fietsers onder mij uit de fietserstunnel komen. Het was alsof ik boven hen zweefde. Ik versteende; zag mezelf naar beneden vallen en mijn hoofd en rug zich verbrijzelen op het grauwe fietspad. Ik kneep mijn ogen dicht om mijn blik los te rukken van het bloederige tafereel. Toen ik ze weer opendeed stond mijn buurmeisje op het hoogste punt van de betonnen boord. Het gaf me op de een of andere manier moed om verder te gaan. Daar was in ieder geval beter dan waar ik stond. Terwijl ze iets verder op me stond te wachten, riep iemand ons toe dat we daar niet mochten spelen. We daalden zo snel als we konden, uit schrik dat iemand ons zou verklikken, naar beneden. Voor mij was het vooral pure opluchting dat we weer op veilige hoogte stonden. Na dit gevaarlijke avontuur hebben we braafjes in de speeltuin gespeeld, alsof er niks was gebeurd. Zij en ik hebben het er nooit meer over gehad. Ook niet nadat de nachtmerries begonnen die me nog jarenlang hebben achtervolgd. Tegen mama heb ik nooit durven vertellen wat ik die dag heb gedaan. Sterker nog, het is vandaag pas voor het eerst dat ik dit verhaal vertel.

Idha Zadel
10 3