Zoeken

Drenkeling

De eerste golf rolt aarzelend over haar heen, eb en vloed in haar onderbuik. De tweede beukt in als springtij, een vloedgolf die bezit van haar neemt en zich over haar uitstort. Het verjaagt de slaap. Ze klemt haar dijen tegen elkaar. Rillingen jagen door haar lijf, spier voor spier trekt samen. Haar zware hoofd probeert zich los te maken van het kussen. Een zucht. Ogen die openen en weer bezwijken. In haar ooghoeken talmt de nacht. Ze ontwaakt met een natte gloed in haar dijendal. Een schrijnend gemis moet het zijn, wanneer de slaap zichzelf op deze hulpeloze wijze troosten moet. Ze denkt terug aan de vorige keer dat het haar overkwam in de verstikkende zomergloed. Zo’n hitte waarin de lucht aan de huid kleeft en stolt tot een onwrikbare deken van lood. De droom die haar hier bracht, zindert na. Een droom waarin ze zijn zachte hand dichter naar zich toe trok. Zijn nagels die krasten in het vlees van haar heup. Een dwalende tong over een gewillige hals. Gespreide dijen als een kust waar iemand mocht aanspoelen. Hoe een man vol overgave haar druppelende toewijding dronk. Een vrouw die boven op een man klom, deinend in een zoekend ritme, als helmgras dat zich buigt en overgeeft aan de late zomerbries. De bedrand is plots een onneembare klif. Ze wil enkel nog sluimeren. De droom blijven spinnen tot de volgende nacht zich aandient. Haar spieren verslappen, maar diep tussen haar dijen zinderen de kalme golfjes na – de getemde zee. Ze brengt haar hand opnieuw naar haar dijendal. De herwonnen cadans wiegt haar in trance. Haar ogen sluiten zich. Nog. Opnieuw. Strakgespannen wacht ze op de tweede vloed. Ze hunkert ernaar om meegezogen te worden, kopje-onder te gaan. Nog. Ze smeekt in stilte om weer van de wereld te worden weggevaagd. Haar spieren spannen zich in een boog. Haar lippen bewegen, maar de kreet blijft steken. En dan, met een ademtocht, breekt het. Ze grist het laken van de bedrand. Haar vingers kneden het tot een haastige prop en duwen het tussen haar dijen. Een surrogaat voor het lijf dat ze nu zo vurig tegen het hare wenst. Met de laatste kracht die ze in zich vindt, perst ze haar dijen samen. De druk stuwt een allerlaatste golf door haar lijf. Ze is aangespoeld in de branding van een nieuwe dag.

Jolien Van de Velde
12 0

Anti-eenzaamheidstruien

Op dag één is Anja een verloren mens. Als verloren mens kan je in het asiel een kamer krijgen. Zolang je kan bewijzen dat je je weg naar huis niet meer vindt of geen huis meer hebt om naar terug te keren. Ze vragen aan de inkom om je naam af te staan. Anja wordt voortaan M1047 genoemd. De verloren mensen zijn meestal oud, met al tachtig jaar op de teller of meer. Ze hebben hun schoonheid en hun gezondheid verloren. Ze hebben overal pijn en wachten de dood af alsof die gisteren had moeten komen. Anja, M1047, loopt kreupel en heeft continu pijn aan haar onderrug. Ze wil niet dat het leven haar nog laatste hoop geeft, uit angst ook dat verloren te lopen. Anja had gisteren al moeten sterven. De kamer die Frederik haar toewijst, moet ze delen met M923. De ramen staan wagenwijd open en kijken uit op de binnenkoer. Vanaf de vensterbank zie je de klimop die als een parasiet over de jaren heen het gebouw overneemt. Vanaf de lantaarnpaal, die recht voor het raam naar binnen lijkt te kijken, klimt de parasiet over op de donkerrode bakstenen waaruit de gevel van het hele asiel bestaat. De houten raamkozijnen staan zwak tegen de kracht van de natuur en krijsen als kinderen wanneer ze open of dicht worden gedaan. De vensterbanken dragen de gevolgen van de erosie die de winterstormen en hete zomerdagen hebben achtergelaten. De vloer is volgens een schaakpatroon getegeld en de bedden staan elk horizontaal tegenover elkaar, tegen een uiterste muur van de kamer geschoven. Verder heeft elke kamergenoot een nachtkastje en een stoel om de restjes van hun bezittingen op neer te zetten. De gordijnen bedekken de hele muur van het plafond tot aan de vloer en golven met de wind mee die via het raam naar binnen sijpelt. Voor beide bedden ligt een klein tapijt waar de kamergenoten ’s ochtends hun blote voeten kunnen plaatsen zonder afgeschrikt te worden door de ijskoude tegels. De gordijnen en tapijten lijken sprekend op de dekens van het bed. Alsof ze allemaal gemaakt werden uit hetzelfde mysterieuze, zachte materiaal dat Anja niet kan plaatsen. Op haar bed ligt, bijna niet te onderscheiden van het deken, ook een zachte trui. M923 heeft haar versie van de trui aan wanneer ze de kamer binnenloopt om kennis te maken. “Anj- eh… M1047”, zegt Anja verlegen. M923 vertelt haar over haar eerste week in het asiel en dat ze zich, sinds ze de zachte trui heeft aangetrokken, niet eenzaam of verloren meer voelt. Soms als M923 heel stil is, kan ze de trui zelfs horen fluisteren over zijn vorige levens. Dan neemt de trui haar mee op reizen in een onbekend verleden en laat haar een glimp van de emoties voelen die ze zelf heeft verloren. Maar aangezien de truien het asiel niet mogen verlaten, heeft M923 besloten de rest van haar leven hier te blijven. Frederik komt binnen en neemt met zijn uitpuilende ogen de situatie in de kamer in zich op. Hij ziet er geniepig uit, denkt Anja, alsof hij continu van plan is om betrapt te worden. Hij is een man van rond de vijftig. Zijn haar, dat bijna doorzichtig is, is verzorgd naar achter gekamd en vastgezet met haarspray als het kapsel van een maffiabaas. “Mensen, het is etenstijd”. De medewerkers in het asiel mogen de verloren mensen enkel met ‘mens’ aanspreken. Kwestie van hen niet uit hun verlies te brengen door hun eigenschappen van vrouw- of manzijn toe te eigenen. ‘Mens’ beschrijft op de beste manier datgene wat er van de personen overblijft: een lichaam zonder doel. M1047 en M923 wandelen zij aan zij de trap af naar beneden. Eén van beide is eenzaam en verloren, de andere heeft een zachte anti-eenzaamheidstrui aan. Op dag twee wordt Anja wakker in hun gedeelde kamer. Ze plant haar voeten in het tapijtje langs haar bed en met een kreun duwt ze kracht naar haar zwakke benen om recht te staan. Loom wandelt ze naar de ramen en trekt ze de gordijnen open. Op de binnenkoer staat Frederik onder een boom curieus naar het dak van het gebouw te kijken. Wanneer Anja de ramen opent en uit het raam voorover buigt, merkt Frederik haar meteen op en zwaait hij. “Niet springen, hè, mens”, grapt hij. Maar dat vindt Anja niet grappig. Hoewel ze vorige nacht, onwetend dat het de enige keer in haar komend verblijf was, aan een stuk door heeft geslapen, voelt ze zich nog steeds eenzaam en verloren. M923 ontwaakt wanneer Anja terugschuifelt naar haar bed. Ze staat snel recht en trekt haar anti-eenzaamheidstrui aan. De kamergenoten kammen beiden hun haar. Anja merkt op dat de bos haar op het hoofd van haar kamergenoot er eentje is om trots op te zijn. M923’s donkerbruine, wervelende krullen hangen langs alle kanten van het hoofd en worden met hulp van de zwaartekracht naar de aarde getrokken. Wanneer beiden klaar zijn, benen ze met moeite en pijn hun weg van de trap naar beneden. Aan de ontbijttafel merkt Anja op dat iedereen met trots zijn eigen anti-eenzaamheid draagt. Afgeschrikt door de verhalen van M923 had ze vanochtend besloten om de trui nog niet aan te doen. Maar eens Frederik dat opmerkt, vraagt hij haar: “He M1047, heb jij geen trui gekregen? Het is koud vanochtend, straks word je ziek”. Dus Anja keert kreupelend terug naar haar kamer, neemt de trui die ze zorgvuldig over het frame van haar bed had geplooid en trekt hem aan. Ze voelt zich instant zacht en warm. Wanneer ze de kamer opnieuw uitloopt, struikelt ze bijna tegen een groene katoenen legerzak die tegen de binnenkant van de deurlijst staat. Zonder curiositeit geeft ze deze, tot zover ze kan, een schop en versnelt haar strompel terug naar het ontbijt. Over een kommetje overgebakken havermout vertelt ze M923 het gelukkige nieuws. M1047 voelt zich niet eenzaam meer. Het is nacht zeven wanneer M1047 voor de zoveelste keer wakker schiet uit een verschrikkelijke droom. Een bij draaide rond en rond haar hoofd met als enige doel zich in haar oor te nestelen. Daar zou hij haar het leven zuurder maken en zoemen tot ze alles op zou geven. De kamer ligt er bewegingloos bij, toch blijft ze onder de zware stilte een subtiel gezoem horen. Ze gaat rechtop zitten. Haar wazigheid klaart op en alles wordt weer rustig. Het licht van de lantaarnpaal, dat voor het raam naar binnen lijkt te kijken, wurmt zich een weg tussen een spleet in de gordijnen en trekt een streep op haar gezicht. Anja hoort iemand langs hun deur in de gang lopen. De passen verplaatsen zich richting de trap en kort daarna hoort ze het ritmisch gewandel weergalmen op het plafond. Op de verdieping boven hun kamer, de zolder, wordt het geluid van de voetstappen steeds doffer tot volledig onhoorbaar. Gerustgesteld gaat Anja weer liggen. Ze draait haar gezicht richting M923. Haar kamergenoot lijkt, in vergelijking met haar, geen moeite te hebben met moeilijke dromen en heeft al elke nacht volledig doorgeslapen. Anja merkt plots een kale plek achter het oor van M923 op. Waartegen het licht dat langs de andere kant van de kamer door de gordijnen sijpelt, weerkaatst. M1047 is verbaasd. Had haar kamergenoot geen grote krullen kruin waar ze enkel jaloers op kon zijn? Als ze haar ogen lichtjes toeknijpt, kan ze zich inbeelden dat het weerkaatste licht de Noordster is, die als eerste in de duisternis boven durft te komen. Omvangen door slaap, draait ze haar hoofd de andere kant op en dommelt ze in. Op dag dertien wordt M1047 moeizaam wakker uit een te korte nacht. De bij blijft haar nachten verstoren en overheerst bijna al haar dromen. Haar ledematen voelen zwaar en haar hoofd is wazig. Ze heeft het gevoel vastgenageld te zijn aan haar bed en als het kon, zou ze eeuwig blijven liggen. Rustig draagt ze haar beide benen boven de lakens uit en plant ze die in de zachte stof van het tapijtje voor haar bed. “Goedemorgen”, M923 kijkt haar stralend en uitgeslapen aan. De grootte en de hoeveelheid van de kale plekken op het hoofd van M923 zijn toegenomen. De zwaartekracht kan de krullen niet genoeg naar zich toe trekken om al haar haarverlies te bedekken. Waardoor M1047 overdag verschiet wanneer ze tegen de achterkant van M923’s hoofd blijkt te spreken. Besproken haaruitval zal M923 niet beter doen voelen, dus M1047 denkt dat het verstandiger is om er niets van te zeggen. Er komt een leeftijd waarop veranderingen niet meer mogen choqueren, ook al verandert er iets heel snel. Zelf lijkt M1047 ook last te hebben van haaruitval. Het is minder opvallend dan bij haar kamergenoot, maar toch moet ze toegeven dat ze al enkele ochtenden wakker geprikt werd door kleine haartjes die op haar kussen lagen. En wanneer ze ’s ochtends haar haar kamt, voelt ze plekken boven haar hals en achter haar oren die minder begroeid zijn dan ze dacht. Frederik komt binnen. Ook hij ziet er vermoeid uit. Op zijn rug slingert een groene katoenen legerzak, net als diegene waar Anja twee weken geleden tegen had getrapt. “Wat doen jullie mensen hier nog? Het ontbijt is al vijf minuten bezig, maak dat je beneden staat!”. De kamergenoten trekken snel hun trui aan en slenteren met hun tengere benen de trap af naar de kantine, waar een afgekoeld bordje overgebakken havermout op hen te wachten staat. Wanneer ze in de namiddag terug op hun kamer komen, zijn de bedden opgemaakt. Samen schuiven M1047 en M923 hun stoelen voor het raam en kijken ze naar buiten. Op de binnenkoer worden breilessen gegeven. Maar aangezien de kamergenoten al heel de voormiddag anti-eenzaamheidtruien hebben gebreid, nemen ze pauze en kijken ze in rust mee. Door de wolken komt de zon boven en al streelt die hun gezichten, zien ze er beiden lelijk en versleten uit. De volledige zestiende nacht heeft M1047 uit angst niet geslapen. Ze heeft het gezien. Ze heeft alles gezien. De bij die haar elke nacht uit haar droom wakker maakte, kwam in grote gedaante langs en schraapte de haren van het achterhoofd van haar kamergenoot af. Frederik heeft een zoemende scheermachine en scheert de resterende haren van het hoofd van M923. De geknipte haren vallen openlijk in en rond het bed. Op het kussen, op het tapijtje en op het gezicht. Die haren verzamelt hij al kammend met zijn handen en legt ze in zijn grote groene katoenen legerzak. Nu is M923 helemaal kaal en bijgevolg waardeloos. M1047 durft niet meer te kijken. Ze sluit haar ogen, blijft zo stil mogelijk liggen en wacht in paniek haar beurt af. Wanneer Frederik boven haar hangt, ruikt ze zijn slaapzweet. Een koude rilling loopt over haar ruggengraat en nestelt zich in haar pijnlijke onderrug. Waarin haar hartslag als een drilboor een nagel lijkt te kloppen. Als een onderkoelde persoon ademt ze maar om de twee keer. Frederik haalt de bij boven en ze voelt hoe het dier zijn weg zoekt richting haar oor. Ze voelt het schrapen trillen tot in haar schedel. Ze hoort het zoemen tot achter haar ogen, die ze in alle macht gesloten probeert te houden zonder te knijpen. De tranen vormen zich in haar traanput. Ze hoopt dat het licht dat vanuit de spleet tussen de gordijnen naar binnen sijpelt haar niet verraadt. Ze hoort hoe Frederik de katoenen zak opentrekt en haar afgeschoren haren daarin achterlaat. Wanneer hij klaar is, trippelt hij richting de deur. Zijn geur verlaat M1047’s omgeving. Ze hoort zijn voetstappen voorbij de kamer komen, slingeren richting de trap en trippelen tot ze dof worden op de zolder. M1047 doet haar ogen open, haar onderrug voelt star en de ingehouden tranen lopen langs haar wangen haar kussen in. Ze draait haar hoofd en kijkt richting het bed dat tegenover het hare tegen de andere muur van de kamer staat, op zoek naar de kale kruin die Frederik bij M923 heeft achtergelaten. Maar het bed is leeg. Op de zeventiende ochtend is de trap naar de zolder is stoffig. Vanaf het moment dat Frederik deze nacht haar kamer had verlaten heeft M1047 niet meer geslapen. Ze had de gordijnen open getrokken en haar stoel voor het raam gezet. Om zo, in de hoop haar systeem te kunnen kalmeren, naar de sterren te kijken. Wanneer ze deze ochtend Frederik weer op de binnenkoer naar het dak zag kijken, borrelde een duizelingwekkende afgunst in haar op, die haar het gevoel gaf dat ze moest overgeven. M1047 heeft daardoor deze ochtend niet ontbeten en had zich verstopt op het toilet naast de kantine. Het is de zeventiende dag waarop M1047 de doorgang naar de zolder stiekem betreedt. Boven haar lip vormt zich een snor van zweet en haar handen voelen klam. Ze is nerveus en oud en kan met moeite zichzelf nog naar boven heven. Haar handen en benen trillen wanneer ze de bovenste treden die de trap doen uitmonden in een grote kamer bereikt. Houten draagstructuren die als een wervelkolom het asiel rechtop houden imponeren zich boven haar met een licht resterende dons bedekte hoofdhuid. Ze ziet hoe de houten planken van het parket haar een weg leiden naar het einde van de kamer. Waar een houten deur de gigantische muur als een eenzaam erfstuk staat te sieren. Hoe dichter ze ernaartoe schuifelt, hoe boller de deur lijkt te staan. Alsof die met de lichtste streling van de klink helemaal open zou zwaaien. M1047 waagt het erop en met een knal vliegt de opening open. Krullende, steile, donkere, zwarte, bruine, blonde, rosse, ruwe en zachte haren zweven als een zwerm bijen van de torenhoge stapels uit het deurkozijn voor haar voeten neer. De dreun op de vloer zorgt voor een tegenbeweging en miljoenen haren zweven rond M1047 mee met de tocht die de opening van de deur met de rest van de kamer creëert. Omgeven door de restjes van duizenden levens, voelt Anja zich zelfs zonder haar anti-eenzaamtrui niet eenzaam of verloren meer.  

Tess Declercq
0 0

Boot

Paul is te laat en dat overkomt hem niet vaak. Het is de schuld van het touw. Hij had het vanuit de verte zien liggen en had het stuur van zijn boot gedraaid om te gaan kijken. Het dreef meterslang op het water en dook dan de diepte in. Het water was nog koud voor de tijd van het jaar. De winter klemde haar hand om de baai, het ijs tussen de sparren was nog niet volledig gesmolten. Paul steekt zijn hand door het wateroppervlak en rilt wanneer hij het touw langs zijn handpalmen voelt glibberen. Hij heeft hier nu geen tijd voor, maar het kan hier ook niet blijven liggen. Behendig loopt hij naar het voorsteven van de boot en knoopt een van zijn witte boeien los, die hij vervolgens aan het touw vastbindt. Op de terugweg, wanneer Sean bij hem is, zal hij dit probleem wel oplossen. Hij gooit de boei overboord. Door het akkefietje komt hij later dan verwacht aan op het vasteland. De twee Franse toeristen staan naast Sean te wachten. Ze lijken klaar om naar het eiland te vertrekken, waar ze drie weken zullen verblijven. Wanneer hij aanmeert, neemt hij hen van kop tot teen op. ‘Hebben jullie een trui en een jas mee?’ De Franse man ziet er jongensachtig uit in zijn zwarte T-shirt en jeans. Hij zegt niet veel, maar zijn vriendin knikt. ‘Doe die maar aan. Op het water is het minstens vijf graden kouder dan hier en de wind is ijzig.’ Ze stellen geen vragen en nemen hun jassen uit hun rugzakken. ‘De laatste keer waren hier drie Britse jongeren,’ vertelt Paul aan Sean. ‘Een van hen had niet eens een jas. Ze waren de kou wel gewoon, zei die. Ja, dan kende die ons Canadees weer toch nog niet. Ik heb hem halverwege de overzet mijn trui en mijn jas moeten geven.’ Sean moet er hardop van lachen, terwijl Paul hoofdschuddend de boot inlaadt. ‘Klaar?’ vraagt hij dan aan de Fransen. Tot hiertoe hebben ze nog steeds weinig gezegd. Ze lijken bijna geen échte Fransen, die Paul meestal arrogant of snobistisch vindt. Deze Fransen stappen zonder veel allures de boot in. Het meisje heeft regenlaarsjes aan. Op voorhand had ze Paul gevraagd wat ze mee moest nemen naar het eiland. Hij is blij dat ze zijn advies ter harte heeft genomen. Sean maakt de boot los van de kade en Paul manoeuvreert voorzichtig de haven uit. ‘Hoe gaat het met Anne?’ vraagt Sean, nu de motor nog niet oorverdovend is. Paul vingers klemmen zich even om het stuur en dan laat hij weer los. ‘Het gaat,’ zegt hij. Meer woorden vindt hij niet. Hij volgt de vlucht van zilvermeeuw die laag over het water scheert. Ondanks de kou prikt de zon in zijn gezicht. Hij kijkt pas weg wanneer Seans blik van zijn huid afkruipt. Het verblindende licht van de zon heeft een waterig laagje op zijn ogen achtergelaten. ‘De eerste zonnige dag van deze lente,’ zegt Sean tegen niemand in het bijzonder. De Fransen knikken en kijken hun ogen uit. Sean wijst hen op zeehonden die nieuwsgierig hun kop boven de zeespiegel uitsteken en een visarend die zijn nest verstevigt op een rots in de verte. ‘We moeten nog even een omweg maken,’ roept Paul wanneer ze op volle snelheid zijn. ‘Er drijft verderop een touw dat we weg moeten halen. Ik heb mijn boei eraan vastgeknoopt zodat ik het terug zou kunnen vinden.’ ‘Een touw?’ schreeuwt Sean terug over het geluid van de motor. ‘Krabbenkooien?’ ‘Ik vermoed van wel,’ zegt Paul. ‘En slecht vastgemaakt. Dat touw slingert echt meters de oceaan in.’ Het duurt niet lang voor hij zijn boei weer gevonden heeft. Zelfs op eenenzeventig jaar is zijn geheugen en zijn oriëntatievermogen nog erg goed. Hij legt de motor stil. ‘Jezus,’ zegt Sean. ‘Dat is echt gigantisch.’ ‘Is dat abnormaal?’ vraagt het Franse meisje. Sean knikt. ‘Krabbenkooien zitten meestal vast aan een lijn die met boeien gemarkeerd is en aan het land is vastgemaakt. Dit touw drijft gewoon vrij rond.’ ‘En is niet gemarkeerd,’ voegt Paul eraan toe. ‘Illegale praktijken?’ vraagt het meisje en Paul knikt. ‘Gebeurt dat vaak?’ mengt de Franse jongen zich nu ook. Sean haalt zijn schouders op. ‘Wij kennen zeker mensen die zo’n streek durven uithalen.’ Hij heeft zijn hand al in het water gestoken en trekt aan het touw. ‘Jezus, zo zwaar! Hier hangt een hele resem kooien aan,’ zegt hij. De spieren in zijn nek spannen op bij elke ruk die hij aan het koord geeft. Met zijn andere hand laat hij het touw in concentrische cirkels in de boot vallen, zodat het niet in de war geraakt. De Fransen steken geen poot uit. Ze kijken geïntrigeerd naar wat Peter doet, maar hoe langer het duurt, hoe vaker hun blikken afglijden naar het water. Op zoek naar zeehonden, waarschijnlijk. Paul had gedacht dat het touw sneller zou eindigen. Er ligt al vijftien of twintig meter in de boot en nog steeds is er geen spoor van een kooi die boven water komt. ‘Ik weet dat je die kooien met stenen moet verzwaren, maar dit is toch wel extreem,’ lacht Sean dan. Het is maar zeven graden hier, maar toch staat hij al in het zweet. ‘Zie je al iets?’ Sean schudt zijn hoofd. Paul heeft zijn handen nog steeds om het stuur. Hij houdt Sean scherp in de gaten. Pas wanneer er meer rimpelingen op het water ontstaan, beseft hij dat hij beter zou wegkijken. Hij wil niet denken aan de laatste keer dat de wateroppervlakte voor zijn ogen brak, maar het gebeurt vanzelf. De zee klotst op dezelfde manier tegen de boot aan, hij proeft hetzelfde zout op zijn lippen. Hij ziet Seans handen naar beneden reiken alsof het zijn eigen handen zijn die in de diepte graaien, trekken en sleuren. De Fransen staan recht om te kijken wat Sean uit het water haalt, hun stemmen klinken fel van verbazing. Ze steken nu toch hun handen uit, ze buigen hun lichamen over de rand van de boot om Sean te helpen. Paul wil hen waarschuwen, maar hij blijft staan met roerloze vingers. Hij voelt weer die natte, opgeblazen huid onder zijn handpalmen. Hij ziet weer de uitgedoofde blik van zijn kind, het haar dat uitwaaierde in de donkerblauwe diepte. Hij denkt aan Joanne, aan haar dunne lippen toen hij het lichaam van hun zoon over de drempel van hun huis droeg. Het liefst wil hij de sleutel omdraaien, de boot in achteruit zetten en wegvaren, maakt niet uit naar waar. Hij wil weg van dit water, de schommelende boot en deze verdomde blauwe hemel. ‘Wacht,’ zegt Sean. De Fransen houden allebei hun handen in het water, ze zeulen met iets zwaar. ‘Trek maar over de rand,’ instrueert Sean. ‘Tel tot drie en dan trekken.’ Met een enorme krachtinspanning halen ze een houten kooi aan boord. Grote, gladde keien botsen tegen elkaar op de bodem. Daarbovenop zit een kleine krab. ‘Zo’n kleintje,’ zegt het Franse meisje. ‘Hoe lief.’ De aanblik van de kooi haalt Paul uit zijn staat van verdoving. Hij merkt hoe Sean naar hem kijkt. Met vastberaden passen loopt hij naar zijn drie passagiers. Hij grijpt de kooi met beide handen. Hij is een visser, hij weet wat hij doet. De krab klikt met zijn scharen wanneer Paul hem bij zijn schild oppakt. Hij spartelt in de lucht als een verdronken kind tot Paul hem over de rand van de boot laat zakken en hem voorzichtig terug in het water laat glijden.

eenstweedrie
2 1

Het boek van Wolfstee

Die dag fietsen Mare en ik pas veel later naar huis dan normaal.  De lucht voelt ook anders.  Alsof er iets staat te gebeuren.  Tegen dat we de brug aan de Nete willen oversteken is het al aan het schemeren. Het water ligt er stil bij.  De maan weerspiegelt op het oppervlak.  Plots zie ik iets, een klein lichtje. Bewegend boven het water. ‘Mare, kijk’ fluister ik. Ik wil me net naar haar omdraaien wanneer ik een zachte plof hoor, gevolgd door een vloek en dan een korte gil. Ik rem en gooi mijn fiets op de grond om te kijken wat er gebeurt is. Mare ligt languit op de grond, haar fiets bovenop haar. ‘Alles ok?’ Vraag ik haar voorzichtig. Een korte kreun is het antwoord. Ik neem de fiets van haar over en zie onmiddellijk het probleem.  Haar band is gescheurd. ‘Tanne …’ Mare brengt het er op fluistertoon uit. ‘Heb jij dat ook gezien?’ ‘Wat gezien?’ Vraag ik verbaasd. ‘Dat licht boven het water. Het zweefde boven de Nete. Plots vloog het mijn richting uit en een seconde later knapte mijn band. Het dringt tot me door dat ze hetzelfde lichtje bedoelt dan wat ik net ook zag.  Maar dat kan toch niets met haar band te maken hebben? Bedenkelijk knik ik ter bevestiging. We staren allebei naar de Nete, rechts van ons. ‘Kijk’ fluistert ze ‘daar heb je het weer.’  Het lichtje verplaatst zich nu richting de brug.  ‘Ik denk dat het wil dat we het volgen.’ Het geluid dat uit mijn keel komt klinkt erg schor. Alsof er een brok vastzit. Het kleine, magische, lichtje gaat nu richting het bos. ‘Maar, Tanne, het bos is donker en eng. Mama zegt altijd dat het gevaarlijk is in het bos wanneer het donker is. Dat mogen we echt niet doen.’  Ik zie de angst in haar ogen. Toch zegt alles binnen in me dat we het moeten volgen. ‘Kom’ ik neem haar hand vast ‘we gaan kijken!’ Ondanks de schrik die ze uitstraalt trek ik haar mee. De brug over, richting het bos. ‘Ik blijf bij je, er gaat ons heus niets gebeuren.’ Ik probeer mijn tweelingzus met een vastberaden gezicht aan te kijken. Om haar ervan te overtuigen dat ik zelf niet bang ben. Maar vanbinnen voel ik me net iets minder stoer. ‘En onze fietsen dan?’ Stamelt ze. ‘Die laten we hier wel liggen. Niemand komt hier als het donker is. We halen ze straks wel op.’ Zeg ik schouderophalend.  Terwijl we het bos inlopen schrik ik van iets dat rakelings voorbij me vliegt. Ik draai me om en zie een Havik op de grond zitten, tussen zijn poten zie ik nog net de staart van een rat bewegen. Ik voel Mare’s lichaam trillen maar toch besluit ik verder te wandelen. Het licht achterna. Wanneer het plots van het pad afwijkt twijfel ik toch even of we het wel moeten blijven volgen. De nieuwsgierigheid wint het van de angst en ik loop er achteraan.  Met een bevende Mare naast me. Zo diep zijn we nog nooit de bossen in gelopen. Zelfs niet op klaarlichte dag. Voor ons zie ik een klein houten huis, het lijkt uit het niets te verschijnen. Het ziet er erg oud uit. Met houten muren en een rieten dak. Ik zie één raam en een zware houten deur. Ondanks dat ik geen licht zie branden moet er wel iemand binnen zijn, want door de schoorsteen dwarrelt rook naar buiten. Het lichtje is vlak voor de deur gestopt. Mare grijpt mijn arm nog steviger vast. ‘Tanne’ haar stem is bijna geluidloos, ‘je gaat toch niet naar binnen gaan? Wie weet wie daar woont. Alleen een gek woont zo diep in het bos.’  Ik moet een glimlach onderdrukken voor haar woordkeuze, maar eigenlijk heeft ze wel een beetje gelijk, toch voel ik dat het moet. ‘Sorry zus, ik voel dat we dat toch moeten doen. Iets of iemand wacht op ons.’ Mijn stem klinkt vastberadener dan ik me voel. Terwijl ik de deur open duw zie ik het lichtje doven.  Binnen schijnt een lichte gloed. Hij is afkomstig van de open haard die zachtjes brand. Verder kan ik niets ontwaren. Ik zie niemand in de kamer dus doe ik een stap naar voren om beter te kunnen rondkijken. Mare volgt met op de voet. Achter haar valt de deur met een klap toe, waardoor ze een klein sprongetje maakt en tegen me opbotst.  Dan hoor ik een warme stem uit de hoek van de kamer komen ‘Welkom’. Het geluid vult de hele ruimte. De warmte ervan dringt door in mijn hele lichaam. Ik kijk opzij, naar Mare die naast me is komen staan. Ze staart me aan. In haar ogen zie ik een gloed waardoor ik weet dat ze het ook gevoeld heeft.  In mijn ooghoek zie ik uit het donker een kleine vrouw naar voren stappen. Ze draagt een lange jurk en haar grijze haar zit in een losse knot. En in het haar zie ik een kleine bril, met ronde glazen zitten. ‘Welkom Tanne, Welkom Mare’  ‘Hoe weet u onze namen?’ Stamel ik een beetje verbaasd.  ‘Ik weet veel Tanne’ antwoord ze met een warme stem. Dan stelt ze zichzelf voor. ‘Ik ben Josyne. En ik ben blij dat ik het bij het rechte eind had. Jullie zijn degene die ik zoek.’ ‘Degene die u zoekt?’ Het is alsof Mare uit haar angstige trance ontwaakt.  Haar stem is plots heel fel, en ik zie in haar ogen de nieuwsgierigheid opborrelen.  ‘Ja Mare, en het feit dat jullie hier staan, bewijst dat.’ ‘Heeft u ons dan naar hier gelokt?’ Nu ben ik het die op felle, verbaasde toon reageer. ‘Had dat lichtje er iets mee te maken?’ ‘Dat is inderdaad wat ik heb gedaan. Maar alleen doordat jullie de gave hebben konden jullie het lichtje zien.’ ‘Wat voor gave?’ Mare barst nu helemaal van de nieuwsgierigheid en kan zichzelf amper nog bedwingen. Ik merk aan haar houding dat ze nu het hele verhaal wil weten, alle angst lijkt verdwenen te zijn. ‘De gave die nodig is om mij op te volgen.’ De stem van Josyne klinkt nog steeds zacht en warm, maar ook erg uitgeput. Ik bekijk haar een beetje beter, het lijkt alsof ze in de laatste minuten ineens twintig jaar ouder is geworden. Plots ziet ze er heel oud uit. Haar schouders zijn gaan hangen, haar gezicht staat vol rimpels en haar grijze haar is spierwit geworden. Ze staat helemaal voorover gebogen en ik zie dat ze niet meer recht kan blijven staan. Snel neem ik de stoel die ik achter haar had zien staan en schuif hem dichterbij. Met een licht geforceerde duw dwing ik haar om even te gaan zitten. Met een plof laat ze zich vallen. ‘Dank je’ zucht ze vermoeid. ‘Het lijkt erop dat jullie net op tijd zijn. Ik heb alle kracht die ik nog in me had opgespaard tot ik jullie zou vinden.’  Ze draait zich om richting de hoek van de kamer en wijst ergens naar. ‘Neem dat boek eens.’ Ik loop in de richting naar waar ze wijst en zie een héél oud boek liggen. Er staan tekens op die ik niet kan lezen. Wanneer ik het wil vastnemen ontstaan er een soort gloed omheen. Het boek lijkt wel licht te geven. Snel trek ik mijn hand terug en kijk Josyne verbaasd aan. ‘Niet bang zijn.’ Hoor ik haar zwak zeggen ‘ dat is normaal, dat wil zeggen dat het boek nu bij jullie hoort. Het wordt jullie binnenkort allemaal wel duidelijk.’ Terwijl ze dat zegt sterft haar stem weg.  Toch een beetje angstig neem ik het boek op, ik wil me niet verbranden. Onmiddellijk voel ik de warmte door mijn lichaam stromen. Het is dezelfde warmte die ik daarstraks ook al leek te voelen. Ik loop er mee naar Mare, met een schittering in haar ogen kijkt ze me aan, alsof het de grootste schat is die ze zich kon wensen. ‘Mag ik het vasthouden?’ Fluistert ze. Snel geef ik het boek aan haar aan en draai me dan om naar Josyne voor meer uitleg.  Haar ogen vallen bijna toe van vermoeidheid. Mare ziet het ook en met het boek in haar handen geklemd stoot ze me aan. ‘Zullen we morgen terugkomen? Ze is doodop. Zolang ze geen fut heeft gaat ze ons toch niets meer vertellen.’ ‘Wat doen we met het boek?’ Fluister ik. ‘Meenemen’ ze zegt het zo kordaat dat ik er van schrik. ‘Ik voel gewoon dat het moet. Het boek wil het zo.’ Antwoord ze wanneer ze me bedenkelijk haar kant ziet opkijken. Een boek kan niets willen, wil ik nog antwoorden maar hou me snel in, want uiteindelijk voelde ik ook dingen die niet normaal zijn. Door mijn gevoel zijn we hier in het huis. Ik kijk nog even naar Josyne die in een diepe slaap lijkt te verkeren dus geef ik Mare gelijk en vertrekken we zo stil als we kunnen. Ik trek zachtjes de deur achter me toe en begin in het bos te turen naar de weg terug. ‘Ik heb geen enkel idee van waar we gekomen zijn’ zucht ik diep. Het bos strekt zich helemaal uit richting Vorselaar en Herentals. Ik zou niet weten welke kant ik op moet naar huis. Mare ziet mijn vertwijfelde blik en laat een diepe zucht ontsnappen. En dan roept ze plots enthousiast ‘Daar’ en wijst richting het bos. Ik volg haar hand en dan zie ik het ook, een klein lichtje tussen de bomen.’ Zou het ons de weg uit het bos wijzen?’ Vraagt ze. ‘Ik weet het niet, maar laten we het gewoon volgen. Zelf vinden we de weg toch niet terug. En als Josyne het lichtje gebruikte om ons hierheen te lokken dan gok ik dat ze er ook voor zal zorgen dat we terug naar huis raken.’  Het lichtje loodst ons tussen de bomen door, tot we terug op het pad zijn. Nog geen tien minuten later staan we opnieuw naast onze fietsen. Aan de rand van het bos. Het lichtje is verdwenen maar het boek dat Mare dicht tegen zich aandrukt is het bewijs dat dit geen droom was.

S.J. Elisa
0 0

Ommekeer

Lore, 33 jaar. (Saai.) Mijn opvallendste kenmerk: resting bitch face.Waar word ik gelukkig van? De hele dag in mijn bed liggen.Dit mijd ik: alles wat sociaal contact vereist.Wat is mijn talent? Mijn baas op de zenuwen werken.Wat krijg je vaak cadeau? Tequila van mijn collega's en Sephora-shit van mijn moeder, die hardnekkig blijft hopen dat ik me ooit eens als een meisje ga gedragen.Als je één outfit uit je kast mocht kiezen? Simpel. Een barreljeans, mijn epische Nirvana-T-shirt en mijn gele Crocs.Waar ben je naar op zoek? Ik zucht en leun achterover. Ben ik eigenlijk wel ergens naar op zoek? Blijkbaar wel. Mensen belanden tenslotte niet per ongeluk op de aanmeldpagina van een datingsite. Een one-night stand? Ik schud heftig mijn hoofd. De herinnering aan die dronken avond op Graspop bezorgt me nog steeds spontaan schaamrood. Vriendschap? Misschien. Dat mis ik wel. Vrouwelijke vriendinnen zijn altijd een uitdaging geweest. Of ze leven voor shoppen, make-up en de nieuwste trends. Of ze zijn te luid en aanwezig. Of net kleurloos en zo saai en te boekenwurm. Heel soms lijken ze wél leuk, maar blijkt er later vaak een flinke dosis venijn achter te zitten. Het lukt me gewoon niet om die échte klik te vinden. Met mannen gaat het dan weer gemakkelijker. Je kunt ermee een pint gaan drinken, onnozel doen en uren over films of muziek praten (of voetbal). Maar over gevoelens praten? Of toegeven dat ze fout zaten? Ho maar. Eeuwigdurende liefde? Daar geloof ik al lang niet meer in. Mensen zijn gewoon niet gemaakt om hun hele leven bij dezelfde persoon te blijven. Uiteindelijk raak je elkaar toch beu. Kijk maar naar mijn ouders. Mijn moeder is zestig en ziet eruit alsof ze een yogareclame is binnengestapt. Strak lijf, gezonde glow, eindeloos optimisme. En toch vond mijn vader het nodig om op een twintig jaar jonger exemplaar te duiken. Nee. Liefde is een utopie. Maar een soulmate...  Dat is iets anders. Iemand die de leegte opvult en samen met mij thrillers bingewactcht op Netflix. Iemand die mijn sarcasme verschalkt met nóg drogere kwinkslag. Iemand die saaie netwerkavonden draaglijk maakt en die samen met mij op de vlucht slaat tijdens eindeloze familie-etentjes… En dan neem ik een beslissing. Ik zie mijn vingers razendsnel over het toetsenbord vliegen.   Lore, 33 jaar. (Maar noem me gerust Lolo.) Mijn opvallendste kenmerk: mysterieuze groene ogen.Waar word ik gelukkig van? Een perfecte margarita.Dit mijd ik: influencers.Wat is mijn talent? Droge humor.Wat krijg je vaak cadeau? Beautyproducten.Als je één outfit uit je kast mocht kiezen? Een casual jeans, een leuke top en sneakers.Waar ben je naar op zoek? Een soulmate. Enter.

Sfieke
4 1

Prachtige wallen (deel 1)

13 januari 2014   Ik heb geen naam, geen leeftijd, geen geslacht, geen thuis, geen verleden, geen toekomst. Of het is te zeggen: ik heb elke dag een andere naam, een andere leeftijd, een andere thuis. En een andere enzovoort. Elke dag word ik wakker als een ander persoon, in een ander bed, in een ander huis, in een ander leven. Soms ben ik een boekenwurm die gepest wordt op de lagere school, een week later ben ik de pestkop. Soms ben ik de president van Amerika, een week later die van Rusland. Soms lig ik op de afdeling Palliatieve Zorgen in een ziekenhuis in Litouwen, en dan zit mijn familie naast me, naast mijn sterfbed, en zitten ze daar met tranen in de ogen en houden ze mijn hand vast en fluisteren troostende woorden, en kan het me eigenlijk geen bal schelen dat ik daar lig, want morgen lig ik er toch niet meer. En de dag erna lig ik er dan inderdaad niet meer, maar ben ik de verpleegster, of de moeder naast het sterfbed, of dan ben ik gewoon de voorzitster van een breiclub in Borgworm. Soms word ik wakker op mijn verjaardag – nu ja, iemands verjaardag… Dan wachten er cadeaus, een taart, een kus van mijn man of vrouw, af en toe zelfs een stomende seksbeurt, een soort onenightstand met de liefde van mijn leven, de liefde van mijn leven voor die dag althans. Soms moet ik mijn vader begraven, een pakkende toespraak geven over een man die ik nooit heb gekend, voor een menigte mensen die ik nooit heb gekend. Soms word ik wakker op vakantie, klaar voor een dagje genieten aan de Spaanse kust. Soms wacht er mij een zware dag op het werk, en verongeluk ik op weg naar kantoor. De rest van de dag breng ik in coma door, een dagje vrijaf, wat extra tijd om bij te slapen. Vraag me niet wanneer ik geboren ben. 1963? 1827? 1713? Ik heb geen flauw idee. Dit is al zo lang aan de gang dat ik niet meer weet wie ik in essentie ben of was. Een 37-jarige poetsvrouw uit Rwanda? Een professor in de endocrinologie uit Tilburg? Een blinde concertpianist uit Boedapest? Een postzegelverzamelaar uit Boekelo? Eigenlijk is het net alsof ik een meervoudige persoonlijkheidsstoornis heb, alleen heb ik een eindeloos scala aan alter ego's en verandert mijn persoonlijkheid met de regelmaat van de klok. Het voelt aan alsof deze identiteitscrisis – als ik het zo mag noemen – al eeuwen aan de gang is, en nog wel een paar eeuwen voort gaat duren. Ik heb het eeuwige leven, en ik ben het beu. Begrijp me niet verkeerd: ik wil niet dood, maar ik zou graag eens drie dagen op rij in hetzelfde lichaam willen doorbrengen. Kijk, soms word ik wakker als eindejaarsstudent, en leg ik die dag een beslissend examen af. En nooit weet ik een week later of ik geslaagd ben. Natuurlijk vraag je je af wat mij dat hele examen kan schelen, en je hebt gelijk: dat eventuele diploma wordt niet door mijn neus geboord, want een week later ben ik een volledig andere student, of een leraar, of de directeur, of een peuter in peuterklas, druk in de weer verf en plasticine. Vroeger kon dat soort dingen me inderdaad geen bal schelen. Ik heb nog eens een volledig examen lang op elke vraag geantwoord met hetzelfde standaardzinnetje: Zie cursus, pagina… Ook heb ik tijdens vrijpartijen met universiteitsstudentes geweigerd een condoom te gebruiken, omdat ik wist dat ik bij een eventuele zwangerschap de pampers niet zou moeten verversen, ik het huilende kind om drie uur 's nachts niet opnieuw in slaap zou moeten sussen, ik de kleine niet naar de balletschool of voetbalclub zou moeten brengen. Een keer werd ik wakker als een Irakese Imam met een dagelijkse column in de plaatselijke krant. Nou, daar heb ik mooi gebruik van gemaakt door een pleidooi voor het homohuwelijk te schrijven. Moet ik nog steeds om gniffelen af en toe, ben benieuwd wat die Imam de volgende dag allemaal – letterlijk en figuurlijk – naar het hoofd geslingerd heeft gekregen. Daar heb ik om eerlijk te zijn nog steeds geen spijt van, maar van die examens en zwangerschappen dus wel. Tenslotte heb ik misschien wel mensenlevens overhoop gegooid, toekomstplannen in rook doen opgaan. Daarom probeer ik nu altijd mijn best te doen op een examen of belangrijke vergadering. En breng ik de kinderen plichtsgetrouw naar de balletschool of voetbalclub. Maar ik blijf dus wel zitten met die absolute zinloosheid. Nooit pluk ik de vruchten van mijn gedrag, nooit zie ik de gevolgen van mijn daden. Ik leef nooit ergens naar toe, heb nooit toekomstplannen. Elke nieuwe dag maakt mijn vorige zinloos. Tijd dat daar verandering in komt. Ik wil wel eens een normaal leven leiden. Een identiteit hebben. Weten wat het betekent om mij te zijn. Zonder spiegel weet ik namelijk niet hoe ik eruitzie. Of mijn ogen bruin of blauw zijn. En zonder identiteitskaart ken ik mijn volledige naam niet. Ik begin het ook beu te worden om telkens weer datzelfde zinnetje te moeten horen van mijn toevallige familie of collega's. 'Je bent jezelf niet vandaag.' Inderdaad. Dat ben ik nooit. Ik weet niet wie mezelf is. Vandaar dat ik heb besloten om de volgende dagen sloten koffie te drinken. Mijn lichaam van de dag vol te pompen met cafeïne, in de hoop dat ik 's avonds de slaap niet zal kunnen vatten. Want het is in mijn slaap dat ik telkens van lichaam en leven verander. Wie weet… blijf ik wel een paar dagen dezelfde persoon, als ik erin slaag om telkens het nachtje door te steken.   24 januari 2014   Eindelijk! Het is gelukt! Ik ben vandaag nog steeds dezelfde man die ik gisteren was! Doodop, vermoeid, maar nog steeds dezelfde man als gisteren. Leraar geschiedenis op een middelbare school, 40 jaar, getrouwd, vader van twee dochters. Mark Desmet, dat is mijn naam! Mark Desmet! Een doordeweekse naam, een naam die absoluut niet tot de verbeelding spreekt, een naam die je zó weer vergeten bent. En toch is het de mooiste naam die er ooit heeft bestaan, het mooiste klankenspel dat ons alfabet al heeft voortgebracht. Want het is mijn naam! Mijn naam! Hallo wereld, ik ben Mark Desmet! Tussen 13 en 23 januari ben ik zoals gewoonlijk telkens als een andere persoon wakker geworden. Alle koffie ten spijt. Het probleem was dat ik telkens een nogal veeleisende job had. De ene dag chirurg, de andere piloot, de dag daarna diplomaat op een of ander belangrijk congres. Een voor een en stuk voor stuk veeleisende banen die heel wat energie vreten, en ervoor zorgen dat je 's avonds als een blok in slaap valt. Tot vandaag. Het is me gelukt, ik heb het nachtje doorgestoken. Wallen onder de ogen? Jazeker. Maar het zijn mijn wallen, de mooiste wallen die ik ooit heb gezien. Zo meteen vertrek ik naar school. Als de meest gemotiveerde leerkracht die het mensdom ooit heeft voortgebracht.   25 januari 2014 Nog steeds Mark Desmet. Nog steeds dezelfde wallen onder dezelfde ogen. Prachtige wallen, ronduit prachtig. Mijn vrouw, mijn vrouw, was er deze ochtend over aan het zagen aan de ontbijttafel. Ze zei dat ik me beter moest verzorgen, dat een leraar een verzorgd uiterlijk moet hebben, zodat hij discipline en autoriteit uitstraalt voor de klas. Ik gaf haar gelijk. Roemde haar woorden. Sprak lovend over haar wijsheid, haar inzicht in de subtiele mechanismen van het sociale verkeer, haar oog voor de eigenaardigheden van de menselijke interactie. Ik zei dat ik zo blij was, mezelf zo gelukkig prees, dat zij mijn vrouw was, zij en niemand anders. En toen kreeg ik een koffiekop naar mijn hoofd geslingerd… Blijkbaar botert het al een tijdje niet zo goed meer tussen Mark Desmet en zijn vrouw, en dacht ze dat ik het sarcastisch bedoelde. Heb me het huwelijk er wel uitgekozen…   26 januari 2014   De koffie blijft wonderen doen. Al drie nachten niet geslapen. Al een halve week Mark Desmet. Ook al een halve week geen seks. Elke dag ruzie dat wel, maar van goedmaakseks lijkt mijn vrouw nog nooit gehoord te hebben. Toch zie ik haar graag. Magda. Lieve Magda. Wat geniet ik van onze ruzies! Als ze echt kwaad wordt, zie je telkens dezelfde ader verschijnen boven haar linkerooghoek. Een pompend, zwellend monster. Waar ik enorm gesteld op aan het raken ben. Het geeft zo'n intiem gevoel om diezelfde ader dag na dag te zien terugkeren, om het gezicht van mijn vrouw, van mijn vrouw, elke dag wat beter te leren kennen, met al haar tics en onvolmaaktheden. Eindelijk leer ik eens iemand kennen, raak ik vertrouwd met een gezicht, begint iemand anders een rol van betekenis te spelen in mijn leven. Ach Magda, koffiekopslingerend serpent, zeurend takkewijf, lelijke feeks, ik hou van je. Met hart en ziel.   27 januari 2014   Het slaapgebrek begint stilaan zijn tol te eisen. Ik was vandaag te moe om van mijn geruzie met Magda te genieten. De afgelopen dagen heb ik me geweldig geamuseerd met het verzinnen van snedige replieken en gevatte antwoorden op haar gekanker en gezeur en gezaag en geklaag. Het was net schaken. Of schermen met woorden. Elke belediging moest teruggekaatst worden, elk verwijt gepareerd. Ik zag het als een soort sport, een verbale krachtmeting, net zoals een politiek debat, een oefening in welsprekendheid en retoriek. En het moet gezegd: Magda is een geweldige sparringpartner. Ze zou gerust een scheldwoordenboek kunnen samenstellen met haar uitgebreide kennis van de Nederlandse schuttingtaal. Ik moest het onderste uit de kan halen om me in een discussie met haar recht te houden. En dat deed ik dan ook, ze bracht het beste in me naar boven. Maar vandaag lukte het niet. Te vermoeid. Slappe concentratie. Zware oogleden. Trillende handen. Ik was geen partij. En zo is er voor haar natuurlijk ook niks aan. Geen uitdaging meer. Arme Magda, ik heb haar teleurgesteld vandaag. Gefaald als echtgenoot. Hopelijk lukt het morgen wat beter.

nEMO
0 0