Zoeken

Gans anders

  het glas is gefumeerd rook deinst immers nooit terug voor natte ogen   ik zou zowaar een brillerje uitkiezen de montuur mag zelfs  een beetje liegen ging een winkelstem beweren   het glas is gefumeerd alles wordt dan vredig warm jongeman, het is echt waar haard en kaars zij voelen dat zij prevelen verward adem nog een keer die lauwe lucht verdwijnt rook deinst immers nooit terug voor natte ogen   druilerig zo wordt nooit meer een dag een uil zag het gebeuren lang geleden vochtig was het raam druppels durfden rollen naar een diep verdriet   luister toch, meneer we hebben ze in vele kleuren zou dat vroom verkooptalent vertellen mij geloven laten dat het inzicht vurig rood kan worden voel de steun is goed bij alle neuzen zelfs de reuzen zien de rampspoed komen   gelukkig hebben zij mevrouw en ik bedoel die realisten reeds de visjes op het droge terwijl ik dat gevoel hoe fris condens kan zijn nooit meer zal vergeten bovendien hoop ik oprecht dat in die dode zijarm nog wat kikkers zullen leven dat die vizioenen over waterlelies  nachtmerries verjagen kunnen   ik weet dat ook bij nacht dan worden zij bevrucht het zijn het waren rare bloemen toch wil ik dat u nu kiest   op de tast zal het niet lukken ook al koester ik die oude vlammen tamme eindes van de storm dit wordt een nieuw begin   je raakt eraan gewend de trend wil dat het mag een beetje wild parfum verovert dromen sterren sparen niemand nog alle vis is tegenwoordig voorgekookt de blik wordt scheefgetrokken door een rare drang zonder wierook huldigt men hetgeen in harten smeult en wat brillen betreft het glas hoort gefumeerd het hoort ook alles wat u denkt terwijl het noodlot wordt verdacht van prille vonken   ik weet dat ook, mevrouw bij nacht dan worden zij bevrucht ik zou dat toch een keertje willen uitproberen glas fumeren op een kille dag       uit de reeks 'Foute titelatuur'                

Bernd Vanderbilt
4 0

Prachtige wallen (deel 2)

28 januari 2014 Geen verbetering vandaag. Voel me belabberd. Cafeïne lijkt niet meer te helpen. Concentratie is nu echt nul. Kan nergens nog mijn hoofd bijhouden. Ga vanavond weer slapen, deze situatie is niet langer houdbaar. Ik weet nu echter dat het kan, een paar dagen in hetzelfde lichaam rondlopen. Experiment geslaagd en voor herhaling vatbaar. Ga haar wel missen, Magda. Het was een eer om een paar dagen Mark Desmet te mogen zijn. 29 januari 2014 Shit. Fuck. Godverdomme. Ik ben nog steeds Mark Desmet. Gisteren als een blok in slaap gevallen en tot mijn verbazing in hetzelfde bed weer wakker geworden, naast dezelfde vrouw. Betekent dit dat ik nu voor eeuwig Mark Desmet ga blijven? Nee, toch? Dat geruzie was leuk voor een paar dagen, omdat ik wist dat er een einde aan zou komen, en het dus als een spelletje kon zien. Maar nu lijkt het erop dat ik vastzit in dit lichaam, in dit huwelijk, in dit leven. In mijn leven… Elke dag wakker worden naast Magda Desmet, voor de rest van mijn leven… ik… fuck… 30 januari 2014 Weeral wakker geworden in hetzelfde bed. Dit begint stilaan eng te worden. Vroeger bestond ik eigenlijk niet. Er was geen mezelf, geen vaste identiteit. Ik was een soort acteur die elke dag een andere rol kreeg, elke dag een ander personage mocht vertolken. Nu niet meer. Ik speel niet meer Mark Desmet, ik ben Mark Desmet. Ik speel niet meer de echtgenoot van Magda Desmet, ik ben de echtgenoot van Magda Desmet. Ik speel niet meer de vader van twee dochters, ik ben de vader van twee dochters. Wat een knoeiboel. Alles gaat me vanaf nu persoonlijk aan. Ik heb opeens verantwoordelijkheid. Kijk, vroeger deed ik ook mijn best om alles goed te doen. Test wiskunde? Ik studeerde me kapot. Dochter in het ziekenhuis? Ik bleef de hele dag bij haar. Topsporter aan de vooravond van een groot kampioenschap? Ik trainde me suf. Omdat ik meeleefde met de personages die ik vertolkte, net zoals je meeleeft met de personages uit een boek of film. De volgende dag zou ik niks meer met mijn vorige identiteit te maken hebben, maar ik dwong mezelf mijn medeleven te tonen. Omdat die mensen het verdienden de vruchten van hun arbeid te plukken, omdat ze het me nooit zouden vergeven als ik hun vrienden of familie zou teleurstellen. Toch voelden hun lichamen nooit aan als mijn lichaam, hun jobs nooit als mijn job, hun zussen nooit als mijn zussen. Net zoals een acteur met een valse snor nooit vergeet dat hij een valse snor draagt. Uiteindelijk hoefde ik me nergens zorgen over te maken. Er waren geen gevolgen. Maakte ik ruzie met mijn vrouw, dan was ik het niet die het de volgende dag met haar zou moeten goedmaken. Zakte ik voor een examen, dan was ik het niet die een herexamen zou moeten afleggen. Ik deed natuurlijk mijn stinkende best, maar dat was het dan ook. Meer kon ik niet doen. Angst voor de toekomst was er niet; die lag elke dag ergens anders, en had nooit iets met het heden of verleden te maken. Arm gaan slapen en rijk opstaan, als man in bed gaan en als vrouw wakker worden, het kon allemaal. En daardoor kon geen enkele tegenslag me raken, want mij overkwam nooit iets, het overkwam mijn personage. Dat lijkt nu veranderd. Ik ben Mark Desmet.  En Mark Desmet zit in de knoei. Zijn huwelijk vertoont barsten. Zijn vrouw wil dat ze een relatietherapeut opzoeken. Terwijl hij niet eens weet waarom ze ruzie maken, wanneer ze ermee zijn begonnen. Omdat zijn verleden – zijn verleden als Mark Desmet – maar een paar dagen oud is en zijn geheugen niet verder strekt. Ik weet Godverdomme niet eens hoelang ik al getrouwd ben. Of we ooit werkelijk gelukkig geweest zijn. Hoe moet ik dan in Godsnaam weten of deze relatie nog te redden valt? 31 januari 2014 Vandaag was mijn oudste dochter jarig. Ik had natuurlijk geen flauw idee. Hoe zou ik ook moeten? Maar ja, probeer dat eens uit te leggen. 'Papa is eigenlijk een soort persoonlijkheidskameleon, hij is al duizenden keer van identiteit veranderd. En normaal gezien zou hij dat nog duizenden keren doen. Alleen zit hij nu vast. In dit rothuwelijk. Met je vuilbekkende moeder. Snap je? Eigenlijk ben ik je papa niet. Eerder een acteur in papakostuum, een acteur die vastzit in dat papakostuum.' Denk niet dat dochterlief zo tevreden zou zijn met die uitleg. Acht jaar. Zo oud is ze vandaag geworden. En ze wil niet meer met me praten. Dat zijn al twee vrouwen in dit huis. 1 februari 2014 Beginnen roken vandaag. Tegen de stress. Zo aan de praat geraakt met een van mijn collega's, de lerares wiskunde. Ze vroeg zich af wie die gruwelijke afbeeldingen van kapotte longen en verrotte tanden had gekozen die op de achterkant van elk pakje sigaretten prijken. 'Dat moet toch een sadist zijn? Mensen willen waarschuwen voor de gezondheidsrisico's, daar is op zich niks mis mee. Maar dit… Alsof rokers niet weten dat tabak schadelijk voor de longen is. Dit is gewoon treiteren. De niet-roker die zich beter voelt – moreel verheven – dan zijn rokende medemens en ervan geniet om hem met het vingertje te kunnen wijzen. Kijk eens wat er met je longen gaat gebeuren, kijk dan. En hier, zo gaan je tanden eruit zien, ja, zo ja, wen maar aan het zicht, je gaat het elke dag in de spiegel zien. Hoe kan je nu van dat soort werk genieten?' Wist zij veel. Ik heb die foto's gekozen. Een paar jaar geleden, toen ik voor een dag in het lichaam zat van een reclameman wiens bureau door de overheid gecontacteerd was. Echt genoten heb ik niet van die opdracht. Evenmin gewalgd. Zoveel indruk maken die foto's nu eenmaal niet op iemand die elke dag een ander paar longen heeft. Is nu wel anders, moet ik zeggen. Gruwelijke foto's. Complimenten aan mezelf. 2 februari 2014 Wat zou er met de vorige Mark Desmet gebeurd zijn, de man wiens plaats ik heb ingenomen? Zou hij nu ook mijn plaats hebben ingenomen? En elke dag in een ander lichaam wakker worden? En ervan genieten? Zich bevrijd voelen? Of zou hij zijn oude leven missen? Zijn job, zijn vrouw, zijn dochters. Hoeveel Mark Desmets zouden mij eigenlijk al voorgegaan zijn? En zou Magda Desmet de eerste en enige Magda Desmet zijn? Hoeveel acteurs en actrices als mij zouden er eigenlijk rondlopen? Of ben ik de enige? Was ik de enige? Durf het Magda niet vragen, krijg zo al genoeg koffiekoppen naar mijn kop geslingerd. 3 februari 2014 Je raadt het nooit. Was vandaag de verjaardag van mijn andere dochter. Vijf jaar. Wist ik natuurlijk ook niks van. Zij wil wel nog met me praten. Schat van een meisje. 4 februari 2014 Vandaag voor het eerst naar de relatietherapeut geweest. Daar moesten we tegen elkaar zeggen wat ons dwarszat. Ik mocht beginnen. En zat met mijn mond vol tanden. Het is me namelijk nog steeds niet duidelijk waarover we eigenlijk ruzie hebben. Omdat ik nog nooit een gesprek heb kunnen voeren met Magda. Of ze zit op me te schelden, of ze negeert me. Eén van die twee. Maar een echt gesprek hebben we nog niet achter de rug. Geen flauw idee wat ze me kwalijk neemt, of wat ik haar kwalijk zou moeten nemen. Dus flapte ik maar iets uit. 'Kan me niet eens herinneren wanneer we voor het laatst seks hebben gehad.' 'Tja, ik voel me de laatste tijd niet meer aangetrokken tot jou.' 'En waarom? Wat is er veranderd?' 'Kom nou, je weet goed genoeg waarom. En dan ga je ook nog een beetje beginnen roken… ' 'Tegen de stress. De stress die jij me bezorgt!' 'Ik bezorg jou stress? Ja, draai het maar om... Het is allemaal mijn schuld, zeker?' 'Jij bent de degene die altijd aan het schelden slaat!' 'Heb ik dan geen reden misschien?' 'Ja, zeg dan eens welke reden! Hoe moet ik weten wat er scheelt als jij niet tegen me praat?' 'Je weet heel goed wat je hebt misdaan!' 'Nee, dat weet ik niet.' 'Oh, je gaat je overspel ontkennen dan? Prachtig, dat ontbrak er nog aan…' 'Ik…' En toen was Magda de deur uit, woedend. Mark Desmet heeft zijn vrouw dus bedrogen. En ik mag het in zijn plaats goedmaken. Geweldig… En dan had die therapeut nog het lef om me geld te vragen voor die sessie. Ik heb nu wel meer begrip voor Magda. Alleen kan ik haar dat moeilijk zeggen. 'Schat, ik ben het met je eens, die Mark Desmet is een gigantische klootzak.' 'Jij bent Mark Desmet.' 'Oh ja.' Zou haar nochtans zo graag troosten. Arme Magda, eigenlijk valt ze nog wel mee. Die relatietherapie was ook haar initiatief, toont toch aan dat ze moeite wil doen om onze relatie te redden, Mark Desmet wil vergeven. Heb me misschien vergist in haar, lang niet zo'n takkewijf als ik dacht. Ondertussen praat mijn oudste dochter alweer tegen me. Toch één lichtpuntje.

nEMO
0 0

Anti-eenzaamheidstruien

Op dag één is Anja een verloren mens. Als verloren mens kan je in het asiel een kamer krijgen. Zolang je kan bewijzen dat je je weg naar huis niet vindt of geen huis hebt om naar terug te keren. Ze vragen aan de inkom om je naam af te staan. Anja wordt voortaan M1047 genoemd. De verloren mensen zijn meestal oud, met al tachtig jaar op de teller of meer. Ze zijn hun schoonheid en hun gezondheid verloren. Ze hebben overal pijn en wachten de dood af alsof die beter gisteren was gekomen. Anja, M1047, loopt kreupel en heeft continu pijn aan haar onderrug. Anja had gisteren al moeten sterven. De kamer die Frederik haar toewijst, moet ze delen met M923. De ramen staan wagenwijd open en kijken uit op de binnenkoer, waar je de klimop ziet die als een parasiet het gebouw over de jaren heen overneemt. Vanaf de lantaarnpaal, die recht voor het raam naar binnen lijkt te kijken, klimt de parasiet over op de donkerrode bakstenen waaruit de gevel van het hele asiel bestaat. De houten raamkozijnen staan zwak tegen de kracht van de natuur en krijsen als kinderen wanneer ze open of dicht worden gedaan. Samen met de vensterbanken dragen ze de gevolgen van de erosie die de winterstormen en hete zomerdagen hebben achtergelaten. De vloer is volgens een schaakpatroon getegeld en de bedden staan elk horizontaal tegenover elkaar, tegen een uiterste muur van de kamer geschoven. Verder heeft elke kamergenoot een nachtkastje en een stoel om de restjes van hun bezittingen op neer te zetten. De gordijnen bedekken de hele muur van het plafond tot aan de vloer en golven met de wind mee die via het raam naar binnen sijpelt. Voor beide bedden ligt een klein tapijt waar de kamergenoten ’s ochtends hun blote voeten op kunnen plaatsen zonder afgeschrikt te worden door de ijskoude tegels. De gordijnen en tapijten lijken sprekend op de dekens van het bed. Alsof ze allemaal gemaakt werden uit hetzelfde mysterieuze, zachte materiaal dat Anja niet kan plaatsen. Op haar bed ligt, bijna niet te onderscheiden van het deken, ook een zachte trui. M923 heeft haar versie van de trui aan wanneer ze de kamer binnenloopt om kennis te maken. “Anj- eh… M1047”, zegt Anja verlegen. M923 vertelt haar over haar eerste week in het asiel en dat ze zich, sinds ze de zachte trui heeft aangetrokken, niet eenzaam of verloren meer voelt. Soms als M923 heel stil is, kan ze de trui zelfs horen fluisteren over zijn vorige levens. Dan neemt de trui haar mee op reizen in een onbekend verleden en laat haar een glimp van de emoties voelen die ze zelf is verloren. Maar aangezien de truien het asiel niet mogen verlaten, heeft M923 besloten de rest van haar leven hier te blijven. Frederik komt binnen en neemt met zijn uitpuilende ogen de situatie in de kamer in zich op. Hij ziet er geniepig uit, denkt Anja, alsof hij continu op het randje is om van iets betrapt te worden. Hij is een man van rond de vijftig. Zijn haar, dat bijna doorzichtig is, is verzorgd naar achter gekamd en vastgezet met haarspray als het kapsel van een maffiabaas. “Mensen, het is etenstijd”. De medewerkers in het asiel mogen de verloren mensen enkel met ‘mens’ aanspreken. Kwestie van hen niet uit hun verlies te brengen door hun eigenschappen van vrouw- of manzijn toe te eigenen. ‘Mens’ beschrijft op de beste manier datgene wat er van de personen overblijft: een lichaam zonder doel. M1047 en M923 wandelen zij aan zij de trap af naar beneden. Eén van beide is eenzaam en verloren, de andere heeft een zachte anti-eenzaamheidstrui aan. Op dag twee wordt Anja wakker in hun gedeelde kamer. Ze plant haar voeten in het tapijtje langs haar bed en met een kreun duwt ze kracht naar haar zwakke benen om recht te staan. Loom wandelt ze naar de ramen en trekt ze de gordijnen open. Op de binnenkoer staat Frederik onder een boom curieus naar het dak van het gebouw te kijken. Wanneer Anja de ramen opent en uit het raam voorover buigt, merkt Frederik haar meteen op en zwaait hij. “Niet springen, hè, mens”, grapt hij. Maar dat vindt Anja niet grappig. Hoewel ze vorige nacht, onwetend dat het de enige keer in haar komend verblijf was, aan een stuk door heeft geslapen, voelt ze zich nog steeds eenzaam en verloren. M923 ontwaakt wanneer Anja terugschuifelt naar haar bed. Ze staat snel recht en trekt haar anti-eenzaamheidstrui aan. De kamergenoten kammen beiden hun haar. Anja merkt op dat de bos haar op het hoofd van haar kamergenoot er eentje is om trots op te zijn. M923’s donkerbruine, wervelende krullen hangen langs alle kanten van het hoofd en worden met hulp van de zwaartekracht naar de aarde getrokken. Wanneer beiden klaar zijn, benen ze met moeite en pijn hun weg van de trap naar beneden. Aan de ontbijttafel merkt Anja op dat iedereen met trots zijn eigen anti-eenzaamheid draagt. Afgeschrikt door de verhalen van M923 had ze vanochtend besloten om de trui nog niet aan te doen. Maar eens Frederik dat opmerkt, vraagt hij haar: “He M1047, heb jij geen trui gekregen? Het is koud vanochtend, straks word je ziek”. Dus Anja keert kreupelend terug naar haar kamer, neemt de trui die ze zorgvuldig over het frame van haar bed had geplooid en trekt hem aan. Ze voelt zich instant zacht en warm. Wanneer ze de kamer opnieuw uitloopt, struikelt ze bijna tegen een groene katoenen legerzak die tegen de binnenkant van de deurlijst staat. Zonder curiositeit geeft ze deze, tot zover ze kan, een schop en versnelt haar strompel terug naar het ontbijt. Over een kommetje overgebakken havermout vertelt ze M923 het gelukkige nieuws. M1047 voelt zich niet eenzaam meer. Het is nacht zeven wanneer M1047 voor de zoveelste keer wakker schiet uit een verschrikkelijke droom. Een bij draaide rond en rond haar hoofd met als enige doel zich in haar oor te nestelen. Daar zou hij haar het leven zuurder maken en zoemen tot ze alles op zou geven. De kamer ligt er bewegingloos bij, toch blijft ze onder de zware stilte een subtiel gezoem horen. Ze gaat rechtop zitten. Haar wazigheid klaart op en alles wordt weer rustig. Het licht van de lantaarnpaal, dat voor het raam naar binnen lijkt te kijken, wurmt zich een weg tussen een spleet in de gordijnen en trekt een streep op haar gezicht. Anja hoort iemand langs hun deur in de gang lopen. De passen verplaatsen zich richting de trap en kort daarna hoort ze het ritmisch gewandel weergalmen op het plafond. Op de verdieping boven hun kamer, de zolder, wordt het geluid van de voetstappen steeds doffer tot volledig onhoorbaar. Gerustgesteld gaat Anja weer liggen. Ze draait haar gezicht richting M923. Haar kamergenoot lijkt, in vergelijking met haar, geen moeite te hebben met moeilijke dromen en heeft al elke nacht volledig doorgeslapen. Anja merkt plots een kale plek achter het oor van M923 op. Waartegen het licht dat langs de andere kant van de kamer door de gordijnen sijpelt, weerkaatst. M1047 is verbaasd. Had haar kamergenoot geen grote krullen kruin waar ze enkel jaloers op kon zijn? Als ze haar ogen lichtjes toeknijpt, kan ze zich inbeelden dat het weerkaatste licht de Noordster is, die als eerste in de duisternis boven durft te komen. Omvangen door slaap, draait ze haar hoofd de andere kant op en dommelt ze in. Op dag dertien wordt M1047 moeizaam wakker uit een te korte nacht. De bij blijft haar nachten verstoren en overheerst bijna al haar dromen. Haar ledematen voelen zwaar en haar hoofd is wazig. Ze heeft het gevoel vastgenageld te zijn aan haar bed en als het kon, zou ze eeuwig blijven liggen. Rustig draagt ze haar beide benen boven de lakens uit en plant ze die in de zachte stof van het tapijtje voor haar bed. “Goedemorgen”, M923 kijkt haar stralend en uitgeslapen aan. De grootte en de hoeveelheid van de kale plekken op het hoofd van M923 zijn toegenomen. De zwaartekracht kan de krullen niet genoeg naar zich toe trekken om al haar haarverlies te bedekken. Waardoor M1047 overdag verschiet wanneer ze tegen de achterkant van M923’s hoofd blijkt te spreken. Besproken haaruitval zal M923 niet beter doen voelen, dus M1047 denkt dat het verstandiger is om er niets van te zeggen. Er komt een leeftijd waarop veranderingen niet meer mogen choqueren, ook al verandert er iets heel snel. Zelf lijkt M1047 ook last te hebben van haaruitval. Het is minder opvallend dan bij haar kamergenoot, maar toch moet ze toegeven dat ze al enkele ochtenden wakker geprikt werd door kleine haartjes die op haar kussen lagen. En wanneer ze ’s ochtends haar haar kamt, voelt ze plekken boven haar hals en achter haar oren die minder begroeid zijn dan ze dacht. Frederik komt binnen. Ook hij ziet er vermoeid uit. Op zijn rug slingert een groene katoenen legerzak, net als diegene waar Anja twee weken geleden tegen had getrapt. “Wat doen jullie mensen hier nog? Het ontbijt is al vijf minuten bezig, maak dat je beneden staat!”. De kamergenoten trekken snel hun trui aan en slenteren met hun tengere benen de trap af naar de kantine, waar een afgekoeld bordje overgebakken havermout op hen te wachten staat. Wanneer ze in de namiddag terug op hun kamer komen, zijn de bedden opgemaakt. Samen schuiven M1047 en M923 hun stoelen voor het raam en kijken ze naar buiten. Op de binnenkoer worden breilessen gegeven. Maar aangezien de kamergenoten al heel de voormiddag anti-eenzaamheidtruien hebben gebreid, nemen ze pauze en kijken ze in rust mee. Door de wolken komt de zon boven en al streelt die hun gezichten, zien ze er beiden lelijk en versleten uit. De volledige zestiende nacht heeft M1047 uit angst niet geslapen. Ze heeft het gezien. Ze heeft alles gezien. De bij die haar elke nacht uit haar droom wakker maakte, kwam in grote gedaante langs en schraapte de haren van het achterhoofd van haar kamergenoot af. Frederik heeft een zoemende scheermachine en scheert de resterende haren van het hoofd van M923. De geknipte haren vallen openlijk in en rond het bed. Op het kussen, op het tapijtje en op het gezicht. Die haren verzamelt hij al kammend met zijn handen en legt ze in zijn grote groene katoenen legerzak. Nu is M923 helemaal kaal en bijgevolg waardeloos. M1047 durft niet meer te kijken. Ze sluit haar ogen, blijft zo stil mogelijk liggen en wacht in paniek haar beurt af. Wanneer Frederik boven haar hangt, ruikt ze zijn slaapzweet. Een koude rilling loopt over haar ruggengraat en nestelt zich in haar pijnlijke onderrug. Waarin haar hartslag als een drilboor een nagel lijkt te kloppen. Als een onderkoelde persoon ademt ze maar om de twee keer. Frederik haalt de bij boven en ze voelt hoe het dier zijn weg zoekt richting haar oor. Ze voelt het schrapen trillen tot in haar schedel. Ze hoort het zoemen tot achter haar ogen, die ze in alle macht gesloten probeert te houden zonder te knijpen. De tranen vormen zich in haar traanput. Ze hoopt dat het licht dat vanuit de spleet tussen de gordijnen naar binnen sijpelt haar niet verraadt. Ze hoort hoe Frederik de katoenen zak opentrekt en haar afgeschoren haren daarin achterlaat. Wanneer hij klaar is, trippelt hij richting de deur. Zijn geur verlaat M1047’s omgeving. Ze hoort zijn voetstappen voorbij de kamer komen, slingeren richting de trap en trippelen tot ze dof worden op de zolder. M1047 doet haar ogen open, haar onderrug voelt star en de ingehouden tranen lopen langs haar wangen haar kussen in. Ze draait haar hoofd en kijkt richting het bed dat tegen de andere muur van de kamer staat, op zoek naar de kale kruin die Frederik bij M923 heeft achtergelaten. Maar het bed is leeg. Op de zeventiende ochtend is de trap naar de zolder is stoffig. Vanaf het moment dat Frederik deze nacht haar kamer had verlaten heeft M1047 niet meer geslapen. Ze had de gordijnen open getrokken en haar stoel voor het raam gezet. Om zo, in de hoop haar systeem te kunnen kalmeren, naar de sterren te kijken. Wanneer ze deze ochtend Frederik weer op de binnenkoer naar het dak zag kijken, borrelde een duizelingwekkende afgunst in haar op, die haar het gevoel gaf dat ze moest overgeven. M1047 heeft daardoor deze ochtend niet ontbeten en had zich verstopt op het toilet naast de kantine. Het is de zeventiende dag waarop M1047 de doorgang naar de zolder stiekem betreedt. Boven haar lip vormt zich een snor van zweet en haar handen voelen klam. Ze is nerveus en oud en kan met moeite zichzelf nog naar boven heven. Haar handen en benen trillen wanneer ze de bovenste treden die de trap doen uitmonden in een grote kamer bereikt. Houten draagstructuren die als een wervelkolom het asiel rechtop houden imponeren zich boven haar met een licht resterende dons bedekte hoofdhuid. Ze ziet hoe de houten planken van het parket haar een weg leiden naar het einde van de kamer. Waar een houten deur de gigantische muur als een eenzaam erfstuk staat te sieren. Hoe dichter ze ernaartoe schuifelt, hoe boller de deur lijkt te staan. Alsof die met de lichtste streling van de klink helemaal open zou zwaaien. M1047 waagt het erop en met een knal vliegt de opening open. Krullende, steile, donkere, zwarte, bruine, blonde, rosse, ruwe en zachte haren zweven als een zwerm bijen van de torenhoge stapels uit het deurkozijn voor haar voeten neer. De dreun op de vloer zorgt voor een tegenbeweging en miljoenen haren zweven rond M1047 mee met de tocht die de opening van de deur met de rest van de kamer creëert. Omgeven door de restjes van duizenden levens, voelt Anja zich zelfs zonder haar anti-eenzaamtrui niet eenzaam of verloren meer.  

Tess Declercq
0 0
Tip

Grafietverlangen

Waar zij eindigde en hij begon, dat was moeilijk te zeggen. Zijn warmte had zich al door het hout gedrongen en begon haar grafietkern langzaam te verhitten. Met een zoekende precisie vormde hij zijn grip op haar, en samen vonden ze de juiste balans waarbij zij zich in volle overgave nestelde in de glooiing tussen duim en wijsvinger, het warmste en gevoeligste plekje van zijn hand. Haar lichaam leek speciaal gemaakt voor zijn handpalm; ze was zowel krachtig als breekbaar. Met zijn zachte polsbewegingen voelde ze een lichte trilling om haar heen. Ze ontwarde ongeduldige woorden in de manier waarop hij zijn pols bewoog. Maar waren het zijn of haar woorden?  Zijn gloed maakte haar wendbaar op het papier, en zo loste zij haar kostbare grafiet, haar verborgen kronieken. Zij werd hem en hij werd haar. Hij wakkerde de verhalen aan die diep in haar psyche opgeborgen lagen, relieken van een ver verleden. Zijn zachte hand was licht dwingend, en net dat maakte haar gewild en gewillig. Enkel met hem kon zij op het papier haar verhalende verlangen laten vloeien. Haar lichaam had vele handen gekend, maar nu wilde ze enkel nog maar die éne hand die haar hele zijn omvatte. In zijn grip vond ze haar overgave. In zijn bewegingen gaf zij zich bloot, in zacht aangezette klinkers en de onopvallende maar heel aanwezige medeklinkers. Hij wist hoe hij haar moest laten spreken, hoe hij haar duistere kern moest ontleden en haar glanzende verhalen kon ontsluiten waarin zij gloeide vol herwonnen lust. Zij werd één met zijn huid, duwde zich harder tegen hem aan, en vroeg hem zo om zijn grip te verstevigen. Aan haar grafiet ontlokte hij woorden die zij lange tijd niet had durven uitspreken. Ze zuchtte, haar punt kraakte, maar ze leefde, ze was een ademend verhaal in zijn sterke hand.  Hij liet zijn vingers op het blad over haar gelekte kern glijden, en zo hechtte zij zich aan hem. Hij droeg haar mee in het fijne grijze stof dat aan zijn vingertoppen bleef kleven. Elke haal werd hun herinnering. Zij had geen angst om te verdwijnen. Ze werd kleiner, maar daar maalde ze niet om. Ze wilde dat hij haar tot het einde van haar zinnen hanteerde, dat haar kern zou kunnen versmelten met zijn begeerte. Dat hij elke dag haar schrijvend lijf in zijn handpalm zou leggen, tot er niets meer van haar overbleef.   

Jolien Van de Velde
416 2

Drenkeling

De eerste golf rolt aarzelend over haar heen, eb en vloed in haar onderbuik. De tweede beukt in als springtij, een vloedgolf die bezit van haar neemt en zich over haar uitstort. Het verjaagt de slaap. Ze klemt haar dijen tegen elkaar. Rillingen jagen door haar lijf, spier voor spier trekt samen. Haar zware hoofd probeert zich los te maken van het kussen. Een zucht. Ogen die openen en weer bezwijken. In haar ooghoeken talmt de nacht. Ze ontwaakt met een natte gloed in haar dijendal. Een schrijnend gemis moet het zijn, wanneer de slaap zichzelf op deze hulpeloze wijze troosten moet met de zoete kleine dood. Ze denkt terug aan de vorige keer dat het haar overkwam in de verstikkende zomergloed. Zo’n hitte waarin de lucht aan de huid kleeft en stolt tot een onwrikbare deken van lood. De droom die haar hier bracht, zindert na. Een droom waarin ze zijn zachte hand dichter naar zich toe trok. Zijn nagels die krasten in het vlees van haar heup. Een dwalende tong over een gewillige hals. Gespreide dijen als een kust waar hij mocht aanspoelen. Zilte golven op haar tong. Een vrouw en een man, deinend in een zoekend ritme, als helmgras dat zich buigt en overgeeft aan de late zomerbries. De bedrand is plots een onneembare klif. Ze wil enkel nog sluimeren. De droom blijven spinnen tot de volgende nacht zich aandient. Haar spieren ontspannen, maar diep tussen haar dijen zinderen de kalme golfjes na – de getemde zee. Ze brengt haar hand opnieuw naar haar dijendal. De herwonnen cadans wiegt haar in trance. Haar ogen sluiten zich. Nog. Opnieuw. Strakgespannen wacht ze op de tweede vloed. Ze hunkert ernaar om meegezogen te worden, kopje-onder te gaan. Nog. Ze smeekt in stilte om weer van de wereld te worden weggevaagd. Haar spieren spannen zich in een boog. Haar lippen bewegen, maar de kreet blijft steken. En dan, met een ademtocht, breekt het. Ze grist het laken van de bedrand. Haar vingers kneden het haastig tot een prop en duwen het tegen haar venusheuvel aan. Een surrogaat voor het lijf dat ze nu zo vurig tegen het hare wenst. Met de laatste kracht die ze in zich vindt, perst ze haar dijen samen. De druk stuwt een allerlaatste golf door haar lijf. Ze is aangespoeld in de branding van een nieuwe dag.

Jolien Van de Velde
114 0