Zoeken

Tip

Erwtensoep

Wandelweekend tweede dag Ze zijn op één kilometer van hun vertrekplaats. Zij herkent plots de baan. Ik ben hier al geweest, zegt ze. Gisteren had ze op kaart zitten kijken welke wandeling ze vandaag konden doen. Ze toonde welke haar interessant leek. Een wandeling van 15 kilometer, een stukje bos, een stukje langs de rivier en ook langs een abdij. Zijn interesse was meteen gewekt. Toon eens, had hij gevraagd. Ze toonde hem de foto's van de abdij en las de beschrijving: “In de abdij van Mariawald kan je nog steeds de welbefaamde erwtensoep eten.” Hij veerde enthousiast op achter zijn stuur “Het is die, het is die abdij!”. Zij voelde vuurvonkjes in haar binnenste. Ze had de abdij uit zijn jeugd waar hij vorige maand naar zocht gevonden. En hoe fijn vond ze het om hem blij te maken. Kon ze dit maar alle dagen doen! Ze komen aan op de parking. Zij gelooft haar ogen niet. Ze trilt. Haar buik voelt warm. Ik ben hier al geweest, zegt ze nog eens. Ze loopt in de richting van de abdij, als betoverd. Ze was er inderdaad al geweest, 2 zomers ervoor. Ze had haar toenmalige partner doen stoppen langs de baan omdat ze een mooie witte muur had gezien en wou weten wat daarachter zat. Hij had gereageerd dat de stopplaats niet ideaal was, maar zij wou absoluut uitstappen. Ze was langs de muur gelopen en had getrild. Ze wist niet waarom, maar ze wou hier even rondlopen. Haar partner en kinderen waren gevolgd. Ze liepen langs de abdijmuur naar boven. Daar was zij op het bankje gaan zitten. Ze was stil. Ze voelde iets maar kon dat niet delen. Ze zou wel weer horen “ben je daar weer met je rare gewaarwordingen”. Dus was ze stil en genoot van het gevoel te zweven, langs de abdij, over de uitgestrekte velden, in de zon, naar het verleden. Ze voelde liefde, de liefde die ze vaak miste. Ze lachtte naar haar kinderen. Wat was het leven mooi zo. Ze wou dat gevoel zo lang mogelijk vasthouden. Ze was thuis en ze wist niet waarom. Voor ze de plek weer verliet ging ze nog eens binnen in de kerk en keek door het raam van de cafetaria. Er was niemand. Alles was verlaten. Hij komt naast haar staan. Jouw abdij is mijn abdij, zegt ze en vertelt haar verhaal al wandelend. Er is veel zon, maar ze moeten eerst door het bos en zitten daarna aan de verkeerde kant van de vallei. Toch geniet ze. Hij is speelser vandaag. Ze kruisen een Vlaams koppel met hond. Ze praten wat over het ras en dan over de streek. Hij en de dame hebben vooral het woord. Haar introverte man kan wel heel gemakkelijk met vreemden praatjes maken en dat vindt ze fijn. Na een zin of drie doet hij het weer: hij brengt tijdens het gesprek zo subtiel zijn liefde voor haar naar boven dat ze gloeit. Hoe kan hij toch zo zacht duidelijk maken dat ze de vrouw is waarmee hij oud wil worden? Het laatste stukje is een ommegang, een klim naar boven. De zon recht in het gezicht. Ze zweten. Een zestiger komt naar beneden met een paternoster, strak gezicht. Hij zegt dat ze helemaal toe zit, madam paternoster. Zij lacht dat hij dat net moet zeggen met zijn blokkades. Dan lacht hij: “ik had die reactie zien aankomen”. Ze bekent dat zij ook zou toe zitten als hun relatie zou kapot gaan. Jij bent het, zegt ze, jij en niemand anders meer. Eindelijk zijn ze er. Hij gaat met de hond een plaatsje zoeken in de cafetaria, zij schuift aan voor zijn erwtensoep met worst. Hij zit in de zon. Ze zet de soepkom voor zijn neus, maar hij schuift hem naar het midden om met haar te delen. Zijn ogen spreken liefde en weemoed, hij neemt haar hand, zij wrijft over zijn vingers, kijkt hem in de ogen. Ze delen het abdijbier en de kaastaart. Ze voelt een gelukzalige vermoeidheid opkomen. De emoties van het goddelijke. Zijn abdij is haar abdij. Het was voorbestemd. Ze passen bij elkaar als twee erwtjes in één peul.

Fien SB
50 2

Over de helft

Wandelweekend.  Door miezerige regen een bospad 400 meter afdalen over een lengte van enkele kilometers. Even een stop in een dorpje om binnen te gluren in het leegstaand gasthof waar hij 40 jaar geleden met zijn vader kwam.  Zou dat vrouwtje nog leven? Wellicht wel, want het interieur is nog exact hetzelfde.  Zij stapt het toeristisch kantoor binnen, hij de kerk. Hij komt buiten met een rugzak vol kaarsen. Ze lacht. Eén of twee waren blijkbaar niet genoeg, de komende jaren kunnen we nog veel hulp van hierboven vragen. Heerlijk vindt ze de trekken van zijn mond en zijn pretoogjes op zo'n momenten! Ze gaan verder door het bos, helemaal naar boven nu, tot het plateau. De kilometers die volgen zijn een verademing na het gesloten bospad. Die weidsheid. Geelgroen wintergras, hier en daar kleine groepjes naaldbomen. Hij kijkt vaak naar haar, neemt haar vast. Haar hoofd is leeg, haar hart vol. Er is rust.  Ze eten iets en lachen met elkaar. Als ze terug verder lopen voelen ze de stijfheid in de benen. Zij overdrijft wat, hij lacht. Ze zijn over de helft. Ze vraagt zich af hoe het er uitziet als de brem in bloei staat. Hij vertelt over everzwijnen en over hun overwinning op beroepsmilitairen tijdens een oefening in het leger. Ze kijkt hoe hij bovenop een vervallen bunker kruipt en neemt een foto van hem rechtopstaand in de winterlucht. Ze houdt van die man.  In het verlaten dorp wordt ze niet overspoeld met gedachten aan de wereldoorlog. Ze krijgt niet dat luguber gevoel waar ze voor vreesde. Nee, in de kerk overvalt haar plots weer dat verdriet. Haar nichtje die het leven verliet. Het beeld van een trein. Haar lach die ze nooit meer zou zien. Eén, twee, drie, vier tellen inademen, vasthouden en weer uitademen. Nu niet huilen. Hij fotografeert haar, ze ziet het niet. Had ze maar een pen, dan kon ze hier wat voor haar neerschrijven op de gedenksteentjes.  Ze gaan verder, door struikgewas naar beneden, naar de kazerne waar hij sliep. Ze ziet de foto's weer voor zich. Hij in een kamer met zijn mooie kont voor de grap ontbloot, hij met baret naast zijn kameraden, hij in camouflagepak. Ze was toen vast ook verliefd geworden. De weg tussen de kazerne en de auto is lang. Ze hebben 18 kilometers in de benen. Vroeger was dit niets, maar het afgelopen jaar was zwaar en de wandelingen licht.  Ze huppelt en zwaait haar armen los. De laatste snokskes vraagt hij.  Terug bij de auto aangekomen omhelzen ze elkaar. Wat een mooie eerste dag!  

Fien SB
12 2

Over de schreef (kortverhaal)

Geachte lezer,   Op 5 februari 2026 barstte na de uitzending van De Afspraak op VRT in het Nederlandse taalgebied een verhitte discussie los. Soundos El Ahmadi had Bert Schols de levieten gelezen. Ik dank dit hoogwaardige literaire tijdschrift dat het mijn ingezonden verhaal in dit themanummer wil publiceren en dat ik op mijn manier een bijdrage aan het debat kan leveren. Sinds de Me Too-beweging in 2017 ontstond, komt geregeld een herinnering bij me op. Die overvalt me niet zonder te gloeien van schaamte. Wat moet Meta hebben gevoeld? Wat zal zij hebben gedacht? De ik-persoon kan ik in dit verhaal niet hanteren. Dat is me te dichtbij. In deze tijd van egofictie noem ik mezelf Rupert. U begrijpt: op Twitter wil ik de gebeurtenis niet posten. Welke bagger krijg ik dan niet over me heen? Ik leg mijn herinnering in deze vorm liever voor aan een kritisch publiek, dat genuanceerd weet te oordelen.   Rupert wachtte aan de overkant van de Wouwstraat, waar haar straat in uitkwam en de twee een T vormden. Tussen zijn benen voelde hij de stang van zijn blauwe fiets en op zijn bagagedrager lag een rode sporttas. Elke dins- en donderdagavond ging hij trainen en op zondagochtend speelde hij een voetbalwedstrijd. Die dinsdag in oktober wachtte hij tegenover het hoekhuis waarin Meta woonde. Toen hij haar voor het eerst op een zaterdagavond zag, zat zij drie rijen voor hem in de parochiekerk, naast haar Nederlandse ouders en twee broers. Zij bezat donker haar, zoals Claudia Cardinale en zijn mama. Zijn ouders, broers en zus woonden ook elke week de eucharistie bij. Toen hij wist waar Meta woonde, fietste hij na de training bij haar langs. De eerste keer had hij haar aan tafel zien studeren onder een heldere, gele lamp. Daarna neuriede hij het refrein van 'Wonderful', waarin Colin Blunstone het titelwoord zesmaal zong. Maar dit keer was de stoel aan tafel leeg. De lamp was opgedraaid, beweging bespeurde hij niet. Vertrekken dan maar, dacht hij, naar de volgende zijstraat links van de Wouwstraat. Daar stond zijn ouderlijk huis, een rode bakstenen woning uit de jaren vijftig. Hij was een timide, eenzelvige jongen. Hij had op aanraden van zijn docent Nederlands, mijnheer Bogaerts, 'Misdaad en straf' en 'Oorlog en vrede' gelezen. Meisjes plaatste hij op een voetstuk. Zij hadden niet, zoals jongens, met natte dromen af te rekenen en bevredigden niet zichzelf. In de bioscoop had hij '8 1/2' van Fellini gezien, omdat de heer Bogaerts er vol bewondering over gesproken had: 'Claudia Cardinale duikt bij de bron als symbool van zuiverheid op, de nieuwe start waar Guido Anselmi zo naar snakt.' Op de oprit naar de garage naast haar huis verscheen Meta met haar witte fiets. Even later sprong ze het zadel op en zonder hem aan te kijken reed ze de Wouwstraat in. Hij stopte met neuriën. Wat te doen? Misschien was dit zijn kans haar alleen aan te treffen en te spreken! Hij ging zijn Claudia achterna, maar op een afstand, beducht een grens te overschrijden, de grens van zuiver wit.   Ik onderbreek nu even. Hoe zou Soundos El Ahmadi op het verhaal van Rupert reageren? Maar wat ik me vooral afvraag: Meta, heb ik moreel verkeerd gehandeld? Als je nu nog leeft, kan je mij vergeven? Na al die jaren knaagt de spijt nog steeds. De oplettende lezer heeft gemerkt dat het vertelstandpunt bij de jongen ligt. Hoe Meta de gebeurtenissen ervoer, blijft buiten beeld. Gelieve hiermee rekening in uw eindoordeel te houden, wanneer u antwoordt op mijn vraag: treft Rupert schuld? Ooit had zijn papa aangeraden: 'Een vrouw bespring je niet. Je praat met haar.' Seksuele voorlichting had zijn zoon nauwelijks gekregen. 'Als je vragen hebt, dan mag je ze gerust stellen.'   Meta liet honderd meter verder zijn straat links liggen, draaide wel de volgende in, een straat met een ander soort huizen dan zijn ouderlijke woning. Ze waren aan het begin van de twintigste eeuw uit gele baksteen opgetrokken en hadden een voortuintje.  Zo'n vijftig meter in de Kretenburgstraat stapte Meta van haar fiets af, nam hem bij de hand mee over een tuinpad, stalde hem tegen de gele gevel en belde aan. Een meisje, haar leeftijd, vermoedelijk een vriendin, trok de voordeur open, kuste haar en liet haar verder komen. Rupert aarzelde ... reed toch dichterbij en wachtte op het trottoir. Hoe haar aanspreken? Hij wist niet eens wat te zeggen. Wat als zij, net als Claudia, Guido afwees? Hij bleef wachten. Hij hoopte haar aan te kunnen spreken, toen zij naar buiten zou komen. Zijn hart bonsde. Hij begon van zenuwachtigheid weer te neuriën: 'Wonderful, wonderful. Run to me, my lady wonderful.' Gierende banden klonken op in de bocht waar hij uit vandaan gekomen was. Een donkerblauwe auto raasde op hem af en kwam vlak bij hem snerpend tot stilstand. Haar vader en een broer sloegen portieren open en stormden op hem af. Haar vader stak dreigend een vinger naar hem uit: 'Als je mijn dochter nog één keer volgt, dan stuur ik de politie op je af!' Rupert wipte zijn zadel op, wist niet hoe snel zijn pedalen de wielen rondkregen, reed de Kretenburgstraat uit, de Wouwstraat in, een tweede bocht naar rechts om. Pas in zijn eigen straat zonk lood hem in de schoenen. Zwaar ademend stond hij voor de huisdeur. Het leek alsof een last op zijn borst lag, in zijn hoofd de vraag: wat deed ik fout? Donderdag reed hij na de training recht naar huis. De weken erna toog hij op zondagochtend vroeg naar de kerk, voordat hij een wedstrijd speelde. Nadien heeft hij nooit meer 'Wonderful' gezongen.    

Robert de Roek
2 1

'summervibe'

Na de stortbui eerder op de avond draagt niemand nog schoenen. De modder perst zich warm en nat tussen zijn tenen wanneer hij zich van de ene tent naar de ander haast. Meer glijdend dan iets anders. Hij is niet de enige die zich met moeite overeind weet te houden en het schaterlachen achter hem verraadt een glijpartij. Het regent nog steeds, de lucht is vol van de geur van ozon en exotisch voedsel. Hij snuift het op en zijn maag rommelt als bevestiging, tijd om iets te eten. Al heeft hij eerst andere plannen. Hij duikt de danstent binnen. De muziek beukt loeihard op hem in na het eerder rustig optreden. Mensen duwen tafels en stoelen tegen de bar. Hij glijdt bijna uit op de spekgladde houten vloer maar iemand grijpt net op tijd zijn arm.'Mag ik deze dans van u?' ritselt het zachtjes in zijn oor. Hij smult van de verhitte vrouw die naast hem opduikt en hem vol op de mond kust. Hij proeft een vleugje rosé. Hij schuift een losgeraakte lok haar terug op zijn plek. 'Met plezier.' Hij is nu al schor van het zingen. De eerste noten van het viertal op het podium trekken de dans op gang. Hij telt, tikt met zijn vinger op haar hand en op de vierde tel zet hij tegelijk met alle mannen de eerste stap naar voor. De kring vult zich met steeds meer koppels. De dansvloer wordt krap en ze schurken dichter tegen elkaar aan. De muzikanten drijven het tempo op. De bas beukt in zijn middenrif. Hij wervelt om haar heen, draait haar rond, vangt haar blik als ze onder zijn arm duikt. Het zweet prikt in zijn ogen.De danser rechts van hem mist een stap en gaat op zijn tenen staan.'Sorry...' De rest gaat verloren in het lawaai. Er is geen tijd meer voor een lief woordje wanneer ze om de acht tellen neus aan neus staan. De tel erop dartelt ze van hem weg en lost de grip op de toppen van zijn vingers.Hij laat los.Maakt een draai en vindt opnieuw oogcontact. Het bier en zweet sijpelt tussen de planken door.Stof hecht zich vast aan het zweet op zijn gezicht.Hij verliest haar uit het oog, in de massa draaiende, wervelende vrouwen van de binnenste kring.'Hallo!' Er duikte een andere vrouw voor hem op. Helemaal buiten adem van het dansen. Ouder, voller. Hij maakt een buiging, zij neemt zijn uitgestoken hand. Een nieuwe danspartner.Eén hartslag lang is er tijd voor oogcontact voor wederzijdse toestemming waarop hij zijn arm om haar middel legt. Ze storten zich in de volgende rondedans.Zeven danspartners later dankt de groep het publiek voor hun enhousiasme. Het applaus en gejoel verwarmt de plek. Hij ploft met trillende benen en een grote dorst op de smerige grond. Hij proeft zout op zijn lippen.'Tijd voor wat frisse lucht.' Ze duikt voor hem op en zijn hart mist een slag.Zijn tenen branden.Ze fladderen de nacht in, het regent nog steeds en hij rilt als het zweet op zijn vel afkoelt. Achter hen vult de tent zich opnieuw met muziek. Ze draait zich om.'Eerst mijn schoenen zoeken,' zegt hij. 'En dan eten.'Boven alles.  

De Donderklif
1 0