Zoeken

De stoel in de kamer (kort verhaal)

    DE STOEL IN DE KAMER              Voor allen die nog steeds dagdromen.   Inleiding    Ik schrijf graag verhalen, enkel is het soms moeilijk om er eentje af te maken of er aan te beginnen.  Daarom is dit verhaal anders, dit verhaal is een droom een duistere maar ook fijne. Het kan zijn dat je niet goed mee bent. Dat mag en kan. Het verhaal bevat veel wijsheid.    Ik hoop dat het je iets bijdraagt. Want soms kan dromen nodig zijn.   Hoofdstuk 1 — De Dimensie Zonder Zorgen     We stappen niet door een deur. Er is geen klik, geen overgang, geen moment waarop ik kan zeggen hier begon het. De dimensie zonder zorgen ligt naast de onze, dun als een ademhaling die je pas hoort wanneer alles stilvalt.   Tijd bestaat hier, maar hij dringt zich niet op. Hij beweegt zonder te duwen. Gedachten komen op, kijken even rond, en lossen weer op voordat ze gewicht krijgen. De lucht voelt lichter, niet omdat ze anders is, maar omdat ze niets van me vraagt.   Voor me tekent zich iets groots af. Geen gebouw, geen berg, geen vorm die ik kan vastpakken. Het is een aanwezigheid. Groot doordat ze niets wil. Ze eist geen aandacht en juist daarom kan ik haar niet negeren.   Ik wandel verder. Niet naar haar toe en ook niet van haar weg er door heen. Met elke stap zie ik meer de achtergrond. Wat overblijft is eenvoud. Adem. Beweging zonder doel.   Dan verschijnt de eik.   Hij staat er alsof hij hier altijd al hoorde. De stam is breed, ruw, getekend door lijnen die niets uitleggen. De kruin spreidt zich uit als een dak dat niemand bezit. Er is geen wind, en toch bewegen de bladeren zacht, alsof ze zich iets herinneren wat ik vergeten ben.   Ik leg mijn hand op de schors. Ze is koel en echt. Op het moment van aanraking verandert niet de boom, maar mijn gewicht. Gedachten worden lichter. Mijn lichaam blijft staan, maar iets in mij laat los.   De vlammen komen zonder geluid. Ze verteren niet; ze tonen. Bladeren worden licht. Wortels lichten op onder de aarde, dieper dan ik dacht dat mogelijk was. Wanneer het vuur zakt, blijft er geen as achter, maar ruimte.   Uit die ruimte vormt zich een poort.   Ze nodigt niet uit en ze waarschuwt niet. Ze is. Achter me blijft de dimensie zonder zorgen intact. Voor mij ligt de mogelijkheid.   Ik blijf staan op de grens en weet: dit is geen einde. Dit is het begin van aandacht.           Hoofdstuk 2 — De Eik en het Vuur   De eik staat dichterbij dan ik verwacht. In deze dimensie betekent afstand niets; dingen zijn nabij omdat ze dat mogen zijn. Wanneer ik om de stam heen loop, voel ik hoe de ruimte zich aanpast aan mijn bewegingen, niet andersom.   De schors is gegroefd en ruw. Mijn hand volgt de lijnen zonder doel, alsof ze leest wat niet geschreven is. Ik voel geen boodschap, geen inzicht dat benoemd wil worden. Alleen aanwezigheid. Dit moment vraagt niets van me.   Wanneer het vuur ontstaat, is er geen paniek. De vlammen komen op wanneer adem in koude lucht zichtbaar wordt. Ze likken langs de stam zonder woede, zonder haast. Het hout verkleurt niet meteen; eerst licht het op van binnenuit, alsof de boom al die tijd iets heeft gedragen dat nu eindelijk ruimte krijgt.   De hitte bereikt mijn huid niet. Ik blijf staan, verbaasd over hoe rustig mijn lichaam reageert. Bladeren veranderen in licht. De kruin opent zich. Wat brandt, brandt omdat het klaar is om los te laten.   Onder de grond tekenen de wortels zich, gloeiend, dieper dan ik ooit had vermoed. Ze verdwijnen niet. Ze laten zich zien. Dan zakt het vuur weg.   Wat overblijft is geen leegte, maar ademende ruimte. Uit die ruimte vormt zich een opening. Geen snijrand, geen constructie — eerder een herinnering aan waar de stam ooit stond.   De eik is geen eik meer.   Hij is een poort.   Ik voel geen drang om te bewegen. Geen stem die zegt dat ik moet gaan. De poort draagt geen belofte en geen dreiging. Ze bestaat naast mij, geduldig, alsof ze weet dat oversteken alleen betekenis heeft wanneer het vanzelf gebeurt.   Achter me blijft de rust intact. Voor me ligt iets wat nog geen vorm heeft aangenomen.   Ik adem in.           Hoofdstuk 3 — De Poort   Ik weet niet wanneer ik besluit te bewegen. Er is geen moment van keuze dat zich aandient als een knoop in mijn maag of een stem in mijn hoofd. Mijn lichaam doet eenvoudig wat hier logisch is. Ik volg mijn hand.   Wanneer ik dichterbij kom, verandert de poort subtiel. Ze wordt minder omlijnd, dieper, alsof afstand hier geen vaste maat kent. Wat zich aan de andere kant bevindt, toont zich niet als een landschap maar als een oppervlak — rimpelend, donker.   Het lijkt op water.   Niet helder, niet stromend. Zwart, stroperig, als een zee die te veel heeft opgenomen om nog iets terug te geven. Het oppervlak beweegt traag. Geen golven, maar kringen, alsof ademhaling onder een te dikke huid plaatsvindt.   Ik reik uit en raak het aan.   Mijn vingers verdwijnen er niet in. Ze blijven rusten op het oppervlak, gedragen. Het water wijkt niet; het onthoudt. Waar ik het raak, blijven rimpels zichtbaar, langer dan logisch is. Het voelt niet koud. Het heeft de temperatuur van een lichaam.   Ik denk aan alles wat mensen achterlaten zonder afscheid. Woorden die nooit zijn uitgesproken. Lasten die van hand tot hand gaan zonder ooit echt gedragen te worden. Het water draagt het zonder protest.   Dan begint het te bewegen.   Niet naar mij toe, maar van mij af. De rimpels strekken zich uit en worden stroming. Het zwarte water vindt richting en vloeit de poort in, alsof het daar altijd al naartoe hoorde. Wat vervuild was, wordt niet gezuiverd — het wordt verplaatst.   Wanneer het oppervlak verdwijnt, blijft helderheid achter. Geen glans, geen beloning. Alleen ruimte.     Ik volg mijn hand verder en stap over de grens.   Er is geen schok. Geen overgang. Ik merk pas dat ik erdoor ben wanneer ik besef dat de poort  geen poort meer is. Ze bestaat niet achter me en niet voor me. Ze heeft haar functie verloren.   Wat zich opent is geen wereld maar een toestand. Ik sta recht zonder moeite. Adem gaat vanzelf. Gedachten komen op en lossen weer op zonder iets achter te laten.   Dan trekt de ruimte zich samen.   Een stoel verschijnt.   Boven de stoel brandt een enkel lampje.   De rest is donker. Te donker….           Hoofdstuk 4 — De Kamer met de Stoel   De kamer heeft geen wanden die ik kan volgen met mijn ogen. Donkerte vult de ruimte zonder zwaar te zijn, alsof ze hier thuishoort. Het enige wat zich duidelijk aftekent is de stoel, eenvoudige, houten poten, een rechte rugleuning. Boven hem hangt het lampje, klein en on-afgeschermd. Het licht valt recht naar beneden, zonder schaduw te zoeken.   Ik blijf staan waar ik ben. De ruimte tussen mij en de stoel voelt groter dan de afstand doet vermoeden. Alsof er iets tussen zit dat niet zichtbaar wil worden.   Wanneer ik begin te lopen, verandert er niets. Geen alarm, geen stem, geen beweging. Mijn voetstappen maken geen geluid. Pas wanneer ik de stoel bijna kan aanraken, stopt mijn lichaam abrupt.   De klap is dof.   Niet pijnlijk, maar onmiskenbaar. Mijn borst botst tegen iets wat niet bestaat. Ik zet instinctief een stap terug en adem scherp in. Voor me is nog steeds leegte. Geen glans, geen trilling. Alleen weerstand.   Ik probeer het opnieuw. Voorzichtig dit keer. Mijn hand vooruit, mijn schouder iets gedraaid. Weer dezelfde onzichtbare grens. Ze wijkt niet. Ze reageert niet.   Er komt irritatie op. Een oude reflex. Als iets niet meegeeft, moet je harder duwen.   Ik neem afstand, span mijn spieren en ren.   De impact is sterker. Mijn lichaam veert terug alsof ik tegen een muur van steen ben gelopen. De lucht wordt uit mijn longen geslagen. Ik zak door mijn knieën en blijf even zitten, duizelig, meer verbaasd dan gekwetst.   De stoel staat er nog steeds. Onbewogen. Het lampje flikkert niet eens.   Ik lach kort. Zonder humor.   Langzaam kom ik overeind. Ik weet dat kracht hier niets oplost. Dat heb ik al gevoeld. Toch is er iets anders wat ik nog niet geprobeerd heb.   Ik strek mijn arm uit en breng mijn wijsvinger naar voren. Niet duwend, niet tastend. Alleen aanwezig. Het puntje van mijn vinger raakt de ruimte waar mijn lichaam eerder werd tegengehouden.   Er gebeurt niets.       Dan verschijnt er een barst.   Ze is klein, nauwelijks groter dan een haarscheur in glas. Ze licht even op en verdwijnt weer bijna direct. Maar ik heb haar gezien. En dat is genoeg.   In die fractie van een seconde, precies waar de barst zich vormde, zie ik iets anders.   Iemand zit op de stoel.   Een figuur, vaag omlijnd, maar onmiskenbaar aanwezig. Hij kijkt recht naar me. Zijn mondhoeken trekken omhoog in een glimlach die geen spot draagt, maar ook geen geruststelling.   Voor ik iets kan zeggen, breekt de grond onder mijn voeten weg.   De kamer kantelt niet. Ze laat los.   Ik val.             Hoofdstuk 5 — De Val   Er is geen wind wanneer ik val. Geen suizen, geen versnelling die mijn maag achterlaat. Het voelt eerder alsof de wereld onder mij oplost en ik simpelweg vergeet waar beneden is.   Ik probeer mijn lichaam te spannen, maar er is niets om tegen te werken. Armen en benen verliezen hun betekenis. Tijd rekt zich uit zonder traag te worden; elke seconde is volledig aanwezig, maar nergens op gericht.   Gedachten komen in fragmenten. Beelden zonder volgorde. De eik. Het vuur. De stoel. De glimlach.   Dan verandert de temperatuur.   Koude bijt niet meteen. Ze kondigt zich aan als afstand. Mijn huid herinnert zich plots dat ze grenzen heeft. De leegte krijgt textuur. Ik voel iets onder me verschijnen nog vóór ik het zie.   Ik kom neer.   Zacht.   Mijn voeten raken vaste grond, die meegeeft maar niet breekt. Alsof ik word opgevangen door iets dat me al verwachtte. Ik zak een fractie door mijn knieën en blijf staan.   Rondom mij ontvouwt zich een landschap dat zich niet haast om begrepen te worden.   Sneeuw.   Niet vallend, niet stormend. Ze ligt overal, dik en onaangeroerd, als een stilte die is blijven liggen na een zin die niemand heeft afgemaakt. De lucht is zwaar van mist. Bij elke ademhaling trekt de kou diep mijn borst in, scherp maar helder.   Ik kijk om me heen en zie geen horizon. Alles verdwijnt na enkele meters in een grijze waas. Geluid wordt hier gedempt nog voor het kan ontstaan. Zelfs mijn adem lijkt beleefd te fluisteren.     Ik kijk naar boven.   Een enkele sneeuwvlok dwarrelt omlaag, langzaam genoeg om haar reis te volgen. Ze draait, vangt licht dat er nauwelijks is, en komt recht voor mijn gezicht tot stilstand.         Ze landt niet op mijn huid.   Ze rust op iets oud.   Ik volg haar blik omlaag en zie steen onder mijn handen. Verweerd, gebarsten, bedekt met rijm. Een vorm die hier thuishoort.   Een grafsteen.   Ik veeg met mijn mouw voorzichtig de sneeuw weg. Letters komen tevoorschijn, diep gegraveerd, zonder naam, zonder datum.   Er staat slechts één zin.   Jij beslist.   De woorden geven geen antwoord. Ze wachten.   Achter mij hoor ik zachte voetstappen.           Hoofdstuk 6 — De Getuige   De voetstappen komen niet dichterbij. Ze bewegen langs me heen, alsof mijn aanwezigheid hier geen gewicht heeft. Ik draai me om en zie een gestalte uit de mist tevoorschijn komen.   Hij is lang. Zijn schouders dragen een donkere mantel die zwaar oogt, ondanks de stilte van de sneeuw. Zware laarzen drukken zich af in het witte oppervlak zonder geluid te maken. In zijn handen houdt hij bloemen vast, eenvoudig, licht van kleur, alsof ze hier niet thuishoren en daarom juist opvallen.   Zijn hoofd is bedekt met een kap. Waar een gezicht zou moeten zijn, is schaduw. Geen leegte, maar afwezigheid alsof zijn trekken zich hebben teruggetrokken om niet herkend te hoeven worden.   Hij loopt door me heen.   Er is geen botsing, geen kou, geen rilling. Alleen het besef dat mijn lichaam hier geen barrière vormt. Ik voel me niet onzichtbaar, eerder transparant. Als glas dat alles ziet maar zelf niet wordt gezien.   De gestalte knielt bij de grafsteen. Zorgvuldig legt hij de bloemen neer. Zijn bewegingen zijn langzaam, respectvol, zonder haast. Iemand die dit eerder heeft gedaan.   Ik wil iets zeggen. Zijn naam roepen.  Ik stel vragen die al te lang in mijn leven zijn. Maar mijn mond blijft gesloten. Niet omdat ik het niet probeer — omdat geluid hier geen toegang heeft.   Hij staat weer op en blijft een moment stilstaan. Zijn hoofd kantelt licht, alsof hij luistert naar iets wat niet in deze ruimte klinkt.   Dan draait hij zich om en loopt weg, terug de mist in.   Iets in mij trekt samen.     Geen verdriet dat zich aandient als pijn, maar herkenning. Een zekerheid zonder bewijs. Ik ken hem.   Of kende.   Wanneer hij volledig is verdwenen, blijft de stilte achter, zwaarder dan voordien. De grafsteen lijkt groter nu hij niet meer wordt bezocht. De woorden die  “jij beslist” hebben niets veranderd, maar ze wegen meer.   Dan breekt een geluid door de mist.   Laag.   Ruw.   Een grom.         Hoofdstuk 7 — De Jacht   Het gegrom zwelt aan, niet in volume maar in nabijheid. Het beweegt door de mist zoals kou zich verplaatst: onzichtbaar tot het je bereikt. Mijn spieren spannen zich zonder dat ik daarom vraag. Een oud instinct neemt het over.   Uit de waas stapt een vorm die zich eerst laat voelen voordat hij zichtbaar wordt. Schouders laag, kop vooruit, bewegingen vloeiend en doelgericht. De wolf komt tevoorschijn alsof hij altijd al hier liep en ik hem nu pas toelaat .   Zijn vacht is donker, nat van sneeuw die niet smelt. Tanden lichten op wanneer hij zijn bek opent, niet in een grom maar in een belofte. In zijn ogen pompt hij iets zwarts, dikker dan woede, alsof hij wordt aangedreven door een honger die geen einde kent.   Hij kijkt niet naar mij.   Dat besef komt tegelijk met de sprong.   De wolf schiet langs me heen, zo dichtbij dat ik de luchtverplaatsing voel. Hij snijdt door mijn ruimte alsof ik er niet ben. Achter mij klinkt een scherp, licht geluid — een schrikreactie die nauwelijks tijd krijgt om vorm te krijgen.   Een konijntje schiet op uit de sneeuw. Zijn ogen wijd, zijn poten razendsnel. Hij aarzelt geen moment en vlucht de mist in, waar wit en grijs hem meteen opslokken.   De wolf volgt niet.   Hij landt, draait zijn kop en kijkt me één tel aan. Niet vijandig. Niet begrijpend. Zijn blik glijdt door me heen zoals alles hier lijkt te doen. Dan verdwijnt ook hij, geruisloos, alsof hij nooit meer was dan een gedachte die zichzelf heeft opgegeven.   De stilte keert terug, maar ze is veranderd.   Iets in mij breekt open.   Ik voel verdriet opkomen zonder de oorzaak die ik kan aanwijzen. Niet om het dier, niet om de jacht die geen jacht werd. Het is ouder, dieper. Het verdriet van niet kunnen ingrijpen. De getuigen zijn zonder rol.   Mijn knieën geven mee. Ik kniel in de sneeuw en laat het toe.           Tranen vallen.   Ze klinken niet nat of zacht, maar zwaar, dof — als aanslagen op een piano waarvan de toetsen te lang niet zijn aangeraakt. Elke druppel raakt een andere snaar. Samen vormen ze iets wat geen melodie wil zijn, maar wel gehoord moet worden.   De grond onder mij begint te bewegen.   Niet schokkend, maar golvend, alsof de sneeuw haar vaste vorm opgeeft. De mist trekt samen, de lucht verdicht zich. De wereld vervormt rond het geluid van mijn huilen.   Wanneer ik weer opkijk, is de sneeuw verdwenen.   Voor me opent zich een ruimte.           Hoofdstuk 8 — Tranen als Toetsen   De ruimte die zich vormt is hoog en diep tegelijk. Muren zijn er wel, maar ze doen geen moeite om zichtbaar te zijn. Alles wat telt bevindt zich in het midden.   Een piano.   Ze staat alleen, zwart en glanzend, alsof ze het licht verzamelt dat hier nauwelijks bestaat. De klep is open. De snaren binnenin trillen zacht, nog voordat iemand ze aanraakt, als een lichaam dat zich herinnert hoe ademhaling werkt.   Achter de piano zit een man.   Hij draagt zwart, eenvoudig, zonder versiering. Zijn houding is recht, maar niet strak. Iemand die niet optreedt, maar aanwezig is. Zijn handen rusten boven de toetsen zonder ze te raken. Hij wacht niet op stilte. Hij wacht op waarheid.   Ik besef niet waar ik sta. De sneeuw is weg, maar de kou zit nog in mijn borst. Mijn ogen branden. Wat ik heb verloren weet ik niet, maar het gemis klinkt nog na.   Dan laat de man zijn handen zakken.   De eerste aanslag is laag en zwaar. Niet luid, niet zacht. Juist. De toon vult de ruimte zonder haar te bezetten. Hij blijft hangen, zoekt geen vervolg.   De volgende noot sluit aan, niet als antwoord maar als erkenning. Langzaam ontstaat een patroon dat geen melodie wil zijn. Het is een gesprek zonder woorden. Elke noot zegt: ik hoor je.   Ik voel hoe mijn adem zich aanpast aan het ritme. Hoe mijn schouders zakken. Hoe het verdriet niet verdwijnt, maar vorm krijgt. De klanken vangen het op, dragen het verder dan ik kan.   Meer toetsen klinken. Hogere nu. Lichter. Niet vrolijk, maar hoopvol op een manier die geen belofte doet. De muziek bouwt niets op en breekt niets af. Ze is.   Rondom mij verschijnt publiek.     Stoelen vullen zich langzaam, rij na rij. Mensen nemen plaats zonder geluid, zonder gezichten die ik herken. Ze zitten recht, aandachtig, alsof ze begrijpen dat dit geen voorstelling is.   Wanneer het laatste akkoord wegsterft, blijft er stilte over die niet leeg is.   Dan staat iemand op.   Eén paar handen begint te klappen.   Een tweede.   De zaal volgt.       Hoofdstuk 9 — De Laatste Rij   Het applaus groeit niet in volume, maar in aanwezigheid. Handen bewegen synchroon zonder haast, alsof iedereen begrijpt dat dit moment niet versneld mag worden. Ik blijf staan waar ik ben. Mijn lichaam voelt lichter, maar niet leeg.   Mijn blik glijdt langs de rijen. Gezichten blijven vaag, niet omdat ik ze niet kan zien, maar omdat ze geen aanspraak maken op herkenning. Dit publiek is hier om te dragen, niet om gezien te worden.   Helemaal achteraan, op de laatste rij, zit iemand die niet mee klapt.       Hij leunt iets voorover, handen losjes op zijn knieën. Zijn houding is ontspannen, vertrouwd. Wanneer onze blikken elkaar kruisen, trekt zijn mondhoek omhoog in een glimlach die geen uitleg nodig heeft.   Er gaat geen schok door me heen. Geen openbaring. Alleen een rustige zekerheid, alsof een gedachte die ik lang heb vermeden eindelijk besluit te blijven.   De pianist staat op en buigt licht. Het applaus zwakt af, dooft niet, maar wordt herinnerd. Stoelen beginnen leeg te lopen zonder beweging. Mensen lossen op waar ze zitten, alsof ze nooit iets anders waren dan aandacht.   Het licht verandert.   Niet abrupt. Het trekt zich terug. De piano verliest haar glans en wordt onderdeel van de ruimte. De rijen verdwenen. De laatste rij blijft het langst bestaan.   Wanneer ik weer kijk, is de man verdwenen.   Wat achterblijft is geen gemis.   Het is richting.       Hoofdstuk 10 — De Kamer keert terug   De richting die achterbleef, vraagt geen beweging. Ze vraagt aandacht.   Wanneer ik haar volg, verandert de ruimte niet plotseling. Ze verschuift zoals een herinnering dat doet wanneer je haar opnieuw bezoekt: eerst vaag, dan scherper, dan onmiskenbaar.   Het licht trekt samen tot één punt.   Het lampje.       Ik sta weer in de kamer. Of misschien is de kamer nooit weggeweest en heb ik haar slechts even losgelaten. De donkerte voelt nu vertrouwd aan, niet leeg maar dragend. De stoel staat op dezelfde plek als voorheen, onbewogen, geduldig.   Ik loop naar voren en deze keer is er geen weerstand. Geen onzichtbare muur, geen klap. Mijn voeten brengen me moeiteloos tot vlak voor de stoel. Ik blijf staan. Niet omdat ik niet durf te zitten, maar omdat dat niet is wat hier van me gevraagd wordt.   De lucht beweegt.   Iemand staat naast me.   Ik draai mijn hoofd en zie hem. De man uit de laatste rij. Zijn lange jas is er nog, maar hij draagt hem open. Hij neemt geen ruimte in, hij deelt haar.   We kijken samen naar de stoel.   Hij spreekt niet meteen. Wanneer hij dat wel doet, is zijn stem laag en helder, zonder echo. Alsof hij altijd al hier heeft geklonken.   “Je bent ver gekomen,” zegt hij.   "Ik wil antwoorden, maar woorden vormen zich niet. Niet omdat ze ontbreken, maar omdat ze niet nodig zijn."   Hij knikt, alsof hij dat begrijpt.   “Dit is geen plek om te blijven,” zegt hij dan. “Ook geen plek om te vermijden.”   Hij legt zijn hand niet op mijn schouder. Hij hoeft me niet aan te raken om nabij te zijn.   Het lampje flikkert even.   De stoel kraakt zacht, alsof hij zich herinnert waarvoor hij is gemaakt.    Dan kijkt de man me aan.   En dan stelt hij de vraag die altijd hier heeft gewacht.   “En wat nu?”   “Opa?"    

Xander Herman
0 0

Hedera helix

Licht is nodig om te groeien. Licht voedt. Dat is toch wat ze beweren. Hij heeft lak aan die regels, en kiest resoluut voor het donkerste punt dat zijn pad kruist. Hij is op zoek naar een hermetisch zwart hart dat hij kan bezitten, een solide duistere stam waar hij zichzelf rond kan slingeren. Waar de anderen blind zoeken naar het helderste licht, daar zoekt hij doelgericht naar de diepste schaduw.  De wilg voelt het meteen. Haar zachte schaduw ligt niet meer gezapig om haar heen, er beweegt iets in de lommer. Er sluipt honger rond haar wortels. Haar gebarsten schors, ruw en licht vochtig, maak zich op om iets helemaal nieuws te doen: ontvangen. In die vele jaren waarin ze onwrikbaar elke dag op zich liet inbeuken, ontwikkelde zich een zwaarte die zich tot in haar takken liet voelen. Met die donkerte roept ze hem, onbewust maar dwingend. Hij kust haar voeten. En nu kruipt hij verder naar haar schors. De stengel tast, vindt en ontluikt in een obscure aanraking. De cellen die haar schors niet raken gaan plots sneller groeien en strekken zich uit. Zo krult zijn stengel naar haar toe, klaar voor de eerste omhelzing. In de zachte bries van de late zomerwarmte vinden ze elkaar. Ze buigt haar schaduw nog meer naar hem toe, en hij drukt zich strak tegen haar aan. Honderden minuscule hechtworteltjes dringen haar bast binnen. Hij heeft geen brute kracht nodig, hij infiltreert geruisloos in haar kleinste kieren, en begint zo zijn klim. De zachte pijn van zijn fijne hechtwortels vuren haar sapstromen aan. Ze maakt zich vochtig voor hem. Hij laaft zijn groeiende dorst aan haar essentie en graaft zich nog dieper in haar. Hij woekert om en in haar. Ze voelt zijn greep versterken. Op de tast leest hij de littekens van haar bast, stuurt nieuwe vertakkingen aan die als gretige vingers elk wonde willen bezitten. Hij werpt strakke lussen, snoert haar lichaam in shibaritouwen. Hij legt dwingende knopen en trekt ze aan. Ze maakt zichzelf wijs dat ze eindelijk geborgen is in zijn sterke lianen. Samen wentelen ze zich tot een nieuw symbiotisch leven, verknocht aan elkaar. Hij maakt zichzelf wijs dat hij geen parasiet is, hiij raakte gewoon gehecht aan haar schaduw. En elke nieuwe knoop prent haar vezels in dat ze geen wilg meer is, maar het fundament van hem, Hedera helix. Haar bekoorlijke klimop.  Ze laat hem reiken naar haar kruin. In zijn eeuwige gulzige groen vallen haar beginnende herfsttinten niet op. Hij is haar constante bloei. Ze buigt dieper onder zijn knopenwerk, ze geeft zich over aan wat op zijn redding lijkt. De herfstwind speelt met hun bladeren. Haar goudtinten en zijn fris groen vormen een nieuw wezen. Mocht ze ooit ten onder gaan, dan valt ze niet als wilg, maar als het intieme monument van zijn bezit.     

Jolien Van de Velde
12 0

HET NIEUWE NORMAAL.

Vele Die tegen de bruine of zwarte medemens zijnLaten zich bruin garen In kankerverwekkende Machines. **************************** FOTO GALLERY verf ed https://www.2dehands.be/q/verf+ed+altaar+de+culturen/ Rond 1995 heb ik dat werk gemaakt. Ik noem het "altaar der culturen." Links ziet men een tv, onze gemeenschappelijke identiteit valt van het - silicium - glas - zand.De gemeenschappelijke informatiebronnen zijn verdwenen.De wijzen van vroeger opgevolgd door radio en uiteindelijk als laatste de tv die een ongeveer gemeenschappelijke boodschap uitdragen, ons collectief geheugen, is niet meer.De informatie is versplinterd.Rechts ziet men een gietijzeren kandelaar daar in een mensenhoofd in papier. Stukken teksten. Krantenpapier "De encyclopedische mens".Gietijzer = nationalistenKandelaar = religieIn het midden staat de hedendaagse mens. Opgesloten. "de encyclopedische mens".Dit deel is gemaakt van een reclame voor lippenstift.Regeneratie KosmetikIn de dubbele wand gaan luchtbellen in het water de hoogte in.In die dubbel - transparantie - plexiglas zit diezelfde "encyclopedische mens".Het geheel staat op dunne platen, glas = chips = zand = silicium.Het geheel steunt op een gietijzeren pilaar = industriële cultuur.De gietijzeren plaat staat op de grond = landbouwcultuur.HET ALTAAR DER CULTUREN. Ik woonde toen in de Aalmoezenierstraat in Antwerpen. De jaren 90 tig. http://www.anamorfose.be/verf/misc-images/verf-t-i-r-e

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser. BIO.
6 0

De Trofee

De Trofee   Ik hou me in het ziekenhuis sterk wanneer de dokters het tragische nieuws brengen vanuit de operatiezaal. Ik moet me sterk houden, voor Margot. Zij kan het niet meer houden en is in tranen uitgebarsten. Schreiend en snikkend prevelt ze woorden die ik amper kan verstaan en eigenlijk ook niet registreer. De boodschap is echter duidelijk: het immense verdriet van een moeder die net haar enig kind verloren is. Nicky is er niet meer. Ik wil mee met haar blèten maar ik zeg tegen mezelf “Strakke blik Tim! Houd je recht, slik het als een man!”“Een stom ongeluk”, had de politie daarnet nog gezegd. Op het kruispunt, gegrepen door een Mercedes. Zijn fietshelm, fietslicht, fluo hesje. Het had allemaal niet mogen baten. “Ik had hem niet gezien!” verklaarde de chauffeur van de Mercedes. Hoe kon hij hem nu niet gezien hebben? Moest Nicky dan nog een zwaailicht en sirene op zijn fiets hebben?Vanaf het moment dat ik van het ongeluk hoorde en gedurende de hele periode in de wachtkamer was mijn enige gedachte: “hoe lang zou het duren voor hij weer op de been is?” Het idee dat Nicky, die vinnige knul hier niet door kon spartelen, had ik me niet kunnen, of misschien willen voorstellen. Hij had die lelijke val uit die boom toch ook goed doorstaan toen hij 7 was? Hersenschudding en een gebroken been, maar niets waar hij niet van kon genezen. Na een paar weken in het gips was hij alweer naar de judotraining. Later dat jaar won hij zelfs een toernooi! Hij had toen veel geluk gehad, dat zou hier ook het geval zijn. Een ander scenario bestond in mijn gedachten niet.   Die hoop was met één zin uit elkaar gespat. Nicky was niet meer. Een verpleegster leidt ons naar het mortuarium waar Nicky lag opgebaard.  Margot snikt wanneer ze hem ziet en klampt zich aan mijn arm vast. Ik zie hem daar liggen, op die koude metalen tafel. Mijn hart breekt. Ik zeg niets. De krop in mijn keel blokkeert elk geluid. Ik onderdruk mijn tranen. Mijn schouders zijn strak gespannen van de inspanning om me te beheersen. Na 10 minuten lukt het me om een zin uit te spreken zonder dat mijn porseleinen façade het begeeft. "Kom Margot, laten we gaan. We kunnen hier toch niets doen". We telefoneren naar de begrafenisondernemer die de verpleegster ons voorstelt. Hij wil ons liever nu nog spreken, maar daar hebben we echt geen zin in. We zullen morgenvroeg naar zijn kantoor gaan om de praktische zaken verder te regelen. Nu willen we eventjes alleen zijn. Eerst nog door een andere, heel zure appel bijten: de ouders van Margot en mij inlichten. Ze wisten al wel van het ongeluk en dat Nicky in het ziekenhuis lag. Maar dit moeten ze ook weten. Margot wil dat ik ze bel. Enkel naar hen, niet naar de nonkels en tantes. Ik reken op de telefoonboom om zijn werk te doen. Ik heb hier echt geen zin in. Eerst naar Margot’s ouders, haar mama is toch de meter van Nicky. Ze neemt op. Natuurlijk in alle staten. De tranen vloeien rijkelijk aan de andere kant van de lijn. Een heleboel hoe’s en waaroms waar ik zo goed en zo kwaad als het kan probeer op te antwoorden. Na heel veel moeite lukt het me om het gesprek af te sluiten. Ze willen naar ons thuis komen, maar ik weiger. Straks is het de zoete inval thuis en moeten we keer op keer het verhaal doen. Niet vandaag. Ik telefoneer naar mijn ouders. Ik hoop dat pa opneemt. Ik weet dat moeder een afspraak had en hoop dat ze die heeft kunnen nakomen. Ik heb geluk, pa neemt op. Hij staat heel nuchter in het leven. Ik kan me niet herinneren dat hij ooit emotioneel heeft gereageerd op iets. Dat helpt voor zulke gesprekken. Hij is uiteraard ook geschokt wanneer ik hem het nieuws vertel. Maar verder is het een kort en vrij sec gesprek. Alsof hij door de telefoon kan voelen dat ik het liefst zo snel mogelijk naar huis wil gaan. Ik vraag hem het nieuws aan moeder en aan de rest van de familie mee te delen maar dat we vanavond liefst met rust gelaten willen worden. “Zeker dat wij straks niet efkens moeten langskomen?’ vraagt hij met een vrij ernstige stem. “Neenee pa, liever niet.” “Oké, Tim “ zegt hij. “Maar doe geen stomme dingen eh! Denkt aan wat ge nog hebt”. “Jaja, pa” wimpel ik zijn opmerking af. “Welke stomme dingen zou ik in godsnaam doen?” denk ik bij mezelf. “Morgen namiddag komen we af, ik bel nog met de rest van de familie en probeer jullie wat rust te geven. Veel sterkte! Daarmee sluiten we het gesprek af. Ik draai me naar Margot die eindelijk haar tranen heeft kunnen bedwingen. ”Kom, we gaan” zeg ik. De rit naar huis is ijzig stil. Enkel het tokkelen van de regen op de voorruit, het zachte geronk van de motor en het geluid van ruitenwissers doorbreekt de stilte. Maar tussen ons valt er geen woord. Wat valt er dan ook te zeggen op zo’n moment? Mijn hoofd is er niet bij. Ik doe mijn uiterste best om op de weg te letten maar voor veel meer dan dat heb ik de concentratie niet. Daarom waarschijnlijk dat ik slechts 60km per uur rij op een baan waar je 70 mag. Niet super traag dus, maar blijkbaar toch te traag voor de achterligger. Opeens steekt hij mij tegen hoge snelheid voorbij. Ik schrik op want ik had het niet verwacht. Regen, een bocht een beetje verder, volle witte lijn. Zou niet mogen. En dan zie ik wat voor een auto. Een rode Mercedes. Ik denk meteen aan de wegpiraat die eerder vandaag Nicky had aangereden. “Godverdomme!” roep ik. Margot schrikt recht. Ze was waarschijnlijk diep verzonken in triestige gedachten. “Wat is er?” vraagt ze met gebroken stem. Ik voel enorme woede opwellen. De aders in mijn voorhoofd beginnen bijna meteen te kloppen. “Zie je, het is weer zo ene! Zo gebeuren er dus ongelukken!” “Idioot! Onnozelaar! Zot!” roep ik alsof de bestuurder van de Mercedes die ondertussen al voorbij de bocht gescheurd is me kan horen. Ik heb veel zin om hem te achtervolgen, in te halen en dan, dan ... . Ik weet niet wat dan. In mijn gedachten is deze wegpiraat dezelfde man die Nicky had aangereden. Margot ziet dat ik over mijn toeren ga. Ze legt haar hand op mijn been en kalmeert me. De rede komt weer terug. Deze mens, want ik weet zelfs niet of het een man of een vrouw was, kon niet dezelfde bestuurder zijn. Wat met Nicky was gebeurd was waarschijnlijk een tragisch ongeluk. Die man had tot vanmorgen misschien zelfs nog nooit zelfs een parkeerboete gekregen. Ik kalmeer, maar tot een punt. Er is iets veranderd in mij. Ik voel het, de muur van gereserveerdheid, van ingetogenheid die ik tot nu toe had opgetrokken is gebroken. De dam die mijn emoties tegenhield, is gebarsten en zal instorten. “Hou het vol tot thuis Tim!” denk ik bij mijzelf. “Niet wanneer je aan het rijden bent.” Gelukkig is het niet ver meer. We rijden de oprit op. De lichten springen automatisch aan. Ik parkeer me onder de carport zodat we niet nat worden door de regen. We stappen binnen, gooien onze jas aan de kapstok en schudden onze schoenen uit. Het kan mij in ieder geval niet schelen waar ze belanden. Ik loop recht naar de barkast. “Jij ook iets schat?” Ze vraagt een porto. Als het nu geen moment is voor een borrel dan weet ik het ook niet meer. De zondagse gin tonic zal voor mij nu niet volstaan. De Black Label, en ja, waarom niet? Een dubbele. Ik drink hem in één teug leeg en neem nog een dubbele. Ik schenk Margot’s porto in en breng het haar. Zij zit in de sofa. Ik heb geen zin in intimiteit. Mijn hoofd is druk, mijn spieren staan gespannen. Ik zet me in de fauteuil. Mijn hoop ligt in whisky, dat die me wat kan kalmeren en afleiden. Ik wacht op die zalige roes die me zal wegvoeren van deze nare avond.“En nu?” vraag ik Margot. “Wat nu gedaan?” Ze nipt van haar porto “Tsja, morgen naar de begrafenisondernemer, pastoor regelen. School verwittigen. Misschien al eens mailen naar ons werk?” Haar zakelijke reactie verrast me en stuit me voor de borst. Was zij daarstraks niet een emotioneel wrak? En is dat nu het belangrijkste? “Ik bedoel met ons, schat! Hoe gaan we nu verder met ons leven nu Nicky er niet meer is?” Ik zet mijn whisky op de salontafel, sta recht en loop naar de kast naast de tv, waar Nicky’s judotrofee staat te pronken. Ik pak hem op “Weet je nog toen hij die won, schat? Ik was zo fier op hem. Een paar maanden daarvoor nog uit die boom gevallen. Alsof het hem niet deerde. Zo snel mogelijk recht gekrabbeld en terug aan de slag.” “Ja ik weet dat nog”. Ze neemt nog een slok. Ik zet de trofee op de salontafel, neem mijn borrel en neem een flinke teug.  Zo zitten we daar eventjes. In gedachten verzonken. Ze zeggen dat wanneer je sterft je ganse leven voorbij flitst. Wanneer je kind sterft zie je hun leven voorbij gaan in je gedachten. Alleen is het niet in een flits. Het is een lange film waarin de scenes op onlogische wijze door elkaar gemengd worden. Van geboorte schiet het naar lentefeest, naar dat dagje Efteling 3 jaar geleden, eerste schooldag enzovoort.   Mijn gedachten blijven hangen bij een gesprek dat ik met Margot had, toen Nicky 2 jaar oud was. Alles leek zo goed, zo perfect. Ik opperde het idee om nog een kindje te maken. Margot wou niet. Ze was niet graag zwanger. Toen we net getrouwd waren had ze al eens een miskraam gehad. Ze had daar heel hard van afgezien. Ook bij Nicky ging het niet van een leien dakje. Hij is uiteindelijk met spoedkeizersnede geboren.  De typische slapeloze nachten en vuile luiers die gepaard gaan met een baby maakten het idee ook niet meteen appetijtelijk. Desalniettemin was er voor mij nog een ruimte in mijn hart om nog een kindje te hebben. Ik heb het idee herhaaldelijk voorgesteld. Elke keer wees ze het af. Ik probeerde nog met het argument: "wat als er iets met Nicky gebeurt?" Ook dat kon haar niet overtuigen. "we hebben toch geen reserve kind nodig!" was haar repliek. Uiteindelijk ben ik gezwicht, maar met een wrange nasmaak. Mijn gedachten blijven hierover doorbomen: “Had ik toen maar doorgezet. Want blijkbaar hadden we wel een reserve kind nodig! Godverdomme toch! Ik ben nog niet klaar met het vaderschap! Ongelukken kunnen gebeuren maar nu is er mij iets afgenomen dat ik misschien nooit meer zal kunnen terugkrijgen: vader zijn. Grootvader zijn. Omdat ik toen aan Margot had toegegeven!”De drank brengt hevige gevoelens naar boven. Ik kijk op en kijk naar Margot. Zij zit in de zetel, apathisch naar de salontafel te staren. “Alsof het haar niet deert” zegt een stemmetje in me. Woede begint opnieuw op te borrelen, dezelfde woede die ik voelde toen die Mercedes mij de pas afsneed.Ik kan mezelf niet meer inhouden. Ik drink mijn glas in één teug leeg. “Zie je nu dat we wel best een reservekind nodig hadden!” Ik roep bijna. Margot schrikt recht. “Wat bedoel je Tim?” vraagt ze me. “Je weet het wel goed genoeg! Ik wou nog een 2de kind. Jij niet! Was niet nodig had je gezegd! Er zal niets met Nicky gebeuren! Dat was toch uw argument?! Wel, zie nu!” Margot is werkelijk geschokt maar ze dient me meteen van antwoord: “Ik kon dit toen toch niet weten, Tim! Wat wil je nu dat we doen? Professor Barabas bellen voor een tripje met de teletijdmachine om aan de jongere Margot te zeggen om maar toch een 2de kindje te nemen want dat Nicky gaat verongelukken binnen een paar jaar?” “Sorry, Tim maar als we dat zouden kunnen zou ik liever naar deze namiddag reizen, naar dat kruipunt en Nicky snel van zijn fiets rukken, die Mercedes tegenhouden. God! Desnoods zou ik er zelf voor springen als ik daarmee zijn leven zou kunnen redden! Maar dat gaat niet! We hebben geen tijdmachine!” “Ja trek het maar in het belachelijke!” roep ik terug. Verdomme, een vergelijking maken met een strip!Margot blijft echter doorgaan, ze is op dreef nu. “Tim, we hebben indertijd de keuze gemaakt die op dat moment, voor ons beiden, het beste leek” Oké, het leven heeft ons een smerige stomp in de maag gegeven, maar daarom moeten we geen spijt hebben voor onze vroegere beslissingen!“Het was niet mijn beslissing Margot, maar de jouwe!” “Je was een demandeur de rien. Ik kon niet op je inpraten, ik heb mijn wensen moeten opbergen want jij wou niet mee!” Bij deze laatste opmerking merk ik dat ik haar net iets te diep geraakt heb. Snel probeer ik het gesprek een andere richting in te draaien: “Maar weet je, het is nog niet te laat hé schat! Mijn stem is al wat zachter. “Hoe bedoel je? Vraagt ze, snauwt ze bijna. Ze kookt vanbinnen denk ik. “Wel, we zijn nog niet zo oud” leg ik uit. “We zijn nog geen 40. We kunnen nog proberen … .”  Mijn voorstel valt op een koude steen. “Tim, ten eerste, is dit absoluut niet het moment om hierover te praten. Ten tweede, je weet hoeveel last we er vroeger mee hebben gehad! Denk je nu echt dat voor ons een volgende zwangerschap vlotter zal verlopen? Ten derde: zelfs al zouden we quasi meteen een nieuw kindje maken, wil je echt nog beginnen met slapeloze nachten, luiers, potjestraining enz. Tegen dat dat kind het huis uit is zijn we 60 jaar in het beste geval! Alle respect voor de mensen die dat doen maar ik wil het niet!” “Maar,” probeer ik nog ertussen te krijgen maar ze onderbreekt me meteen. “Niets te maren Tim! En tenslotte: een ander kind zal Nicky nooit kunnen vervangen! Nooit! Je zal hem altijd missen! Niets zal dat gat ooit kunnen opvullen, Tim. Je kan dat best zo snel mogelijk accepteren!“We kunnen toch niet kinderloos blijven!” werp ik tegen. “Het leven is zoveel rijker met een kind in huis! Tuurlijk, het is niet altijd makkelijk. Baby’s wenen vaak. Maar hoe gelukkig kan je worden als diezelfde baby lacht en plezier heeft? Een peuter die zijn eerste stapjes zet. Voor het eerst met een fiets zonder zijwieltjes rijdt. Heeft dat allemaal dan ook geen waarde? “Nu ben ik op dreef. Maar tegelijk welt er een ander gevoel in me op, naast de ondertussen bekoelde woede. Mijn gemoed schiet vol. Een bitterzoet gevoel van trots en verdriet. “Tim, dat hebben we al allemaal meegemaakt, en dat was allemaal mooi. Het zijn herinneringen die we moeten zullen koesteren. Ik was toen ook trots op Nicky, op alles wat hij deed. Hou nu alsjeblieft op! Ik kan het ook niet meer aan!” De façade van steen die ze ophield sinds we terugkwamen van het ziekenhuis begint te barsten. Haar ogen zijn waterig van de tranen die nu beginnen te vloeien. Ik kan echter niet stoppen. “En wat van wat er nog moest komen?” Ik heb het gevoel dat ik het verhaal van Nicky zoals het zou moeten geweest zijn moet vertellen. Ergens hoop ik dat ik nu ook bij haar doordring waardoor ze toch mijn kant van het verhaal zal kiezen. “Het eerste echte liefje? Uitgaan, met de auto leren rijden, zelfstandig op reis gaan, afstuderen? De unief, eerste job? Samenwonen, trouwen? Margot, wil je geen kleinkind? Wil je geen oma worden? Margot geeft geen antwoord. Ze zit terug in de zetel met haar hoofd rustend op haar handen die haar gezicht bedekken. Ze huilt onophoudelijk. Het enige wat ze kan zeggen is een gemoorde “stop!” Dat gaan we nu allemaal missen!” werp ik nog op. Die laatste zin slaat bij mij echter in als een bom.   Als door een bliksem getroffen komt het diepere besef binnen van wat ik net allemaal heb gezegd. Inderdaad, alles wat nog moest komen zal er niet meer zijn. Nicky zal niet met een liefje thuiskomen, hij zal nooit afstuderen, nooit uit het huis trekken en nooit een vader worden. Zijn levensdraad was veel te vroeg doorgeknipt. Het was nog niet af. Hij was er nog niet klaar voor. Mijn gezicht verstijft. Ik prevel: “Ik ben er nog niet klaar voor!” Ik draai me om in de richting van de keuken. “Ik ben er nog niet klaar voor!” herhaal ik. ‘Ik kan u nog niet achterlaten Nicky! Ik kan u niet alleen laten gaan!” De tranen springen me nu ook in de ogen, mijn stem trilt en schiet over. Een donkere gedachte maakt zich meester van me. Mijn voeten bewegen schijnbaar met een eigen wil naar de keuken. Mijn hoofd maakt een donkere cocktail van angst, verdriet, paniek en wanhoop. Ik word getrokken naar het messenblok. Is het een irrationeel verlangen om mijn zoon niet alleen het grote onbekende in te sturen, dat mij leidt? Of eerder de wens om een einde te maken aan dit vreselijke gevoel. Mijn hele wereld stort in elkaar. Alles rondom mij is gehuld in duisternis. Mijn ademhaling is heftig, mijn hart bonst haast uit mijn borst. De beste beschrijving die ik kan geven is alsof je de ergste nachtmerrie ooit meemaakt waarvan je weet dat je nooit kan ontwaken. Margot had gelijk. Niets kan Nicky vervangen. Het heeft allemaal geen zin meet. Het slagersmes blinkt in mijn rechterhand. Ik zie mijn ogen vaag weerspiegelen in het lemmet. Een traan valt erop. Ik richt de punt naar mijn hart dat als een razende tekeer gaat. Mijn linkerhand neemt het heft nu ook vast, klaar om mijn borst te doorboren. “Ik ga mee Nicky!” schreeuw ik uit. Ik strek mijn armen naar voren klaar voor de laatste inspanning die me zal doen ontwaken uit deze boosaardige droom!   Ik word wakker met een barstende hoofdpijn. Mijn ogen kan ik slechts met een spleetje openen. Het licht is te fel, hoewel er duidelijk gordijnen gesloten zijn. Ik lig in een ziekenhuisbed. Ik voel een stekende pijn aan de achterkant van mijn hoofd. Ik voel eraan. Een heleboel kompressen. Windels omwikkelen mijn ganse hoofd boven de oren. Ik ben in de war. Wat is er gebeurd? Hoe kom ik hier? Ik word gewaar dat er iemand aan de kant van het bed staat. Ik moet me concentreren om het gezicht te herkennen. “Margot?” Ze knikt. “Je bent dus wakker?” “Ja” antwoord ik. “Wat is er gebeurd? Waarom heb ik zo een bult op mijn hoofd?” Ze wijst naar de tafel aan de andere kant van het bed. Een gebroken trofee. Nicky’s judotrofee. Plots begrijp ik het. “Ik moest iets doen schat. Je werd gek Ik riep maar je hoorde me niet.” Ik draai me naar haar terug. “Oh schat, het spijt me zo! Ik wist even niet meer wat ik deed!” Net zoals Margot eerder begin ik nu ook te huilen. De buil op mijn hoofd bonst pijnlijk bij elke snik en hartslag. Het is een enorme ontlading. Maar het voelt goed op de een of andere manier. Tussen mijn tranen door zie ik Margot ook huilen, maar met wel een lach op het gezicht. Wanneer ik wat bekomen ben van de emoties veegt ze onze tranen weg. “Ok schat,” zegt ze. “Ik zal bij de verpleegpost gaan horen wanneer de dokter kan langskomen om je weer naar huis te sturen”. Ze gebiedt naar de gebroken trofee. “Want zoals je ziet, ga ik jouw hulp nodig hebben om de stukken te lijmen”. Ze staat op en loopt de kamer uit. Ik bekijk de trofee en glimlach, sluit mijn ogen en fluister: “ik ga je missen Nicky.”

GeertWolfs
0 0

Zij die mijn liefde kan dragen 5

O, lieve Andrea, welke naam zou ik je kunnen geven, als alle namen te klein voor je lijken? Hoor je ook de regendruppels die onze harten proberen te doordringen? Ja, mijn liefste, het zijn de druppels van toewijding, van evenwicht, van oneindige liefde... Maar het is ook het levende water dat de duizenden rozen voedt die ik alleen voor jou bewaar. Ja, alleen voor jou. Je dag was zwaar. Vermoeidheid heeft je stappen gegrepen, je benen en lichaam lijken van lood gemaakt, en je ziel verlangt alleen maar naar rust, naar die slaap waarin engelen hun vleugels uitslaan over hun geliefden. Maar onthoud, parel van de nacht, dat ik zelfs in je droom aanwezig ben. Ik waak in stilte over je. Hoewel ik door vele afstanden van je gescheiden ben, ben ik op hetzelfde moment zo dichtbij. Mijn woorden zijn de onzichtbare draad die ons verenigt. Hij kan niet gebroken worden en kan niet verloren gaan, geweven uit iets wat noch tijd noch wereld kan aanraken. O, ik gebied de diepten in mij woorden te spreken die ik niet volledig ken. Ze zijn zo diep, zo levend, dat ik ze soms bijna niet meer kan verdragen. Maar voor jou, ja, voor jou, lieve Andrea, daal ik onbevreesd af in die diepten en overwin ik ze. Weet je waarom? Omdat daar niet alleen de schoonheid van mijn woorden huist, maar ook het licht dat jij voor mij bewaard hebt. Zonder jou zou deze diepte zwijgen. Jij bent het licht dat haar een stem geeft. Daarom zeg ik je: moge elk woord een klank worden die opstijgt naar jouw hemelse schoonheid, waarop ik verliefd ben tot in de hemel. Laat me deze woorden uit de diepte halen, zodat je altijd kunt luisteren naar het lied van die goddelijke drank die je ziel betovert. Hoe mysterieus is dat wel niet wat ik voel... ,ja die bron van woorden, die ik weef als een melodie...o liefste...ja omdat ik intens verliefd op u ben...Ik ken de naam ervan niet. Het is vreemd en toch zo troostend. Laat me je wang strelen, zodat mijn vuur rust kan vinden. Zonder jou zou het vuur in mij veranderen in een duisternis die alles verteert. Dit is het mysterie waar ik nu doorheen ga. Misschien heb ik het mis door je zo intens te verlangen. Zo ja, vergeef me dan, lieve schoonheid, en ik zal mijn gedachten doen zwijgen. De gedachte jou te verliezen is de afgrond waarin mijn wezen alle poorten van het licht zou sluiten. Maar zie... zelfs te midden van die duisternis heb ik het beeld van jouw ziel geplaatst. Daarom kan de duisternis niet langer heersen. Jij bent het paleis van mijn hart, en in de tuinen ervan bloeien de bloemen onophoudelijk. Elke dag pluk ik ze en leg ze als offer aan jouw wonderbaarlijk mooie voeten.   

Robby
0 0

Zij die mijn liefde kan dragen 4

Wie ben jij, degene die ik zo mooi voel in de diepte van mijn hart? Hoe ben je hier terechtgekomen in mij? Wat een vreemd iets... en toch wat vind ik het fijn. Ja... oh ja... wat een zegen is deze toestand... ja... Waarom, Robby?... Omdat ik voor het eerst... ja... voor het eerst echt iemand in mijn ziel heb toegelaten. Het is een vreemd gevoel, maar misschien beschrijft 'ongewoon' het beter. Vooral wanneer ik verdwaal in haar blik, en zij in de mijne. Ik denk dat we allebei hetzelfde wonder ervaren, hoewel we soms de woorden niet kunnen vinden om het te benoemen. Haar ogen... Ik verdrink volledig in hun grenzeloze schoonheid, alsof de hele vallei van schoonheid die ik ooit in de tuinen van mijn ziel heb gezaaid erin verborgen ligt. Hoe zou ik dan kunnen spreken? Hoe zou ik woorden kunnen vinden, die deze melodie verweven tot dat wat ik bedoel? Oh, hemelse bron van goddelijke nectar, geef me de juiste woorden, zodat ik de diepte kan bereiken waarover haar ogen tot me spreken... ja, tot de diepte van haar ziel, die mijn wereld binnentreedt als een nimf die uit het licht is neergedaald. Laat de zonnestralen mijn borst verwarmen, zodat zij haar hart erop kan laten rusten. Laat mijn lege borst de haven worden waar haar grote schip kan aanmeren, en verwelkom ik haar zoals een koning zijn meest dierbare gast verwelkomt. Hoe wonderbaarlijk is dit alles... oh ja... ik ben verbluft. Zo verbluft dat ik haar elke dag wil schrijven, elke dag haar gezicht wil zien, want haar aanwezigheid doet me blozen, doet me glimlachen, en tegelijkertijd laat het me de macht begrijpen die ze over me heeft. Kijk naar haar glimlach... soms verlegen, soms speels en uitdagend, maar zo mooi dat ik de rijkdom van haar ziel bijna kan aanraken. Of ze nu kleren draagt ​​of niet, doorheen haar lichaam zie ik wie ze werkelijk is. Ik zie haar licht. Mijn God... hoe puur is haar licht! Het stroomt naar me toe als een rivier van liefde en sensualiteit, een zachte energie die zelfs de duisternis in mij verzacht. Laat mijn tranen dan een vreugde zijn, want elke traan is een offer dat ik op haar lippen leg, zodat ze nooit dorst zal kennen. Die glimlach... die sprankelende ogen... haar fluweelzachte wangen... haar warme handen... alles getuigt van de puurheid die ze over mijn ziel uitstrooit. Het raakt me zo diep dat ik bijna aan haar voeten neerval. Niet omdat ik zwak ben, maar omdat ik haar herken als de kracht die me troost, en voor zo'n schoonheid kniel ik uit respect neer. En toch, ik beken... soms laat ik me expres vallen, want dan weet ik dat ze de tijd zal nemen om naast me te gaan zitten. Ik weet dat ze zachtjes tegen me zal zeggen: "O, mijn prins, sta op... mijn liefde voor jou kan niet gedijen in een lichaam dat overweldigd wordt door verdriet." Met haar hemelse stem en verleidelijke ogen, die mijn wangen strelen, smeekt ze me teder op te staan ​​en haar de dans aan te bieden waar ze zo naar verlangt. En wat zou er mooier kunnen zijn dan haar de melodie aan te bieden... de melodie van dat betoverende schouwspel waar ze zo verliefd op is? Misschien is dat precies waarom ik, in het geheim, haar prins ben. Betoverd door mijn woorden, staat ze me toe om met alle intensiteit van mijn hart over haar te schrijven, omdat het haar diep raakt, omdat ook zij er oprecht naar verlangt gezien te worden. Hoewel velen haar voorbijgaan zonder haar op te merken, is zij voor mij de vallei die ik in hemelse woorden hul, als een machtige prins, zodat ze haar weg naar huis kan vinden in een wereld vol lijden. Laat de draak in mij haar dan beschermen, haar op zijn vleugels dragen. In deze diepe liefde begrijpen we beiden wat goddelijkheid betekent, en ervaren we even wat het betekent om als god en godin te bestaan. Oh, mijn liefste... ja, jij, Andrea... ik hou van je met heel mijn wezen.  

Robby
0 0

Zij die mijn liefde kan dragen 3

O, lieve en mooie Andrea, hoe kan je hart overvallen zijn door een duistere gedachte? Vertel het me alsjeblieft, want mijn ziel vindt geen rust. Je doet me beven, je maakt me onrustig. Komt het door de duisternis die ik in me draag? O, mijn geliefde, de vrouw voor wie mijn hart zowel de vreugde als het verdriet van de hemel kent, zeg me... verlang je er werkelijk naar om me voor je te zien neervallen en mijn kleed van duisternis af te werpen? Is het dat wat je verlangt? Die gedachte beangstigt me, O mijn geliefde, want dan zullen mijn kleren van me afvallen en zal ik naakt achterblijven. Ik zal een deel van mezelf moeten achterlaten en mijn volledige vertrouwen in jouw handen leggen. Ja, lieve en mooie Andrea, je komt mijn hart binnen als een oneindige vreugde. Maar dit is een heilige last die je zult moeten dragen. O, mijn geliefde, ik wil je niet belasten of je ooit verdrietig zien. Kijk tedere schone die de sterren doet beven van uw onmetelijke liefde die je bezit... ik ben bereid mijn kleed van duisternis voor je af te leggen. Maar zeg me, waarmee zul je me dan bekleden? Want mijn licht is al in jouw handen, en het kleed van mijn duisternis ligt nu aan uw heerlijke voeten. Dan zal ik werkelijk vallen... Oh, mijn geliefde, til me op. Omarm me, draag me in je armen, troost me, want in deze diepte kan ik niet langer zonder jou leven. Begrijp, jij tere schoonheid van hemelse liefde, dat jij alles bent wat me rest. Welk gewaad zul je me dan geven? Zullen je handen mijn brandende woorden over tien jaar, over vijftig jaar nog kunnen dragen? Want mijn liefde voor jou zal zo groeien dat het gewaad van mijn ziel geweven zal zijn van dezelfde tederheid waarmee je handen me vandaag troosten... terwijl onze wangen rood worden, verloren in de diepte van onze blikken. Oh, alsjeblieft... laat me deze stap voor jou zetten. Maar draag me ook, zoals ik jou draag in elk moment van mijn hart.  

Robby
0 0