Zoeken

Kaartenhuis

Ken je Spinvis, de Nederlandse zanger? Of band, daar is wat discussie over.  Ik ging naar een concert waar de band uit twee muzikanten bestond. De band bestond uit twee muzikanten, maar het was ongelooflijk hoeveel muziek ze maakten. Ken je Spinvis? Ik ging naar een concert waar ze met twee muzikanten een hele band leken. Ze werkten met loops. Ik ging naar een concert, waar ze met loops werkten. Ze speelden alles live, namen het ter plaatse op en maakten een loop. Waarna ze andere instrumenten namen en nieuwe lagen toevoegden. Echt knap. Ken je Spinvis? Ze werken met loops op hun concerten: eerst drums en bas, dan gitaar en keyboards. Twee muzikanten, maar ze spelen alles. Ze bouwen de muziek op in lagen. Je had erbij moeten zijn. Ik zat op de derde rij, ik kon het allemaal goed zien. Eerst speelden ze drums en bas, dat namen ze ter plaatse op en maakten zo een eerste laag. Ze werkten met loops. Daarna speelden ze andere instrumenten. Ze waren maar met twee muzikanten. Echt knap. Je had erbij moeten zijn. Hun teksten zijn ook bijzonder. Het lijken allemaal losse zinnetjes. Net zoals de muziek. De lagen en de loops. Ze bouwen het op met twee muzikanten. Het wordt telkens meer. Ik had twee tickets, maar ben uiteindelijk alleen gegaan.  Ken je Spinvis? Ik was graag met je naar hun concert gegaan. Het was echt knap. Ze bouwden hun muziek op met loops. Ze speelden met twee muzikanten alle instrumenten. Met pedalen en computers namen ze alles op. Ik kon het goed zien, ik zat op de derde rij. Je had erbij moeten zijn. De plek naast me was vrij. Ik had twee tickets. Ik hou ook van hun teksten. De teksten waren… hoe zeg je dat? Jij weet altijd het juiste woord. Associatief? Is het dat? Je had erbij moeten zijn. Ik had twee tickets. Ze waren maar met twee muzikanten, die alle instrumenten speelden. Ze bouwden de muziek op met loops. Laag na laag na laag. Echt knap. Als een kaartenhuis, een muzikaal kaartenhuis. Soms moesten ze opnieuw beginnen, als één van de loops niet goed zat. Als ze niet in hetzelfde ritme zaten. Maar ook dat opnieuw beginnen hoorde erbij. Het knapste nummer was Kom terug. Je kent het zeker, dat wordt ook op de radio gespeeld. Maar dan is het natuurlijk af. Terwijl op het concert… Ken je Spinvis? Weet je hoe ze het doen? Ze zijn maar met twee muzikanten, ze bouwen samen een huis, met loops. Eenvoudige melodieën, vaste ritmes, maar toch, samen wordt het… meer? Je had erbij moeten zijn. Ik had tickets op de derde rij. Je kon perfect zien hoe ze het deden met pedalen en computers. Alsof ze telkens opnieuw begonnen aan hetzelfde nummer, maar toch werd het groter en groter. Een huis, een kaartenhuis. Echt knap. Kom terug. De muziek is mooi maar op een bepaalde manier droevig. Ik weet niet hoe dat werkt, ik ken niets van muziek. Mineur-akkoorden of zo? Je had erbij moeten zijn. Ik zat op de derde rij. De stoel naast me was leeg. De muziek is heel… jij zou zeggen fragiel… ze bouwen het op met loops. Soms ging het mis. Misschien was het daarom een beetje droevig? Het is niet hetzelfde op de radio of cd of Spotify… Jij hebt natuurlijk de vinyl. Past er wel bij. Beetje retro, knutselmuziek. De teksten zijn ook erg knap. Net als de muziek. Ze bouwen op met laagjes, het lijkt niet samen te hangen en toch wordt het groot. Ze zijn maar met twee muzikanten, maar door alles juist te doen lijkt het een heel orkest. Eerst speelden ze gewoon drums en bas. Ritme, een eenvoudige melodie. Ze waren maar met twee. Toch lukte het. Ze werkten met loops, ik kon het perfect zien vanop de derde rij. Pedalen, computers, de stoel naast me was vrij. Alles moest kloppen. Als het misging begonnen ze opnieuw… en opnieuw… en nog eens als het moest. Tot de melodieën klopten met het ritme, en de teksten aansloten op de akkoorden. Droevig maar mooi. Mineur-akkoorden misschien. Ze speelden Kom terug. Je had erbij moeten zijn. De teksten zijn echt knap, echt iets voor jou. Zo subtiel, bijna onbegrijpelijk. Elke zin apart betekende niet veel, soms valt het zelfs in herhaling. Maar de opbouw, de herhaling, maakt er iets meer van, iets groter. Net zoals de muziek. Het is opgebouwd in lagen, zoals een kaartenhuis. Kom terug. Ken je Spinvis? Kom terug. Dat is hun mooiste nummer. Vind ik. Ik ging naar het concert, weet je, ik had twee tickets, maar je kon niet. Jammer, want het was echt knap. Ik zat op de derde rij. Ze werkten met loops. Ze bouwden hun muziek en teksten heel voorzichtig op, laagje per laagje. Ze lieten elkaar nooit los. Ze waren met twee muzikanten, ze namen de instrumenten live op. Je had erbij moeten zijn. Kom terug. 

R.F.G. Vandenhoeck
3 0

Hannah in zwart en wit

Ken je dat gevoel, wanneer je een oude zwart-witfoto ziet en er een verhaal bij verzint? Bijvoorbeeld deze jonge vrouw op een fiets, lach op haar gezicht, haren in de wind terwijl ze door de velden rijdt. In het landschap staan verwoeste boerderijen en uitgebrande legervoertuigen. De hemel – op de foto grijs, maar daar kijk je doorheen – is stralend blauw.  Hannah is onderweg naar het dorp. Maar ze ziet iets tussen het puin: een prille lentebloem die zich omhoog worstelt alsof ook zij jaren in schuilkelders verborgen zat. Hannah wil haar niet plukken, nee, dat zou wreed zijn, maar ze vertraagt om de rozerode en vanillegele blaadjes te bekijken. Zo gebeurt het: wanneer haar fiets snelheid verliest, verliezen de banden hun grip op de stoffige weg. Hannah slipt, ze wankelt en moet voet aan de grond zetten. Nu ze stilstaat, ziet Hannah de bloem, of wat ze dacht dat een bloem was: een gescheurd stuk kleding dat ritselt in de wind die door de ruïne waait. Geen bloem. Ze is voor niets gestopt. Verlegen kijkt ze rond. Over de weg lopen mensen met een kar, getrokken door een oude ezel. Ze schudden hun hoofden. Meisje toch. Je moet niet stoppen, er is geen nu, voorwaarts! Hannah trekt haar jurk recht, zet zich terug in het zadel en trapt alweer de toekomst tegemoet. De mensen met de ezelkar fluiten haar na. Dat is goed, toch? De brug is verwoest, maar soldaten hebben een veer aangelegd en Hannah sluit aan bij de rij: kinderen in versleten maar vers gestreken uniform, vrouwen met lege tassen en vale lippen, oude boeren die niet durven mopperen in aanwezigheid van de jonge soldaten. Een gebruinde sergeant steekt zijn hand uit om Hannah op het veer te trekken. Ze kijkt over haar schouder, bang voor de blikken, maar de vrouwen en de boeren vinden het helemaal goed. Ga maar voor, meisje, laat de tijd niet ontsnappen! Enkel de kinderen staan wat bedremmeld rond te draaien, maar zij weten niet beter. Hebben zij het verleden wel meegemaakt? In geen tijd is Hannah aan de overkant. Als eerste verlaat ze het veer. Wanneer de sergeant haar naroept, wendt ze lachend het hoofd en mist de put in de weg. Ze schaaft haar knieën, scheurt haar jurk, stoot haar hoofd tegen het stuur. Ze valt en blijft liggen. De sergeant kijkt niet meer, hij helpt de andere passagiers van het veer. Zij lopen Hannah nu voorbij. De vrouwen met de lege tassen fluisteren terwijl ze Hannah sluiks bekijken. De kinderen hollen als gekken de weg af, een van hen trapt op Hannahs hand. Enkel de ezel van de boerenkar houdt even halt om haar te besnuffelen maar zijn meester slaat hem met een zweep.  Hannah slaat het stof van haar kleren, maakt haar vlecht opnieuw en wil verder fietsen. Maar de ketting is losgekomen. Ze raakt de schakels aan – haar vingers meteen zwart van de olie. Ze kijkt om, maar het veer is teruggekeerd. De mooie sergeant kan haar niet helpen. Met de fiets aan de hand loopt ze de weg af. Door tegen het stuur te stoten heeft ze hoofdpijn gekregen. Af en toe voelt ze een steek van pijn en lijkt alle kleur uit de wereld weg te trekken. Goed dat ze op haar fiets kan steunen.  Wanneer ze bijna bij het dorp is, valt de eerste druppel. Eerst is de regen verfrissend voor Hannahs bonzende hoofd, maar dan wordt haar vlecht zwaar en plakt de jurk aan haar magere lijf. Ze versnelt, natuurlijk versnelt ze. Als ze nooit gestopt was, nooit had omgekeken, was ze er al geweest. Ze rent, de fiets aan de hand, haar sandalen pletsen op de natte weg. De mensen voor haar kijken om. Ze moedigen Hannah aan. Komaan, meid, je kunt het. Versla de tijd en schuil in het dorp! Het rennen windt haar op, ze voelt een blos op haar wangen, haar opengesperde mond vormt een lach. De geüniformeerde kinderen zingen een lied – Nooit meer nu, altijd later! –, de boeren met de ezelkar roepen iets over een snelle meid met snelle benen, zelfs de oude vrouwen knikken goedkeurend. Je kunt het, Hannah, je zal het halen! Maar dan: opnieuw die pijn, de flits die de kleur wegneemt. Ze moet haar fiets loslaten en smakt neer in de modder. Ze hoort de donder die rolt en huilt, schudt en schatert. Voorzichtig opent ze haar ogen. Het is geen donder. Het zijn de mensen aan de dorpsrand. Ze lachen, ze wijzen naar Hannah en lachen. Ze kijken naar haar blote benen, haar vuile vlecht, haar onvermogen en bulderen. Tot de echte donder komt en boeren, vrouwen en kinderen het dorp in vluchten. Hannah klautert recht. De fiets is stuk. Het dorp is te ver. De regen wist alles uit. Dan is er het huis – Hannah kijkt op – het huis voorbij de openstaande poort – Hannah wandelt er doorheen – het huis aan het eind van het pad vol glimmende kasseien – Hannah doet haar sandalen uit om niet uit te glijden – het huis waarvan de voordeur op een kier staat – Hannah gluurt – het huis dat warm is – Hannah gaat binnen en trekt de deur achter zich dicht. Ze kijkt rond in de hal: de tegelvloer als een schaakbord, de in twee splitsende trap naar boven, de deuren met glas-in-lood decoraties, het modderige schoenspoor dat leidt naar een deurtje onder de trap. Hannah volgt het spoor en opent de deur: de keuken. In de hangende koperen pannen weerspiegelen vlammen. Ze gaat naar de haard en steekt haar handen uit. Langs haar vingers, polsen en ellebogen verspreidt de gloed zich door Hannah. Haar huid, haar haren, haar jurk, alles verdroogt en verhardt. Ze sluit haar ogen om het huis te horen. Regen en donder overstemmen het knetteren van de haard, het kraken van de houten kasten, het wiegen van de kroonluchter. Hannah opent de volgende deur en komt in een eetkamer. Op tafel staat een bord met broodkruimels en een kop met koffiedik. Hannah opent een kast. Geen eten, alleen dekens. Ze slaat er een om haar schouders en zoekt verder: een rode appel, blauwe druiven, een geel stuk kaas misschien? Maar er is geen kleur in de kamer. De grijze tafel staat op arduinen tegels, het servies is glansloos wit. Door een raampje ziet Hannah de tuin. Bomen worden door de storm heen en weer geslingerd en door de bliksem slechts af en toe belicht: een reeks onscherpe foto’s. Ze opent de volgende deur. Ze is nu in de gang tussen de achterdeur en de bediendentrap. Aan een haakje hangt een druipende regenjas, eronder staan vuile laarzen en versleten pantoffels. Hannah steekt haar klamme voeten in de pantoffels en gaat de trap op. Halverwege maakt de trap een bocht en vanaf hier is het donker. Op de tast waadt Hannah door duisternis en spinnenwebben. Het rag klit aan haar haren als een sluier. Op de overloop laat ze haar hand langs de muren glijden op zoek naar een lichtschakelaar, maar ze vindt enkel een deurklink. Ze drukt die naar beneden en betreedt een nauwe ruimte, niet meer dan een inloopkast. Ze stoot haar hoofd tegen het lage plafond. Vanaf nu moet ze voorovergebogen lopen. Door een vuile ruit werpt de storm nu en dan een bliksem. Bij elke flits staat ze dichter bij een stapel dozen. Ze opent de bovenste doos. Oude zwart-witfoto’s. Onbekende mensen in onbekende tijden. De foto’s hebben mooie gekartelde randen, als immense postzegels. Het licht in het kamertje wordt zachter, de storm buiten is geluwd. Het huis wordt stil. Hannah houdt de foto’s dicht bij haar ogen, op zoek naar herkenning. Een bloem, mensen op een boot, een paard – of een ezel? Kromgebogen schuift ze op de pantoffels, bibberend onder het omgeslagen deken, haar haren grijsdooraderd door het spinnenweb. Ze stopt wanneer ze iets hoort. Ze gooit de foto’s in de doos en kruipt weg in de donkerste hoek van het kamertje. Ik ga op mijn sokken de trap op. Hier kom ik niet graag: spinnen, de kapotte lamp, vocht in de muren. Maar juist daarom moet ik checken of de storm het niet erger heeft gemaakt. Het enkel glas moet ik eigenlijk laten vervangen. Straks eens kijken op de website van de jongens die het schuifraam in onze nieuwe keuken hebben gestoken. Voorlopig lijkt alles in orde. Die barst in het raam was er al, ik zie geen plassen op de vloer. Maar er moet toch wind zijn binnengekomen, want de deur van de berging staat open. Die oude fotodozen van moeder. Het deksel ligt op de grond, ik raap het op en hoor een kreun uit het donkere hoekje. Dat vond ik als kind de engste plek van het huis. Misschien is het maar vijf centimeter diep, maar evengoed is het een gat waarin je blijft vallen. Ik sta op met het deksel, stoot zoals steeds mijn hoofd en kijk dan in de doos. De wind heeft de foto’s door elkaar geschud. Bovenaan ligt een foto van een meisje op een fiets. 

R.F.G. Vandenhoeck
2 0

De paraplu

'Mooie trui.' Hij gniffelt.  'Bedankt.' Na zovele jaren zouden ze meer moeten hebben om over te babbelen, maar vele jaren maakt ook veel anders. Ze blijven even in de deuropening staan. Haar rechterhand houdt de klink van de deur nog vast, haar andere legt ze tegen de deurstijl alsof ze onbewust de weg verspert. Aan haar hand is de gouden ring om haar ringvinger zichtbaar. Die is nieuw, denkt Johannes bij zichzelf, in mijn herinnering hield ze niet van juwelen.Haar nagels zijn kleurrijk gelakt, zalmroze. Een roze bril in een voor de rest duistere dag.  'Kom binnen.' Ze haalt haar hand van de deurlijst en wrijft in haar nek. 'Je kent de weg' Zovele jaren geleden woonden ze hier samen, met hun beste vriend Max. Tot Max besloot het lot een hand te helpen en stierf.Johannes wilde hier niet meer wonen - te veel herinneringen, te veel verdriet, maar zij voelde dat ze blijven moest, om zijn geest in leven te houden. Lariekoek natuurlijk, vond hij, weg is weg.  Het was één van de vele barsten die leidde tot hun breuk.  Terwijl hij zijn jas aan de kapstok hangt, draait hij zich verbaasd om.  'De paraplu! Die heb je nog?'  'Ja natuurlijk. Het maakt deel uit van mijn beste herinneringen.' De paraplu is lichtblauw, omzoomd met madeliefjes. Keltische folklore vertelt ons dat deze bloemen het groeiproces kunnen stilleggen, om nooit volwassen te worden. Toen vonden ze dat een mooie gedachte, nu weten ze wel zeker dat dat niet kan. Volwassenheid klopt op je hoofd, slaat je in het gezicht en stompt in je maag als je het niet verwacht. Je mag nog zo hard proberen, je ontloopt het nooit. Toen Max voorstelde een foto te nemen om de verloving op beeld vast te leggen, miezerde het zacht. De paraplu, gekocht van een oude Chinese man, bracht bescherming. Als aandenken zouden ze hun eerste dochter Daisy noemen, naar de paraplu.  'Wil je iets drinken?''Nee, ik denk dat we best gaan, toch?' Hij kijkt op zijn horloge. Hoe sneller deze dag gedaan is, hoe beter.  'Hoe bedoel je? Ik dacht om het hier te doen.' 'Niet naar de Droogkast?'  De Droogkast was ooit hun favoriete kroeg geweest. Uren en uren. Dagen en dagen, jaar na jaar hadden ze daar routineus hun dagelijkse kost gedronken met z’n drieën om dan steevast op tafel te eindigen in elkaars armen meezingend met Piano Man van Billy Joel.  'Nee, Droogkast is al jaren dicht? Ik dacht dat je dat wel wist.' 'Ik ben hier al jaren niet meer geweest, Eva. Ach, een koffie dan. Dankje.' 'Twee suiker? Melk?''Neen, zwart graag. Ik hou nu van de bitterheid.' 'Wie komt er nog allemaal?'  'Ach, oude klasgenoten, zijn zus,.. Ik heb wat rondgebeld, maar veel mensen heb ik niet meer te pakken gekregen.' Hij slurpt van zijn koffie, Eva speelt met het draadje aan haar mouw.  'En. Hoe gaat het nu met je?' 'Goed, ik..' De deurbel gaat. Eva staat snel recht en rent naar de deur.  'Ah dat moet Aster zijn.'  'Oh, leuk!'Fuck, denk hij bij zichzelf. Wat had ik gehoopt die gast nooit meer te hoeven zien.     

Wout
3 0

als vrienden (tekst 1)

Ik hou van u..  Godverdomme, ik flap er weer iets uit met mijn stomme kop, nooit kan ik gewoon eens mijn bek houden als ik gedronken heb en voila stilte, ja natuurlijk, ik weet niet wat te zeggen en gij kijkt verbaasd je ogen groot, irissen hemelsblauw in het avondlicht, welgevormde wenkbrauwen hoog als een boog rond je ogen, je mond halfopen, seconden tikken voorbij tik tik tik en al kennen we elkaar al jaren, dagelijks klappen we ge weet het dik en dun alles waren we we, praten over alles maar dit had ik beter niet gezegd nee, dit verandert alles zelfs naast ons hebben ze het door het tafeltje naast ons op ‘t terras in de Corbie waar we regelmatig zitten stamgasten eigenlijk eh, bon dat tafeltje naast ons is ook stil daarnet nog lachen en brullen nieuw pintje hier allez schol eh daar, maar dat hebben ze gehoord zenne ja nu willen ze wel weten wat er komt want zij voelen deze spanning ook net als ik die voel net als jij godverdomme waar is de Rob dat ik nog een pintje kan bestellen weer iets om te vergeten te verdringen verdrinken want ja wat zegt ge hier op doeme dees duurt te lang seconden seconden seconden tik tik tik weg met de klok weg met de tijd laat me nu maar vergaan weg ermee alles zo hopeloos naar de kloten godmiljaar eh en ooit moet ik toch iets zeggen ge kijkt weg, ik kijk naar mijn halflege pint alles is altijd halfleeg alles verdwijnt traag maar gestaag zijt daar maar zeker van, ik zoek in mijn jas naar mijn sigaretten altijd de oplossing het leven is makkelijker als ge u verdooft neem het van mij aan! ik pak mijn briquet sigaret aan mijn lippen net als de rest van het terras benieuwd hoe ik dees weer ga redden maar echt redden zit er niet in nee deze relatie wordt nooit meer hetzelfde dat ziet ge iets is gebroken da’s duidelijk stoemerik da’k zen bon kom zeg iets iets iets Ik steek mijn sigaret aan en blaas uit. Allez ja, ik bedoel, als vrienden eh. De tafel naast ons barst in lachen uit. Wij doen niets anders dan mee lachen.  

Wout
6 0

Het was nacht en de kleur Barbie.

De kleur was Barbie-roze. De wijde zee begreep er niets van, en toch kon zij dit meisjesschip dragen. Ik voelde me klein, liep met grote ogen over het pluchen dek. De kajuiten waren opgetrokken uit hetzelfde aaibare materiaal.  Gelieve de eetzaal op tijd te bereiken!, zei een nadrukkelijke stem. Toen gebeurde het. Toen kwam het besef dat ik hem kwijt was. Paniek in mijn botten deed mijn lichaam bewegen en accelereren als een snelle wagen. Tot het volle besef kwam ik pas onderweg; ik was ook onze hut vergeten, het nummer dat ik had moeten onthouden. De gangen leken allen op elkaar. Ik liep ze in en weer uit, ze brachten me in de war, nergens vond ik hem. De gedupeerde vrouw had de cruise geboekt bij Tui in januari 2026. Ze wil met haar verhaal lotgenoten bereiken. De reisorganisatie is niet bereikbaar voor commentaar maar zal het voorval onderzoeken. De gepensioneerde reizigster rouwt om haar verlies nabij de Noorse kust. Plots bevond ik me op een speedboot. Ik schoof van links naar rechts op een spekglad dek. Adrenaline zoefde door me heen, van kop tot teen zocht ik houvast tot het mij te machtig werd, ik riep om hulp met mijn armen rond een glanzende paal, mijn voeten hangend in het niets boven het opspattende water. Help me! Help dan toch! Sssttt, hoor jij dat ook? De kapitein luisterde beter. Iemand, help me dan toch! Aan wal moest ik lang bekomen, het drong daar tot me door. Ik had echt niets meer, geen gsm om mijn leven op te nemen.   (metamorfose in stijl= stijlbreuk)

Ingrid Strobbe
5 1

De reunie

De foto waar J. nu al enkele minuten onafgebroken naar staart, is genomen in de herfst van 2015, ondertussen tien lange jaren geleden.   De foto beslaat twee pagina’s. Aan de rechterzijde staat een boom met kersenbloesems, Sakura in het Japans, het symbool van een nieuw begin en de vergankelijkheid van het leven. Het symbool dat de laatste tien jaar omvat. De kersenbloesems zijn klaar om het werk en hun leven neer te leggen. Hun tijd is gekomen. Aan de andere zijde, links op de foto, zit een koppel innig verstrengeld op een bank. Ze kijken uit op het grootste en mooiste meer van China, gelegen in Hangzhou, vlakbij Shanghai. Het meer is, zoals gewoonlijk deze tijd van het jaar, verzwolgen in de mist. Op de achtergrond zijn nog net de zwartgeblakerde rotsen, verduurd door erosie, te zien aan de overzijde van het meer.  Mijmerend en vol melancholie denkt hij terug aan deze tijd en aan zijn beste vriend, die deze foto nam. Enkele minuten voor J. zijn toenmalige vriendin E. ten huwelijk zou vragen, moest deze foto dienen als een aandenken, een herinnering van de start van de rest van hun leven samen, als drie musketiers. Een eindpunt en een nieuw begin, een overgangsritueel naar de rest van hun leven. Ze zijn altijd samen geweest en zouden altijd samen blijven. Het leven is makkelijker te dragen met drie.  J. ontwaakt uit zijn dagdroom door zijn ringtone en merkt de eerste zonnestralen op die zijn kamer binnendringen. Tijd om in actie te schieten. Hij zucht. Het wordt nog een lange dag.       - E. geniet van haar ochtendkoffie terwijl ze in de verte staart. Terugdenken aan dat mooie jaar in China, nu reeds tien jaar geleden. Ze zit in haar knusse hoek, zoals ze dit noemt; enkele kussens in haar binnenshuis balkon van haar appartement op de tweede verdieping in hartje Brussel. Ze staart naar de hemel, verdronken in gedachten. Het begin van de dag zo lang mogelijk proberen uit te stellen.  Vandaag is het zeven jaar geleden dat M., de beste vriend van J. en haar, overleed. Het is ook exact tien jaar geleden dat J. haar ten huwelijk vroeg. Toeval bestaat niet. Eens het ongeluk binnensluipt, kom je er nooit meer vanaf. De kat sluipt nonchalant voorbij, op zoek naar een aaibeurt. De hond ligt te snoezen aan haar voeten.  Ik wist dat vandaag een moeilijke dag ging zijn, denkt ze bij zichzelf. Tien jaar geleden. Ach, wat vliegt de tijd.   Ze kijkt op haar horloge, nipt nog eens van haar koffie, zet haar tas neer, geeft de hond nog een aai over haar bol (de kat heeft haar poging opgegeven en lijkt niet meer geïnteresseerd). Gelukkig heb ik jou nog, zegt ze zacht. Ze kijkt nog eens op haar horloge en staat dan recht. Tijd om zich klaar te maken. Tijd om de dag te beginnen. De herdenkingsdienst is binnen een uur. Binnen een uur staat J. hier. - Tien minuten voor negen staat J. een sigaret te roken net om de hoek van de straat waar het appartement van E. is gelegen. Hij kijkt op zijn telefoon. Zijn vriendin wenst hem veel sterkte en stuurt een liefdevolle emoji mee. Hij glimlacht en stuurt terug dat hij van haar houdt. Hij steekt zijn telefoon terug in zijn broekzak, sluit even zijn ogen en probeert te genieten van de eerste zonnestralen in een verder grauw, grijze en winderige herfstdag.  Waarom had hij in godsnaam ja gezegd? Soms moet men het verleden toch laten rusten. Nog even alle moed verzamelen. Hij trekt nog eens van zijn sigaret, blaast de rook uit, gooit de sigaret op het asfalt en duwt hem uit met de teen van zijn schoen. Hij steekt een kauwgom in zijn mond.  Ach, nu plots elkaar weer terug zien, denk hij bij zichzelf. Na al die jaren. Had ze toen maar ja gezegd.  Hij kucht en zucht nog eens. Laat deze dag maar snel voorbij zijn.       - E. staat voor de spiegel . De jaren zijn te lezen op haar gezicht, maar zullen snel verborgen worden onder een laag zorgvuldig aangebrachte make-up. Een traan rolt over haar wang. Wat bezielde me toen toch?   Had ik maar ja gezegd.   De bel gaat. Verdorie, zegt ze tegen zichzelf, waarom moet hij altijd zo vroeg zijn? Altijd zo punctueel. Ze checkt nog eens haar mascara, doet wat parfum op en wandelt naar de deur. Met de klink al in haar hand blijft ze enkele tellen roerloos staan. Even op adem komen. Of toch proberen. 3.2.1. Ze opent de deur.  ‘Hey! Welkom!’  Ze zet haar beste glimlach op, hoewel haar hart weer in duizend stukken breekt bij de eerste aanblik. ‘Hey E., lang geleden.’  Hij heeft onmiddellijk spijt.  Hij twijfelt tussen een kus of een knuffel, schuifelt even heen en weer en besluit dan maar voor een handdruk. Het kan niet meer intiem zijn.   E. schudt zijn hand en zegt:  ‘Kom binnen, kom binnen.’ Ze opent de deur volledig, zet een stap opzij en strekt haar hand uit om J. naar binnen te begeleiden.  ‘Goed hier geraakt?’  

Wout
4 0