Zoeken

Prachtige wallen (deel 4)

7 februari 2014 Het gaat niet goed. Het gaat helemáál niet goed. Lijkt elke dag wat moeilijker te worden om met Magda te praten. Gelukkig heb ik mijn job. Leraar geschiedenis. Vreemd genoeg bevalt het me wel, voor de klas staan. Heb het gevoel dat ik iets bijdraag, betekenisvol werk verricht. Kijk, we hebben het in het Westen nog nooit zo goed gehad. We leven in een democratie waarin onze rechten door de wet worden beschermd, worden door geen enkele Godsdienst of andere ideologie onderdrukt, en zijn rijker dan ooit tevoren. En we vinden dat allemaal doodnormaal. Omdat we er nooit meer bij stilstaan dat al onze rechten verworvenheden zijn. Dat onze grootouders en overgrootouders hebben gevochten voor onze vrijheid. Als leraar geschiedenis breng je je leerlingen echter een historisch bewustzijn bij. Wijst hen erop dat er op het einde van de negentiende eeuw nog geen nine to five jobs bestonden in de fabrieken. Dat het stakingsrecht niet altijd in ons wetboek heeft gestaan, maar afgedwongen moest worden. Dat er vroeger zoiets als slavernij bestond, mensen elkaar als bezit konden beschouwen, omdat de een toevallig in een betere familie was geboren dan de ander. Dat de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens nog niet zo oud is. Je doet je leerlingen beseffen dat niks vanzelfsprekend is, en dat we onze ((over)groot)ouders dankbaar mogen zijn voor de wereld die ze ons hebben nagelaten. Weet je, je hoort gepensioneerde mensen soms klagen dat onze generatie verwend is. 'Een oorlog, dat is wat ze nodig hebben. Dan zullen ze hun leven pas werkelijk op waarde schatten.' En daar zit iets in. Maar het is een beetje drastisch natuurlijk. Gelukkig kunnen we geschiedenisles geven. Bovendien is het een ideale manier om onze jeugd te leren dat niks zwart-wit is. Ik stel bijvoorbeeld graag de vraag wie in de klas ondergedoken Joden aangegeven zou hebben als hij/zij in de jaren veertig van de vorige eeuw had geleefd. Geen enkele hand gaat in de lucht. Daarna stel ik een andere vraag. 'En wat als je familie omkomt van de honger, en de Duitsers klikspanen belonen met voedsel? Zou je dan overwegen om joden uit te leveren? Dan beginnen ze natuurlijk te twijfelen. En daar draait het om. Twijfel. Dat ze beginnen nadenken over de wereld rondom hen. En beseffen dat alles zich afspeelt binnen een bepaalde context die ervoor kan zorgen dat de grens tussen Goed en Kwaad soms heel vaag kan worden, afhankelijk van uit wiens perspectief je de zaak bekijkt. Op zo'n moment maak je als leraar een verschil, en dat werkt bijzonder motiverend. Mijn dochters helpen ook om de dagen dragelijk te maken. We gaan elke dag samen de eenden in het park voederen met een zak oud brood, en het is geweldig om ze dan bezig te zien. De manier waarop ze met die eenden omgaan… Ze praten ertegen, doen een oprechte poging om met die dieren te communiceren. Wij volwassenen lopen hen zo maar voorbij, besteden geen aandacht meer aan die eenden, omdat we ze gewoon zijn als achtergronddecor. Maar mijn dochters lijken echt geïnteresseerd in die beesten, behandelen ze als mensen, tonen er respect voor, zien het niet louter als wandelende objecten – door de natuur voorgeprogrammeerde robots zonder bewustzijn – maar als levende wezens met gevoelens en verlangens, waarmee je een band kunt aangaan. Gisteren zei mijn jongste dat ze een bakkerij wil openen waar enkel oud brood verkocht wordt. Geen taarten, geen croissants, geen stokbrood. 'Je kan in geen enkele bakkerij oud brood kopen, en die eendjes eten dat zo graag!' Ze vindt het jammer voor die eenden dat ze elke dag op ons moeten wachten voor hun oud brood, en ze wil ervoor zorgen dat de eenden zelf naar de bakker kunnen gaan. Vandaar, een bakkerij met enkel oud brood. Ze geven echt om die dieren. Heel mooi. Bovendien lijken ze ook om mij te geven. Voor hen ben ik geen acteur die de rol van hun vader speelt, maar gewoon hun vader. Papa. Ze noemen me papa. En stilaan begin ik me ook als hun papa te voelen. Dag na dag zit ik met hen aan de ontbijttafel, en dag na dag willen ze dat ik hun 's morgens een afscheidskus geef voor de schoolpoort en 's avonds een verhaaltje lees voor het slapengaan. Ik ben een constante in hun leven, iemand op wie ze kunnen rekenen. En dat voelt goed. Ik merk dat ik gehecht aan hen begin te raken, hen stilaan als mijn dochters begin te beschouwen. Wederzijdse, onvoorwaardelijke liefde. Verbondenheid. Zelden zoiets moois meegemaakt. En tegelijkertijd is die onvoorwaardelijke liefde beangstigend tot en met. Kijk, als ik vroeger wakker werd als vader en één van mijn dochters stierf, dan was dat allemaal niet zo erg. Op één dag bouw je geen betekenisvolle band op met iemand, zeker als je elke dag omringd wordt door andere mensen. Iedereen in je omgeving is een soort abstractie. Een abstractie van het begrip vrouw, een abstractie van het begrip dochter, een abstractie van het begrip grootvader. Maar je voelt je nooit verbonden met je vrouw, je dochter, je grootvader. Als één van hen sterft, voel je geen echt verdriet, want je hebt die mensen nooit gekend. Je enige zorg is dat je overtuigend overkomt als de gebroken echtgenoot, de door verdriet verteerde vader, de geëmotioneerde kleinzoon. Nu ligt de situatie helemaal anders. Ik heb elke dag dezelfde dochters, waardoor het moeilijker en moeilijker wordt om ze als abstracties te zien. Vroeger was iedereen die ik tegenkwam net een filmpersonage. Hij/zij speelde één dag een rol in mijn leven. En die personages konden zeker sympathie of haat oproepen, maar ook niet meer dan dat. De volgende dag had ik er niks meer mee te maken. Mijn dochters daarentegen zijn van personages in echte mensen veranderd. Net als Magda. Of mijn collega's. Ik leer ze echt kennen. Ze spelen een bepalende rol in mijn leven. Ik geef om ze. En als mijn dochters morgen om zouden komen in een verkeersongeluk, dan zou ik daar kapot van zijn. Ik ben gewend geraakt aan hun aanwezigheid, ik zou ze missen. En ik heb mijn hele leven lang nog nooit iemand gemist. Ik weet niet of ik dat aan zou kunnen, iemand missen. Mijn God, wat is het eng, om mensen geven… Zelfde met Magda trouwens. Ze is al lang geen personage meer. Haar gevoelens doen ertoe voor mij, ik wil het goedmaken met haar. Haar gelukkig zien. Medeleven, ik begin het te snappen.

nEMO
0 0

Wortelen en witloof

  Er is hier helemaal geen vraag naar verse groenten. Anders zag je ze wel. Knagend op de velden. Als zotten. Zich rot te knabbelen. Zelfs vervoering moet eerst op transport en ik. Roeland. Ik zie dat goed. Daar staat een paard te gapen. Bovendien. Ik ben zeer en uitermate onschuldig. Dat is zeker. Ik heul ook mee. Met niemand. Zelfs niet met gedachten. Echt. Trump, Dutroux, Van Rompuy, Anne-Laure Vandeputte. Die ken ik niet eens. Er wordt waarlijks nooit meegelopen. Zeker niet gezeuld met zakjes patatten van anderhalve kilo. Wie doet zoiets en geloof het. Ik blijf vasthouden aan mijn ongulzige argeloosheid. Wat? Kijk niet zo onnozel. Ik heb bij god geen strafblad. Ik heb geen Renault Fuego,. Ook nooit moeten overgeven in de schoot van een maagd. Er is helemaal geen vraag naar beterschap, naar ontheffing uit mijn lot. Het antwoord bood zich aan en tante Hannelore zei dat het goed was  Dat mijn lust nog zo dwaas niet klonk wanneer het stoeltje wiebelde. Dat ik gerust uitgeteld mocht bekomen zonder de formule te kennen. Het is ontstaan gelijk cellen dat kiezen. Zoals tanden dat proeven durven op een schone zondeloze vrijdag. Doe waarlijks niet onnozel. Denk! Aan wortelen en witloof. Zurkel en gezwollen kolen. Wij kweken dat. Wij wassen niets. Wij spoelen geen huid die schuren wil. Knagen op de velden. Dat doen muizen. Zij echter. Zij vertelt. Over pure drang die vuile vingers strelen mogen. Over hoe dwaas een ring kan zijn en vergeet het meeste. Zwijg over Pietje Bel. Dat kindergekwel. Kankergezwel. Jacques Brel. WC-papier. Heb het niet over die zieke tijden. Beschrijf ze niet de vele gele eendjes drijvend op het Minnewater. Want er is nu eenmaal die zee van liefde en ik voel hoe zij geneest. Tante Hannelore schilt geen schorseneren. Er wordt gewreven. Er wordt niets gevraagd. Zagen doen de cirkelbladen. Er strijken wel eens vogelbeesten neer. Zij lusten alles rauw. Er kijken kauwen toe. Wij houden immers van elkaar.       uit de reeks 'Roeland Wittebolle'

Bernd Vanderbilt
8 0

Niemand heeft het gezien

De deur valt achter me in het slot. Mijn veilige ruimte waar ik steeds weer naar terugkeer is goed afgesloten. Deze keer verlaat ik mijn huis om me naar mijn werkplaats te begeven. Omdat die niet vlakbij ligt neem ik de auto. Mijn huis ligt weliswaar achter mij maar trekt nog aan me, de lekkende kraan in de badkamer bijvoorbeeld en de was die nog in de droogkast moet. Er zijn buiten echter ook verplichtingen.Hoe moe ik me ook nog voel, het maakt niet uit, ik stap met de autosleutel in de hand naar de overkant van de straat. De dag ervoor parkeerde ik er mijn auto.   Elke dag opnieuw plof ik me met dezelfde lichtheid neer, breng ik de bestuurderszetel in een comfortabele positie en zet ik de motor en de radio aan. De radio verbindt me met de mensheid terwijl ik alleen in de auto zit, net als al diegenen die achter, voor en naast me rijden, in bakken die in principe voor één persoon te groot zijn, in bakken waar een gans gezin in past.  Half zo brede wagens waarmee je met grote snelheid over de snelweg mag rijden bestaan niet. Een soort van overdekte motoren die over half zo brede rijstroken zouden mogen rijden. Een drievaksbaan zou dan een zesvaksbaan kunnen worden. Ik weet goed genoeg dat zoiets enkel in een wereld zonder vrachtwagens kan bestaan. Dat ik hun klevende bumpers niet meer zou zien in de achteruitkijkspiegel zou ik niet erg vinden. Om niet meer tussen die mastodonten die de helft van je uitzicht wegnemen te moeten laveren, zou ik niet missen. Om er niet meer achter te moeten hangen terwijl ze tergend traag elkaar proberen in te halen, om niet meer te moeten vrezen dat ik de afrit zal missen omdat ze me geen plaats gunnen, dat alles zou ik heerlijk ontspannend vinden. Nachtelijke dromen krijgen een vervolg in dagdromen terwijl ik de sleutel, die aan dezelfde sleutelhanger van de huissleutel hangt, in mijn hand houd. Ik steek de sleutel in het slot. Een handeling die ik talloze keren heb uitgevoerd. Ik krijg hem er niet in en dat stopt meteen de hele gedachtenstroom over vrachtwagenvrije snelwegen. De sleutel hapert en daarmee ook mijn hele timing! Ik weet perfect hoe lang ik over de weg doe en ook hoeveel tijd ik er moet aan toevoegen voor onvoorziene omstandigheden. Het mag dus niet te lang meer duren. Ik wrikkel nog even met de sleutel, hopend dat hij vlotjes in het slot wil glijden.  Het lukt me niet. In fracties van seconden verschijnen bij mij alle mogelijke fouten die ik bij deze eenvoudige handeling gemaakt kan hebben. Ik kijk of ik wel degelijk de autosleutel tussen mijn vingers heb en niet mijn huissleutel. Ik probeer opnieuw, zonder succes. Dan draai ik de sleutel om. Dat zal het zijn. Opnieuw krijg ik er hem niet in! De ontreddering slaat toe. Een handeling die me nooit enige moeite heeft gekost wordt een probleem. Een routine die soepel zou moeten verlopen blokkeert de rest van de dag en misschien wel de rest van mijn leven. Mijn reputatie van altijd stipte en betrouwbare werknemer wordt in luttele seconden vernietigd. Hoe moet ik dit gaan uitleggen? ‘Ik kreeg mijn sleutel niet in het slot’ . Het klinkt als de meest onnozele uitleg bij het te laat komen. ‘Het zal wel zijn dat je je sleutel er niet inkreeg’. Vóór mij staand zie ik ze al gniffelend naar elkaar kijken ‘Dat laatste slaapmutsje zal wel een shotje teveel geweest zijn ‘ . ‘Ze zal door haar wekker heen geslapen zijn.’ Ja, dat zullen ze denken.  Vanuit de spoeddienst in tranen bellen naar mijn werkgever omdat ik voor mijn deur zwaar ben aangereden door een bromfiets die blindelings vanachter de hoek is komen aanrijden, dat zou een goede reden zijn. Dat zou ook medelijden opwekken. Daar zouden mijn collega’s het er de hele dag over hebben, over de pech die ik heb gehad , over hoe ze het werk nu zullen moeten verdelen en of ze de geplande vergadering zonder mij wel kunnen laten doorgaan.  Maar nee, ik sta hier ongedeerd met een sleutel in mijn hand. Hoe kan ik dat straks geloofwaardig maken. Dat vraag ik me af terwijl ik nog een laatste poging doe om die verdomde sleutel erin te krijgen. Er moet iets mis zijn met dat slot. Het lijkt onmogelijk, maar het klinkt voorlopig als de meest logische verklaring. Ik trek nerveus aan de klink en kijk door het raam naar de bestuurderszetel waarop ik al had moeten zitten. Misschien heeft iemand aan mijn auto gezeten. Ik kijk door het achterste raam. Alles lijkt op het eerste zicht in orde te zijn. Op de achterbank staan drie kartonnen dozen. Ik herken deze dozen niet. Ik kijk nogmaals en probeer me te herinneren waar ze vandaan komen. Had ik iets gekocht en op de achterbank laten staan? Ik lees de teksten op de dozen voor zover ik ze in het donker kan zien. De afbeelding van een stofzuiger op de ene doos zag ik nooit eeder. Op de andere doos kleeft een etiket van een chinese leverancier. Op de derde doos zie ik boven een amper te lezen adres de naam van …. Mijn hoofd wordt licht, de diepe mist waar ik ondertussen in verzeild was geraakt klaart onmiddellijk op. De puzzelstukken vallen op hun plaats. Dit is niet mijn auto. Mijn auto staat achter deze auto geparkeerd! Er valt een ton ijsblokken smeltend neer op de straatstenen. Ik draai mijn hoofd discreet naar alle ramen en deuren vanwaaruit men mij had kunnen zien en stel vast dat er geen getuigen zijn geweest.  Niemand heeft het gezien. Ik open de deur en plof me neer op de bestuurdersstoel. Ik start de auto. De mensheid zal niet weten wat voor een drama ik heb meegemaakt deze ochtend. Voorlopig toch niet. Later misschien, wanneer ik op pensioen ben. Ik zal mooi op tijd aankomen op de werkplaats. Niemand zal aan mij twijfelen. De autozetel voelde nooit eerder zo relaxt. De radio op volle bak verbond me nooit eerder zo sterk met de mensheid. Ik kijk in de achteruitkijkspiegel, steek de lichten en richtingaanwijzer aan, rijd voorbij de auto die voor me geparkeerd staat en geef volle bak gas.      

Alma lavado
0 0

Hemellichaam

Daar waar de wetten van de tijd vervagen, daar lag hij. De singulariteit van haar verlangen. Het zwarte, fluwelen punt waar alles samenkwam. De ster wist niet wie of wat hij was, maar ze voelde dat haar banen om hem heen steeds dichter lagen. Altijd was ze gewend geweest om de duisternis te bezweren, maar nu wilde ze de donkerte net proeven. Zijn onwrikbare zwaarte hypnotiseerde haar, en langzaam liet ze zich afglijden in zijn invloedssfeer. Eenmaal de kosmische dans begon, was er geen weg meer terug. Bedwelmd door de belofte van zijn pulserende hart, vormde ze haar ritme naar het zijne. Met zachte aanrakingen streelde hij haar buitenste lagen los. Onder zijn onverbiddelijke kracht opende zij zich als een bron. Zij was de ster die in gouden rivieren zijn hart van zwart velours voedde. In zijn standvastige zwaarte legde zij haar puurste licht. Aarzelend zochten haar fijne, gouden vingers zijn middelpunt. Hij schoof haar nevelsluiers langzaam opzij, en voelde door de zachte waas hoe haar gloed langzaam naar hem toe bewoog. Met elke haal van zijn energie legde hij meer van haar bovennatuurlijke krachten bloot. Hij ontmantelde haar teder op de maat van zijn trillende kern. Het sterrenstof dat zij loste, smeedde hij in zijn kosmische handen om tot vloeibaar goud. Hij wilde haar niet breken, hij wilde haar absorberen. Haar goud voor eeuwig bewaren in zijn ondoordringbare kern. Samen gleden ze naar zijn horizon, de flinterdunne grens tussen het bekende universum en het absolute niet-weten. Op die drempel stolde de tijd. Er was geen zij of hij meer, de tijd enkel nog een eeuwig nu: een versmelting van vloeibaar goud en hermetisch zwart. Misschien wilde zij geen ster meer zijn, maar transformeren tot een geheel nieuw hemellichaam zodra ze achter zijn waarnemingshorizon verdween. In een verzengende hitte barstte haar laatste verzet open. Hij trok haar over de drempel, naar de einder waar alles onomkeerbaar werd. De kosmische adem stokte. Hij leidde haar dieper zijn kern binnen. Met een laatste zucht van licht sloot de horizon zich.

Jolien Van de Velde
338 2