Zoeken

De Trofee

De Trofee   Ik hou me in het ziekenhuis sterk wanneer de dokters het tragische nieuws brengen vanuit de operatiezaal. Ik moet me sterk houden, voor Margot. Zij kan het niet meer houden en is in tranen uitgebarsten. Schreiend en snikkend prevelt ze woorden die ik amper kan verstaan en eigenlijk ook niet registreer. De boodschap is echter duidelijk: het immense verdriet van een moeder die net haar enig kind verloren is. Nicky is er niet meer. Ik wil mee met haar blèten maar ik zeg tegen mezelf “Strakke blik Tim! Houd je recht, slik het als een man!”“Een stom ongeluk”, had de politie daarnet nog gezegd. Op het kruispunt, gegrepen door een Mercedes. Zijn fietshelm, fietslicht, fluo hesje. Het had allemaal niet mogen baten. “Ik had hem niet gezien!” verklaarde de chauffeur van de Mercedes. Hoe kon hij hem nu niet gezien hebben? Moest Nicky dan nog een zwaailicht en sirene op zijn fiets hebben?Vanaf het moment dat ik van het ongeluk hoorde en gedurende de hele periode in de wachtkamer was mijn enige gedachte: “hoe lang zou het duren voor hij weer op de been is?” Het idee dat Nicky, die vinnige knul hier niet door kon spartelen, had ik me niet kunnen, of misschien willen voorstellen. Hij had die lelijke val uit die boom toch ook goed doorstaan toen hij 7 was? Hersenschudding en een gebroken been, maar niets waar hij niet van kon genezen. Na een paar weken in het gips was hij alweer naar de judotraining. Later dat jaar won hij zelfs een toernooi! Hij had toen veel geluk gehad, dat zou hier ook het geval zijn. Een ander scenario bestond in mijn gedachten niet.   Die hoop was met één zin uit elkaar gespat. Nicky was niet meer. Een verpleegster leidt ons naar het mortuarium waar Nicky lag opgebaard.  Margot snikt wanneer ze hem ziet en klampt zich aan mijn arm vast. Ik zie hem daar liggen, op die koude metalen tafel. Mijn hart breekt. Ik zeg niets. De krop in mijn keel blokkeert elk geluid. Ik onderdruk mijn tranen. Mijn schouders zijn strak gespannen van de inspanning om me te beheersen. Na 10 minuten lukt het me om een zin uit te spreken zonder dat mijn porseleinen façade het begeeft. "Kom Margot, laten we gaan. We kunnen hier toch niets doen". We telefoneren naar de begrafenisondernemer die de verpleegster ons voorstelt. Hij wil ons liever nu nog spreken, maar daar hebben we echt geen zin in. We zullen morgenvroeg naar zijn kantoor gaan om de praktische zaken verder te regelen. Nu willen we eventjes alleen zijn. Eerst nog door een andere, heel zure appel bijten: de ouders van Margot en mij inlichten. Ze wisten al wel van het ongeluk en dat Nicky in het ziekenhuis lag. Maar dit moeten ze ook weten. Margot wil dat ik ze bel. Enkel naar hen, niet naar de nonkels en tantes. Ik reken op de telefoonboom om zijn werk te doen. Ik heb hier echt geen zin in. Eerst naar Margot’s ouders, haar mama is toch de meter van Nicky. Ze neemt op. Natuurlijk in alle staten. De tranen vloeien rijkelijk aan de andere kant van de lijn. Een heleboel hoe’s en waaroms waar ik zo goed en zo kwaad als het kan probeer op te antwoorden. Na heel veel moeite lukt het me om het gesprek af te sluiten. Ze willen naar ons thuis komen, maar ik weiger. Straks is het de zoete inval thuis en moeten we keer op keer het verhaal doen. Niet vandaag. Ik telefoneer naar mijn ouders. Ik hoop dat pa opneemt. Ik weet dat moeder een afspraak had en hoop dat ze die heeft kunnen nakomen. Ik heb geluk, pa neemt op. Hij staat heel nuchter in het leven. Ik kan me niet herinneren dat hij ooit emotioneel heeft gereageerd op iets. Dat helpt voor zulke gesprekken. Hij is uiteraard ook geschokt wanneer ik hem het nieuws vertel. Maar verder is het een kort en vrij sec gesprek. Alsof hij door de telefoon kan voelen dat ik het liefst zo snel mogelijk naar huis wil gaan. Ik vraag hem het nieuws aan moeder en aan de rest van de familie mee te delen maar dat we vanavond liefst met rust gelaten willen worden. “Zeker dat wij straks niet efkens moeten langskomen?’ vraagt hij met een vrij ernstige stem. “Neenee pa, liever niet.” “Oké, Tim “ zegt hij. “Maar doe geen stomme dingen eh! Denkt aan wat ge nog hebt”. “Jaja, pa” wimpel ik zijn opmerking af. “Welke stomme dingen zou ik in godsnaam doen?” denk ik bij mezelf. “Morgen namiddag komen we af, ik bel nog met de rest van de familie en probeer jullie wat rust te geven. Veel sterkte! Daarmee sluiten we het gesprek af. Ik draai me naar Margot die eindelijk haar tranen heeft kunnen bedwingen. ”Kom, we gaan” zeg ik. De rit naar huis is ijzig stil. Enkel het tokkelen van de regen op de voorruit, het zachte geronk van de motor en het geluid van ruitenwissers doorbreekt de stilte. Maar tussen ons valt er geen woord. Wat valt er dan ook te zeggen op zo’n moment? Mijn hoofd is er niet bij. Ik doe mijn uiterste best om op de weg te letten maar voor veel meer dan dat heb ik de concentratie niet. Daarom waarschijnlijk dat ik slechts 60km per uur rij op een baan waar je 70 mag. Niet super traag dus, maar blijkbaar toch te traag voor de achterligger. Opeens steekt hij mij tegen hoge snelheid voorbij. Ik schrik op want ik had het niet verwacht. Regen, een bocht een beetje verder, volle witte lijn. Zou niet mogen. En dan zie ik wat voor een auto. Een rode Mercedes. Ik denk meteen aan de wegpiraat die eerder vandaag Nicky had aangereden. “Godverdomme!” roep ik. Margot schrikt recht. Ze was waarschijnlijk diep verzonken in triestige gedachten. “Wat is er?” vraagt ze met gebroken stem. Ik voel enorme woede opwellen. De aders in mijn voorhoofd beginnen bijna meteen te kloppen. “Zie je, het is weer zo ene! Zo gebeuren er dus ongelukken!” “Idioot! Onnozelaar! Zot!” roep ik alsof de bestuurder van de Mercedes die ondertussen al voorbij de bocht gescheurd is me kan horen. Ik heb veel zin om hem te achtervolgen, in te halen en dan, dan ... . Ik weet niet wat dan. In mijn gedachten is deze wegpiraat dezelfde man die Nicky had aangereden. Margot ziet dat ik over mijn toeren ga. Ze legt haar hand op mijn been en kalmeert me. De rede komt weer terug. Deze mens, want ik weet zelfs niet of het een man of een vrouw was, kon niet dezelfde bestuurder zijn. Wat met Nicky was gebeurd was waarschijnlijk een tragisch ongeluk. Die man had tot vanmorgen misschien zelfs nog nooit zelfs een parkeerboete gekregen. Ik kalmeer, maar tot een punt. Er is iets veranderd in mij. Ik voel het, de muur van gereserveerdheid, van ingetogenheid die ik tot nu toe had opgetrokken is gebroken. De dam die mijn emoties tegenhield, is gebarsten en zal instorten. “Hou het vol tot thuis Tim!” denk ik bij mijzelf. “Niet wanneer je aan het rijden bent.” Gelukkig is het niet ver meer. We rijden de oprit op. De lichten springen automatisch aan. Ik parkeer me onder de carport zodat we niet nat worden door de regen. We stappen binnen, gooien onze jas aan de kapstok en schudden onze schoenen uit. Het kan mij in ieder geval niet schelen waar ze belanden. Ik loop recht naar de barkast. “Jij ook iets schat?” Ze vraagt een porto. Als het nu geen moment is voor een borrel dan weet ik het ook niet meer. De zondagse gin tonic zal voor mij nu niet volstaan. De Black Label, en ja, waarom niet? Een dubbele. Ik drink hem in één teug leeg en neem nog een dubbele. Ik schenk Margot’s porto in en breng het haar. Zij zit in de sofa. Ik heb geen zin in intimiteit. Mijn hoofd is druk, mijn spieren staan gespannen. Ik zet me in de fauteuil. Mijn hoop ligt in whisky, dat die me wat kan kalmeren en afleiden. Ik wacht op die zalige roes die me zal wegvoeren van deze nare avond.“En nu?” vraag ik Margot. “Wat nu gedaan?” Ze nipt van haar porto “Tsja, morgen naar de begrafenisondernemer, pastoor regelen. School verwittigen. Misschien al eens mailen naar ons werk?” Haar zakelijke reactie verrast me en stuit me voor de borst. Was zij daarstraks niet een emotioneel wrak? En is dat nu het belangrijkste? “Ik bedoel met ons, schat! Hoe gaan we nu verder met ons leven nu Nicky er niet meer is?” Ik zet mijn whisky op de salontafel, sta recht en loop naar de kast naast de tv, waar Nicky’s judotrofee staat te pronken. Ik pak hem op “Weet je nog toen hij die won, schat? Ik was zo fier op hem. Een paar maanden daarvoor nog uit die boom gevallen. Alsof het hem niet deerde. Zo snel mogelijk recht gekrabbeld en terug aan de slag.” “Ja ik weet dat nog”. Ze neemt nog een slok. Ik zet de trofee op de salontafel, neem mijn borrel en neem een flinke teug.  Zo zitten we daar eventjes. In gedachten verzonken. Ze zeggen dat wanneer je sterft je ganse leven voorbij flitst. Wanneer je kind sterft zie je hun leven voorbij gaan in je gedachten. Alleen is het niet in een flits. Het is een lange film waarin de scenes op onlogische wijze door elkaar gemengd worden. Van geboorte schiet het naar lentefeest, naar dat dagje Efteling 3 jaar geleden, eerste schooldag enzovoort.   Mijn gedachten blijven hangen bij een gesprek dat ik met Margot had, toen Nicky 2 jaar oud was. Alles leek zo goed, zo perfect. Ik opperde het idee om nog een kindje te maken. Margot wou niet. Ze was niet graag zwanger. Toen we net getrouwd waren had ze al eens een miskraam gehad. Ze had daar heel hard van afgezien. Ook bij Nicky ging het niet van een leien dakje. Hij is uiteindelijk met spoedkeizersnede geboren.  De typische slapeloze nachten en vuile luiers die gepaard gaan met een baby maakten het idee ook niet meteen appetijtelijk. Desalniettemin was er voor mij nog een ruimte in mijn hart om nog een kindje te hebben. Ik heb het idee herhaaldelijk voorgesteld. Elke keer wees ze het af. Ik probeerde nog met het argument: "wat als er iets met Nicky gebeurt?" Ook dat kon haar niet overtuigen. "we hebben toch geen reserve kind nodig!" was haar repliek. Uiteindelijk ben ik gezwicht, maar met een wrange nasmaak. Mijn gedachten blijven hierover doorbomen: “Had ik toen maar doorgezet. Want blijkbaar hadden we wel een reserve kind nodig! Godverdomme toch! Ik ben nog niet klaar met het vaderschap! Ongelukken kunnen gebeuren maar nu is er mij iets afgenomen dat ik misschien nooit meer zal kunnen terugkrijgen: vader zijn. Grootvader zijn. Omdat ik toen aan Margot had toegegeven!”De drank brengt hevige gevoelens naar boven. Ik kijk op en kijk naar Margot. Zij zit in de zetel, apathisch naar de salontafel te staren. “Alsof het haar niet deert” zegt een stemmetje in me. Woede begint opnieuw op te borrelen, dezelfde woede die ik voelde toen die Mercedes mij de pas afsneed.Ik kan mezelf niet meer inhouden. Ik drink mijn glas in één teug leeg. “Zie je nu dat we wel best een reservekind nodig hadden!” Ik roep bijna. Margot schrikt recht. “Wat bedoel je Tim?” vraagt ze me. “Je weet het wel goed genoeg! Ik wou nog een 2de kind. Jij niet! Was niet nodig had je gezegd! Er zal niets met Nicky gebeuren! Dat was toch uw argument?! Wel, zie nu!” Margot is werkelijk geschokt maar ze dient me meteen van antwoord: “Ik kon dit toen toch niet weten, Tim! Wat wil je nu dat we doen? Professor Barabas bellen voor een tripje met de teletijdmachine om aan de jongere Margot te zeggen om maar toch een 2de kindje te nemen want dat Nicky gaat verongelukken binnen een paar jaar?” “Sorry, Tim maar als we dat zouden kunnen zou ik liever naar deze namiddag reizen, naar dat kruipunt en Nicky snel van zijn fiets rukken, die Mercedes tegenhouden. God! Desnoods zou ik er zelf voor springen als ik daarmee zijn leven zou kunnen redden! Maar dat gaat niet! We hebben geen tijdmachine!” “Ja trek het maar in het belachelijke!” roep ik terug. Verdomme, een vergelijking maken met een strip!Margot blijft echter doorgaan, ze is op dreef nu. “Tim, we hebben indertijd de keuze gemaakt die op dat moment, voor ons beiden, het beste leek” Oké, het leven heeft ons een smerige stomp in de maag gegeven, maar daarom moeten we geen spijt hebben voor onze vroegere beslissingen!“Het was niet mijn beslissing Margot, maar de jouwe!” “Je was een demandeur de rien. Ik kon niet op je inpraten, ik heb mijn wensen moeten opbergen want jij wou niet mee!” Bij deze laatste opmerking merk ik dat ik haar net iets te diep geraakt heb. Snel probeer ik het gesprek een andere richting in te draaien: “Maar weet je, het is nog niet te laat hé schat! Mijn stem is al wat zachter. “Hoe bedoel je? Vraagt ze, snauwt ze bijna. Ze kookt vanbinnen denk ik. “Wel, we zijn nog niet zo oud” leg ik uit. “We zijn nog geen 40. We kunnen nog proberen … .”  Mijn voorstel valt op een koude steen. “Tim, ten eerste, is dit absoluut niet het moment om hierover te praten. Ten tweede, je weet hoeveel last we er vroeger mee hebben gehad! Denk je nu echt dat voor ons een volgende zwangerschap vlotter zal verlopen? Ten derde: zelfs al zouden we quasi meteen een nieuw kindje maken, wil je echt nog beginnen met slapeloze nachten, luiers, potjestraining enz. Tegen dat dat kind het huis uit is zijn we 60 jaar in het beste geval! Alle respect voor de mensen die dat doen maar ik wil het niet!” “Maar,” probeer ik nog ertussen te krijgen maar ze onderbreekt me meteen. “Niets te maren Tim! En tenslotte: een ander kind zal Nicky nooit kunnen vervangen! Nooit! Je zal hem altijd missen! Niets zal dat gat ooit kunnen opvullen, Tim. Je kan dat best zo snel mogelijk accepteren!“We kunnen toch niet kinderloos blijven!” werp ik tegen. “Het leven is zoveel rijker met een kind in huis! Tuurlijk, het is niet altijd makkelijk. Baby’s wenen vaak. Maar hoe gelukkig kan je worden als diezelfde baby lacht en plezier heeft? Een peuter die zijn eerste stapjes zet. Voor het eerst met een fiets zonder zijwieltjes rijdt. Heeft dat allemaal dan ook geen waarde? “Nu ben ik op dreef. Maar tegelijk welt er een ander gevoel in me op, naast de ondertussen bekoelde woede. Mijn gemoed schiet vol. Een bitterzoet gevoel van trots en verdriet. “Tim, dat hebben we al allemaal meegemaakt, en dat was allemaal mooi. Het zijn herinneringen die we moeten zullen koesteren. Ik was toen ook trots op Nicky, op alles wat hij deed. Hou nu alsjeblieft op! Ik kan het ook niet meer aan!” De façade van steen die ze ophield sinds we terugkwamen van het ziekenhuis begint te barsten. Haar ogen zijn waterig van de tranen die nu beginnen te vloeien. Ik kan echter niet stoppen. “En wat van wat er nog moest komen?” Ik heb het gevoel dat ik het verhaal van Nicky zoals het zou moeten geweest zijn moet vertellen. Ergens hoop ik dat ik nu ook bij haar doordring waardoor ze toch mijn kant van het verhaal zal kiezen. “Het eerste echte liefje? Uitgaan, met de auto leren rijden, zelfstandig op reis gaan, afstuderen? De unief, eerste job? Samenwonen, trouwen? Margot, wil je geen kleinkind? Wil je geen oma worden? Margot geeft geen antwoord. Ze zit terug in de zetel met haar hoofd rustend op haar handen die haar gezicht bedekken. Ze huilt onophoudelijk. Het enige wat ze kan zeggen is een gemoorde “stop!” Dat gaan we nu allemaal missen!” werp ik nog op. Die laatste zin slaat bij mij echter in als een bom.   Als door een bliksem getroffen komt het diepere besef binnen van wat ik net allemaal heb gezegd. Inderdaad, alles wat nog moest komen zal er niet meer zijn. Nicky zal niet met een liefje thuiskomen, hij zal nooit afstuderen, nooit uit het huis trekken en nooit een vader worden. Zijn levensdraad was veel te vroeg doorgeknipt. Het was nog niet af. Hij was er nog niet klaar voor. Mijn gezicht verstijft. Ik prevel: “Ik ben er nog niet klaar voor!” Ik draai me om in de richting van de keuken. “Ik ben er nog niet klaar voor!” herhaal ik. ‘Ik kan u nog niet achterlaten Nicky! Ik kan u niet alleen laten gaan!” De tranen springen me nu ook in de ogen, mijn stem trilt en schiet over. Een donkere gedachte maakt zich meester van me. Mijn voeten bewegen schijnbaar met een eigen wil naar de keuken. Mijn hoofd maakt een donkere cocktail van angst, verdriet, paniek en wanhoop. Ik word getrokken naar het messenblok. Is het een irrationeel verlangen om mijn zoon niet alleen het grote onbekende in te sturen, dat mij leidt? Of eerder de wens om een einde te maken aan dit vreselijke gevoel. Mijn hele wereld stort in elkaar. Alles rondom mij is gehuld in duisternis. Mijn ademhaling is heftig, mijn hart bonst haast uit mijn borst. De beste beschrijving die ik kan geven is alsof je de ergste nachtmerrie ooit meemaakt waarvan je weet dat je nooit kan ontwaken. Margot had gelijk. Niets kan Nicky vervangen. Het heeft allemaal geen zin meet. Het slagersmes blinkt in mijn rechterhand. Ik zie mijn ogen vaag weerspiegelen in het lemmet. Een traan valt erop. Ik richt de punt naar mijn hart dat als een razende tekeer gaat. Mijn linkerhand neemt het heft nu ook vast, klaar om mijn borst te doorboren. “Ik ga mee Nicky!” schreeuw ik uit. Ik strek mijn armen naar voren klaar voor de laatste inspanning die me zal doen ontwaken uit deze boosaardige droom!   Ik word wakker met een barstende hoofdpijn. Mijn ogen kan ik slechts met een spleetje openen. Het licht is te fel, hoewel er duidelijk gordijnen gesloten zijn. Ik lig in een ziekenhuisbed. Ik voel een stekende pijn aan de achterkant van mijn hoofd. Ik voel eraan. Een heleboel kompressen. Windels omwikkelen mijn ganse hoofd boven de oren. Ik ben in de war. Wat is er gebeurd? Hoe kom ik hier? Ik word gewaar dat er iemand aan de kant van het bed staat. Ik moet me concentreren om het gezicht te herkennen. “Margot?” Ze knikt. “Je bent dus wakker?” “Ja” antwoord ik. “Wat is er gebeurd? Waarom heb ik zo een bult op mijn hoofd?” Ze wijst naar de tafel aan de andere kant van het bed. Een gebroken trofee. Nicky’s judotrofee. Plots begrijp ik het. “Ik moest iets doen schat. Je werd gek Ik riep maar je hoorde me niet.” Ik draai me naar haar terug. “Oh schat, het spijt me zo! Ik wist even niet meer wat ik deed!” Net zoals Margot eerder begin ik nu ook te huilen. De buil op mijn hoofd bonst pijnlijk bij elke snik en hartslag. Het is een enorme ontlading. Maar het voelt goed op de een of andere manier. Tussen mijn tranen door zie ik Margot ook huilen, maar met wel een lach op het gezicht. Wanneer ik wat bekomen ben van de emoties veegt ze onze tranen weg. “Ok schat,” zegt ze. “Ik zal bij de verpleegpost gaan horen wanneer de dokter kan langskomen om je weer naar huis te sturen”. Ze gebiedt naar de gebroken trofee. “Want zoals je ziet, ga ik jouw hulp nodig hebben om de stukken te lijmen”. Ze staat op en loopt de kamer uit. Ik bekijk de trofee en glimlach, sluit mijn ogen en fluister: “ik ga je missen Nicky.”

GeertWolfs
0 0

Zij die mijn liefde kan dragen 5

O, lieve Andrea, welke naam zou ik je kunnen geven, als alle namen te klein voor je lijken? Hoor je ook de regendruppels die onze harten proberen te doordringen? Ja, mijn liefste, het zijn de druppels van toewijding, van evenwicht, van oneindige liefde... Maar het is ook het levende water dat de duizenden rozen voedt die ik alleen voor jou bewaar. Ja, alleen voor jou. Je dag was zwaar. Vermoeidheid heeft je stappen gegrepen, je benen en lichaam lijken van lood gemaakt, en je ziel verlangt alleen maar naar rust, naar die slaap waarin engelen hun vleugels uitslaan over hun geliefden. Maar onthoud, parel van de nacht, dat ik zelfs in je droom aanwezig ben. Ik waak in stilte over je. Hoewel ik door vele afstanden van je gescheiden ben, ben ik op hetzelfde moment zo dichtbij. Mijn woorden zijn de onzichtbare draad die ons verenigt. Hij kan niet gebroken worden en kan niet verloren gaan, geweven uit iets wat noch tijd noch wereld kan aanraken. O, ik gebied de diepten in mij woorden te spreken die ik niet volledig ken. Ze zijn zo diep, zo levend, dat ik ze soms bijna niet meer kan verdragen. Maar voor jou, ja, voor jou, lieve Andrea, daal ik onbevreesd af in die diepten en overwin ik ze. Weet je waarom? Omdat daar niet alleen de schoonheid van mijn woorden huist, maar ook het licht dat jij voor mij bewaard hebt. Zonder jou zou deze diepte zwijgen. Jij bent het licht dat haar een stem geeft. Daarom zeg ik je: moge elk woord een klank worden die opstijgt naar jouw hemelse schoonheid, waarop ik verliefd ben tot in de hemel. Laat me deze woorden uit de diepte halen, zodat je altijd kunt luisteren naar het lied van die goddelijke drank die je ziel betovert. Hoe mysterieus is dat wel niet wat ik voel... ,ja die bron van woorden, die ik weef als een melodie...o liefste...ja omdat ik intens verliefd op u ben...Ik ken de naam ervan niet. Het is vreemd en toch zo troostend. Laat me je wang strelen, zodat mijn vuur rust kan vinden. Zonder jou zou het vuur in mij veranderen in een duisternis die alles verteert. Dit is het mysterie waar ik nu doorheen ga. Misschien heb ik het mis door je zo intens te verlangen. Zo ja, vergeef me dan, lieve schoonheid, en ik zal mijn gedachten doen zwijgen. De gedachte jou te verliezen is de afgrond waarin mijn wezen alle poorten van het licht zou sluiten. Maar zie... zelfs te midden van die duisternis heb ik het beeld van jouw ziel geplaatst. Daarom kan de duisternis niet langer heersen. Jij bent het paleis van mijn hart, en in de tuinen ervan bloeien de bloemen onophoudelijk. Elke dag pluk ik ze en leg ze als offer aan jouw wonderbaarlijk mooie voeten.   

Robby
0 0

Zij die mijn liefde kan dragen 4

Wie ben jij, degene die ik zo mooi voel in de diepte van mijn hart? Hoe ben je hier terechtgekomen in mij? Wat een vreemd iets... en toch wat vind ik het fijn. Ja... oh ja... wat een zegen is deze toestand... ja... Waarom, Robby?... Omdat ik voor het eerst... ja... voor het eerst echt iemand in mijn ziel heb toegelaten. Het is een vreemd gevoel, maar misschien beschrijft 'ongewoon' het beter. Vooral wanneer ik verdwaal in haar blik, en zij in de mijne. Ik denk dat we allebei hetzelfde wonder ervaren, hoewel we soms de woorden niet kunnen vinden om het te benoemen. Haar ogen... Ik verdrink volledig in hun grenzeloze schoonheid, alsof de hele vallei van schoonheid die ik ooit in de tuinen van mijn ziel heb gezaaid erin verborgen ligt. Hoe zou ik dan kunnen spreken? Hoe zou ik woorden kunnen vinden, die deze melodie verweven tot dat wat ik bedoel? Oh, hemelse bron van goddelijke nectar, geef me de juiste woorden, zodat ik de diepte kan bereiken waarover haar ogen tot me spreken... ja, tot de diepte van haar ziel, die mijn wereld binnentreedt als een nimf die uit het licht is neergedaald. Laat de zonnestralen mijn borst verwarmen, zodat zij haar hart erop kan laten rusten. Laat mijn lege borst de haven worden waar haar grote schip kan aanmeren, en verwelkom ik haar zoals een koning zijn meest dierbare gast verwelkomt. Hoe wonderbaarlijk is dit alles... oh ja... ik ben verbluft. Zo verbluft dat ik haar elke dag wil schrijven, elke dag haar gezicht wil zien, want haar aanwezigheid doet me blozen, doet me glimlachen, en tegelijkertijd laat het me de macht begrijpen die ze over me heeft. Kijk naar haar glimlach... soms verlegen, soms speels en uitdagend, maar zo mooi dat ik de rijkdom van haar ziel bijna kan aanraken. Of ze nu kleren draagt ​​of niet, doorheen haar lichaam zie ik wie ze werkelijk is. Ik zie haar licht. Mijn God... hoe puur is haar licht! Het stroomt naar me toe als een rivier van liefde en sensualiteit, een zachte energie die zelfs de duisternis in mij verzacht. Laat mijn tranen dan een vreugde zijn, want elke traan is een offer dat ik op haar lippen leg, zodat ze nooit dorst zal kennen. Die glimlach... die sprankelende ogen... haar fluweelzachte wangen... haar warme handen... alles getuigt van de puurheid die ze over mijn ziel uitstrooit. Het raakt me zo diep dat ik bijna aan haar voeten neerval. Niet omdat ik zwak ben, maar omdat ik haar herken als de kracht die me troost, en voor zo'n schoonheid kniel ik uit respect neer. En toch, ik beken... soms laat ik me expres vallen, want dan weet ik dat ze de tijd zal nemen om naast me te gaan zitten. Ik weet dat ze zachtjes tegen me zal zeggen: "O, mijn prins, sta op... mijn liefde voor jou kan niet gedijen in een lichaam dat overweldigd wordt door verdriet." Met haar hemelse stem en verleidelijke ogen, die mijn wangen strelen, smeekt ze me teder op te staan ​​en haar de dans aan te bieden waar ze zo naar verlangt. En wat zou er mooier kunnen zijn dan haar de melodie aan te bieden... de melodie van dat betoverende schouwspel waar ze zo verliefd op is? Misschien is dat precies waarom ik, in het geheim, haar prins ben. Betoverd door mijn woorden, staat ze me toe om met alle intensiteit van mijn hart over haar te schrijven, omdat het haar diep raakt, omdat ook zij er oprecht naar verlangt gezien te worden. Hoewel velen haar voorbijgaan zonder haar op te merken, is zij voor mij de vallei die ik in hemelse woorden hul, als een machtige prins, zodat ze haar weg naar huis kan vinden in een wereld vol lijden. Laat de draak in mij haar dan beschermen, haar op zijn vleugels dragen. In deze diepe liefde begrijpen we beiden wat goddelijkheid betekent, en ervaren we even wat het betekent om als god en godin te bestaan. Oh, mijn liefste... ja, jij, Andrea... ik hou van je met heel mijn wezen.  

Robby
0 0

Zij die mijn liefde kan dragen 3

O, lieve en mooie Andrea, hoe kan je hart overvallen zijn door een duistere gedachte? Vertel het me alsjeblieft, want mijn ziel vindt geen rust. Je doet me beven, je maakt me onrustig. Komt het door de duisternis die ik in me draag? O, mijn geliefde, de vrouw voor wie mijn hart zowel de vreugde als het verdriet van de hemel kent, zeg me... verlang je er werkelijk naar om me voor je te zien neervallen en mijn kleed van duisternis af te werpen? Is het dat wat je verlangt? Die gedachte beangstigt me, O mijn geliefde, want dan zullen mijn kleren van me afvallen en zal ik naakt achterblijven. Ik zal een deel van mezelf moeten achterlaten en mijn volledige vertrouwen in jouw handen leggen. Ja, lieve en mooie Andrea, je komt mijn hart binnen als een oneindige vreugde. Maar dit is een heilige last die je zult moeten dragen. O, mijn geliefde, ik wil je niet belasten of je ooit verdrietig zien. Kijk tedere schone die de sterren doet beven van uw onmetelijke liefde die je bezit... ik ben bereid mijn kleed van duisternis voor je af te leggen. Maar zeg me, waarmee zul je me dan bekleden? Want mijn licht is al in jouw handen, en het kleed van mijn duisternis ligt nu aan uw heerlijke voeten. Dan zal ik werkelijk vallen... Oh, mijn geliefde, til me op. Omarm me, draag me in je armen, troost me, want in deze diepte kan ik niet langer zonder jou leven. Begrijp, jij tere schoonheid van hemelse liefde, dat jij alles bent wat me rest. Welk gewaad zul je me dan geven? Zullen je handen mijn brandende woorden over tien jaar, over vijftig jaar nog kunnen dragen? Want mijn liefde voor jou zal zo groeien dat het gewaad van mijn ziel geweven zal zijn van dezelfde tederheid waarmee je handen me vandaag troosten... terwijl onze wangen rood worden, verloren in de diepte van onze blikken. Oh, alsjeblieft... laat me deze stap voor jou zetten. Maar draag me ook, zoals ik jou draag in elk moment van mijn hart.  

Robby
0 0

Zij die mijn liefde kan dragen 2

Met een diepe sprong... met een gevoelige snaar... met de puurheid van mijn eigen wezen... treed ik je ziel binnen, mijn liefste, niet om je te bezitten, niet omdat ik dat zou kunnen, noch om over je te heersen. Ik kom slechts om in de stilte van je hart te zitten. Luister naar mijn melodie. Ze zal je ziel strelen, ze zal de wind je haar laten dragen als een levende vlam, en het brandende verlangen dat je voor mij in je draagt zal niet langer gedoofd worden. Ik zie je ziel. Ik voel haar. Ik zie hoe ze al haar energie verzamelt om de mijne te benaderen, eerst met angst omdat deze nabijheid je nog onbekend is. Maar, stap voor stap, daal ik dieper en dieper af in mijn dans, in een dans van woorden die je zachtjes raken en je ontdoen van elk masker. Hier, in de diepte van je wezen, zijn er geen gewaden die de waarheid over wie je bent kunnen verbergen, daar zijt gij naakt, naakt in de schoonheid van wat gij werkelijk draagt. Luister dan naar de stem van wie ik ben en het geschenk dat ik met me meebreng om je hart te verheugen, zij is de dans, de melodie van ongeziene schoonheid. O, tere geliefde, jij die schittert door de mist van een turbulent leven, ik zie je worstelen om door de onophoudelijke en vluchtige stroom van de wereld te zwemmen. En toch, hoe dorstig ben je... Ik voel je ziel zachtjes de mijne raken, omdat je niet alleen verlangt gezien te worden, maar ook om getroost te worden door de mysterieuze melodie van mijn woorden, die ik weef als een spin, door hun ondoorgrondelijke charme. Ze raken je zo diep dat ik meester van je hart zou kunnen worden. Maar ik kies ervoor deze macht op te geven. Ja, mijn liefste, ik leg elk verlangen om je te overheersen terzijde, want mijn doel is zo eenvoudig: je te omhullen met woorden zo zacht als zijde, zodat je van mijn wereld kunt proeven. En hoe graag je er ook van wilt ontvangen, mijn bron kent geen begin noch einde. Ze stroomt eindeloos als een hemelse nectar, draagt ​​je ziel en ontsteekt in jou een licht als honderd sterren die tegelijk branden. Die sterren zijn jouw wezen. Want een ster heeft maar één bestemming: licht verspreiden en gezien worden. Maar kijk eens hoe diep de kennis wel niet is die ik in me draag. Ik gaf je mijn licht niet alleen zodat je het kon bewaren, maar omdat alleen jij het kunt beschermen. Je bent zo intens, ik voel je tranen, treur niet gij schone vallei, want ik zal ze vegen en als een dorstige bron in de woestijn zaaien... zo brandend is de vlam van je verlangen. Veel mannen zouden je misschien alleen maar willen veroveren en je in een zielloze liefde willen storten. Maar ik zeg je: kom met me mee naar de plek waar zielen elkaar ontmoeten en begroeten met respect, tederheid en erkenning. Uit mijn liefde voor jou laat ik rozen bloeien, zodat je kunt voelen hoe ik je in mijn hart draag en hoe ik je nader in die diepten waar woorden niet meer volstaan. Fijne schoonheid van de duizend rozen die ik bezit, gij mijn schat, mijn vurige verlangen, laat de draak in mij je leiden naar de plek waar ik je optil en je rode wangen teder kus. Begrijp echter dat dit slechts de taal is waarin engelen elkaar begroeten. En de dans die ze delen, brengt werelden voort, ontsteekt wonderen onder de sterrenhemel en verenigt wat gescheiden leek. Ik zou je duizend keer kunnen vertellen hoe wonderbaarlijk je bent, hoe zoet de geur van je lichaam is. Maar dit alles zou leeg blijven als ik mijn hart niet zou openen om je erin te dragen als een bloeiende roos. Ontvang daarom mijn geschenk: een schoonheid verweven in een melodie, een melodie getransformeerd in dansende woorden. Ja, ik geef het toe... ze proberen je te verleiden. Ik beken zonder vrees dat ik, wanneer ik in je ogen kijk, verlang naar die troost die onze zielen elkaar kunnen geven, totdat ze samen in hetzelfde hart kloppen. Oh, lieve geliefde, gouden schat die de gevoeligheid in ons wakker maakt, hoe vaak zal ik de bergen niet voor je verzetten zodat mijn koningin haar reis kan voortzetten? Zie je niet hoe groot de kracht is van de liefde die ik draag? Ze zal de geur van rozen in je verspreiden, zodat je de last van dit leven met waardigheid kunt dragen en altijd licht kunt blijven. Daarom bied ik je mijn liefde, mijn vriendschap en alle tederheid die ik bewaar voor de schoonheid die in je ogen leeft. Met een warme omhelzing kus ik je, streel ik je en fluister ik je toe, vanuit de diepte van mijn hart: Ik hou van je met een grenzeloze intensiteit. Voor altijd de jouwe, Robby  

Robby
0 0

Zij die mijn liefde kan dragen 1

Kijk hoe de sterren onze harten betoveren en hoe het zonlicht onze ziel troost. Maar begrijp ook deze waarheid: liefde is troost, het is de warmte die we soms missen. Woorden kunnen pijn doen, maar ze kunnen ook wonden zalven. Laat dit dan mijn geschenk aan jou zijn. Laat mijn geschenk de bloemen zijn die ik aan je voeten leg, zodat ik ze in jouw naam kan strelen en, al is het maar voor even, je last kan verlichten. Waar onze wandel ons ook heen zal leiden in dit leven, vergeet nooit dat de dagen dat je dacht dat je alleen was voorbij zijn. Vandaag heb jij talloze vrienden, omdat mijn woorden getuigen van deze waarheid. Mijn liefde leeft voort in vriendschap, en de manier waarop ik je streel, je wangen aanraak en je handen in de mijne houd, is de uitdrukking van het diepe respect dat ik heb voor wie je bent. Sterk... wonderbaarlijk... God, wat ben je mooi. Laat me dan schrijven over de liefde die we voor elkaar hebben, over de manier waarop we elkaar omarmen en door het leven dragen. Maar bovenal, mijn geliefde, laat me schrijven over het feit dat we voor elkaar bestemd zijn, dat we weten hoe we naar elkaar moeten luisteren. Net zoals de bomen hun geheim in de wind zingen, zoals de vlinders in het licht dansen en de vogels hun lied aanheffen in de ochtendgloren, zo bestaat mijn lied uit woorden die je onophoudelijk toefluisteren: "Oh, mijn liefste... mijn geliefde... wat hou ik toch veel van je! En vergeef me alles, want alles wat ik probeer te doen is de tederheid van je ziel te bereiken, zodat ik daar de dans van mijn hart kan laten klinken. Zo diep dat je me voor altijd dicht tegen je aan zult houden en me de warmte zult geven waar we allebei naar verlangen." Met al mijn liefde en diepste respect groet ik je. Sta jezelf toe de magie van deze liefde te ontvangen en neem me in je hart op. Dan zal elk spoor van het gevoel dat we ooit gescheiden zullen zijn voorgoed verdwijnen.  

Robby
0 0

Een relaxed ongeluk.

In Drimmelen lopen we door een smalle straat. Klopt dat? In het historisch Drimmelen lopen we door een smalle steeg. Nee, dat klopt niet helemaal. We zijn in Nederland om zijn nakende pensioen te vieren. In Drimmelen overnachten we in een nieuw hotel met zicht op de jachthaven. Dat klopt! Als je het ontslag dat hij gaf als zijn pensioen kan zien, klopt het volledig. We willen het vieren in het Nationaal park de Biesbosch waar we ooit een bootsafari deden, waar we erg van hadden genoten, waarom niet? Waarom niet volop genieten nu we nog jong zijn én fit? In de smalle steeg loop ik achter hem aan maar niet als een hond, als zijn vrouw wandel ik in schaduw maar niet in het donkere gedeelte van mijn persoonlijkheid, ik kuier ontspannen want niets ergert mij. Ik voel me licht en blij en zie wat ik moet zien: een zwarte kat! Ze rent de weg over, zo snel rent ze de weg over, ze lijkt te willen dat ik haar (of hem) maar even zie, lang genoeg om te vermoeden dat er geloof mee is gemoeid. Ik ben jouw bijgeloof. Ik ben zwart, en wil geen affectie! Dat lijkt de kat te willen zeggen. 'Iemand die bijgelovig is, zou dit oversteken interpreteren als een ongeluk', zeg ik. Hij reageert niet. Ongeveer een uur later bereiken we het museum dat in het groen verscholen ligt. Er ligt een pak mos op het dak. We smeren ons in, trekken de veters strak aan. Ergens op de met gras omzoomde weg is een onzichtbaar putje waar mijn voet in terecht komt. Ik raak uit evenwicht, en val terwijl ik vloek. Mijn hele linkerbeen is geschaafd, het bloed druppelt uit de wonde, een buil manifesteert zich.  Wanneer we na tien kilometers stappen bij de auto zijn, is de buil verdwenen en het bloed droog. Ik wrijf over de wonde, voel iets zacht in mijn hand. Ik kijk maar zie niets dat mij verrast. In het restaurant is het moeilijk kiezen, we kunnen toch niet elke keer een slaatje eten met deze hitte? Hij vraagt hoe het met mijn been gaat. Goed, zeg ik. Zijn hand gaat onder tafel, grijpt naar mijn gekwetste knie, streelt de pels die daar als een relaxed ongeluk groeide. Klopt dat?

Ingrid Strobbe
0 0

Bezet

‘Er is plaats zat.’ Veerle en ik stommelen met onze koffers en rugzakken de wagon binnen. We installeren ons knus op twee brede tegenoverliggende banken. De trein hijgt zich krakend en piepend op gang, als wordt hij uit een diepe slaap geschud. Een Belgische trein in Maastricht.  Ik kijk rond in de zo goed als lege wagon. Op de bank naast ons zit een broos bejaard dametje, gehuld in een te wijde beige regenjas. Op haar smalle schoot staat een te grote bruinleren handtas. Haar grijze lokken zijn opgestoken in een oma-dotje. Wakkere oogjes achter een hoornen bril kijken ons onderzoekend aan. Ik knik. Ze grijpt haar tas iets steviger vast.  Ze zit recht tegenover het toilet. Het rode lampje brandt fel en geeft zo een frivool tintje aan de schaars verlichte treincoupé. Buiten miezert het alweer. Snelle stappen. Een jongeman klampt zich vast aan de handgreep van de gesloten deur als aan een reddingsboei. Nerveuze klopjes terwijl hij heen en weer wiegt.  ‘Je ziet toch dat het bezet is! Even ophouden!’ keft het vrouwtje met een zwaar Limburgs accent. Met dichtgeknepen billen en waterige ogen drentelt de jongen nog een paar minuten en druipt dan zuchtend af. Ik heb met hem te doen. Hopelijk is er nog een tweede WC op dit korte treinstel.  ‘Hij zit daar al van minstens drie haltes geleden,’ richt het besje zich tot ons. ‘Een oud mannetje. Met een hele grote boodschap, haha. Misschien voelt die zich niet lekker, zijn tikker of zo.’ Ze laat haar woorden op ons inwerken. Snuift dan. ‘Iemand zou dit de treinbegeleider moeten melden, toch?’ Ze kijkt me vol verwachting aan. Ze beleeft nog eens wat, zo.  Een eind verder op het gangpad verschijnt een blauwzwarte kepie. Ze merkt het niet. Maar ik blijf zitten. Hij komt nog wel deze kant op. We zwijgen alle drie, luisteren naar de stilte, die als een slang vanonder de gesloten deur sluipt, en het ritmisch gedender van de wielen nog versterkt. Plots schettert marsmuziek uit de tas van het omaatje. Na twee coupletten lang scharrelen duikelt ze een mobieltje op. ‘Ik kom er zo aan,’ gromt ze, met een blik alsof ze net vóór de ontknoping van de film de zaal uit moet.  Tegen zijn zin komt de trein knarsend tot stilstand. Eijsden. Ze grabbelt naar haar tas. Stapt fluks uit zonder ons nog aan te kijken. Twinkelden haar ogen?  Wij dragen nu de verantwoordelijkheid over het bezet toilet. Over hoe de film afloopt. Ik verzin scenario’s. De noodrem, de ambulance, onze aansluiting in Luik gemist. Veerle en ik onder kruisverhoor. ’Misschien is hij enkel in slaap gevallen,’ probeer ik. Of is het een zwartrijder.’ Veerle knikt onzeker. ‘Reisbewijzen alstublieft.’ Ik zet me schrap. Zoek bevend de tickets op mijn smartphone. Probeer zo gewoon mogelijk te klinken, en knik nonchalant naar de toiletdeur. ‘O ja, er zit blijkbaar al een hele tijd iemand op, volgens een mevrouw hier.’ Ik wijs naar de vage afdruk op de lege bank.  ‘Oh, niet mogelijk,’ lacht hij in gebroken Nederlands. ‘Ik heb het deze morgen afgesloten, wegens defect. Heb ik ook aan die madame hier gezegd.’ Ik bloos. Natuurlijk. Hij scant onze tickets, twee bliepjes. Dan monkelt hij, ‘Elle vous a bien eu, eh.’   (gepubliceerd in Alice, literaire katern bij Schrijven Magazine, nummer 03 2025)

Dirk Otte
11 1