Zoeken

Gallerie degli Uffizi

"Wat zal ik eens doen in het museum?” zei Shania. “Ja, wat kan je zoal doen in een museum?” antwoordde ik. “Is hier ook een cafeetje?” “Shania, je kan ook naar kunst kijken.” “Dat is iets voor jou, Petra. Ik denk dat ik het hier nogal snel beu ga zijn. Jij kende al die namen van die standbeelden buiten in die galerij. Ik kende er gewoon geen enkele van en ze zeggen me ook niets. Dat gaat hier binnen in het museum net hetzelfde zijn. Hoe lang wil je hier binnen blijven?” “Toch wel een paar uur, vermoed ik. Er zijn een paar werken die ik zeker wil gezien hebben. Ik wil de kleuren zien die ik enkel via afbeeldingen in boeken of op een scherm ken.” “Ik ga meegaan, hoor, maar als ik het niet meer aankan, ga ik je laten doen. Is dat goed voor jou, liefje?” “Natuurlijk.” “Dat wil niet zeggen dat ik jou niet graag zie, maar ijsjes likken op een terras of winkeltjes in en uit lopen is meer iets voor mij.” Shania legde haar hoofd op mijn schouder en zuchtte diep. Ze haakte tegelijk in onder mijn arm en zo schuifelden we verder in de rij. “Hoe komt het eigenlijk dat je zo geïnteresseerd bent in kunst? Dat wist ik niet van jou.” “Hij was eigenlijk de kunstliefhebber.” “En jij wilt kijken of het jou ook iets doet.” “Ik voel me precies dichter bij Hem als ik naar kunst kijk. Hij sprak wel eens over een tentoonstelling of een museum, niet eens zo veel, maar het is pas nadat ik al die kunst in Zijn appartement vond dat ik besefte hoeveel het voor Hem betekende.” “Je wilt die kant van Hem leren kennen.” “Zoiets. Maar ik vind het zelf ook de moeite, hoor. Ik herinner me dat Hij me ooit voorstelde om samen naar hier te komen, maar dat is er niet van gekomen.” “En nu wil je toch, ook al is het zonder Hem.” “Ja, maar de kunst doet mij ook iets. Ik merk dat ik, los van Hem, zelf geraakt word. Weet je dat Hij ooit gezegd heeft dat je elk werk minstens een kwartier van je tijd zou moeten gunnen, pas dan zou je weten wat het werk werkelijk waard is voor jou.” “Ik ben blij dat ik met jou mee mag, echt waar, maar elk werk een kwartier?! Dan zijn we hier nog niet buiten, vrees ik.” Ik haalde de geprinte tickets uit mijn handtas. Nog één koppel en drie man voor ons en dan konden we naar binnen, waar zich opnieuw een rij vormde. “Moeten we daar ook nog aanschuiven, of wat?” “Dat is de metaaldetector, Shania. De kunstwerken hier zijn zo uniek en belangrijk dat je niks scherps mee naar binnen mag pakken.” “En ook geen flesjes water, precies, dan drink ik dat van mij nog snel op.” Tien minuten later stonden we binnen en werden we door een paar kleinere en kille ruimtes naar een trap geleid. De rondleiding begon op de tweede verdieping en voerde naar de overkant van de straat, daar zouden we een verdieping zakken en terug naar deze kant komen. Er stonden wegwijzers voor een ‘korte’ tour die enkel langs de belangrijkste werken ging van Boticelli, Leonardo da Vinci, Michelangelo, Raphael en Caravaggio en een langere route. We namen de ‘langere’ route. In de eerste kamer was er een houten kruis te zien uit de late twaalfde eeuw. “Voilà, je kan eraan beginnen. Doe maar, ik volg je wel zo lang als ik kan.” Het was onaangenaam druk en mijn voornemen om bij een aantal werken minstens een kwartier stil te staan, bleek niet mogelijk. Zeker niet bij de topstukken, daar stonden dikke drommen toeristen verveeld te luisteren naar wat een gids in hun oortjes vertelde. Ze probeerden een foto te trekken van het schilderij dat door een glas beschermd werd en daardoor een onnatuurlijk glans kreeg, of een selfie die ze dan onmiddellijk op hun socials postten. Voor de annunciatie van Leonardo da Vinci was er vreemd genoeg weinig belangstelling. Daar kon ik toch enige tijd vertoeven, maar dat was zowat het enige topstuk waar dat lukte.  Ik nam me voor om in de boekenwinkel beneden een mooi en groot kunstboek uit te kiezen waarin de belangrijkste werken werden afgebeeld. Er hing hier prachtige kunst, maar door al dat volk en door de ongelooflijke veelheid aan werken, geraakte ik overprikkeld. Een museum was precies niet de ideale omgeving om van kunst te genieten. Shania liep verloren achter me aan, nam een paar selfies en moest twee keer naar het toilet. Ze leek nog het meest geïnteresseerd in de Romeinse beelden overal in de gangen en nam er foto’s van. Pas jaren later liet ze me terloops die foto’s zien, die ze per ongeluk, zo zei ze, nooit gewist had. Ze waren prachtig. Ik liet ze op A4-formaat in zwart-wit afdrukken en hing ze in de woonkamer op. Maar ik loop vooruit op de feiten.  “Niemand kijkt naar die Romeinse beelden,” zei ze, “Ik geef ze tenminste ook wat aandacht. En die blote piemels zijn geinig.” Nadat we een koffie gedronken hadden in de cafétaria, met uitzicht op de koepel van de kathedraal en de toren van het Palazzo Vecchio, Shania nam een stuk chocoladetaart erbij, spraken we af in het hotel. Shania had genoeg gehad. Ik ook, maar ik gaf dat niet toe. “Jij bent dan wel sexy in een museum, maar ik heb meer winkeltjes nodig.” Ze beende met grote stappen weg en wiegde met haar heupen. Heel wat mannen keken haar na en ik ook. Even wilde ik dat ik op vrouwen viel en dat ik verliefd kon worden op haar. Ik slenterde terug naar een paar zalen die we al gezien hadden. Ik had tijd, bedacht ik me. Ik moest me voor niks haasten. Het was minder druk, in ieder geval minder groepen die overal de weg versperden.  

Hans Van Ham
0 0

De zachte dood en de harde rails, tussen infuus en spoor

Het was een van die avonden waarop mijn rijhuis in Heist aan Zee stil genoeg was om de golven in de verte te horen rollen. Ik, Stefan, treinbegeleider sinds een 1  jaar, zat aan de keukentafel met een glas alcoholvrij bier dat ik nauwelijks aanraakte, en keek naar de muur waar nog steeds de oude kalender hing van mijn tijd als thuisverpleger. De data waren allang verlopen, maar de herinneringen niet. Buiten viel de regen zachtjes tegen de smalle gevel, vermengd met de zoute wind die vanaf de duinen kwam aanwaaien, zoals altijd in deze rij van bakstenen huizen die allemaal op elkaar leken en toch elk hun eigen stilte droegen. De zee was dichtbij, je hoorde haar ’s nachts ademen, een laag, constant geruis dat nooit helemaal zweeg, alsof ze de doden die ik had gezien nog steeds meevoerde in haar ritme. Binnenin mij hing dezelfde melancholie die me al jaren vergezelde. Niet de scherpe pijn van woede, niet de koude kilte van oordeel, alleen een diep, drukkend gevoel om hoe dezelfde dood twee totaal verschillende gezichten kan hebben. Euthanasie toen, zelfdoding nu. Zelfde resultaat: een mens die ophoudt te ademen. Maar de weg ernaartoe, de manier waarop, de echo die het achterlaat – dat is een wereld van verschil. Maatschappelijk en menselijk. Vroeger, als thuisverpleger in de straten van knokke en de omliggende dorpen, was euthanasie iets wat ik leerde kennen als een ritueel dat bijna beschaafd was geworden. België had het geregeld, met wetten en commissies en papieren die alles in goede banen leidden. Mensen belden me niet in paniek, maar met een soort rustige vastberadenheid. “Stefan, het is tijd.” Dan reed ik naar een huis in de Dumortierlaan of de Lippenslaan waar de geur van verse koffie al in de gang hing en de familie in de woonkamer zat alsof ze een verjaardag vierden die niemand wilde vieren. Zo herinner ik mij een man van achtenzeventig met pancreaskanker, zijn lichaam uitgeput maar zijn geest nog helder. Hij had zijn testament getekend, zijn kleinkinderen nog één keer geknuffeld, en nu lag hij in zijn eigen bed, met schone lakens en een foto van zijn overleden vrouw op het nachtkastje. De huisarts kwam, de tweede arts voor de controle, en ik bereidde de spuiten voor. Er was geen haast, geen drama. Er was een gesprek. “Ik kies dit,” zei hij, en iedereen knikte, met tranen maar zonder verwijt. De injectie ging traag, de ademhaling werd rustiger, en dan was het voorbij. Geen bloed, geen ravage. Alleen een lichaam dat er vredig uitzag, alsof het eindelijk mocht rusten. De familie bleef zitten, dronk nog een kop koffie, praatte over hoe hij altijd had gehouden van de zee. Daarna belde ik de begrafenisondernemer. Het was netjes. Het was humaan. Westerse waarden, noemden ze het: autonomie tot het bittere einde. De samenleving had besloten dat dit een recht was, geen zonde. En de naasten gingen naar huis met een afgerond verhaal. Ze konden zeggen: “Hij heeft het zelf beslist. We waren erbij.” Geen gapend gat van onwetendheid, geen schuld die als een steen op hun borst lag. Rouw, ja, maar een rouw met contouren, met een begin en een einde dat ze zelf hadden meegekleurd. Ik herinner me een vrouw in heist aan zee, begin zestig, met een neurodegeneratieve ziekte die haar langzaam had opgeslokt. Ze kon nog praten, nog lachen om een mop over de burgemeester van Knokke die de lapnaam Pietje Poep had, maar haar lichaam was een gevangenis geworden. Haar man zat naast haar, hield haar hand vast terwijl ik de medicijnen klaarmaakte. “Dank je, Stefan,” zei ze tegen mij, en tegen hem: “Ik hou van je, tot in de volgende wereld.” De spuit ging in, haar ogen vielen dicht met een zucht van opluchting, en de kamer vulde zich met een stilte die bijna heilig aanvoelde. Geen treinbestuurder die schreeuwde in zijn cabine, geen passagiers die mopperden over vertraging. Alleen een dood die paste in het leven, die de familie een laatste moment van waardigheid gaf. Maatschappelijk was het geaccepteerd, bijna gevierd als vooruitgang. Kranten schreven erover als compassie, artsen spraken erover op congressen, en ik naar huis met het gevoel dat ik iets had bijgedragen aan een zachte uitweg. De naasten droegen het mee als een erfenis, niet als een wond die nooit heelde. Ze konden rouwen zonder de eeuwige vraag: “Had ik het kunnen voorkomen?” Want het was niet voorkomen, het was gekozen. Met getuigen, met handtekeningen, met liefde die nog op tijd was. Nu, als treinbegeleider, is het anders. Heel anders. Zelfdoding – het woord alleen al voelt ruw in de mond, alsof het niet thuishoort in een beschaafde zin. Het komt niet met een telefoontje en een afspraak. Het komt plots, als een klap op een dinsdagochtend wanneer de centrale belt: “Incident op het spoor, chef.” En dan weet ik het. Iemand heeft gekozen voor de rails. Niet met een infuus en een arts, maar met een sprong in het niets, een lichaam dat wordt verscheurd door metaal en snelheid. Hetzelfde resultaat: leven dat stopt. Maar de modus operandi is een breuk met alles wat netjes is. Geen schone lakens, geen familie aan het bed. Alleen bloed op het ballastbed, stukken die de hulpdiensten in zakken stoppen, en een treinestuurder die daarna maanden niet slaapt.  Een jonge vader uit Brugge, net gescheiden, die bij Lichtervelde op de sporen sprong. Geen briefje, geen waarschuwing voor zijn kinderen. Alleen een tas met een portemonnee en een sleutelbos die later aan de politie werd gegeven. De trein staat stil, de treinbegeleider loopt door de rijtuigen met uitleg en excuses, terwijl binnenin hem de melancholie en weemoed opwelde als de regen buiten. En de familie, die kreeg later het nieuws via een politieman die aan de deur belde. Geen afscheid, geen hand die ze vasthielden. Alleen een lichaam dat niet te herkennen was, en de vraag die hen zou achtervolgen tot in hun dromen: “Waarom heb je niet gebeld? Waarom heb je dit gedaan? waarom heb je.....?”  De maatschappij kijkt anders naar zelfdoding. Het is geen recht, het is een falen. Geen wet die het omarmt, geen commissie die het goedkeurt. Het is taboe, het is statistiek in een rapport, het is iets waarover we spreken met zachte stemmen en preventieposters op stations. Oja en dat verdomde nummer van de zelfmoordlijn als het nieuws op VTM uitvergroot triestig wordt gebracht. Maar het gebeurt. 3 keer per week. En het laat sporen na die euthanasie nooit nalaat. De naasten dragen niet alleen rouw, ze dragen schuldgevoel. Een gevoel die de samenleving hen onbewust tracht uit het hoofd te praten: “hij was altijd al een stille, het is juist van dat soort dat ge moet opletten....” Geen laatste woorden, geen “ik kies dit”. Alleen een leegte die schreeuwt. Geen koffie met de familie, geen speeches op de begrafenis over een moedige keuze. Alleen een graf dat te vroeg was gedolven, en kinderen die opgroeiden zonder een vader die nog eens gedag had gezegd. Voor de treinbestuurder was het een trauma dat in de rails bleef liggen, zichtbaar en voelbaar. Ik zit hier in mijn rijhuis in Heist aan Zee, en denk aan het verschil dat zo klein lijkt en toch alles verandert. Zelfde einde: stilte in een borstkas. Maar euthanasie is een gesprek dat eindigt in vrede. Het is voorbereid, het is getuigd, het is maatschappelijk goedgekeurd als een laatste vrijheid. De patiënt beslist, de verpleger helpt, de naasten nemen afscheid met een kus en een bedankje. Ze gaan naar huis met een verhaal dat ze kunnen vertellen: “We hebben hem laten gaan zoals hij wilde.” Rouw met een kader, met foto’s die nog lachen, met een uitvaart waar iedereen zegt dat het mooi was. Zelfdoding op het spoor – of waar dan ook, maar voor mij altijd op die rails – is een explosie zonder publiek. Het is een schreeuw in het donker, een dood die niemand ziet aankomen behalve de bestuurder en de kraaien die later komen. De naasten krijgen geen handdruk, geen “dank je”. Ze krijgen een telefoontje, een identificatie in een koud mortuarium, en daarna de nachten vol “wat als”. Wat als ik beter had geluisterd? Wat als ik die avond was gebleven? Maatschappelijk is het geen triomf van autonomie, het is een symptoom van een samenleving die faalt. We hebben euthanasie getemd tot een medische procedure, maar zelfdoding blijft wild, oncontroleerbaar, en het scheurt de levenden in stukken. Ik vind dat dit anders mag, maar hoe: ik heb geen flauw gedacht. Toch denk ik dat het slachtoffer liever een autonome trein zou nemen als middel dan het leven van een treinbestuurder te hypothekeren.  Soms, in dit rijhuis en de kleine achtertuin die uitkijkt op de buren en verderop de duinen, typ ik ’s avonds op de oude computer wat zinnen die niemand ooit zal lezen. Over hoe ik van thuisverpleger naar treinbegeleider ben gegaan, en toch dezelfde dood blijf tegenkomen. De ene dood is een zachte hand die je begeleidt naar de deur. De andere is een trein die je meesleurt. Bij euthanasie blijft er ruimte voor liefde, voor woorden, voor een laatste blik die zegt: het is goed zo. Bij zelfdoding blijft er alleen de echo van de klap, de schuld die zich nestelt in de harten van moeders, vaders, kinderen. Geen commissie die het voorkomt, geen infuus dat het verzacht. Alleen de vraag die nooit beantwoord wordt, en de melancholie die blijft hangen als de regen op het dak van dit rijhuis, vermengd met het zout van de Noordzee die nooit ophoudt met fluisteren. Ik sta op, loop naar het raam en kijk naar de straat. De buren hebben hun lichten al uit, de rijhuizen staan in het donker als stille getuigen van al die levens die hier aan zee beginnen en soms te vroeg eindigen. De wind rukt aan de luiken, de golven rollen verderop over het strand, en ik denk na. Aan de patiënt die ik had verpleegd, een leraar, die zei: “Ik wil niet dat men mij zo herinnert me in mijn huidige situatie.” Zijn vrouw had hem gekust, de dokter de dosis gegeven, en de kamer was gevuld met een vreemde rust. De begrafenis was mooi, met bloemen en speeches. De kinderen spraken over papa’s keuze. Ze droegen het als een erfenis, niet als een wond. Euthanasie is een gesprek, een handdruk, een einde met getuigen. Zelfdoding is een schreeuw in het niets, een einde zonder publiek, een last voor iedereen die achterblijft. De zee ademt door, hier in Heist aan Zee. Ik drink mijn kop koffie leeg, niet omdat ik dorst heb, maar omdat de avond dat vraagt. En ik denk: misschien is dat het diepste verdriet. Dat we de dood hebben proberen te temmen met wetten en spuiten, maar dat hij zich toch altijd weer losrukt op de meest brute plekken. Voor de patiënt maakt het niet meer uit. Voor ons, de levenden, maakt het alles uit. De euthanasie laat een stille kamer achter. De zelfdoding laat een gebroken trein achter, en families die nooit meer heel worden. Misschien dat  VTM analisten zoals FAROUK NO-GUINNESS en tafelspringers van de TAFEL VAN GERT het debat dat niemand wil voeren, toch eens wil aanraken…. Dit is het verschil dat ik draag, hier in mijn rijhuis aan zee, tussen twee levens die ik heb geleid. Als verpleger gaf ik een zachte uitweg. Als treinbegeleider kijk ik op tegen de brokstukken. En de melancholie? Die blijft. Als de regen die nooit helemaal ophoudt, als de wind die het zout meevoert, en de golven die altijd verder gaan, ongeacht wie erin verdwijnt.  

treinbegeleider stefan
6 0

de microbe en de cosmos

  Op een ligzetel volledig strijk in mijn achtertuin, starend naar de hemel. De eerste lentezon heeft zijn werk gedaan.  Ruim 23 graden ineens. Het was een van die avonden waarop de lucht zich niet helemaal donker wilde kleuren, een lauwe, weifelende schemering waarin de sterren zich nog niet durfden te vertonen, bang misschien voor de overdaad aan licht die de Haven van Zeebrugge beneden hen uitbraakte. De buren hielden nog een barbecue ; de geur van verbrand vlees en goedkoop bier dreef over de schutting, vermengd met het gelach van mensen die zichzelf belangrijk vonden omdat ze een eerste warme werkdag op kantoor hadden overleefd. Ik had een glas alcoholvrij bier in de ene hand, een sigaretje in de andere. Het bier – te Duits en te warm, mijn sigaret te Amerikaans – en voelde hoe mijn grootste vraagstuk zich als een ongenode gast in mijn hoofd nestelde, niet met trompetgeschal, maar met dat stille, sluipende gemompel dat je pas opmerkt wanneer je al half verloren bent. Het heelal, dacht ik, terwijl ik een slok nam en spijt smaakte. Hoe groot is het eigenlijk? Niet het soort grootte dat je met een meetlint kunt weten, niet de grootte van een voetbalveld of een continent, maar die andere grootte, die je maag doet samenkrimpen tot een kiezelsteentje en je hoofd laat tollen als een dronken Zwitser. Wetenschappers spreken van miljarden lichtjaren, van een “waarneembare ruimte” dat zich uitstrekt als een oneindig deken van duisternis en gas en sterrenstof. Maar wat betekent dat woordje ‘waarneembaar’ eigenlijk? Het is een beleefde manier om te zeggen: tot hier kunnen we kijken, vriend, en verder? Verder is het misschien wel niets, of alles, of iets wat we niet eens durven benoemen omdat onze taal te klein is, te aards, te menselijk. Ik herinnerde me een boek dat ik ooit had gelezen toen ik nog een puber met puisten was, van iemand die iets heel pretentieus deed. Daarin stond dat het heelal misschien wel eindigt in een muur van niets, een soort kosmische rand waar de natuurwetten ophouden te bestaan, als een schilderij dat abrupt stopt omdat de kunstenaar geen verf meer had. Maar wat ligt er dan achter die rand? Een ander heelal? Een god die zich verveelt en een nieuw doek spant? Of gewoon de achterkant van ons eigen universum, als een vel papier dat je omdraait en waarop alleen maar potloodkrabbels staan van een kind dat van niet beter wist? De gedachte was even troostrijk als beangstigend: wij, met onze hypotheken en onze ruzies over die bomen van de buurvrouw, levend, in iets, van iets, door iets en met iets, wat we nooit zullen begrijpen. En toen, terwijl de buren begonnen te zingen – vals, natuurlijk, met die aanstekelijke joligheid die dronken West Vlamingen kunnen opbrengen – kwam de andere gedachte op, die mij nog kleiner maakte. Misschien zijn we helemaal niet die grootse wezens die naar de sterren reiken. Misschien zijn we microben. Piepkleine, onbeduidende microben in een petrischaaltje dat iemand anders vasthoudt. Een groter systeem, een kosmos binnen een kosmos, waar ons heelal niet meer is dan een druppel in een oceaan die zelf weer een druppel is in iets nog onvoorstelbaarders. We rennen rond met onze smartphones en onze ambities, bouwen steden die we monumentaal noemen, vechten oorlogen die we historisch noemen, en al die tijd zijn we niet meer dan bacteriën die zich vermenigvuldigen in een laboratorium van een wezen dat ons bestudeert. Het zou verklaren waarom alles zo absurd voelt, waarom de liefde altijd net iets te kort duurt en de dood altijd net iets te lang. Ik nam nog een slok. Het bier vas nu echt onaangenaam geworden, of misschien was ik het zelf. Mijn vrouw riep vanuit de keuken iets over het eten dat koud werd, haar stem klonk zacht. “Kom je nog, of blijf je daar zitten filosoferen tot de muggen je opeten?” Typisch zij: praktisch, aards, met voeten die stevig in de klei staan terwijl ik zweef in het vacuüm. Ik hou van haar, op die onvermoeide, ingesloten manier waarop je houdt van een schoen die precies de vorm van je voet heeft aangenomen. Maar op momenten als deze, met de hemel boven me die zich uitstrekte in al zijn onverschillige pracht, voelde ik de kloof. Zij zag een tuin, een huis, een leven. Ik zag een lab, een schaal, een microscooplens die ons vergrootte tot we dachten dat we ertoe deden. Stel je voor, dacht ik, dat ergens daarboven – of misschien beneden, want richtingen verliezen hun betekenis in het oneindige – een wezen zit dat ons bestudeert zoals wij een kolonie mieren bestuderen. Het noteert onze bewegingen in een logboek: “Dag 6.342.732.456: de witte mieren vallen de zwarte aan om een korrel suiker. Verlies: 2,3 miljoen levens. Reden: “onduidelijk, maar vermoedelijk territoriumdrift vermengd met ideologie en waanzin. Mieren mogelijk ziek.” En wij, in onze arrogantie, denken dat we het middelpunt zijn. Copernicus heeft ons al eens van de troon gestoten, Darwin heeft ons gemaakt tot nakomelingen van apen, en nu dit: misschien zijn we niet eens apen, maar amoeben in een druppel slijm op de schoen van een god die net uit een modderpoel stapt. Mijn gedachte en afwijkende redenering was niet nieuw. Oude filosofen hadden het al geopperd, in hun stoffige bibliotheken, met kaarsen die flakkerden in de tocht. Maar zij hadden geen satellieten, geen Hubble-telescoop die foto’s terugstuurde van nevels die ouder waren dan de mensheid zelf. Wij wel, en toch voelen we ons nog altijd groot. We bouwen raketten om naar Mars te gaan en daar een onderzoek te doen om te weten hoe onze aarde er binnenkort zal uitzien, alsof Mars ons iets verschuldigd is, terwijl we hier op aarde al niet eens in staat zijn om een fatsoenlijke file op te lossen zonder elkaar de kop in te slaan. Maar we kunnen ondertussen wel een wasmachine doen draaien op de maan. Applaus voor onszelf. Zorgen dat iedereen eten en drinken krijgt op de aarde: ho maar. Ik stond op, strekte mijn benen die stijf waren geworden van het zitten, en liep naar de schutting. De buren zagen me niet; ze waren te druk met hun eigen microkosmos van worst en bier. Een van hen, een dikke kerel met een T-shirt met Nirvana op,  dat spande over een buik die getuigde van te veel vrijdagavonden, brulde iets over voetbal. “Die scheids heeft stront in zijn ogen, godverdomme!” Alsof de laborant zich iets aantrok van een mier die buitenspel staat… Ik glimlachte wrang. Misschien was dat de schoonheid ervan: onze kleinheid maakt ons vrij. Als we echt microben zijn, dan maakt het niet uit of we falen of slagen. Dan is ons hele bestaan een experiment, een gril van een hogere macht die morgen het petrischaaltje misschien wel in de vuilbak gooit. Binnen vond ik mijn vrouw aan tafel, de borden al opgediend, de aardappelen dampend in hun eigen bescheidenheid. Ze keek me aan met die blik die zei: ik ken je te goed om nog verbaasd te zijn. “En, wat heb je ontdekt in de tuin? Het einde van het heelal?” Haar stem droop van milde spot, maar er zat ook liefde in, de soort liefde die weet dat je als man soms moet verdwalen om terug te komen. Ik ging zitten, pakte mijn vork, en begon te eten. De smaak was gewoon, troostend, aards. “Misschien wel,” zei ik. “Of misschien zijn we gewoon een vlekje op een glaasje van iemand anders. En weet je wat? Het maakt niet uit. Morgen staat de wekker weer, en de hypotheek moet betaald worden. Het heelal kan wachten.” Ze lachte, kort en warm, en schonk voor haarzelf nog wat wijn in. Buiten was de hemel nu volledig donker, de sterren eindelijk zichtbaar, kil en onbereikbaar. Ik at door, voelde de zwaarte van mijn lichaam, de warmte van de kamer, de nabijheid van haar hand op tafel. En ergens, in dat rare, verwrongen brein van me, bleef de gedachte hangen: we zijn klein, zo verschrikkelijk klein, en toch groot genoeg om dat te beseffen. Dat is misschien wel het enige wat telt.   De filosofie is als een hond die niet wil loslaten; hij bijt zich vast in je enkel en sleept je mee door de nacht. S anderdaags werd ik wakker met een kater die niet van dat alcoholvrije Duitse bier kwam. Mijn hoofd bonsde met vragen die geen antwoorden duldden. Ik stond op, douchte, kleedde me aan voor een dag als treinbegeleider mensen te begeleiden in hun Rat-race. In de trein van Brugge naar Luik Guilemins, een moderne dubbeldekker M7 met steeds weer dezelfde defecte zaaldeuren, keek ik uit het raam naar het landschap dat voorbijflitste. Akkers, huizen, fabrieken, allemaal klein vanuit de verte, maar van dichtbij een heel universum op zich. Elke boer met zijn tractor was een god in zijn eigen koninkrijkje. Elke reiziger een planeet met zijn eigen baan van routine. En het heelal? Dat rolde zich uit boven ons, onzichtbaar in het daglicht, maar aanwezig, altijd aanwezig, als een moeder die zwijgt maar alles ziet. Thuis die avond – dezelfde tuin, dezelfde kussensloze zetel– pakte ik een notitieboekje. Ik schreef: “Het heelal is niet groot of klein; het is onbevattelijk. Wij zijn de maatstaf van een handleiding van een IKEA meubel. Onbegrijpelijk.” Woorden, niets dan woorden. Stef-achtig, zou mijn vrouw zeggen, altijd met die twist van ironie en spot. Maar het hielp. Het hielp om de angst te temmen, de angst dat we niets zijn, of alles, of iets ertussenin wat nog erger is. De dagen gingen voorbij, zoals dagen dat doen, in een ritme dat zowel troostend als verstikkend is. Ik werkte, at, sliep, ruziede licht met mijn vrouw dat de porties die ik maak als middagmaal te groot zijn waardoor mijn buik expansiedrang heeft en tussendoor, in de stilte tussen twee ademhalingen, kwam de kosmos terug. Soms als een fluistering: wat als dit hele leven een droom is? Soms als een schreeuw: hoe durven we te bestaan in iets zo oneindigs zonder te verdrinken? Op een zondag, toen de nachtelijke zondvloed de tuin in een modderpoel veranderde en de hemel grijs en laag hing als een deken die te vaak gewassen is, besloot ik te wandelen. Niet ver, gewoon in de duinen om de hoek, waar oude mannen op bankjes zaten te roken en moeders met kinderwagens hun eigen micro-universums voortduwden. Ik ging zitten onder een boom die zijn bladeren liet ritselen met een nonchalance die ik benijdde. Enkele bladeren dwarrelden neer als kleine sterrenstelsels die implodeerden, bruin en vochtig en toch vol leven in hun verval. Een man naast me, een oude kerel met een pet die betere tijden had gekend, knikte me toe. “Mooie dag voor een beetje nadenken, hè. Zo tussen de buien door?” zei hij, zijn stem schor van jaren sigaretten en en hard levens. Ik knikte terug. We praatten niet veel, maar genoeg. Hij vertelde over zijn vrouw die gestorven was, over hoe hij nu alleen de sterren telde omdat slapen niet meer lukte. “Het heelal is groot, jongen,” zei hij, “maar de leegte in mij is groter.” En daar was het weer: de verbinding tussen het kosmische en het banale, de ster en de eenzame man op een bank. Ik ging naar huis en een hoofd vol beelden. Mijn vrouw had soep gemaakt, dik en warm, met stukjes groente die dreven als planeten in een soep van tijd. We aten in stilte, niet omdat we boos waren op elkaar, maar omdat woorden soms te klein zijn voor wat er in je omgaat. Later, in bed, met het licht uit en haar ademhaling naast me regelmatig als een klok die de seconden aftelt, fluisterde ik tegen haarin  het donker: “We zijn klein, maar we zijn hier. En dat is genoeg.” Maar is het genoeg? De filosofie laat je nooit helemaal los. Ze kruipt onder je huid, als een microbe die zich nestelt en wacht. Misschien zijn we inderdaad microben in een groter systeem, onwetend van de hand die het schaaltje schudt. Misschien ligt het einde van ons heelal niet in een rand, maar in ons eigen onvermogen om verder te kijken dan onze neus lang is. Wat er daarna ligt? Misschien niets. Misschien een lach. Misschien een ander verhaal, verteld door iemand die groter is dan wij, in een taal die we nooit zullen verstaan. Na een nacht overpeinzingen stond ik op, maakte koffie, en keek uit het raam naar de buurman met zijn microbe ging wandelen. Ik glimlachte. Want ondanks alles – ondanks de grootte, ondanks de kleinheid, ondanks de onzekerheid – bleef ik ademen. En in dat ademen lag een heel universum verscholen, klein genoeg om vast te houden, groot genoeg om in te verdwalen. En zolang de aarde draait, is dit mijn verhaal, dag na dag, jaar na jaar.. Het verhaal van een man die in zijn achtertuin zat en het heelal voelde, niet als iets abstracts, maar als iets levends, ademend, spottend bijna. Hij had geen studie gedaan in astronomie – daarvoor behoorde hij tot de verkeerde mierensoort, maar hij droeg het mee, in zijn zak, als een kiezelsteentje dat hem herinnerde aan zijn plaats. Niet in het centrum, niet aan de rand, maar ergens daartussenin, waar de microben dansen en de sterren zwijgen, en alles toch doorgaat. Want het heelal is niet alleen groot of klein. Het is ons, en wij zijn het. En in die eenvoudige, pijnlijke waarheid ligt de enige filosofie die echt standhoudt: we beseffen het niet, en toch leven we. We leven klein, we leven groot, we leven door.  Dus blijf ik strijk gaan in mijn tuin, tot de muggen komen, tot het zerpe bier op is, tot mijn vrouw roept dat het bed wacht. Want ergens in die wachtende duisternis ligt misschien het einde, of het begin, of gewoon nog meer van hetzelfde. En dat is voldoende. Meer dan voldoende. Het is goed zo.   

treinbegeleider stefan
0 0

Ik ben de stilte

Ik ben de stilte en ik woon in een klein appartement op een vergeten straat in een stereotypische stad. Een van degenen die nooit echt stilvallen en waar nieuwbouw de strijd tegen jarennegentighuizen nog steeds niet heeft gewonnen.Soms vraag ik me af of het wel kan winnen. Dat idee maakt me zowel hoopvol als triest. Het is fijn om te weten dat mijn hoekje wereld altijd zal bestaan, maar ik vrees voor het welzijn van de verrotte kozijnen die hard vechten om de tocht uit mijn kamer te houden. Het is de ruimte die ik als mijn viermurige fort beschouw, of zevenmurige als ik alle kleine hoekjes meetel. Het is het getal van de volheid, iets waarvan ik de ironie niet helemaal kan ontzien.Niet dat een vlug oog het hier als leeg zou beschrijven. De houten beeldjes op de kast vechten om aandacht met de omgevallen beterschapskaarten. De lege vitaminepotjes hebben hun verlies al erkend en liggen ietwat verdwaald op de grond. Het bureau lijkt wel een ruïne met zijn scheve blad, waarop half een map met werk en een pennenbakje nog net balanceren.Binnenkort zullen ze ongetwijfeld aan hun race naar de grond beginnen. Of was het al die tijd een wedstrijd over wie het langst volhoudt? Ik weet het niet. Ik heb beide spellen gespeeld, maar nog nooit gewonnen.Misschien is dat waarom ik nu hier ben, in een slordig opgemaakt bed in het midden van mijn georganiseerde chaos, in een staat die niet als volhouden nog als vallen kan beschreven worden.Leeg, moet het oog dat het mijne vasthoudt bekennen, maar dat doen blikken niet meer.Mijn vader, die in de groene stoel naast mijn rustplaats zit, kijkt weg. Denkrempels schilderen zichzelf op zijn voorhoofd en voor even lijkt hij net zoveel ouder dan ons huis.We lijken op elkaar, besef ik me, op meer manieren dan onze praatgrage buurvrouw beweert. Het is niet alleen onze bruine ogen en de slordige krullen die we beiden op hebben moeten geven. Het is hoe we hetzelfde comfort vinden in de afwezigheid van woorden.Toch stapt hij voor mij uit karakter. 'Hoe voel je je?'Ik antwoord niet, want ik durf mezelf niet te breken. De glimlach op zijn gezicht doet me denken aan abstracte kunst in een achttiende-eeuws gebouw. Hij is zo misplaatst dat het triest voelt. Zijn hand overbrugt de afstand tot de mijne en hij plaatst hem op de rand van het bed.'Ik weet het,' fluistert hij, alsof ik heb gesproken.Een deel van me wil zeggen dat hij dat niet doet, maar we hebben dit gesprek gisteren ook gevoerd, net als de dag ervoor. Het is een rode draad door de dagen die als gewichten opeenstapelen. De meeste woorden zijn met de tijd gesneuveld, maar hij kent mijn antwoorden en ik de zijne. Zelfs al waren de pagina's verband, dan had de context de waarheid stilzwijgend verteld. Er is een limiet aan de keren dat een vader zijn dochter zo kan zien, voordat hij het begrijpt op een manier die ik geen man toewens.'Ik zal je met rust laten.' Zijn woorden zijn net zo misplaatst als zijn uitdrukking. Ze horen na een ruzie door de gang te echoën, maar in plaats daarvan zijn ze een vriendelijke fluistering. Een overgave aan de ziekte die dat moment van ons gestolen heeft.Ik forceer mijn lippen omhoog in een lach. Honderden kleine naaltjes prikken in mijn huid.Mijn vader klopt voorzichtig op de rand van het bed. Dan loopt hij weg, de kamer wordt opnieuw stil en ik word mijn kamer.

Lowa Vermeer
12 1

Het spook van het jaagpad

Hudson Rivers stierf een gewelddadige dood, zo zeggen de verhalen. Aangevallen op het jaagpad en brutaal in elkaar geslagen tot hij levenloos bleef liggen. Als je de verhalen mag geloven dan sprongen ze met zeker vijftien man uit de braamstruiken langs dat pad om zich als één op bloedbeluste roedel op hem te storten. Ze deelden geen meppen uit, zoals voorgeschreven door hun baas, ze verscheurden hem. Ze plunderden zijn zakken en gingen aan de haal met de schrale buit: één munt, drie keitjes en een mondharmonica (een tin whistle in een andere versie) tevens de bron van inkomsten van arme Hudson Rivers. Het is maar een verhaaltje. Iedereen weet dat geen één weldenkende belager zich zal verschuilen in de wildgroei van bramen. Maar voor Hudson Rivers bleef het resultaat natuurlijk gelijk, welke planten er ook in de berm naast dat jaagpad groeiden. Het was op klaarlichte dag, volgens de ene bron. Het was in het holst van de nacht, volgens de ander. Maar ook dat maakte geen enkel verschil. Hij was daar en ze hadden het op hem gemunt. Hudson Rivers dankte zijn naam aan een rivier in het verre Amerika. Hij ging als verstekeling aan boord van een driemaster en zette maanden later voet aan land in een onbekende wereld. Hij verzon zijn eigen naam.  Het had iets, vond hij. Het klonk goed, vond hij. Hudson Rivers, voor als hij later beroemd zou worden als straatmuzikant. Ja, Hudson droomde groots. Zijn dood schokte niemand, het haalde niet eens de kranten. Pas toen het wekenlang stilbleef op de straathoek waar hij normaal speelde, dacht iemand er eens aan om hem te gaan zoeken. De kleinschalige zoektocht leverde niks op.  De drieste meute duwde het lichaam het water in. Gebroken en vernietigd. Hudson Rivers loste op als deeltje van het waterleven tot niks meer van hem restte en zijn volledige bestaan in de vergetelheid raakte. Hudson wie? Zijn geest dwaalt nu over het water, eenzaam en verloren in tijd speelt hij deuntjes van eeuwen terug. Want ook oude volksverhalen maakten de oversteek, sluimerend in de duistere buiken van schepen vertelden de nerveuze passagiers elkaar verhalen van het thuisland. Bruggen dienen bewaakt te worden door de geesten van kinderen. Veldwegen en handelroutes hebben best ook hun eigen bewaker, zo voor de zekerheid.  Ze kozen hem tijdens een vergadering in het salon van een statige woning. Tussen de glazen wodka en sigarenrook door. Een vrolijk deuntje dartelde de woonkamer binnen door het open raam, opgewekt naast het klateren van hoeven en het ratelen van houten wielen. Hudson Rivers bezegelde daar zijn lot. Niemand had iets persoonlijks tegen hem, dat moest hem duidelijk gemaakt worden van de opdrachtgevers. Het was niets persoonlijks, het was noodzaak.  Het jaagpad is nu veilig en wordt bewaakt door de geest van een jongeman. Zijn bestaan opgeofferd voor de zielenrust van velen. Het is een liefelijke plek, met bankjes zodat de fietsers kunnen uitrusten terwijl ze naar het kabbelende water kijken. Tot op heden werd geen enkel incident gemeld. De geest van het jaagpad is onvermoeibaar in zijn taak om booswichten de stuipen op het lijf te jagen.  Hij was perfect voor de job. Al wist hij dat zelf niet. Ze kozen hem uit voor het gemak, er zou geen straf volgen. Hudson Rivers was niet belangrijk genoeg. Zeg nu eerlijk: wie kan beter opdraaien voor de bewaking van een nieuwe handelsroute dan een boze geest? Die vragen tenslotte geen loonsopslag...    

De Donderklif
19 2

Een Leven op de verkeerde rails

Soms, wanneer mijn gedachten zich in de schaduw van het bewustzijn verbergen, vraag ik me af of het de trein is die door het landschap schuift, of het landschap dat zich beweegt, geleid door de rails die zich ver onder de huid van de aarde verschuilen. Het is een vraag die zichzelf voortdurend herhaalt, zonder ooit een definitief antwoord te vinden. Het is niet zo dat ik onwetend ben, maar de kennis aan de oppervlakte is zo flinterdun dat ik me afvraag of het werkelijk de moeite waard is om te zoeken naar een antwoord dat er niet toe doet. Schuif ik door het leven? Of schuift het leven door mij? En waarheen schuiven de dingen? Vragen zijn mijn vervoersmiddel. Elke antwoord rijden ze voorbij. Zo ben ik geworden wat ik ben. Een lang verhaal zonder inhoud. Samen te vatten als: “Er was eens, en hij leefde ongelukkig en te lang.” De trein. Mijn eigen metronoom, de regelmaat van een leven dat zich in het ritme van de rails voortzet. Iedere ochtend weer, de vertrouwde rit van woonplaats naar werk, als een onvermijdelijk ritueel. Helaas bevindt deze metronoom zich in een andere dimensie van tijd, één die zich niet strikt aan het uurwerk houdt. Soms kom ik met een beetje geluk op de juiste bestemming aan, maar wanneer precies blijft altijd een verrassing. Gelukkig kruipt de trein altijd over dezelfde sporen, alsof dit de enige zekerheid is. Maar zelfs dat is betrekkelijk. En zo rijdt mijn leven voort. Een afgeleefde flat in Kortrijk. Een frustrerende job in Brussel. Mijn bestaan lijkt wel een… euh… trein. Waarin de bestemming niet altijd duidelijk is, maar de beweging nooit stopt. Hoe ik hier beland ben? Dat is een lang verhaal, en eerlijk gezegd, niet het soort verhaal dat de moeite waard is om te vertellen. De reflecties naar vroeger voelen als kleine wondjes die je vergeten bent, totdat je weer iets aanraakt en de pijn plotseling opkomt, scherp en ongemakkelijk. Het zijn de papiersneetjes van het leven – onmerkbaar, maar hardnekkig. Bespiegelingen vermijd ik. Wat laat een spiegel nu werkelijk zien? Alleen jezelf, en alles wat achter je ligt. Maar wat als je liever vooruit kijkt? Wat als er een spiegel was waarin je alles wat voor je ligt zou kunnen zien? Waar zou je dan staan? Een raam? Mijn ramen zijn stuk voor stuk verduisterd, reflecteren alleen de schemering van een leven dat niet altijd zichtbaar wil zijn. Trots, zelfvertrouwen, perspectief. Ik weet niet precies wat het is, maar het zijn geen vrienden van mij. Het leven leidt mij, en de mensen die zich rondom mij verzamelen – hoe miniem die groep ook is – sturen me verder, vaak tegen mijn wil. Ik volg, denk ik, niet omdat ik het wil, maar omdat ik het gevoel heb dat er geen andere keuze is. Een hond tegen wil en dank. Behalve dan dat ik zelf mijn poep zelf moet opruimen. Dwarrelen, ja, dat is wat ik doe. Al 26 jaar lang. Naar beneden, het grote smelten in. Het gevoel dat ik meer in de richting van iets verdwijn dan dat ik iets bereik. Gedachten zijn mijn schuilplaatsen. Daar is ruimte voor niemand anders, tenzij ik hen uitnodig. Alles kan er, maar niet alles mag. Het zijn geen eindeloze vlaktes die zich uitstrekken in de verte. Nee, mijn gedachten hebben grenzen. Variabele grenzen. Handig instelbare palen langs de weg die ik soms volg, maar die ook vaak in de weg staan. Ik breng veel tijd door in mijn gedachten, vaak zittend in een trein die wel rijdt, maar nooit weet waarheen. Mijn flat in Kortrijk, een bescheiden uitvalsbasis voor dit wankele bestaan, is niet veel meer dan een verzameling ruimte. Een piepkleine hal die rechtstreeks naar de woonkamer leidt, gevuld met meubels die niet meer van deze tijd zijn. Een bank die ooit comfortabel was, maar nu in een soort schrijnende leegte zit. De boekenkasten lijken zichzelf een rol toe te schrijven die ze niet kunnen vervullen, en de eettafel is het enige meubelstuk dat nog redelijk in harmonie is met de ruimte. De keuken, een open eiland zonder veel ziel, loopt door in de slaapkamer, die je alleen betreedt als het echt nodig is. En dan is er de badkamer, gescheiden van de woonkamer door een deur die net zo betekenisloos is als de kleur van de muren. Wat voor kleur? Een soort wit, maar je zou het niet kunnen zeggen. Het is kleurloos. Er is geen televisie, geen dressoir – ik heb nooit begrepen waarom mensen dressoirs nodig hebben. Twee grote ramen laten wat daglicht binnen, hoewel ik betwijfel of dit voldoende is om mijn bestaan echt te verlichten. Trots, dat ken ik niet. Maar ik houd mijn flat in een redelijke staat, opgeruimd. De bank is chaos, maar de rest is in enige mate in balans. Ik eet altijd aan de eettafel, nooit op de bank. Slapen doe ik in mijn bed, dat net genoeg ruimte biedt om tot rust te komen. De kleren die ik heb hangen netjes in de kast. Schoenen staan keurig in een rek. De enige uitzondering zijn de boeken. Die leg ik overal neer. Boeken zijn voor mij een soort gedachten die in papier gevangen zitten. Ze zijn alles, ze zijn evenwaardig aan mijn eigen reflecties. Ik leef er in. Mijn lichaam? Het krijgt de zorg die het nodig heeft, al is het niet veel. Ik wandel, ik loop. De lange afstanden, die is mijn ding. Niets valt te vergeleken met het gevoel dat ik krijg van een drie- of vier uur lange wandeling of looptocht. Terwijl mijn gedachten zich verliezen in de tijd, in de regen of zon, dat maakt niet uit. Beide kunnen naast elkaar bestaan. Denk ik. Er is zoveel waar ik van hou, maar het is niet altijd duidelijk waarom. Mijn begrip lijkt zo beperkt. Wat ik niet begrijp? Het dagelijkse ritueel van het woon-werkverkeer. Waarom blijf ik iedere dag opnieuw in die trein stappen? Wat bezielt me om deze absurditeit te herhalen? Dit, dit is mijn grootste raadsel. En dan, daar in Brussel, de stad die zichzelf met moeite bijeenhoudt, een oude man in een te strak wit hemd, altijd maar proberen te passen in het steeds kleinere jasje van de tijd. Brussel is een hutsepot zonder recept. Steeds maar hopen dat het ooit op smaak komt door er extra ingrediënten bij te gooien.

Piet V.
4 0

Ionut en de basketbal

Ik sprak af met Robbrecht dat hij gewoon zou doorwerken aan ons huis, de oude boerderij die we anderhalf jaar geleden samen gekocht hadden. Ik noemde het nog steeds onze ruïne ook al leek die ondertussen met dat nieuwe dak en die herstelde muren op veel meer dan dat. De dag erna nam ik het vliegtuig en vloog naar Roemenië. Mijn moeder had tijdens haar leven altijd gezegd dat ik zigeunerbloed in de aderen had. Ik was afgestaan na geboorte en zij en mijn papa hadden me als baby’tje geadopteerd zonder veel van me te weten. De nonnen duwden me gewoon in hun handen en dat was het eigenlijk. Deze baby was voor hun. Geen andere. Trek uw plan. Ze wisten niets van me en toch beschouwden ze me als hun kleine zigeuner, hun kleine Zigi. Later namen ook mijn vrienden die koosnaam over. Misschien dat ik in het zigeunerland bij uitstek, Roemenië, iets van mezelf wilde kunnen terugvinden. Waarom wilde ik anders zo nodig naar Roemenië? Als ik er even tussenuit wilde, weg van de verbouwing, had ik ook gewoon ergens aan het strand kunnen gaan liggen. Ik reed urenlang door bossen en bergen, helemaal tot aan de Moldavische en Oekraïense grens en terug. Ik overnachtte in jagershutten en blokhutten, in een tent naast de auto of in een occasioneel guesthouse. Slechts eenmaal bleef ik drie nachten in hetzelfde stadje. En daar leerde ik Ionuţ kennen, het kleine jongetje van zes dat ongegeneerd door zijn moeder ingeschakeld werd om de gasten te bedienen. En hij is meteen het enige waar ik het over wil hebben. De bossen en kastelen waren geweldig mooi en ik heb er prachtige foto’s getrokken, maar er gebeurde omzeggends niets.  Vanuit de keuken riep de moeder luid zijn naam en het jongetje schoot haastig langs de tafeltjes heen, stootte ondertussen een stoel om, twijfelde even of hij die nu eerst moest oprapen en dan naar zijn mama moest lopen, of dat hij eerst naar zijn mama moest. In dat moment had ik de stoel al opgeraapt en draaide hij zich weer snel om. Even later kwam hij met een vol plateau voorzichtig aangestapt. Hij had een voorschoot aangebonden gekregen die tot over zijn knieën kwam en hem hinderde. Er stond een kostuumpje op afgebeeld waardoor het leek alsof hij ook effectief een strikje en een gilet aan had. Hij keek aandachtig naar wat er op zijn plateau stond. De koffie klotste een beetje over de rand en dat stelde hem zichtbaar teleur. Hij zette het plateau op mijn tafeltje en ik liet hem er een voor een alles vanaf zetten. Dat deed hij weer extreem voorzichtig. Een mok koffie, brood, boter, een potje confituur, een bordje met een spiegelei en een kommetje romige mămăligă, een soort van pap die blijkbaar typisch was voor de streek. Na mij serveerde hij de andere gasten, een Duits koppel dat aan het raam zat. Zowel de man als de vrouw waren ongezond dik en spraken over hoe ongehoord het was om zo’n klein kind aan het werk te zetten alsof niemand hen kon verstaan. Maar hij was wel schattig, zei de vrouw. Natuurlijk was hij schattig, antwoordde de man, alle kleine kinderen zijn schattig. Daarna wenkte hij Ionuţ met een kort handgebaar en wees naar zijn eitje. Hij had er twee besteld, zei hij, en hij stak twee vingers in de lucht. Zwei, verstehen Sie, zwei, nicht eins. Ionuţ schoot naar de keuken en hield de hele tijd zijn twee vingers omhoog. Ik dacht dat hij het niet begrepen zou hebben, maar hij was blijkbaar meer bijdehand dan ik dacht, want het duurde niet lang of er kwam nog een eitje op een plateau aan. Na het ontbijt stond hij met een grote, afgesleten bal op de binnenkoer. Er hing een basketring op een vrij lage hoogte waar hij de bal in probeerde te mikken. Hij gooide me de bal toe toen ik hem met open handen naderde. De bal was iets te slap opgepompt om deftig te kunnen botsen. Toch probeerde hij me tijdens het spel dat volgde voortdurend voorbij te dribbelen. Hij glom van trots wanneer dat ook effectief lukte. Als één van ons in de ring wierp, sprong hij in de lucht, klapte hij in zijn handjes en riep hij iets wat waarschijnlijk zoiets als ‘bravo’ betekende. Na een half uurtje riep zijn moeder zijn naam. Onmiddellijk onderbrak hij zijn spel. Met de bal onder zijn arm verdween hij naar binnen. De tweede en de derde ochtend herhaalde zich dat tafereel. Toen zijn moeder hem riep op de derde dag en hij de bal opraapte om naar binnen te gaan, riep ik ook zijn naam. Hij verstijfde. Het briefje van 200 lei dat ik hem wilde geven, bekeek hij alsof hij niet wist wat het was. Ik wees naar hem om hem duidelijk te maken dat het geld voor hem was, maar nog nam hij het niet aan. Hij keek er alleen maar naar. Zijn moeder riep nog eens maar dan dwingender zijn naam en verscheen in de deuropening. Ionuţ liep snel naar binnen. Ik stapte op de moeder af en bood haar het geld aan en wees naar haar zoontje. “Voor een nieuwe bal,” zei ik. Met een kort gebaar nam ze het aan en stak ze het in de zak van haar vest. “Thank you,” was alles wat ze zei en ze blafte Ionuţ iets toe waarop het jongetje nogal schaapachtig “multumesc” zei. Daarmee was voor haar de kous af en ze draaide zich met de rug naar me toe. Ze duwde Ionuţ voor zich uit, verder naar binnen. Toen ik die middag met mijn koffer door de gang sukkelde zag ik door een open deur hoe Ionuţ ook werd ingeschakeld bij het poetsen van de kamers. Hij trok het bed af in de kamer naast me, waar het Duitse koppel had gelegen. De lege bierblikken lagen overal half bijeengeknepen, een lege fles wijn stond op het nachtkastje en er lagen pizzadozen op het kamerbreed tapijt.  Met hem voelde ik me wel verbonden, met de rest van de Roemenen niet. Misschien waren mijn verwachtingen te hoog geweest omdat mijn ouders en mijn vrienden me liefhebbend hun zigeuner genoemd hadden. Of ik echt verwant was aan zigeuners of Roemenen was trouwens de vraag, want afgaand op mijn uiterlijk kon ik evengoed van Marokkaanse afkomst zijn, wie weet Grieks, Turks of Tunesisch of Spaans of ja, Italiaans. Mijn huid was getint en mijn haar ravenzwart, mijn ogen donker donkerbruin, als diepe poelen. Ik was een zuiders type, dat was zeker, maar het zuiden was groot. Bovendien had ik thuis samen met mijn broer, die uit Haïti kwam, dat wisten we zeker, op ónze koer naar een basketring gegooid. Met een degelijke, strak opgepompte bal.  

Hans Van Ham
15 1

Vlaamse leeuw.

  In marroko lopen er nog leeuwen rond. Niet veel maar ze houden er wel van. Hun nationale voetbal ploeg noemt zelfs AtlasLeeuwen. Daarom voelen mijn marrokaanse vrienden zich thuis tussen al die leeuwen vlaggen.   **************************** FOTO GALLERY verf ed verf+ed+altaar+de+culturen/ Rond 1995 heb ik dat werk gemaakt. Ik noem het "altaar der culturen." Links ziet men een tv, onze gemeenschappelijke identiteit valt van het - silicium - glas - zand.De gemeenschappelijke informatiebronnen zijn verdwenen.De wijzen van vroeger opgevolgd door radio en uiteindelijk als laatste de tv die een ongeveer gemeenschappelijke boodschap uitdragen, ons collectief geheugen, is niet meer.De informatie is versplinterd.Rechts ziet men een gietijzeren kandelaar daar in een mensenhoofd in papier. Stukken teksten. Krantenpapier "De encyclopedische mens".Gietijzer = nationalistenKandelaar = religieIn het midden staat de hedendaagse mens. Opgesloten. "de encyclopedische mens".Dit deel is gemaakt van een reclame voor lippenstift.Regeneratie KosmetikIn de dubbele wand gaan luchtbellen in het water de hoogte in.In die dubbel - transparantie - plexiglas zit diezelfde "encyclopedische mens".Het geheel staat op dunne platen, glas = chips = zand = silicium.Het geheel steunt op een gietijzeren pilaar = industriële cultuur.De gietijzeren plaat staat op de grond = landbouwcultuur.HET ALTAAR DER CULTUREN. Ik woonde toen in de Aalmoezenierstraat in Antwerpen. De jaren 90 tig. http://www.anamorfose.be/verf/misc-images/verf-t-i-r-e

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser. BIO.
46 0

Energiek

Met trillende handen legt ze de oude TV-box van Proximus in de kartonnen doos van de nieuwe, legt er de bijbehorende kabels en afstandsbediening bij en plakt de doos goed dicht. Het label voor de verzending heeft ze gelukkig een week geleden al uitgeprint en klaar gelegd. Ze hoeft hem er alleen nog op te kleven en het hele pakket daarna naar de post te brengen.  Zonder iets te zien rijdt ze achteruit de garage uit en raakt de grote hoop wit zand die nog op de oprit ligt. De motor valt stil en ontredderd legt ze haar hoofd op het stuur. Wat een zenuwentoestand. Heeft ze de box wel goed schoon gemaakt voordat ze hem in de kartonnen doos stopte? Zijn alle gegevens gewist? Ze twijfelt, maar tijd om de proef op de som te nemen is er niet. Ze ademt drie keer diep in en uit en start opnieuw.  De hele winter hebben ze ruzie gemaakt over hun terras dat moest worden opgeknapt. Zij wilde het láten doen, hij wilde het zélf doen. Pas toen ze zo snel geen vaklui konden vinden, was ze overstag gegaan. En natuurlijk gebeurde wat ze had voorspeld: hij besloot het terras uit te breiden, legde nog twee paden aan en begon een grote cirkel onder haar droogmolen te verharden. Het plan voor een terras aan de zijkant van het huis lag ook al klaar. Niet te stoppen was die man. Energiek tot en met. Weken aan een stuk was hij aan het werk geweest - weken waarin het geluid van de slijpschijf, de mortelmolen, het geklop op de stenen haar waanzinnig maakten. Terwijl hij wéét dat ze zo gevoelig is voor geluid. “Straks hebben we nog een cementen tuin”, had ze vanmorgen geschreeuwd, “straks denken de buren nog dat we iets te verbergen hebben.” Maar onaangedaan trok hij zijn werkbroek verder aan en maakte aanstalten om naar buiten te gaan. Buiten zinnen nam ze het eerste het beste dat op tafel lag in haar handen en vloog op hem af. Van de rest weet ze niet veel meer. Alleen dat haar man ineens roerloos op de grond lag, de box vol bloed hing, en ze alle sporen moest wissen. Dat ze zo snel mogelijk van de box moest zien af te geraken en daarna haar man in zijn geliefde tuin moest laten verdwijnen. Wit zand en zakken cement hebben ze nog genoeg. 

ingridvdk
8 1