Zoeken

Tip

Kaartenhuis

Ken je Spinvis, de Nederlandse zanger? Of band, daar is wat discussie over.  Ik ging naar een concert waar de band uit twee muzikanten bestond. De band bestond uit twee muzikanten, maar het was ongelooflijk hoeveel muziek ze maakten. Ken je Spinvis? Ik ging naar een concert waar ze met twee muzikanten een hele band leken. Ze werkten met loops. Ik ging naar een concert, waar ze met loops werkten. Ze speelden alles live, namen het ter plaatse op en maakten een loop. Waarna ze andere instrumenten namen en nieuwe lagen toevoegden. Echt knap. Ken je Spinvis? Ze werken met loops op hun concerten: eerst drums en bas, dan gitaar en keyboards. Twee muzikanten, maar ze spelen alles. Ze bouwen de muziek op in lagen. Je had erbij moeten zijn. Ik zat op de derde rij, ik kon het allemaal goed zien. Eerst speelden ze drums en bas, dat namen ze ter plaatse op en maakten zo een eerste laag. Ze werkten met loops. Daarna speelden ze andere instrumenten. Ze waren maar met twee muzikanten. Echt knap. Je had erbij moeten zijn. Hun teksten zijn ook bijzonder. Het lijken allemaal losse zinnetjes. Net zoals de muziek. De lagen en de loops. Ze bouwen het op met twee muzikanten. Het wordt telkens meer. Ik had twee tickets, maar ben uiteindelijk alleen gegaan.  Ken je Spinvis? Ik was graag met je naar hun concert gegaan. Het was echt knap. Ze bouwden hun muziek op met loops. Ze speelden met twee muzikanten alle instrumenten. Met pedalen en computers namen ze alles op. Ik kon het goed zien, ik zat op de derde rij. Je had erbij moeten zijn. De plek naast me was vrij. Ik had twee tickets. Ik hou ook van hun teksten. De teksten waren… hoe zeg je dat? Jij weet altijd het juiste woord. Associatief? Is het dat? Je had erbij moeten zijn. Ik had twee tickets. Ze waren maar met twee muzikanten, die alle instrumenten speelden. Ze bouwden de muziek op met loops. Laag na laag na laag. Echt knap. Als een kaartenhuis, een muzikaal kaartenhuis. Soms moesten ze opnieuw beginnen, als één van de loops niet goed zat. Als ze niet in hetzelfde ritme zaten. Maar ook dat opnieuw beginnen hoorde erbij. Het knapste nummer was Kom terug. Je kent het zeker, dat wordt ook op de radio gespeeld. Maar dan is het natuurlijk af. Terwijl op het concert… Ken je Spinvis? Weet je hoe ze het doen? Ze zijn maar met twee muzikanten, ze bouwen samen een huis, met loops. Eenvoudige melodieën, vaste ritmes, maar toch, samen wordt het… meer? Je had erbij moeten zijn. Ik had tickets op de derde rij. Je kon perfect zien hoe ze het deden met pedalen en computers. Alsof ze telkens opnieuw begonnen aan hetzelfde nummer, maar toch werd het groter en groter. Een huis, een kaartenhuis. Echt knap. Kom terug. De muziek is mooi maar op een bepaalde manier droevig. Ik weet niet hoe dat werkt, ik ken niets van muziek. Mineur-akkoorden of zo? Je had erbij moeten zijn. Ik zat op de derde rij. De stoel naast me was leeg. De muziek is heel… jij zou zeggen fragiel… ze bouwen het op met loops. Soms ging het mis. Misschien was het daarom een beetje droevig? Het is niet hetzelfde op de radio of cd of Spotify… Jij hebt natuurlijk de vinyl. Past er wel bij. Beetje retro, knutselmuziek. De teksten zijn ook erg knap. Net als de muziek. Ze bouwen op met laagjes, het lijkt niet samen te hangen en toch wordt het groot. Ze zijn maar met twee muzikanten, maar door alles juist te doen lijkt het een heel orkest. Eerst speelden ze gewoon drums en bas. Ritme, een eenvoudige melodie. Ze waren maar met twee. Toch lukte het. Ze werkten met loops, ik kon het perfect zien vanop de derde rij. Pedalen, computers, de stoel naast me was vrij. Alles moest kloppen. Als het misging begonnen ze opnieuw… en opnieuw… en nog eens als het moest. Tot de melodieën klopten met het ritme, en de teksten aansloten op de akkoorden. Droevig maar mooi. Mineur-akkoorden misschien. Ze speelden Kom terug. Je had erbij moeten zijn. De teksten zijn echt knap, echt iets voor jou. Zo subtiel, bijna onbegrijpelijk. Elke zin apart betekende niet veel, soms valt het zelfs in herhaling. Maar de opbouw, de herhaling, maakt er iets meer van, iets groter. Net zoals de muziek. Het is opgebouwd in lagen, zoals een kaartenhuis. Kom terug. Ken je Spinvis? Kom terug. Dat is hun mooiste nummer. Vind ik. Ik ging naar het concert, weet je, ik had twee tickets, maar je kon niet. Jammer, want het was echt knap. Ik zat op de derde rij. Ze werkten met loops. Ze bouwden hun muziek en teksten heel voorzichtig op, laagje per laagje. Ze lieten elkaar nooit los. Ze waren met twee muzikanten, ze namen de instrumenten live op. Je had erbij moeten zijn. Kom terug. 

R.F.G. Vandenhoeck
101 3

Hannah in zwart en wit

Ken je dat gevoel, wanneer je een oude zwart-witfoto ziet en er een verhaal bij verzint? Bijvoorbeeld deze jonge vrouw op een fiets, lach op haar gezicht, haren in de wind terwijl ze door de velden rijdt. In het landschap staan verwoeste boerderijen en uitgebrande legervoertuigen. De hemel – op de foto grijs, maar daar kijk je doorheen – is stralend blauw.  Hannah is onderweg naar het dorp. Maar ze ziet iets tussen het puin: een prille lentebloem die zich omhoog worstelt alsof ook zij jaren in schuilkelders verborgen zat. Hannah wil haar niet plukken, nee, dat zou wreed zijn, maar ze vertraagt om de rozerode en vanillegele blaadjes te bekijken. Zo gebeurt het: wanneer haar fiets snelheid verliest, verliezen de banden hun grip op de stoffige weg. Hannah slipt, ze wankelt en moet voet aan de grond zetten. Nu ze stilstaat, ziet Hannah de bloem, of wat ze dacht dat een bloem was: een gescheurd stuk kleding dat ritselt in de wind die door de ruïne waait. Geen bloem. Ze is voor niets gestopt. Verlegen kijkt ze rond. Over de weg lopen mensen met een kar, getrokken door een oude ezel. Ze schudden hun hoofden. Meisje toch. Je moet niet stoppen, er is geen nu, voorwaarts! Hannah trekt haar jurk recht, zet zich terug in het zadel en trapt alweer de toekomst tegemoet. De mensen met de ezelkar fluiten haar na. Dat is goed, toch? De brug is verwoest, maar soldaten hebben een veer aangelegd en Hannah sluit aan bij de rij: kinderen in versleten maar vers gestreken uniform, vrouwen met lege tassen en vale lippen, oude boeren die niet durven mopperen in aanwezigheid van de jonge soldaten. Een gebruinde sergeant steekt zijn hand uit om Hannah op het veer te trekken. Ze kijkt over haar schouder, bang voor de blikken, maar de vrouwen en de boeren vinden het helemaal goed. Ga maar voor, meisje, laat de tijd niet ontsnappen! Enkel de kinderen staan wat bedremmeld rond te draaien, maar zij weten niet beter. Hebben zij het verleden wel meegemaakt? In geen tijd is Hannah aan de overkant. Als eerste verlaat ze het veer. Wanneer de sergeant haar naroept, wendt ze lachend het hoofd en mist de put in de weg. Ze schaaft haar knieën, scheurt haar jurk, stoot haar hoofd tegen het stuur. Ze valt en blijft liggen. De sergeant kijkt niet meer, hij helpt de andere passagiers van het veer. Zij lopen Hannah nu voorbij. De vrouwen met de lege tassen fluisteren terwijl ze Hannah sluiks bekijken. De kinderen hollen als gekken de weg af, een van hen trapt op Hannahs hand. Enkel de ezel van de boerenkar houdt even halt om haar te besnuffelen maar zijn meester slaat hem met een zweep.  Hannah slaat het stof van haar kleren, maakt haar vlecht opnieuw en wil verder fietsen. Maar de ketting is losgekomen. Ze raakt de schakels aan – haar vingers meteen zwart van de olie. Ze kijkt om, maar het veer is teruggekeerd. De mooie sergeant kan haar niet helpen. Met de fiets aan de hand loopt ze de weg af. Door tegen het stuur te stoten heeft ze hoofdpijn gekregen. Af en toe voelt ze een steek van pijn en lijkt alle kleur uit de wereld weg te trekken. Goed dat ze op haar fiets kan steunen.  Wanneer ze bijna bij het dorp is, valt de eerste druppel. Eerst is de regen verfrissend voor Hannahs bonzende hoofd, maar dan wordt haar vlecht zwaar en plakt de jurk aan haar magere lijf. Ze versnelt, natuurlijk versnelt ze. Als ze nooit gestopt was, nooit had omgekeken, was ze er al geweest. Ze rent, de fiets aan de hand, haar sandalen pletsen op de natte weg. De mensen voor haar kijken om. Ze moedigen Hannah aan. Komaan, meid, je kunt het. Versla de tijd en schuil in het dorp! Het rennen windt haar op, ze voelt een blos op haar wangen, haar opengesperde mond vormt een lach. De geüniformeerde kinderen zingen een lied – Nooit meer nu, altijd later! –, de boeren met de ezelkar roepen iets over een snelle meid met snelle benen, zelfs de oude vrouwen knikken goedkeurend. Je kunt het, Hannah, je zal het halen! Maar dan: opnieuw die pijn, de flits die de kleur wegneemt. Ze moet haar fiets loslaten en smakt neer in de modder. Ze hoort de donder die rolt en huilt, schudt en schatert. Voorzichtig opent ze haar ogen. Het is geen donder. Het zijn de mensen aan de dorpsrand. Ze lachen, ze wijzen naar Hannah en lachen. Ze kijken naar haar blote benen, haar vuile vlecht, haar onvermogen en bulderen. Tot de echte donder komt en boeren, vrouwen en kinderen het dorp in vluchten. Hannah klautert recht. De fiets is stuk. Het dorp is te ver. De regen wist alles uit. Dan is er het huis – Hannah kijkt op – het huis voorbij de openstaande poort – Hannah wandelt er doorheen – het huis aan het eind van het pad vol glimmende kasseien – Hannah doet haar sandalen uit om niet uit te glijden – het huis waarvan de voordeur op een kier staat – Hannah gluurt – het huis dat warm is – Hannah gaat binnen en trekt de deur achter zich dicht. Ze kijkt rond in de hal: de tegelvloer als een schaakbord, de in twee splitsende trap naar boven, de deuren met glas-in-lood decoraties, het modderige schoenspoor dat leidt naar een deurtje onder de trap. Hannah volgt het spoor en opent de deur: de keuken. In de hangende koperen pannen weerspiegelen vlammen. Ze gaat naar de haard en steekt haar handen uit. Langs haar vingers, polsen en ellebogen verspreidt de gloed zich door Hannah. Haar huid, haar haren, haar jurk, alles verdroogt en verhardt. Ze sluit haar ogen om het huis te horen. Regen en donder overstemmen het knetteren van de haard, het kraken van de houten kasten, het wiegen van de kroonluchter. Hannah opent de volgende deur en komt in een eetkamer. Op tafel staat een bord met broodkruimels en een kop met koffiedik. Hannah opent een kast. Geen eten, alleen dekens. Ze slaat er een om haar schouders en zoekt verder: een rode appel, blauwe druiven, een geel stuk kaas misschien? Maar er is geen kleur in de kamer. De grijze tafel staat op arduinen tegels, het servies is glansloos wit. Door een raampje ziet Hannah de tuin. Bomen worden door de storm heen en weer geslingerd en door de bliksem slechts af en toe belicht: een reeks onscherpe foto’s. Ze opent de volgende deur. Ze is nu in de gang tussen de achterdeur en de bediendentrap. Aan een haakje hangt een druipende regenjas, eronder staan vuile laarzen en versleten pantoffels. Hannah steekt haar klamme voeten in de pantoffels en gaat de trap op. Halverwege maakt de trap een bocht en vanaf hier is het donker. Op de tast waadt Hannah door duisternis en spinnenwebben. Het rag klit aan haar haren als een sluier. Op de overloop laat ze haar hand langs de muren glijden op zoek naar een lichtschakelaar, maar ze vindt enkel een deurklink. Ze drukt die naar beneden en betreedt een nauwe ruimte, niet meer dan een inloopkast. Ze stoot haar hoofd tegen het lage plafond. Vanaf nu moet ze voorovergebogen lopen. Door een vuile ruit werpt de storm nu en dan een bliksem. Bij elke flits staat ze dichter bij een stapel dozen. Ze opent de bovenste doos. Oude zwart-witfoto’s. Onbekende mensen in onbekende tijden. De foto’s hebben mooie gekartelde randen, als immense postzegels. Het licht in het kamertje wordt zachter, de storm buiten is geluwd. Het huis wordt stil. Hannah houdt de foto’s dicht bij haar ogen, op zoek naar herkenning. Een bloem, mensen op een boot, een paard – of een ezel? Kromgebogen schuift ze op de pantoffels, bibberend onder het omgeslagen deken, haar haren grijsdooraderd door het spinnenweb. Ze stopt wanneer ze iets hoort. Ze gooit de foto’s in de doos en kruipt weg in de donkerste hoek van het kamertje. Ik ga op mijn sokken de trap op. Hier kom ik niet graag: spinnen, de kapotte lamp, vocht in de muren. Maar juist daarom moet ik checken of de storm het niet erger heeft gemaakt. Het enkel glas moet ik eigenlijk laten vervangen. Straks eens kijken op de website van de jongens die het schuifraam in onze nieuwe keuken hebben gestoken. Voorlopig lijkt alles in orde. Die barst in het raam was er al, ik zie geen plassen op de vloer. Maar er moet toch wind zijn binnengekomen, want de deur van de berging staat open. Die oude fotodozen van moeder. Het deksel ligt op de grond, ik raap het op en hoor een kreun uit het donkere hoekje. Dat vond ik als kind de engste plek van het huis. Misschien is het maar vijf centimeter diep, maar evengoed is het een gat waarin je blijft vallen. Ik sta op met het deksel, stoot zoals steeds mijn hoofd en kijk dan in de doos. De wind heeft de foto’s door elkaar geschud. Bovenaan ligt een foto van een meisje op een fiets. 

R.F.G. Vandenhoeck
8 0

De paraplu

'Mooie trui.' Hij gniffelt.  'Bedankt.' Na zovele jaren zouden ze meer moeten hebben om over te babbelen, maar vele jaren maakt ook veel anders. Ze blijven even in de deuropening staan. Haar rechterhand houdt de klink van de deur nog vast, haar andere legt ze tegen de deurstijl alsof ze onbewust de weg verspert. Aan haar hand is de gouden ring om haar ringvinger zichtbaar. Die is nieuw, denkt Johannes bij zichzelf, in mijn herinnering hield ze niet van juwelen.Haar nagels zijn kleurrijk gelakt, zalmroze. Een roze bril in een voor de rest duistere dag.  'Kom binnen.' Ze haalt haar hand van de deurlijst en wrijft in haar nek. 'Je kent de weg' Zovele jaren geleden woonden ze hier samen, met hun beste vriend Max. Tot Max besloot het lot een hand te helpen en stierf.Johannes wilde hier niet meer wonen - te veel herinneringen, te veel verdriet, maar zij voelde dat ze blijven moest, om zijn geest in leven te houden. Lariekoek natuurlijk, vond hij, weg is weg.  Het was één van de vele barsten die leidde tot hun breuk.  Terwijl hij zijn jas aan de kapstok hangt, draait hij zich verbaasd om.  'De paraplu! Die heb je nog?'  'Ja natuurlijk. Het maakt deel uit van mijn beste herinneringen.' De paraplu is lichtblauw, omzoomd met madeliefjes. Keltische folklore vertelt ons dat deze bloemen het groeiproces kunnen stilleggen, om nooit volwassen te worden. Toen vonden ze dat een mooie gedachte, nu weten ze wel zeker dat dat niet kan. Volwassenheid klopt op je hoofd, slaat je in het gezicht en stompt in je maag als je het niet verwacht. Je mag nog zo hard proberen, je ontloopt het nooit. Toen Max voorstelde een foto te nemen om de verloving op beeld vast te leggen, miezerde het zacht. De paraplu, gekocht van een oude Chinese man, bracht bescherming. Als aandenken zouden ze hun eerste dochter Daisy noemen, naar de paraplu.  'Wil je iets drinken?''Nee, ik denk dat we best gaan, toch?' Hij kijkt op zijn horloge. Hoe sneller deze dag gedaan is, hoe beter.  'Hoe bedoel je? Ik dacht om het hier te doen.' 'Niet naar de Droogkast?'  De Droogkast was ooit hun favoriete kroeg geweest. Uren en uren. Dagen en dagen, jaar na jaar hadden ze daar routineus hun dagelijkse kost gedronken met z’n drieën om dan steevast op tafel te eindigen in elkaars armen meezingend met Piano Man van Billy Joel.  'Nee, Droogkast is al jaren dicht? Ik dacht dat je dat wel wist.' 'Ik ben hier al jaren niet meer geweest, Eva. Ach, een koffie dan. Dankje.' 'Twee suiker? Melk?''Neen, zwart graag. Ik hou nu van de bitterheid.' 'Wie komt er nog allemaal?'  'Ach, oude klasgenoten, zijn zus,.. Ik heb wat rondgebeld, maar veel mensen heb ik niet meer te pakken gekregen.' Hij slurpt van zijn koffie, Eva speelt met het draadje aan haar mouw.  'En. Hoe gaat het nu met je?' 'Goed, ik..' De deurbel gaat. Eva staat snel recht en rent naar de deur.  'Ah dat moet Aster zijn.'  'Oh, leuk!'Fuck, denk hij bij zichzelf. Wat had ik gehoopt die gast nooit meer te hoeven zien.     

Wout
3 0

als vrienden (tekst 1)

Ik hou van u..  Godverdomme, ik flap er weer iets uit met mijn stomme kop, nooit kan ik gewoon eens mijn bek houden als ik gedronken heb en voila stilte, ja natuurlijk, ik weet niet wat te zeggen en gij kijkt verbaasd je ogen groot, irissen hemelsblauw in het avondlicht, welgevormde wenkbrauwen hoog als een boog rond je ogen, je mond halfopen, seconden tikken voorbij tik tik tik en al kennen we elkaar al jaren, dagelijks klappen we ge weet het dik en dun alles waren we we, praten over alles maar dit had ik beter niet gezegd nee, dit verandert alles zelfs naast ons hebben ze het door het tafeltje naast ons op ‘t terras in de Corbie waar we regelmatig zitten stamgasten eigenlijk eh, bon dat tafeltje naast ons is ook stil daarnet nog lachen en brullen nieuw pintje hier allez schol eh daar, maar dat hebben ze gehoord zenne ja nu willen ze wel weten wat er komt want zij voelen deze spanning ook net als ik die voel net als jij godverdomme waar is de Rob dat ik nog een pintje kan bestellen weer iets om te vergeten te verdringen verdrinken want ja wat zegt ge hier op doeme dees duurt te lang seconden seconden seconden tik tik tik weg met de klok weg met de tijd laat me nu maar vergaan weg ermee alles zo hopeloos naar de kloten godmiljaar eh en ooit moet ik toch iets zeggen ge kijkt weg, ik kijk naar mijn halflege pint alles is altijd halfleeg alles verdwijnt traag maar gestaag zijt daar maar zeker van, ik zoek in mijn jas naar mijn sigaretten altijd de oplossing het leven is makkelijker als ge u verdooft neem het van mij aan! ik pak mijn briquet sigaret aan mijn lippen net als de rest van het terras benieuwd hoe ik dees weer ga redden maar echt redden zit er niet in nee deze relatie wordt nooit meer hetzelfde dat ziet ge iets is gebroken da’s duidelijk stoemerik da’k zen bon kom zeg iets iets iets Ik steek mijn sigaret aan en blaas uit. Allez ja, ik bedoel, als vrienden eh. De tafel naast ons barst in lachen uit. Wij doen niets anders dan mee lachen.  

Wout
6 0

Het was nacht en de kleur Barbie.

De kleur was Barbie-roze. De wijde zee begreep er niets van, en toch kon zij dit meisjesschip dragen. Ik voelde me klein, liep met grote ogen over het pluchen dek. De kajuiten waren opgetrokken uit hetzelfde aaibare materiaal.  Gelieve de eetzaal op tijd te bereiken!, zei een nadrukkelijke stem. Toen gebeurde het. Toen kwam het besef dat ik hem kwijt was. Paniek in mijn botten deed mijn lichaam bewegen en accelereren als een snelle wagen. Tot het volle besef kwam ik pas onderweg; ik was ook onze hut vergeten, het nummer dat ik had moeten onthouden. De gangen leken allen op elkaar. Ik liep ze in en weer uit, ze brachten me in de war, nergens vond ik hem. De gedupeerde vrouw had de cruise geboekt bij Tui in januari 2026. Ze wil met haar verhaal lotgenoten bereiken. De reisorganisatie is niet bereikbaar voor commentaar maar zal het voorval onderzoeken. De gepensioneerde reizigster rouwt om haar verlies nabij de Noorse kust. Plots bevond ik me op een speedboot. Ik schoof van links naar rechts op een spekglad dek. Adrenaline zoefde door me heen, van kop tot teen zocht ik houvast tot het mij te machtig werd, ik riep om hulp met mijn armen rond een glanzende paal, mijn voeten hangend in het niets boven het opspattende water. Help me! Help dan toch! Sssttt, hoor jij dat ook? De kapitein luisterde beter. Iemand, help me dan toch! Aan wal moest ik lang bekomen, het drong daar tot me door. Ik had echt niets meer, geen gsm om mijn leven op te nemen.   (metamorfose in stijl= stijlbreuk)

Ingrid Strobbe
5 1

De reunie

De foto waar J. nu al enkele minuten onafgebroken naar staart, is genomen in de herfst van 2015, ondertussen tien lange jaren geleden.   De foto beslaat twee pagina’s. Aan de rechterzijde staat een boom met kersenbloesems, Sakura in het Japans, het symbool van een nieuw begin en de vergankelijkheid van het leven. Het symbool dat de laatste tien jaar omvat. De kersenbloesems zijn klaar om het werk en hun leven neer te leggen. Hun tijd is gekomen. Aan de andere zijde, links op de foto, zit een koppel innig verstrengeld op een bank. Ze kijken uit op het grootste en mooiste meer van China, gelegen in Hangzhou, vlakbij Shanghai. Het meer is, zoals gewoonlijk deze tijd van het jaar, verzwolgen in de mist. Op de achtergrond zijn nog net de zwartgeblakerde rotsen, verduurd door erosie, te zien aan de overzijde van het meer.  Mijmerend en vol melancholie denkt hij terug aan deze tijd en aan zijn beste vriend, die deze foto nam. Enkele minuten voor J. zijn toenmalige vriendin E. ten huwelijk zou vragen, moest deze foto dienen als een aandenken, een herinnering van de start van de rest van hun leven samen, als drie musketiers. Een eindpunt en een nieuw begin, een overgangsritueel naar de rest van hun leven. Ze zijn altijd samen geweest en zouden altijd samen blijven. Het leven is makkelijker te dragen met drie.  J. ontwaakt uit zijn dagdroom door zijn ringtone en merkt de eerste zonnestralen op die zijn kamer binnendringen. Tijd om in actie te schieten. Hij zucht. Het wordt nog een lange dag.       - E. geniet van haar ochtendkoffie terwijl ze in de verte staart. Terugdenken aan dat mooie jaar in China, nu reeds tien jaar geleden. Ze zit in haar knusse hoek, zoals ze dit noemt; enkele kussens in haar binnenshuis balkon van haar appartement op de tweede verdieping in hartje Brussel. Ze staart naar de hemel, verdronken in gedachten. Het begin van de dag zo lang mogelijk proberen uit te stellen.  Vandaag is het zeven jaar geleden dat M., de beste vriend van J. en haar, overleed. Het is ook exact tien jaar geleden dat J. haar ten huwelijk vroeg. Toeval bestaat niet. Eens het ongeluk binnensluipt, kom je er nooit meer vanaf. De kat sluipt nonchalant voorbij, op zoek naar een aaibeurt. De hond ligt te snoezen aan haar voeten.  Ik wist dat vandaag een moeilijke dag ging zijn, denkt ze bij zichzelf. Tien jaar geleden. Ach, wat vliegt de tijd.   Ze kijkt op haar horloge, nipt nog eens van haar koffie, zet haar tas neer, geeft de hond nog een aai over haar bol (de kat heeft haar poging opgegeven en lijkt niet meer geïnteresseerd). Gelukkig heb ik jou nog, zegt ze zacht. Ze kijkt nog eens op haar horloge en staat dan recht. Tijd om zich klaar te maken. Tijd om de dag te beginnen. De herdenkingsdienst is binnen een uur. Binnen een uur staat J. hier. - Tien minuten voor negen staat J. een sigaret te roken net om de hoek van de straat waar het appartement van E. is gelegen. Hij kijkt op zijn telefoon. Zijn vriendin wenst hem veel sterkte en stuurt een liefdevolle emoji mee. Hij glimlacht en stuurt terug dat hij van haar houdt. Hij steekt zijn telefoon terug in zijn broekzak, sluit even zijn ogen en probeert te genieten van de eerste zonnestralen in een verder grauw, grijze en winderige herfstdag.  Waarom had hij in godsnaam ja gezegd? Soms moet men het verleden toch laten rusten. Nog even alle moed verzamelen. Hij trekt nog eens van zijn sigaret, blaast de rook uit, gooit de sigaret op het asfalt en duwt hem uit met de teen van zijn schoen. Hij steekt een kauwgom in zijn mond.  Ach, nu plots elkaar weer terug zien, denk hij bij zichzelf. Na al die jaren. Had ze toen maar ja gezegd.  Hij kucht en zucht nog eens. Laat deze dag maar snel voorbij zijn.       - E. staat voor de spiegel . De jaren zijn te lezen op haar gezicht, maar zullen snel verborgen worden onder een laag zorgvuldig aangebrachte make-up. Een traan rolt over haar wang. Wat bezielde me toen toch?   Had ik maar ja gezegd.   De bel gaat. Verdorie, zegt ze tegen zichzelf, waarom moet hij altijd zo vroeg zijn? Altijd zo punctueel. Ze checkt nog eens haar mascara, doet wat parfum op en wandelt naar de deur. Met de klink al in haar hand blijft ze enkele tellen roerloos staan. Even op adem komen. Of toch proberen. 3.2.1. Ze opent de deur.  ‘Hey! Welkom!’  Ze zet haar beste glimlach op, hoewel haar hart weer in duizend stukken breekt bij de eerste aanblik. ‘Hey E., lang geleden.’  Hij heeft onmiddellijk spijt.  Hij twijfelt tussen een kus of een knuffel, schuifelt even heen en weer en besluit dan maar voor een handdruk. Het kan niet meer intiem zijn.   E. schudt zijn hand en zegt:  ‘Kom binnen, kom binnen.’ Ze opent de deur volledig, zet een stap opzij en strekt haar hand uit om J. naar binnen te begeleiden.  ‘Goed hier geraakt?’  

Wout
4 0

De kans

Het raam staat op een kier. Buiten schuren trams over de sporen, met bellen en kabaal. Auto’s stoppen en trekken weer op voor de verkeerslichten. De airco draait overuren en galmt in mijn oren. Een vrouw schreeuwt tegen een man. Het is de heetste dag van het jaar. Binnen praat een vrouw tegen haar psychiater. ‘K bedoel, het is zeg maar den eerste keer dat ik echt het gevoel heb dat ik voor iets leef, een doel heb ofzo, snapt ge? Hiervoor was m’n leven echt naar de kleurpotloden.U zegt? Elke dinsdagmiddag om 14u heeft ze een sessie bij me. Altijd net na mijn lunchpauze - een broodje tonijn pikant. Al weken komt ze langs en toch staan we nog nergens. Dit is de eerste keer dat ze echt zichzelf openstelt.  Awel ja, kleurpotloden. Ze lacht om mijn verbaasde blik. Ons ma dierf nogal weleens vloeken in huis, da was eigenlijk echt een gemeen mens, maar wilde da nooit doen voor onze neus, dus zei ze opt laatste moment altijd just iets anders. Ik vond da wel grappig, dus ben ik het ook gaan doen.Aha, kleurpotloden dus. Maar, wat is er nu dan anders?  Awel ja, het kindeke in mijne buik eh.  * Er staat een stoel langs elke kant van de tafel. Het is mijn eerste gesprek met mijn advocaat nadat ik de brief in de bus kreeg dat ik was opgeroepen als getuige in deze zaak. Twee koppen koffie en een thermos staan aan de zijkant van de eiken tafel. Zijn gsm ligt klaar om het hele gesprek op te nemen, standaardprocedure. Dit kan weleens een lange dag worden. Ik weet zelfs niet of ik het me allemaal nog herinner. Ik heb moeite om me te concentreren, mijn hoofd bonkt nog na van de muziek van gister, te hard gegaan in de Carré. Goed Jef. We weten allebei waarom je hier zit. Het enige dat ik van je vraag is om eerlijk te zijn tegen mij. Enkel dan kan ik je juist vertegenwoordigen. Niets achterhouden. Je weet dat ik zwijgplicht heb. Meester Pauwels is een oude familievriend, opgegroeid met mijn vader. Hij bereidt me voor, zodat ik de waarheid en niets dan de waarheid zeg. Ach, misschien een klein beetje verbloemd, maar dat deert allemaal niet. Dit komt allemaal in orde. Begin maar bij het begin, Jef. Ik had net mijn eigen prestigieuze praktijk geopend op de hoek van de Kerklaan en de Lippensdreef. Na een jarenlange stage bij mijn mentor - tevens mijn dooppeter Karel Verschueren, je kent hem wel - was het tijd om mijn vleugels uit te slaan. In alle eerlijkheid was zij mijn eerste cliënte. Haar naam was Vanessa.  Ze zat in de bruine leren fauteuil van Chesterfield die ik speciaal gekocht had om mijn werkruimte te bekleden - comfortabel doch elitair en een beetje waardigheid uitstralen. Mensen kwamen uiteindelijk toch naar hier om hun zwartgalligheid uit te spuwen op het nieuw gelegde parket, dan maar beter in een uitstekende zetel. Als ik dan toch moest luisteren naar de mensen hun miserie, dan maar beter met wat comfort. Sorry, maar waarom ben je eigenlijk psychiater geworden? Je praat erover alsof het je allemaal niet interesseert. Goh, het betaalt goed. En het enige dat ik moet doen is luisteren en pillen voorschrijven. Het was de makkelijke oplossing, in de voetstappen van onze pa treden. Ik voel mijn handen tintelen, de hoofdpijn gaat niet over. Ik hunker naar mijn bed. Pauwels blijft me stoïcijns aanstaren. Oké, ga maar verder. Ik had de muren geel laten schilderen. Ergens had ik gelezen dat de kleur van de zon liefde en verdraagzaamheid uitstraalt. Aan de muur hing een schilderij van een niet nader genoemde kust waar ik opgroeide. Ik zie zijn wenkbrauw omhoog gaan. Hij duwt zijn bril rechter op zijn neus. Oké, vertel me nu maar over jullie sessie.Ik zucht en ga verder. Ze droeg een zwarte jurk boven een wit T-shirt. In haar rechteroor hingen enkele opzichtige piercings, haar haar viel constant in haar gezicht, alsof ze het wilde verbergen. Ze had een ring in haar neus. Dat haar was trouwens zwart geverfd. Dat viel me direct op, haar natuurlijke kleur begon er alweer door te schijnen. Ik vond dat ze er beter zou uitzien met blond haar, maar bon. Ze droeg ook zwarte nagellak en van die geile bordeaux laarzen tot haar knieën.   Ze was niet ongewoon dik of dun, lang of kort. Een doodgewoon meisje uit de straat, al had ze wel een spin getatoeëerd op haar rechterarm.. Vast een gevolg van een turbulente puberteit en afzetting tegen de ouders, klassiek. In ieder geval, geen mens zou naar haar omkijken, dat was al snel duidelijk. Wat ik maar wil zeggen, Pauwels, geen mens keek naar haar om. Ze voelde zich alleen op deze wereld.   * Je bent zwanger? Mijn gedachten dwalen al af naar de afspraak van vanavond. Wat zal ik aantrekken? Misschien die ene polo die ik kocht in Londen, lekker strak, mijn spieren accentueren. Nee, ik kan beter met mijn hoofd hier nog even blijven. Nog even geld verdienen voor ik kan ontspannen.  Ja, ik zen zwanger. En ik wil het houwen ook.Al doen ik het alleen. Dees kind wordt het beste wat ik ooit heb meegemaakt in mijn leven. Ik zen zo enthousiast hierover, snapt ge? Wat is er schoonder dan een kind? Dees schatje gaat alles oplossen. Ze wrijft met haar hand over haar buik terwijl ze het vertelt en glimlacht alsof ze gelukkig is. Ik maak een notitie in mijn schrift en kruis mijn rechterbeen over mijn linker, adem uit door mijn neus.  Proficiat. Ze verwacht dat ik dit zeg, zelfs als ik het niet meen. En is de vader even gelukkig?  Ja merci merci. Goh ja, mijne vriend nie echt eigenlijk. Als ik eerlijk moet zen, de meeste mensen reageren nie zo positief. Maar dat kan me allemaal nie schelen, ik hou het en daarmee basta. Ik kan dees en ik wil dees.  * Een paar weken later sla ik de krant open en nip van mijn tas koffie, een latte macchiato uit mijn peperduur koffiemachine. De date van gisteren zit nog vers in mijn hoofd, de persoon in kwestie nog rustend in mijn bed. Ik glimlach. Op pagina drie van de krant staat een krantenkop die mijn aandacht trekt. Ik heb haar al weken niet meer gezien, maar weet meteen dat het om haar gaat. En ik begrijp meteen waarom ze niet kwam opdagen op onze laatste sessie.  Niet iedereen heeft het talent om te leven, terwijl iedereen het talent heeft om te sterven, denk ik bij mezelf. Ik sip nog eens van mijn koffie, verslik me niet, sta recht en keer terug naar het bed waar zij nog ligt te snoezen. Het zal een heerlijke zondag worden. De krant ligt nog opengeslagen op pagina 3. De krantenkop luidt:  Vrouw (26) springt van brug met pasgeboren kind in haar armen.       —  

Wout
0 0

Het besluit

Gebaseerd op feiten Toen Iris tien jaar geleden de telefoon kreeg dat haar vader was gestorven, wist ze nog niet dat haar leven schijnbaar voorgoed tot stilstand zou komen. Ze zei tegen haar huisgenoten dat ze onverwachts terug naar huis moest, stopte het hoogstnoodzakelijke in een tas en ging op weg. Ze zou nooit meer terugkeren. Ze liet dit leven achter om voor haar moeder te zorgen. Ze besloot om bij haar moeder in te gaan wonen en vond een job als nachtzuster op de dienst oncologie in het dichtstbijzijnde ziekenhuis. Op die manier, zo redeneerde ze, had ze overdag ruimte genoeg voor haar moeder. Tijd voor buitenwerkse activiteiten was er amper; tussen zorgen voor haar ouder wordende moeder en de emotioneel zwaar beladen job in het ziekenhuis was er enkel tijd voor slaap - en zelfs dat kwam ze te kort. Nu is ze 38 jaar, ongehuwd en zonder enig noemenswaardig sociaal leven wanneer ze Thomas elke nacht aan het ziektebed van zijn vrouw ziet zitten.  * Verdriet is eenzaam. Iedereen ervaart het op zijn eigen manier, terwijl geluk samen wordt beleefd. Het is verdriet dat bepaalt wie je echt bent, wie je maakt tot wie je bent.  Blijven is opgeven; mijn dromen, mijn idealen, mijn wil irrelevant.  Hier heb ik niet voor getekend, dit wil ik niet. Een mens moet zichzelf op de eerste plaats zetten om te overleven. Ten koste van alles.  De zachte tik op de deur ontwaakt me uit mijn gedachtenstroom. Ik kijk op en zie ze treuzelend voor de deur staan. Ze houdt lege ampullen vast, straks zullen ze gevuld zijn met bloed. ‘Hey Iris.’ ‘Hey, sorry, het is tijd voor een nieuwe bloedafname. Heb ik je wakker gemaakt?’ ‘Nee hoor, slapen hoort al even niet meer tot de mogelijkheden.’ Ik probeer een glimlach te forceren om mijn lippen. Het mislukt.  * Een blik kan je hart breken.  Het is al laat in de avond die donderdag  wanneer het telefoontje komt. Enkele uren voordien waren ze nog maar op consultatie geweest, om te kijken wat er mis was. Slecht nieuws komt altijd laat op de avond. Steeds een regenachtige dag, in de koude en de kilte. De zon heeft geen rol in zo'n verhaal, ook hier niet. De vooruitziendheid van het lot.   Hij ziet het onmiddellijk in haar ogen: dit is geen goed nieuws.   De dokter belt namelijk terug. Ooit, nog niet zo lang geleden, was zij een spring-in-het-veld. Een prachtige vrouw, vol met passie en vuur. Dat vuur lijkt nu te zijn gedoofd.Een verklaring is er nog niet, maar die zou er snel zijn. Haar ogen staan dof, haar gelaat grauwgrijs, de vermoeidheid spreekt uit alle gelederen van haar lijf. De dokter zegt dat ze de volgende dag naar het UZ Leuven moeten, er is iets ernstigs mis.  Gasthuisberg dus. De fabriek zoals zij het nu noemen.  Zo groots, vol met machines en werkers om de mens weer gezond te maken. Het wordt hun nieuwe thuis voor het komende jaar. De plek waar ze meer tijd spenderen dan in het huis waar ze al hun hebben en houden hadden ingestoken. En ook geluk. Wat waren ze gelukkig geweest. Dat geluk leek te smelten voor hun ogen: aan het ziekenhuisbed van de vrouw waarvan hij ooit dacht zijn hele leven mee te delen. In goede en kwade dagen. De kwaadheid krijgt een naam. Het monster huist in haar. Het verdriet is kanker.   Kanker stinkt. Het rot het lichaam van binnen uit. De chemo verbrandt alles tot in het diepste van de ziel. Zoals de mens op een bepaald moment doorhad dat brandlandbouw later de grond opnieuw kan cultiveren, zo brandt chemo alles weg in het lijf, zodat de mens later weer gecultiveerd wordt, zonder het beest in haar.   Hij beseft dat hij van haar moet houden, zelfs als ze daar ligt, amper overlevend, maar hij kan het niet. Niet meer. Dit is niet meer de persoon waarvan hij ooit gehouden had. Wie is er om hem te helpen? Hij zoekt naar troost in de donkerte. Weet met zichzelf geen blijf. Soms loopt het leven zo. Het is niet eerlijk. Niemand kiest voor kanker, niemand kiest voor lijden. Iedereen wil  kiezen voor geluk, voor liefde. Daar wil hij naar rennen. Die gedachte sust hem. Hij valt in slaap en droomt over lang vervlogen tijden.  * Hij was bloednerveus voor hun eerste date. Hij rookte vijf sigaretten na elkaar, mondspray en parfum telkens bij de hand zodat ze het niet merken zou. Hij was - zoals gewoonlijk - veel te vroeg. Een uur van tevoren stond hij al ijsberend  aan de ingang van het museum. Beter te vroeg dan te laat, dacht hij bij zichzelf. Het was haar idee om de nieuwe tentoonstelling in Bozar te bezoeken. Hij had hier nog nooit een voet binnen gezet, maar durfde geen nee te zeggen; alles voor een goede eerste indruk. Ze kwam aanlopen in al haar kleurenpracht. Een wollen sjaal van paars en rood, een gele lange winterjas en blauwe sneakers met oranje veters. Haar haren waren in een messy bun, haar stem krachtig en zinderend. ‘Hey, Thomas? Hoihoi, sorry dat ik wat te laat ben, ik moest nog naar de markt mijn nieuwe kindjes ophalen en dan Sarah thuis water geven, de tijd uit het oog verloren!’De blik in Thomas zijn ogen zou Line nog jaren later doen huilen van het lachen als ze eraan terugdacht.‘Sorry, ik kan soms chaotisch zijn, uhm, ik noem mijn planten mijn kindjes. Ik kan namelijk zelf geen kinderen krijgen en dan is dit the next best thing. Oei, sorry, ik kan ook een flapuit zijn, misschien geen eerste date-materiaal. Bon dat weet je dan, hoi, ik ben Ella! Hoe gaat het met jou, sta je hier al lang?’Thomas stond perplex, verwonderd, bewonderend naar haar te kijken. Lines wervelende zijn had hem helemaal omgewaaid. Hij was reeds verloren. Wanneer hij dit verhaal later aan zijn vrienden vertelt, zal hij soms beweren dat hij op dat moment verliefd op haar wordt. Op andere dagen, andere momenten, in andere verhalen, zal dat moment later vallen. * Het leven van een nachtzuster kan saai zijn. Eenzaam. De meeste mensen blijven namelijk niet ‘s nachts bij de zieke. Het leven gaat verder, de wereld daarbuiten draait door. Werk, de kinderen, de hond die nog moet worden uitgelaten, de planten moeten nog water krijgen. Thomas niet.Elke avond blijft hij bij het bed van Line. Elke nacht ziet Iris hem staan bij het koffieapparaat. Het bakje troost tegen het onmenselijke verdriet. Iets om de nacht door te komen. Ze ziet de wallen onder zijn ogen elke nacht een beetje groeien, de ogen roder, de baard langer, het haar vettiger en het gelaat grijzer. Toch merkt ze  steeds een krul in zijn lippen als hij haar ziet.   ‘Hoe gaat het met je moeder?’ Hij drukt de knop in van het espressomachine, neemt routineus al twee tassen uit de kast. ‘Ach, ze wordt vergeetachtig, begint achter mijn vader te vragen.’ De regen klettert tegen de ruit. Ritme van de eenzaamheid. De wind waait hard. Op de achtergrond draait de radio de nieuwste van Bazart, Denk maar niet aan Morgen. ‘Sorry om te horen.’ Hij neemt twee suikers en een melk uit de lade en geeft ze aan haar. ‘Wanneer is de laatste keer dat je nog eens iets voor jezelf hebt gedaan? Uit geweest, voor het plezier?’Een grijns verschijnt om haar lippen, twee rimpels op haar voorhoofd. Ze ontwijkt niet subtiel de vraag. ‘Heb je de match gezien gisteren?’ Haar ogen staren door het raam. De grijze blokken kijken terug. Hierbinnen is het al volop tristesse, denkt ze bij zichzelf, waarom maken we het buiten dan niet wat gezelliger? ‘Neen, niet gezien.’ Haast achteloos ademt hij diep in. ‘Line had een onderzoek. Hier je koffie, ik moet terug.’ Hij zegt het alsof hij zich betrapt voelt. Wat sta ik hier bij een andere vrouw te kletsen? Ik moet bij Line zijn. Altijd bij Line zijn. * Soms staat egoïsme duurzaamheid in de weg. Hij denkt dat verdriet alleen wordt gedragen, vecht lang tegen het idee dat wat hij doet - bij zijn vrouw blijven - het juiste is. Tot hij Iris tegenkomt, die elke nacht de kamer binnenwandelt om het infuus te laten bijstellen en bloed te nemen uit de katheter die uit Lines borstkas steekt. Dit in de hoop dat deze medicatie eindelijk haar weer de persoon zou maken waar hij smoorverliefd op is geworden, die novemberavond na een nacht doorzakken. Zijn gedachten dwalen weer af. Na het museum, een overzichtstentoonstelling van een Catalaans kunstenaar ten tijde van Franco, besluiten ze nog iets te gaan drinken, in de vaste kroeg van Line net om de hoek. Snel zou het ook zijn stamkroeg worden. Line babbelt maar door alsof ze elkaar al jaren kennen. Thomas blijft vol bewondering naar haar kijken. Het is al laat in de avond wanneer ze uiteindelijk de tram naar huis nemen. Ze moeten dezelfde richting uit. Thomas herinnert zich later, na het incident op de tram, dat hij Line vanaf dat moment nooit meer wilde laten gaan. Twee jongeren staan amok te maken in het midden van het gangpad. Iedereen kijkt de andere kant uit, uit vrees dat zij de volgende zijn die de scheldtirades te horen krijgen. Maar zij is niet bang. Zij staat recht en gaat op ze af, geeft ze een klap voor hun kop. De blik in hun ogen zal hij nooit vergeten. Het gevoel van oeverloze trots blijft hem altijd bij.De kracht waarmee ze de wereld een betere plaats wil maken. Daar is hij verliefd op geworden. Op dat moment wist hij dat ze een prachtige vrouw was die niet met zich liet sollen. Op dat moment wist hij dat de rest van zijn leven met haar wilde samenblijven. Alsof het altijd had moeten zijn. En lang zal het ook zijn, maar niet altijd.

Wout
0 0

Het verlies van mezelf

Faith frightens me, Lydia. Nothing is certain. At any given moment something could happen to change all that we are. - Fernando Pessoa Een herinnering In dit leven, waarin ik dit verhaal neerschrijf en waarin u als lezer dit nu leest en/of beoordeelt, besta ik.  De munt is op het juiste moment de juiste kant opgevallen. Het had anders kunnen zijn. Voor hetzelfde geld was ik dood. Ik kreeg echter een nieuw harnas, dat mijn ziel tot op heden huisvest. Ik kreeg een nieuw leven aangeboden. Al voelde ik me er lange tijd niet thuis.  Het begin Het is 25 februari 2005. Ik zit in het zesde leerjaar. Gisteren stond ik nog op de speelplaats, keuvelend met mijn vrienden over de toekomst, vol nieuwsgierigheid, levenslust en pertinente vragen. Naar welke school ga jij volgend jaar? Welke richting ga je volgen?  Vandaag zie ik in het flikkerende artificiële licht van de lichtblauwe gang witte hemden op crocs voorbij wandelen. Aan de andere kant van die gang zit een kind met roze muts in een rolstoel. Verschillende draden hangen uit zijn linkerarm, rode, witte en oranje, verbonden met baxters aan een infuusstandaard. Twee volwassenen, vermoedelijk de ouders, praten met een dokter. Alle drie kijken ze somber met een frons op hun gezicht. De vrouw huilt. De man nipt van zijn koffie uit het plastieken bekertje. Het kind staart doelloos voor zich uit, zijn ogen lusteloos verborgen in zijn grauwgrijze gelaat.  Ik zit samen met mijn ouders in een rommelig wachthoekje. Er staan een witte tafel en blauwe zetels. Op de tafel ligt wat speelgoed, een Nintendo 64 is aangesloten, maar er zit geen spel in de console. Op de zetels naast ons liggen wat magazines, Story, Dag Allemaal en Libelle. We wachten op de verpleegster die inderhaast onze kamer moet klaarmaken, het is allemaal heel snel gegaan.  Het is 25 februari 2005, ik zit in een donkerblauwe zetel op de tiende verdieping in de gang van de dienst kinderoncologie van het UZ Gasthuisberg. Ik weet het nog niet maar dit wordt voor de komende tijd mijn thuis.  Ik ben ziek. Mijn eigen lijf mishandelt me.  En sindsdien mishandel ik mijn lijf.  Het heden Ik zit in de keuken starend naar mijn computer aan de houten tafel die is meegekomen met mijn vriendin uit haar vorige appartement. Een stomende tas koffie - zonder melk noch suiker - staat naast de laptop. De ochtendzon verwarmt de kamer. Door het raam hoor ik kinderen spelen, mensen praten. Het leven gaat voort.  Ik zit hier om grip te krijgen op mijn verleden. Volgens mijn therapeute helpt schrijven; het op papier zien staan, helpt om het los te laten, om er structuur in te zien en om het te verwerken. Dus begin ik het op te schrijven.  Tijdens de eerste periode na de diagnose, waarbij ik meer in een troosteloze ziekenhuiskamer verblijf dan in mijn warm nest thuis, proberen ze verschillende methoden om me beter te maken. Destijds noemden ze het een paardenmiddel; een makkelijke manier om het aan een kind uit te leggen. Nu weet ik dat het EPO was.  Algemeen is EPO bekend als een dopingmiddel bij topsporters, om betere resultaten te krijgen. In mijn geval werd het gebruikt om de aanmaak van bloedcellen te stimuleren.  Het probleem dat zich stelt, is namelijk dat mijn beenmerg opgehouden is met werken.  Het beenmerg is een plasma dat in de gewrichten zit en zorgt voor de aanmaak van bloedplaatjes, rode bloedcellen en witte bloedcellen. Het monster kreeg een medische benaming: aplastische anemie, een zeldzame bloedziekte.  In een ander universum zou ik, als EPO-gebruiker, dus zomaar de Ronde van Frankrijk kunnen winnen. U, als lezer, weet ondertussen dat het verhaal niet zo zal verlopen.  Deze middelen werken namelijk niet. Het eindverdict: een beenmergtransplantatie. Op 2 augustus 2005 krijg ik het beenmerg geïnjecteerd van een anonieme donor.  De eerste stap naar de transplantatie is de afbraak van mijn lichaam: chemo en 6 weken quarantaine. Quarantaine betekent wat het betekent: complete isolatie. De laatste twee weken mogen mijn vader of moeder enkel de kamer betreden als ze volledig beschermd zijn - handschoenen, schort, muts. Niemand raakt me aan zonder bescherming. Ik ben volledig fragiel en mentaal reeds gebroken.   De chemo verbrandt alles tot in het diepste van de ziel. Zoals de mens op een bepaald moment doorhad dat brandlandbouw later de grond opnieuw kan cultiveren, zo brandt chemo alles weg in het lijf, zodat de mens later weer gecultiveerd wordt, zonder het beest. Enkele dagen voor de volledige isolatie, lig ik al in het ziekenhuis voor de eerste voorbereidingen. Op mijn normale gang, met de verpleging die ondertussen kennissen zijn. Patrick houdt net als mij van voetbal, Rita wordt mijn toeverlaat. Het is een hittegolf en bloedheet in de kamer. Bovenop krijg ik ook nog eens 40 graden koorts. Zo erg dat de dokters even overwegen om de transplantatie uit te stellen. Het zou geen goed idee zijn om mijn immuunsysteem af te sluiten. De verpleging helpt zoveel als ze kunnen en de ventilator wordt verplaatst naar mijn kamer. Mijn moeder houdt constant een nat kompres op mijn voorhoofd. Alles om mijn temperatuur naar beneden te krijgen.  Achteraf denk ik soms dat dit een teken van verzet was van mijn lichaam; we willen hier niemand nieuw. Dit is geen goed idee. Laat het afgelopen zijn.  Soms denk ik dat ik had moeten luisteren naar mijn lichaam.  De revalidatie verloopt in eerste instantie vlot. Enkele weken later - ik ben in totaal zes weken in quarantaine - mag ik naar huis. Maar niet voordat heel mijn lichaam zich aanpast aan de nieuwe inwoner. Ik vervel volledig. Ik krijg nieuwe nagels - op mijn tenen zie je nog steeds kleine scheurtjes van niet zorgvuldig ingegroeide nagels. Op mijn rug heb ik nog steeds zwarte stipjes uit die periode. Een van de vele aandenkens.  Wekelijks ga ik, samen met mijn moeder,  naar het daghospitaal voor medicatie die acht uur lang langzaam via een katheter in mijn lijf drupt. Ik ga mondjesmaat terug naar school - het eerste middelbaar deed ik grotendeels in thuisonderwijs. Ik groei op, maar blijf fysiek en mentaal een kind. Van de wereld verdwenen om er dan weer ingegooid te worden, zonder voorbereiding. Ik huil veel. Waarom lijkt niemand te beseffen.  Mentaal ben ik onafgebroken een wrak. Het kostte me tijd en het kost me nog steeds tijd gewend te worden aan mijn nieuw lijf. Ze gaven me een nieuw leven, maar ze leerden me niet hoe ermee om te gaan, hoe er vrede mee te nemen. Ik voelde me alleen. Het was een strijd om het juist te krijgen - de revalidatie duurde lang en niet zonder obstakels - en soms denk ik dat het nooit helemaal zal wennen.  Ik was namelijk blij met mijn oorspronkelijk lichaam. Dat was blijkbaar niet blij met mij en stopte met zijn voornaamste taak: mij in leven houden. Ik voelde me verraden en zocht naar wraak tegen iets dat ik niet meer had: een normaal leven.  Tot op heden is niet duidelijk waarom mijn oorspronkelijk beenmerg heeft gefaald.  Het vervolg In 2015 is mijn leven weer normaal. Ik ben genezen verklaard door de kinderoncoloog die me van bij het begin heeft opgevolgd en ik ga voltijds naar school. Ik studeer ondertussen in het derde middelbaar, Latijn-Talen, en probeer mijn leven weer op te pikken. Ik ga naar het voetbal en ik neem opnieuw lessen, muziek en slagwerk. Ik heb echter een schijnbaar onoverbrugbare achterstand. De jaren die mij zijn afgenomen zijn moeilijk om terug te eisen. Mentaal en fysiek ben ik nog steeds twaalf jaar. De ziekte heeft ervoor gezorgd dat ik moeite heb om in de puberteit te komen. Spuitjes testosteron moeten me wederom helpen om vooruit te komen.  Even later komt mijn lichaam in verzet. Het beenmerg komt in opstand.  Ik ben me aan het klaarmaken voor school. Ik voel me stijf in mijn ledematen, alsof ik de dag ervoor zwaar heb gesport - wat niet kan, ik mag nog niet meedoen met de lessen L.O.. Ik eet mijn boterham met choco aan de witte keukentafel, poets mijn tanden en probeer dan mijn kousen aan te trekken. Dit gaat moeilijker dan verwacht. Mijn mama staat aan het aanrecht te kijken. Ik wil haar niet ongerust maken en doe alsof alles in orde is. Ik verplaats me naar de woonkamer en zet me op de zwartleren zetel. Zij blijft in de keuken staan wachten tot ik klaar ben. Ik krijg mijn sokken amper aan, mijn rug doet pijn als ik me strek, mijn knieën en armen krijg ik amper geplooid. Er is iets mis. Ik overtuig mezelf dat het niets is. Ik wil niet meer ziek zijn, ik wil mijn ouders niet meer ongerust maken.  Maar ongerust zullen ze weer worden en zullen ze altijd blijven. Ik zal altijd degene zijn die ooit ziek was. Ik zal altijd moeten opletten wat ik doe en zorg dragen voor mezelf. Ik wil dit niet en probeer het dus verborgen te houden. Een moeder weet en ziet echter altijd alles en maakt opnieuw een afspraak in het UZ Gasthuisberg. Ik heb reuma in mijn gewrichten.  Omdat men niet weet waarom mijn beenmerg gestopt is met werken, weet men ook niet waarom ik nu reuma heb. Is het een gevolg van de stamceltransplantatie? Is het hetzelfde monster dat ervoor gezorgd heeft dat mijn beenmerg faalde? Men weet het niet. Het enige dat gedaan kan worden, is me beter maken zodat ik weer kan doorgaan. Dit betekent opnieuw regelmatige controles bij de dokter, nieuwe (misselijkmakende) medicatie en sessies bij een kinesist. Het lijkt alsof alles opnieuw begint. De onwetendheid dat het elk moment weer mis kan lopen, maakt me gek.  De medicatie en therapie werken en ik kan weer verder. Mijn leven opnemen en doen alsof er niets aan de hand is. Ik wil zo snel mogelijk weer normaal zijn. Daarom doe ik wat elke 17-jarige hoort te doen: Uitgaan en proberen plezier te maken. Mijn lijf, leden en mentale toestand smijt ik aan de kant, ik ga doen wat elke andere jongere doet: drinken tot ik erbij neerval. Ik wil de coole kid zijn en begin te roken. Zes jaar nadat beenmergfalen bij mij wordt vastgesteld en ik een nieuwe thuis krijg op de gang kinderoncologie van Gasthuisberg, tussen andere kinderen met zware ziektes, doe ik het ergste wat ik mijn lichaam kan aandoen: ik moord mezelf uit van binnenuit. Ik doe het omdat het cool is, omdat ik zoals de ander wil zijn. Ik doe het omdat ik te laf ben om er zelf een einde aan te maken. Ik wil mijn ouders en mijn broer, die hun eigen leven opzij hebben gezet om voor mij te zorgen, niet teleurstellen, niet nog meer verdriet aandoen. En dus blijf ik leven, niet voor mij, voor hen.   De vlucht Ik ben niet geboren in dit lichaam. Al mijn kwalen, alles wat ik nu meemaak, de droge, snel geïnfecteerde ogen, de verwrongen gewrichten, de smalle spieren, de littekens op mijn lijf, mijn scheefgegroeide tanden; alles is een overblijfsel van mijn ziekte. Ik ben een ander mens geworden. Iemand die ik nooit had willen zijn. Het beenmerg dat nu in de kern van mijn gewrichten zit, is niet het mijne. Het bloed dat het aanmaakt, wordt niet door mij gemaakt. Ik voel me niet veilig in mezelf.  Biologisch ben ik genezen. Men verwacht van mij er het beste van te maken, de tweede kans te grijpen.  De beslissing is voor mij genomen. Ik heb het gevoel dat ik beter moet zijn dan de rest omdat ik een tweede kans heb gekregen. De zelfopgelegde druk is enorm.  Maar ik heb hier niet om gevraagd. Ik wilde mijn eerste kans grijpen en dat is mij ontnomen. Ik kreeg geen tijd om me te ontplooien in mijn eerste leven en ik had het te druk met overleven om te genieten van mijn tweede leven.  Het voelt als verraad van de hoogste orde. Het is ergens in 2018, op een doordeweekse woensdag, waar ik elke week zit op mijn vaste kruk aan de vaste toog van mijn vaste stamkroeg. Naast mij zitten Erik en Arnd, twee andere vaste klanten waar ik bevriend mee ben geworden en die, net als ik, niets anders te doen hebben dan hier te komen zitten en dronken te worden. Een half jaar geleden ben ik afgestudeerd, met onderscheiding in de politieke wetenschappen, maar toch werkloos. Ik weet niet waar ik naartoe wil met mijn leven. En die doelloosheid, die ik meestal kan verbergen wanneer ik nuchter ben, komt uitgestroomd in woede en frustratie als de zoveelste pils probeert mij op te warmen. Zijt is kalm, jong?! Neje, ik zen nie kalm, verdoeme, ik weet nie meer wat te doen.  Ik overleef op alcohol. Reeds in de laatste jaren van mijn universitaire carrière heb ik alcohol nodig om de avond door te komen en in slaap te vallen. Ik wandel veel. Van nachtwinkel naar nachtwinkel. Amid van de winkel aan het Ladeuzeplein in Leuven herkent me wanneer ik binnenkom.  Dag meneer, alles oké vanavond? Ja merci, ge moogt me ook een pakje Marlboro Gold geven alstublieft. Ik zet een blikje halve liter Cara Pils op de toog en neem cash uit mijn portefeuille.  Voila, 8 euro 50 alstublieft. Ziezo, tot later. Tot morgen meneer. Ik loop rond in het centrum van Leuven, alleen en zonder doel. Cara pils in mijn ene hand, een sigaret in de andere. Ik wandel van nachtwinkel tot nachtwinkel tot ik dronken genoeg ben om in slaap te vallen en de dag weer te beginnen, op dezelfde manier. Overal zie ik gelukkige studenten plezier maken met hun vrienden. Er wordt gelachen, gediscussieerd en sociaal gedronken.  Ik drink niet sociaal, ik drink alleen met mijn gedachten. Nadat ik ben afgestudeerd keer ik terug naar mijn ouderlijk huis, nergens anders om te zijn.  Nadat ik afgestudeerd ben, zit ik elke woensdag, vrijdag en zaterdag in mijn stamkroeg en doe ik wat ik mezelf heb aangeleerd: drinken om iets te voelen. Of misschien om niets te voelen. Dit is niet het lijf waarin ik geboren ben en dus moet ik er alles aan doen om het te vernietigen. Dit denkpatroon zal mijn leven sturen voor de komende 13 jaar. Tot mijn energiebron volledig leeg is en ik in de zomer van 2023 in burn-out ga. Ik zit (letterlijk) volledig aan de grond met angst- en paniekaanvallen en besef dat ik wel wil leven. Ik weet alleen nog niet hoe.  De toekomst Het is tijd om mijn verleden te claimen. Twintig jaar lang heb ik gevochten tegen mezelf. Niet begrijpend waarom iemand mij zou willen liefhebben. Ik zat gevangen in een lichaam dat niet voelde als het mijne, levend volgens de wetten  waar ik geen zeggenschap in had. Sindsdien loop ik verloren. Het enige dat ik wist te doen was vluchten. Welkom alcohol. Nu woon en werk ik in Brussel samen met mijn partner. Ik ga al enkele jaren onafgebroken naar een therapeut en neem antidepressiva. Paroxetine, 30 mg. Ik leef en ik ben blij dat ik leef. Een pagina is geschreven, ik leer leven met mezelf en ben tot het besef gekomen dat dit mijn leven is. Ik heb dit beenmerg geclaimd, het bloed dat door mijn aderen stroomt is mijn bloed en het doet er alles aan om mij gezond te houden.  Ik ben gezond, content en klaar om de wereld te veroveren.   Geschreven door Wout Bols voor het magazine Hard/hoofd, september 2025    

Wout
0 0

De natuur schreeuwt

Een week na mijn ontslag werd ik ‘s nachts wakker door een snerpende opdringerige piep in mijn linkeroor. Ik sprong uit bed, negeerde het gemopper van mijn vrouw en holde de trappen af. Het gepiep achtervolgde me, even luid en aanwezig, waar ik ook heen liep. Die nacht sliep ik niet meer. Ik draaide me afwisselend op elke kant, drukte mijn hoofd in het kussen om het geluid te smoren. Toen ik ’s morgens de koffiemachine aanzette daverden mijn hersenen. Ik vluchtte de keuken uit. Ondertussen zijn er drie maanden voorbij en doet ook mijn rechteroor mee aan het feestje. Daar hoor ik een gesuis, alsof een rivier door mijn hoofd stroomt. Mijn huisarts zegt dat het letterlijk tussen de oren zit, mijn vrouw zegt dat ik er niet mee bezig moet zijn. Allebei denken ze te weten dat het komt door de stress op mijn werk. Ik werk niet meer maar dat weten ze niet. Mijn vrouw weet heus wel dat er problemen waren, we hebben niet de gewoonte tegen elkaar te liegen. Een kwestie van tijd voor de dossiers die ik zorgvuldig onderaan de stapel legde van zich lieten horen. “We krijgen klachten binnen,” zei mijn baas. Ik was verbaasd dat het zolang geduurd had. Ik nam al zes weken mijn telefoon niet meer op. De keuze was helder. Of ik stapte in een verbetertraject met functioneringsgesprekken, key performance indicatoren en werkdoelen met performante prestaties. Thuis werken was voortaan uit den boze. Of ik kreeg ontslag met een mooie opzegvergoeding. “Stoppen op je hoogtepunt,” zei mijn baas. Hij zweeg even. “Of net voorbij je hoogtepunt.” Als het me al pijn deed dat ze veel geld over hadden om van me verlost te zijn, voelde ik het niet op dat moment. Enkel een lichte euforie, een vaag vleugje vrijheid. Eenmaal thuis had ik de oprechte intentie mijn vrouw in te lichten. Ze heeft alleen de kwalijke neiging me te onderbreken voor ik een volledig verhaal kan vertellen. “Je gaat je best doen, hoor je me,” zei ze na enkele zinnen. “Herpak je. Grijp een nieuwe kans met twee handen aan. Je gaat een goede job toch niet zomaar opgeven.” Toen belde haar moeder. Ons gesprek eindigde zonder dat ik de kans zag toe te voegen dat de ontslagformulieren al ondertekend waren. Misschien niet zo netjes dat ik haar ’s morgens niet verbeterde toen ze me een fijne werkdag wenste. Ik gaf haar een tedere zoen, vertrok in mijn beste pak. Bleef lang genoeg wandelen tot ze zelf ook zeker naar haar werk was. Dat ben ik sindsdien blijven doen. Als ik thuiskom veeg ik de modder van mijn nette schoenen, jammer dat ze zo oncomfortabel zitten. Ik probeer echt werk te vinden. Na mijn ochtendwandeling zet ik me achter de computer, heldhaftig met mijn thermos koffie in de aanslag. Muziek op om mijn hoofd niet te horen. Muziek weer af, de piep stijgt in toonhoogte om alles te overstemmen. Stilte kan ik beter verdragen, hoewel het nu een heel dynamische stilte is. Ik stuur af en toe een sollicitatiebrief, al weet ik nooit wat ik erin moet zetten. Hoe ik ook wroet in mijn binnenkant, ik vind geen authentieke drijfveer, geen passie die me kan overtuigen weer de wereld in te gaan. Chat GPT doet dan maar het werk. De afwijzende antwoorden die ik krijg zijn even standaard als mijn brieven. Uit een hele reeks kandidaten hebben we het profiel geselecteerd dat op vlak van competenties het beste aansluit bij onze verwachtingen. Tot onze spijt werd u niet weerhouden. We wensen u veel succes met de zoektocht naar een nieuwe uitdaging. (U bent te oud, te vastgeroest. Uw carrière is vlakker dan een pas aangelegd dorpsplein. U solliciteert beter bij het natuurhistorisch museum. Fossiel.) Eén keer typ ik een antwoord. Van harte bedankt om me niet te weerhouden. Ik word nog liever levend begraven onder een berg nucleair afval dan in uw bedrijf. Uw missie is zo zoutloos dat de zee niet genoeg zout heeft om ze op smaak te brengen. Ik verzend de mail niet. Of misschien heb ik het toch gedaan. Gelukkig laat mijn vrouw de financiën over aan mij. Zolang er genoeg op de rekening staat is er geen haast bij. Ik heb andere zorgen aan mijn hoofd. Tijdens mijn dagelijkse ochtendwandeling wordt het geluid ondraaglijk luid telkens ik voorbij het huis van crazy catlady loop. Mijn piep neemt mijn hele hoofd, lichaam, zijn, in beslag. Ik ben alleen nog maar piep. Dan komt er gerammel en gedender bij alsof ik naast een goederentrein loop. Ik bedek mijn oren maar het geluid heeft bezit van me genomen. Op dat moment ben ik bang. Wanneer ik voorbij het huis van crazy catlady stap, mijn best doe niet te hollen als een idioot. Ebt het geluid weg. Mijn piep weer vertrouwd op de achtergrond, mijn gesuis met wat verbeelding de wind in de bomen. Ik heradem. Ik ben een gewoontemens, ik maak altijd dezelfde toer. Na een kwartier loop ik over een kasseiweg die naar het bos leidt. Aan de ene kant staan afgelikte nieuwbouwwoningen. Aan de andere kant de sociale woonwijk. Ongeveer tien arbeiderswoningen met dezelfde treurige gevels en een lapje voortuin. Ze kijken net als hun overburen uit op de bossen, op dat vlak is de straat egalitair. De meeste huizen staan al een tijdje leeg, het onkruid woekert, de schuurtjes scheef gezakt, vergeelde gordijnen achter de ramen. In het begin van de straat zijn er nog enkele huizen bewoond al zijn ze even slecht onderhouden. De afvalzakken en kapotte kinderfietsjes in de voortuin verraden dat er nog leven is. Het eerste huis in de rij is een uitzondering. Er hangt een bordje voor het raam: Watch out, crazy catlady lives here. Een kleurenpalet aan bloemen, een bloesemende appelboom. Een weelderige hazelaar houdt de wacht. Geen gordijnen voor de ramen, de deur frisgroen geverfd. Het is die plek, exact daar waar de bedrading in mijn hersenen een absoluut crescendo produceert. Vandaag doe ik iets wat ik nog niet deed. Ik houd halt. Hoe ondraaglijk ook, ik stop. Ik bedek vergeefs mijn oren. Iedereen denkt dat de figuur op het beroemde schilderij zelf schreeuwt. Zo ziet het er ook uit, zijn mond verwrongen in dezelfde wanhopige vorm als zijn hoofd. Toch is het niet zo bedoeld. De figuur bedekt zijn oren voor de natuur. De natuur schreeuwt. Bij mij schreeuwt de natuur ook, op een plaats waar ik het geluid niet kan dempen. De natuur schreeuwt in mij. Met mijn handen nog steeds op mijn oren wankel ik naar de groene deur van crazy catlady. Op het tuinpad struikel ik bijna over een emmer met onkruid. Ik bel aan en hoor gegalm, al kan dat ook in mijn hoofd zijn. Het doet zo’n pijn. De deur vliegt open, het is donker in de gang. Een vage gestalte. Wacht even, stamel ik, loop de gang in met blubberende benen. Alsof ik me moet rechthouden op een zwiepend schip. Ik zoek steun tegen de muur. In de woonkamer valt een golf van licht binnen, warm en zacht. Verblind houd ik me vast aan de randen van de tafel. Plakkerig. Ik denk dat ik schreeuw maar ik kan mezelf niet horen. Het licht sterft weg. Eerst denk ik, een wolk voor de zon. Niets van dat. Het licht gaat uit in mij. De tafelrand ontglipt me. Ik glijd, sierlijk welhaast, op de grond. Ik zink weg in duisternis en… Is het stilte? Is dat hoe stilte klinkt? Helemaal niets horen. Bijna even onnatuurlijk als te veel horen. Ik kom bij met een muffe smaak in mijn mond, en barstende hoofdpijn. Ik lig onder de tafel. In het zonlicht danst het stof in het rond. Ik nies, stof en ik zijn nooit beste vrienden geweest. Het valt me nu pas op dat het huis verlaten is. Stoflaagje op de meubels, de lege koelkast staat open, de tafel is smerig. Aarzelend krabbel ik overeind, er is iets anders, iets dat ik niet meteen kan aanraken. Ik hoor gefluit. Gefluit van de vogeltjes. Gegrom van een optrekkende auto. Mijn eigen ademhaling. En in mijn hoofd. Stilte. Een man loopt de woonkamer binnen, hij heeft een schop in zijn handen. “Wat doe jij hier?” Ik hef mijn armen in de lucht. Misschien komt het door mijn nette pak maar hij laat de schop zakken. “Mijn excuses, ik wilde niet storen. De deur stond open en ik dacht dat ik… Dat ik iets hoorde.” De man kijkt me argwanend aan. “Geschreeuw ofzo. Was u dat daarstraks die ik naar binnen ben gevolgd?”  “Dacht ik niet. Ik was in mijn eigen huis.” De man wijst naar de overkant van de straat, strakke witte nieuwbouw. “Je kan helemaal niets gehoord hebben. De eigenares is vier maanden geleden overleden, een oud vrouwtje.” “Crazy catlady,” zeg ik. “Haar katten wonen nu bij mij,” zegt hij. “Sinds ze weg is laat de gemeente de boel hier verkommeren. Ze was altijd zo bezig met haar tuintje dus kom ik die hier af en toe een beetje fatsoeneren. Kan geen kwaad, dacht ik. En voor ons is het ook leuker om niet op een jungle te moeten kijken.”“Dus er was helemaal niemand?” vraag ik.“Helemaal niemand. U hebt het zich ingebeeld.” Ik wandel naar huis, langzaam. De geluiden komen en gaan. Wat een heerlijkheid dat alles komt en gaat.

Marie Jacobs
0 0

Sneeuw

De sneeuw kraakt. Na een aantal stappen bereikt het haar binnenste en komt ze tot rust. Ze blijft staan en ontspant. Het is zo mooi. Kon hij dat ook maar zien. Maar hij ziet en voelt niets meer. Hij zei vanmiddag wel “ja” als ze opmerkte hoe mooi het was, maar het was die ja die haar de voorbije maanden steeds weer die pijn in haar buik bezorgde. Emotieloos. Hij, de man die vorig jaar één en al emotie was en haar muur voorzichtig steen per steen heeft afgebroken zodat haar emotie helemaal vrij kon komen. Nu zat hij zelf al 3 maanden achter een muur met hier en daar een kleine opening, net voldoende om te overleven. Het maakte haar intens verdrietig. Dus had ze de rest van de wandeling alleen verder gezet terwijl hij huiswaarts ging. Ze moest nog wat kunnen ademen. Haar hoofd stond onder spanning. Spanning doordat hij stil was. Ze hield van stilte, als kind al. Maar dan wel een rustgevende stilte. En rustgevend was het de voorbije dagen niet. De stilte voelde geladen. Het maakte haar onmogelijk om nog te genieten. Ze wist dat het niet goed zat, dat hij zich niet goed voelde. Ze voelde dat hij alleen wou zijn. Dat hij leeg was. Ze wou dat hij ook leeg bij haar kon komen. Maar dat lukte hem niet. Als hij leeg was wou hij haar niet. En als ze toch probeerde dichter komen verweet hij haar dat ze hem geen rust gaf. Ze begreep het wel, dat ze voor extra druk zorgde. Eigenlijk wilde zij de leegte en emotieloze toestand een stap voor zijn door hem het signaal te geven dat hij over zijn grenzen ging. Maar het lukte haar niet, zodra ze het opmerkte ging hij in de aanval of verdediging. Dus zei ze vaak niets meer. Ze liet hem doen. Ze liet hem afdwalen. En dan als het te lang duurde probeerde ze hem terug te halen omdat ze ziek werd van hem zo te zien worstelen. Soms lukte dat, maar de voorbije maanden had hij steeds meer uitgesproken dat hij een relatie niet meer zag zitten. En daarom liep ze nu alleen door de sneeuw. In de zomer had hij voor het eerst echt open met haar over de bipolariteit gepraat. Hij had uitgesproken dat hij hoopte dat ze op termijn konden voorspellen wanneer het de foute kant op ging om te voorkomen dat het extreem werd. Maar dat was in een helder moment. Zodra die heldere periode voorbij was kon ze zoveel voorspellen of signaleren als ze wou. Hij hoorde het niet. Integendeel, zij werd plots de bedreiging, de oorzaak van alle ellende, de verstoorder van zijn rust. En die boodschap meermaals per week horen had haar onzeker gemaakt. Het had haar adem afgesneden, haar buik verkrampt en haar brein oververhit. De sneeuwvlakte onder een stralend blauwe lucht gaf opnieuw zuurstof. Haar gedachten konden weer rustig vloeien in plaats van de kolken. Ze had echt alles geprobeerd, alles wat hij haar gevraagd had. Maar hij probeerde het nieuwe leven waar hij zo naar uitkeek met haar op te bouwen en tegelijk nog het oude in stand te houden. En dat lukte niet, want die twee levens stonden haaks op elkaar. Ze herkende het. Ze had ook jaren gezocht en geworsteld, maar ze bleef vasthouden aan alles wat ze kende. Natuurlijk lukt het dan niet om je leven een andere wending te geven. Natuurlijk blijf je dan vastlopen. Maar nu had ze wel gedurfd, ze had alles overboord gegooid en de toekomst die ze wou lag voor het rapen. Ze kijkt naar haar voeten die stap voor stap een spoor vormen en die cadans zorgt voor ruimte in haar hoofd. Af en toe roept ze de hond eens terug naast haar om te zorgen dat hij niet te veraf dwaalde. Zo kan ze op tijd ingrijpen wanneer hij onder de sneeuw toch een spoor van een fazant of haas te pakken krijgt. Maanden ervoor had ze voor het eerst gezien hoe een goede jager het was. De parelhoen zat in zijn muil. Ze had even gegruweld bij de gedachte dat het dier dood was, maar hij, de man van haar dromen had in al zijn rust en snelheid de parelhoen vanuit de muil van de hond bevrijd. Wat was ze verliefd op die man. En hij wist het, hij had het gevoeld, hij had ervan genoten, hij had eindelijk hoop op een beter leven. Maar plots was haar liefde een last geworden en had hij haar weggeduwd. Hij had gezocht naar een reden, maar geen enkele had haar overtuigd omdat hij zichzelf tegensprak. Op de duur zocht ze zelf een reden omdat het gemakkelijker zou zijn om hem los te laten. Ze begon zichzelf wijs te maken dat hij haar nooit mooi of aantrekkelijk had gevonden, dat hij haar eigenschappen eigenlijk niet bijzonder vond, dat hij gewoon verliefd was geworden omdat zij verliefd was op hem. Maar ook dat klopte niet, want hij had hààr veroverd. Dus ze wist dat ze niet anders kon dan aanvaarden dat het zijn verleden was die de kloof had veroorzaakt. En dat was moeilijk, want vechten tegen een verleden dat niet het hare was, hoe moest ze daaraan beginnen? Een kleine witte auto met een schattig meisje met bril aan het stuur komt de helling opgeklommen. Ze gaat even aan de kant met de hond. Als de auto zou slippen zouden zij veilig staan. De hond verliezen zou hij niet te boven komen en zij zou het zichzelf niet vergeven dat ze onoplettend was geweest. Ze vraagt zich af of dat meisje naar haar werk rijdt. Zelf mistte ze haar werk enorm. Het was nu bijna een jaar geleden dat ze haar ontslag kreeg. Het museum was haar eerste werkplek die als thuis aanvoelde. Het was ook de plek waar de liefde was ontstaan. Die magische werkplek achterlaten enkele maanden nadat ze haar gezin had in de steek gelaten om met hem een nieuw leven te starten was zwaar geweest, misschien wel te zwaar had ze deze week bedacht. Zelf was ze nooit met de auto gaan werken. Waar ze 45 jaar gewoond had zat ze vlakbij de stad en alles was te voet of met het openbaar vervoer bereikbaar. Maar hier moest ze wel terug leren rijden. En hij was erin geslaagd om haar zelfvertrouwen terug op te bouwen. De laatste weken vond ze het zelfs opnieuw fijn om met de auto te rijden. De angst was weg. Ze stapt verder en kruist een oudere man. Ze zeggen elkaar goedendag. Eigenlijk zou ze wel willen praten, want ze kent hier nog niemand. In haar vroegere thuis kwam ze om de haverklap wel iemand tegen waarmee ze een praatje kon maken. Maar de man ziet er niet aanspreekbaar uit. Dus loopt ze verder naar beneden en dan linksaf en terug naar boven. Die weg hebben ze deze zomer samen gelopen. Ze dacht dat ze het nooit zou uitlopen in die hitte, maar het lukte. Lopen was iets wat ze nooit wou doen. Ze zag het plezier niet. Haar broer, zus en schoonbroer liepen marathons, maar zij was altijd gewoon een wandelaar geweest. Hij spoorde haar aan om het eens te proberen en het beviel haar zo erg dat zij uiteindelijk diegene was die vroeg om te gaan lopen. Maar na een paar keren kwam daar ook een einde aan. Hij schrapte alles: boksen, lopen, culturele uitstapjes, uitnodigingen bij vrienden. Hetgeen overbleef waren verplichtingen: de zorg over de kinderen, het werk, verbouwingen en wat tijd voor de relatie. En dat was wat haar zorgen baarde. Dat tijd voor de relatie de voorbije maanden ook als opgave werd gezien. Dat hij niet meer zag dat dit misschien nog het enige was waar hij evenveel of meer bij terugkreeg dan hij erin stak. Ze wist dat hij te diep was gegaan en ze voelde haar mislukt dat ze het niet had kunnen tegenhouden. Het enige wat ze nu kan doen is zichzelf niet verliezen. Ze is gevoelig aan sferen. Te lang in de buurt van depressieven of nee-zeggers of pessimisten kan het licht uit haar ogen halen. De sneeuw is er echt wel op het juiste moment. Al drie dagen zorgt het steeds weerkerend proces van dikke vlokken en dan weer een helblauwe lucht voor hoop, een houvast. Haar leven had er anders uitgezien hadden haar ouders hun hart gevolgd. Maar haar ouders waren twijfelaars, uitstellers. Ze herinnert zich nog hoeveel keren ze op het punt stonden hun leven om te gooien. Op een avond zat daar een vreemde man met foto's en een kaart aan de livingtafel. De avonden erop werden alle pro's en contra's opgelijst. Zij was een jaar of 14 en probeerde zoveel mogelijk info mee te pikken. Het ging over een huis in Carcasonne. Ze snapte het allemaal niet goed. Waarom zouden haar ouders nu plots naar daar verhuizen en niet naar de bergen? Was het iets zoals een paar jaren eerder toen het aanbod kwam om een functie in Afrika te gaan uitoefenen? Nee, daar had het niets mee te maken. Hoe gingen ze dan werken vroeg ze zich af. De plannen werden van tafel geveegd net nadat zij toch een beetje enthousiast was geworden. Niet veel daarna kwamen de zwarte jaren. Er werd niet meer gesproken over naar de bergen verhuizen. In de plaats daarvan zaten bankdirecteuren aan de livingtafel en werd alles in het werk gesteld om de woonst en het buitenverblijf aan de kust uit handen van de deurwaarders te houden. Ze wou graag verder studeren en ging een studielening aan. In de weekends werkte ze en de eerste maanden loon van haar allereerste job in Antwerpen ging naar de afbetaling van de studielening. Het faillissement van haar vader, de problemen met haar zus en broer en de zorg over haar grootmoeder zorgden er uiteindelijk voor dat haar ouders nooit hun droom waarmaakten. En toen in 2020 haar moeder door een trombose volledig hulpbehoevend werd verdween ook de droom om veel te reizen achter slot en grendel. En nu waren het haar ouders die haar motiveerden om haar hart te volgen. Haar ouders die altijd hard gewerkt hadden en luiheid afgekeurd hadden zeiden nu dat ze op het werk niets moest bewijzen, dat ze er toch niets mee ging winnen. Dat ze haar tijd beter stak in profiteren, verlof nemen waar het kon, niet teveel verantwoordelijkheden nemen en meer voor zichzelf in plaats van voor een ander zorgen. Maar dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan als ijverigheid, verantwoordelijkheid en naastenliefde er met de paplepel ingegoten werden of aangeboren waren. Als kind hadden maatschappelijke problemen haar al wakker gehouden. De enige momenten waar ze echt helemaal tot rust kwam waren de twee weken paasvakantie in de bergen en de twee zomermaanden aan zee. Op die momenten kon ze ademen en in alle rust alles verwerken. Ook daarom was ze zo gelukkig toen ze iets meer dan een jaar geleden voor het eerst bij hem thuis kwam. Een huis op een helling met zicht op de lichtjes van de stad, een bos naast het huis en overal in de omgeving weiland en hellingen. De bergen in het klein. En een man waar ze met elke vezel van haar lijf van hield omdat hij voor haar simpelweg perfect was. Hier en met hem zou ze beter ademen. Haar rondje is uit. Ze gaat het huis terug binnen. De haard brandt. De avond valt. Straks verschijnen de lichtjes in het dal. Morgen is een nieuwe dag. En als ze opstaat en de living binnengaat, dan is daar die geur van 40 jaar geleden in haar favoriete huis in de bergen. Ze begrijpt er niets van, hoe die geur hier geraakt is. Maar waar die geur is, daar is haar thuis.            

Fien SB
18 2