Zoeken

Een relaxed ongeluk.

In Drimmelen lopen we door een smalle straat. Klopt dat? In het historisch Drimmelen lopen we door een smalle steeg. Nee, dat klopt niet helemaal. We zijn in Nederland om zijn nakende pensioen te vieren. In Drimmelen overnachten we in een nieuw hotel met zicht op de jachthaven. Dat klopt! Als je het ontslag dat hij gaf als zijn pensioen kan zien, klopt het volledig. We willen het vieren in het Nationaal park de Biesbosch waar we ooit een bootsafari deden, waar we erg van hadden genoten, waarom niet? Waarom niet volop genieten nu we nog jong zijn én fit? In de smalle steeg loop ik achter hem aan maar niet als een hond, als zijn vrouw wandel ik in schaduw maar niet in het donkere gedeelte van mijn persoonlijkheid, ik kuier ontspannen want niets ergert mij. Ik voel me licht en blij en zie wat ik moet zien: een zwarte kat! Ze rent de weg over, zo snel rent ze de weg over, ze lijkt te willen dat ik haar (of hem) maar even zie, lang genoeg om te vermoeden dat er geloof mee is gemoeid. Ik ben jouw bijgeloof. Ik ben zwart, en wil geen affectie! Dat lijkt de kat te willen zeggen. 'Iemand die bijgelovig is, zou dit oversteken interpreteren als een ongeluk', zeg ik. Hij reageert niet. Ongeveer een uur later bereiken we het museum dat in het groen verscholen ligt. Er ligt een pak mos op het dak. We smeren ons in, trekken de veters strak aan. Ergens op de met gras omzoomde weg is een onzichtbaar putje waar mijn voet in terecht komt. Ik raak uit evenwicht, en val terwijl ik vloek. Mijn hele linkerbeen is geschaafd, het bloed druppelt uit de wonde, een buil manifesteert zich.  Wanneer we na tien kilometers stappen bij de auto zijn, is de buil verdwenen en het bloed droog. Ik wrijf over de wonde, voel iets zacht in mijn hand. Ik kijk maar zie niets dat mij verrast. In het restaurant is het moeilijk kiezen, we kunnen toch niet elke keer een slaatje eten met deze hitte? Hij vraagt hoe het met mijn been gaat. Goed, zeg ik. Zijn hand gaat onder tafel, grijpt naar mijn gekwetste knie, streelt de pels die daar als een relaxed ongeluk groeide. Klopt dat?

Ingrid Strobbe
0 0

Bezet

‘Er is plaats zat.’ Veerle en ik stommelen met onze koffers en rugzakken de wagon binnen. We installeren ons knus op twee brede tegenoverliggende banken. De trein hijgt zich krakend en piepend op gang, als wordt hij uit een diepe slaap geschud. Een Belgische trein in Maastricht.  Ik kijk rond in de zo goed als lege wagon. Op de bank naast ons zit een broos bejaard dametje, gehuld in een te wijde beige regenjas. Op haar smalle schoot staat een te grote bruinleren handtas. Haar grijze lokken zijn opgestoken in een oma-dotje. Wakkere oogjes achter een hoornen bril kijken ons onderzoekend aan. Ik knik. Ze grijpt haar tas iets steviger vast.  Ze zit recht tegenover het toilet. Het rode lampje brandt fel en geeft zo een frivool tintje aan de schaars verlichte treincoupé. Buiten miezert het alweer. Snelle stappen. Een jongeman klampt zich vast aan de handgreep van de gesloten deur als aan een reddingsboei. Nerveuze klopjes terwijl hij heen en weer wiegt.  ‘Je ziet toch dat het bezet is! Even ophouden!’ keft het vrouwtje met een zwaar Limburgs accent. Met dichtgeknepen billen en waterige ogen drentelt de jongen nog een paar minuten en druipt dan zuchtend af. Ik heb met hem te doen. Hopelijk is er nog een tweede WC op dit korte treinstel.  ‘Hij zit daar al van minstens drie haltes geleden,’ richt het besje zich tot ons. ‘Een oud mannetje. Met een hele grote boodschap, haha. Misschien voelt die zich niet lekker, zijn tikker of zo.’ Ze laat haar woorden op ons inwerken. Snuift dan. ‘Iemand zou dit de treinbegeleider moeten melden, toch?’ Ze kijkt me vol verwachting aan. Ze beleeft nog eens wat, zo.  Een eind verder op het gangpad verschijnt een blauwzwarte kepie. Ze merkt het niet. Maar ik blijf zitten. Hij komt nog wel deze kant op. We zwijgen alle drie, luisteren naar de stilte, die als een slang vanonder de gesloten deur sluipt, en het ritmisch gedender van de wielen nog versterkt. Plots schettert marsmuziek uit de tas van het omaatje. Na twee coupletten lang scharrelen duikelt ze een mobieltje op. ‘Ik kom er zo aan,’ gromt ze, met een blik alsof ze net vóór de ontknoping van de film de zaal uit moet.  Tegen zijn zin komt de trein knarsend tot stilstand. Eijsden. Ze grabbelt naar haar tas. Stapt fluks uit zonder ons nog aan te kijken. Twinkelden haar ogen?  Wij dragen nu de verantwoordelijkheid over het bezet toilet. Over hoe de film afloopt. Ik verzin scenario’s. De noodrem, de ambulance, onze aansluiting in Luik gemist. Veerle en ik onder kruisverhoor. ’Misschien is hij enkel in slaap gevallen,’ probeer ik. Of is het een zwartrijder.’ Veerle knikt onzeker. ‘Reisbewijzen alstublieft.’ Ik zet me schrap. Zoek bevend de tickets op mijn smartphone. Probeer zo gewoon mogelijk te klinken, en knik nonchalant naar de toiletdeur. ‘O ja, er zit blijkbaar al een hele tijd iemand op, volgens een mevrouw hier.’ Ik wijs naar de vage afdruk op de lege bank.  ‘Oh, niet mogelijk,’ lacht hij in gebroken Nederlands. ‘Ik heb het deze morgen afgesloten, wegens defect. Heb ik ook aan die madame hier gezegd.’ Ik bloos. Natuurlijk. Hij scant onze tickets, twee bliepjes. Dan monkelt hij, ‘Elle vous a bien eu, eh.’   (gepubliceerd in Alice, literaire katern bij Schrijven Magazine, nummer 03 2025)

Dirk Otte
11 1

De treden zullen niet meer weten wie je bent

Ik sta in het huis waar we lang samen gewoond hebben. Na een lange werkdag en een avondspits van jewelste. Ik geraak niet verder dan de hal. De geur is veranderd. Alsof je hier nooit geweest bent. Het ruikt naar mij, naar kattenbak en ik merk ook toetsen appelshampoo op, waarschijnlijk afkomstig van de handdoek die ik vanmorgen nog snel in de gang over de trap heen drapeerde bij het vertrekken.  Toen je vertrok nam je meer mee dan ik aanvankelijk dacht. Planten, meubels, je geur, de recepten die je me nooit uitgelegd had, je aanwezige ouders, je ongevraagde meningen en oplossingen voor alles waar ik gewoon een knuffel voor wou. De stapel leeggoed die razendsnel leek te groeien, de chaos in de papiermand en vaatwas. De orde op alle oppervlakken. De T uit “thuis”.  Je liet me achter in het huis, een woning, een gebouw. Zonder ziel. Zonder liefde. Met onvolledige inboedel.  Wist je dat -naast de geur van een huis- ook de klank zo vreselijk verandert na iemands vertrek? Alsof alles een echo, elke klank een schaduw, heeft? Soms lijkt het een voordeel, dan lijk ik door de herhaling minder alleen.  Ik zet me neer op de trap en trek mijn schoenen uit. Nu je er niet meer bent hoeven die niet in de kast op stok gezet te worden. Ik laat ze van de trede vallen en kijk hoe ze daar roerloos blijven liggen.  De trap kraakt wanneer ik me langzaam rechttrek. Het heeft naast iets geruststellend ook iets heel zwaar. Want jouw gekraak - de trage passen, zwaarder dan de mijne, gedecideerd - die zal de trap nooit meer verspreiden. Ze blijven wel kraken. Zonder jou.  “Het is hier weer akelig stil, vind je niet?” “...” “Je zou denken dat het wel went, na zo’n tijd, maar dat is voorlopig nog niet het geval, vrees ik.”  “...” “Weet je nog hoe het vroeger was? Het gekraak groeide mee in het tempo van de kinderen. Tot het stilaan wegebde toen ze hun eigen weg vonden.” Ik kijk er melancholisch bij, mijn ogen zoeken de muur af naar de vegen van kinderhandafdrukjes die ik nooit afgekuist heb. Er moet toch iets overblijven van het gezinsleven dat zich hier jarenlang afgespeeld heeft.  De kat maakt zijn intrede, vlijt zich tegen mijn been aan en verliest daarbij heel wat vacht die zich aan mijn bezwete been hecht.  “Miauw.” “Gelukkig ben jij er nog.”   - - - De tekst waarmee we aan de slag gingen:   Straffeloos - Toon Tellegen   Ik zal je vergeten en weer ontmoeten Ik zal je vergeten, ontmoeten en weer vergeten En ik zal je weer ontmoeten   Ik zal je vergeten en weer vergeten en weer vergeten ik zal wandelen door dozijnen parken lichtgroene, violette en roze parken, onopvallend in de regen   ‘s Avonds zal ik je weer vergeten   De treden zullen niet meer weten wie je bent Maar ze zullen kraken De voordeur zal weer aarzelen.

annakdotes
12 0

U hebt Europeïsme

Nadat hij voor de zoveelste keer de bons had gekregen – deze keer was hij te impulsief geweest volgens zijn ex-vriendin – besloot Milan met een dokter te gaan praten, want misschien lag het toch aan hem. Hoewel hij wist dat hij eerst een afspraak diende te maken, bij voorkeur gebruik makend van het daartoe voorziene, erg handige online consultatiesysteem, was hij meteen na zijn date richting zijn huisarts vertrokken. Het zou toch niet de eerste keer zijn dat er iemand tussenuit viel. Terwijl hij zijn tranen verbeet, peperde Milan zichzelf in dat dit géén impulsieve beslissing was maar een pure noodzaak, het kon niet langer wachten. ‘Dag dokter.’ ‘Gaat u zitten,’ sprak de dokter eentonig en hij nam een pen ter hand, zette zijn bril, die een opvallend montuur had zowel qua vorm als qua kleur, op zijn rechte neus en richtte zich op een vel papier dat geklemd zat tussen een klembord. Het verbaasde Milan dat een arts anno 2026 nog zo’n attribuut gebruikte, maar het vulde hem ook met respect. Bovendien gaf het hem het gevoel serieus te worden genomen. Iets waar hij al zo lang naar verlangde, iets wat hij in zijn relaties miste.‘Vertel het eens, waar hebt u last van?’ stak de dokter van wal, en hij zette de punt van zijn pen verwachtingsvol in de linkerbovenhoek van zijn A4’tje. ‘Wel, het is niet zo dat ik ergens pijn heb,’ begon Milan, ‘maar het is ook niet zo dat ik nergens geen pijn heb.’ De dokter liet een kuch ontsnappen die hij vakkundig opving in zijn behaarde vuist, en zonder zijn patiënt aan te kijken, ging hij verder.‘Maakt u zich ergens druk om?’ Daar moest Milan even diep over nadenken. Uiteindelijk zei hij iets in de stijl van ‘ik weet het niet’. ‘Hoe voelt u zich op dit moment?’ ‘Redelijk goed, maar…’ ‘U bent hier natuurlijk niet zomaar’, maakte de dokter zijn zin af. ‘Wat is het dat u doet van werk?’ ‘Ik werk voor een bedrijf.’ ‘Juist, ja.’ De dokter kribbelde enkele dingen op zijn papier en onderlijnde zo goed als alles wat hij net had neergeschreven. De laatste woorden werden zelfs dubbel onderlijnd. Helaas kon Milan niet lezen wat er stond. Hij werkte dan wel bij een bedrijf, erg bedrijvig was hij niet. Allerminst in handschriften lezen, laat staan die van dokters en ondersteboven.‘Hoeveel mensen werken er in uw bedrijf?’ ‘O, maar het is niet mijn bedrijf, ziet u. Ik ben maar een werknemer. Ik denk dat er om en bij de vijftig mensen werkzaam moeten zijn.’ ‘Wat is juist uw titel of functie?’ ‘Ik ben recent gepromoveerd tot floor manager.’ De dokter keek voor het eerst op van zijn klembord en keek Milan indringend aan. ‘Floor manager? Bent u van het onderhoudspersoneel?’ Hij toonde een goedbedoelde glimlach, maar noteerde verder, dus Milan besefte dat de dokter een grap maakte.‘Kan u mij eens een gewone werkdag beschrijven?’ Milan vertelde dat hij rond 7u ’s morgens opstond, het nieuws las, een douche nam, een ei bakte, een glas melk dronk en een gezonde smoothie maakte van selder, appel en kiwi voor in de auto. ‘Is er tot dan toe een moment waarop u zich niet goed voelt?’ ‘Nee. Of jawel, wanneer ik het nieuws lees, dat is soms heftig op een lege maag. En ja, in de auto soms ook.’ ‘Ja, we zijn niet gemaakt voor de ochtendspits.’ ‘Nee, dokter, nu ja, u hebt gelijk, maar dat bedoelde ik eigenlijk niet. Kijk, ik rijd met een Tesla, van het bedrijf – anders zou ik nooit een Tesla hebben gekozen – u begrijpt allicht dat de huidige omstandigheden rond dat merk me opzadelen met een schuldgevoel van zodra ik de wagen start.’ De dokter gaf blijk van antwoord met een monotoon geluid, waarvan Milan niet met zekerheid kon zeggen of de man het nu wel of niet begreep.‘En daarna? Wanneer u arriveert op uw werk…?’ gebaarde hij door met zijn pen enkele kleine cirkels in de lucht tussen hen beiden te tekenen. ‘Euh… Dan ga ik naar binnen door de glazen deur, neem ik de lift naar de achtste verdieping en ga achter mijn bureau zitten.’ ‘Ja?’ ‘Ja.’ ‘En wat doet u daar dan?’ ‘Dan doe ik mijn werk. Of wat wil u zeggen?’ ‘Kan u me zeggen wat dat is?’ zei de dokter, terwijl hij zichzelf een kop thee inschonk. Milan wilde iets antwoorden, maar vond plots geen woorden. Hij aarzelde en zei ten slotte dat het nogal complex was om zo even de inhoud van zijn job te omschrijven, vooral aan iemand zonder ervaring met dit soort werk. Maar wat hij zeker wist, is dat er veel mensen baat bij hadden. ‘Probeert u toch maar.’ Milan deed verwoede pogingen om exact te beschrijven wat hij daar een hele dag deed maar had niet het gevoel dat hij daarin slaagde. Hij viel over zijn eigen tong, verhaspelde woorden die hij niet kon vertalen, twijfelde over de betekenis van sommige woorden, sleurde er termen bij die hij eigenlijk zelf nooit helemaal heeft gevat. ‘Goed. En dan is het lunchtijd? Hoe verloopt dat?’ ‘Meestal ga ik naar beneden, naar de eetzaal, maar het gebeurt ook dat ik buiten iets ga eten. Soms praat ik met collega’s, soms scroll ik wat op mijn telefoon…’ ‘Waarover wordt er gesproken?’ ‘Gewoon, over de staat van de wereld, of over onze job.’ Opnieuw onderstreept hij iets.‘Bon. Ik ga u enkele korte vragen stellen en u moet even bondig antwoorden, zonder te veel na te denken. Zal dat lukken denkt u?’ Milan knikte. ‘Daar gaan we. Vraag één: voelt u zich soms heel klein, zo klein dat u nergens deel van uitmaakt?’ Milan knikte opnieuw. ‘Is uw leven nodeloos ingewikkeld? Zou u alles willen geven om het eenvoudiger te maken?’ Milan knikte hevig. ‘Ja, dit is helemaal mijn wens!’ ‘Vindt u het allemaal te groots? Vraagt u zich soms af waar het kleine geluk is gebleven?’ ‘Ja!’ ‘Hecht u veel belang aan de natuurlijke gang der zaken?’ Omdat Milan niet meteen met een antwoord kwam, keek zijn interviewer hem aan door zijn opvallend roze bril, waarvan het montuur onderaan een dikke rand had en bovenaan geen rand, waardoor het leek alsof de drager enorme wallen had. Het was ook daardoor dat Milan zich niet op de vraag kon concentreren, hij stelde zich vragen bij dit brilontwerp.‘Als u daarmee bedoelt dat ik de oude waarden respecteer, moet ik daar volmondig ja op antwoorden.’ ‘Hebt u op dit moment een relatie?’ ‘Nee, en dat is eigenlijk ook waarom ik hier ben.’ ‘Hoe is de relatie geëindigd? Wat was de reden?’ ‘Zij heeft er een punt achter gezet omdat ik een grens was overgegaan.’ ‘En geeft u haar gelijk?’ ‘Wel, ik wist zelfs niet dat daar een grens lag! Ze zei iets van dat ik te impulsief was.’ ‘Interessant.’ Opnieuw noteerde hij enkele dingen. ‘En hebt u spijt?’ ‘Ja, ook al vind ik niet echt dat ik schuld tref, kan ik een groot schuldgevoel niet van me afschudden. En dat gaat niet enkel over deze relatie, dokter. Ik heb het gevoel dat ik mijn verleden constant meedraag. Alsof ik er niet vanaf geraak. Begrijpt u? Aan de andere kant kan het me ook allemaal niet zoveel schelen.’ ‘U bedoelt dat u de andere de schuld geeft?’ ‘Nee, ik bedoel dat ik niets voel. Helemaal niets. En die combinatie, dat schuldgevoel en die totale leegte, dat vond ik niet gezond. Daarom dacht ik dat ik eens met een dokter moest spreken.’ ‘En helpt het?’ ‘Ja, het doet deugd om er eindelijk met iemand over te spreken. Kan ik misschien een wekelijkse sessie krijgen, althans voorlopig?’ ‘Dat zal niet nodig zijn,’ sprak de dokter gedecideerd, en hij trok een horizontale lijn onderaan het papier en legde het klembord voor zich op tafel. ‘U lijdt duidelijk een acute vorm van Europeïsme.’‘Europeïsme? Wat is dat?’‘Tja, dat weten we niet.’ ‘En nu? Wat moet ik ertegen doen?’ ‘Er valt weinig tegen te doen, vrees ik.’ ‘Kan ik dan helemaal niets doen?’ ‘Het hangt af van hoeveel u nu al doet’ zei de dokter met de stem der gewoonte.‘U kan, om maar iets te noemen, het nuttigen van een maaltijd bijvoorbeeld gaan bekijken als iets volstrekt functioneels, in plaats van iets dat genietbaar moet zijn. Maar het is bijzonder moeilijk om die switch te maken. Hoe zit het met uw alcoholinname?’ ‘Euh, ik drink graag een glaasje, maar geen excessieve hoeveelheden.’ ‘Mijn advies is dat u uw inname verhoogt tot dagelijks enkele glazen, ofwel volledig stopt met alcohol drinken.’ ‘Ik drink eigenlijk vooral als er andere mensen bij zijn.’ ‘Probeer eten los te koppelen van sociale interactie. Eet en drink zoveel mogelijk alleen. Koop grote merken, of ga naar de markt. Koopt u uw fruit en groenten volgens het seizoen?’ ‘Nee, maar ik weet dat het beter is voor het milieu.’ ‘Ja, maar niet voor uw mentaal welzijn! Stop ook met koffie drinken. Schakel over op thee, of alcohol natuurlijk. Schrap brood van het menu en eet uitsluitend rijst. Het is ook aangeraden om vroeg op te staan, tussen vijf en zes uur. Doe aan yoga of neem tijd voor een uitgebreid, liefst warm, ontbijt, met de belangrijke toevoeging dat u niet geniet van het eten, maar het als een natuurlijk proces beschouwt.’ ‘Oké, dank u dokter. En wat met het werk? Is het eigenlijk besmettelijk?’ ‘Besmettelijk?’ spuugde de dokter, waarbij Milan hoopte dat de dokter zelf niet met een besmettelijke ziekte rondliep.‘Het is een ware pandemie! Iedereen van uw leeftijdscategorie die hier binnenwandelt zonder duidelijke fysieke klachten schrijf ik hetzelfde voor.’Hij scheurde een briefje van een notitieblok, krabbelde er iets op en schoof het over de tafel in de richting van Milan. Zoals het een dokter betaamt, was het totaal onleesbaar. ‘Excuseer, dokter, maar wat staat er?’ ‘Drie weken Blankenberge, in Hotel Transit,’ sprak het heerschap, en Milan bemerkte een lichte trots in die woorden, alsof hij hiermee eer opstreek. Milan draaide het briefje om, al wist hij wel dat er niets op de achterkant stond. De dokter ging verder: ‘Boek een kamer in dit hotel, volpension, geen zicht op zee, dat is belangrijk. Maar als u dit briefje aan de receptie toont, weten ze genoeg.’ Ja maar, wat moet ik daar dan doen?’ ‘Zo weinig mogelijk. Lees geen boeken, bezoek geen musea en praat met zo weinig mogelijk mensen. Zeg enkel het strikt noodzakelijke. U hoeft niets te vinden of te kiezen, niets te voelen of te begrijpen. Als u toch enige gedachten of gevoelens zou ontwikkelen, meldt u zich meteen aan de balie.’ Milan keek de dokter vertwijfeld aan en keek dan nog eens naar het briefje in zijn hand.‘En dit zal me helpen?’ ‘Nee. Maar dat is niet het punt. De meeste patiënten knappen zichtbaar op. Niet omdat ze zich beter voelen, maar omdat ze ophouden met zich vragen te stellen of het beter kan. Wanneer u terug bent, evalueren we de situatie en kijken we na of u vatbaar bent voor betekenis.’ ‘En als dat zo is?’ ‘Kijk, zulke vragen zal u hopelijk niet meer stellen. Dan verlengen we de kuur.’De dokter nam zijn klembord weer op.‘De volgende!’

Lennart Vanstaen
3 0