Zoeken

Novembervers2 - Flierefluiter op de dijk (meer dan een vers)

De man, op de dijkrand balancerend, slaat doelbewust de bankjes gade. Nonchalant wandelt hij naar het bankje waar een jonge vrouw zit te genieten van haar laatste uurtje zeegroen uitzicht, haar rugzak onder de bank gedeponeerd, voor ze terug naar huis treint. Gespeeld verbaasd blijft hij voor haar staan en roept uit: “My God, is that you?” Hij ploft naast haar neer en ratelt verder, zichzelf Brit wanend. Ze herkent dat zangerig accent van haar eigen roots en dat verraadt hem. Hij zit dichtbij waardoor zij hem haar rug toont en zo blijft zitten. Hij stapt niet op. Integendeel, hij schuift dichterbij, flirtend, denkend dat het aanslaat. Van lieverlee zet de vrouw zich weer recht maar schuift twee-handen-breed verder weg. Ze besluit, tegen beter weten in, hem een kans te geven. Ze vraagt hem in het Nederlands over wie hij het heeft. Van verbazing – in zijn arrogantie beseft hij niet dat er intelligente vrouwen bestaan – begint hij in het Nederlands, overschakelend op Engels, hopend dat hij de situatie kan redden. Zwetend zoekt hij naar woorden terwijl hij denkt dat dat mannelijk, ergo aantrekkelijk is, zeker tezamen met die schuurpapieren wangen. Ze gebiedt hem in het Vlaams verder te gaan. Het venijn in haar stem valt hem natuurlijk niet op. In een volgend cliché uit zijn arsenaal over hoe ze eruit ziet, een reistypetje, hoopt hij alsnog haar voor zich te winnen. Ware het niet dat een voorbij huppelend kind hem doorheeft en zijn papa luidkeels op de ruzie wijst. In een laatste poging zijn gezicht te redden, pseudo-grapt hij; “Maken we het goed bij een koffietje?”De volgende seconde kijkt hij haar na, haar rugzak bengelend over haar ene schouder waarbij haar laatste woorden, rood aanlopend uitgeschreeuwd, nazinderen. “Er is geen wij!” Ze verdwijnt tussen de massa, richting station.

Anemos
1 1

Stenen vondst

Hoe lang zou het duren voor de stenen vielen? De slapende lichamen leken als zware zandzakken neergelegd tussen de grashalmen. Hoe koud zouden ze het hebben? Ik vroeg het me af. Ze leken wezenloos en als ze dat nog niet waren, zou de laagste rotsblok daar voor zorgen. De vrouw zal het vast warmer hebben gehad, tussen de modder en het lichaam bovenop haar. Waarom zagen ze er in hemelsnaam zo vredig uit? Was ik in een fantasyfilm terechtgekomen?Dat beeld van de lichamen in de modder met die rotsen boven hen tartte elke verbeelding, zelfs de mijne. De lichamen, over elkaar heen, in het slijk tussen het gras. Ver boven hen ontwaarde ik licht- en donkergrijze tinten in een wolkenstreep waar een zwarte kraai rond cirkelde. Uit de wolk vertrok een touw naar beneden, dubbel gebonden rondom een reuze rotsblok. Het touw daalde verder naar een lagere blok, strak omheen vastgeknoopt. Hoe lang zou het touw het houden? Zou de vogel de koord doen knappen? Het geblaf van de hond van mijn buren, Henri en Elise, leek wel een door God of zijn universum gezonden teken. Abrupt werd ik wakker en schoot recht in de zetel met een nog onwerkelijk gat ergens tussen de fantasy en de concreetheid van het wakker zijn. Met de belofte hun hond dit weekend tijdig uit te laten en eten te geven, had ik de gemeenschappelijke deur tussen onze twee tuinen opengelaten. Ik woonde hier nog niet zo lang en meestal ben ik de laatbloeier in een nieuwe omgeving. Maar in hun hartelijke gastvrijheid zwom ik spontaan mee. Ze leken de artistiekelingen van de wijk, beetje doorleefd voor hun nog jonge leeftijd, dat wel. Toch trok hun optimistische aard me wel aan. En een wederdienst voor het mooie vrolijke tuinhek, waar zij voor gezorgd hadden, leek me wel passend. Beter een goede buur dan een verre vriend, al ken je ze nog niet zo goed, toch? Nu gromde en blafte de hond hees, helemaal anders dan zijn vraag om een wandeling, eten of een spelletje. Toen ik buitenkwam, rende hij als een pijl uit een boog weg.  Wat zou dat toch in hemelsnaam zijn? Bijna over mijn eigen voeten vallend, volgde ik hem. Hij was sneller, zelfs doorheen de witte muur van mist. “Laaassie!”, riep ik zijn schelle blaffen na. Was er een naam die meer cliché klonk? Het geblaf ging plots over in een gehuil. Ik was heel dichtbij. Tot ik versteende. Werd de fantasy vanop de warme zetel toch echt? De modder, het koppel, over elkaar heen gelegen, het vredige aanzicht… Ik keek naar boven, knipperde met mijn ogen; geen rotsblokken aan een touw te zien. Zucht! Lassie draaide hijgend rondjes, rende het stukje tussen het paar en mij op en neer en sprong dan tegen me aan. Voorzichtig zette ik een stap in die richting. Er gebeurde niets. Nog een stap. Nog niets.“Hallo!” Mijn stem piepte. “Haaallooo!!” Dat ging al beter.Nog twee stappen en ik was bij hen. Gebiologeerd door de bijna lieflijke houding van de twee mensen. Tot ik iemand hoorde gillen. Mijn eigen stem! Ik liet me op mijn knieën vallen. Ik trok eerst aan de man, rolde hem op zijn rug en sleepte toen de vrouw van de modderplek weg. Lassie jankte nu zachtjes, tussen de twee lichamen in gezeten. Toen zag ik het zelf pas. Een verlammende realiteit, zoals ze daar lagen; met hun gezichten naar boven, nog nauwelijks ademend, blauw en bleek tegelijk. Wie moest ik eerst reanimeren? Henri of Elise?

Anemos
0 0

Suffen met de lichten aan - Ian Smeets (deel II)

  Je moet het sommige artiesten vergeven dat ze de meest stupide teksten eruit kramen, al zit de muziek zelf soms best wel okee. Ik ben al wat ego’s gewend, maar die megalomane b-shit van ene FloChet, een Franse tiest die het wil maken in de States, was er toch wel ver over. Zijn artiestennaam: een samentrekking van zijn echte naam. In 2014 kwam hij met een waggel rockepos in een melige Jean-Michel Jarre kosmosomspannende verhaallijnstijl, waar hij zich blijkbaar de zendeling/Schepper-jongeling waande van de Aarde. Hilarisch idioot, en nauwelijks te pruimen, tot daar aan toe. Met dat enkele nummertje dat muzikaal wel goed zat, maar waar hij dan die pompeuze tekst in neerplofte, subtiel, als een zak cement die je in een zetel gooit.  De tekst sloeg nergens op; bijeen gehusselde woorden die tegen elkaar aan botsen, eerder bedoeld om een sentiment over te brengen dan om iets zinvols te betekenen. En dan dat megalomane refrein: “Wat heb ik toch met de Aarde gedaan, ‘k hoor niks meer. Dat de zon ons vult met lood; dat ze eindelijk brandt. Hier gaat alles goed, maar in de laatste seconde, zal ik ver weg zijn.”  ??  “Waar gaat dit over, FloChet?”, vroeg ik hem. “Ben je een tijds slash ruimtereiziger die zich als een lafbek uit de voeten zal maken als de Aarde door de zon, die in supernova gaat, wordt gefrituurd? Of, ben je zelf verantwoordelijk voor de ondergang van de Aarde, en in dat geval, wie denk je dat je bent? Le Christ français? Le petit dieu au lieu? Aardes persoonlijke godje?” Het lag op m’n tong, maar ik hield het maar voor mezelf. Hij zou het waarschijnlijk niet pikken. Hij wauwelde een eind in de stijve ochtendbries die je eind oktober dikwijls hebt in New York. De nazomer uitgehuwelijkt aan de eerste kou. Ik had het raam open gezet omdat ik z’n ego te groot voor de ruimte vond en ik z’n pretenties niet nog langer kon verdragen.  “Do you mind, FloChet?”, vroeg ik hem een beetje hautain. Ik opende het raam zonder op zijn reactie te wachten. Hij had óns gecontacteerd in de hoop op een goed artikel, dus kon ik me  wel wat permitteren. Z’n platenfirma had trouwens advertentieruimte bij ons aangekocht om z’n paar luizige optredens in de stad aan te kondigen. Blijkbaar had Advertising er meteen een interview in een all-in-pakket bij gegooid. Maar niemand verplichtte me om lovend te schrijven over die gast, dat respect was er gelukkig nog.  Ik wou die worm niet teveel lof toezwaaien, niet omwille van dat ene verteerbare nummer! Maar wou hem ook niet te veel te kakken zetten, want, hoewel Advertising zich niet met ons moeit, doet onze hoofdredacteur dat wél. En aangezien hij elke maandagmorgen -van alle dagen- met hen samen zit, komen hun tegen de groeirichting in geschoren, tandglazuuraanvretende, irritante rotopmerkingen vroeg of laat wel in ons bord terecht. Dan heeft hij zogezegd een kritiekje in z’n mouw zitten. Wat zei hij achteraf weer over het FloChetstuk? “Het deed de man geen recht. Muzikale spielerei, wat ben je dom dat je dat hebt gemist. Icoon, begraven onder z’n Franse cultstatus. Charmante kerel, op de koop toe, weggeblazen van een wolk zenuwrelaxend gas.” FloChet had worst aan het artikel, liet hij op z’n facebookpagina weten. “Die domme Amerikanen met hun hamburgercultuur begrijpen er niks van”.  Ik heb je muziek ondertussen voorgesteld aan een grote vibratorfabrikant, FloChet. ‘Qu’est ce que j’ai fais au monde. J’entends plus rien’, als de batterijen bijna op zijn. Petit con.   [...]

Dan Fauré
1 0

Rendez-vous met de A-listers - Ian Smeets (deel I)

  Door een misverstand -verdomd die assistente weeral!- moet ik haar eerst toch nog gaan ophalen en vervolgens met haar naar het hotel rijden waar het interview zal plaatsvinden. Universal, ik herken het gebouw. Ik rij tot aan de stoeprand aan de hoofdingang en laat de ruit zakken terwijl zij naar de auto toeloopt.  “Miss Johansson?”, roep ik haar toe. Uit beleefdheid uiteraard, want als je het wil maken in deze business moet je sterren herkennen van op 200 meter afstand. Hun ego’s krenken omdat je niet onmiddellijk een uitdrukking van hartelijke, warme herkenning op je gezicht kan toveren, kan je je uiteraard niet permitteren.  “Hi, I’m Ian Smeets, your interviewer”. Ik gooi m’n hand haar richting uit, ze schudt er voorzichtig aan. Verbazend genoeg gaat ze naast me zitten.  Ik leg haar de situatie nogmaals kort uit, hoewel de assistente haar ondertussen uitvoerig zou moeten hebben gebriefd, zich verhaspelend in haar woorden omwille van de I’m-sorries die ze tussen elke twee zinnen in wrong.  De ganse rit sloof ik me voortdurend voor haar uit. Overvriendelijk en overbegripsvol luister ik naar elk brokje gemurmel dat langs haar lippen passeert, bang te vragen of ze iets luider wil spreken.  “Scarlett”, zegt ze snoepjeszoet. “Call me Scarlett”.  Ik wring er een penibel lachje uit dat moet zeggen: “Wat ben je toch veel te goed voor deze wereld, Scarlett, dat de neet Ian je met je voornaam mag aanspreken!”  Aan het hotel aangekomen, loopt de assistente met een mapje onder de arm en met veel paniek naar ons toe. Ze trekt het portier met geweld open. “Follow me miss Johansson! Please! We have everything completely worked out for you!”.  Ik stap uit, maar blijf wat dralen rond de auto want waar moet die nu naartoe? De assistente kijkt om en maant me aan hen zo snel mogelijk bij te benen. Ik moet hollen om hen in te halen. Ze leidt ons een zaaltje binnen.  Ik haal m’n dicteerapparaat uit m’n binnenzak. De lange draad van m’n micro blijft ergens aan haken. Na twee minuten geklungel met de jas, de micro en een derde obscuur voorwerp dat zich ineens in de opgekrulde draad moest gaan nestelen, zet ik me eindelijk tegenover haar. Ik durf haar nauwelijks te vragen of ik het toestel mag aanzetten. Ik kuch, trek de revers van m’n jasje in positie en steek van wal; dat alles met die begripsvolle smile op m’n face.  “Al die uitsloverij!”, denk ik.  Ik moet haar constant het gevoel geven alsof ze de meest fantastische persoon op Aarde is dat ik me na tien minuten geheel uitgeknepen en ontmenselijkt voel. Een slaaf van haar roem en dat gigantische aura dat daar door de samenleving omheen wordt gebreid. Dat is niet meer op glad ijs lopen; dat is je begeven op een melkmuilen, millimeterdun vloeipapiertje waar niet het minste kreukje in mag komen door die olifantenpoten waar jij je zo meesterlijk elegant van kunt bedienen.  “Het is nog altijd beter dan die rocker die dacht dat hij het schoon licht zelve was”, bedenk ik me als ik in een vieze Newyorkse taxi terug naar de redactie trek. Ontluisterend, na het gezelschap van Gods eigen gift aan de categorie Engelachtige Creaturen. Engelachtig, rotverwend en gekrenkt door een blaadje dat op de verkeerde manier langs haar heen dwarrelt. [...]

Dan Fauré
2 0

Vol van genade

Het was al donker toen één van de politiemannen me vond. Ik had me verstopt omdat ik bang was en Hendrik niet meer bewoog. Ik kende ook de weg naar huis niet; Hendrik had me meegenomen naar het bos en me de klimboom laten zien. Toen de politieman en ik uit het bos kwamen, zag ik mama en papa. Mama zat te huilen in een politiewagen en papa liep rond met zijn handen achter zijn nek en was de hele tijd aan het uitademen. Een vrouw die bij de politie was, gaf me een flesje water en zei dat het niet erg was dat ik me verstopt had; ik had Hendrik toch niet meer kunnen helpen. Ik zei haar dat Hendrik uit de boom was gevallen. De vrouw knikte en zei: 'Dat weten we.' Daarna bracht ze me naar een ambulance en wachtte terwijl een dokter mij onderzocht. Toen de dokter klaar was, gaf de vrouw me een boterham met kaas uit haar brooddoos. Ik at de boterham op en ook de korsten en de graantjes erop. Mijn handen waren vuil. _______________________________________________________________________________________________ Ik bleef logeren bij oma en opa. Ik moest niet naar school en mocht de hele dag met Lego spelen, opa helpen werken en de hele dag koeken eten. Af en toe kwamen mama en papa langs, om te praten met oma en opa. Dan zette oma de televisie voor me op. Wanneer mama en papa weer weggingen zeiden ze dat ik weer naar huis mocht komen als ze met alles klaar waren.  Wanneer ik Opa hielp in de tuin of in de schuur, begon ik soms te huilen. Ik huilde om wat er met Hendrik gebeurd was of omdat ik mama en papa miste en soms zomaar. Opa zei dan dat ik naar oma moest gaan. Oma knuffelde me dan tot ik geen tranen meer voelde en opa weer mocht gaan helpen. Wanneer ik ’s avonds niet kon slapen, kwam oma bij me in bed zitten en bad stilletjes een rozenkrans terwijl ze door m’n haren wreef. Dan sloot ik mijn ogen en luisterde hoe ze 'wees gegroet Maria, vol van genade, de heer is met u,' fluisterde, tot ik in slaap viel. _______________________________________________________________________________________________ Op de begrafenis voor Hendrik waren veel mensen en ook de school was er. In de kerk moest ik vooraan naast mama en papa gaan zitten. Toen ik op het podium aan de microfoon iets moest vertellen, ging papa met mij vooraan staan. Oma had me gezegd dat ik geen slechte dingen mocht vertellen, dus vertelde ik hoe Hendrik me leerde voetballen en niet over hoe we vaak ruziemaakten omdat ik altijd in het doel moest staan en Hendrik veel te hard op mij probeerde te trappen. Ik vertelde dat ik Hendrik miste, maar dat ik ook een beetje blij was omdat hij nu andere kinderen in de hemel kon leren voetballen.  Toen we naar buiten gingen, zei mijn juf dat ik mooie dingen had gezegd en kreeg ik van de kinderen uit mijn klas een grote tekening. ’s Avonds spreidde ik de tekening bij oma en opa uit op de tafel en raadde ik wie wat had getekend. _________________________________________________________________________________________________ ’s Nachts stond ik bij oma en opa in de slaapkamer omdat ik weer niet kon slapen. Oma stond op terwijl opa luid verder snurkte. Oma veegde mijn tranen weg en stopte me weer in bed. Ze kwam naast me zitten,  wreef door mijn haren, liet de kralen van haar rozenkrans tegen elkaar tikken en begon stil te bidden. Toen zei ik dat ik Hendrik uit de boom had geduwd. Oma stopte even met haar rozenkrans en zei: '’ts niet erg, jongen. ’t Is niet erg.' Daarna bad ze verder en viel ik in slaap.  De volgende ochtend aten opa en ik om ter meest pannenkoeken met suiker. Ik at er vijf en ik won. Daarna kwamen mama en papa mij halen. Ze waren klaar.

Levi Heusdens
0 1

Baratzeartea

(verhaal vanuit het perspectief van het boek) Iemand haalt mij uit het kastje. Ik ben benieuwd. Het is een oudere man. Hij ziet er wat sjofel uit en praat in zichzelf:  ‘Nu weet ik het weer. Die Johan, wat een schrijver. Gelukkig heb ik altijd van de Franse taal gehouden anders had ik het merendeel van de dialogen niet begrepen.‘ Hij legt mij terug en mompelt: ‘Na al die jaren ben ik nog steeds verzot op dat godendrankje van de Basken.’Ik weet waarover hij het heeft. Ik tel tweehonderdtachtig bladzijden en precies in de helft op pagina honderdveertig drinken mijn protagonisten voor de zoveelste en niet voor de laatste keer Izarra, de kruidenlikeur. Wie het drankje toen nog niet kende, ging na mij te hebben gelezen steevast op zoek naar een slijterij waar het spul in zijn groene of gele versie verkocht werd. Respectievelijk twee en vijf jaar na mijn eerste druk in 1963 werden mijn oudste voorgangers verfilmd: De man die zijn haar kort liet knippen uit 1947 en De trein der traagheid uit 1950. Het waren opgemerkte werken die in de Nederlandstalige literatuur het magisch realisme introduceerden: het mysterie van het leven proberen te vatten, verscholen achter de realiteit van het oppervlak. De term werd voor het eerst gebruikt in de schilderkunst tijdens de periode van de Weimarrepubliek in Duitsland.In die laatste film speelde de beroemde acteur Yves Montand. Wat heb ik er altijd stilletjes van gedroomd om ook verfilmd te worden. Ik had ze mij al voorgesteld, de acteurs die mijn personages zouden vertolken. De vijftiger kwam natuurlijk wat de leeftijd betrof overeen met mijn schrijver, maar mocht er naar mijn mening iets knapper uitzien. Voor de jonge Nederlandse student had ik een verblindend mooie jongen met staalblauwe ogen en wapperende blonde haren voor ogen. Oeps, wat gebeurt er. Een vrouw van rond de zeventig opent het kastje. Ze praat tegen een tiener en verklaart dat onlangs op talloze plekken deze uitleenmeubeltjes werden geplaatst. Eenieder kan er boeken in deponeren. Ze reikt naar het boek naast mij en legt het jonge meisje uit waar het over gaat. Het meisje spreekt haar aan met oma. Ze zet het boek terug, kijkt me aan en zegt: “Kijk, Baratzeartea. Dat is een boek van Johan Daisne. Ik heb mijn exemplaar verleden jaar weggeschonken aan de leesclub samen met alle boeken die nog in de kast van opa stonden nadat hij overleed.”Ze neemt mij uit het kastje en ik voel een hete traan over mijn eerste pagina vloeien. Plots herken ik haar blik en haar zachte handen. Zij is het die op die pagina schreef : 1 januari 1976- In mijn bloed zingt mijn liefde voor jou. Uit dank voor je onbaatzuchtige liefde en al je goede zorgen.“Wat een toeval, het is het boek dat ik aan jouw opa gaf nadat ons tweede kindje geboren werd.”“Bedoel je tante Laura, oma?”“Neen, eerst was er jouw mama, maar ons tweede dochtertje is doodgeboren. Pas daarna kwam Laura.”“Wat erg. Dat heeft mama mij nooit verteld.”“Ach, meisje, voor alles komt een tijd. Je wordt nu al wat groter en kijk, nu weet je het ook.”“Mag ik het meenemen, oma?”“Daarvoor ben je dan weer wat te jong om dit boek te lezen, maar ik zal het bijhouden voor later.”Terwijl ze in de droeve ogen van haar oma kijkt, neemt het meisje mij vast. Ze heeft dezelfde zachte handen van haar grootmoeder.“Wat een prachtige illustratie staat er op de omslag. Wie heeft die getekend?”“Vooraan in het boek staat meestal een naam onder omslagontwerp.”“Hij heet Stefan Mesker, maar hier staat Voor Marthe. Wie is dat?”Oma weet dat het de tweede echtgenote is van mijn schrijver. Als ik kon praten, zou ik haar troosten en zeggen dat ook hij een dochtertje verloor. Ze was amper drie maanden oud. De pijn verwerkte hij in verschillende boeken en dichtbundels.     

Vic de Bourg
7 1

De uitnodiging

Ik speel Ground van Henry Purcell op de vleugel en krijg een chatbericht. ‘Het is nummer negenentwintig en je drukt op de belknop als mijn naam op het schermpje verschijnt.’ Ik stop met spelen, trek mijn jas aan en loop naar de auto.  Naast me op de passagiersbank ligt een gevulde plastic zak. De straatlichten floepen aan, schemering vult het dorp en een ijskoude januarilucht kruipt rond de gevels van de slapende huizen. Ik rij de stilte van de straat uit en zie in de achteruitkijkspiegel de rode daken, de lang geleden gevoegde bakstenen, de luiken die nooit gesloten zijn. Ik moet denken aan zeer oude wijn.    Waar ik heenga zal het anders zijn. Hoe anders zou ik echt niet weten. Ik kan het alleen sterk vermoeden, afgaand op de verhalen van de laatste weken.      De Vlaamse landschappen liggen aan mijn voeten terwijl ik de heuvel waarop ik woon afrijd, naar het dal waar de hoofdweg ligt. De Grote Steenweg, hij doorklieft de dorpen en bepaalt er genadeloos wat nog kan en wat niet meer kan. In Nederland, overpeins ik, zijn hoofdwegen aangelegd rond de dorpen zodat het er rustig blijft. Ik rij opzettelijk traag, tegen mijn gewoontes in, wil graag langzaam de oude wereld achter me laten.    Ik word gebeld en herken de ingestelde beltoon die de makers ervan ‘optimisme’ noemen.    ‘Help! Er ligt een man op het dak van de loft naast de onze. Wat moeten we doen?’    ‘Wat doet die man daar?’    ‘Het lijkt wel een zelfmoordpoging, hij kan daar alleen belanden door te springen vanaf het hoger gelegen platte dak.’    ‘Bel best de politie en de brandweer. En hou me op de hoogte.’    De traagheid van de Grote Steenweg alweer.  De chatbeltoon laat zich weer horen. Ik krijg een filmpje over de rellen van gisteravond rond het voetbalstadion. Dat is neergepoot middenin een woonwijk, als een olifant in een kamer, als wou men een eerbetoon brengen aan de chaos in de stad die ooit dorp was, de stad waar ik heen rij.  Ik bekijk het filmpje terwijl ik rij, langzaam tussen twee vrachtwagens in.    Een tweede telefoontje. ‘Ik wou nog zeggen dat er op de middenberm geen plaats is om te parkeren want daar is net een auto in de fik gegaan en de politie heeft de volledige parking afgesloten.’ We praten verder en ik vraag me af hoe je dat benoemt, het gevoel dat je krijgt als een stem klinkt als is ze van iemand die je al heel je leven kent.    Het wordt drukker. Weiden en akkers maken plaats voor baanwinkels, appartementsblokken, restaurants, betonnen afsluitingen en verkeersborden. Langzaam maar zeker nader ik de Grote Oversteek. Als een hangbrug ligt het viaduct tussen hier en ginder boven een kluwen van autostrades, een voorproefje van de georganiseerde chaos die me wacht. Eens aan de andere kant doemt de grootstad voor me op, het reusachtige beest en zijn duizenden gevels, nachtelijke uitspattingen, verkeerslichten, lawaai van auto’s en trams en veelkleurige mensenzeeën. Alleen de Grote Steenweg draagt nog dezelfde naam als aan de overkant. De overkant, achter mij, wordt een herinnering aan warme witte dagen.    De telefoon rinkelt optimistisch. ‘Het is hier alweer niet te doen van de stank, ik zeg het je maar zodat je straks niet schrikt. Maar we weten nu vanwaar het komt: van twee eettenten in de buurt die nota bene geen vergunning hebben en niet in orde zijn met de milieuwetgeving. In het buurtcomité hebben we gisteren beslist om juridische stappen te zetten, we hebben ook contact met verschillende kranten en vorige week heb ik nog vergaderd met de bevoegde ambtenaar. Dus voilà.’ Een vlaag van jaloersheid overvalt me, ik krijg heimwee naar mijn activistische jonge jaren, wil meedoen met het buurtcomité, op de barricaden staan en gerechtigheid doen geschieden. Maar ik ben van de overkant, zal ik toegelaten worden?    ‘By the way, de man is van het dak gehaald door de politie. Hij is de brandstichter op de parking en was in paniek de daken opgevlucht na een ruzie met zijn vrouw. Hij zit nu in de cel.’    Ik laat me opslokken door het beest en onderga de rode lichten, dubbel geparkeerde auto’s, kapotte straatlampen, oranje lichten, loeiende sirenes van ambulances en politiewagens. Het begint te regenen, nee te stortregenen. Ik draai de laatste straat in en onder oude hoge bomen zonder bladeren schuif ik aan in de file, de laatste honderd meters, ik zie nu het wrak van de uitgebrande auto op de afgesloten parking. De natte kasseien zijn bezaaid met vernielde parkeerborden, halve badkamers, kapotte stoelen en tafels, opengereten zwarte vuilniszakken, gebroken bierflessen en rottend keukenafval waaraan vogels zich te goed doen . Een smerige parkeermeter hangt schuin uit de grond als een verdorde plant die in betere tijden gezaaid werd en zich nu nog even tracht recht te houden. Onder een boom liggen twee hoestende mannen gewikkeld in versleten dekens. Zo was het altijd al, heeft ze me gezegd. Ik ben in de hoofdstad.    En ik heb geluk: enkele straten verder vind ik een parkeerplaats, net voor een Oosters uitziend supermarktje. Ik stap uit, trek mijn regenjas aan en prop er de plastic zak in. Dan leg ik alle andere spullen in de kofferruimte zodat niets meer zichtbaar is vanaf de straat.  Door de gietende regen rep ik me naar het opgegeven adres.  Daar sta ik voor een statig boulevardgebouw met drie verdiepingen, dat uit de vorige eeuw lijkt te stammen. De imposante gevel in Franse steen en classicistisch ogende ramen doen me even achteruit deinzen. Daarboven een leien dak en mansardes zoals je ze overal in Parijs ziet. Het geheel is gracieus en doet me de vierbaansweg vol toeterende auto’s en de smerige middenberm achter mij vergeten.  Ik zie een metershoge poort van glas en smeedwerk, gemaakt met bladmotieven, in bladgoud en platina verguld en verzilverd. Naast het huisnummer bevindt zich een schermpje waarop je al scrollend de namen van de bewoners kan zien. Ik zie haar naam, druk op de bel en wacht.    Er gebeurt niets.    Ik druk nogmaals op de bel en net op dat moment opent iemand van binnenuit de poort en stapt naar buiten. Ik glip naar binnen, sluit de zware poort achter mij en sta in een donker portaal. Voor mij ontvouwt zich een mix van beton, rode bakstenen, fruitbomen, paden in betonnen cirkels, beplantingen en kruiden, hoge ramen en beplante groendaken. Het geraas van de stad verstomt, alleen de regen laat zich horen. Ik waan me in mijn dorp dat ik een uur geleden verliet.    Ik stap verder, niet wetend waar naartoe. Plots hoor ik geroep. Ik kijk om me heen, dan naar boven.  Door een raam kijken drie hoofden me aan. ‘Neem hier de trap tot op de tweede verdieping’ galmt het. Ik duw een glazen deur open en zie voor mij een gang en een stenen trap die me doet denken aan de trappen van het schooltje toen ik zes was.  Ik klim langsheen een afgebladderde muur, passeer een groene deur en een rode brandblusserkast. Twee hoog kan ik niet meer verder en sta ik voor twee gesloten deuren. De linkse gaat plots open en ik zie haar staan, geflankeerd door een jongen en een meisje. Die lijken te komen uit een land waar het elke dag van het jaar tropisch warm is. Met een glimlach zoals je ze niet meer ziet dezer dagen.      ‘Kom maar binnen en doe je jas uit,’ zegt de jongen.    ‘De manager,’ zegt ze lachend.    Zonder jas en met de plastic zak in mijn hand loop ik mee naar binnen. De loft is gedempt verlicht, muren in ruwe baksteen en betonnen plafonds maken het geheel bijna sacraal.  Door hoge zwarte ramen zie ik de lichten van de stad. Op een lange tafel staan verse bloemen en aperitief-ingrediënten, een stoofpot pruttelt op het gasfornuis. Ik draai me om en zie een gedekte tafel, feestelijk. Acht kaarsen branden in een barokke kandelaar. Het servies, het bestek en de wijnglazen zijn van een mij onbekend merk. Tegen een muur staat een zwart gelakte buffetpiano. Een kat slaapt in een sofa. Hier komt nooit iemand te laat, flitst het door mijn hoofd.    ‘Voor jullie,’ zeg ik en overhandig haar de plastic zak. Ze kijkt erin en roept: ‘O, walnoten, daar ben ik dol op. Wij hebben ook een notenboom. Komen ze uit je tuin? ’    ‘Ja,’ lieg ik enigszins. Ze komen uit mijn tuin, ginds, aan de overkant. Daar liggen ze voor het rapen, onder de overhangende takken van buurman’s boom. ‘Je woont hier prachtig, heel bijzonder.’    ‘Het was honderd jaar geleden een edelsmederij,’ legt ze uit. ‘We troffen een ruïne aan, stripten alles en maakten het bewoonbaar. We werken hier ook. Een stadskanker werd een woon-werkoase.’    ‘Met water dat eeuwig stroomt,’ mompel ik.    ‘Nee,’ zegt ze, twee gevulde wijnglazen van de tafel nemend, ‘met zeer oude rode bordeaux. Gezondheid.’ We proeven voorzichtig.       Ik speel Purcell op de piano. Hij klinkt anders hier, helderder.  

Dries Deleenheer
0 0