Zoeken

De gemiste roeping

Luister, lieve kindertjes, naar het korte sprookje van het spookje. Lang, heel lang geleden, toen ik nog jong en onschuldig was, zat ik zomaar wat rond te kijken. Mama deed de was. De behendigheid waarmee ze dat deed, zal ik nooit vergeten. Zo rustgevend, dat hele proces van vies en vuil naar proper en net, van chaos naar geordend, via de wasmachine naar de wasdraad naar het strijkijzer of de tafel en uiteindelijk kreukloos opgeborgen in de kleerkast ...  Ze propte de wasmachine niet vol, maar ze 'vlijde' het wasgoed er zachtjes in. De was ophangen gebeurde niet aan een zijden draadje maar aan een ziedend tempo, in volle concentratie, met twee vliegensvlugge handen, heel af en toe met één oog dichtgeknepen en met één wasknijper in de mond. Na positieve weerberichten van haar weergoden Pien of Pelleboer op de radio was het zover. Tenzij er geen wolkje aan de lucht en dus geen risico was, al heb ik haar meer dan eens naar buiten zien spurten nadat er geheel onverwachte druppeltjes op het keukenraam pletsten. De schuld van Pien en Pelleboer, die hun goddelijke status dan 'weer' voor een tijdje verloren. De regen hield haar niet tegen om de was alsnog geordend en gestructureerd van de draad te halen. De volle wasmand waarmee ze daarna naar binnen kwam gelopen, zag er nog steeds keurig uit. Zo typisch. Bij een ander is perfectionisme goed te verdragen, bij iemand waar je van houdt is het wondermooi om te zien. Het prachtigste was het plooien. De behendigheid waarmee ze dat deed was werkelijk adembenemend. Ware kunst vond ik dat. Hoewel ze het ongelooflijk eenvoudig deed lijken, durfde ik er zelf nooit aan te beginnen. Pas nu, een paar decennia later, plooi ik af en toe hooguit een handdoekje of een paar sokken. Omdat ik van mezelf weet dat ik niet de handigste ben en omdat het contrast met mijn moeder me op zulke momenten telkens weer parten speelt. Zo ben ik, de perfectionist die lijdt aan een verlammende variant. Ik kan het nooit even perfect, waarom zou ik er dan aan beginnen? Het wordt immers sowieso een teleurstelling.  Vol bewondering keek ik toe. Het stapeltje gevouwen beddengoed klom het hoogst. Ineens stropte het behaaglijke plooiritme, bij een wit laken dat aan de randjes een beetje uitgerafeld was. Ze plooide het desondanks mooi op, maar net iets minder onberispelijk dan anders. Daarna legde ze het wat apart op de rand van de tafel, bijna vlak voor m'n neus. Ondertussen mompelde ze iets over papa, knippen, vodden om zijn fiets te kuisen en dat hij toch nooit iets kon weggooien. 'Dat hij er zijn plan mee trekt,' grolde ze nog na. Ze hield ervan om tegen zichzelf pratend de was te doen, maar té lang moest het nu ook weer niet duren. Dan werd ze een tikkeltje sikkeneurig en verlangde ze naar een kopje koffie.  'Mag ik dat afgekeurde laken niet hebben?' vroeg ik plots. Ze keek me aan alsof ze niet eens gemerkt had dat ik in haar nabijheid vertoefde. Met grote ogen, alsof ik net m'n eerste woordjes had gezegd. Verrast, verbaasd en op een vreemde manier een beetje vrolijk. 'Jij? Wat kan jij daar mee doen?' 'Spookje spelen,' zei ik resoluut. 'Ik knip er gewoon twee gaten in om door te kijken. Hoe moeilijk kan het zijn?'  Het was niet zomaar een ingeving. Spoken fascineerden me. In mijn fantasie konden ze vliegen, onzichtbaar worden, door muren lopen en mensen schrik aanjagen.  Mama lachte en gooide het laken in mijn richting, waarna ik de schaar nam en naarstig en vol ongeduld aan het karweitje begon. Bij het eerste gat dat ik wilde knippen liep het al helemaal mis. Veel te groot. Ik kon er mijn hoofd wel doorheen steken. Dat deed ik dan ook.  Ik ging rechtstaan en opeens scheen de zon felle stralen op m'n gelaat. Het leek een verheven moment, hét tijdstip voor een ingeving. Ik word priester, dacht ik. Spelenderwijs.  Spook of priester, wat maakt het ook uit? In de voetsporen van Jezus kan het ook best fijn zijn. Je kon hem misschien wel vergelijken met een spook. Jezus kon ook vliegen, anders was hij nooit in de hemel geraakt. En zich onzichtbaar maken was evenmin een probleem, want tijdens eucharistievieringen zei de pastoor altijd dat hij bij ons was, terwijl ik 'm nooit heb gezien. Door muren lopen en de mensen schrik aanjagen? Piece of cake voor Jezus. Gelovige mensen zijn immers godvrezend. Dat waren ze vast niet zonder reden. Nog veel meer dan spoken kon hij. Van water wijn maken bijvoorbeeld. Kon ik dat ook maar. Verder dan druiven pletten met m'n blote voeten was ik nooit geraakt, ook al omdat ons ma pas naar de markt was geweest, me betrapte in de badkuip met de pas aangekochte tros witte druiven en me ogenblikkelijk een andere fruitsoort liet ontdekken. De muilpeer.  Daar stond ik dan. Danny de priester in zijn kazuifel. Om het helemaal af te maken haalde ik mijn vaders rode sjaal uit z'n kleerkast en drapeerde die rond m'n schouders. Dit werd serieus. Ik speelde geen priester meer, nee, ik wás een priester. Ons ma leek mijn roeping wel goed te keuren en stemde in met mijn verzoek om nog een tweede laken te gebruiken als tafelkleed voor de tuintafel, mijn altaar. Mijn dikke sprookjesboek met 365 verhalen ('Een sprookje voor elke dag van het jaar') zette ik geopend op een boekstaander. Het was de bijbel waaruit ik mijn evangelie zou voorlezen. Ik profiteerde van de situatie door een kommetje chips (normaal voorbehouden voor weekendavonden) als schaal hosties te gebruiken en de mooie pseudosacrale beker die ik van mijn meter had gekregen voor mijn eerste communie vulde ik met cola, mijn miswijn. Zo was ik er helemaal klaar voor. Daar stond ik dan. Maar wat nu? Uiteindelijk wist ik niet zo veel van eucharistievieringen. Tijdens zondagse kerkbezoeken lette ik eigenlijk nooit op. Dagdromen ja, zoals steeds, en mensen observeren. Meisjes vooral, als die er waren. Wat ik wel eens gehoord had, was dat er gesproken werd over vergeven en vergeten. Dat wist ik nog, dat je dat als goede christen moest kunnen. Vergeten had ik al lang onder de knie. Mijn hoofd speelde voortdurend met pietluttigheden en raakte soms zo vol dat de ogenschijnlijk belangrijkere dingen er af en toe pardoes uit geknikkerd werden, of ik dat nu wilde of niet. Dat vergeten zat dus wel snor.  En vergeven? Ook daar was ik een kei in. Een tijdje geleden hadden we nog Chinees gegeten. Was ik dol op. Eerst garnalen in looksaus en daarna babi pangang. Achteraf lag dat hele zootje nogal zwaar op de maag. Toen ik eindelijk een verlossend, niet zo geluidloos maar nog veel minder geurloos scheetje had geproduceerd, riep onze pa dat ik heel het huis had vergeven. Een natuurtalent, zoals ik al min of meer zei. Zo moeilijk kan zo'n mis dus niet zijn, besloot ik, en ik brabbelde en zong zomaar wat in de rondte. Met m'n handen gespreid las ik voor uit mijn grote sprookjesboek en te gepasten tijde, of om eerlijk te zijn vooral te ongepasten tijde, vrat ik van de chipserige hosties en zoop ik van de miscola.  Zonder publiek stelde het geen zak voor, dus een weekje later, na nog wat oefenen, besloot ik de missionarishouding aan te nemen om een vriendenkliekje van twee straten verderop te bekeren en te amuseren. De voorstelling in hun tuin, met tuintafel, sprookjesboek, kom chips en beker cola was een voltreffer. Ze lagen immers al in een deuk toen ik m'n kazuifel met sjaal aantrok en deed alsof mijn beker gevuld was met echte miswijn. Als priester focuste ik instinctief op de kleine kantjes van het mens-zijn met veel lust voor alcohol en vrouwelijk schoon. Ik veinsde dat ik dronken was en klokte sloten cola achterover. Wat later, net na een uitgebreide preek over zondig onzedig gedrag, wreef ik begerig over de ontblote linkerknie van een van de twee kortgerokte meisjes uit het publiek. En het mocht! Ik deed het nog een keertje, nog langzamer, met m'n tong ostentatief uit m'n bek bungelend, omdat ik zogezegd dronken was. Priestertje spelen was nog leuker dan doktertje spelen! 'Geweldig, Danny!' lachte de oudste en grootste van m'n gelovigen achteraf, toen we voor het zingen de ingebeelde kerk uitgingen. Hij sloeg z'n arm om me heen. 'Kom eens even mee.' Ik gehoorzaamde en liep hem achterna tot achter hun huis. Daar verkocht hij me een flinke stomp in m'n maag. 'Je hebt je eerste en laatste mis hier opgedragen, vies ventje, en in het vervolg blijf je met je vunzige poten van m'n zus, of je volgende mis wordt je eigen begrafenis. Begrepen?'  Dat had ik. Een paar dagen later was onze pa vodden aan het knippen van mijn priestergewaad en nu stond hij er de velgen van zijn fiets mee op te blinken.  En ik? Ik keek nog wat verder rond. Mijmerend over m'n relatief korte verleden en m'n hopelijk nog lange toekomst. Nog geen idee wat ik later worden wilde. Alleszins geen priester. Geen meisjes? Geen seks? Daar heeft niemand celibaat bij.

Danny Vandenberk
0 0

Blauwe olijven

Wat is het toch een prachtig fenomeen, onze seizoenen. Ze komen en gaan en bepalen elke dag ons doen en laten. Bij de eerste zon moet er een nieuwe korte broek worden gekocht, want die van vorig jaar is afgeschenen door de zon. Maar dan die tl-buizen onder de korte broekspijpen. Daar is nog werk aan.  Dan heb je het eten. In de zomer zetten we niet hetzelfde op het fornuis en op de tafel als in de winter. Alhoewel, sommige zaken smaken altijd.  In de supermarkt vind je altijd alles. Maar we proberen die seizoenen in ere te houden. Vader had in zijn hof ook niet hele jaar door prinsessenbonen. Die ging na de oogst de diepvries in, zodat we ook in de andere seizoenen een stukje zomer binnenkregen.  Onze olijfbomen geven elk jaar petieterige olijven. Mooi om te zien, maar niet geschikt voor consumptie. Ik fietste naar de winkel, want een spaghetti alla puttanesca zonder olijven is als een ochtend zonder koffie. Het werkt niet. In de koelkast stonden nog groene exemplaren, maar voor deze pasta zijn het de andere. Ik vond ze niet meteen in de supermarkt.  “Kan u me zeggen waar de blauwe olijven staan?”, vroeg ik aan de vriendelijke medewerkster. “Euh”, stamelde ze. “Kom maar even mee. De olijven in blik en glas staan daar.” We waren er vlakbij. “Kijk”, zei ze. “Dat zijn de groene en daarnaast de …” Ze pauzeerde even. Alsof ze op me wachtte. “De zwarte. Zoekt u die?”  Natuurlijk. Zwarte olijven. Welke idioot heeft het nu over blauwe olijven? Ik kon me wel met een blik olijven of het hoofd slaan. “Ja natuurlijk”, zei ik. “Zwarte olijven, die bedoel ik.” Ik stootte een schaapachtig lachje uit. Het was meer mekkeren dan lachen.  Mijn geheugen beleefde wellicht een zwarte zomerdag. Het kan gebeuren.

Rudi Lavreysen
7 1

Aan dhr. Rudi Garcia, bondscoach van de Rode Duivels

Geachte heer Garcia U bent momenteel zowat de meest besproken persoon in ons Belgenland. Gewoon omwille van het feit dat u enkele keuzes moet maken die het landsbelang overstijgen. Zijnde: een ploeg samenstellen die de tegenstander doet beven van angst.  Omdat de eerste keer niet echt gelukt is, wil ik graag wat advies geven. Laat me beginnen met iets dat slechts zijdelings met het voetbalspel te maken heeft. Namelijk uw outfit. Terwijl de voetballers er bij officiële gelegenheden als echte mannequins bijlopen, had u zich tijdens de eerste wedstrijd van het WK, hoe zal ik het zeggen, een beetje met de Franse slag aangekleed. U had duidelijk snel wat bij elkaar geraapt. Een katoenen hemd, een rode plastron en een blauwe pet. Die rode plastron is een leuke knipoog, maar als de mussen door de extreme warmte dood van het dak vallen, laat u die best achterwege. Waarom geen frisse polo in plaats van dat hemd met lange mouwen? Ze hebben bij de voetbalbond voor elk grassprietje een functie in het leven geroepen, maar een stylist voor de coach hebben ze precies niet. En er zijn nog van die dinges. Maar laat ons naar het spel kijken. Mijn buurman Ömer, die in zijn vrije tijd de jeugdspelers van ons dorp training geeft, is het best geplaatst om voetbaladvies te geven. Hij heeft slechts één advies voor u. "Hij moet Hans Vanaken in het spel brengen, al vanaf de eerste minuut", vertelde hij in café De Kiezel. "Dat is een valse trage, maar dat zijn de gevaarlijkste spelers." Sta me toe om ook zelf enig speladvies te geven. Misschien kent u Guy Thys nog, de man die ons naar de halve finales van Mexico '86 loodste. Ik heb hem op de bank - met de sigaar in de mondhoek - iets horen zeggen dat u dezer dagen goed kan gebruiken. Hij riep eenvoudigweg dit: "Allez, tempo en pressen hè mannen." Ik heb het voor u even naar het Frans vertaald: "Allez, du rythme et du pressing, les gars!" Een gouden raad. Nu ik eraan denk, ik heb bij de bevalling van onze jongste ook tegen mijn vrouw "Allez, tempo en pressen hè schatje" gezegd, omdat ik die avond eigenlijk nog naar een zettersprijskamp moest. Maar dat viel niet meteen in goede aarde. Afijn, ik ben er zeker van dat dit advies u zal helpen. Ik wens u veel succes. Bonne chance!  Ondertussen verblijf ik, met de meeste hoogachting Désiré Dinges  

Désiré Dinges
29 0

AI en ik

De dag dat ik, na maanden van ‘letterstilte’, eindelijk mijn laptop open deed, liep er een ijskoude rilling over mijn rug. Het voelde alsof íets me dwong. Alsof de woorden er gewoon uit moesten. Geloof me, ik ben nu niet meteen het type dat in witte jurken door mistige velden danst en fluistert over ‘de universele leiding’. Nee, geef mij maar een loep, een scalpel, en een degelijke wetenschappelijke verklaring, en dan kom ik er meestal wel uit. Op een creatieve manier, toegegeven. Maar toch. Toen AI kwam aanwaaien – met haar perfecte zinnen, haar vlekkeloze stijl, haar literaire bovenkamer die de onze in één seconde inhaalt – viel mijn pen even stil.Waarom zou ik nog zweten over een alinea als een robot het beter kan? Sneller? Pijnlozer? Ik heb het allemaal laten bezinken. Ik keek toe. Films, reclame, apps, animaties, songteksten, zelfs muziek – alles zuigt zich vol met algoritmes. AI is overal. En op het eerste gezicht neemt ze álles over. Maar toch.  Er is dat ene randje. Dat gekartelde. Dat niet-gladgestreken. De scheefte. De vlek. De vingerafdruk. De fout, godzijdank. Ons heerlijk incapabele vermogen om te knoeien, te vallen, te herstellen, te groeien als een wildgeworden klimop tegen een scheef huis. Kijk naar de natuur: chaotisch, onvoorspelbaar, adembenemend. Niemand die dat namaakt. De krachten die er heersen, de biologische drang die alles ondersteboven gooit om er even later weer iets van te maken – dat artificiële geklungel blaast ze weg. Dat is van ons. En dat zal ons nooit worden afgepakt. Dus ben ik terug in de pen geklommen. Kruipend, een beetje roestig, maar met de koppige overtuiging dat niets – maar dan ook niets – mijn eigen, rare, scheve, eerlijke stem kan vervangen. Mijn schoonheidsfoutjes. Mijn menselijkheid. En die ijskoude rilling, die duidelijke stem die me dwong om terug te schrijven? Die kwam niet van AI. Die kwam van de natuur, van onze natuur. Uit het vaatje van menselijkheid waar wij tot in de eeuwigheid uit zullen blijven tappen. AI mag af en toe een handje toesteken. Geen probleem.  Maar ik ben en blijf de kapitein van mijn eigen schip!

Heidi Schoefs
7 1

Paddentrek

Er zijn niet veel momenten waarop ik mijn gedachten kan uitschakelen. Zeker niet nu. Door een licht ontvlambare wereld heb ik het gevoel constant aan te staan. Dingen gebeuren niet langzaam maar onmiddellijk. Niet ergens, maar overal tegelijk. Ze bouwen niet op of werken zelden ergens naartoe. Ze vallen aan en prikken in je hoofd, steken in je hart en kruipen onder je huid. Toch zijn er ook momenten die me toelaten even helemaal niets te denken. Ergens in mijn lichaam zit een knop waar ik me niet van bewust ben. En gelukkig is er iemand die er af en toe op drukt. Ik fietste van mijn werk naar huis en trapte zoals gewoonlijk stevig door, ook al was er op de terugweg niet echt een reden voor. Het was al behoorlijk donker en alles en iedereen die me passeerde deed dat met een overdosis licht en geluid. Elk licht was verblindend. Ik was bijna thuis, ik moest alleen nog een stukje door het Rivierenhof. Aan de ingang stond een bordje dat ik later erg dankbaar was. Er stond: Pas op! Paddentrek. Pas je snelheid aan! Omdat ik een brave burger ben, vertraag ik. Op hetzelfde moment springt mijn verdacht pientere Spotify op een heel rustig neo-klassiek stuk: Even out (+) van Stars of the Lid. Alles vertraagt. In mijn gedachten, die een hele dag van hot naar her hebben gespurt, beginnen zich zachte beelden te vormen. Als een schilderij dat langzaam vorm krijgt, of handen die een draaiende klomp klei tot een vaas boetseren. Stress over oorlog, stijgende gasprijzen, woekerende klimop in mijn tuin, nakende examens en overvolle weekschema’s verdwijnen en maken plaats voor schoonheid. Ik zie mezelf in andere dimensies, terwijl ik trager fiets dan ik zou wandelen. Met een kop dampende thee zit ik in de zetel naast mijn vrouw. We kijken naar Stargåte SG1. Ik wandel door de sneeuw, die kraakt onder mijn schoenen. De hemel strooit gulzig met witte vlokjes zodat het mijn zicht op het bevroren meer een stukje belemmert. Ik ben op een eiland in Stockholm, helemaal alleen. Ik fiets de laatste bocht in. Nu zie ik mezelf met mijn dochter. We wandelen naar school. Zou ik mee naar boven mogen? Meestal wil ze dat niet, want ze is groot nu. Ze neemt mijn hand, en ik besef dat ze dat onbewust doet. Ondertussen ben ik het park uit. Ik sta voor het rode licht. Ik beweeg zachtjes heen en weer, alsof ik op een bootje in zee dobber. Maar er staat geen wind. Het is de tijd die me doet wankelen.

Lennart Vanstaen
4 0

Vind je ikigai!

Nadat de verbouwingswerken aan onze achtergevel eindelijk achter de rug zijn, hebben onze buren het plan opgevat hun voorgevel te renoveren en dat zorgt wel voor een flinke dosis frustratie en lawaai. Omdat ik vaak van thuis uit werk aan cursusmateriaal, neem ik dan ook liever mijn toevlucht tot rustiger oorden, waar ik niet met voorhamers of drilboren om de oren word geslagen. Vandaag heb ik echter een onderbroken dag. Ik moet mijn zoon rond half elf van school halen, met hem naar Borsbeek fietsen voor een afspraak bij de orthodontist en hem dan weer terugbrengen. Hij had al bedisseld dat hij met mij zou lunchen en dat ik hem pas daarna zou afzetten aan de schoolpoort. Hij wilde even rust. Daar kan ik alleen maar begrip voor opbrengen.In de wachtzaal heb ik een uur tijd om wat te werken, dus ik klap mijn laptop open en begin te werken terwijl ik wacht tot mijn zoon klaar is. Naast me zit nog een andere man, vermoedelijk ook een wachtende vader, maar hij moet geen cursusmateriaal maken. Wat hij wel doet weet ik niet, maar het zorgt voor een irritant ping-geluidje om de halve minuut. Wanneer ik na enkele pings subtiel naar hem kijk, heeft hij de boodschap gelukkig begrepen. Vijf minuten later komt zijn zoon beneden en ze lopen het gebouw uit. Eindelijk rust, denk ik. Ik heb mijn vingers nog maar net op het klavier gezet of er waait een lawaai binnen. Het klinkt als een half dozijn bladblazers, die de gevel van de wachtkamer komen stofzuigen, maar het voelt zwaarder, de tegelvloer onder mijn voeten dreunt. Tegelijkertijd, alsof de trillingen van buiten ervoor verantwoordelijk zijn, begint de frisdrankautomaat die enkele meters verder staat ook een zoemend geluid af te geven. Schuin boven mij aan de muur hangt een rek vol magazines. Evi Hanssen lacht me toe. ‘Soms wil ik even helemaal niets’, zegt ze. Boven haar hoofd staat in het groot ‘Vind je ikigai’. Het boekje belooft tien tips om die gemakkelijk te vinden. Heel even twijfel ik om het magazine uit het rek te nemen, maar ik hoor dat mijn zoon klaar is. Ik heb geen idee wat een ikigai is of hoe het eruitziet, maar ik vermoed dat je het alleen in Limburg aantreft. Zeker niet in Deurne of Borsbeek.

Lennart Vanstaen
5 2

U hebt Europeïsme

Nadat hij voor de zoveelste keer de bons had gekregen – deze keer was hij te impulsief geweest volgens zijn ex-vriendin – besloot Milan met een dokter te gaan praten, want misschien lag het toch aan hem. Hoewel hij wist dat hij eerst een afspraak diende te maken, bij voorkeur gebruik makend van het daartoe voorziene, erg handige online consultatiesysteem, was hij meteen na zijn date richting zijn huisarts vertrokken. Het zou toch niet de eerste keer zijn dat er iemand tussenuit viel. Terwijl hij zijn tranen verbeet, peperde Milan zichzelf in dat dit géén impulsieve beslissing was maar een pure noodzaak, het kon niet langer wachten. ‘Dag dokter.’ ‘Gaat u zitten,’ sprak de dokter eentonig en hij nam een pen ter hand, zette zijn bril, die een opvallend montuur had zowel qua vorm als qua kleur, op zijn rechte neus en richtte zich op een vel papier dat geklemd zat tussen een klembord. Het verbaasde Milan dat een arts anno 2026 nog zo’n attribuut gebruikte, maar het vulde hem ook met respect. Bovendien gaf het hem het gevoel serieus te worden genomen. Iets waar hij al zo lang naar verlangde, iets wat hij in zijn relaties miste.‘Vertel het eens, waar hebt u last van?’ stak de dokter van wal, en hij zette de punt van zijn pen verwachtingsvol in de linkerbovenhoek van zijn A4’tje. ‘Wel, het is niet zo dat ik ergens pijn heb,’ begon Milan, ‘maar het is ook niet zo dat ik nergens geen pijn heb.’ De dokter liet een kuch ontsnappen die hij vakkundig opving in zijn behaarde vuist, en zonder zijn patiënt aan te kijken, ging hij verder.‘Maakt u zich ergens druk om?’ Daar moest Milan even diep over nadenken. Uiteindelijk zei hij iets in de stijl van ‘ik weet het niet’. ‘Hoe voelt u zich op dit moment?’ ‘Redelijk goed, maar…’ ‘U bent hier natuurlijk niet zomaar’, maakte de dokter zijn zin af. ‘Wat is het dat u doet van werk?’ ‘Ik werk voor een bedrijf.’ ‘Juist, ja.’ De dokter kribbelde enkele dingen op zijn papier en onderlijnde zo goed als alles wat hij net had neergeschreven. De laatste woorden werden zelfs dubbel onderlijnd. Helaas kon Milan niet lezen wat er stond. Hij werkte dan wel bij een bedrijf, erg bedrijvig was hij niet. Allerminst in handschriften lezen, laat staan die van dokters en ondersteboven.‘Hoeveel mensen werken er in uw bedrijf?’ ‘O, maar het is niet mijn bedrijf, ziet u. Ik ben maar een werknemer. Ik denk dat er om en bij de vijftig mensen werkzaam moeten zijn.’ ‘Wat is juist uw titel of functie?’ ‘Ik ben recent gepromoveerd tot floor manager.’ De dokter keek voor het eerst op van zijn klembord en keek Milan indringend aan. ‘Floor manager? Bent u van het onderhoudspersoneel?’ Hij toonde een goedbedoelde glimlach, maar noteerde verder, dus Milan besefte dat de dokter een grap maakte.‘Kan u mij eens een gewone werkdag beschrijven?’ Milan vertelde dat hij rond 7u ’s morgens opstond, het nieuws las, een douche nam, een ei bakte, een glas melk dronk en een gezonde smoothie maakte van selder, appel en kiwi voor in de auto. ‘Is er tot dan toe een moment waarop u zich niet goed voelt?’ ‘Nee. Of jawel, wanneer ik het nieuws lees, dat is soms heftig op een lege maag. En ja, in de auto soms ook.’ ‘Ja, we zijn niet gemaakt voor de ochtendspits.’ ‘Nee, dokter, nu ja, u hebt gelijk, maar dat bedoelde ik eigenlijk niet. Kijk, ik rijd met een Tesla, van het bedrijf – anders zou ik nooit een Tesla hebben gekozen – u begrijpt allicht dat de huidige omstandigheden rond dat merk me opzadelen met een schuldgevoel van zodra ik de wagen start.’ De dokter gaf blijk van antwoord met een monotoon geluid, waarvan Milan niet met zekerheid kon zeggen of de man het nu wel of niet begreep.‘En daarna? Wanneer u arriveert op uw werk…?’ gebaarde hij door met zijn pen enkele kleine cirkels in de lucht tussen hen beiden te tekenen. ‘Euh… Dan ga ik naar binnen door de glazen deur, neem ik de lift naar de achtste verdieping en ga achter mijn bureau zitten.’ ‘Ja?’ ‘Ja.’ ‘En wat doet u daar dan?’ ‘Dan doe ik mijn werk. Of wat wil u zeggen?’ ‘Kan u me zeggen wat dat is?’ zei de dokter, terwijl hij zichzelf een kop thee inschonk. Milan wilde iets antwoorden, maar vond plots geen woorden. Hij aarzelde en zei ten slotte dat het nogal complex was om zo even de inhoud van zijn job te omschrijven, vooral aan iemand zonder ervaring met dit soort werk. Maar wat hij zeker wist, is dat er veel mensen baat bij hadden. ‘Probeert u toch maar.’ Milan deed verwoede pogingen om exact te beschrijven wat hij daar een hele dag deed maar had niet het gevoel dat hij daarin slaagde. Hij viel over zijn eigen tong, verhaspelde woorden die hij niet kon vertalen, twijfelde over de betekenis van sommige woorden, sleurde er termen bij die hij eigenlijk zelf nooit helemaal heeft gevat. ‘Goed. En dan is het lunchtijd? Hoe verloopt dat?’ ‘Meestal ga ik naar beneden, naar de eetzaal, maar het gebeurt ook dat ik buiten iets ga eten. Soms praat ik met collega’s, soms scroll ik wat op mijn telefoon…’ ‘Waarover wordt er gesproken?’ ‘Gewoon, over de staat van de wereld, of over onze job.’ Opnieuw onderstreept hij iets.‘Bon. Ik ga u enkele korte vragen stellen en u moet even bondig antwoorden, zonder te veel na te denken. Zal dat lukken denkt u?’ Milan knikte. ‘Daar gaan we. Vraag één: voelt u zich soms heel klein, zo klein dat u nergens deel van uitmaakt?’ Milan knikte opnieuw. ‘Is uw leven nodeloos ingewikkeld? Zou u alles willen geven om het eenvoudiger te maken?’ Milan knikte hevig. ‘Ja, dit is helemaal mijn wens!’ ‘Vindt u het allemaal te groots? Vraagt u zich soms af waar het kleine geluk is gebleven?’ ‘Ja!’ ‘Hecht u veel belang aan de natuurlijke gang der zaken?’ Omdat Milan niet meteen met een antwoord kwam, keek zijn interviewer hem aan door zijn opvallend roze bril, waarvan het montuur onderaan een dikke rand had en bovenaan geen rand, waardoor het leek alsof de drager enorme wallen had. Het was ook daardoor dat Milan zich niet op de vraag kon concentreren, hij stelde zich vragen bij dit brilontwerp.‘Als u daarmee bedoelt dat ik de oude waarden respecteer, moet ik daar volmondig ja op antwoorden.’ ‘Hebt u op dit moment een relatie?’ ‘Nee, en dat is eigenlijk ook waarom ik hier ben.’ ‘Hoe is de relatie geëindigd? Wat was de reden?’ ‘Zij heeft er een punt achter gezet omdat ik een grens was overgegaan.’ ‘En geeft u haar gelijk?’ ‘Wel, ik wist zelfs niet dat daar een grens lag! Ze zei iets van dat ik te impulsief was.’ ‘Interessant.’ Opnieuw noteerde hij enkele dingen. ‘En hebt u spijt?’ ‘Ja, ook al vind ik niet echt dat ik schuld tref, kan ik een groot schuldgevoel niet van me afschudden. En dat gaat niet enkel over deze relatie, dokter. Ik heb het gevoel dat ik mijn verleden constant meedraag. Alsof ik er niet vanaf geraak. Begrijpt u? Aan de andere kant kan het me ook allemaal niet zoveel schelen.’ ‘U bedoelt dat u de andere de schuld geeft?’ ‘Nee, ik bedoel dat ik niets voel. Helemaal niets. En die combinatie, dat schuldgevoel en die totale leegte, dat vond ik niet gezond. Daarom dacht ik dat ik eens met een dokter moest spreken.’ ‘En helpt het?’ ‘Ja, het doet deugd om er eindelijk met iemand over te spreken. Kan ik misschien een wekelijkse sessie krijgen, althans voorlopig?’ ‘Dat zal niet nodig zijn,’ sprak de dokter gedecideerd, en hij trok een horizontale lijn onderaan het papier en legde het klembord voor zich op tafel. ‘U lijdt duidelijk een acute vorm van Europeïsme.’‘Europeïsme? Wat is dat?’‘Tja, dat weten we niet.’ ‘En nu? Wat moet ik ertegen doen?’ ‘Er valt weinig tegen te doen, vrees ik.’ ‘Kan ik dan helemaal niets doen?’ ‘Het hangt af van hoeveel u nu al doet’ zei de dokter met de stem der gewoonte.‘U kan, om maar iets te noemen, het nuttigen van een maaltijd bijvoorbeeld gaan bekijken als iets volstrekt functioneels, in plaats van iets dat genietbaar moet zijn. Maar het is bijzonder moeilijk om die switch te maken. Hoe zit het met uw alcoholinname?’ ‘Euh, ik drink graag een glaasje, maar geen excessieve hoeveelheden.’ ‘Mijn advies is dat u uw inname verhoogt tot dagelijks enkele glazen, ofwel volledig stopt met alcohol drinken.’ ‘Ik drink eigenlijk vooral als er andere mensen bij zijn.’ ‘Probeer eten los te koppelen van sociale interactie. Eet en drink zoveel mogelijk alleen. Koop grote merken, of ga naar de markt. Koopt u uw fruit en groenten volgens het seizoen?’ ‘Nee, maar ik weet dat het beter is voor het milieu.’ ‘Ja, maar niet voor uw mentaal welzijn! Stop ook met koffie drinken. Schakel over op thee, of alcohol natuurlijk. Schrap brood van het menu en eet uitsluitend rijst. Het is ook aangeraden om vroeg op te staan, tussen vijf en zes uur. Doe aan yoga of neem tijd voor een uitgebreid, liefst warm, ontbijt, met de belangrijke toevoeging dat u niet geniet van het eten, maar het als een natuurlijk proces beschouwt.’ ‘Oké, dank u dokter. En wat met het werk? Is het eigenlijk besmettelijk?’ ‘Besmettelijk?’ spuugde de dokter, waarbij Milan hoopte dat de dokter zelf niet met een besmettelijke ziekte rondliep.‘Het is een ware pandemie! Iedereen van uw leeftijdscategorie die hier binnenwandelt zonder duidelijke fysieke klachten schrijf ik hetzelfde voor.’Hij scheurde een briefje van een notitieblok, krabbelde er iets op en schoof het over de tafel in de richting van Milan. Zoals het een dokter betaamt, was het totaal onleesbaar. ‘Excuseer, dokter, maar wat staat er?’ ‘Drie weken Blankenberge, in Hotel Transit,’ sprak het heerschap, en Milan bemerkte een lichte trots in die woorden, alsof hij hiermee eer opstreek. Milan draaide het briefje om, al wist hij wel dat er niets op de achterkant stond. De dokter ging verder: ‘Boek een kamer in dit hotel, volpension, geen zicht op zee, dat is belangrijk. Maar als u dit briefje aan de receptie toont, weten ze genoeg.’ Ja maar, wat moet ik daar dan doen?’ ‘Zo weinig mogelijk. Lees geen boeken, bezoek geen musea en praat met zo weinig mogelijk mensen. Zeg enkel het strikt noodzakelijke. U hoeft niets te vinden of te kiezen, niets te voelen of te begrijpen. Als u toch enige gedachten of gevoelens zou ontwikkelen, meldt u zich meteen aan de balie.’ Milan keek de dokter vertwijfeld aan en keek dan nog eens naar het briefje in zijn hand.‘En dit zal me helpen?’ ‘Nee. Maar dat is niet het punt. De meeste patiënten knappen zichtbaar op. Niet omdat ze zich beter voelen, maar omdat ze ophouden met zich vragen te stellen of het beter kan. Wanneer u terug bent, evalueren we de situatie en kijken we na of u vatbaar bent voor betekenis.’ ‘En als dat zo is?’ ‘Kijk, zulke vragen zal u hopelijk niet meer stellen. Dan verlengen we de kuur.’De dokter nam zijn klembord weer op.‘De volgende!’

Lennart Vanstaen
3 0