Zoeken

Bezet

‘Er is plaats zat.’ Veerle en ik stommelen met onze koffers en rugzakken de wagon binnen. We installeren ons knus op twee brede tegenoverliggende banken. De trein hijgt zich krakend en piepend op gang, als wordt hij uit een diepe slaap geschud. Een Belgische trein in Maastricht.  Ik kijk rond in de zo goed als lege wagon. Op de bank naast ons zit een broos bejaard dametje, gehuld in een te wijde beige regenjas. Op haar smalle schoot staat een te grote bruinleren handtas. Haar grijze lokken zijn opgestoken in een oma-dotje. Wakkere oogjes achter een hoornen bril kijken ons onderzoekend aan. Ik knik. Ze grijpt haar tas iets steviger vast.  Ze zit recht tegenover het toilet. Het rode lampje brandt fel en geeft zo een frivool tintje aan de schaars verlichte treincoupé. Buiten miezert het alweer. Snelle stappen. Een jongeman klampt zich vast aan de handgreep van de gesloten deur als aan een reddingsboei. Nerveuze klopjes terwijl hij heen en weer wiegt.  ‘Je ziet toch dat het bezet is! Even ophouden!’ keft het vrouwtje met een zwaar Limburgs accent. Met dichtgeknepen billen en waterige ogen drentelt de jongen nog een paar minuten en druipt dan zuchtend af. Ik heb met hem te doen. Hopelijk is er nog een tweede WC op dit korte treinstel.  ‘Hij zit daar al van minstens drie haltes geleden,’ richt het besje zich tot ons. ‘Een oud mannetje. Met een hele grote boodschap, haha. Misschien voelt die zich niet lekker, zijn tikker of zo.’ Ze laat haar woorden op ons inwerken. Snuift dan. ‘Iemand zou dit de treinbegeleider moeten melden, toch?’ Ze kijkt me vol verwachting aan. Ze beleeft nog eens wat, zo.  Een eind verder op het gangpad verschijnt een blauwzwarte kepie. Ze merkt het niet. Maar ik blijf zitten. Hij komt nog wel deze kant op. We zwijgen alle drie, luisteren naar de stilte, die als een slang vanonder de gesloten deur sluipt, en het ritmisch gedender van de wielen nog versterkt. Plots schettert marsmuziek uit de tas van het omaatje. Na twee coupletten lang scharrelen duikelt ze een mobieltje op. ‘Ik kom er zo aan,’ gromt ze, met een blik alsof ze net vóór de ontknoping van de film de zaal uit moet.  Tegen zijn zin komt de trein knarsend tot stilstand. Eijsden. Ze grabbelt naar haar tas. Stapt fluks uit zonder ons nog aan te kijken. Twinkelden haar ogen?  Wij dragen nu de verantwoordelijkheid over het bezet toilet. Over hoe de film afloopt. Ik verzin scenario’s. De noodrem, de ambulance, onze aansluiting in Luik gemist. Veerle en ik onder kruisverhoor. ’Misschien is hij enkel in slaap gevallen,’ probeer ik. Of is het een zwartrijder.’ Veerle knikt onzeker. ‘Reisbewijzen alstublieft.’ Ik zet me schrap. Zoek bevend de tickets op mijn smartphone. Probeer zo gewoon mogelijk te klinken, en knik nonchalant naar de toiletdeur. ‘O ja, er zit blijkbaar al een hele tijd iemand op, volgens een mevrouw hier.’ Ik wijs naar de vage afdruk op de lege bank.  ‘Oh, niet mogelijk,’ lacht hij in gebroken Nederlands. ‘Ik heb het deze morgen afgesloten, wegens defect. Heb ik ook aan die madame hier gezegd.’ Ik bloos. Natuurlijk. Hij scant onze tickets, twee bliepjes. Dan monkelt hij, ‘Elle vous a bien eu, eh.’   (gepubliceerd in Alice, literaire katern bij Schrijven Magazine, nummer 03 2025)

Dirk Otte
11 1

Mijn gezicht

Ik weet proefondervindelijk dat ik geen spontaan lachend gezicht heb.  Opmerkingen als 'Lach toch eens' of 'Kijk niet zo lelijk' komen hard aan, geloof me. Maar hoe krijg je dat, zonder op een uitgebluste clown te gelijken? Het toeval wil dat ik iemand met een uitgesproken lachend gezicht ken. Jeanke. Als hij een café binnenkomt, is hij zoals een magneet. Heel wat mensen toveren spontaan dezelfde lach als die van Jeanke op hun gezicht. “Hoe doe je dat toch?”, vroeg ik hem. “Simpel, de regel van drie”, zei hij. “Kent ge die? Nee, niet die van wiskunde. Wacht, ik zal het je tonen.” Hij kwam naast me staan en nam mijn schouders vast. “Laat je schouders zakken”, zei hij. “Je moet ontspannen, anders krijg je een geforceerde glimlach.” “Doe nu je ogen even dicht”, ging hij verder. “Ja, nu openen en naar mij kijken.” Ik deed wat hij me vroeg. “Zie je wel, je begint automatisch te glimlachen. Je moet op het juiste moment naar iemand kijken.” “Dan de laatste regel. Ook je kin mag niet te stijf staan. Dan kan je oplossen door je tong een beetje op je gehemelte te leggen. Zo gaat je mond wat openstaan en krijg je automatisch een glimlach. Je zal die regels overal terugvinden.” Na ze voor de spiegel te hebben geoefend (mijn huisgenoten hadden ei zo na geestelijke spoedgevallenzorg ingeschakeld) trok ik de straat op. Het liep al snel mis. Mijn buurman vroeg me wat er scheelde. Door de stress had ik regels door elkaar gehaald. Ik wist niet meer wat ik met mijn tong moest doen. Ik had ze ietwat uitgestoken. Mijn schouders had ik opgetrokken en ik had naar hem geknipoogd. Och, ik moet het ermee doen, met dat gezicht van mij. We hebben onszelf niet gemaakt, zei vader altijd.

Rudi Lavreysen
10 1

MY ASS.

"De herinneringen die ons het meest bijblijven, zijn gekoppeld aan sterke emoties. Als iemand dus laaiend enthousiast of juist doodziek van woede op mij wordt, is het dan niet logisch dat ik hem of haar nog heel lang zal bijblijven?" ******************************************************* https://www.2dehands.be/q/verf+ed+my+1975+rotselaar+torenhof/ *************************************************** FOTO GALLERY verf ed https://www.2dehands.be/q/verf+ed+altaar+de+culturen/ Rond 1995 heb ik dat werk gemaakt. Ik noem het "altaar der culturen." Links ziet men een tv, onze gemeenschappelijke identiteit valt van het - silicium - glas - zand.De gemeenschappelijke informatiebronnen zijn verdwenen.De wijzen van vroeger opgevolgd door radio en uiteindelijk als laatste de tv die een ongeveer gemeenschappelijke boodschap uitdragen, ons collectief geheugen, is niet meer.De informatie is versplinterd.Rechts ziet men een gietijzeren kandelaar daar in een mensenhoofd in papier. Stukken teksten. Krantenpapier "De encyclopedische mens".Gietijzer = nationalistenKandelaar = religieIn het midden staat de hedendaagse mens. Opgesloten. "de encyclopedische mens".Dit deel is gemaakt van een reclame voor lippenstift.Regeneratie KosmetikIn de dubbele wand gaan luchtbellen in het water de hoogte in.In die dubbel - transparantie - plexiglas zit diezelfde "encyclopedische mens".Het geheel staat op dunne platen, glas = chips = zand = silicium.Het geheel steunt op een gietijzeren pilaar = industriële cultuur.De gietijzeren plaat staat op de grond = landbouwcultuur.HET ALTAAR DER CULTUREN. Ik woonde toen in de Aalmoezenierstraat in Antwerpen. De jaren 90 tig. http://www.anamorfose.be/verf/misc-images/verf-t-i-r-e

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser. BIO.
52 1

De gemiste roeping

Luister, lieve kindertjes, naar het korte sprookje van het spookje. Lang, heel lang geleden, toen ik nog jong en onschuldig was, zat ik zomaar wat rond te kijken. Mama deed de was. De behendigheid waarmee ze dat deed, zal ik nooit vergeten. Zo rustgevend, dat hele proces van vies en vuil naar proper en net, van chaos naar geordend, via de wasmachine naar de wasdraad naar het strijkijzer of de tafel en uiteindelijk kreukloos opgeborgen in de kleerkast ...  Ze propte de wasmachine niet vol, maar ze 'vlijde' het wasgoed er zachtjes in. De was ophangen gebeurde niet aan een zijden draadje maar aan een ziedend tempo, in volle concentratie, met twee vliegensvlugge handen, heel af en toe met één oog dichtgeknepen en met één wasknijper in de mond. Na positieve weerberichten van haar weergoden Pien of Pelleboer op de radio was het zover. Tenzij er geen wolkje aan de lucht en dus geen risico was, al heb ik haar meer dan eens naar buiten zien spurten nadat er geheel onverwachte druppeltjes op het keukenraam pletsten. De schuld van Pien en Pelleboer, die hun goddelijke status dan 'weer' voor een tijdje verloren. De regen hield haar niet tegen om de was alsnog geordend en gestructureerd van de draad te halen. De volle wasmand waarmee ze daarna naar binnen kwam gelopen, zag er nog steeds keurig uit. Zo typisch. Bij een ander is perfectionisme goed te verdragen, bij iemand waar je van houdt is het wondermooi om te zien. Het prachtigste was het plooien. De behendigheid waarmee ze dat deed was werkelijk adembenemend. Ware kunst vond ik dat. Hoewel ze het ongelooflijk eenvoudig deed lijken, durfde ik er zelf nooit aan te beginnen. Pas nu, een paar decennia later, plooi ik af en toe hooguit een handdoekje of een paar sokken. Omdat ik van mezelf weet dat ik niet de handigste ben en omdat het contrast met mijn moeder me op zulke momenten telkens weer parten speelt. Zo ben ik, de perfectionist die lijdt aan een verlammende variant. Ik kan het nooit even perfect, waarom zou ik er dan aan beginnen? Het wordt immers sowieso een teleurstelling.  Vol bewondering keek ik toe. Het stapeltje gevouwen beddengoed klom het hoogst. Ineens stropte het behaaglijke plooiritme, bij een wit laken dat aan de randjes een beetje uitgerafeld was. Ze plooide het desondanks mooi op, maar net iets minder onberispelijk dan anders. Daarna legde ze het wat apart op de rand van de tafel, bijna vlak voor m'n neus. Ondertussen mompelde ze iets over papa, knippen, vodden om zijn fiets te kuisen en dat hij toch nooit iets kon weggooien. 'Dat hij er zijn plan mee trekt,' grolde ze nog na. Ze hield ervan om tegen zichzelf pratend de was te doen, maar té lang moest het nu ook weer niet duren. Dan werd ze een tikkeltje sikkeneurig en verlangde ze naar een kopje koffie.  'Mag ik dat afgekeurde laken niet hebben?' vroeg ik plots. Ze keek me aan alsof ze niet eens gemerkt had dat ik in haar nabijheid vertoefde. Met grote ogen, alsof ik net m'n eerste woordjes had gezegd. Verrast, verbaasd en op een vreemde manier een beetje vrolijk. 'Jij? Wat kan jij daar mee doen?' 'Spookje spelen,' zei ik resoluut. 'Ik knip er gewoon twee gaten in om door te kijken. Hoe moeilijk kan het zijn?'  Het was niet zomaar een ingeving. Spoken fascineerden me. In mijn fantasie konden ze vliegen, onzichtbaar worden, door muren lopen en mensen schrik aanjagen.  Mama lachte en gooide het laken in mijn richting, waarna ik de schaar nam en naarstig en vol ongeduld aan het karweitje begon. Bij het eerste gat dat ik wilde knippen liep het al helemaal mis. Veel te groot. Ik kon er mijn hoofd wel doorheen steken. Dat deed ik dan ook.  Ik ging rechtstaan en opeens scheen de zon felle stralen op m'n gelaat. Het leek een verheven moment, hét tijdstip voor een ingeving. Ik word priester, dacht ik. Spelenderwijs.  Spook of priester, wat maakt het ook uit? In de voetsporen van Jezus kan het ook best fijn zijn. Je kon hem misschien wel vergelijken met een spook. Jezus kon ook vliegen, anders was hij nooit in de hemel geraakt. En zich onzichtbaar maken was evenmin een probleem, want tijdens eucharistievieringen zei de pastoor altijd dat hij bij ons was, terwijl ik 'm nooit heb gezien. Door muren lopen en de mensen schrik aanjagen? Piece of cake voor Jezus. Gelovige mensen zijn immers godvrezend. Dat waren ze vast niet zonder reden. Nog veel meer dan spoken kon hij. Van water wijn maken bijvoorbeeld. Kon ik dat ook maar. Verder dan druiven pletten met m'n blote voeten was ik nooit geraakt, ook al omdat ons ma pas naar de markt was geweest, me betrapte in de badkuip met de pas aangekochte tros witte druiven en me ogenblikkelijk een andere fruitsoort liet ontdekken. De muilpeer.  Daar stond ik dan. Danny de priester in zijn kazuifel. Om het helemaal af te maken haalde ik mijn vaders rode sjaal uit z'n kleerkast en drapeerde die rond m'n schouders. Dit werd serieus. Ik speelde geen priester meer, nee, ik wás een priester. Ons ma leek mijn roeping wel goed te keuren en stemde in met mijn verzoek om nog een tweede laken te gebruiken als tafelkleed voor de tuintafel, mijn altaar. Mijn dikke sprookjesboek met 365 verhalen ('Een sprookje voor elke dag van het jaar') zette ik geopend op een boekstaander. Het was de bijbel waaruit ik mijn evangelie zou voorlezen. Ik profiteerde van de situatie door een kommetje chips (normaal voorbehouden voor weekendavonden) als schaal hosties te gebruiken en de mooie pseudosacrale beker die ik van mijn meter had gekregen voor mijn eerste communie vulde ik met cola, mijn miswijn. Zo was ik er helemaal klaar voor. Daar stond ik dan. Maar wat nu? Uiteindelijk wist ik niet zo veel van eucharistievieringen. Tijdens zondagse kerkbezoeken lette ik eigenlijk nooit op. Dagdromen ja, zoals steeds, en mensen observeren. Meisjes vooral, als die er waren. Wat ik wel eens gehoord had, was dat er gesproken werd over vergeven en vergeten. Dat wist ik nog, dat je dat als goede christen moest kunnen. Vergeten had ik al lang onder de knie. Mijn hoofd speelde voortdurend met pietluttigheden en raakte soms zo vol dat de ogenschijnlijk belangrijkere dingen er af en toe pardoes uit geknikkerd werden, of ik dat nu wilde of niet. Dat vergeten zat dus wel snor.  En vergeven? Ook daar was ik een kei in. Een tijdje geleden hadden we nog Chinees gegeten. Was ik dol op. Eerst garnalen in looksaus en daarna babi pangang. Achteraf lag dat hele zootje nogal zwaar op de maag. Toen ik eindelijk een verlossend, niet zo geluidloos maar nog veel minder geurloos scheetje had geproduceerd, riep onze pa dat ik heel het huis had vergeven. Een natuurtalent, zoals ik al min of meer zei. Zo moeilijk kan zo'n mis dus niet zijn, besloot ik, en ik brabbelde en zong zomaar wat in de rondte. Met m'n handen gespreid las ik voor uit mijn grote sprookjesboek en te gepasten tijde, of om eerlijk te zijn vooral te ongepasten tijde, vrat ik van de chipserige hosties en zoop ik van de miscola.  Zonder publiek stelde het geen zak voor, dus een weekje later, na nog wat oefenen, besloot ik de missionarishouding aan te nemen om een vriendenkliekje van twee straten verderop te bekeren en te amuseren. De voorstelling in hun tuin, met tuintafel, sprookjesboek, kom chips en beker cola was een voltreffer. Ze lagen immers al in een deuk toen ik m'n kazuifel met sjaal aantrok en deed alsof mijn beker gevuld was met echte miswijn. Als priester focuste ik instinctief op de kleine kantjes van het mens-zijn met veel lust voor alcohol en vrouwelijk schoon. Ik veinsde dat ik dronken was en klokte sloten cola achterover. Wat later, net na een uitgebreide preek over zondig onzedig gedrag, wreef ik begerig over de ontblote linkerknie van een van de twee kortgerokte meisjes uit het publiek. En het mocht! Ik deed het nog een keertje, nog langzamer, met m'n tong ostentatief uit m'n bek bungelend, omdat ik zogezegd dronken was. Priestertje spelen was nog leuker dan doktertje spelen! 'Geweldig, Danny!' lachte de oudste en grootste van m'n gelovigen achteraf, toen we voor het zingen de ingebeelde kerk uitgingen. Hij sloeg z'n arm om me heen. 'Kom eens even mee.' Ik gehoorzaamde en liep hem achterna tot achter hun huis. Daar verkocht hij me een flinke stomp in m'n maag. 'Je hebt je eerste en laatste mis hier opgedragen, vies ventje, en in het vervolg blijf je met je vunzige poten van m'n zus, of je volgende mis wordt je eigen begrafenis. Begrepen?'  Dat had ik. Een paar dagen later was onze pa vodden aan het knippen van mijn priestergewaad en nu stond hij er de velgen van zijn fiets mee op te blinken.  En ik? Ik keek nog wat verder rond. Mijmerend over m'n relatief korte verleden en m'n hopelijk nog lange toekomst. Nog geen idee wat ik later worden wilde. Alleszins geen priester. Geen meisjes? Geen seks? Daar heeft niemand celibaat bij.

Danny Vandenberk
0 0