Zoeken

Rock Werchter, of: de angsten van een beginnende oude zak

"Terwijl elf miljoen landgenoten cocktails en muntthee drinken in de schaduw van een boom, tel ik het aantal erwten in een blikje van 140 gram." De pandemie ligt achter ons. De Derde Wereldoorlog laat op zich wachten. Het land zakt in de zee, maar de dijken houden stand. We leven in een klein intermezzo van vrede en vrijheid. Hier geldt slechts één gebod: Profiteer vandaag, want morgen zijt ge dood! Trouw aan dit woord steken de Belgen hun barbecue aan en heffen het Duvel-glas. Zelfs mijn overbuurvrouw, die een gans leven kwijnde in de schaduw van haar pas gestorven man, vertrouwde me onlangs toe dat ze ‘nu eindelijk eens Spanje kan zien’. Mensen willen knallen en knuffelen. Iedereen, behalve ik. Terwijl elf miljoen landgenoten cocktails en muntthee drinken in de schaduw van een boom, tel ik in mijn woonkamer het aantal erwten in een blikje van 140 gram. Dit zette me aan het denken: Als zelfs die wereldvreemde Magda het vliegtuig naar Málaga neemt, waarom zou ik dan tijdens de zomer in de zetel hangen? Hoe overleef ik deze tussenstop naar de ondergang? Wijsheid komt niet uit boeken, maar uit het leven van alledag. Dat las ik ooit op een tegel. Logisch dus, dat mijn nood niet werd beantwoord door profeten en filosofen, maar door een Facebook-advertentie voor Rock Werchter. Hoog op de affiche prijkten mijn jeugdidolen: de Red Hot Chili Peppers. Bijna kon ik het gras, het bier en het zweet ruiken van de festivalweides uit mijn wilde jaren. Ik dacht aan tequilashots, eeuwig durende schemeringen, snelle seks in een gammel tentje, en joints van schimmige makelij; aan Lucas die altijd een druiper had, Sharon die ongewenst zwanger raakte of Brend die op een dag wakker werd met een lepel in zijn reet. Ik dacht aan alle feesten die we vergalden met onze verknaldrang. Maar boven alles dacht ik aan de zomer van 2002, toen ik samen met duizenden anderen slaafs meedeinde met de robotrock van de Queens Of The Stone Age. Die herinnering trilde in elke vezel van mijn lijf. Onwillekeurig tikte ik mijn voeten op het ritme van de liedjes die in mijn hoofd draaiden als platen in een jukebox. Ik zag mijn reflectie in de vuile raam van mijn living, betrapte mezelf op een glimlach en zonder verder nadenken kocht ik een meerdaags ticket voor Rock Werchter. "Wie kan in godsnaam een festival overleven zonder 5 gram hasjiesj?" Nauwelijks had ik de QR-code voor de betaling gescand of de eerste vragen doemden op. Wat neem ik mee? Wie neem ik mee? Zijn drugs een jeugdzonde of is leeftijd slechts een getal? De meeste vragen losten zichzelf op. Wat ik meeneem is slechts een kwestie van lijstjes maken, en de uren voor het vertrek als een gek door het huis rennen om zeker te zijn dat ik niets vergeet. Wie ik meeneem is volstrekt irrelevant. Mijn vrienden zijn immers dood, ontoerekeningsvatbaar of levenslang veroordeeld tot het ouderschap. En daarmee was ook de kwestie ‘drugs’ opgelost, want wie kan in godsnaam op z'n eentje een festival overleven zonder 5 gram hasjiesj op zak? Eén vraag bleef onbeantwoord: Waar leg ik mijn hoofd te rusten? Alle hotels waren immers al vol geboekt. Ik kende niemand in de buurt die een slaapplaats kon aanbieden. Slechts één optie restte mij: de camping. "Op mijn loopshirt stonden in drukletters de woorden ‘NO PAIN, NO GAIN’. Ik vroeg me af of dat ook geldt voor katers en chlamydia." Ik ging naar de badkamer en keek naar de zevenendertigjarige, beginnende oude zak in de spiegel. Ik vroeg me af hoe hij zou aarden tussen de tieners en studenten, vijftien jaar na zijn laatste campingervaring. Is zijn maag opgewassen tegen festivalvoeder? Staan zijn ruggenwervels nog recht na een slapeloze nacht op een dunne matras? Is hij bestand tegen de geur van toiletten met een rechtstreekse aansluiting op het rioolstelsel van de derde cirkel van de hel? De man in de spiegel zag er jong uit. De grijze schaduw in zijn donkerbruine krullen en de luttele, ondiepe groeven in zijn voorhoofd ontsierden hem geenszins. Ze gaven zijn babyface zelfs een welgekomen illusie van levenservaring . ‘Je bent nog jong!’, zou Magda roepen, ‘Waar wacht je op? Doodgaan doe je toch.’ Misschien is Rock Werchter wel de uitlaatklep die ik nodig heb, dacht ik, al is het maar om het fiasco te vergeten van die halve dag Scherpenheuvel laatstleden, toen ik thuiskwam met een stijve nek, drie SOA’s en een ingeklapte long. Ik keek een laatste maal naar het spiegelbeeld, las de woorden die in drukletters op mijn loopshirt stonden - NO PAIN, NO GAIN - en vroeg me af of dat ook geldt voor katers en chlamydia. Drie dagen voor de start van het festival nam ik een besluit en zwoer eeuwig trouw aan m’n persoonlijke tegelwijsheid. Ik trok mijn sandalen aan, stak de straat over en belde aan. Magda keek me bedrukt aan toen ze de voordeur opende. Ze was net haar koffers aan het pakken. Ik vroeg of ze nog iemand zocht om op de katten te letten. Ze keek me aans alsof ik gek was. ‘Werchter overleeft de nucleaire winter wel’, zei ik, ‘Bovendien ben ik volgend jaar ook nog jong.’ Pieter Van der Schoot Afbeelding: Camping Rock Werchter, door: Steven Lek, CC BY-SA 4.0 https://creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0, via Wikimedia Commons

Pieter Van der Schoot
0 0

Tijd om naar binnen te keren

Vandaag heb ik gecontempleerd. Een woord dat nog steeds niet even goed klinkt als zijn betekenis. Het klinkt alsof ik in een discussie in het stof heb gebeten (Je hebt gelijk, bij deze contempleer ik), dat ik vrede heb genomen met een slechte eigenschap van mezelf (Vandaag moet ik me weer eens contempleren met mijn aangeboren luiheid) of dat ik de zaken nodeloos heb vertraagd (Had ik de situatie niet danig gecontempleerd, waren we op tijd kunnen vertrekken). Het klinkt zeker niet als bespiegelen of mijmeren. De op hol geslagen etymoloog in mij hoort er con-tempus in, ‘mee-tijd’*. Zoiets als een samenvallen met de tijd, waarbij je er dus ook niet aan hoeft te denken. Zo voelt het ook, terwijl ik op ons buitenterras zit, een toonmodel van Makro dat ik destijds kon meepikken voor een prikje. Het gevoel vangt me op een onbewaakt moment, een tel tussen twee geplande invullingen van mijn tijd. Ik ben een boek aan het lezen – meer bepaald Het Lorchter Syndroom van D. Leue, in het gezelschap van een volgens Romaanse traditie gekoeld glas rode wijn. Vrouw bevindt zich buitenshuis, kinderen trotseren dromen van 27 graden in hun kamer. Het hoofdstuk is uit, de wijn in de man en het wordt tijd om mij naar de keuken te begeven voor de volgende taak van huishoudelijke aard. Maar ik beweeg niet, ik voel de tuin aan mijn blik trekken, om mijn aandacht schreeuwen. Meestal ontstaat er dan een horror vacui, een angst om achter te blijven met een gevoel dat ik niets heb gedaan. Vandaag gelukkig niet. Ik geniet van het groen. De trompetboom die ik vorig jaar plantte draagt een weliswaar bescheiden maar fiere kruin als een Braziliaanse verenhoed. Zijn bladeren dragen de belofte van lommerte in zich. Groene vingers heb ik allerminst, het groen is eerder achter mijn oren te zoeken als het aankomt op tuinieren. Te meer dat ik een niet misplaatste trots voel wanneer ik de boom zie floreren. Christophe Vekeman, een van mijn schrijfhelden, gaf me onlangs een compliment met een scherp randje: “Wat hij te vertellen heeft is niet spectaculairder dan wat eender wie te vertellen heeft, maar het wordt met humor gebracht en je beleeft er een esthetisch genoegen aan.” Ik antwoordde hem toen met een kwinkslag dat ik inderdaad geen hol beleef. Nog steeds erg dankbaar dat hij die woorden over had voor mijn blog, maak ik nu abstractie van het woord ‘beleven’. Het is waar dat ik geen stront heb geschept op een Oegandese boerderij of dat ik niet bont en blauw ben geslagen door mijn vader, maar zijn wij dan gedoemd om niets te beleven? Ik lig ondertussen languit in hetzelfde terrasmeubel, met mijn hoofd turend naar de zwaluwen die dansen en draaien en duiken in het luchtledige. Beleef ik dan helemaal niets wanneer ik word meegenomen in deze poëtische zwaluwzwerm? Deze wolkenwals? Dit blauwwit ballet? Zwaluwen zijn vogels die niet in groep vliegen, maar ik ben getuige van het tegendeel. Volgens mijn vrouw vangen ze muggen, die zich wel in zwermen verplaatsen. Het is een individuele vlucht in groep, zoals mensen vandaag met elkaar omgaan. De zwaluwenzang vervoert me naar een onbestemde plek. De tijd staat stil. Duizend gedachten passeren de revue: van hoe de kruin van de trompetboom mijn vadergevoel aanwakkert, over de mondelinge test die ik deze ochtend heb afgenomen bij een Oekraïense cursiste, die een traan liet nadat ze een haast feilloos examen had afgelegd maar van de emotionele weeromstuit aan haar thuisland moest denken; de gazpacho die daarstraks niet in de smaak viel bij mijn kroost vanwege de idiosyncratische eigenschap van gazpacho, namelijk dat hij koud wordt gegeten, en de complimenten die ik mocht ontvangen nadat ik de twee kommetjes een minuut in de microgolfoven had gestoken; tot de eigenzinnige opbouw van de structuur in Dimitri Leue’s roman, een aanrader overigens. Al deze bespiegelingen vullen mijn hoofd en tegelijkertijd ontstaat er een witte vlakte, een diffuus diafragma, een troebele lens. Geen onbeschreven blad, maar een hele tekst die te vaag is om te lezen. Geen verlaten plein, maar een hoop contourloze figuren wiens gedempte stemmen roepen om aandacht. Leger dan dit kan ik mijn hoofd niet maken.Ik voel de avond aarzelend maar meedogenloos vallen en besluit stilaan naar binnen te keren, hoewel ik het laatste uur niets anders heb gedaan. *na enig opzoekingswerk blijkt de juiste oorsprong van het woord toch iets heel anders. De ‘con’ klopt nog, maar het tweede deel komt van ‘templum’ wat de grenzen aangaf van het gebied waarin een augur werkte. Een augur was een Romeinse priester die, vaak door naar vogels te kijken, de toekomst probeerde te voorspellen.

Lennart Vanstaen
2 1

Geheugensteuntje

Als het al geen kunst is, dan toch minstens een buitengewone vaardigheid: nietsdoen. Even tijd nemen voor manuele inactiviteit. Verwar het niet met luieren, rondhangen, chillen of niksen. Nietsdoen is een noodzaak voor mannen, zeker voor onhandige exemplaren, omdat multitasken niet aan ons besteed is. Je handen stilhouden om je hersenen de kans te geven om te werken, daar komt het op neer. En neer lig ik, om twee uur in de namiddag, in mijn ligstoel. Het is zo simpel als wat, een voorwerp gebruiken waarvoor het bedoeld is, tenzij het van een doe-het-zelfwinkel komt of een handleiding behoeft. In mijn eigen behoeftes neemt mijn hand noodgedwongen ook wel eens de leiding, zij het ondersteund en bijgestaan in de bovenkamer door mijn fantasie. Misschien valt het met mijn onvermogen tot multitasken nog wel mee als het mij goed uitkomt. Er hangt iets in de lucht. Ik voel het. En ik zie het. Wolken. Wat hou ik van hun veelzijdigheid en hun verrassende vormen. Uren kan ik in de wolken zijn. Grote watjes zijn het. Een beetje zoals ik, maar dan enkele kilometers hoger. Als ze te snel overdrijven (en ik overdrijf niet), verdampen en vervagen ze, tot er niets meer van overblijft. Wolken moeten dus noodzakelijkerwijs vertragen als ze lang willen leven. Even blijven stilstaan. Bij voorkeur daar waar het mooi is. Wat wonderlijk en gek dat ze momenteel mijn tuin kiezen, waar zowel het gras als mijn hoofd een maaibeurt verdienen. Een naaibeurt nog veel meer, en niet alleen mijn hoofd, oppert mijn verstand. Ja, beste lezer, ik heb een opperhoofd, al ben ik geen indiaan, noch heb ik nood aan een leidersfiguur. Volgzaam ben ik lang niet altijd. Effenaf rebels soms, of toch minstens eigenzinnig. Volgen doe ik meestal alleen in de betekenis van observeren. Liefst doe ik mijn eigen zin, zoals de meeste wolken. Op mijn tempo. Er zijn er nochtans die voorbijracen, heftig wenen en daarna vervagen en voorgoed verdwijnen. Een beetje zoals mensen die zichzelf voorbijlopen en vroeg of laat instorten of opbranden. Ik sta liever even stil, zoals nu. Even zonder mensen, even zonder alles. De tijd nemen. Berekend. Traag tot zes tellen om even later in de zevende hemel te zijn, zoiets. Lang en langzaam leven. Doof voor wat hoort en wat niet hoort. Ik hoef niet zo nodig bakken geld te verdienen om alles te kunnen kopen of mijn tijd efficiënt te managen om te gaan bakken in de zon. Snelheidsduivels horen in de hel. Of in de bak. Omdat ze zo snel boos worden als wij, trage mensen, hen in de weg staan. De allerergsten hebben zelfs een turbo boost en een hoge bandenspanning, waardoor ze weinig grip hebben op hun baan en hun leven. Razendsnel en snel razend. Kwaadaardig en aardig kwaad. Ach, laten passeren en laten verdampen. Des te sneller kleurt de lucht hemelsblauw. Past bij mijn gemoed. Ik lig languit, terwijl mijn hoofd werkt. Niemand weet hoe mijn hoofd werkt. Hoe ik naar vermogen leef, niet altijd die indruk geef, maar altijd naar perfectie streef. In denken en straks misschien ook weer in doen. Mijn eigen perfectie. In mijn hoofd, waar alles rijmt en ook weer niet, waar alles zijn eigen plekje heeft en ook weer niet. Gevangen als een vogel zo vrij. Het leven is hemels, zo voelt het althans voor mij. Ik fluit een deuntje. Hou dit gevoel vast, Danny, je geheugen steunt je.

Danny Vandenberk
7 2

Krijm en zjiepkes

Soms begrijpen onze Nederlandse neefjes niet wat we zeggen. Het zijn trouwens hele neven, maar je kent dat: je blijft het verkleinwoord gebruiken. Zo wordt onze jongste zoon nog ooit aangeduid met 'onze klenne', terwijl hij boven iedereen uittorent. Correcter zou zijn als ikzelf word vermeld als 'onze klenne', wat ze trouwens met het nodige leedvermaak regelmatig doen. Maar terug naar onze neefjes. 'Wat zeg je ome Ruud?', vroeg de jongste van de twee toen ik hem vroeg of we 'ne krijm' gingen eten. Ik weet het. Ik besef dat ik af en toe waakzamer moet zijn met onze spreektaal, maar de woorden zijn sterker dan mezelf. Ze zitten er ingebakken zoals de aardappelschijfjes die te lang in de pan hebben gelegen. Je krijgt ze er moeilijk uit. 'Een ijsje', verbeterde ik mezelf. 'Ah, een ijsje', lachte hij. 'Crème kennen we ook, maar dat is iets anders.' Het lijkt soms een aflevering van FC De Kampioenen als we met elkaar spreken. Door de taalverschillen stapelen de misverstanden zich op. Maar het is altijd lachen. Behalve toen ik vroeg of hij een 'zjiepke' wilde. Hij keek me aan alsof ik hem een chemisch product ging voorschotelen. 'Een wat?' 'Och ja', zei ik. 'Dat kennen jullie niet.' Het was zoeken naar het correcte Nederlandse woord. Een snoepje is te ruim. Een gummy snoepje misschien? Al is dat ook een verzamelnaam. "Als ik in de winkel naar 'grün zjiepkes' vraag, begrijpen ze me ook niet meer", zei ik tegen mijn vrouw. "God weet waar sturen ze me naartoe." Onze pa en grootvader moesten het meegemaakt hebben, dat woorden als 'grün zjiepkes' niet meer zouden bestaan. Verdwijnen met de woorden meteen de 'grün zjiepkes'? Thuis stonden ze op de schouw. Misschien moet ik dat doen. Ze zichtbaar houden. Of waren dat van die bruine 'zjiepkes'?

Rudi Lavreysen
9 1

Straatmuzikant

Heerlijk, in de vakantie door een klein stadje lopen dat je niet kent. Vooral in het buitenland, winkeltjes die je in Nederland niet ziet, leuke terrasjes, smalle straatjes. Vooral boekwinkeltjes kunnen altijd op mijn interesse rekenen. Tijdens de vakantie in Engeland ook, heerlijk. In de geboorteplaats van Shakespeare konden we natuurlijk niet om de boekwinkels heen. Niet dat het werk van Shakespeare voor mij te ontcijferen is, maar het is gewoon leuk om alles te bekijken en de sfeer te proeven. Gelukkig gaf de dame achter de kassa aan dat ook zij het oud-Engels van Shakespeare niet beheerst. Maar het boek met Insults en One-liners laat zich prima lezen. Beledigingen zijn immers simpel te begrijpen. Wat me wel opviel, was dat ook in Engeland verschillende mensen proberen hun geld te verdienen als straatmuzikant. Met wisselend succes, moet ik zeggen. Het meisje dat enthousiast gitaar speelde en uit volle borst stond te zingen, sloeg de plank redelijk mis. Ach, het arme kind, er werd ook niet heel veel geld in haar gitaarkist gegooid. Op zich wel te begrijpen, de kat die ze stond te villen maakte erg veel lawaai. Een eindje verderop stond een heus bandje. Muzikanten en een zangeres. Het nummer dat ze zong, raakte me. Dat doet muziek. Ze zong ook helder, dat was natuurlijk ook wel een voorwaarde. Een zingende kraai doet je naar je oren grijpen of brengt een vrolijke grijns op je gezicht. Een heldere stem kan een bepaalde snaar raken. Ach, ook dat hoorde er deze vakantie bij. Ik vraag me dan toch altijd af of een middagje zingen financieel nog wat zoden aan de dijk zet. Natuurlijk maakten we de, foute, grap dat zo’n straatmuzikant dan aan het einde van de dag in zijn Mercedes stapt en naar zijn penthouse vertrekt. Maar ik kan met toch niet voorstellen dat je er rijk van wordt. Dus dan moet je het wel erg graag doen, want sommige winkeliers zijn helemaal niet gediend van zo’n concert voor hun deur. Het is genieten, zo’n middag. Mensen kijken, rondslenteren en dan op een terras neerstrijken met, dit geval, thee en scones. Ik kan daar best aan wennen.    

Machteld
5 0

Tsjiep tsjiep

Op het terras van De Duifkens, een gekend etablissement aan de Antwerpse Graanmarkt, zei de Nederlandse man dat hij hetzelfde verlangde, waarbij hij naar mij wees. Daarmee bedoelde hij niet de tweedehands verhalenbundel van Truman Capote die voor me lag, maar wel de vers getapte Stella. Het boek had ik aangeschaft bij de voortreffelijke Demian aan het Conscienceplein. "Wanneer in Rome, doe zoals de Romeinen doen", luidt het gezegde. Dat geldt ook voor Antwerpen. De combinatie van De Duifkens met een boek is het ideale decor. Zitten, kijken, lezen en genieten. "Een Stella drieëndertig voor meneer?”, vroeg de serveuse aan de Nederlandse man. Hij keek even vertwijfelend, maar bevestigde met een "absoluut". "En voor mevrouw?" "Hebt u een Sauvignon Blanc?", vroeg ze. Nu weet ik niet of u vaak bij De Duifkens komt, maar 'droog' of 'zoet' is de enige omschrijving voor de witte wijn aldaar. Dezelfde beperkte keuze voor het eten waar het koppel naar vroeg. "Chips, nootjes of droge worst", antwoordde de serveuse. Toen de mevrouw iets later na een bezoek aan de kleinste kamer terugkwam, zei ze tegen haar man dat hij dit moest zien. “Dit moet je meegemaakt hebben”, vertelde ze. Na een slok van zijn gerstenat trok hij ook richting koer, wat daar de betere omschrijving is. “Inderdaad”, zei hij bevestigend. “Dat zie je niet meer vaak.” Terug thuis stond ik net voor sluitingsuur aan de kassa van de supermarkt. De mevrouw voor me haalde haar klantenkaart tevoorschijn en wees ermee naar het bakje om haar kaart te scannen. “Moet ik hier van tsjiep tsjiep doen?”, vroeg ze. Maar goed dat het Nederlandse koppel uit Antwerpen dit niet hoort, dacht ik nog. Ze zouden zeggen: “Nou, in België heb je niet alleen De Duifkens, ze doen er ook nog van tsjiep tsjiep.”

Rudi Lavreysen
13 1

Gracias

De zestiger jaren.  Bob Dylan en Joan Baez zingen wereldwijd hun protestliederen. In onze Low Countries dragen Boudewijn de Groot en Armand hun steentje bij.  De flower power groeit uit tot een beweging die jongeren uit alle landen bekoort en samenbrengt.De Botanique, de voormalige Botanische tuin van Brussel is inmiddels uitgegroeid tot een vermaard cultuurcentrum van de Franstalige Gemeenschap in België.Op 10 juli 1989 staat de inmiddels legendarische Joan Baez geprogrammeerd.  Een grote meute  fans van weleer maar ook de jeugd van tegenwoordig is op het appel.  Haar repertoire is nu eenmaal van alle tijden.  Naast de serres,  die nu concertzalen herbergen,  staat in de tuin de Espace 2500, een omheinde ruimte onder een luifel met  tweeduizendvijfhonderd  zitplaatsen.Iedereen wacht gespannen tot de rebelse icoon van weleer het podium betreedt.  Er is geroezemoes.  Door haar politieke standpunten heeft ze hechte vrienden maar ook fervente vijanden gemaakt. Wat is er gaande?Dit is het deel van Brussel waar de kloof tussen rijk en arm zeer zichtbaar is. Jongeren die geen ticket kunnen bemachtigen proberen zich toegang te verschaffen tot de concertruimte door over de omheining te klimmen.  Ze worden door veiligheidsagenten weggehaald.Baez verschijnt en stopt abrupt de inzet van No woman  no cry.  Ze vraagt wat er gaande is."Ik zing geen noot verder tot jullie deze jongeren binnenlaten”, zegt ze.  Terstond geeft men gehoor aan haar eis.  De jongeren krijgen staanplaatsen voor het podium.  Er barst een minutenlang applaus los.In de helft van haar optreden covert  Baez de Beatlesong Let it be.  Ze eindigt met : Let them be en wijst voor de scène naar de jongeren die aan haar lippen hangen.Haar optreden besluit ze met de ode aan het leven: Gracias a la vida.Dank je, Joan.  

Vic de Bourg
15 3

Nonkel Gust

‘Goeiemorgen!’ riep ik hijgend, nadat ik langs de achterdeur via het smalle, witte gangetje de keuken kwam binnengewandeld. Twee enthousiaste goedemorgens kaatsten bijna ogenblikkelijk terug in mijn richting. Tante Maria droeg glimlachend een dienblad met brood, boter, thee, suiker en kopjes. Nonkel Gust keek niet op. Hij was in volle concentratie en balanceerde met flink wat borden en schoteltjes vol beleg. Zoals elke schooldag had ik de pakweg honderd meter van bij ons thuis naar hun woning al spurtend afgelegd. Met mijn boekentas op de rug. In het gangetje snoof ik altijd snel even rond. Elk huis dat je zelf niet bewoont heeft zijn eigen typische geur. Niet dat die altijd even aangenaam is. Je hebt er die naar natte hond ruiken, of naar verslenste bloemen. Hier rook ik pepermuntjes, zoethout en vooral ochtendlijke gezelligheid. Uiteraard had ik zelf al ontbeten. Mijn moeder zou in die tijd nog liever drie weken met gloeiende ijzerwaren gefolterd worden door een middeleeuwse, sadistische stadsbeul dan mij met een lege maag op pad te sturen. Ik ging snel op mijn plekje zitten: aan de linkerkant van de zetel in de eetkamer, die door een grote boekenkast werd afgescheiden van de zithoek met de televisie. Hier had ik perfect zicht op de kaken en slapen van nonkel Gust. In profiel. Wat kon hij prachtig eten. Ik genoot van elke hap. De manier waarop hij zijn boterham in de perfecte vorm sneed en elke beet minutieus voorbereidde door met zijn mespunt vooraf exact de juiste hoeveelheid leverpaté aan te brengen op het te behappen brood en hoe hij dit zo nu en dan doorspoelde met een forse slok thee. Een mens ken je aan de manier van eten. Nonkel Gust at met veel smaak, aan een vrij stevig tempo. Met een gedistingeerde vlotheid, een elegante souplesse en bevlogenheid die tegelijkertijd een soort van … tja, ‘veldverleden’ verraadde. Een man die gestudeerd had en gerespecteerd onderwijzer was geworden, maar die verdorie heel goed wist wat hard werken was en die niets voor niets had gekregen in het leven. Eten deed je zeker niet te weinig, zodat je er een tijdje tegen kon, zeker ‘s morgens. Niet te traag, want er staat nog heel wat te gebeuren. Zijn kaken gingen fors op en neer en zijn slapen deukten telkens simultaan in. Fascinerend. Thuis propte ik soms mijn mond vol boterham, waarna ik naar de spiegel in de badkamer rende om van opzij te checken of mijn kaken en slapen op dezelfde manier bewogen. Nee dus. Bij mij was het nauwelijks zichtbaar. Ik weet nog hoe jammer ik dat vond. Nonkel Gust was onderwijzer in het vijfde leerjaar van de Boudewijnschool, waar ik aanvankelijk als kleuter actief was en waar ik nadien mijn hele lagere schoolcarrière doorbracht. Nog steeds was hij een werker en nietsdoen leek een kleine zonde. Toch maakte hij tijd voor de dingen die hij belangrijk vond. Het leek soms alsof hij het leven opzettelijk even vertraagde, om iets grondig uit te leggen en om het goed te laten doordringen bij zijn toehoorders. Ach, misschien was het wel tekenend voor die tijd. Het tijdperk van de handgeschreven brieven met veel aandacht voor orde en netheid, maar eveneens voor warmte en hartelijkheid. Helemaal anders dan de in zeven haasten getypte en aan elkaar geplakte ijskoude mailtjes die je vandaag in je mailbox vindt. Schrijf een familielid, vriend of vriendin maar eens een handgeschreven brief. Zomaar. Onverwacht. Hij of zij zal vereerd zijn en zich uniek voelen en jij zal met een zelfvoldaan gevoel jaren teruggeslingerd worden naar de tijd van de traagheid. Zoals ik nu, mijmerend. Traag is mooi. Tragisch mooi. Jammer genoeg hebben we met z’n allen de traagheid, en daarmee ook ons geduld, een beetje verleerd. Vele jaren was nonkel Gust mijn vaste metgezel. Eerst als fietsende chauffeur, later, toen ik zelf kon fietsen en vooral door zijn toedoen de gevaren van het verkeer leerde inschatten, als begeleider of fietscompagnon. Ik herinner me nog hoe ik evolueerde van achterzitjeszitter naar stangetjesvasthouder op de bagagedrager, hoe ik de voetsteuntjes van zijn stalen ros uitklapte, opstapte en ‘ja!’ riep, waarna nonkel Gust begon te trappen, zijn evenwicht zocht en een van zijn standaardzinnen op melodieuze wijze uitsprak. ‘Wij varen weer!’ Altijd weer een geruststelling. Onderweg zat ik als passagier lekker veilig achter zijn rug. Bij het op- en afrijden van een trottoir of een oneffenheid op straat hoorde ik af en toe een boertje, nooit een scheetje. Misschien had hij toch net ietsje te snel gegeten en niet lang genoeg gekauwd, dacht ik dan. Wat kwamen we veel fietsende en stappende mensen tegen en wat werd er dikwijls ‘goeiendag’ gezegd tijdens dat ritje van pakweg drie kilometer. Bijna onophoudelijk. Het leek wel alsof hij de hele wereld kende. ‘Je hoeft niet per se iemand goed te kennen om hem of haar een fijne dag toe te wensen,’ grinnikte hij toen ik het hem heel serieus vroeg. Of hij de hele wereld kende. ‘Begin de dag met een lach en wees blij dat je leven mag!’ zong hij op de tonen van een liedje dat ik nog nooit eerder had gehoord. Op momenten dat hij levenslessen uitdeelde schakelde hij over van dialect naar algemeen Nederlands. Die taalomschakeling was het signaal dat het informatieve nu even belangrijker was dan de humor. Al voelde het nooit zo aan. Eens we op school arriveerden, namen we spontaan afstand van elkaar. Ieder zijn eigen wereldje. Ik als kleine Danny en nonkel Gust als meester Vandenberk. Na het geklingel van de schoolbel, die de middagpauze inluidde, vonden we elkaar opnieuw bij de fietsenstalling, zonder woorden. Even later en voor ik er erg in had, voeren we weer. Uit schrik voor de stadsbeul of uit pure moederliefde (het tweede, ik plaag haar graag) stouwde ons ma me tijdens de middagpauze vol met eten, waarna ik me opnieuw bij nonkel Gust meldde. Het middagmaal had hij dan zelf ook al achter de kiezen. Het gebeurde dat ik hem middagtukkend aantrof en dat ik verondersteld werd om hem op tijd te wekken voor de namiddagrit, zeker als tante Maria niet thuis was. Op andere momenten zat hij gewoon wat naar de radio te luisteren of te lezen. Meestal legde hij dan zijn boek, krant of tijdschrift opzij om vrijblijvend te keuvelen of om wat dieper in te gaan op de dingen des levens. Geen gepreek, integendeel, meestal luisterde hij naar wat ik te vertellen had, hoe onzinnig of onsamenhangend mijn vertelsels achteraf bekeken ook waren. Ooit verkondigde ik dat Engelse muziekteksten sowieso altijd mooier klonken dan Nederlandstalige. Dat zangers maar beter heel hun repertoire in het Engels zouden inzingen vanwege de welluidendheid. Nederlands klonk mijns inziens te hoekig, te geforceerd. Het Engels daarentegen was veel vloeiender, spontaner en nonchalanter. Ik duldde geen tegenspraak. Die gaf hij ook niet. Hij luisterde naar mijn argumenten en ik meende te ontwaren dat hij het niet altijd met me eens was. Wel nam hij de moeite om het vanuit mijn kinderlijke standpunt te bekijken. Wat zeg ik? Het was niet eens moeite. Het was geduld. Het geduld van de geboren onderwijzer, van de wijze man die zijn kennis niet uit boeken haalde en die wist dat ik ooit zou beseffen dat wat ik zei niet helemaal klopte. Ooit is inmiddels decennia geleden. Al vele jaren denk ik er helemaal anders over. Geen taal is mooier dan die van jezelf. Nuances in de eigen taal kunnen zo subtiel zijn, dat ze niet te vertalen of over te nemen zijn. Ik heb altijd moeite met het lezen van naar het Nederlands vertaalde teksten van anderstalige auteurs. Voor een stuk gaat de literatuur en de eigenheid verloren en vraag ik me af in hoeverre ik de vertaler lees in plaats van de schrijver zelf. Literatuur zit ‘m net in de woorden en de woordkeuze. Daarin ligt ook mijn schrijfgenot, veel meer dan in het verzinnen van een verhaal, concepten en ideeën. Een schilderij is het resultaat van kleurlijnen, schrijven doe je met woorden en echte muziek wordt gemaakt van noten. Net die muziek maakte een belangrijk deel uit in het leven van nonkel Gust. Een gevoelig thema. Hij was dirigent van het kerkkoor en zong bijzonder graag. Zijn leven leek een grote melodie van positiviteit, optimisme, levenslust en vrolijkheid. In de winter misschien van goedgemutstheid. In die tijd genoot hij waarschijnlijk van de uitmuntende teksten van Boudewijn de Groot, Ramses Shaffy, Ann Christy, Louis Neefs en nog vele andere grote Nederlandstalige tekst- en liedjesschrijvers, terwijl dat betweterige snotbengelneefje in al zijn onwetendheid doodleuk kwam verkondigen dat het allemaal nergens op leek. Afvoeren en verengelsen die handel! Ik schaam me dood. Doorgaans sloot hij mijn monologen af met twee korte, opeenvolgende klopjes op zijn of mijn beide knieën, ten teken dat we moesten afvaren. Die ene keer zong hij op de fiets achteraf een liedje met extra veel aandacht voor de Engelstalige tekst: ‘Hey! Ba Ba Rie Bop’ van Lionel Hampton. De naam van de uitvoerder heb ik daarnet moeten opzoeken. Het deuntje zit nog steeds in mijn oren, te meer omdat hij het heel vaak neuriede en vooral omdat hij, overal waar hij opdook, steevast ‘Hey! Ba Ba Rie Ba!’ riep, zong of zei, als amusant en olijk alternatief voor ‘Hier ben ik!’ Die oprechte vrolijkheid was en is zijn handelsmerk. Zo aanstekelijk dat je spontaan de neiging krijgt om hem te gaan imiteren. Tijdens familie-uitstapjes per bus (we hadden een grote familie) zat hij helemaal vooraan, als reisleider. Regelmatig nam hij het woord en de micro om het dagschema te overlopen, om een mopje te vertellen, om achtergrondinformatie te verstrekken bij bezienswaardigheden die we passeerden, om een liedje te zingen of om een gastspreker of -zanger aan te kondigen of gewoon … om de sfeer erin te houden. Net voor het afstappen ontpopte hij zich tot professionele afscheidsnemer. Op die manier werd het een plezierreis met de allures van een totaalspektakel. Toevallig hoor ik nu ‘Un canto a Galicia’ van Julio Iglesias op de achtergrond, een nummer uit mijn geboortejaar. Het is niet in het Engels of in het Nederlands gezongen, maar in het Galicisch, een Spaanse provincietaal. Ik vind het prachtig, ook al begrijp ik er nauwelijks wat van. Misschien is het leven wel als een liedje van Julio Iglesias. Mooi, maar moeilijk te vatten. Je hebt de keuze: ofwel zing je het zo goed mogelijk na, ofwel maak je er geheel je eigen versie van. Een versie die je wél begrijpt. Wie imiteert zingt weifelend, wie het zich eigen maakt uit volle borst. Zoals ik nu. ‘Breng mij eens een biertje, hey!’ zing ik hier luidkeels in mijn schrijfkamertje, op de tonen van de Spaanse muziek. Er wordt niet geluisterd en al zeker niet gereageerd. Mensen als nonkel Gust maken een blijvende, unieke indruk. Als kind dacht ik weleens: als ik groot ben wil ik worden zoals hij. Lachen, genieten, aandacht hebben voor je medemens, altijd je best doen en indien nodig keihard werken om te bereiken wat je wilt bereiken. Ik vul het in op mijn manier.

Danny Vandenberk
10 0

Stijf van de coke

‘Het beste wat je kan doen is gezouten boter aanbrengen op de blaar. Dat zorgt ervoor dat de eikel beter smaakt tijdens het pijpen. Bovendien valt op deze wijze de geur van de etter niet zo op.’ Deze tip kreeg ik op een regenachtige dag in juni van mijn middelbareschoolvriend Maarten De Vriend, toen we na afloop van onze laatste examens van ’t vijfde humaniora rondhingen in zijn ouderlijke huis te Noorderwijk, een kast van een villa met twee badkamers, een sauna, een zwembad en ruimte voor een pony. Pa en ma De Vriend waren tot ’s avonds laat aan de slag op hun advocatenkantoor en Maartens oudste broer Imhotep zat op kot in Leuven. Kortom, we hadden het huis voor ons alleen en dus was er ruimte genoeg om elkaar seksueel voor te lichten aan de hand van plaatjes die we vonden op het internet of op de harde schijf van vader De Vriends desktop. Wat ook hielp was dat we stijf stonden van de coke. Dat coke de creativiteit stimuleert is een welbekend feit, maar ook het naakte lichaam van Maarten werkte als een stimulans voor mijn geest. Maarten liep al de hele namiddag rond in zijn adamskostuum. Zijn kleren had hij eerder op de dag verloren, nadat we – naar aloude post-examentraditie – in ons blootje waren gaan zwemmen in het Albertkanaal. Toen we uit het water kwamen, bemerkte Maarten dat zijn jeans en t-shirt verdwenen waren. Ongetwijfeld waren die ontvreemd door een roedel kobolden, wezens die in het nabijgelegen natuurgebied Vuilvoort veelvuldig voorkwamen. Daar Maarten een groot liefhebber van sprookjesfiguren was, liet hij de zaak vallen en fietste poedelnaakt naar huis. Dat vond hij zo erg niet, want het was die dag behoorlijk warm, ofschoon het pijpenstelen alsook luttele oude wijven regende. Tijdens het fietsen boog hij zich naar voren en ging daarbij op het puntje van de smalle zadel zitten. Ik volgde hem van zeer nabij en moest regelmatig mijn snelheid minderen om te voorkomen dat ik in zijn gat zat.   De doorzopen zomerdagen in de tuin van de familie De Vriend waren de fijnste en meest concrete herinneringen die ik overhoud aan mijn jeugd. Doorgaans waren we met een groepje van 5 à 6 nauwe vrienden, waartoe ook Jeroen Campo, Rebecca De Vos, Dagobert Van Genechten en Mie Paling behoorden, maar de momenten die ik het meest koester zijn de middagen waarop Maarten en ik hand in hand, poedelnaakt en stijf van de coke op een schapenvacht voor de TV zaten te kijken naar herhalingen van FC De Kampioenen. Vreemd genoeg liep het slecht af met Maarten. De ellende begon toen hij – op instigatie van zijn kleinburgerlijke ouders – rechten ging studeren aan de KU Leuven. Nadat hij op de leeftijd van 17 jaar en 364 dagen zijn debuut had gemaakt in een actiefilm van Eddy Lipstick, besloot zijn vader Manfred-Jacobus De Vriend dat Maarten zijn ontluikende artistieke roeping gedag moest zeggen en in de voetsporen diende te treden van zijn voorouders. Tijdens zijn eerste bachelor aan de veel te Katholieke Universiteit van Leuven speelde Maarten nog enkele bijrolletjes in een paar arthouseprojecten van de Grieks-Wit-Russische cineast Dennis Black Magic. Daarna ging het echter stijl bergaf met hem. Blijkbaar zat de advocatuur ook hem in het bloed, als een genetisch defect. Hij wijdde zich volledig aan zijn studies en toen hij uiteindelijk summa cum laude afstudeerde als Master of Arts in de Rechten was dit meteen het laatste cumshot van deze eens zo veelbelovende artiest. Pieter Van der Schoot Afbeelding: Salim Virji, CC BY-SA 2.0 https://creativecommons.org/licenses/by-sa/2.0, via Wikimedia Commons

Pieter Van der Schoot
23 2
Tip

Kijk ons het eens gezellig hebben

Alleen op een terras zitten is veel minder leuk dan vroeger, toen ik met mijn maatje schaamteloos iedereen en alles om ons heen besprak. Niet te hard natuurlijk, dan zouden de mensen het horen, maar toch. Het is wennen maar het alternatief is om na iedere wandeling met Stef regelrecht naar huis te gaan. En dat het raar is, zit in je eigen hoofd. Dus ik schuif dan toch maar aan een tafeltje en kijk naar wat er om me heen gebeurt. De over het algemeen heel vriendelijke obers of serveersters brengen me een witbiertje en ik leun op mijn gemak achterover. Pasgeleden was het weer zo ver. Ik moest wat boodschappen doen en had Stef meegenomen. Die kleine man vindt het prachtig. Allemaal nieuwe geuren en heel veel nieuwe vriendjes om te bekijken. Er was nog één tafeltje in de zon dus ik schoof lekker aan. Het hippe jonge gezin achter me had toch echt het nakijken. Zij was direct geïrriteerd. Toen haar vriend, ik denk niet dat ze getrouwd waren, voorstelde in de schaduw te gaan zitten, gaf ze narrig antwoord. “Daar heb ik geen zin in.” Met een zucht duwde hij de kinderwagen verder. Dan maar niet. Achter me zaten twee dames. Ik schatte ze iets ouder dan ik. Maar dat kan natuurlijk ook mijn eigendunk zijn. Ze waren in ieder geval allebei vrijgezel, dat hoorde ik. Ze zaten het net iets te nadrukkelijk gezellig te hebben. “Wat doen we, nemen we een wijntje?” “Weet je, we doen het gewoon, kan ons het schelen.” “Welja, je hebt gelijk ook.” De ober werd gewenkt en de dames bestelden beiden een glas witte wijn en een tosti. Ik genoot. Even later werd het onderwerp mannen aangesneden. Ze waren beiden redelijk teleurgesteld in de liefde, ze hadden ook besloten dat een serieuze relatie er wat hen betreft niet meer in zat. Stel je voor. Mannen die blijk gaven van interesse werden honend afgewezen. Een van de dames was net verhuisd en had de pech naast een vrijgezelle buurman terecht te zijn gekomen. “Zelfs mijn dochter zei, mam, dat is echt helemaal niks voor jou.” Blijkbaar had de arme man getracht toenadering te zoeken. Poeh, ze had hem vakkundig afgepoeierd. Aan mijn lijf geen polonaise. Ik moest vreselijk lachen in mezelf. Ik denk niet dat de dames er erg in hadden hoe overdreven en ongeloofwaardig ze klonken. Maar ach, ik denk wel dat de afgewezen mannen eigenlijk goed af waren. En behoed voor een heleboel ergernis.          

Machteld
44 2

Mijn vriendin

Ze hebben een filmpje gemaakt in haar laatste huis. Haar laatste thuis. Zelf staat ze er niet op. Niet meer. Haar vriendin zie ik wel in het filmpje. Wandelend in het bos, zoals wij ook samen deden. Meestal hetzelfde toertje. "Dit is de ring", zei ik dan, als we de auto's aan de rand van het bosje voorbij zagen scheuren. "Ze gaan er nogal vandoor", zei ze altijd. Het is iets om bij stil te staan. Ik zie haar vriendin lachen op het filmpje, zoals ze het vaak samen deden. Zeker die ene keer, toen ma haar tanden kwijt was en haar vriendin de verloren tanden onder het bed zag liggen. Ze schaterden het uit. Zelf hadden we alles afgezocht en binnenstebuiten gekeerd. Onze tanden in de zoektocht gezet. Maar ze waren nergens te bespeuren. God weet hoe ze daar terecht waren gekomen. In het begin kon ze de naam van haar vriendin moeilijk onthouden. "Mijn vriendin is nog hier geweest", zei ze dan. Of: "Ge weet wel, mijn vriendin." We wisten het wel. Och, als het leven een film was, zou er niemand naar de bioscoop gaan. Dan speelden we allemaal de hoofdrol. Wat eigenlijk zo is natuurlijk. Een beeld uit haar persoonlijke film was de voorschoot die ze van 's morgens tot de late namiddag droeg. Dat was in het eerste huis (voor ons, niet voor haar), waar het allemaal begon. Het is een treffend beeld van de moederschoot. Altijd in de weer, dikwijls in de keuken. In de geur zit onze sterkste herinnering. Het zijn vooral haar gebloemde keukenschorten die ik regelmatig in mijn hoofd zie opduiken. Misschien moet ik - als de nostalgische buien niet meer te stoppen zijn - er ook zo eentje aantrekken. Niemand die het weet.  

Rudi Lavreysen
12 0

I'm your M.A.N.

In mijn tienerjaren in de sixties ben ik aan het zwart-wit TV scherm gekluisterd voor de serie ‘The man from U.N.C.L.E.’ De Koude Oorlog tussen de V.S. en de Sovjetunie woedt in alle hevigheid. Misdadigers uit beide staten krijgen een tweede kans en worden agenten van geheime organisaties. Napoleon Solo, een professioneel inbreker wordt agent bij de CIA. Gaby Teller, de dochter van een Nazi-wetenschapper, die op het einde van de Tweede Wereldoorlog met de Amerikanen collaboreerde, helpt Solo om via Oost-Berlijn Illya Kuryakin te doen ontsnappen, een agent van de Sovjet-Russische staatsveiligheidsdienst KGB (Komitet Gosoedarstvennoj Bezopasnosti). Uiteindelijk vormen Solo, Teller en Kuryakiin  de kern van een nieuw internationaal netwerk van agenten die in alle landen operatief zijn. Het United Network Command for Law and Enforcement (U.N.C.L.E.) is een geheime organisatie waarvan voortaan ieder rechtgeaard persoon deel kan uitmaken. Via gecodeerde advertenties in TV magazines en jeugdkranten worden leden gerekruteerd.Ik weet dat veel van mijn vrienden en familieleden de serie volgen maar ben er van overtuigd dat geen van hen de onopvallende berichten hebben opgemerkt. In het grootste geheim heb ik mijn kandidatuur ingestuurd naar een postbusadres in Douglas op het eiland Man.  Twee maanden later krijg ik een briefomslag waarop duidelijk: ‘Personal & Confidential’ staat vermeld.  Gelukkig denkt mijn moeder dat het een grapje is van een van mijn vrienden en overhandigt mij de enveloppe zonder vragen te stellen. Trots lees ik op een bijgaand schrijven: vanaf vandaag ben jij een Man van U.N.C.L.E, één van de vele geheime agenten die garant staan voor het bestrijden van het onrecht in de wereld.  Er zit ook een pasje in waarop mijn foto staat en een stamnummer. Fier als een pauw, berg ik het document op in mijn nieuwe portefeuille, die ik kreeg samen met mijn  eerste identiteitskaart.      

Vic de Bourg
6 0

Niet al oud wat blinkt

Over enkele weken word ik een halve eeuw. Volgens een artikel dat ik gisteren las in een of ander blinkend flutmagazine (een ‘glossy’ heet dat tegenwoordig), zijn daar drie grote voordelen aan verbonden: je begint meer te genieten van het leven na je vijftigste (omdat je meer tijd hebt en over een groter budget beschikt), je maakt makkelijker keuzes (omdat je je minder aantrekt van de mening van anderen) en je weet beter wat je wilt, wie je bent en waar je voor staat. Dat laatste klopt helemaal. Ik sta voor de Carrefour. Een kruispunt, maar dan op z’n Frans. Zo belangrijk voelt het voor mij helemaal niet. Noch het winkelen, noch het verjaren. Veel meer heb ik van dat artikel uit het blinkboekje niet onthouden. Vier spelfouten ontdekt, dat wel, terwijl ik niet eens geconcentreerd las. Typisch. De verpakking lijkt vaak belangrijker dan de inhoud, het is niet al goud wat blinkt en schijn bedriegt. Dat heb ik al geleerd tijdens de voorbije negenenveertig jaren die ik hier rondstap. Of beter gezegd rondmank momenteel. Ik draag sinds eergisteren nieuwe steunzolen en dat is altijd wat wennen. Wat wenen doe ik bijna aan de kassa, als ik te horen krijg hoeveel ik moet neertellen voor een zak sandwiches, een paar sneetjes belegen kaas en een kartonnetje Westmalle Tripel. Ach, niet erg. Binnenkort zal ik sowieso over een groter budget beschikken en automatisch meer van het leven gaan genieten. Wat een levenswijsheid. Stel niet uit tot je vijftigste wat je vandaag nog kan doen, denk ik terwijl ik een eerste slok Westmalle Tripel neem. Op de verpakking van de sandwiches lees ik: 8 + 2 gratis. Juist ja, eerst de prijs verhogen en daarna de nietsvermoedende, onschuldige consument nog wat overdrijfzand in de ogen strooien met zogezegde extraatjes. Niet met mij! Ik tel ze na en ik tel er elf. ‘Ik tel er elf! En er zitten twee doffe tussen. Vervallen rommel! Zo is het makkelijk weggeven!’ roep ik naar mijn vrouw. Ze kijkt even en zegt daarna verbazend kalm: ‘Dat zijn er gewoon twee die ze vergaten in te smeren met geklutst ei. Ze glimmen niet, maar ze zijn zeker niet vervallen. Dat van die elf zal wel aan de Westmalle Tripel liggen.’ Het waren er inderdaad maar tien en de twee glansloze, die ik meteen zelf opat omdat ze een air van kosteloosheid over zich hadden, smaakten vooral om die reden opperbest. Dat makkelijker keuzes maken heb ik onder de knie. Over die Westmalle Tripel moest ik daarstraks ook niet lang nadenken. Mijn vrouw heb ik zestien jaar geleden eveneens voortreffelijk gekozen, dus het is niet nieuw. Af en toe zou ze me misschien wat meer kunnen steunen tijdens momenten van dyscalculie en onevenwichtig gedrag. Op mijn steunzolen hoef ik ook al niet te rekenen.  

Danny Vandenberk
11 0

Schilderen

Mijn maatje en ik riepen het al een tijdje, “we moeten echt laten schilderen hoor, in de woonkamer”. We waren (en ik ben) niet echt een klusser dus het werd eigenlijk keer op keer uitgesteld. Tot ik vorig najaar riep “en nu gaan we het echt plannen”. Door alle gebeurtenissen werd het (begrijpelijkerwijs) weer uitgesteld maar nu was het dan echt zo ver. De huiskamer zo ver als mogelijk leeg, alle planten, foto’s en andere kleine spullen naar boven of naar de garage, gordijnen er af. Pfff, het huis was ineens helemaal geen thuis meer. Stef vond het ook vreselijk, hij liep maar heen en weer en zou het liefste boven op mijn bed gekropen zijn. Jammer, maar dat ging toch even niet door. Dit was wel het moment voor mij om ook eens kritisch rond te kijken. Wat wil ik nog wel terug en waar ga ik afscheid van nemen. Ik hecht niet zo aan spullen maar mijn maatje was daar anders in. De lamp in de hoek bijvoorbeeld, ik ben er op uitgekeken maar mijn maatje vond hem nog altijd mooi. Wat doe ik er mee. Wegdoen voelt, hoe misplaatst ook, bijna als verraad. Hij moest weg voor de schilder dus ik maakte maar vast een foto, misschien kon hij toch op Marktplaats. Even later werd de beslissing voor me genomen toen ik de glazen kap liet vallen. In duizend stukjes. Tja. Toen alles van de muur was, werd toch wel duidelijk dat het echt nodig was. Een paar dagen tandjes bijten en dan is het leed weer geleden. Gelukkig ben ik ’s avonds overal welkom. Zo in een afgetakeld huis zitten is ook niet alles. Het lijkt wel of het dan niet warm te stoken is. En gek, ik voelde me er toch meer verloren dan normaal. Mijn veilige plek voelde even niet zo. Inmiddels is een hele vriendelijke en gemoedelijke schilder bezig. Uit zijn meegebrachte radio schalt de Nederlandstalige muziek. Of ik daar bezwaar tegen had? Welnee, helemaal niet. Bovendien ben ik veel te blij dat hij me komt helpen. Ik moet er niet aan denken dat ik dat allemaal zelf had moeten doen.    

Machteld
0 0

De eieren

𝗗𝗲 𝗲𝗶𝗲𝗿𝗲𝗻 Als de kippen 's morgens vroeg nog op hun stok zitten, zie ik het goud zelden passeren. Ik bedoel het goud dat de ochtendstond in de mond zou hebben. Zeker die zaterdag niet. 's Nachts had ik de slaap niet kunnen vatten en wat doet een mens dan? Hij vat iets anders. Een boek, zijn telefoon, de afstandsbediening of iets uit de koelkast. Hij zet zich op de zetel, gaat iets later terug naar bed, valt weer niet in slaap en vertrekt vervolgens terug naar beneden voor hetzelfde traject. Om 7 uur 's morgens had ik van al dat op en af geloop mijn 10.000 stappen voor die dag bijna bereikt. Om de dag toch smakelijk te starten vroeg ik mijn huisgenoten of ze zin hadden in spek met eieren. Dat had ik niet moeten doen, want in de koelkast had iemand de nieuwe doos met eieren bovenop de oudere gezet. En op die oude eieren stond geen datum. Daarom moest ik met de eitjes de versheidstest doen. Blijven ze op de bodem liggen in een beker met water? Of gaan ze lichtjes omhoog? Een mens zit daar 's ochtends niet op te wachten. De eieren ook niet. Ik kreeg het aardig op mijn heupen en kon een paar vloekwoorden niet tegenhouden. "Nu heeft hij niet alleen ambras met zijn eigen, maar betrekt hij er die arme eieren nog eens bij", zei onze oudste al gapend vanop de zetel. Ik bromde iets van eieren en onderaan, maar niemand verstond me. Beseffend dat zoiets geen frisse start van de dag was, besloot ik eerst een douche te nemen. Misschien kwam de gouden ochtendstond zoals water uit de kraan. Terug beneden zei ik goedemorgen en wenste ik iedereen een fijne dag. Ook de eieren. Al is dat braadpangewijs beschouwd een ietwat minder geslaagde uitdrukking.

Rudi Lavreysen
20 0