Zoeken

Vergissingen

Als kleuter presteerde ik het ooit om na het rinkelen van de schoolbel achter op de fiets van een mevrouw te springen van wie ik abusievelijk dacht dat het ons ma was. Ze droeg dezelfde beige regenjas. Toen ik haar aanspoorde met een "Allez, ju ma", keek ze achterom en viel ik van het verschieten bijna van het stoeltje. Een mens kan zich vergissen. Ondertussen is die lapsus opgeborgen in de nevelen van de tijd en dacht ik alles gezien en gehoord te hebben. Maar ook daarin vergiste ik me. Zo ging ik afgelopen zomer op een warme ochtend nietsvermoedend puffend de deur uit. Met een ovenvers brood in de ene hand en een zakdoek in de andere om het vroege zweet te deppen, liet ik kort daarna diezelfde neusdoek van het schrikken bijna vallen. De oorzaak was een uitroep van een voorlopig verborgen mevrouw. "Doeme, Rudi, luister nu toch." Het kon natuurlijk zijn dat een naamgenoot op dat ochtenduur al naar zijn voeten kreeg. Er bekroop me een gevoel van compassie, want wij Rudi's steunen elkaar. Kort daarna stootte diezelfde stem een tweede reprimande uit. "Zit, Rudi. En wel nu meteen." Dat ging me toch wat ver. Ik besloot de stem van de mevrouw te volgen. Ze kwam van achter het steegje. Maar daar zag ik alleen een mevrouw die in de weer was met haar hondje. Pas toen ik "Allez Rudi, kom" hoorde en het hondje vervolgens traag op gang kwam en me droevig aankeek, alsof het dier ook besefte wat er gaande was, begreep ik het. De hond was een naamgenoot. Dat had ik niet zien aankomen. Daarom een oproep aan alle Eriken, Danny's en Patricken. Verschiet niet, want binnenkort zijn jullie aan de beurt. Al is het van den hond, laat daar geen twijfel over bestaan.

Rudi Lavreysen
7 0

Vliegensvlug

Het leven zit vol plottwists. Een plot is dan een verhaal of een intrige en een twist een omslag, een verandering. Plottwists maken een verhaal memorabel, of een boek verrassend. In het leven lopen meerdere plots kriskras door elkaar heen. Plots die plots kunnen veranderen. Zomaar ineens. Onverwachte wendingen noemen we dat. Klinkt als een contradictio in terminis, want hoe kan je wennen aan dingen die onverwachts gebeuren? Toch is dat de essentie van het leven. Alles verandert. Als ik vroeger iets nodig had van de winkel, sprong ik op mijn fiets en ging het halen. Vervlogen tijden. Mijn kinderen doen dat al lang niet meer. Ze surfen, vinden wat ze zoeken en laten het aan huis brengen. Gelukkig fungeer ik nog als administratieve tussenschakel, al vermoed ik dat mijn bankkaart daar een grote rol in speelt. Als tegenreactie op al dat online shoppen ontstond er hier een paar jaar geleden een nieuwe trend, vooral onder de vrouwelijke pubers. In plaats van vanuit de luie zetel sites te bezoeken, swipend en scrollend speurend naar de juiste productjes voor de laagste prijs, gaan ze, in real life, zoals dat heet, op zoek naar écht avontuur en naar de kick van het realiseren van impulsaankopen. Die toevalstreffers willen ze vooral scoren in winkels met een groot assortiment aan spotgoedkope hebbedingetjes.  Naast betaalkaartenlegger heb ik nu dus ook een flexi-job als chauffeur, want die winkels liggen toch o zo ver en je weet maar nooit wat voor groot of zwaar materiaal je er koopt voor een appel en een ei. Terwijl zij, mijn dochters dus, de adrenaline laten vloeien, kan het mij geen hol boeien. Ze doen maar. Soms blijf ik gewoon in de auto zitten en wacht ik. Soms ga ik mee, al betrap ik er mezelf op dat ik meer naar de mensen kijk dan naar al die grote en kleine bakken vol rommel. En toen gebeurde het. Zomaar opeens. Het overkwam me. Hoewel ik altijd had gedacht dat ik er immuun voor was, dat ik er mij niet aan zou laten vangen. Er ontstond een behoefte. Niet terwijl ik een jong, zwartharig en schaars gekleed mokkel zat af te gapen, zoals je zou verwachten, maar gewoon, tijdens het ... Ja, hoe heet dat? Het snuisteren.  Ja, ik snuisterde. En ineens zag ik 'm liggen. Voor drie euro. Ik zag en ik kocht. Bijna zonder na te denken gaf ik toe aan een behoefte die ik vijf seconden eerder in de verste verte niet had.  En nu zit ik hier. Met een oranje vliegenmepper in m'n poten. Nog steeds geen spijt van. Hij ziet eruit als een degen, een soort sabel, met een goed in de hand liggende greep met zo'n gebogen stangetje. En de steel zelf kan je uitrekken. Net zoals de antenne op m'n oude radiootje. Verrekte handig om die klotekrengen vanop afstand onverwachts neer te sabelen. Niet zomaar een vliegenmepper dus. Een wapen. Nee, ik heb het niet op vliegen. Ik vind ze vies, en vervelend. Al lang voor ik de film 'The Fly' had gezien. Wie zit er graag op een stinkende drol? Een vlieg. Wie kakt er zelf stiekem op je eten als ze de kans krijgt? Een vlieg. Wie komt er op de rand van je bierglas zitten en laat zich welwillend in het schuim vallen? Een vlieg. Wie komt er tien opeenvolgende keren net boven je enkel zitten, net op dat stukje bloot vel tussen je lange broek en je sokken? Juist.  Ze maken me gek! Huisvliegen, fruitvliegen, groene vliegen, aasvliegen, bromvliegen, vleesvliegen ... Doe me een lol! Ik haat ze, die stomme beesten.  Waarom noemen we een vlieg een vlieg? Omdat ze niks anders kan dan vliegen! Daarom! En kakken. En irritant zijn. Jaja, ik hoor je al denken: van die drie dingen kan je er zelf maar twee, dus wie is er dan stom?  Vliegen dus niet. Ze hebben gewoon een heel klein brein. 'Gebruik toch eens je verstand,' moet je tegen een vlieg niet zeggen. Ze doen het ten volle om bliksemsnel weg te vliegen van naderend onheil en om 'vliegensvlug' van koers te wijzigen als dat nodig is. Ze onderscheiden wel 300 beelden per seconde, dat is meer dan tien keer zoveel als de doorsnee mens en ook veel meer dan ik toen ik in mijn jonge jaren op een zomerse zaterdag de Playboycollectie van mijn neef ontdekte. Het probleem is dat ik geen vlieg kwaad doe. Maak daar 'deed' van, want sinds ik mijn oranje sabel heb, ben ik een meedogenloze seriemoordenaar geworden. Ik zoek ze, ik ruik hun angst en ik vermorzel ze. Liefst van al na het uitrekken van m'n steel. Trots ben ik er niet op, maar soms mep ik niet eens met volle kracht, zodat ik na de slag hun pootjes nog even zie bewegen en stuiptrekken vlak voor ik ze met een tissue helemaal plat knijp.  Wat een plottwist. De ietwat saaie huisvader die via het spontane shopgedrag van z'n kinderen en de marketingstrategie van een discountwinkelketen transformeert tot een bloeddorstig monster dat geniet van het lijden van z'n slachtoffers. Niet zomaar een vliegenmepper dus.

Danny Vandenberk
2 0

Twee straten verder

Het voorgerecht kozen we op goed geluk: “Münchner Weißwürste mit ofenfrischer Brezel”. Er verscheen een steelpannetje en daarbovenop een dessertbord met een pretzel. In het steelpannetje dreef een witte worst eenzaam in het water, alsof het een zwemmer was die na sluitingstijd nog in het zwembad lag. Voor het hoofdgerecht hadden we iets gekozen waaraan we niet konden weerstaan. Sauerkraut. Jawel, in volle zomer, in het ‘Brauhaus zum Stiefel’ in Saarbrücken. Die werd geserveerd met ‘zwei kartoffelteigklöße’. Dat waren een soort van pureebollen met daarin gehakt. Niet verkeerd, maar behoorlijk zwaar. Gelukkig was de smaak van de zuurkool bijna identiek aan die van thuis. Alhoewel ik het verhaal al vaak heb verteld, kon ik het niet laten om het nog een keer op tafel te gooien. “We gingen thuis in de vakantie zelden weg. Eind augustus werd er geoogst. Onze pa bracht de witte kolen rechtstreeks uit ‘den hof’ naar binnen. Ons ma en mijn meter zaten naast elkaar aan de keukentafel, met aardappelmesjes en een mandoline in de aanslag.” “Het was hun taak, jaar na jaar, om de zuurkool in te maken. De snippers zuurkool verdwenen in een stenen pot, die de wintermaanden in de kelder doorbracht. Laagje zuurkool, zout, aanstampen en zo telkens opnieuw tot de pot vol was. Bovenop lag een houten deksel.” “In het voorjaar werd de pot terug uit de kelder gehaald. Het had iets van een processie. Enkel de fanfare ontbrak nog.” “Daar zaten ze opnieuw aan tafel. De zuurkool werd verdeeld in lege dame blanche ijsdozen. Het was een feest, want we konden opnieuw verse zuurkool eten. Mijn meter en nonkel Jos namen hun gedeelte mee naar huis. Maar vooraleer ze thuis waren, hadden ze met hun tweeën al een portie koude zuurkool verorberd. En je moet weten, dat was maar twee straten verder.”

Rudi Lavreysen
6 0

De colloscopie

Vanochtend om zes uur belt Oma me wakker. Ik neem de telefoon niet op en zet hem op vliegtuigmodus. Een half uurtje later wordt er aan de voordeur gebeld. Vliegensvlug doe ik een onderbroek aan en spurt naar beneden. Er staan twee politieagenten voor de deur. 'Goeiemorgen, iets met Oma?' 'Ja' 'Kom maar binnen. Het is veel te fris.' Oma is verward. Om 05uur30 heeft ze de psychiater gebeld, want ze is ongerust. Ze kon me niet bereiken. Vannacht droomde ze dat ik bij haar was geweest om afscheid te nemen. De politieagenten zijn vriendelijk. Ik vertel hen dat Oma met momenten flipt.  Ik eet tegen mijn zin een witte boterham, want volkorenbrood mag niet. Morgen heb ik een dikke darmonderzoek. Ik ben dus op dieet.  De volgende dag sta ik om kwart na zes op. Ik heb kou. Ik doe pipi. Ik neem mijn pilletjes. Ik rook. Ik drink één tas koffie, want ik moet nuchter blijven. Ik drink toch een tweede tas koffie. Zo'n groot probleem zal dat wel niet zijn. Ik hoest. Ik doe de gordijnen open. De iPhone laadt. Ik drink een glas foud'O. Ik twijfel of ik een Nicotine-klever zou meenemen. Ik twijfel ook of ik er niet naartoe zou fietsen en dan later mijn fiets terug op te pikken. Of toch gewoon te voet? Of toch de bus van de Lijn?  Twintig na zeven beslis ik om te voet te gaan. Daarvoor de informatiebrochure nog een keer doorgenomen. Ik rook nog een sigaret om het af te leren. Ik zie er tegenop om een ganse dag niet te kunnen roken.  Ik wandel via de nieuwe kaai richting steenweg op Merksplas. Het regent niet. Ik wandel op het fietspad. Nu en dan fietst er iemand op weg naar zijn werk voorbij. Aan het bord 'de campus Sint-Jozef is rookvrij.' steek ik een sigaretje op. De bus 43A richting Hoogstraten komt voorbijgereden. Aan de inkombalie neem ik een ticket en meld mij aan voor het daghospitaal. Ik begroet de straathoekwerker die zegt: 'Ik had u niet herkend.' Stipt om acht uur meld ik me aan op het vierde verdiep, route negenentachtig. Een verpleegkundige wijst me mijn kamer en vraagt: 'Heeft u nog papieren ingevuld?' 'Jazeker. Alsjeblief.' Ik geef haar de paperassen die ze snel bekijkt.' 'Gij hebt uw huiswerk goed gemaakt.' Ik krijg een éénpersoonskamer en moet daar niet voor bij betalen. De wandeling tot aan het ziekenhuis viel goed mee.  'Hier is de godendrank van vandaag.' zegt de verpleegster. Ze legt uit dat je elk kwartier twee glazen moet leegdrinken. Het beste is ook om op de gang wandelingetjes te maken, want dan 'zakt alles beter.' Om half negen drink ik mijn eerste glas Colofort. Op één uur is de eerste fles leeg. Ik moet nog niet naar het toilet. Ik doe blokjes rond in het dag hospitaal en kijk door de raam. De verpleegster heeft me ook geprikt en een infuusnaaldje gestoken waarlangs straks medicatie zal gegeven worden. Het volgende wandelingetje, na glas vijf en zes, blijf ik in de buurt van mijn WC-pot, want ik krijg het gevoel dat ik moet urineren. Mijn darmen maken een raar geluid. Het lijkt er op dat er allerhande sappen zich vrij maken. Mijn darmen borrelen, bruisen, pruttelen, knorren en kabbelen. Kortom: het rommelt. Mijn kamernummer is vierhonderd achttien. Glas zeven en acht, de tweede fles dus, gaan al iets moeizamer. Ik zet de timer van mijn iPhone weer op vijftien minuten. De verpleegster, een vrouw van middelbare leeftijd, vraagt: 'Lukt het? Gewoon verstand op nul en drinken, drinken. Daar moet je door.' Ik doe nog een kort wandelingetje op de gang. Ik krijg het gevoel dat die godendrank begint te werken.' Ik voeg het telefoonnummer van de CM-mobiel vrijwilliger toe aan mijn contacten. Om half tien moet ik naar het toilet. Durchfall. Het spuit eruit. Het stinkt naar rotte vis en giftige bospaddestoelen. Het maakt ook een hels kabaal. Ik doe de deur van het toilet toe om de vieze geur buiten de kamer te houden. Vijf minuten later moet ik een tweede maal. Het lijkt of ik urineer langs de aars. Vanaf nu geen wandelingetjes meer. Ik blijf in de buurt van de pot. Ik vermoed dat mijn darmen al leeg zijn. De tweede fles is op. Ik hoop dat de dokter de tijd vindt om me vroeger dan half vijf te onderzoeken. Zo niet wordt het een lange dag. Het is tien voor tien. Ik ga snel een derde fles halen. De verpleegster vraagt of ik de volgende keer niet wil doortrekken, zodat ze even kan komen kijken naar de helderheid van mijn losse stoelgang. Ik heb zin in een sigaret. Seffens ga ik op bed liggen voor een dutje. Het drinken gaat moeizamer en moeizamer. Er komt enkel nog vloeistof uit mijn darmen. De verpleegster komt kijken en zegt: 'Die kleine spetterkes hebben ze ook niet graag. Voor de rest ziet het er goed uit. Drink die derde fles nog leeg. Ik zal dokter Harlet bellen, misschien kan je dan vroeger naar het onderzoek.' 'Merci.' Ik ga op bed liggen. Vijf na elf. Nog drie glazen te gaan uit fles drie. Plots, zo rond vijf voor twaalf, staan er twee juffrouwen aan mijn bed. 'U mag meegaan richting OK' Ik vraag: 'Richting wat?' 'Operatie Kwartier.' 'Ah, uitstekend.' Ik overweeg nog even op het Wc te gaan zitten, maar volg de juffrouwen gedwee. We nemen de lift naar de eerste verdieping, slaan links af, en een keer rechts af. Ze zetten het bed voor een donkerrode deur. 'Ga hier maar op je bed zitten. Dokter Harlet komt zo.' Tien minuten later komt de gastro-enteroloog, helemaal in het zwart, op witte Zweedse klompen, aangewandeld. Hij zegt op vriendelijke toon: 'De verpleegster komt u direct halen.' Ik knik. Ik heb het gevoel dat ik pipi moet doen. In de verte komt een verpleegster op roze crocks met dekens en lakens op de arm naar me toe. Ze zegt dat ik kan binnenkomen in de kleedkamer. Ik moet mijn schoenen, broek, onderbroek uitdoen. Mijn bril heb ik ook niet nodig. Ik krijg een omslagdoek aangereikt en mag, als ik klaar ben binnenkomen. Ik moet op mijn linkerzijde op een laag bed gaan liggen. Dokter Harlet vraagt mijn naam en geboortedatum. 'Dan bent u de juiste,' zegt hij laconiek. Daarna stelt hij een vraag die ik vandaag al drie keer heb beantwoord: 'Neemt u bloedverdunners?' Neen.' Daarna geeft hij de verpleegkundig de opdracht mij de juiste dosis pijnstillende en kalmerende medicatie toe te dienen. Als ik me niet vergis onder andere Fentanyl van dokter Paul Janssen. Erg populair in de achterafstraten in de States. Ik ben suf, maar af en toe kan ik meekijken naar de beelden van mijn dikke darm. De zichtbaarheid is goed. De dokter blaast af en toe koolstofdioxide in de darm, hetgeen lichte krampen veroorzaakt. Ik slaap dus niet volkomen. Af en toe duwt de verpleegkundige op mijn buik om een vlottere passage van het onderzoeksinstrument doorheen de bochten van de darm mogelijk te maken.  Om tien voor één ben ik terug op kamer vierhonderd achttien. Ik doe een dutje van een uur. Er doet niks pijn. Om half twee ben ik nog wat suf. Ik ga eten vragen. Ik krijg twee pistolets en een tas koffie. Dat smaakt. Daarna doe ik mijn schoenen aan. Ik mag naar het kantoor van de dokter route D50. Die is kort en bondig: 'Enkel vier kleine poliepjes. Alles in orde.' Ik vraag: 'Kanker?' 'Neen, helemaal niks.' Hij vervolgt met 'de volgende colloscopie kunnen we over drie jaar doen.' En tot slot: 'U mag terug alles eten.'  In het gazettenwinkeltje in de inkomhal koop ik een bekertje koffie. Ik ga even naar de titels in de zwerfbibliotheek kijken en vergeet daar die koffie. Buiten steek ik meteen een sigaret op en bel de CM-mobielvrijwilliger op. Die me normaal gezien rond vijf uur ging komen oppikken. Hij is op weg naar Rijkevorsel en kan onmogelijk naar Turnhout komen. Ik heb geen keus. Ik wandel te voet naar huis. In de Aldi koop ik nog bakboter, eieren, Knoppers en ijsjes. Rond drie uur ben ik thuis. Drie uur vroeger dan gepland.  De secretaresse van de huisarts belt. Hij heeft het document van zorggroep Orion ingevuld en ik kan dat komen halen. Ik fiets naar de papenbruggenstraat. Daarna richting Oma en de verantwoordelijke van de serviceflat. Die eerste is thuis, de tweede zit niet op haar bureau. Oma is weer erg boos. Ik krijg opnieuw het deksel op de neus. 'Wat doet gij allemaal achter mijn rug?' Haar nieuwe TV heeft ze cadeau gedaan. Ik hou het kort. Om vijf uur drink ik thuis mijn eerste glas rode wijn, een gekoeld glas El Coto. Ik neem een tranxène en de antipsychotica. Ik ben van plan nog een tweede fles te gaan kopen, maar de Pakistani gaat pas om zes uur open. Ik zet Deezer op die klassieke muziek speelt. De Koe van de koestraat, mijn zus is daarstraks bij Oma geweest. Ik fantaseer dat het kutwijf van een rots valt in Portugal. Om half zes is de El Coto op. Ik moet nu een half uurtje vol maken tot de nachtwinkel opengaat. Ik overweeg nog op café te gaan, maar doe het niet want daar kost één glas evenveel als een hele fles. Mijn darmen geven opnieuw een concert. Ze borrelen, bruisen, pruttelen, knorren, kabbelen en worden overspoeld door koude, rode wijn. Eten doe ik niet. Ik doe een kort dutje in de antieke zetel en luister Leonard Cohen. Ik bedenk me dat dokter R. Harlet een competent geneesheer is. Even later fiets ik langs de parking van het station van de NMBS naar de merodelei en koop een fles El Coto. Acht euro en een half kost dat. Plots gaat de telefoon. Joop Plukkel uit Breda belt. Die gaat morgen naar Diest en vraagt zich af of hij bij mij op visite kan komen. 'Zeker Joop, kom maar langs.' Ik fantaseer nog steeds. Mijn darmen zijn gekalmeerd. Mijn brein nog niet. Ik steek een pastaplat in de microgolfoven. Ik ben van plan mijn zus en broer volkomen te negeren. Als dessert eet ik een Knoppers en drink een ayran. Om half elf kruip ik, straalbezopen, in bed.  De volgende ochtend ontwaak ik met een stevige kater. Ik doe pipi in de badkamer. Ik rook. Ik drink koffie. Mijn ingewanden zijn muisstil. Dit keer piept de ademhaling. Na de derde sigaret drink ik nog wat appelsap. Ik zie dat er in de pompbak een grote spin zit, die op mijn gemoed werkt. Ik ga opnieuw naar bed tot tien uur. Ik moet nog het een en het ander opruimen voor Joop komt. Ik rook mijn laatste sigaretje, dus ik moet een nieuw pakje gaan kopen. De zon schijnt. Ik zet de raam open om wat te verluchten. Ik ben moe. Ik eet een klein kommetje Kellogg's K met rode vruchten. Ik rommel wat op in de keuken. Ik vul de PMD zak. Daarna ga ik naar het toilet voor een grote boodschap. Eerst druppelt er wat urine uit mijn penis en dan plots een luide knal, alsof de knalpot van een Flandrien brommertje uit negentienzevenenzestig ontploft. Daarna vallen er geurloze, bruine keutels uit mijn aars. Plop! Plop! Plop! Dit alles wordt gevolgd door een maagkramp, alsof mijn verteringsstelsel wordt vacuüm gezogen. Het doet pijn, dus ik blijf rustig op de pot zitten. Om mijn gedachten te verzetten denk ik aan het bezoek van Joop. Ik hoop dat hij weer boekjes van Deelder bij heeft. Na tien minuten, die wel een eeuwigheid lijken, veeg ik mijn kont af en trek mijn broek op. Ik moet ook aan het Franse woord 'le transit intestinale' denken.  Ik wandel naar het gazettenwinkeltje waar ze ook een uitgebreid assortiment wijn, drank en sigaren hebben. Onderweg krijg ik een idee: 'Ik zou ook een fles Jack Daniels kunnen kopen; niet alleen sigaretten. Lust Joop dat? Schitterend idee.' Ik begroet de arrogante, Hollandse uitbater en koop een pakje Pall Mall red. Daarna informeer ik naar de prijzen van de Jack Daniels, want er staat een hele kast vol van dat merk. Ik twijfel tussen 'Sweet and Oakey' of 'Bold and Spicy'. Met mijn laatst honderd euro van de maand koop ik dan toch de flessen Bourbon Whiskey. Ik ga voor de Gentleman Jack van zeventig centiliter en de 'Sweet and Oakey' van vijftig centiliter. Thuis gekomen zet ik mijn aankoop in de koelkast. De keukentafel is nog steeds een puinhoop. Ik doe eerst een dutje, want ik ban moe van het wandelingetje en de keuzestress in de rook-en drankspeciaalzaak. Ik hoor de Braziliaanse buurvrouw vertrekken met haar zwarte Ford. Ik blijf in bed liggen tot kwart na twaalf. Joop verwacht ik rond één uur. Ik wil net de keukentafel opruimen als er aan de voordeur wordt gebeld. Joop is gearriveerd, drie kwartier te vroeg. 'Goedemiddag Joop. Hoe gaat ie?' 'Dag Felix, uitstekend. Is het hier betalend parkeren in de straat?' 'Geen idee. Ik parkeer mijn auto hier nooit' 'Doet je Saab 900 uit 1989 het nog steeds?' 'Vast en zeker. Die staat ondergronds.' 'Moet je wat drinken?' 'Koffie is goed.' 'Ik zal verse zetten.' Joop kijkt rond in de living en de keuken. 'Het lijkt wel een museum.' 'Neen, het is een puinhoop. Ik zal wat plaats maken aan de keukentafel. Melk? Suiker?' 'Neen, zwart.' We doen een praatje staand in de keuken. Hij begint, zoals verwacht, honderd uit te tetteren. Hij is op weg naar Diest. Hij heeft een tentje en een slaapzak gekocht. Hij wil een muziekgroepje zien en horen spelen op de ridderfeesten aldaar. Ze hebben de merkwaardige naam Roald Omar Oscar Dahl en zijn van Gent. Daarna haalt hij uit zijn armoedige totebag twee boekjes: ‘Gemengde Gevoelens’ en ‘Aforismen’. Eentje blijkt zelfs gesigneerd. ‘Daar ben ik blij mee, Joop. Merci.’ Joop vraagt of ik de monoloog met Bets heb gelezen. ‘Jazeker, ik vond die geweldig.’ Dan laat hij een foto op zijn gsm zien van tante Tettjes. Ja, in Nederland hebben mensen zo’n namen. Hij vertelt twintig minuten over wie er allemaal familie is en waar die allemaal wonen. Middelburg, Rotterdam, Hoorn, Vucht, Breda, Nijmegen, Leiden en ‘een stad in de polder boven.’ komen aan bod. Ik luister aandachtig, maar af en toe dwalen mijn gedachten af naar de flessen Jack Daniels in de koelkast, dus ik vraag: ‘Lust jij een borrel? Ik heb een fles bourbon whiskey in huis.’ Joop antwoordt ‘Ja, is goed. Wel maar eentje, want ik moet nog rijden. Ik wil wel proeven.’ We zijn alletwee de koffie moe. Ik haal twee glazen uit de keukenkast. Ik doe de Gentleman Jack open en giet de glazen vol. Ik ben echt benieuwd of dat goedje gaat smaken. ‘Uitstekend,’ zegt Joop ‘Goed idee ook om dat in de koelkast te zetten.’ Anderhalf uur later zijn de twee flessen op. Ikzelf ben al twee keer van mijn stoel gevallen. Joop is al drie keer tegen de deur van de woonkamer gelopen toen hij terugkwam van de WC. Hij tettert nog steeds. Het gaat over een deurklink in de vorm van een pik (werk van de lokale kunstenaar Ad Sierhuys of zoiets), een episcoop, weggegooide zelfportretten, een aap met een pistool in de mast van een piratenschip, Harry die vanop zijn bromfiets een brandbom heeft gegooid, notitieboekjes, het missiehuis, een kemping in Zuid Frankrijk, waarom je nooit een Renault mag kopen, de onroerend goed handelaar van Zadelhoff, oorlepels en kontlepels, blote-bolle-billen beuken, ‘ik kom hier nog op terug’ van collega schrijver Rob, The Buffoons, Mike Vaandrager, pony’s op de Faroereilanden, colloscopiën, een restaurant waar kinderen met het syndroom van Down opdienen, de laptop van Komrij in Oliviera do Hospital, de kleine gestalte van voetballer Gaston Grünberg, de nadelen van Facebook, de dooddoener ‘wie zal daar ooit het fijne van weten?’, het saboteren van een F16, Zweedse puzzels en Denksport in het algemeen, ‘Zit je te eten met je moeder?’, anagrammen als pseudoniem, titels van boeken voor pubers, een kopieerapparaat in het midden van de kerk, zwieren met een snorrebot uit vierhonderdvijfenzeventig na Christus, een ongeoorloofd wandelingetje op het terrein van de kerncentrale van Borssele met vrouwlief Marianne en de kinderen, het nut van lange opsommingen, de anekdote van Eduardo met tattoo artiest Schifmacher en diens vrouw op het graf van Herman Brood, de conclusie dat Old Number Seven waarschijnlijk toch nog de beste zal zijn, Els Dokter, de ‘S’ van Shell met stenen weggooien, inteelt op lokale poëziehappenings en oude vrouwtjes die Sinterklaas rijmpjes als slampoetry brengen, een gereformeerde die een zoektocht doet in het Antwerps schipperskwartier, hoe een ananas te slachten, de uiteenlopende kwaliteit van de  tandpasta’s in het Kruidvat, de pittige prijzen van passe-partouttickets van Photopfestival Breda, de basset Léon van een meter tien lang en zevenendertig hoog die enkel reageert op het woord ‘kroket’, wat de afkorting BDSM ook alweer betekent, … Aangezien alle alcohol op is, zijn we een beetje gefrustreerd. Ik stel voor een dutje te doen. Joop zet zich in de antieke zetel en valt meteen in slaap. Ik ga op bed liggen. Alles draait. Ik ben misselijk en dronken. Echt slapen lukt niet, maar ik ben enigszins opgelucht een tijdje niet te moeten luisteren. Ik hoor enkel gesnurk uit de woonkamer. Verbazingwekkend genoeg zijn mijn darmen en ingewanden oké. Ik duizel alleen maar. Het lijkt alsof ik op een vervelende kermisattractie zit. Ik blijf wel koppig op bed liggen in de hoop beter te worden.   Dag Joop, hoe gaat het verder?                                      

Hubert Grimmelt
0 0

Aan dhr. Georges-Louis Bouchez, voorzitter van de MR

Geachte heer Bouchez,  Dat u een fan bent van Napoleon Bonaparte, is al langer bekend. Zo organiseerde uw partij onlangs een familiedag bij de Leeuw van Waterloo, waar de kleine generaal de nederlaag der nederlagen leed. Sta me toe het een rare keuze te vinden. Maar kom, het is eens iets anders dan Plopsaland of Bellewaerde voor een familiedag.  In café De Kiezel wisten ze te vertellen dat u nog helden hebt. Zo kunt u zich vinden in Nicolas Sarkozy, Silvio Berlusconi en Bernard Tapie. Wat een fout gezelschap. Als jullie samen een kaartclubje in café De Kiezel zouden oprichten, zou er nogal gefoerteld worden. En gefoefeld, rekening houdend met de reputatie van deze heerschappen.  Er zijn natuurlijk meer politici met helden. Bart De Wever heeft het voor het oude Rome, dat is bekend. Zelfs zijn kat werd tot 'Maximus' gedoopt. Zijn idolen zijn onder meer keizer Augustus, Cicero en Julius Caesar. Maar hij pakt het iets slimmer aan. Hij gaat met zijn partijleden niet naar Circus Maximus in Rome, waar de Vlaamse leeuw enkele belgicistische gladiatoren oppeuzelt.  Mijn buurman Gust vertelde me dat er nog andere politici zijn die zich spiegelen aan een idool. "Wist je dat Conner Rousseau het voor de tennisser Roger Federer heeft?”, zei Gust. “Ik snap het wel, want die slaat ook alle kanten op. En je houdt het niet voor mogelijk, maar Frédéric De Gucht is een fan van Fidel Castro. Niet voor de politiek, maar wel voor de dikke sigaren van Fidel. Fredje is een verstokt roker. En bij de volgende verkiezingen zou hij wel eens de sigaar kunnen zijn."  Maar laat me tot de kern van deze brief komen, beste Georges-Louis. Ons vader had het vaak over 'de kleine man'. Nu, die 'kleine man' is niet Napoleon, maar wel de gewone hardwerkende burger die altijd en overal het onderspit moet delven. Ik zeg het graag met de woorden van Gust over de huidige regering. "Met dit hardvochtig beleid van de regering blijft de gewone man in de kou staan, maar hij heeft geen geld voor een nieuwe winterjas."  Trouwens, die bijnaam 'kleine generaal' kreeg Bonapartje omdat hij nogal klein van stuk was. Vandaar het bekende napoleoncomplex. Hij kende bovendien geen glorieus levenseinde. Ik heb ooit bij zijn graf in de Dôme des Invalides in Parijs gestaan. Op latere leeftijd werd hij verbannen naar Elba en hij blies zijn laatste zuchtje uit in Sint-Helena. Het is niet meteen iets om naar uit te kijken als u het mij vraagt. En er zijn nog van die dinges.  Tot slot nog dit. Ik heb Napoleon leren kennen dankzij het stripverhaal 'De hoed van Napoleon', een avontuur van Jommeke en zijn kornuiten. Daaruit heb ik geleerd dat de typische tweekantige hoed van Napoleon een 'steek' wordt genoemd. Het is een binnenkopper van jewelste, maar uw adoratie voor de kleine generaal houdt werkelijk geen steek.  Ik raad u dan ook aan om iemand anders te kiezen als held. Men vertelde me dat u nogal wat tatoeages hebt. Het is misschien een bijzondere keuze, maar wat denkt u van kempenzoon Tijs Vaneste als idool? Hij is zelf een tatoeëerder, maar het is vooral een eerlijke man met veel eerbied voor de echte kleine man.  Aan de andere kant van het Bouchez-spectrum is mediapersoonlijkheid en macho Fabrizio Tzinaridis (bekend van Temptation Island) een optie. Ik hoop dat men deze getatoeëerde kleurplaat in Franstalig België nog niet ontdekt heeft, maar als er bij hem iets uit zijn mond komt, doet het ook pijn aan de oren.  Afijn, u bekijkt het maar.  Ondertussen verblijf ik, met de meeste hoogachting,  Désiré Dinges

Désiré Dinges
9 1