Zoeken

De verkeerde voordeur

De verkeerde voordeurDendermonde in de regen, 10 uur“De tweede straat rechts, en dan het huis met de gele voordeur.” Dat had de man in het café op de hoek gezegd. Ik had wel de straat opgeschreven, maar niet het nummer. Daar woonde Marijke Elshout.De gele voordeur. Daar stond ik nu. Mijn paraplu dicht. Nog een keer door mijn haar geveegd. Zat mijn jasje goed? Ik belde aan en wachtte af of Marijke echt thuis zou zijn. Ik had via 2dehands.be afgesproken om de dressboy van de opa van Marijke te kopen, voor 25 euro. Ophalen bleek makkelijker, want een dressboy in een pakje, dat leek wel een tegenspraak.De bel. Nog een keer? Ik wachtte nog even. Daar denderde iemand de trap af.De deur ging open. Daar stond een grote vrouw met grote ogen, een grote bos krullend haar, een omvangrijke boezem en een bijzondere glimlach. Marijke!“Dag mijnheer! Komt u toch binnen. Ik had u al vroeger verwacht, maar nu bent u er toch. Kom binnen, kom binnen. Sorry, ik moet me nog even voorbereiden. Ja, ik ben te laat, ik moet nog even… Maar mag ik uw jas aannemen? Uw paraplu kan daar in de hoek. U moet daar in die rode zetel gaan zitten, en ik haal een kop koffie voor u. Of had u liever iets sterkers? Zegt u het maar, ik haal het voor u.”Voor ik het wist, zat ik in een rode zetel die wel heel laag was. Marijke was plots verdwenen, maar stond er even snel weer, met een kop koffie én een borrel. Ik wou iets zeggen, maar zat daar met een kop koffie in de ene hand en een borrel in de andere, een beetje achterover balancerend in de zetel. Marijke verdween alweer, deze keer de trap op, maar kwam meteen weer naar beneden en zei nerveus: “Het spijt me dat u moet wachten, mijnheer, maar het is voor mij de eerste keer. Sorry, hoor.” En ze liep weer de trap op.Ik slaagde er na enige tijd in het kopje en het borrelglas op een bijzettafeltje te zetten, en keek rond. De living was niet groot. De voordeur en de trap kwamen uit in de living; er was geen halletje. Door een deur zag ik een kleine, rommelige keuken, en achter mij lag een binnenkoer met een waslijn, waaraan een kleurrijk assortiment damesondergoed hing. Ik hoefde niet goed te kijken om te weten dat de lingerie uit de kleerkast van Marijke kwam. De maten leken allemaal even groot.In de living zag ik een oude schouw met een elektrisch verwarmingselement ervoor. Op de schoorsteenmantel stonden een heleboel eenhoornfiguurtjes, met kerstverlichting eromheen gedrapeerd. Verzamelwoede? Aan de muur hingen posters: Leonardo DiCaprio uit zijn Titanic-periode, een naaktfoto van Lady Gaga uit haar wilde periode en een heel bijzondere van Beyoncé.In de hoek stond een tv-toestel, en behalve de rode zetel was er een vrij grote, brede sofa, gedrapeerd met een heel grote patchworkdeken.Ondertussen had ik heel wat geluiden gehoord: een toilet, een bad of een douche of iets dergelijks, maar niet lang. Bizar? Waar bleef Marijke met de dressboy?“Komt u maar, mijnheer!” hoorde ik Marijke roepen. “Komt u maar boven.”Ik dronk vlug mijn borrel uit en liep de trap op. Bovenaan stond Marijke te wachten, in een lange, glanzende blauwe jurk vol groene sterretjes, met aangestifte lippen en, zo leek het mij, glitter op haar oogleden.“Komt u maar, mijnheer. Hier is het waarvoor u kwam.” Terwijl ik de deur binnenstapte die Marijke aanwees, zei ze: “Hier vindt u wat u zoekt. Chiara en Talara zullen u helpen…”Ik stapte de kamer binnen. Daar stond een vrouw, even groot als Marijke, met een kleine boezem en een lange, felgroene jurk met blauwe sterretjes. Ze had heel donkere ogen en lang, sluik zwart haar. Ik was zo onder de indruk van alles wat er gebeurde, dat ik ongevraagd ging zitten in een zetel die midden in de kamer stond. Tegen het plafond was een donkere hemel nagemaakt, met glinsterende sterretjes en een maan. Voor de muren hingen zware rode gordijnen.“Dag mijnheer,” zei de vrouw. “Welke naam heeft uw moeder u gegeven?”“Mijn moeder? Wat… U weet toch wie ik ben?” zei ik. “Ik ben Werenfried Vandeloo.”“We-ren-fried Van-de-loo. Wat een bijzondere naam. Heeft uw moeder u die gegeven?”“Neen. Ik heet Vandeloo, zoals mijn vader,” antwoordde ik geïrriteerd.“We-ren-fried: de bewaker van de vrede.”“Neen, ik bewaak helemaal niets. Ik werk bij de belastingen, en mijn naam is Vandeloo,” antwoordde ik, op boze toon.“Van-de-loo is…”“Mevrouw,” onderbrak ik haar.“Mijn naam is niet mevrouw, maar Chiara. Chi-a-ra: helder licht.”“Wij weten dat u uit de duisternis naar het licht komt. U wilt verlichting van uw duisternis,” zei de andere vrouw ineens. “Mijn naam is Talara. Ik bied beschutting.”“Ik kom die dressboy ophalen!” riep ik luid.“Niet roepen, Werenfried. Roepen is een slecht teken van je lichaam.”“Talara: de dressboy!” riep ik.“Pakchoi. Geen stress, boy,” zei Talara zachtjes.“Neen, geen stress,” fluisterde Chiara.Ik sprong recht. “Ik ben naar hier gekomen om een dressboy op te halen, een herenknecht, die u mij zou verkopen voor 25 euro.”“Vijfentwintig euro? Neen, ons tarief is 100 euro voor 90 minuten,” antwoordde Chiara.“Neen,” zei Talara, “ik denk dat Werenfried iets anders bedoelt. Wat kwam jij doen, Werenfried?”“De dressboy van je opa ophalen. Jij bent toch Marijke Elshout?” antwoordde ik.“Neen, Marijke Elshout is mijn zus. Ik ben Marina Elshout, en dat is mijn vriendin Klaartje Moeremans. Waarom heb jij die dressboy nodig?”“Wat dacht je? Om mijn hemd, mijn broek en mijn jas op te hangen. En om weer orde te brengen in mijn leven. Daarom!” brulde ik. Ik stond te trillen op mijn benen.* * *“Dat is goed: orde,” antwoordde Marina. “Daar zullen we voor zorgen. En voor rust. Ik ga straks met je mee naar de echte Marijke, voor je dressboy. Die woont hier een paar deuren verder. Maar wil je eerst even met ons praten, Werenfried?”“Waarover moet ik met jullie praten?” zei ik. “Over waarom jullie doen wat jullie doen? Zijn jullie psychiaters misschien? Ik dacht even dat jullie herengezelschap verkochten, maar dat is blijkbaar niet zo.”“Neen,” antwoordde Klaartje. “Wij zijn geen psychiaters of therapeuten. Wij verkopen rust en orde, en soms antwoorden. Wij kunnen goed luisteren.”“Hoe doen jullie dat dan?” vroeg ik.“Door aan jou te vragen waarom er geen orde is in je leven, en hoe je die hoopt te bereiken met een dressboy.”Ik ging weer zitten. “Sinds mijn vrouw Linda vijftien maanden geleden omkwam bij een verkeersongeval, is er geen orde en geen rust meer in mijn leven. Ik mis heel veel: haar liefde, ons samenzijn en de orde die zij bracht. Ik slaag er niet in mijn leven weer op te pakken.”Beide dames waren één en al oor. En ik vertelde verder.“Toen ik vorige week weer eens over mijn broek struikelde in de slaapkamer, en de dag erna mijn vest niet meer vond, heb ik besloten mijn leven weer in handen te nemen en de orde terug te brengen die zij in mijn leven bracht. Ik kende dressboys van de hotels tijdens onze vakanties. En hoe belachelijk dat ook klinkt: daar vond ik de kapstok. Een echte, mooie dressboy kost al gauw 150 euro, en omdat Linda dikwijls spullen kocht via 2dehands.be, heb ik daar ook eens gezocht. Zo ben ik hier beland.”“Wat een ontroerend en mooi verhaal,” zei Klaartje.“Marijke zal het ook fijn vinden dat de dressboy van haar opa zo goed terechtkomt,” reageerde Marina.Ik zei dat ik het fijn vond dat ze zo reageerden, en voegde eraan toe dat hun tarief te laag was, zowel voor dames van plezier als voor een luisterend oor. De belastingen zouden het nooit geloven: dat bedrag, voor twee personen, zelfs in bijberoep.Terug beneden hebben we nog een borrel gedronken. Ze zeiden dat ik nog een keer gratis terug mocht komen, voor een nieuwe beurt.We zijn samen naar Marijke gegaan, en die bleek ook een gele voordeur te hebben. Bovendien was zij de tweelingzus van Marina. Ze leken echt niet op elkaar. Zelfs niet boezemsgewijs. Marijke bleek meer het afstandelijke type. Dat kon je van haar zus en Klaartje niet zeggen. Die deden of ze me al lang kenden. Ondertussen was het één uur, en we zijn met z’n allen gaan lunchen in een brasserie in de buurt.De herenknecht staat nu in mijn slaapkamer en doet wat hij moet doen: dressboy zijn!EINDE

Ludovico48
0 0

De vrouw van ‘Ga even naar de bakker’

De vrouw van ‘Ga even naar de bakker’“Waar is de bakker?” zei de vrouw die aan de beurt was.Het tienermeisje achter de koffiekoeken, met slaapoogjes en een vuile schort, zei: “De bakker slaapt, mevrouw. Wij mogen hem niet wakker maken van zijn vrouw.”“Vraag haar dan of het vandaag niet kan. Ik denk dat het vandaag moet van mijn man.”Datzelfde meisje met Shakira op haar badge trok grote ogen en verdween.De andere klanten werden ongeduldig omdat er niemand anders was om hen te helpen. Vooral de mannen zuchtten diep. Drie zuchten later verscheen de bakkersvrouw in haar peignoir, met pieken natte haren. Ze keek een beetje boos en zei: “Wie was dat van die vraag?”De vrouw die aan de beurt was, zei: “Mevrouw, mijn man zei: ‘Ga even naar de bakker.’ Daarom dus die vraag. Mijn tweede vraag nu: is hij wakker?”“U bent toch aan de beurt, mevrouw? Wat kunnen wij u bieden?”“Zoals ik u al zei: ik moet even naar de bakker.”“Daar bent u toch!”“Maar ik wil Dirk, de bakker.”“Wel, Dirk, die slaapt, en wat u vraagt, kan ik u ook verschaffen. Wat zou u willen: brood, koeken of een of andere taart?”“Ik zie dat u Charlotte heet. Dat staat zo op het raam. Charlotte, kan ik u even spreken? En Esther is mijn naam.”“U mag Charlotte zeggen, Esther, maar als het zo speciaal is, schrijf het dan op een briefje.”“Nee, echt niet, echt, dat schrijven, dat hoeft echt niet. Het is nu net iets dat nog moet gebeuren, want ik wacht al zo lang.”“Waarop dan wel, en dan nog op de bakker? U bent toch aan de beurt. Ik wil u helpen. Zegt u nu maar hoe.”“Zal u dan met me meegaan naar de bakker en vragen of hij het geeft?” vroeg Esther.“Waarom toch? Waarom kan ik dat niet? Ik kan dat ook wel geven.”“Charlotte, u heeft die vandaag misschien al wel gekregen, dat weet ik niet. Dat mag u mij vertellen. Dan weet ik dat het goed is.”“Wat moet hij u dan geven?”“Een beurt, want mijn man wil het niet.”Hij zei: ‘Ga even naar de bakker.’

Ludovico48
7 0

Ferry

Ik zat eens op een boot van Kiel naar Oslo. Het einde van juli naderde en hoewel er al twee hittegolven waren verstreken, droegen vele opvarenden een lange jeans en windjack. We zaten in een zomerdip waarop de meesten zich voorzien hadden. Ik hoorde daarbij. Voor me op het zonnedek zaten drie Duitsers. Leeftijdsgenoten schat ik. Hij die het hoogste woord voerde had een manbun. Brusselmans zou het beschrijven als een welgekleide keutel. Zijn lange neus ondersteunde een pilotenbril die hij in zijn relaas al te vaak achteruit duwde. Bij regelmaat boetseerde hij zijn manbun om compactheid te behouden. Dat is belangrijk. Een ongehoorzame lok verdween achter zijn oor terwijl de andere hand een halve liter pilsbier omklemde. De man had er voor gekozen zich in een roze flamingo zwemshort te hijsen en een marineblauw linnen hemd niet dicht te knopen. Strandpantoffels van Tommy en witte enkelsokken met een poema op volstonden om zich voort te bewegen. Ik moet de wind dankbaar zijn die enkele woorden in mijn richting blies. Spaß en Confucius. Met nadruk op de u of oe zoals men meermaals uitsprak. Ook retrospectief, single vrouwen, vreemde mensen, ja! en ik ben tolerant verdwaalden in mijn richting. Ondertussen passeerde een ontblote bierbuik om een kijkje te nemen aan de reling. De elastiek van ´s mans boxershort titelde CHAMPION. Schoenen droeg hij niet. Een hongerige zeemeeuw vloog zich net niet te pletter toen hij de speklaag zag. De Duitsers schoven hun stoelen dichter bij elkaar en werden luider. Het opperhoofd had zonet drie verse halve liters gehaald die zijn volgelingen met gul gelach onthaalden. Ook de frietgeur die zich met de opkomende wind over het intussen zonloze zonnedek verspreidde, leek het testosterongehalte te voeden. Als op commando stond het drietal op, goot wat nog restte in één teug naar binnen en verdween in de krochten van het schip. Ik ritste mijn jas dicht en trok mijn pet strakker om mijn hoofd. Op weg naar Noorse koelte.

de amechtige specht
0 0

Tweezaam

Gisteren voelde ik me zo eenzaam dat ik iets deed wat ik normaal gesproken nooit zou doen, namelijk een artikel lezen over eenzaamheid.  Een van de ondertitels was: 'Op zoek gaan naar jezelf in vijf stappen'. Vijf? Daar wordt mijn stappenteller niet vrolijk van, dacht ik onmiddellijk. Ik gooide het glanzende gezondheidsmagazine weer op het salontafeltje en trok mijn stoute schoenen aan. Niet dat ik iets moedigs zou gaan doen. Vanochtend stonden ze in de weg, ik haspelde erover en bezeerde mijn dikke teen.  Wat later wandelde ik de straat uit in de richting van de bibliotheek. Daar kon ik, in bij benadering 6.000 stappen, immers op zoek gaan naar mezelf, want met wat geluk zou ik er tussen de duizenden boeken wel een paar vinden die ik zelf geschreven heb.  Zeven verschillende zou ik er in theorie kunnen aantreffen, want zoveel literaire werkjes omvat mijn oeuvre inmiddels. Na pakweg 4.500 stappen hoopte ik dat ik er helemaal geen zou vinden, want dat zou dan betekenen dat al mijn boeken ontleend waren. God, wat klonk dat in m'n hoofd weer contradictorisch. Ontlenen lijkt daar net het tegenovergestelde van lenen. Iets terugbrengen. En dan nog zoiets tegenstrijdigs: duizenden stappen lopen om je eigen boeken te lenen of te ontlenen om dan blij te zijn dat er geen meer ligt? De gedachte alleen al maakte me eenzaam.  Lenen-ontlenen. Misschien kwam het wel door die film van eergisteren. Je weet wel, die van die eeuwige vrijgezel annex playboy. Natuurlijk niet ik, want ik neem vrouwen altijd heel serieus en bovendien had ik maar een kwartiertje gekeken, zonder de titel te kennen. In elk geval had ik gezien en gehoord hoe het hoofdpersonage tegen zichzelf zei: 'Haar zou ik wel doen.' Heel even veronderstelde ik verkeerdelijk dat hij bij het plaatselijke centrum voor volwassenenonderwijs het volgen van een kappersopleiding ambieerde, maar hij had het dus over goedkope geslachtsgemeenschap hebben met de blonde vrouw die wat verderop, ik geef het toe, best sexy stond te wezen.  Hoe dan ook, na het opvallend vlot verleiden en mee naar huis nemen van de dame in kwestie en het kortstondige betekenisloze gerampetamp, vroeg de playboy zich bijna meteen af hoe hij zich zo snel mogelijk van het nog recupererende mokkel kon ontdoen. Ont-doen.  Doen en ontdoen. Naar analogie met lenen en ontlenen. Laat het los. Aha, de bibliotheekmedewerkster. Ik was er dus. Ze lachte me toe. Een gek lachje, zo'n beetje zwevend tussen vriendelijk, mysterieus en zoekend. Twijfelend. Zo'n glimlach van iemand die me herkent en niet meteen weet te plaatsen. Een lachje naar iemand die een leuke herinnering oproept. Of beeldde ik het me in? Ik liet het zo. Goed voor m'n onbestaande zelfvertrouwen. Mijn meest recente boek stond pal tegenover de onthaalbalie op prominente wijze uitgestald tussen de 'nieuwe aanwinsten'. Ik liep ernaartoe, aaide het uitvoerig en besnuffelde het daarna even. Dat is een reflex. Beetje beschamend toch wel, die gewoonte. Zeker niet rondkijken of iemand het gezien had. Zeker niet.  Ik keek naar m'n stoute schoenen en wandelde snel voorbij de onthaalbalie in de richting van de romans, zonder iemand aan te kijken. Gegrinnik. Damesgegrinnik. Dat heb IK weer. Die bibliotheekmedewerkster zal haar collega aangestoten hebben en samen hebben ze gezien hoe ik m'n eigen boek stond te strelen. Om door de grond te zakken. Ik durfde pas weer op te kijken toen ik bijna bij de letter 'P' was. Een eindje verderop stonden twee vrouwen. Ze babbelden naar mijn bibliotheekgevoel erg luid.  'Moet je zeker eens lezen, dit! Dit verhaaltje gaat bijvoorbeeld over een dementerende man die samen met hem in het ziekenhuis ligt. Hilarisch! Tegelijkertijd heeft het ook iets tragisch, maar alles is o zo komisch beschreven. Neem ineens het boek mee, je gaat er geen spijt van krijgen. Ik pak die dikke blauwe hier, van dezelfde schrijver. Lachen is gezond!' De twee vrouwen stapten in mijn richting. Ik kon amper nog ademen toen ik zag dat de ene al stappend de achterflap van mijn 'Heerlijk eerlijk' las en de andere met een grote glimlach mijn 'Kleine stukjes geluk' tegen haar borst drukte. Ik draaide me om en huppelde een eindje voor hen op in de richting van de uitgang. Onderweg knikte ik grijnzend naar de bibliotheekmedewerksters. Wat waren ze serieus en wat keken ze ernstig.  Opnieuw dat dubbele. Moest ik maar snel weer de oude worden, bevrijd van twijfels en onzekerheid, of voelde ik me plots als nieuw?  In elk geval leek het alsof ik mijn eenzaamheid net had ontleend. Teruggebracht naar de bib. Je vindt er flarden van in mijn overgebleven boeken. Ik laat ze achter me. Steeds verder.  

Danny Vandenberk
7 0

De papieren man

Ik moest nog snel wat schoolmateriaal gaan kopen, zodat mijn zoon na de les Plastische Opvoeding met een tekening kon thuiskomen in plaats van een aantekening. Het ging om tekenpapier en een kaft. Mijn vrouw had me de details doorgestuurd in een berichtje en ook waar ik deze spullen zou vinden: in de Schleiper, een winkel in de Joodse wijk. Ik was nog nooit in deze winkel geweest, maar toen ik zag waar de gps me liet stoppen, besefte ik dat ik er natuurlijk al talloze keren voorbij was gereden. Ik zette mijn fiets tegen de gevel en maakte hem met een dik slot vast aan de tralie van een kelderraam, dat op een kier stond. Even bleef ik staan. Er steeg een rotte lucht op, oud stof en zure melk. De wind speelde met de vuilwitte resten van wat ooit gordijnen waren. Ik keek nieuwsgierig en met weerzin naar binnen, maar ik kon in de duisternis daarbinnen niets herkennen waar mijn reeds op hol geslagen fantasie een kluif aan had. De ingang was aan de achterkant. Met mijn telefoon in de hand wilde ik iemand aanspreken zodat ik snel kon vinden wat ik zocht: een blok tekenpapier van het merk Steinbach, 270 x 360 mm, gewicht: 250 gram, en een tekenkaft van 28 x 38 cm. Er stond een oude dame aan de kassa die kennelijk hardhorig was en vermoedelijk om die reden haar vriendin had meegenomen. De jongeman achter de kassa stelde een vraag over hun aankoop, maar beide dames reageerden niet. Hij herhaalde wat hij zei, luider, waarop de vriendin nu wel iets had opgepikt, maar opnieuw vroeg wat hij had gezegd. ‘WILT U EEN TASJE MISSCHIEN?’ riep de jongen uit volle borst, toch nog zijn gezicht in de plooi houdend om beleefd te blijven. Daarna herhaalde het tafereel zich tussen de hardhorige dame en haar nog harderhorige vriendin. Een andere medewerker kwam me verlossen en vroeg wat ze voor me kon betekenen. Ik toonde haar wat ik zocht en ze sprak op omineuze wijze: ‘U zal zich hiervoor naar de kelder moeten begeven’. De kelder? Waar dat vieze gordijntje hing? Ik liep in de richting die ze had aangewezen. ‘U zult op het einde van de gang een trap naar beneden zien, achter de hoek.’ Ik rekende erop binnen tien minuten weer buiten te zijn, maar ik vertraagde onderweg naar de trap mijn pas bij het zien van al dat knutsel- en tekengerief. Links en rechts van mij smeekten kalligrafiepennen, scratch art en Japanse aquarelverf om door mij gekocht te worden. Opeens wilde ik een atelier bezitten en de hele dag schilderen en tekenen. Toen ik eindelijk bij de hoek was, zag ik de trap. Per trede die ik afdaalde, klonken de geluiden van de winkel steeds gedempter en werd de geur van onbeschreven papier steeds sterker. Ik kwam in een grote ruimte die ingedeeld was in verschillende gangen. Ik moest om een of andere reden aan een kleine universiteitsbibliotheek denken. Aan de overkant zat een man, verscholen achter een opvallend laag bureau. Hij boog zich wat voorover om me te kunnen zien, maar werd gehinderd door de kasten tussen ons in. Toen ik naderbij kwam, keek hij me aan. Eindelijk is er iemand, moet hij gedacht hebben. ‘Het is hier wel heel rustig hé’, sprak ik onbevangen, tezelfdertijd bedenkend dat ik in zijn situatie altijd muziek zou opzetten. ‘Ja, meestal is het hier wel kalmer dan boven‘. Hij sprak dat laatste woord uit alsof er twee dimensies bestonden. Hij vroeg wat ik nodig had en ik toonde hem mijn screenshot. Hij wreef verlekkerd in zijn handen: hij wist waar alles stond. Ondertussen zocht ik naar dat griezelige raampje maar kon het niet vinden. Toen hij me heel gezwind de kaft en het papier had overhandigd, bedankte ik hem en vond het een beetje sneu dat ik hem nu niets meer kon vragen. Het gebrek aan een radio maakte de stilte tussen ons niet draaglijker. ‘Soms is het hier heel druk hoor!’ zei hij. Ik knikte gretig en maakte aanstalten om te vertrekken. Hij zei: ‘Misschien tot nog eens hé’. Ik wist niet goed of ik hem een hand moest geven.

Lennart Vanstaen
0 0

Serendipiteit in de kelder

Ik heb het altijd al gehad: wanneer er gewerkt wordt in mijn directe omgeving, word ook ik door die werkmicrobe gebeten. Daarom schrijf ik graag in volle cafés en koffiebars, waar mensen aan hun laptop zitten of een interessante conversatie hebben over wilde plannen. Toen ik gisteren dus met volle overgave en zonder pauze de kelder was aan het opruimen, had ik dat voornamelijk te danken aan het feit dat heden mijn dak wordt gerenoveerd. En ook wel een beetje omdat de kinderen naar Disneyland zijn met de grootouders. Ik wilde net schrijven 'Ken je dat? Je had tien jaar geleden een plan met een kamer en een hoop spullen maar er is nog steeds niets aan veranderd', maar ik dacht, wat als mijn lezers dat niet kennen? Dan ontmasker ik mezelf als schaamteloze huiseigenaar die al tien jaar niets aan zijn kelder heeft gedaan. En dat zou ook niet waar zijn. Het punt is dat ik al snel merkte dat ik rommel van de ene plek naar de andere bracht. Dat is niet opruimen, dat is rommel verplaatsen. Wanneer ik verzamelingen oude rugzakken, reisspullen, tekeningen, cd’s en hopen schoolmateriaal van de slaapkamers in de bureau had gezet, gaf me dat een euforisch gevoel. Eindelijk! Een jaar later zag ik de staat van de bureau en werd er depressief van. Dus maakte ik de omgekeerde beweging. Zo verplaatsen spullen zich telkens. Van slaapkamers naar bureau, van woonkamer naar keuken of berging en weer terug. Een verdieping lager gebeurt hetzelfde: van het keldergedeelte naar de garage, of van de garage naar het tuinkot en dan een tijd later weer naar de kelder. En het was daar dat ik gisteren was aan het zweten. Goedgeluimd en gesteund door de opzwepende ritmes van Halcyon Digest van Deerhunter, had ik al behoorlijk wat werk verzet. Bouwafval zoals stenen en halve buizen had ik vooraan gezet om de volgende dag naar het containerpark te brengen. Voor tuinmateriaal zoals tuingaas, allerlei plantenpotjes en spades voorzag ik een aparte plek. Maar het leukste aan opruimen, zeker na een lange tijd, is dat je dingen terugvindt. Zo vond ik naast tientallen spinnen ook een plat bordeaux schaaltje dat uitstekend kon dienen als asbak voor mijn rokende vrienden die ik vaak een geïmproviseerd exemplaar moet geven. Ik vond ook enkele cd’s van een handboek Nederlands voor anderstaligen uit 2019 en honderden geplastificeerde didactische kaarten met overdreven emoties (bang, moe, triest), de delen van een Vlaamse woning met verdacht veel kamers (de berging, het balkon, de tuin, de garage, het terras, de kelder, de zolder, de woonkamer, de eetkamer…) en de ongelooflijke variëteit aan activiteiten van de Belg (opa leest een krant, moeder strijkt de was, Jan speelt voetbal). Toen ik de barbecue aan het afstoffen was – ik was ook helemaal vergeten dat ik er een had want we barbecueën nooit – vond ik een verkleurd papier onder het deksel. ‘Bedankt voor je bestelling, Gilbert Vanstaen, we gaan meteen voor jou aan de slag!’ Is het toeval dat ik dit vond net na wat ik enkele dagen geleden heb geschreven? Volgende week doen we barbecue.

Lennart Vanstaen
1 0

Mr. Bean en ik

Plots verscheen Mr. Bean op de Deense hotel-tv. In koor riepen mijn kinderen enthousiast zijn naam. Alsof je in een ver, vreemd land opeens een stuk Belgische chocolade ziet liggen in de rekken van een lokale krantenboer. Wanneer de aflevering uit was, klonk de droevige eindgeneriek. Dat pakt me altijd. Dan word ik meteen naar mijn jeugd gekatapulteerd, op de bruinleren divan van mijn grootvaders villa in ’s-Gravenwezel. Mijn grootvader was een man van vele talenten. Hij had lang voor ESSO gewerkt en voer als kapitein zijn hele leven naar Afrika op grote schepen. In zijn typische jaren ‘70 villa hingen dan ook allerlei maritieme parafernalia, zoals zonnewijzers, scheepsknopen, kompassen en uiteraard foto’s van zijn schip, De Mercator. Hij mocht daar gretig over vertellen, maar deed ook uit de doeken hoe kwik in een thermometer werkte of hoe je eigenhandig een binnenzwembad graaft. Het maakte niet uit wat het was, ik wilde graag alles begrijpen. We gingen niet vaak op bezoek, een aantal keer per jaar. Ik herinner me vrijwel nooit slecht weer, dus ik vermoed dat we vaker in de lente of zomer gingen. Wat ik als kind leuk vond, was dat onze bezoekjes in ’s-Gravenwezel altijd op dezelfde manier verliepen. Wanneer we arriveerden, stonden dezelfde hapjes klaar: kaasblokjes met mosterd, mini-uitjes en augurkjes, kerstomaatjes, schijfjes chorizo, druppelpaprika en natuurlijk kaviaar. Eerst dronk ik cola of ice-tea, later champagne. Na deze amuse-bouche stak hij plichtsbewust de barbecue aan, waarnaar veel aandacht uitging. Wat valt er nu telkens weer te zeggen over hete kolen, dacht ik. Later vermoedde ik dat het een ijsbreker vormde tussen hem en zijn zoon. Als de barbecue eenmaal op gang was, en wij waren uitgevoetbald, stonden we al als katten aan de glazen deur van het zwembadhuis te krabben, dat achteraan in de tuin stond. Daarbij moest en zou mijn grootvader ons eerst informeren over de water- en omgevingstemperatuur, die hij in het woonhuis kon aflezen. Rond 16u gingen we aan tafel. Ik vond dat vreemd. ‘Opa eet gewoon vroeger, omdat hij vroeger gaat slapen en vroeger opstaat. Veel oudere mensen doen dat zo. Elke ochtend om 6u zwemt hij voor het ontbijt’, zei mijn moeder.   Er volgde steevast ijs met fruit (vanille of mokka) waarna de volwassen mensen nog wat zouden napraten bij de koffie. Soms gingen we weer voetballen, maar vaker vroegen we om tv te kijken. ‘Deze keer moet jij het vragen’. Een van ons drie trok aan het kortste eind. Wie verloor, durfde ook wel eens zeggen: Lennart wil iets vragen, opa.’ Op Ketnet was er op dat uur meestal niets meer te zien dat mijn jongste broer ook leuk vond. Daarom vroegen we om een film. Maar opa had geen tekenfilms, alleen Mr. Bean. ‘Ken je dat niet? Dat is heel grappig.’ Mijn moeder gaf haar goedkeuring. Al snel werd het me duidelijk dat Mr. Bean ook vaak niet leek te begrijpen hoe de zaken in elkaar zaten. Routine en voorspelbaarheid gaven hem houvast. Hij dacht over de dingen na op een andere manier. Hij deed niet zomaar wat iedereen deed. Ik vond dat inspirerend, of hoopgevend. Ook al lachte iedereen hem uit. Over de begin- en eindgeneriek (een soort zoeklicht schijnt vanuit de hemel op een verlaten straat in Londen en een seconde later valt Mr. Bean als een afgedankte alien uit een UFO), had ik toen veel vragen. ‘Mr. Bean is een alien, iemand van een andere planeet’, verklaarde mijn moeder. Iemand van een andere planeet. Dat zeiden mijn ouders ook wel eens tegen mij. Mensen vroegen of ik soms van een andere planeet kwam wanneer ik weer eens iets vreemds deed. Sindsdien heb ik te doen met Mr. Bean. Maar het engelengezang brengt troost. Ook al zingen ze letterlijk: ‘Hier is de man, die een boon is.’

Lennart Vanstaen
0 0

Als het niet gaat, verdwijn ik graag

Afzeggen van een niet uit te stellen gebeurtenis, lang op voorhand gepland en naar uitgekeken. Dan gaat het niet! Dan neem ik tram of bus en soms zelfs trein. Daarna boor ik me in de stilte van een wandelinglangs water, het kan zomaar zee zijn of een rivier met wandelpad waarbij ik de eerste kilometer me toch tot nadenken gestemd voel bij het zien van zoveel cruisebotenen de vraag die rijst wie die LEZ-taksen zal betalen voor deze ofandere die daar op een stille zaterdagvoormiddag wandelt of jogt de verse uitlaten inademt tegen wil, dank en alternatief wegblijven in? Het gaat me niet, ik wandel verder meer ruimte, meer lucht, meer wind een gedachte houdt me vast en ik waag te verdwijnen in de mensenmassa van de stad met winkels, cafeetjes en eethuisjes dietoeristen en bewoners entertainen in hun vrijheid Hier en daar slenter ikeen winkel binnen en doe warempel onverwacht éénkoopje, een verraste winterjas elders, een heel andere winkel moet ik niets en kijk wat rond ookal voelt het eerder vierkant tussende tafels vol boeken en rekken met postkaarten door, waarvan ik dan tochnog, voor mijn nieuwe hobby, er tien koop ik weersta een boek, noteer het in mijn hoofdbinnenkort is het immers weer Kerst met lijstje Onderweg naar huis roltrappen neerwaartsde tram onder en boven daar voel ik het nog een keer‘het gaat niet vandaag’ en dan passeren alle beelden de revuedaar achter mijn ogen haasten ze zich om me te tonen wat ik zag van het  zwaar bekofferde en gerugzakte koppel tot het meisje in zomersportoutfitjoggend langs die boten met een geurtje aan de toeristen die over de loopplank wiebelen enhet broodje in mijn zelf meegebrachte tas met ookdat koopje, geplooid en de postkaarten voor mijn hobby Het gaat nog steeds niet en dat is niet erg, ik verdween voor even in het grijs van de massain de leegte van de stilte aan de rivier met boten zonder LEZ-allures en daarna met zicht tot achter de wolken die de beloftevan zuivering van lucht inhielden en een verse start na de alt ctrl delete die ik inplan voor thuis Marilou

Schrijfhoek
12 0

gedachten sorteren

Ik dacht: ik laat hier eens mijn gedachten lopen. Laat ik ze even vrolijk huppelen op dit papier, alhoewel, 't is geen papier. Ik kan het niet ruiken. En mijn gedachten zijn ook niet zo vrolijk momenteel. Lopen doen ze wel, snel. Want ik heb dit niet op voorhand geschreven, ik schrijf nu gewoon wat ik denk... En ik denk veel. Dat het niet stilstaat, dat is een feit. Zoals ik al zei: ze lopen. En soms kan ik ze niet bijbenen. Dus dan schrijf ik de absurditeit ervan op, zo kan ik het kaf van het koren scheiden. Piekeren vermijden. Of werkt dat zo niet? Jawel hè, jawel, dat werkt hè, mede-schrijvers. Oh, ik krijg een berichtje binnen. Mijn gedachte over een gedachte was duidelijk verkeerd, dat lees ik nu, terwijl ik schrijf... Multitasken noemen ze dat. Misschien is dit een fait divers en moet ik het bij het kaf sorteren. Na veertig jaar moet ik nog steeds leren dat gedachten niet bij iedereen zo huppelen tijdens een loop. Elk zijn loopstijl... En terwijl ik dit schrijf, denk ik: rust nu toch, stop eens met denken. Maar dat lukt niet, 't is als een lopend vuurtje dat op hol slaat. Of ja, lopend vuurtje... Die uitdrukking klopt niet helemaal, maar je begrijpt me wel. Niet te stoppen dus. En als iets niet te stoppen is, crasht het meestal eens. En dan vergeet je gewoon alles: waar je sleutels liggen bijvoorbeeld, of wat je ook alweer in de kelder ging doen.    Alleen    ver tra...gen    lij kt....te.....w...er...ke...n    *    "'k Moet pipi doen!" roept de kleinste.    Snel! Even andermans gedachten sorteren, hij moet dat nog leren.    Ik ga rechtveren.    Euh...    Wat wou ik nu ook alweer beweren?        

Troja!
10 1

Ik hang

Wat als je blijft hangen, ergens tussenin? Wat als je struikelt over de drempel van de deur waar je door wil. Wat als je je droom voor je ziet vliegen en je kan er net niet bij?   Op dat moment, zie je net iets meer, net iets meer dan de rest. Je kan terugkeren en erover vertellen in het verleden, of de ervaring meenemen en er nieuwe paden mee leggen. Paden die steviger, mooier en dragend zijn. Soms stappen er mensen met je mee. Mensen die bruggen helpen bouwen, zelfs helpen rouwen en je naar boven hijsen met touwen. En dan is er dankbaarheid, die dankbaarheid brengt licht op je pad.   Wat als je ziet, dat mensen blijven hangen, ergens tussenin? Dan kan je ze lezen, tussen de lijnen. Kan je ze voelen, tussen stilte en spraak. Dan kan je ze laten zien, wat er nog bestaat.   “Wat is er?”   Een niet- afgelijnde vraag. Want er is iets, tussen goed en kwaad, tussen zwart en wit, tussen liefde en haat, …   Als je ooit bent blijven hangen, tussen leven en dood, dan wordt tijd relatief. Negativiteit een dief. Want, wat is het mooi, als je niet meer moest blijven hangen. Als je terug mocht verlangen.   Wat is het mooi om zonnestralen in regendruppels te zien schijnen, om mist te zien verdwijnen, om vogels te zien landen, ouderen elkaar te zien dragen op handen. Om naar luchtschilderijen te staren en Kunst te mogen ervaren.   Een kunstenaar bouwt aan paden, voor zichzelf maar ook voor de ander. De kunstenaar voelt, verft, tekent, behandelt, boetseert, schuurt, … de werken. Werken die jou kunnen meetrekken in een diepere dimensie. Waar je verhalen in voelt. Soms is het mogelijk om de werken te horen, te ruiken, en niet gewoon te bekijken maar te zien.   Ikzelf schrijf graag bij Kunst, want zoals bij velen, maakt het veel los.   Kunst lijkt de donkere lagen weg te schuren, zodat het licht er terug op kan vallen. Zo raakt het ook onze ziel.   Je zou het kunnen zien als het neerslaan van muurtjes die die oppervlakkigheid beschermen en dan precies weten waar je je vinger op moet leggen. Het doorzien van pijnpunten en erop duwen tot het licht erdoor komt. Tot je eruit leert en een prachtig pad bouwt. Tot je ook je droom najaagt, ongeacht de rugzak die je draagt.         In 2018 begon ik aan de opleiding fotografie en koppelde poëzie aan mijn beelden bij een eindwerk. Vanaf 2024 kreeg dit concept een diepere dynamiek door poëzie aan andermans Kunst/beelden te koppelen. ©Griet Decabooter (mei 2026/revised okt.'26)

Troja!
7 1